Arnold wist niet wat hij doen moest. Zou de schrijver van het briefje zijn vader inderdaad iets willen aandoen? En moest hij het hem laten lezen? Maar hoe zou zijn vader reageren? Zou hij nog meer jongens laten oppakken? Hij was al zo gebeten op de school en de leraren. Bovendien - was het wel zeker dat hij de arrestatie had voorbereid? Dat stond wel in dat briefje, maar dat was nog geen bewijs. Ze konden het ook best uit hun duim gezogen hebben.
Arnold moest zekerheid hebben.
Die avond vroeg hij: ‘Ik vind het toch vervelend van Freek Wiersema, dat ze hem hebben meegenomen. Ik heb nog nooit moeilijkheden met hem gehad.’
Zijn vader deed of hij het niet gehoord had.
‘En ze zijn woedend op school.’
Meneer Westervoort schoof zijn bril omhoog. ‘Je gaat me toch niet vertellen dat je het gaat opnemen voor dat tuig, hè? Of ben jij ook al beïnvloed door die lerarenkliek? Als dat zo is moet je maar gauw van die school af.’
Arnold voelde dat hij terrein verloor. ‘Dat is toch onzin, pa’, verweerde hij zich. ‘Die jongens zullen heus wel terecht zijn opgepakt. Ik zei alleen dat ik het vervelend vond van Freek Wiersema.’
‘Je moet eens ophouden te zaniken over die Freek Wiersema. Dat is een even grote plutocratische nietsnut als de rest. Dat heb ik je ook al eerder verteld.’
‘Hebt u hem daarom opgeschreven, vorige week maandag?’
Het was een schot in de roos. Meneer Westervoort schoot uit zijn stoel, greep Arnold bij zijn trui en schudde hem woest heen en weer. ‘Hoe weet jij dat!?’ schreeuwde hij. ‘Wie heeft jou dat verteld? Zeg op!’
Hevig geschrokken stamelde Arnold: ‘Dat... dat heb ik... gehoord. Ze...’
‘Ik vroeg je van wie je dat gehoord hebt!’
‘Koos!’ zei mevrouw Westervoort onverwacht scherp. ‘Wil je je niet zo aanstellen! En laat zijn trui los. Hij heeft er maar een.’
‘Hij bemoeit zich met zaken die hem geen bliksem aangaan!’ zei meneer Westervoort grof. ‘En ik heb nog steeds niet gehoord waar hij zijn wijsheid vandaan heeft!’
‘Van school...’, antwoordde Arnold.
‘Van school..., van school! Wat is dat voor een antwoord! Ik wil weten wie je dat verteld heeft!’
Arnold grabbelde in zijn broekzak naar het briefje en smeet het op tafel. ‘Hier dan! Leest u zelf maar!’
Meneer Westervoort pakte het papier en las de slordig neergeschreven zinnen. Toen hij zijn hoofd weer ophief was er paniek in zijn ogen.
‘Hoe... hoe kom je daaraan?’
‘Gevonden..., in m'n jaszak.’
‘Wie heeft dat erin gestopt?’
‘Weet ik niet.’
Meneer Westervoort zocht steun bij de tafel. ‘Kun je daar achter komen?’
‘Ik denk het niet.’
Mevrouw Westervoort vroeg ongerust: ‘Wat staat er dan in?’
‘Kijk zelf maar.’ Zijn handen beefden toen hij haar het papier overreikte. Ze las het waarna ze haar man met grote ogen aankeek. ‘Verschrikkelijk! Wie schrijft er nou zoiets gemeens?’ Ze aarzelde even. Daarna vroeg ze: ‘Maar Koos, ik wist ook helemaal niet dat jij..., dat jij daar iets mee te maken had.’
Meneer Westervoort liet zich in zijn stoel zakken. ‘Die lui moesten eens een lesje hebben’, zei hij. ‘Na alles wat er gebeurd is. Bovendien was het een opdracht.’
‘Maar was het beslist nodig die jongen van Wiersema ook te noemen? Je wist het toch - van Arnold?’
‘Gea, schei nu eindelijk eens uit met dat sentimentele gedoe over die Wiersema. Dat begint me mijlenver de keel uit te hangen. En opdracht is opdracht! Als iedereen maar deed waar hij zin in had bleven we nergens.’
Arnold zweeg. Hij had zekerheid. De jongens van de vijfde en zesde waren door zijn vader opgeschreven. En hun namen waren natuurlijk aan de Duitsers doorgegeven.
Misschien had zijn vader wel gelijk, dacht hij, en kon het geen kwaad
als ze eens hard werden aangepakt. Hoe vaak was hij zelf niet het slachtoffer geweest van hun pesterijen. En daar had nooit iemand om getreurd. Alleen Freek Wiersema - dat zat hem niet lekker. Dan hadden ze nog beter die Alex kunnen grijpen.
Het liep tegen half negen. Van buiten klonk geschuifel van voetstappen, gevolgd door iets dat veel weg had van onderdrukt gegrinnik.
Meneer Westervoort luisterde scherp. ‘Daar heb je het!’ zei hij. ‘Licht uit!’
Arnold draaide de schakelaar om. In de volslagen duisternis scharrelde meneer Westervoort naar het raam. Hij stond op het punt het zwarte verduisteringspapier op te lichten, toen een donderende slag de ramen deed trillen.
Mevrouw Westervoort gilde. Een kopje vloog op de grond aan scherven.
Meneer Westervoort stapte achteruit, struikelde over een stoel en viel met een klap tegen de tafel.
Van buiten klonk het geluid van wegrennende voeten, gevolgd door grof gelach.
Arnold knipte het licht aan.
Zijn moeder zat hem met wijdopen schrikogen aan te staren. Zijn vader was bezig overeind te krabbelen.
‘Licht uit!’ snauwde hij.
Arnold gehoorzaamde met trillende handen. Meneer Westervoort liep terug naar het venster waar hij het papier opzij rukte. Geruime tijd bleef hij naar buiten turen, vanwaar mompelende stemmen tot hem doordrongen. Tenslotte liet hij de verduistering zakken en keerde zich om. ‘Lafhartig tuig! Niets meer te zien.’
‘En dat gepraat dan?’
‘De buren. Die zijn ook geschrokken, natuurlijk. Maar ze hadden het wel degelijk op ons voorzien. Doe het licht maar weer aan, Arnold.’
Meneer Westervoort wreef over zijn voorhoofd, waar een brede, blauwrode streep begon op te zwellen. ‘Ze zullen vanavond waarschijnlijk niet terugkomen’, zei hij.
‘Die knal - wat was dat dan?’
‘Een donderbus, waarschijnlijk.’
Mevrouw Westervoort liep naar de keuken, kwam terug met een natte doek en gaf die aan haar man.
‘Snap je nu waarom dat tuig aangepakt moet worden?’ zei hij. Hij bette voorzichtig zijn voorhoofd en vervolgde opeens: ‘Waar is Rita? Boven? Heeft ze niks gehoord? Waarom komt ze niet naar beneden?’ Mevrouw Westervoort kreeg een kleur. ‘Eh... Rita is vanavond naar een vriendin. Ze is al meer dan een uur weg. Heb je daar niets van gemerkt?’
‘Gemerkt? Ik dacht dat ze boven was. Ik had haar toch verboden 's avonds uit te gaan? Iedereen doet hier ook maar wat hemzelf het beste uitkomt. Je hebt gemerkt wat voor gespuis er rondzwalkt. Hoe laat komt ze terug?’
‘Een uur of tien, half elf.’
‘Kunnen we dáár weer over in angst zitten. Waarom heb je haar laten gaan?’
‘Ze wilde zo graag. We kunnen haar toch ook niet altijd thuis houden?’
‘Je ziet toch hoe gevaarlijk het is!’
‘Jij hebt ook wel eens anders gepraat’, sputterde mevrouw Westervoort tegen.
‘Dat is zowat een jaar geleden. We leven nu in een heel andere tijd. Ik begrijp niet dat je dat allemaal maar toelaat.’
Mevrouw Westervoort begon zwijgend de scherven op te ruimen.
De volgende dag ving Arnold bij toeval iets op. Hij was vroeger in het lokaal dan anders en toen een stel jongens de houten trap kwam opstommelen luisterde hij scherp.
Johan Laning was er ook weer bij.
‘Een donderslag’, hoorde hij zeggen, ‘nog een van oudejaarsavond. Gelachen dat we hebben! Ze schrokken zich wezenloos!’ Het groepje kwam het lokaal in. ‘Dat mens gilde alsof ze...’
Johan Laning brak af toen hij Arnold zag. Met een hoofd als een biet smeet hij zijn tas op de bank en bleef er minutenlang in rommelen.
Arnold klemde zijn tanden opeen. Johan Laning dus. Die vent had altijd al zo'n grote mond. Maar er waren ook anderen bij geweest. Hij moest ze allemaal hebben. Hij kon beter afwachten. Net doen of hij niets in de gaten had.
Op 26 februari ontving meneer Westervoort een brief van het hoofdkwartier van de NSB in Utrecht. ‘In antwoord op uw schrijven’ stond erin, ‘delen we u mee dat uw problemen onze volle aandacht hebben. U zult echter kunnen begrijpen dat de regeling van het landsbestuur geruime tijd in beslag zal nemen. Wellicht zal uw geduld op de proef worden gesteld, doch wij vertrouwen erop dat u die beproeving rustig en waardig zult dragen.
Bovendien aarzelen wij niet onze waardering uit te spreken voor uw persoonlijke inzet in het belang van onze Beweging.
Met groeten van Kameraadschap, voor Volk en Vaderland, voor Mussert, Houzee!’
Meneer Westervoort las de brief met een glimlach. ‘Dat is nog eens taal’, zei hij ontroerd. ‘Als je dit leest weet je tenminste waarvoor je pal moet staan.’ Als een kostbaar kleinood vouwde hij het papier op en borg het in de lade van zijn bureau. ‘Ik zàl geduld hebben’, sprak hij. ‘Desnoods jarenlang!’
Op school zette Arnold zijn oren en ogen wijd open, maar hij hoorde of zag niets verdachts. En Johan Laning hield zich koest.
Marloes ter Winkel durfde hij nog steeds niet aan te spreken, hoe graag hij ook wilde. Op een middag deed zich echter een onverwachte kans voor.
Marloes stond boven aan de trap, toen iemand haar een hevige duw gaf. Ze verloor haar evenwicht, maar kon zich nog juist vastgrijpen aan de leuning. Haar tas glipte haar uit de handen en kletste de treden af; boeken en schriften vlogen naar alle kanten.
‘Hufter!’ schold Marloes. ‘Kijk nou wat je gedaan hebt!’
Ze wilde haar spulletjes bijeenrapen, maar Arnold was haar voor. Haastig greep hij Marloes' paperassen en gaf ze haar met de tas terug.
Ze keek hem vol verbazing aan. Toen zei ze: ‘Dank je.’
Arnold voelde zich warm worden. Maar híj zei niets. Hij glimlachte alleen nerveus en was even later het gebouw uit.
De zaterdagmiddag daarna trof hij haar opnieuw. Hij ontdekte haar terwijl ze achter hem stond te wachten in een rij bij de bakker.
‘Dag’, zei hij. Marloes knikte hem toe.
Arnold schoof uit de rij. ‘Jij mag wel eerst’, bood hij aan.
‘Dank je.’
Arnold liet haar passeren. Ze nam het aan! juichte het in hem. En ze had wéér iets tegen hem gezegd.
Gedurende een paar minuten vorderden ze anderhalve meter. Arnold zag haar op de rug, maar ze had nog niet één keer omgekeken. Hij zei gespannen: ‘Heb jij eh... al wat aan de repetitie natuurkunde gedaan?’
Ze schudde haar hoofd.
‘'t Is niet zo moeilijk, geloof ik.’
‘O.’
Opnieuw stilte.
Vlak voor de winkelingang probeerde hij het nog eens. ‘Eh..., moet jij veel boodschappen halen?’
Opnieuw een hoofdschudden.
‘Wat vind je van...’ Hij had willen vragen hoe ze Geurtsen, de nieuwe leraar Duits vond, maar Marloes zag opeens een vriendin aan de overkant.
‘Hé, Jannie! Kom even!’
Een meisje van Arnolds leeftijd stak de straat over, ging naast Marloes staan en begon een druk gesprek.
‘Hédaar, niet voordringen!’ riep iemand. ‘Achter aansluiten! We moeten allemaal onze beurt afwachten!’
‘O, wees maar niet bang, hoor!’ antwoordde Jannie kattig. ‘Ik hoef niks te hebben!’
Ze zette haar gesprek met Marloes voort, maar Arnold kon er weinig van verstaan. Alleen toen Jannie hem een tersluikse blik toewierp en vervolgens proestte van het lachen voelde hij zich onbehaaglijk. Hij beet op zijn lip. Waarom moest die meid ook uitgerekend op dit moment de boel bederven!
Jannie bleef bij Marloes tot deze haar bonnen had ingeleverd en de boodschappen had ingepakt.
Drie, vier minuten later - wat was dat altijd een ellende met die bonnen - verliet ook Arnold de winkel. Maar Marloes was nergens meer te bekennen.
Een beetje mistroostig liep hij terug naar huis. Hij had zo mooi een gesprek kunnen aanknopen... Maar misschien was het ook wel beter zo, dacht hij. Het was niet goed als hij zich te veel opdrong. Ze was
in elk geval niet onvriendelijk tegen hem geweest.
Iedereen in de klas zat rustig te werken aan een proefwerk Nederlands - een stilte met alleen maar krassende pennen.
Arnold streek zijn blaadje glad en stootte zijn etui van de tafel. Hij bukte zich om het op te rapen, toen hij naast Marloes' tas een gestencild papier zag liggen. Hij pakte het op met de bedoeling het haar terug te geven, toen zijn oog viel op het licht gedrukte opschrift:
VRIJ NEDERLAND.
Een korte aarzeling. Vrij Nederland... Waar had hij dat eerder gehoord. Was dit soms een van die blaadjes die stiekem, illegaal, werden verspreid? Zijn vader had hem er iets van verteld. Maar wat deed Marloes er dan mee? Want het kon niet anders of het was uit haar tas gevallen.
Hij wierp een vluchtige blik de klas in. Iedereen was aan het werk. Niemand schonk aandacht aan hem. Bliksemsnel propte hij het stencil in zijn tas tussen een paar boeken.
‘Wat deed jij daar, Westervoort?’ Meneer Nijenhuis had de gewoonte zijn leerlingen bij hun achternaam aan te spreken.
Arnold schoot overeind. ‘Niets, meneer... Ik raapte alleen m'n etui op.’
‘Daar deed je dan tamelijk lang over, Westervoort. Je zit toch niet te spieken, wel?’
‘Nee, meneer.’
‘Ik zou niet durven, meneer’, klonk het uit een andere hoek.
De klas gniffelde.
‘Stilte!’ beval meneer Nijenhuis. ‘Aan het werk, iedereen!’
Arnold werkte door. Maar de gedachte aan het stencil liet hem niet los. Wat zou daar in staan? Was het werkelijk zulke vuile lectuur als zijn vader had gezegd?
Die middag liep hij uit school meteen door naar zijn kamer. Daar haalde hij het blad te voorschijn en ging ermee op de rand van zijn bed zitten. Het was een klein, wat verfomfaaid krantje van een bladzij of acht. ‘NEDERLAND - ORANJE’ stond er voorop, 21 februari 1943, 3e jaargang no 7.
Hij bladerde het door. Er stond heel wat in. Een oproep van de wettige Nederlandse regering, waar hij weinig van begreep, evenals een artikel over doktoren, onderwijs en universiteiten. Verder een aansporing om vooral niet voor de Duitsers te werken, een waarschuwing om te zwijgen en een gedicht over achttien doden. Ook was er een stukje over Duitse gruweldaden in concentratiekampen.
Hij las het hele blad, ook de waarschuwingen tegen sommige personen. NSB-ers waren er bij. Hij had nog nooit van ze gehoord. Zou zijn vader ze kennen? Zou het waar zijn wat ze schreven? En dat stuk over die concentratiekampen..., mensen martelen en laten verhongeren? Hij kon het niet geloven. Dat was natuurlijk ook de reden waarom zulke krantjes verboden waren: allemaal leugens.
Zou hij het aan zijn vader laten zien? Maar dan vroeg die meteen waar hij het vandaan had. Of zou hij het teruggeven aan Marloes? Stiekem weer in haar tas duwen... Daar hoefde niemand iets van te merken.
Toch liet het artikel over de concentratiekampen hem niet los. Hij kon dan ook niet nalaten erover te beginnen.
‘Zeg pa, ze zeggen dat er in Duitsland concentratiekampen zijn. Klopt dat?’
‘Wie zeggen dat?’
‘Ja, dat weet ik zo ook niet. Zoiets heb ik opgevangen. Of is dat niet zo?’
‘Als je met concentratiekampen bedoelt inrichtingen waar misdadigers en dat soort lieden een tijdje worden opgesloten heb je gelijk. Maar die zijn er niet alleen in Duitsland. Die heb je hier ook.’
‘Is het waar dat daar mensen worden gemarteld?’
‘Gemarteld? Hoe kom je daar in vredesnaam bij?’
‘Dat dacht ik.’
Meneer Westervoort antwoordde kalm: ‘Dan heb je daar verkeerde gedachten over. Daar wordt niet gemarteld. Daar wordt heropgevoed. En gewerkt. Maar wees maar niet bang dat een van ons daar terecht komt, want concentratiekampen zijn er alleen voor ontaard, werkschuw tuig. En dat is maar goed ook, want op die manier wordt dat gespuis tenminste gescheiden van de normale mens, die zijn werk doet met plezier en plichtsbetrachting.’
‘En de joden - zitten die daar ook?’
‘De joden? Vanzelfsprekend! Die hadden we al veel eerder het land uit moeten jagen. Overal waar ze kwamen hebben de joden de mensen last bezorgd, ze uitgebuit en hun gastvrijheid misbruikt. In de concentratiekampen krijgen ze eindelijk eens de gelegenheid voor ons te werken.’
Arnold knikte. Het waren dus inderdaad leugens die in dat blaadje stonden. Dat Marloes zulke dingen las. En dat ze ze geloofde ook. Moest hij dat tegen haar zeggen?
Dagenlang tobde hij erover. 's Zondagsmiddags liep hij urenlang langs de rivier en door de straten van de stad in de hoop Marloes tegen te komen, haar te ontmoeten, misschien met haar te praten.
Toen hij eindelijk thuiskwam voelde hij meteen dat de stemming niet gewoon was.
‘Waar kom jij vandaan?’ vroeg meneer Westervoort.
‘'k Ben wezen wandelen. Hoezo?’
‘Bij wie ben jij geweest?’
‘Ik ben nergens geweest’, antwoordde hij verbaasd. ‘Wat is er dan? Is er iets gebeurd?’
‘Er is niets gebeurd, nee. Ik wil alleen weten waar jij al die tijd gezeten hebt.’
‘Dat zei ik toch - gewandeld.’
‘Moet ik dat geloven?’
‘Ik begrijp niet wat u bezielt, pa.’ Hij keek verward van zijn ouders naar zijn zusje. ‘Wat hebben jullie toch?’
‘Dit hebben we!’ Met een klap legde meneer Westervoort een beduimeld krantje op tafel.
Arnold herkende het onmiddellijk; 't was of de grond onder hem wegzonk. ‘Dat... dat... hoe...’, stotterde hij.
‘Hoe kom jij daar aan?’ meneer Westervoorts stem trilde van ingehouden drift.
‘Dat... dat is niet van mij.’
‘Dat vroeg ik niet..., ik vroeg hoe je eraan kwam!’
‘Gevonden...’
‘Gevonden...!’ Meneer Westervoort lachte schamper. ‘Wat jij allemaal niet vindt! De gekste dingen! Voor de laatste keer - van wie heb jij deze smerige, vuile, lasterlijke lectuur gekregen?’
‘Dat zeg ik u toch - gevonden!’
‘Waar?’
‘In de klas... Ze...’
‘Je liegt!’ barstte meneer Westervoort uit. ‘Jij hebt helemaal niets gevonden. Zoiets vind je niet! Iemand heeft jou dit in de vingers gestopt..., om jou en ons te vergiftigen..., te vergiftigen met leugens en valse propaganda! Zeg op - wie was het?’
Arnolds knieën knikten. Zijn hersens werkten koortsachtig. Wat moest hij zeggen - dat het blaadje uit de tas van Marloes ter Winkel kwam? Maar wat zou er dan met haar gebeuren? Zou zijn vader...
‘Komt er nog wat van?’ Meneer Westervoort greep hem pijnlijk bij de schouders. ‘Of moet ik het er soms uit slaan?’
Arnold slikte moeilijk. ‘Johan Laning’, zei hij. ‘Ik heb het uit de tas van Johan Laning gehaald. Ik had het nog aan u willen geven, maar... dat ben ik vergeten.’
Meneer Westervoort liet zijn zoon los. ‘Johan Laning dus. Zit ie bij jou in de klas?’
‘Ja.’
‘Waarom heb je mij dat niet eerder verteld? Of wou je hem soms ook de hand boven het hoofd houden, net zoals die knaap van Wiersema?’
Arnold schudde zijn hoofd.
‘Je begrijpt zeker wel dat ik dit er niet bij kan laten zitten. Johan Laning is hier nog niet klaar mee. En jij..., jij komt de hele week de deur niet meer uit!’ Hij greep het krantje en scheurde het aan flarden. Vervolgens opende hij het deurtje van de kachel en smeet het in het vuur.
Een paar seconden later ging VRIJ NEDERLAND in vlammen op.