terug  begin  verderprepost
[p. 131]

16

De volgende drie dagen waren angstiger dan Arnold ooit had meegemaakt. Om beurten, soms ook tegelijk, zaten ze aan het ziekbed en zagen hoe ze een haast wanhopig gevecht leverde met de slopende koorts. En ze waren machteloos.

De dokter kwam twee keer per dag, doch ook hij kon niets anders zeggen dan: ‘We moeten afwachten.’

Ze wachtten af - gespannen, bang en onzeker. Tot zondagmiddag.

Rita kwam plotseling opgewonden de trap af. ‘Kom gauw!’ riep ze. ‘Ma wordt beter! De koorts is gezakt!’

Ze vlogen naar boven.

Mevrouw Westervoort was doorschijnend bleek geworden. Maar ze glimlachte - iets wat ze de afgelopen achtenveertig uur niet had gedaan. ‘Ik heb goed... geslapen.’ Het kostte haar moeite die zin uit te spreken. ‘Gea...’ Meneer Westervoort zocht naar woorden. ‘We zijn... zo bang geweest...’

Ze knikte. ‘Je bent niet... naar die vergadering geweest, hè?’

‘Nee.’

‘Dat had je wel moeten doen.’

‘Ik wist toch niet...’ Hij haperde.

‘Ja, natuurlijk.’ Ze keek Arnold aan. ‘Heb je je huiswerk voor morgen al af?’

‘Huiswerk?’ vroeg Arnold verbaasd. ‘Wie praat er nu in vredesnaam over huiswerk?’

‘Zie je wel’, antwoordde mevrouw Westervoort, ‘als ik er niet ben is er niemand die op je let.’ Ze probeerde op haar ellebogen overeind te komen, maar zonk meteen weer terug in de kussens. ‘Ik ben doodmoe’, fluisterde ze.

‘Je moet weer gaan slapen’, zei meneer Westervoort. ‘Gaan jullie mee naar beneden, jongens?’ Bij de deur keerde hij zich om. ‘Wil je nog iets drinken?’

‘Straks... Een kopje thee.’

Toen ze beneden kwamen zei Rita: ‘Ma moet iets hebben waar ze

[p. 132]

gauw van opknapt. Biefstuk, of eieren.’

‘Ik weet wel een boer waar je eieren kunt kopen’, zei Arnold. ‘Ik ga er morgen meteen naar toe.’

‘Dat gebeurt niet’, antwoordde meneer Westervoort. ‘Dat is tegen de voorschriften, dat weet je. Eieren en groenten mag je alleen kopen bij de erkende winkelier.’

‘Ja, maar zoveel bonnen hebben we niet’, merkte Rita op.

‘Dan moet je maar proberen bonnen te ruilen. Er zijn nog tabaksbonnen. Die heb ik toch niet nodig.’

‘Wie zou er met ons willen ruilen?’

Er viel even een stilte. Toen zei Arnold: ‘Bergman misschien?’

‘Bergman rookt niet.’

‘Textiel-bonnen dan?’

Rita zei: ‘Ma heeft juist vorige week alle textielbonnen opgebruikt.’ ‘Zal ik dan toch maar naar die boer gaan?’ vroeg Arnold voorzichtig. ‘Geen sprake van! Ik zei je toch al dat dat tegen de regels is. Ik zal morgen wel informeren op het stadhuis. Ik denk dat we wel in aanmerking komen voor een ziekenrantsoen. Trouwens - groenten zijn toch niet op de bon?’

‘Nee.’

‘Dan haal jij morgen meteen verse groente, Rita.’

‘Waar moet ik die vandaan halen?’

‘Er zijn toch zeker wel wortelen te krijgen? Of boerenkool?’

‘Ik zal m'n best doen.’

 

Rita deed haar best. Uren stond ze in de rij en ze slaagde er inderdaad in een hoeveelheid groenten en fruit te bemachtigen. Alleen eieren kon ze nergens krijgen.

Mevrouw Westervoort knapte snel op. Op Eerste Kerstdag mocht ze zelfs een paar uur uit bed.

Toch heerste er geen opgewekte stemming. De dag ervoor had meneer Westervoort te horen gekregen dat hij er voorlopig niet op moest rekenen ergens tot burgemeester te worden benoemd.

‘Komt dat... door die vergadering, vorige week donderdag?’ vroeg mevrouw Westervoort.

Hij knikte. ‘De vrijdag erna zijn er twee man naar Utrecht geweest.

[p. 133]

Die krijgen waarschijnlijk wel een plaats.’

‘Misschien komt er later wel weer een kans...’

Hij haalde de schouders op. ‘Dat is de vraag.’

‘Je moet niet zo in de put zitten, Koos.’

‘Het is zelfs de vraag of ik mijn baan op het stadhuis wel kan houden.’

‘Wàt zeg je?’

‘Het komt door Bergman. Ik kan niet zo goed met hem opschieten.’

‘Daar wist ik helemaal niets van.’

‘Hij vindt dat ik werk doe waar hij best een goedkopere kracht voor kan vinden.’

‘Dat is toch te gek! Jij hebt dit werk toch altijd gedaan?’

‘Ik denk dat ie een vriendje heeft die hij op mijn plaats wil drukken.’ Hij wendde zich tot Arnold. ‘Ga je nog om met die jongen van Bergman?’

‘Af en toe. Op school in elk geval. En bij de Jeugdstorm.’

‘Hm... Maar jij bent er nog nooit thuis geweest, hè?’

‘Nee. Hij heeft het altijd druk. Ik vraag het hem ook niet meer.’

‘Doet hij het goed, op school?’

‘Tamelijk.’

‘Beter dan jij?’

‘Dat niet. Waarom vraagt u dat?’

‘Bergman zit over zijn zoon op te scheppen. Als je hem moet geloven is hij de beste van de klas.’

‘Dat is onzin. Ik kan er zo een stuk of vijf opnoemen die beter zijn.’

‘En niemand is zo goed in sport als hij...’

‘Dat is waar. Hij kan hard lopen. En schaatsenrijden. Dat zegt ie tenminste. Vorig jaar was hij jeugdkampioen of zoiets.’

‘Maar die meneer Bergman kan jou toch niet zomaar aan de kant zetten?’ begon mevrouw Westervoort weer.

‘Ik weet het niet, Gea. Maar ik ben er niet gerust op. Op die vergadering van vorige week - je weet wel - heeft ie ook het hoogste woord gehad. En daar zijn toen wel twee anderen uitgekozen, omdat ik niet aanwezig was. Ik was er al bang voor.’

‘Dat was toch niet jouw schuld!’

‘Dat heb ik ook gezegd. Ze zeiden alleen...’

‘Wat zeiden ze?’

[p. 134]

‘Dat het belang van de Beweging bij mij zeker op de tweede plaats kwam.’

‘Wat gemeen!’

‘Maar ik kan er weinig aan veranderen.’

‘Toe, Koos, zo heb ik je nog nooit meegemaakt. Je moet niet bij de pakken neerzitten. Je moet er wat aan doen!’

‘Ik zou niet weten wat.’

‘Je zou een brief kunnen schrijven.’

‘Een brief? Aan wie?’

‘Aan onze Leider. Je moet hem precies vertellen wat er hier gebeurd is. En hoe ze jou steeds passeren. Je zult zien - dat helpt vast!

 

Meneer Westervoort schreef een brief. Hij deed er lang over, want er mocht geen enkele fout, onnauwkeurigheid of onjuistheid in voorkomen. Drie dagen later pas deed hij hem op de post.

Op dezelfde dag kwam Arnold met zijn schaatsen in de hand de trap af.

Mevrouw Westervoort was weer in de keuken aan het rommelen. ‘Je wilt me toch niet gaan vertellen dat je gaat schaatsenrijden?’

‘Dat was wel de bedoeling, ma.’

‘Het vriest nog maar een paar dagen! Het ijs is nooit betrouwbaar.’

‘Vanmorgen was het zeven graden onder nul! En gisteren stonden ze al op de gracht!’

‘Die gracht is helemáál onbetrouwbaar. Daar is vorig jaar nog iemand verdronken.’

‘Dat was vóórdat er ijs op lag. Bovendien ga ik niet naar de gracht, ik ga naar het ondergelopen land op de uiterwaarden. Daar staat niet meer dan vijftig centimeter water.’

‘Maar er zijn wel sloten!’

‘Hè, toe nou, ma. Morgen gaat het misschien weer dooien. En 't is vakantie. Ik heb nu de kans.’

‘Ga je alleen?’

‘Ja, maar d'r zullen er ginds wel meer zijn.’

Mevrouw Westervoort keek bezorgd. ‘Het is nog mistig ook’, zei ze.

‘Je kunt wel verdwalen.’

‘Op een stuk ijs van honderd bij tweehonderd meter zeker! Ma, zit

[p. 135]

er nou maar niet over in. Er gebeurt niks. Ik ben er vorig jaar wel twintig keer geweest.’

‘Maar toen vroor het veel harder.’

‘Ik heb er al veel meer zien gaan met schaatsen bij zich.’

‘Als je me maar belooft dat je eraf gaat als het begint te kraken.’

‘Krakend ijs is gezond ijs!’ Arnold wachtte niet op meer tegenwerpingen, schoot zijn jas aan en was de deur uit.

Het was bijna windstil. Een koude, dichte mist hing in de straat en maakte alle vormen wazig en veraf.

Ongeveer twintig minuten lopen was het naar het ondergelopen land en toen Arnold de uiterwaarden langs de rivier opliep leek hij in een andere wereld te komen, een kleine wereld met een paar kromme knotwilgen als enige herkenningspunten. Een centimeter dikke laag rijp zat op takken, paaltjes en prikkeldraad.

Door de mist heen hoorde hij stemmen - er waren er inderdaad meer aan het schaatsenrijden. Hij liep verder tot de rand van het ijs en probeerde de sterkte ervan met de hak van zijn schoen. Er ontstonden wat barsten, maar verder kwam hij niet.

Hij bond zijn schaatsen onder en gleed even later over het dof glanzende ijs. De baan was een stuk groter dan een jaar geleden, want Arnold was na een minuut of vijf nog niet aan het eind. Grijze figuren van andere schaatsers doemden op en verdwenen. In een flits herkende hij een paar jongens van zijn school, maar hij deed geen moeite zich bij hen aan te sluiten. Met een grote boog keerde hij terug naar het begin, rustte even uit en begon toen opnieuw.

Zijn slagen werden forser. Zijn snelheid nam toe. Met een vaart passeerde hij sloten en ontweek boven het ijs uitstekende graspollen. Af en toe roffelde hol bomijs onder zijn voeten. Een eind verder sprong spontaan een barst voor hem uit. Terwijl hij zich afvroeg of krakend ijs werkelijk gezond ijs was, ontdekte hij opeens dat hij vrijwel alleen was.

Opnieuw keerde hij, ditmaal langs de rand van een rietkraag. Zo te zien schaatste hij nu op een kolk, want het ijs was diepzwart. Schaatssporen van anderen ontbraken.

Weer een barst, knallend als een zweepslag.

Arnold kreeg het plotseling benauwd. Dit ijs was volkomen on-

[p. 136]

betrouwbaar. Hij moest zo snel mogelijk zien weg te komen. En niet stilstaan. Vooral niet stilstaan.

Turend in de mist keek hij uit naar wakken. Het was echter de vraag of hij die zou ontdekken, want bij deze windstilte zou er weinig verschil te zien zijn tussen ijs en open water.

Hij had bijna de rand van het zwarte ijs bereikt, toen het gebeurde. Volkomen onverwachts zakte de ijsvloer onder hem weg - een gewaarwording alsof hij in een angstige droom in het niets stapte.

Arnold verloor zijn evenwicht. Hij viel voorover tegen de dunne ijsrand die meteen verder afbrokkelde. Zijn handen klauwden over de spiegelgladde schotsen. Wild trapte hij van zich af.

Het genadeloos koude water trok hem echter verder omlaag. Hij probeerde zwembewegingen te maken, maar opeens was het of zijn linkervoet niet meer wilde meedoen. En op hetzelfde ogenblik wist hij met verschrikkelijke zekerheid: hij zat vast. Met de punt van zijn schaats. Waarschijnlijk aan een stuk draad. Of aan de wortels van een rottende boomstronk.

Het maakte ook niet uit waaraan - het wak was een ijskoude, dodelijke afgrond geworden.

Arnold schreeuwde al zijn angst en wanhoop uit in een hoge, snerpende gil.

De mist ving het geluid op; smoorde het in een muur van miljarden kleine druppels.

Hij bleef worstelen, kreeg houvast aan een dikker stuk ijs en klemde zich vast. Maar zijn bewegingen werden al gauw langzamer - de doordringende koude had een verlammende uitwerking. Hijgend rukte hij zijn linkerbeen omhoog. Het had alleen als resultaat dat hij bijna onder water verdween.

Kon hij zijn schaats maar loskrijgen. Of desnoods zijn schoen. Hij grabbelde onder water naar de veters waarmee zijn schaatsen waren vastgebonden, maar verder dan zijn knie reikte hij niet. Hij zou dieper moeten. Met zijn hoofd onder water. En hij zou zijn rechterhand moeten loslaten.

De ijzige kou liet hem geen keus. Hij haalde diep adem.

Toen zag hij de twee jongens. Ze waren al dichtbij toen ze hem ook zagen. Hun schaatsen krasten van het harde remmen.

[p. 137]

‘Freek, kijk uit!’ hoorde hij schreeuwen. ‘D'r is er een door het ijs gezakt! In de kolk!’

De jongens weken terug van het wak.

‘Verrek! Het is Westervoort!’

Arnold zag het ook: dit waren de jongens van zijn school. In klas zes gymnasium zaten ze.

‘Wegwezen! 't Is hier veel te link!’ schreeuwde dezelfde van zoëven. Hij draaide zich om.

‘Help me!’ riep Arnold.

De jongen die met Freek was aangesproken aarzelde.

‘Schiet op!’ De ander begon weg te schaatsen. ‘Straks gaan wij er ook door!’

‘We halen hulp!’ riep Freek. Hij maakte aanstalten zijn vriend achterna te gaan.

Arnold schreeuwde in doodsangst: ‘Jongens, ik zit vast!’

Freek bleef staan op de plaats waar het donkere ijs begon. Toen liet hij zich op zijn knieën zakken, waarna hij op zijn buik naar het wak begon te schuiven.

Het ijs boog door onder zijn gewicht. Water golfde over de rand van het wak. Een halve meter voor Arnold stopte hij.

‘Probeer mijn hand te pakken!’ zei hij. ‘Maar kalm aan! Anders lig ik er straks ook in!’

Arnold rekte zich uit, maar zijn been leek verankerd te zijn in een ijzeren greep. ‘Mijn schaats zit vast!’ hijgde hij.

De andere jongen kwam terug. ‘Freek, ben je gek geworden? Láát die NSB-er!’

‘Hou je kop dicht!’ snauwde Freek terug. ‘En pak mijn benen. Vlug! Op je buik!’

Mopperend deed de ander wat hem gezegd werd. Centimeter voor centimeter duwde hij zijn vriend naar het wak tot deze Arnolds uitgestoken hand kon grijpen.

‘Nu trekken!’

De beide jongens trokken. De punten van hun schaatsen klauwden in het ijs.

Arnold worstelde om los te komen. De jongens gleden naar het wak. ‘Stop! Jij niet trekken!’ schreeuwde Freek. ‘Alleen vasthouden!’

[p. 138]

Arnold hield zich doodstil. Het water golfde hem tot de lippen. Zijn voet bleef vastzitten.

‘Het gaat niet!’ Freek liet onverwachts los en schuifelde terug. ‘We moeten het anders doen. Alex, je sjaal!’ Zelf maakte hij zijn sjaal eveneens los, knoopte hem aan die van zijn vriend vast en slingerde hem naar Arnold.

Zich schrap zettend op het dikkere ijs naast de kolk begonnen ze opnieuw te trekken.

‘We zijn gek’, zei Alex opnieuw. ‘We redden het nooit!’

Het kostte Arnold de grootste moeite met zijn verkleumde vingers de sjaal vast te houden. Maar de angst dat ze hem in de steek zouden laten gaf hem reuzenkrachten.

‘Probeer je voet los te trekken als ik het zeg’, gebood Freek. Hij maakte een gleuf in het ijs. ‘Nu!’

Arnold rukte zijn been omhoog. Een dof knappend geluid... Los!

De jongens struikelden achterwaarts. Arnold bleef vasthouden tot hij op de rand van het ijs lag. Toen kroop hij op handen en voeten naar een veiliger plek. Het water stroomde uit zijn kleren. Een sliert bemodderd prikkeldraad sleepte achter hem aan.

Hij deed zijn best omhoog te krabbelen, maar zag opeens zwarte vlekken voor zijn ogen.

Freek bukte zich, haalde het prikkeldraad van zijn schaats en smeet het in het riet. ‘Naar huis, jij!’ zei hij kort.

Arnold knikte. Even later stond hij, wankelend op zijn benen.

Toen hij langzaam terugschaatste, waren Freek en Alex al in de mist verdwenen.

prepostterug  begin  verder