terug  begin  verderprepost
[p. 121]

15

Vrijdag, 23 oktober 1942.

Het liep tegen zessen. Mevrouw Westervoort, Rita en Arnold zaten aan tafel.

‘Heeft pa niet gezegd hoe laat hij thuiskwam?’ vroeg Arnold.

‘Nee - niet precies. Hij zei dat het wel zeven of acht uur kon worden.’

‘Hoe laat is het examen afgelopen?’

‘Weet ik niet.’

Het was even stil.

Toen zei Arnold: ‘Wat gebeurt er als pa niet slaagt?’

‘Dan wordt ie geen burgemeester’, antwoordde Rita.

‘Pa slaagt wel’, zei mevrouw Westervoort. ‘Hij heeft er hard voor gewerkt.’

‘Niet iedereen die hard werkt slaagt’, zei Rita wijs.

‘Zorg jij maar dat je wat harder werkt voor je secretaressediploma. Dan krijg je misschien eens een behoorlijke baan.’

‘Ik heb een prettige baan’, sputterde Rita tegen.

‘Je kunt toch niet je hele leven achter een schrijfmachine zitten?’

‘Wat dacht u dan wat secretaresses de hele dag deden?’

‘Een secretaresse verdient meer.’

‘Dat is waar. Maar daar moet je dan ook harder voor werken. En daar heb ik geen zin in.’

‘Als je hogerop wilt komen moet je diploma's hebben.’

‘Ik hoef helemaal niet hogerop te komen. Zolang niemand me voor de voeten loopt heb ik het best naar m'n zin.’

‘Wat bedoel je daarmee?’

‘U weet best wat ik bedoel - pa altijd met z'n wispelturige fratsen!’

‘Rita!’

‘Ach, ma, dat weet u toch zelf ook wel. De ene keer vindt ie het prachtig als ik een Duitse vriend heb en even later mag ik niet eens meer de deur uit. Belachelijk gewoonweg!’

‘Dat doet je vader heus niet zomaar. Dat doet hij voor je eigen bestwil. Je moet niet denken dat andere meisjes van jouw leeftijd...’

[p. 122]

‘Bestwil!? Laat me niet lachen! Hij is in staat me voor mijn eigen bestwil een jaar lang op zolder op te sluiten.’

‘Rita, ik verbied je om zo over je vader te spreken! Je wordt met de dag onverschilliger. Ik wou dat je wat meer eergevoel had.’

‘Ik zou niet weten wat ik ermee beginnen moest.’

Mevrouw Westervoort zuchtte. ‘Wat dat betreft zou je wat meer op je vader moeten lijken.’

‘En wat minder op u? Trouwens, wat schiet pa op met z'n eergevoel? Ik moet nog zien dat ie ergens burgemeester wordt. Daar heeft ie geen kruiwagens voor.’

Mevrouw Westervoort schudde haar hoofd. ‘Maar goed dat je vader het niet hoort.’

 

Om kwart voor zeven stak meneer Westervoort de sleutel in het slot. De drie in de keuken durfden zich bijna niet te verroeren. Ze hoorden hem de jas aan de kapstok hangen. De keukendeur zwaaide open.

‘En...?’

‘Geslaagd!’ Meneer Westervoort straalde. ‘Ik ben geslaagd! In één keer!’

‘O, Koos - gefeliciteerd!’ Mevrouw Westervoort omhelsde haar man.

‘Wat ben ik daar blij om. We zaten zo in spanning.’

‘Anders ik wel. Jongens, jongens..., het was me het dagje wel.’

‘Was het moeilijk, pa?’ vroeg Arnold gretig.

‘Gemakkelijk was anders, jongen. Er zijn er nog heel wat gezakt. Zestig van de ongeveer negentig die examen deden.’

‘Drommels, dan hebt u geluk gehad!’

‘Geluk? Ik heb er anders flink voor moeten werken.’

‘Maar dat bedoel ik ook.’

‘Geeft niet, Arnold. Kijk eens, ik heb wat meegebracht.’

‘Een fles wijn! Hoe kom je daar aan?’

‘Van een zaak in Utrecht. We hebben nu toch zeker wel wat te vieren, niet?’

Die avond was de ouderwetse gezelligheid terug. Ze praatten, deden spelletjes en Arnold dronk voor het eerst van zijn leven een glas wijn.

‘Weet je wie ik ook gesproken heb?’ zei meneer Westervoort. ‘Kameraad Blokzijl.’

‘Max Blokzijl? Van de radio?’

[p. 123]

‘Jazeker. Hij vertelde mij dat er grote behoefte was aan goede journalisten. Aan mensen die zich wilden inzetten voor onze zaak. Aan jonge mannen en vrouwen van karakter, moed en overtuiging. Hij zei dat het werk van de pers buitengewoon belangrijk was.’

‘Dat stond ook in “de Stormmeeuw”,’ zei Arnold.

‘Is dat niets voor jou?’ vroeg meneer Westervoort.

‘Ik weet het niet, pa. Daar heb ik nog nooit over nagedacht.’

‘Hoe zijn je opstellen op school?’

‘Redelijk. Meestal een zeven of zoiets.’

‘Je moet natuurlijk eerst de hbs afmaken’, ging meneer Westervoort verder.

‘Dan heeft ie nog even de tijd’, zei Rita.

‘En daarna zou je een opleiding kunnen volgen’, vervolgde meneer Westervoort enthousiast. ‘En intussen zou je al eens een artikel kunnen schrijven voor “de Stormmeeuw”.’

‘Dat heb ik nog nooit geprobeerd.’

‘Dan wordt het tijd dat je daar eens aan begint. Jij kunt het vast wel. Misschien kom je nog wel eens bij de redactie van “Volk en Vaderland”.’

Arnold voelde de gloed van de wijn. ‘Zou dat echt kunnen?’

‘Natuurlijk! Als anderen het kunnen - waarom jij dan niet? Als je maar oefent.’

Arnold oefende. Hij schreef. Een week lang. Bladen vol. Over allerlei onderwerpen. Hij bestudeerde artikelen in ‘Volk en Vaderland’ en schreef zelfs stukken over uit ‘de Stormmeeuw’. Hij maakte een verslag van de bijeenkomst in Utrecht op 20 juni en vergeleek dat met het artikel van de hoofdleider van de Jeugdstorm, Van Geelkerken.

Het maakte hem moedeloos.

‘Zo kan ik het niet’, zei hij.

‘Hoe niet?’

‘Zoals Hoofdstormer Van Geelkerken.’

Meneer Westervoort glimlachte. ‘Daar noem je ook niet de eerste de beste. Laat me eens zien wat je ervan gemaakt hebt.’ Hij las Arnolds verhaal. ‘We waren allemaal erg opgetogen. De vlaggen wapperden fier in de wind. En de drieduizend mannen op de tribunes stonden stram in de houding toen onze Leider het stadion binnenkwam...’

[p. 124]

‘Dat is toch goed’, zei meneer Westervoort. ‘Zie je wel dat je het wel kunt?’

‘Leest u dan ook maar eens wat Hoofdstormer Van Geelkerken heeft geschreven.’

Meneer Westervoort pakte het artikel in ‘de Stormmeeuw’.

‘Onze Leider’, las hij. ‘Ons leven behoort hem! Waarom? Wij zouden op dat moment het antwoord niet geweten hebben, maar ons allesoverheersende gevoel, dat gevoel wat een mens nooit bedriegt, vervulde ons hart met het onmetelijke, onstuimige verlangen die man trouw te zijn, trouw met de volstrekte overgave, die onze kracht toelaat.’

Meneer Westervoort zweeg enkele ogenblikken. ‘Tja’, zei hij tenslotte. ‘Maar je moet dit ook niet met dat van jezelf vergelijken. Kameraad Van Geelkerken heeft immers een jarenlange ervaring. En jij bent nog maar veertien. Je zult zien - over een paar jaar gaat het geweldig.’

 

Gedurende veertien dagen bleef Arnold zijn best doen iets goeds op papier te krijgen. Tenslotte lukte het hem een verhaal te schrijven waar hijzelf nogal tevreden over was.

Hij gaf het aan zijn vader. ‘Wilt u dit eens lezen, pa?’

‘Nu niet, Arnold. Ik moet naar een vergadering. Morgen misschien.’

‘Goed.’

Hij borg zijn papieren op. Maar de volgende dag had zijn vader evenmin tijd. ‘Het is razend druk op het stadhuis’, zei hij. ‘Ik moet overwerken.’

Nog een dag later kreeg hij bezoek van de Kringleider. Het was al bijna twaalf uur voor deze vertrok.

De week daarna vroeg Arnold het opnieuw.

‘Nou moet je eens ophouden met zeuren’, zei meneer Westervoort.

‘Je ziet toch dat ik het veel te druk heb.’

‘U wou toch zelf dat Arnold met schrijven begon’, zei Rita.

‘Ja, maar dacht jij dat ik steeds maar tijd heb om alles te bekijken? Ik heb gezegd dat hij goed moet blijven oefenen. Lezen jullie het dan!’

‘Ik heb er niet zoveel verstand van.’

‘En ik heb er te weinig tijd voor.’ Hij trok zijn jas aan en was even later de deur uit.

‘Zie je wel’, zei Rita, ‘sinds pa met die cursus klaar is is hij geen avond meer thuis. Altijd vergaderingen!’

[p. 125]

‘Ik vind het ook niet prettig’, zei mevrouw Westervoort. ‘Maar het is noodzakelijk. Een burgemeester moet nu eenmaal van alles goed op de hoogte zijn. Iemand die dat niet is krijgt geen benoeming.’

‘Dus - hoe meer vergaderingen hij bezoekt hoe meer kans hij heeft om hogerop te komen. Dat is dan zeker om aan die kruiwagens te komen. Trouwens - nu pa toch altijd weg is, zal ie er ook wel geen bezwaar tegen hebben dat ik ook weer uitga, 's avonds.’

‘Wanneer krijgt pa een benoeming?’ vroeg Arnold.

‘Dat weet ik niet.’

‘Heeft hij al eens gesolliciteerd?’ informeerde Rita. ‘Of hoeft dat niet voor burgemeester?’

‘Pa is al vijf keer ergens heen geweest. Voor inlichtingen en zo. Maar zonder resultaat. Hij zegt dat ze hem passeren.’

‘Had ik het niet gedacht?’ zei Rita weer. ‘Alle moeite voor niks!’

‘Dat moet je niet zeggen. Het is nog maar een maand geleden dat hij examen heeft gedaan. We moeten maar rustig afwachten.’

Donderdag, 17 december 1942.

Arnold kwam fluitend uit school. Daar had hij ook wel reden voor, want een acht voor wiskunde was geen alledaagse gebeurtenis. Hij hield echter op met fluiten toen hij zijn moeder zag.

Mevrouw Westervoort zat in een stoel bij de kachel. Ineengedoken.

Als een kleumend vogeltje.

‘Wat is er, ma? Voelt u zich niet goed?’

‘Ik ben zo koud’, antwoordde ze. ‘'t Is vanmiddag begonnen. Ik denk dat ik griep krijg.’ Ze hoestte met een pijnlijk vertrokken gezicht. ‘Wil jij de kachel even bijvullen?’

‘'t Is hier anders bloedheet.’

‘Dat komt omdat jij van buiten komt.’ Ze boog zich voorover en rakelde het vuur op. ‘De kolenkit staat in het schuurtje.’

Arnold knikte, schepte de kit vol en zeulde het ding naar de kamer.

‘Er is niet veel meer’, zei hij.

‘Het zijn de laatste’, antwoordde ze. ‘We zullen wel ergens turf moeten zien op te scharrelen. Of hout.’ Ze rilde. ‘Wil je ook nog even een deken voor me halen?’

[p. 126]

‘Waarom gaat u niet naar bed?’

‘Wie moet er dan voor het eten zorgen?’

‘O, daar redden we ons wel mee. Over een uurtje is Rita toch ook thuis.’

‘Ik kruip niet graag in bed. Dan voel ik me nog veel zieker.’

‘En als ik iets mankeer wilt u me met alle geweld in bed hebben.’

Een nieuwe hoestbui benam haar de adem.

Arnold keek zijn moeder bezorgd aan. ‘Moet u ook iets hebben? Drinken of zo?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Nee - ik hoef niks. Ga jij maar aan je huiswerk. Heb je veel?’

‘Gaat wel. Ik heb een acht voor wiskunde.’

‘Mooi.’

‘Ik sta nu gemiddeld ruim zesenhalf. Misschien krijg ik wel een zeven op m'n rapport.’

‘Heb je geen moeilijkheden gehad?’

‘Nee.’

‘Gelukkig.’

Hij haalde een deken en legde die over haar heen. Zijn hand raakte de hare.

‘U bent helemáál niet koud.’

‘Ik voel me rillerig.’

‘Hebt u koorts?’

‘Misschien. Maar 't zal wel weer overgaan. Ga jij nou maar aan je werk.’

Een uur later was mevrouw Westervoort niet beter. Integendeel. Toen Rita thuiskwam waren haar wangen vuurrood. Haar ogen schitterden onnatuurlijk.

‘Wat is het hier afschuwelijk warm’, zei Rita. ‘Wie zit er nou met een deken bij de kachel? U hebt koorts. U moet naar bed.’

‘En het eten dan?’ protesteerde mevrouw Westervoort zwakjes.

‘Dat komt wel goed. Wat scheelt er eigenlijk aan?’

‘Kou gevat, denk ik. Een griepje.’

‘Zal ik een hete citroendrank voor u klaarmaken?’

Mevrouw Westervoort glimlachte flauwtjes. ‘Citroenen? Die zijn niet meer te koop, Rita.’

[p. 127]

‘U moet naar bed’, zei Rita vastbesloten. ‘Zo kunt u hier niet blijven zitten.’

Mevrouw Westervoort gehoorzaamde. Maar het kostte haar zichtbaar moeite de trap op te komen. En toen ze tussen de koele lakens kroop, huiverde ze over al haar leden. Zweetdruppels parelden op haar voorhoofd.

‘Zal ik vragen of de dokter komt?’ vroeg Rita.

‘Ach, nee meisje. Als ik eerst maar eens goed geslapen heb. Daar is de laatste nachten niet zoveel van gekomen. Door dat hoesten.’

Tegen zes uur kwam meneer Westervoort thuis. ‘Waarom staat het eten nog niet op tafel? Ik moet om half acht alweer naar een vergadering.’

‘Ma is ziek’, zei Arnold.

‘Ma ziek? Waar is ze? Boven?’

‘Ja.’

Meneer Westervoort haastte zich de trap op. Toen hij na een kwartier terugkwam, stond zijn gezicht ernstig. ‘Ze heeft hoge koorts’, zei hij. ‘Veertig graden. We moeten de dokter halen.’

‘Is het griep?’

‘Dat weet ik niet. Het hoesten doet haar zo'n pijn.’

‘Ik ga wel even’, zei Arnold. Hij trok zijn jas aan.

‘Vraag of hij direct wil komen. En zeg het vooral van die hoge koorts... Moet je de knijpkat mee?’

‘Niet nodig. Ik vind het zo wel.’

‘Wees voorzichtig!’

Arnold stapte het duister in. Het regende zachtjes en de straten glommen vaag. Maar dat was dan ook ongeveer het enige wat er in de verduisterde stad te zien was.

Zonder zich al te veel te haasten liep Arnold de straat uit. Daar sloeg hij linksaf tot hij de gracht bereikte. Hij volgde de witte streep over de brug - die hadden ze getrokken nadat een stuk of vijf mensen in het aardedonker in het water waren gevallen - en vond na een minuut of tien de woning van hun huisarts.

Op het moment dat hij aanbelde naderde een Duitse patrouille.

Hij hoefde niet lang te wachten. De deur zwaaide open. Een zwakke lichtbundel viel uit de gang naar buiten.

[p. 128]

‘Licht aus!’ snauwde een stem.

‘Ja, kalm maar.’ En tegen Arnold: ‘Kom binnen.’

De deur sloeg achter hem dicht. Arnold stond in een hoge gang met een marmeren vloer. Links en rechts bruine deuren. Bordjes met ‘SPREEKKAMER’ en ‘WACHTKAMER’. Een lichte geur van lysol en ether.

‘Wat kan ik voor je doen?’

Arnold kon het gezicht van de dokter bij het tegenlicht van de ganglamp nauwelijks onderscheiden. ‘Mijn moeder is ziek’, zei hij. ‘Of u kunt komen.’

‘Je moeder ziek? Hoe is je naam...? O ja, ik zie het al - jij bent die jongen van Westervoort, niet?’

Arnold knikte.

‘Wat is er met je moeder?’ De toon van de arts was niet vriendelijker geworden.

‘Ze heeft koorts.’

‘Sinds wanneer?’

‘Sinds vanmiddag.’

‘Had je dan niet eerder kunnen komen?’

‘Dat weet ik niet... Het is eh..., het was eerst niet zo erg.’

‘Zal wel griep wezen’, bromde de man. ‘Ik zal een recept schrijven. Wacht jij maar even.’ Hij opende de deur met het bordje ‘SPREEKKAMER’.

‘Ze heeft veertig graden koorts’, zei Arnold.

‘Dat zal wel’, antwoordde de dokter. ‘Bij deze griep hebben ze dat allemaal.’ Hij verdween en kwam terug met een briefje en een doosje. ‘Hier zitten poeders in. Daar moet je moeder er vanavond nog twee van innemen. En dit recept is voor een drankje. Je kunt het morgen bij de apotheek halen.’ Hij maakte aanstalten om de voordeur te openen. ‘Is dat een hoestdrank?’ vroeg Arnold.

‘Een hoestdrank? Hoe kom je daar bij?’

‘O, dat dacht ik... Omdat mijn moeder zo moet hoesten.’

De arts hield zijn hand op de kruk. ‘Heeft ze dat al lang - dat hoesten?’

‘Een paar dagen. Ze kon er niet van slapen, zei ze. En het doet haar ook pijn.’

‘Waar?’

[p. 129]

‘Dat weet ik niet. Maar ik zag het aan haar gezicht.’

De dokter zweeg enkele ogenblikken. Toen zei hij: ‘Ik kom vanavond nog wel even. En ga nu maar gauw. Ik wil niet nog eens moeilijkheden met dat licht.’

 

Tegen half acht liep meneer Westervoort in de kamer te ijsberen. ‘Komt die dokter nou nooit? Hij had hier al een half uur geleden kunnen zijn. Je hebt het toch zeker wel goed begrepen, hè?’

‘Absoluut, pa.’

‘En jij hebt haar zo'n poeder gegeven, Rita?’

‘Ja.’

‘'t Is te hopen dat het gauw helpt.’ Meneer Westervoort wreef nerveus zijn handpalmen. ‘Dat zoiets uitgerekend vanavond moet gebeuren.’

Ze keken hem niet-begrijpend aan.

‘Ik moet vanavond naar die vergadering’, legde hij uit. ‘Vanavond wordt er weer gesproken over een burgemeestersplaats. Daar kàn ik niet gemist worden.’ Hij raadpleegde opnieuw zijn horloge. ‘Al vijf over half acht. Ik had er al moeten zijn! Waar blijft zo'n kerel nou!’

Twintig minuten later arriveerde de dokter. Samen met meneer Westervoort liep hij naar boven.

Arnold en Rita zaten in de kamer en luisterden naar de gedempte mannenstemmen.

‘Ma is erg ziek’, zei Rita. ‘Ik dacht vanavond even dat ze mij niet eens zag.’

‘Komt dat van de koorts?’

‘Ik denk het wel.’

De dokter bleef niet lang. Voetstappen op de trap; daarna zacht gepraat op de gang.

‘U mag haar niet alleen laten’, hoorden ze de arts zeggen. ‘Een longontsteking mogen we niet onderschatten. Geeft u haar straks twee tabletten. En vanavond laat nog twee.’

‘Kunt u niet meer zeggen, dokter?’

‘Ik kan u alleen zeggen dat uw vrouw heel ernstig ziek is. Misschien kom ik vanavond nog even terug. Meer kan ik op dit moment niet voor u doen.’

‘Moet ze dan niet naar het ziekenhuis?’

[p. 130]

‘Dat heeft geen zin. Ze zou er dezelfde medicijnen krijgen. Goedenavond.’

Meneer Westervoort betrad de kamer. Zijn gezicht stond strak. Zijn handen beefden. ‘Longontsteking’, zei hij zacht. ‘Ze heeft over de veertig koorts. Rita, wil jij haar twee van deze tabletten geven? Jij kunt dat beter dan ik.’

Van boven klonk opnieuw een kreunende hoest. Even later stonden ze alle drie bij haar bed.

Mevrouw Westervoorts ogen glansden. ‘Ben je nog niet weg, Koos?’ fluisterde ze. ‘Je moest toch naar... een vergadering?’

Meneer Westervoort keek hulpeloos van zijn vrouw naar zijn beide kinderen. ‘Ik weet niet...’ begon hij.

‘Ga maar... gerust... Rita en Arnold... blijven wel hier... 't Is zo belangrijk... voor jou.’

‘Ach, zó belangrijk ook weer niet.’

Ze sloot haar ogen en schudde zacht haar hoofd. ‘Doe het... Doe het... voor ons... allemaal.’

Meneer Westervoort pakte haar hete handen. ‘Ik weet - wat ik doen moet’, zei hij. Hij stond op en wenkte Arnold en Rita hem te volgen. ‘Gaat u weg, pa?’ vroeg Arnold.

‘Misschien’, antwoordde meneer Westervoort vaag. ‘Maar niet nu... Later... Ik mag ma niet in de steek laten.’

prepostterug  begin  verder