Meneer Moolenaar was terug. Wat bleker. En ook magerder. Alsof hij een zware griep had gehad.
De klas ontving hem met applaus.
‘Dank je wel, allemaal’, zei hij. ‘Fijn dat ik jullie na mijn korte vakantie weer zie. Ik heb trouwens wel leukere vakanties gehad.’
De klas grinnikte.
‘Ik heb nog een mededeling die jullie wel prettig zult vinden - vanmiddag is er geen school.’
Een oorverdovend gejuich volgde. ‘Geen natuurkunde!’ schreeuwde er een. ‘De repetitie Duits gaat niet door!’ brulde een ander. ‘Dan kunnen we mooi...!’
‘Stilte!’ riep de leraar. ‘Ik ben nog niet uitgesproken. Ik heb helemaal niet gezegd dat jullie vrij hebben.’
‘Wat!?’
‘Jullie gaan vanmiddag meewerken aan de oogsthulp.’
‘Oogsthulp? Wat is dat nou weer voor onzin?’
‘Vanmiddag gaan we met de hele klas op het land aan het werk.’
Marloes ter Winkel was de eerste die reageerde. ‘Op het land? Wat moeten we daar dan doen? Kijken wat voor grondsoort het is?’
‘Nee, Marloes, aardappelen rooien.’
Ze keek de leraar verbijsterd aan. Toen zei ze hartgrondig: ‘Ba!’
Meneer Moolenaar glimlachte fijntjes. ‘Marloes toch! Dat had ik niet van jou gedacht. Kun je iets mooiers bedenken dan buiten te zijn, in de vrije natuur? Met zingende vogels boven je...’
‘En een partij modder onder je...’ vulde iemand aan.
Het duurde geruime tijd voor meneer Moolenaar zijn klas weer rustig had.
‘Er is misschien een kleine troost’, vervolgde hij. ‘De meisjes hoeven geen aardappelen te rooien...’
‘Hoiii!’
‘Die mogen in het bos eikels zoeken en beukenootjes.’
Ditmaal viel er een ongelovige stilte.
‘Meent u dat?’ vroeg Marloes tenslotte.
‘Zie ik eruit als iemand die maar wat uit zijn duim staat te zuigen? Het staat allemaal in een brief die we gisteren hebben ontvangen. En wie het niet gelooft gaat maar naar de rector.’
‘Belachelijk!’ riep iemand. ‘Ik heb nog nooit aardappels gerooid.’
‘Ik ben niet bij de Arbeidsdienst,’ protesteerde Hans van Beek. ‘Daar ben ik te fijn voor gebouwd.’
‘Beukenootjes?’ gilde een meisje. ‘Hoe zien die eruit?’
Ditmaal hield het lawaai verscheidene minuten aan.
Meneer Moolenaar ging achter zijn lessenaar zitten en steunde zijn hoofd in zijn handen. Hij leek eerder geamuseerd dan geschokt.
‘Jongens en meisjes’, zei hij tenslotte. ‘Dit kunnen jullie mij niet aandoen. Ik heb dit niet bedacht. Dit komt van hogerhand.’
‘Leuk van hogerhand’, zei Marloes. ‘Vooral met dit snertweer.’
Ze keken naar buiten waar de regen gestaag neerstroomde.
‘Waarom moeten wij daar voor opdraaien?’
‘Er zijn te weinig arbeidskrachten om al het werk te doen’, antwoordde meneer Moolenaar.
‘Geen wonder als iedereen voor de moffen moet werken.’
Het was Onno van Dijk die het zei. Een rustige, bedaarde jongen, die zich zelden opwond. En zijn opmerking sloeg in als een bom.
Arnold probeerde een houding aan te nemen alsof hij het niet gehoord had. Maar de spanning was opeens om te snijden. Onno van Dijk dus. Moest hij nu straks aan zijn vader vertellen wat hij gezegd had? Hij beet op zijn lip. Onno van Dijk was een van de weinigen die hem nooit iets in de weg hadden gelegd. Of zou dat zijn stiekemigheid zijn? Had hij zich misschien op de achtergrond gehouden en tegelijkertijd de anderen opgehitst?
Meneer Moolenaar schraapte zijn keel.
‘Het is de bedoeling dat jullie om kwart over twee verzamelen bij de molen’, zei hij. ‘De jongens nemen een schop mee, de meisjes een emmer of iets dergelijks.’
‘Met een schop kun je niet best aardappels rooien’, wist iemand.
‘Niets mee te maken!’ zei meneer Moolenaar opeens vinnig. ‘Er staat schop, dus jullie nemen een schop mee. Begrepen?’
Er volgde nog wat onverstaanbaar gemompel totdat meneer Moolenaar met de les begon.
Het bleef regenen. Niet hard, maar wel voldoende om iemand in drie kwartier te doorweken. Tenminste, als hij geen goede regenkleding droeg.
Arnold had een oude jas van zijn vader aan. Een paar maten te groot; dat ding hing als een tent om hem heen. Piet Bergman droeg een jekker van namaak-leer.
Ze waren niet de eersten. Bij de molen stonden tenminste vijftig leerlingen, ook uit andere klassen.
‘Kijk, vrijwilligers!’ hoorden ze schreeuwen.
Behalve een paar leraren - ook meneer Moolenaar was er - stond er een aantal onbekende mannen. Ze hadden witte armbanden om. Controle Oogsthulp stond erop.
Van een goed georganiseerde controle was echter geen sprake. Iedereen liep en schreeuwde door elkaar. De controleurs gaven aanwijzingen, maar niemand volgde ze op. Het was dan ook al ver over tweeën toen de wanordelijke groep zich in beweging zette. Vlak bij de plaats waar Arnold een paar maanden geleden zijn hachelijke avontuur met de Duitsers had beleefd, splitste de groep zich: de meisjes werden het bos ingestuurd, de jongens sloegen rechtsaf in de richting van een paar boerderijen.
Twintig minuten later waren ze op de plaats van bestemming. Piet, Arnold en nog een twintigtal anderen werden samen met meneer Moolenaar het erf opgedirigeerd. Daar werden ze ontvangen door een andere controleur en een zorgelijk uitziende boer.
Vier jongens werden meteen tegengehouden. ‘Wisten jullie niet dat je schoppen mee moest nemen?’
‘Jawel.’
‘Waarom heb je die dan niet bij je?’
‘Wij hebben thuis geen schop.’
De controleur wendde zich tot de boer. ‘Hebt u nog vier schoppen?’
De man bekeek het groepje argwanend. ‘U wilt mij toch niet vertellen dat dit aardappelrooiers zijn.’
‘Wat is erop tegen?’
‘Met die schoppen snijden ze de helft van mijn aardappels kapot. Daar komen ze mijn land niet mee op!’
De controleur was even uit het veld geslagen. Toen zei hij: ‘Ik heb orders om deze jongelui op uw land aan het werk te zetten. En ik heb ook orders om dat met schoppen te doen.’
‘Aardappels rooien moet met een greep’, zei de boer.
De ander haalde een papier uit zijn zak. ‘Ik heb orders om ze met een schop aan het werk te zetten! Hier staat het! Wijs me dat aardappelveld!’
De boer maakte een wanhopig gebaar. ‘Hebben ze dit werk al eens eerder gedaan?’
‘Daar heb ik niets mee te maken! Trouwens, aardappelen rooien lijkt me niet direct het lastigste karwei.’
De boer zweeg, wees vaag in de richting van een stuk bruin akkerland en verdween in huis.
‘Dan maar zonder schoppen’, verklaarde de controleur. ‘Jullie hebben tenslotte een paar handen aan je lijf.’
De jongens volgden hem langs een glibberig pad achter de boerderij.
‘Wat is het uurloon?’ informeerde Hans van Beek.
De man had weinig gevoel voor humor. ‘Jij hebt je brutale mond te houden!’ blafte hij. Bij de rand van het veld bleef hij staan en bestudeerde nogmaals zijn papieren. ‘Eén hectare aardappelen’, las hij hardop. ‘Eigenaar de landbouwer H.J. Slot.’ Hij wendde zich tot meneer Moolenaar. ‘U hebt van nu af de leiding. U zorgt dat de aardappelen gerooid worden. Kisten vindt u in de schuur bij de boerderij. Mochten er problemen zijn - ik zit bij Haverkamp op nummer vijfentwintig.’
Arnold overzag de akker. Hij had nooit geweten dat een hectare zo groot was.
‘Moet dat vanmiddag allemaal klaar?’ vroeg een van de jongens.
Meneer Moolenaar zei laconiek: ‘We zien wel hoe ver we komen.’
Ze gingen aan het werk. Dat wil zeggen - het eerste half uur. Toen was de lol eraf. De schoppen bleken inderdaad erg onhandig te zijn. De zware, van regen doordrenkte aardkluiten waren bijna niet van de aardappelen te scheiden. Daar kwam nog bij dat meneer Moolenaar kennelijk niet veel verstand van dit werk had.
Hij liep langs de rijen. ‘Fout!’ zei hij opeens tegen een paar jongens
die juist tenminste vijf kilo boven de grond hadden gebracht. ‘Helemaal verkeerd. Doe dat eens over.’
De jongens keken hem verbluft aan. ‘Overdoen? Wat bedoelt u?’
‘Ik bedoel precies wat ik zeg: overdoen! Onder de grond met die dingen! En dan opnieuw beginnen. En nu goed! Begrepen?’
De jongens trokken een langzame grijns. ‘Goed, meneer.’
Piet keek Arnold aan. ‘Heb je dat gehoord?’
‘Ja.’
‘Hij saboteert de boel.’
Arnold stak zijn schop in de grond en spitte aardappelen omhoog. Het was zwaar werk. Zijn rug begon pijn te doen.
‘Hij schijnt het nog niet geleerd te hebben’, begon Piet weer.
‘Ik weet het niet.’
‘Als ie weer zoiets flikt is ie de sigaar. Net als die Onno van Dijk. Heb jij dat ook aan je vader doorgegeven?’
‘Ik? Eh... nee.’
‘Schijtlaars! Dat hadden we afgesproken!’
‘Niks afgesproken!’ antwoordde Arnold nors. ‘Ik zal zelf weten wat ik wel en wat ik niet vertel!’
‘Nou, kalm maar. Volgens mij is het de enige manier om je niet op de kop te laten zitten. Je tanden laten...’
Op dat moment werd Piet in de nek getroffen door een homp klei. Bliksemsnel keerde hij zich om, maar alle jongens waren druk aan het werk.
Piet haalde de kleffe smurrie weg. ‘De rotzakken!’ siste hij. ‘Zag jij wie dat deed?’
‘Nee.’
Ze werkten weer een paar minuten totdat hen opeens de aardappelen om de oren vlogen. Het volgende moment was de veldslag algemeen. Aardappelen en modderkluiten zeilden door de lucht. En Arnold en Piet waren niet alleen het mikpunt.
Meneer Moolenaar maakte zich uit de voeten en stond hen aan de rand van de akker toe te roepen dat ze ermee moesten ophouden.
Zijn gezag faalde. Binnen vijf minuten zat iedereen onder de modder. Arnold en Piet verschansten zich achter een stapeltje loof, maar dat bleek een gebrekkige borstwering te zijn. En toen een van de jongens
met scheppen modder begon te smijten, liep het helemaal uit de hand. De activiteiten op het aardappelveld waren in de boerderij niet onopgemerkt gebleven. Volkomen onverwachts stond boer Slot tussen hen in. Hij schuimbekte. ‘Zijn jullie hardstikke gek!? Vooruit, jullie! Opgedonderd! Van mijn land af! Of ik trap jullie eraf!’
Ze gingen. Meneer Moolenaar deed nog een poging zich te verontschuldigen, maar de boer liet hem niet eens aan het woord komen.
‘Wat bent u voor een schoolmeester?’ schreeuwde hij. ‘Ik mag lijen dat het bij u morgen een even grote smeerbende is!’
Voor de boerderij groepten ze samen. ‘Wat moeten we doen, meneer?’ vroeg Johan Laning.
Meneer Moolenaar overzag het ontoonbare troepje. Toen schudde hij zijn hoofd. ‘Ga maar naar huis’, zei hij. ‘Een bad nemen.’
Vanaf die dag mocht klas 3 hbs niet meer meedoen aan de Oogsthulp. Ook de meisjes niet. Die hadden met hun tienen niet meer dan één emmertje eikels opgeraapt. En de beukenootjes - voorzover ze niet voos waren - hadden ze zelf opgegeten.
Maar de jongens van de vijfde moesten opnieuw aan het werk. Op zaterdagmiddag! Ze weigerden.
's Morgens kwam er echter een controleur van de Oogsthulp op school en nam alle persoonsbewijzen in beslag. Het was dezelfde die hen bij de boerderij van Slot had ontvangen, zag Arnold. Hij was in gezelschap van twee Duitse militairen zodat de jongens knarsetandend moesten toestaan dat de man er met hun persoonsbewijzen vandoor ging. Wie vanmiddag komt werken kan zijn persoonsbewijs terugkrijgen, zei hij. Hoe het afliep werd Arnold pas een paar dagen later gewaar. De hbs-ers waren met hun schoppen over de schouder afgemarcheerd - eveneens naar een aardappelveld. Daar hadden ze de controleur in elkaar geslagen en hem vervolgens de persoonsbewijzen afgepakt. Nauwelijks een uur later waren ze weer thuis geweest.
Toen Arnolds vader ervan hoorde werd hij woedend. ‘Ik ga me zo langzamerhand afvragen wat voor onverantwoordelijke lieden op die school de leiding hebben’, zei hij. ‘Wat voor straf hebben die knapen gekregen?’
‘Ik weet niet of ze straf hebben gekregen.’
‘Wat? Geen straf gekregen? Dan zal ik er persoonlijk voor zorgen dat dat alsnog gebeurt! Die Oogsthulp is er niet voor niets. Het gaat om onze nationale voedselvoorziening. En we kunnen niet dulden dat die door een stel werkschuwen wordt gesaboteerd!’
De jongens van de vijfde werden gestraft. Ruim een week na de gebeurtenis moesten ze bij de rector op het matje komen. Deze waarschuwde hen ernstig, waarna hij iedereen de opdracht gaf honderdmaal te schrijven: ik moet mij op een aardappelveld behoorlijk gedragen.
De school grinnikte.
Arnold vond het al lang goed. De gebeurtenissen bij de arrestatie van Moolenaar raakten erdoor op de achtergrond. Zijn angst voor een wraakactie van zijn klasgenoten verminderde. En in de klas had hij ook minder last van pesterijen, vooral sinds Piet naast hem was gaan zitten. Van Gert Veenkamp en Harm Huisink had hij helemaal geen last meer. Die waren op hun verzoek naar de andere kant van het lokaal verhuisd, om plaats te maken voor Marloes ter Winkel en Annet Burger.
Met Onno van Dijk, die gezegd had dat iedereen voor de Duitsers moest werken, gebeurde niets. Arnold maakte Piet er niet op attent. Hij had er geen behoefte aan weer de aandacht van de klas op zich te vestigen.
Bij de Jeugdstorm had Piet Bergman minder succes dan hij gedacht had. Er kwam geen stormbaan. En de leider zou ‘er eens over denken’ of boksen en worstelen konden worden ingevoerd. ‘Er is geen geld voor’, had hij gezegd. ‘En met zo'n kleine groep begin je niet veel. Bovendien is er nog genoeg ander werk te doen. Belangrijk werk. Er moeten aanplakbiljetten worden opgehangen, Volk en Vaderland moet worden verkocht en er moet gecollecteerd worden voor de Winterhulp.’
Arnold en Piet deden wat hun was opgedragen. Op een zaterdag in oktober stonden ze op een straathoek in het centrum, de een met een collectebus, de ander met een doosje met speldjes.
Er was weinig animo voor, Veel mensen hadden opeens grote belangstelling voor de grauwe etalages aan de overkant. Anderen waren in zo'n druk gesprek gewikkeld dat ze de beide jongens met hun rammelende collectebus niet eens schenen op te merken.
In een half uur haalden ze drie stuivers en een dubbeltje op.
‘Je kunt beter loten verkopen’, zei Piet. ‘Daar komen ze wel op af. Ze geven alleen als er ook wat te verdienen valt.’
Er passeerde een moeder die een dubbeltje in de bus gooide in ruil voor een speldje voor haar jengelende zoontje. Tien meter verder prikte het ventje zich in zijn vinger en begon prompt opnieuw te brullen.
Een paar jongens liepen jouwend aan de overkant voorbij. ‘Een knoop van de gulp voor de Winterhulp! Een knoop van de gulp voor de Winterhulp!’
‘Zullen we maar naar huis gaan?’ stelde Arnold voor.
‘Om die schreeuwers?’
‘Nee... Maar het begint te regenen. Straks loopt er geen hond meer op straat.’
Ze wachtten nog een kwartier. Toen gingen ze terug om hun collectebus in te leveren.
De jeugdleider schudde zijn hoofd toen hij zag wat ze hadden opgehaald. ‘Vijfendertig cent’, zei hij. ‘Hadden jullie niet wat langer kunnen collecteren?’
‘Het regent’, antwoordde Arnold. ‘De mensen geven niks.’
De man knikte berustend. ‘Goed dan. Jullie kunnen wel gaan.’