terug  begin  verderprepost
[p. 139]

17

Nog diezelfde dag viel de dooi in. Maar daar merkte Arnold weinig van, want hij had uren nodig om weer warm te worden. Toen hij thuiskwam had hij meteen zijn kleren uitgegooid en was in bed gekropen. Met een stuk of drie kruiken.

Zijn moeder had weinig meer gezegd dan: ‘Goddank dat die twee jongens er waren. Morgen moet je ze maar gaan bedanken.’

Het enige wat Arnold aan zijn schaatstocht overhield was een verkoudheid, maar dat was na een paar dagen ook weer over.

Een week later vroeg zijn moeder hem: ‘Ben je al naar die jongens geweest?’

‘Nee, nog niet.’

‘Waarom niet?’

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik weet het niet.’

‘Of ga je liever niet alleen?’

‘Nee - zomaar.’

Mevrouw Westervoort zei: ‘Of ben je bang dat ze je... niet willen ontvangen?’

‘Misschien...’

‘Je moet toch wat van je laten horen. Je kunt ze ook een briefje schrijven.’

‘Een briefje? Wat moet ik daar dan in zetten?’

‘Dat lijkt me nogal makkelijk. Je schrijft gewoon dat je ze bedankt.’

‘Misschien vinden ze dat wel niet eens prettig.’

‘Dat kun jij niet weten.’

‘Dan bedank ik alleen Freek.’

‘Waarom?’

‘Die andere, die Alex, wou me gewoon laten stikken.’

‘Die heeft toch ook meegeholpen?’

‘Alleen omdat Freek het zei.’

Mevrouw Westervoort zuchtte. ‘Dan moet je 't ook zelf maar weten.’

‘Ken je zijn achternaam?’

‘Ja, Wiersema.’

[p. 140]

Arnold schreef. Een heel kort briefje werd het: Bedankt dat jullie mij uit het water hebben gehaald. Arnold Westervoort.

Na de kerstvakantie zag hij Freek verscheidene malen op het schoolplein, maar deze deed net of hij hem niet opmerkte.

Wel klonk uit een groepje dat hij passeerde een geïmproviseerd liedje: was ie maar verzopen, dan was er weer een minder...

Met een kleur van woede ging hij naar zijn lokaal. Begonnen ze nou alweer? En hoe wisten ze het? Had Freek iets verteld? Of Alex? Dat kon natuurlijk. Wie weet wat voor verhaal die had opgedist.

Piet kwam naast hem zitten. ‘Wat heb ik gehoord - ben jij door het ijs gezakt?’

‘Hoe weet jij dat?’

‘Dat weet toch iedereen. Mijn vader wist het ook.’

‘En wat dan nog? Dat kan toch iedereen overkomen!’

‘Nou - rustig maar. Wat heb jij vanmorgen?’

‘Niks!’

Ze wisten het dus allemaal. Misschien hadden ze hem in zijn natte kleren naar huis zien lopen. En had Bergman het van zijn vader gehoord.

Die morgen lette Arnold slecht op en prutste wat in zijn schriften.

Hij keek naar de rug van Marloes ter Winkel die vlak voor hem zat. Naar de zachte lijnen van haar schouders; naar de donkerblonde krullen die bij elke beweging van haar hoofd in haar hals dansten. En telkens als ze zich opzij wendde, zag hij haar gezicht met de altijd lachende ogen.

Hij zou graag eens met Marloes willen praten. Maar dat kon natuurlijk niet. Dat durfde hij ook niet. Marloes had haar vriendinnen. Die bemoeide zich nauwelijks met de jongens in haar klas. Trouwens - hij herinnerde zich nog goed hoe ze hem had aangekeken, die keer dat Moolenaar werd gearresteerd.

‘Arnold, waar zit jij zo naar te staren?’ Meneer Dijkmans blik was strak en koel.

Iedereen keek zijn kant op. Arnold werd vuurrood. ‘Ik...? Niks, meneer’, stamelde hij.

‘Geef me dan maar eens antwoord op mijn vraag.’

Arnold zweeg. Het bloed suisde in zijn hoofd. Tevergeefs trachtte hij zijn gedachten te ordenen.

[p. 141]

‘Wat heb ik gevraagd, Arnold?’

‘Waar... waar ik naar zat te staren...’

De klas brulde van het lachen.

‘Nee - ik bedoel dáárvoor.’

‘Weet ik niet, meneer...’

‘Je mag kiezen’, zei meneer Dijkman ijzig. ‘Of jij let op, òf jij vertrekt. Ik zal je nog één kans geven. Begrepen?’

‘Ja, meneer.’

Arnold bleef naar één punt staren. Waarom moest hij zich ook altijd zo belachelijk aanstellen.

‘Stommeling’, fluisterde Piet naast hem. ‘Jij laat je ook altijd op je kop zitten.’

Arnold deed alsof hij het niet gehoord had. Hij wist echter dat Piet gelijk had. Het was toch doodnormaal dat je eens een vraag niet gehoord had. Daar had hij niet zo onnozel op hoeven reageren. Maar Dijkman was ook knap sjagrijnig geweest.

 

Een week later werd de school door de Duitsers gevorderd. Gedurende twee dagen waren ze in de weer met het overbrengen van banken en kasten naar de verlaten werkplaatsen van een leegstaande sigarenfabriek. Deze bevond zich aan de andere kant van de stad en de ingang lag in een smalle straat, waar nog meer fabrieken stonden.

Het was er kil en bedompt en de doordringende lucht van tabak hing overal. In de ‘lokalen’ en gangen stonden kisten met zand.

‘Waar is dat voor?’ informeerde iemand.

Johan Laning zei: ‘Daar mag je mee spelen. In de pauze. Maar je moet wel je eigen schepje meebrengen.’

Hij scheen gelijk te krijgen, want reeds in de eerste de beste pauze was er een zandgevecht in volle gang.

De rector greep onmiddellijk in.

‘Dit kan zo niet!’ zei hij. ‘Sloten erop! En alle docenten krijgen een sleutel.’

Drie dagen zaten de kisten met het zand dat bestemd was als blusmateriaal op slot. Toen kwam de brandweer erachter en gelastte dat de sloten er weer afgehaald moesten worden.

Er kwam ook een roosterwijziging. Toen het lesuur Duits aanbrak,

[p. 142]

stond tot ieders verbazing meneer Geurtsen, de leraar oude talen, voor de klas.

‘Ik hoop jullie de komende maanden Duits te geven’, verklaarde hij.

‘Is meneer Bouwman ziek?’

‘Nee - deze verandering is uitsluitend het gevolg van interne organisatorische aanpassingen.’

Arnold vroeg zich af of alle leraren oude talen zo praatten. Maar hij merkte al gauw dat zijn lessen helder en overzichtelijk waren.

Niet alleen meneer Geurtsen, ook meneer Dijkman, de leraar geschiedenis en meneer Hoving, de leraar Engels bleken plotseling erg goed te zijn in Duits. Meneer Bouwman daarentegen had een aantal lessen geschiedenis en Engels overgenomen.

‘Zijn ze wel bevoegd om Duits te geven?’ vroeg meneer Westervoort toen hij ervan hoorde.

‘Wat bedoelt u?’

‘Duits kun je toch niet zomaar geven. Daar moet je toch een akte voor hebben.’

‘Dat weet ik niet’, antwoordde Arnold. ‘Ik weet alleen dat Geurtsen het niet slechter doet dan Bouwman.’

‘Daar heb ik niets mee te maken. Ik heb het gevoel dat er iets niet klopt. Ik zal dat wel eens even uitzoeken.’

Een dag later kwam meneer Westervoort thuis. ‘Als ik het niet gedacht had! Die lui proberen er onderuit te komen!’

‘Waar onderuit?’

‘De Arbeitseinsatz. Iedereen is verplicht werkzaamheden voor het land te verrichten. Als dat niet gebeurt ontstaat er in korte tijd een chaos. Het is niet altijd even aangenaam werk, maar iemand met een beetje verantwoordelijkheidsgevoel zal zich daar zeker niet aan willen onttrekken.’

‘Maar als je daar niet voor voelt’, begon Arnold. ‘Moet je...’

‘Zo'n opmerking had ik van jou niet verwacht, Arnold. Ik dacht dat jij zo langzamerhand wel wist dat iedereen de plicht had zich in te zetten voor de gemeenschap; te werken voor de toekomst van ons Volk en Vaderland. En wie daar niet voor voelt is een egoïst. Ik begrijp dat niet - juist op een moment waarop duizenden hun leven opofferen in de strijd tegen het communisme!’ Hij zweeg even, waarna hij ver-

[p. 143]

volgde: ‘En ik begrijp de schoolleiding niet dat ze dat toelaten!’

‘Wat toelaten?’

‘Snap je het dan nog niet? vroeg meneer Westervoort korzelig. ‘Leraren Duits zijn van de Arbeitseinsatz vrijgesteld. En Hoving, Geurtsen en Dijkman proberen er natuurlijk op die manier af te komen. Maar als het aan mij ligt komt er aan dat onvaderlandse gedoe zo gauw mogelijk een eind.’

 

Meneer Westervoort bereikte echter weinig, want meneer Hoving, meneer Dijkman en meneer Geurtsen studeerden alle drie voor een bevoegdheid in het geven van lessen Duits. Dat die studie nog verscheidene jaren kon duren veranderde niets aan de zaak - voorlopig hoefden zij niet mee te doen aan de Arbeitseinsatz.

Het maakte zijn stemming niet vrolijker. Toen bovendien op 2 februari het bericht kwam dat de Duitse troepen bij Stalingrad zich aan de Russen hadden overgegeven, werd hij nog somberder. ‘Het gaat niet goed’, mompelde hij af en toe. Dat de mensen dat niet zien! Die dreiging uit het oosten..., dat vreselijke gevaar...’

Op vrijdag 5 februari kwam meneer Westervoort 's avonds laat van een vergadering. Hij was doodsbleek. ‘Hebben jullie 't al gehoord?’

‘Wat gehoord?’

‘Generaal Seyffardt is neergeschoten.’

‘Wat zeg je...? Generaal Seyffardt van het Vrijwilligerslegioen? Is hij dood?’

‘Dat weet ik niet. Hij was er ernstig aan toe, zeiden ze om tien uur. Hebben jullie dan geen berichten gehoord?’

‘We hebben de radio niet aangehad.’

Meneer Westervoort draaide aan de knop. ‘Misschien dat ze om elf uur meer nieuws geven.’

Ze wachtten gespannen. Er klonk wat muziek, gevolgd door de klok van elf. Daarna een donkere mannenstem: ‘Hedenavond is er een aanslag gepleegd op de commandant van het Vrijwilligerslegioen Nederland, luitenant-generaal Seyffardt. Twee mannen hebben hem in koelen bloede neergeschoten in de gang van zijn woning. De generaal, hoe zwaar gewond hij ook was, heeft nog kans gezien de telefoon te grijpen om de politie te waarschuwen, waarna hij onmiddellijk naar het zieken-

[p. 144]

huis is vervoerd. Zegslieden van het secretariaat van de NSB deelden desgevraagd mee dat zijn toestand zorgwekkend is - voor zijn leven wordt gevreesd. Van de daders ontbreekt tot nu toe elk spoor.’

Mevrouw Westervoort keek haar man met grote ogen aan. ‘Verschrikkelijk! Wie kunnen dat gedaan hebben?’

‘Terroristen natuurlijk! Van het zogenaamde verzet!’

‘Maar waarom?’

‘Waarom..., waarom! Moet je dat nog vragen? Je weet toch dat onze Beweging sinds kort de enig toegestane is? En dat onze Leider ministerpresident wordt? Hoeveel mensen in Nederland barsten niet van haat en jaloezie! Ze zouden hem, als ze de kans kregen, wel willen vermoorden. Maar onze Leider heeft een lijfwacht. Daar zijn ze natuurlijk als de dood voor! En daarom hebben ze een ander slachtoffer uitgezocht...’ Meneer Westervoort balde zijn vuisten. ‘De schurken...! Als ze ze te pakken krijgen...!’

De volgende dag stierf generaal Seyffardt en plotseling had meneer Westervoort nergens meer tijd voor.

's Maandagsavonds moest hij zelfs in het stadhuis overwerken. Maar wat hij daar doen moest wisten ze niet.

Dinsdag, 9 februari 1943.

Het gebeurde vlak na het begin van het derde lesuur. De straat waaraan de sigarenfabriek stond was opeens vol rumoer. Ronkende motoren. Dichtslaande portieren. Geschreeuwde bevelen.

De klas werd meteen onrustig. Meneer Geurtsen liep naar het kleine venster en keek omlaag. Toen hij zich weer omdraaide stond zijn gezicht strak. ‘Een razzia’, zei hij. ‘Blijf allemaal rustig zitten.’

De Duitsers drongen het gebouw binnen. Stampende voetstappen op de trap. De deur werd opengerukt. Een Duitse militair verscheen op de drempel.

‘Welche Klasse?’ Hij had een machinepistool in de aanslag. Achter hem verscheen een man in burger.

Meneer Geurtsen zei kalm: ‘Dit is klas drie hbs. Wat komt u doen?’

‘Weitermachen!’ De Duitser verdween. De deur sloeg dicht.

De klas zat als versteend. Waar was het de Duitsers om te doen? Om

[p. 145]

de leraren? Waarschijnlijk niet. Anders hadden ze meneer Geurtsen vast niet ongemoeid gelaten.

Een kwartier later wisten ze het antwoord. Meneer Geurtsen had de klas niet meer in de hand - met z'n allen verdrongen ze zich voor de ramen en keken naar de driftig bewegende militairen in hun grijze uniform.

‘'t Zijn lui uit de vijfde en zesde’, zei Johan Laning opeens. ‘Ze nemen ze mee.’

Arnold stond wat achteraf. Over de schouders van zijn klasgenoten ving hij een glimp op van wat zich beneden op straat afspeelde.

Zeker tien, twaalf jongens werden bijeengedreven en in gereedstaande overvalwagens geduwd. En opeens kreeg hij een schok. Freek was er ook bij, Freek Wiersema, de jongen die hem uit het water had gehaald. Wat zou die hebben gedaan dat ze hem meenamen? En die anderen? Zouden ze hebben meegedaan aan het verzet? Moesten ze werken voor de Duitsers? Maar waarom dan alleen zij en niet alle jongens van de vijfde en zesde?

De portieren werden gesloten. De Duitse auto's raasden weg.

Meneer Geurtsen zei zacht: ‘Gaan jullie maar weer zitten.’

Ze schoven in de bank, stil en geschrokken.

‘Willen jullie voor jezelf aan het werk gaan?’ vroeg de leraar. ‘Ik moet even weg.’

Arnold fluisterde tegen Piet: ‘Waarom zouden ze meegenomen zijn?’

‘Geen idee. Zullen wel iets hebben uitgehaald. Als je 't mij vraagt hebben ze er precies de goeien uitgepikt.’

‘Wat bedoel je?’

‘Allemaal rijkeluiszoontjes! Van die eigenwijze binken, die menen dat ze de wijsheid in pacht hebben.’

‘Ken jij ze dan zo goed?’

‘Een paar. Mijn vader had het er gisteren nog over: 't wordt tijd dat sommigen eens een lesje krijgen.’

Bij Arnold begonnen vage vermoedens te rijzen. Maar hij durfde ze niet uit te spreken. Hij vroeg alleen: ‘Moest jouw vader ook overwerken, gisteravond?’

‘Dat weet ik niet. Waarom vraag je dat?’

‘Zomaar.’

[p. 146]

Meneer Geurtsen kwam terug. De klas was meteen rustig. ‘Een vergeldingsmaatregel van de Duitsers’, zei hij kort. ‘Vanwege de moord op generaal Seyffardt. Ze hebben twaalf jongens meegenomen.’ Hij wachtte even, waarna hij er zacht op liet volgen: ‘De rector heeft besloten om die reden de school vanmiddag te sluiten.’

Ditmaal geen gejuich, alleen maar dof gefluister.

Arnold voelde opnieuw de broeierige spanning en hij haastte zich 's middags naar huis. Op de een of andere manier voelde hij zich bijna schuldig. Wat hadden die jongens toch gedaan? Wat had Freek Wiersema op zijn geweten? En wat zou er nu met hen gebeuren?

Aan tafel begon hij erover. ‘Ze hebben vanmorgen twaalf jongens van school gehaald’, zei hij. ‘Met overvalwagens.’

Meneer Westervoort reageerde niet.

‘Freek Wiersema was er ook bij.’

‘Freek Wiersema?’ vroeg Rita. ‘Wie is dat nou weer?’

‘Die was ook aan het schaatsen - je weet wel. Geurtsen zei dat ze het hebben gedaan omdat ze generaal Seyffardt hebben doodgeschoten. Een vergeldingsmaatregel. Is dat zo?’

‘Die Geurtsen - is dat dezelfde die jullie nu Duits geeft?’

‘Ja.’

‘Hoe kwam hij daarbij?’

‘Gehoord, denk ik. Hij is wezen informeren. En vanmiddag hebben we vrij.’

‘Vrij? Waar is dat goed voor?’

‘De school is gesloten vanwege die twaalf jongens.’

Meneer Westervoort smeet mes en vork neer en sloeg met zijn vuist op tafel. ‘Wat vertel je me nou? De school dicht omdat er een stel oproerkraaiers, een stel uitbuiters zijn opgepakt? Het moet toch ook niet gekker worden!’

Arnold gaf niet dadelijk antwoord. Hij was altijd een beetje bang wanneer zijn vader zulke woede-uitbarstingen kreeg.

Rita vroeg nieuwsgierig: ‘Wat hebben ze dan gedaan, pa?’

‘Gedaan? Vraag liever wat ze niet gedaan hebben. Kijk eens in wat voor huizen ze wonen. Villa's zijn het! Ze bulken van het geld. Maar je moet niet denken dat anderen daar ook maar een beetje van meeprofiteren. Zulke plutocraten vragen erom eens flink aangepakt te worden.’

[p. 147]

Terwijl Arnold zich afvroeg wat plutocraten waren zei hij voorzichtig:

‘Piet Bergman zei dat het rijkeluiszoontjes waren.’

‘Dan heeft Piet Bergman dit keer gelijk.’

‘Hoe dat zo?’

‘Hoe dat zo... Hoe dat zo...! Arnold, je moet niet van die onbenullige vragen stellen. Wie dacht je dat de Duitsers anders moesten hebben?’

‘Maar Freek Wiersema dan?’

‘Freek Wiersema is even erg als de rest. Dat heb ik gisteravond zelf...’

Meneer Westervoort stopte midden in de zin.

‘Wat bedoelt u met even erg?’

‘Hou er nu maar over op!’ zei meneer Westervoort kortaf. ‘Laten we liever opschieten met eten. Over twintig minuten moet ik alweer op het stadhuis zijn.’

Toen hij vertrokken was volgde Arnold zijn zusje naar haar kamer.

‘Moet jij niet werken, vanmiddag?’

‘Ja, ik ga zo weg.’

‘Weet jij wat pa bedoelde - over Freek Wiersema?’

‘Nee.’

‘Wat heeft pa gisteravond eigenlijk gedaan op het stadhuis?’

‘Weet ik niet. En 't kan me niet schelen, ook.’

‘Zou het iets te maken hebben met wat er op school gebeurd is?’ hield Arnold aan.

‘Zeur niet’, antwoordde Rita. ‘Ik ken die Freek Wiersema niet. En 't interesseert me ook niet.’

Arnold werd niets wijzer. Maar hij bleef erover piekeren tot diezelfde avond het bericht kwam dat er weer een vooraanstaand NSB-er doodgeschoten was.

In de daarop volgende dagen was meneer Westervoort nerveuzer dan ooit. Als hij 's avonds voetstappen hoorde op het trottoir, deed hij snel het licht uit en gluurde langs het verduisteringspapier naar buiten. En als onverwachts de bel ging was hij nauwelijks in staat zich te verroeren.

‘Jij werkt veel te hard’, zei mevrouw Westervoort. ‘Je moest eens een paar dagen rust nemen.’

‘Ik werk niet te hard.’

‘Je wordt met de dag magerder. Ik heb je nog nooit zo onrustig gezien.’

[p. 148]

‘Vind je dat gek? Twee, drie vooraanstaande kameraden worden zomaar vermoord. In koelen bloede! Wat moet ik dan zeggen - sjonge, ik voel me kiplekker?’

‘Koos, wees nou es even verstandig. Dat gebeurde in Den Haag. Je moet niet...’

‘Of denk je dat zoiets hier niet kan gebeuren?’ Met een vermoeid gebaar streek hij zich over zijn voorhoofd. ‘We moeten ons beschermen. Er is maar één ding wat ik moet doen - ik moet proberen een pistool te krijgen.’

‘Koos!’

‘Een pistool, ja! Keiharde middelen - daar zal dat tuig wel voor terugdeinzen!’

‘Koos, daar komen ongelukken van!’

‘Niks ongelukken! Wat zou jij zeggen als hier iemand binnenkwam om ons of de kinderen te bedreigen, en we hadden niets om ons te verdedigen?’

Mevrouw Westervoort gaf geen antwoord.

Intussen merkte Arnold dat de vijandigheid op school tegen Piet en hem was toegenomen. Jongens die vlak voor hen op de grond spuwden; blikken vol dodelijke haat; anonieme bedreigingen.

En een week nadat de twaalf jongens waren gearresteerd een voddig briefje in zijn jaszak: ‘Jouw vaders smeerlapperij zal hem duur te staan komen. Alleen jammer dat iemand die twaalf jongens verraadt maar één keer vermoord kan worden.’

Op dat moment wist Arnold zeker wat voor werk zijn vader een week geleden in het stadhuis had gedaan.

prepostterug  begin  verder