Die avond kon Arnold slecht in slaap komen. Hij luisterde naar kleine geluiden: de suizende wind, een piepende deur bij de buren, een krakende plank op de overloop, toen zijn vader even naar beneden ging.
En hij piekerde.
Zou zijn vader dat blaadje zelf gevonden hebben? Of zou Rita op zijn kamer zijn geweest? Maar hoe hadden ze dat ontdekt? Ze keken anders nooit in zijn tas. Tenminste, dat dacht hij. Of zouden zijn ouders zijn agenda hebben gecontroleerd of hij alle proefwerkcijfers wel vertelde, en hadden ze bij die gelegenheid het krantje gevonden? Zouden ze dat vaker hebben gedaan zonder dat hij het gemerkt had?
Hij had er overigens geen spijt van Johan Laning te hebben genoemd. Zijn vader zou er wel voor zorgen dat die pestkop een koekje van eigen deeg kreeg. Hij had hem nog maar zelden zo kwaad gezien. En dat alleen om zo'n onnozel krantje. Nou ja, onnozel... Er stonden natuurlijk wel dingen in die te gek waren. Zou Marloes dat nou allemaal geloven?
Als dat zo was zou ze vermoedelijk niet eens met hem willen praten. Want ze wist natuurlijk heel goed dat hij er anders over dacht. Ze zou hem niet eens vertrouwen.
Als hij het nu toch eens vertelde - van dat krantje. Dat hij het in haar tas gevonden had... Dan zou ze wel moeten bijdraaien.
Hij zou kunnen beginnen met haar te vragen of ze misschien iets kwijt was. Aan haar reactie zou hij dan wel merken of ze naar hem wilde luisteren.
Hij zou haar vertellen hoe beroerd hij zich soms voelde. Dat hij niemand had met wie hij eens fijn kon kletsen.
Met wijdopen ogen staarde hij in het donker, nu luisterend naar een nauwelijks waarneembaar geluid: een ver en zwevend gonzen.
Daar had je ze weer: vliegtuigen! Jagers en bommenwerpers, dreunend door het duister met hun vernietigende lading explosieven.
Binnen vijf minuten zwol het gonzen aan tot een geronk dat de ramen deed trillen.
Arnold haatte dat geluid. De weerloosheid tegen het geweld van de voortrazende machines maakte hem onzeker, beangstigde hem.
Tussen de kieren van het gordijn en de verduistering flitsten lichten op als de bliksem bij een onweer. Even later klonken ontploffingen van afweergranaten. Daar tussendoor het huilen van een nachtjager; gedaver van snelvuurkanonnen.
De deur van zijn kamer ging open. ‘Arnold, ben je wakker?’ Het was zijn vader. ‘Je moet er maar uitkomen. Er is een luchtgevecht aan de gang.’
Arnold gooide de dekens af en schoot zijn schoenen aan. Zonder zijn veters vast te knopen slofte hij de trap af. In de kamer zaten zijn vader en moeder bij de tafel. Hun gezichten stonden gespannen.
‘Waar is Rita?’ vroeg hij.
‘Die is nog boven. Ze zal zo wel komen’, antwoordde mevrouw Westervoort. ‘Sliep je al?’
‘Nee, nog niet. Hoe laat is het?’
‘Kwart over twaalf.’
Arnold wreef zijn ogen uit en nestelde zich met opgetrokken benen in een stoel bij de kachel. Hij huiverde.
‘Zal ik de kachel weer opstoken?’ vroeg mevrouw Westervoort. ‘Er zit misschien nog wel wat vuur in.’
‘Hoeft niet, ma.’
‘Trek dan je jas aan.’
‘Ik heb het niet koud.’
‘Ja, maar je weet nooit wat er gebeuren kan.’
Rita kwam beneden, het haar in pieken om haar gezicht, ‘Ik sliep net’, mopperde ze. Ze maakte een hoofdbeweging omhoog. ‘Moeten jullie mij daarvoor wakker maken?’
‘Het is veel erger dan anders’, zei mevrouw Westervoort. ‘Er wordt geschoten... Moet je toch eens horen!’
Meneer Westervoort begaf zich naar de gang.
‘Wat gaat u doen, pa?’
‘Even kijken.’
Arnold volgde zijn vader die de voordeur op een kier opende. Langs zijn schouder tuurde hij naar buiten.
Het gedreun van de vliegtuigmotoren duurde onverminderd voort.
Steeds nieuwe formaties kwamen als onzichtbare golven uit het westen aanrollen.
‘En daar denken ze Duitsland mee te kunnen verslaan, de helden’, mompelde meneer Westervoort. ‘Het land met het sterkste leger ter wereld. Maar het enige wat ze bereiken zijn kapotte, brandende steden. Moordenaars zijn het, moordenaars van onschuldigen! Ik hoop dat ze er van langs krijgen. Kijk eens..., daar gaat er een!’
Ergens aan de horizon schoot de vurige stippellijn van lichtspoormunitie omhoog en scheen zich vast te bijten aan een grijze vorm. Het volgende moment stond een deel van de hemel in brand: een laaiende vuurbol wankelde omlaag en verdween achter de huizen. Bommen ontploften met felle flitsen. De grond beefde.
‘Die is er geweest!’ zei meneer Westervoort voldaan. Hij sloot de deur. Rillend van de koude nachtlucht liepen ze terug naar de kamer.
De vliegtuigen trokken over. Het dreunen ebde weg.
‘Daar gaan de moordenaars’, herhaalde meneer Westervoort. ‘Ik hoop dat er geen een terugkomt!’
Ze wachtten een kwartier. Toen was er nog slechts dat verre, nauwelijks waarneembare gonzen.
‘Ik ga naar bed’, kondigde Rita aan. ‘Ik barst van de slaap.’
Vijf minuten later lag Arnold ook weer onder de dekens.
Uit de slaapkamer van zijn ouders kwam zacht gepraat.
Van buiten klonk achter het suizen van de wind een doffe donder als van een wegtrekkend onweer. Het was te zwak om hem uit de slaap te houden.
De volgende dag kwam meneer Westervoort een kwartier eerder thuis. Hij was opgetogen. ‘Jullie raden nooit wat mij is overkomen!’
‘Nou...?’
‘Ik heb een andere baan!’
‘Wat...?’ Mevrouw Westervoort keek hem met open mond aan. ‘Word je toch... burgemeester?’
‘Nee, directeur.’
‘Directeur? Waarvan?’
‘Van het distributiekantoor.’
Mevrouw Westervoort bleef haar man aanstaren.
‘Het distributiekantoor? Maar dat is toch heel ander werk?’
‘Daarom juist. Het schijnt er een rommeltje te zijn. De vorige directeur is ontslagen. En vanmorgen vroeg de burgemeester mij of ik ervoor voelde om diens werk over te nemen. We hebben behoefte aan iemand met verantwoordelijkheidsgevoel en organisatietalent, zei hij.’
Hij fronste zijn wenkbrauwen. ‘Ben je er niet blij mee?’
‘Jawel..., maar Koos - kun je dat wel aan?’
‘Waarom zou ik dat niet aankunnen? Omdat het ander werk is? Dat heb ik binnen een paar weken onder de knie!’
‘Wanneer moet je beginnen?’
‘Op 1 april.’
Arnold zei: ‘Het is toch geen...’ De rest van de zin slikte hij in.
‘Wat zeg je?’
‘Nee, niks.’
‘Morgenvroeg ga ik er even naar toe’, vervolgde meneer Westervoort enthousiast. ‘Poolshoogte nemen. Kijken of het inderdaad zo'n troep is als ze beweren.’
‘Je moet er altijd wel afschuwelijk lang op je beurt wachten’, zei mevrouw Westervoort. ‘Ik heb er wel eens anderhalf uur in de rij gestaan.’
‘Dan zullen we daar eens drastisch verandering in brengen! En jij hoeft zeker niet te wachten. Die bonnen neem ik in 't vervolg wel mee.’
Een paar weken gingen voorbij; weken waarin meneer Westervoort laat thuiskwam en stapels papieren meenam om die 's avonds door te werken.
‘Zo'n zwijnestal heb ik nog nooit meegemaakt’, zuchtte hij. ‘En dan al die wijzigingen. Er gaat bijna geen dag voorbij of de rantsoenen worden veranderd. En die duizenden bonkaarten... Ik kan me voorstellen dat het de vorige directeur boven het hoofd gegroeid is. Ik ben er veertien dagen en pas nu begin ik er vat op te krijgen. Alleen dat personeel - zulke luie kerels heb ik nog maar zelden gezien. Je hoeft nauwelijks iets te zeggen of je krijgt zulke lange gezichten. Maar ik zal het ze inpeperen! Gewerkt moet er worden. En goed ook!’
‘Als jij je maar niet overwerkt.’
‘Van werken is nog nooit iemand ziek geworden.’
Intussen wachtte Arnold op het moment waarop Johan Laning zou
worden gearresteerd. Maar toen dat moment uitbleef begon hij zich af te vragen of zijn vader het zou zijn vergeten. Dat kon natuurlijk heel goed in de drukte die zijn nieuwe baan met zich meebracht. Zou hij zijn vader eraan herinneren? Alleen - hij wist nooit hoe hij zou reageren. Misschien herinnerde die zich dan ook plotseling dat hij met de week huisarrest ook maar een loopje genomen had. Voorlopig deed hij er waarschijnlijk verstandiger aan zijn mond te houden.
‘Arnold, wil jij even voor mij naar het postkantoor gaan een paar brieven posten?’ vroeg meneer Westervoort.
‘En m'n huiswerk dan?’
‘Dat huiswerk kan wel even wachten. Ik krijg soms de indruk dat jij bergen huiswerk hebt juist als er een boodschap gedaan moet worden.’ ‘Het is zo, pa. We hebben morgen een zware repetitie Duits.’
Meneer Westervoort aarzelde. Toen zei hij: ‘Je moest het toch maar doen. Ik heb er geen tijd voor. En schiet wel een beetje op, want over een half uur gaan we eten.’
‘Nou, goed dan.’
Arnold stopte de brieven in zijn zak. Even later liep hij de straat door in de richting van het postkantoor. Het was een afstand van ongeveer een kwartier en de weg voerde langs het station. Bij de overweg moest hij wachten: een goederentrein sukkelde voorbij en stopte piepend langs het perron. Terwijl hij de overweg passeerde werden de deuren van de wagons opengeschoven. Duitse militairen, het geweer in de aanslag, liepen heen en weer.
Toen zag hij wat er aan de hand was. Over het stationsplein bewoog zich een groep mensen: mannen en vrouwen, kinderen en bejaarden. Sommigen hadden koffers bij zich, anderen torsten zware zakken en opgerolde dekens. En allemaal hadden ze een gele ster op hun borst. Joden!
Begeleid door een aantal gehelmde militairen van de SS sjokten ze naar de gereedstaande goederentrein. Een handjevol toeschouwers sloeg het tafereel gade, zwijgend en verbeten.
Arnold wilde doorlopen, toen hij onder het publiek opeens Johan Laning ontdekte. Wat moest die hier? Zeker weer vooraan staan met
zijn eigenwijze gezicht. Hij vertraagde zijn pas en bleef tenslotte stilstaan bij de overkapping van een bushalte. Daar zag hij hoe de groep joden het hek doorgeloodst werd.
Een meisje van een jaar of zes liet haar pop vallen. Ze bukte zich om hem op te rapen, maar de laars van een van de Duitsers was sneller: de pop vloog het stationsplein op.
Het publiek verstijfde. Behalve Johan Laning. Hij rende het plein op en greep de pop. Toen worstelde hij zich naar voren en gaf hem aan het kind terug.
Even leek het erop of de SS-ers alleen maar verbaasd waren over de brutaliteit van de jongen. Het volgende moment stootte dezelfde als zoëven zijn geweer naar voren.
De kolf trof Johan Laning tegen de borst. Met een hese kreet wankelde hij achteruit, struikelde over de stoeprand en smakte met zijn hoofd tegen de keien. Toen bleef hij roerloos liggen.
Het duurde bijna een minuut voor een van de toeschouwers naar hem toeliep en zich over hem heenboog. Maar toen waren de Duitsers al bezig hun gevangenen in te laden.
Arnold bleef staan tot er uit het stationsgebouw een brancard werd gebracht; twee mannen tilden het stille lichaam op en dekten het toe met een grijze deken. Toen ze Johan Laning wegdroegen, gleden Arnolds blikken over de trein. In een van de deuropeningen ving hij een glimp op van een tevreden gezichtje en kleine handen die een pop omklemden. Daarna werd de wagon gesloten.
Met een hoofd vol verwarde gedachten liep hij terug naar huis.
‘Dat heb je vlug gedaan’, zei meneer Westervoort.
‘Wat...?’
‘Ik zei dat je het vlug gedaan hebt. Zeker hard gelopen. Was de buslichting van zes uur al geweest?’
‘Buslichting...? O!’ Arnold sloeg zijn hand voor de mond.
‘Wat is er? Je hebt die brieven toch wel op de post gedaan?’
Arnold staarde zijn vader haast verwilderd aan. ‘Ik heb het... vergeten.’ ‘Vergeten? Ik stuur jou naar het postkantoor met de opdracht een paar brieven te posten - en jij bent dat vergeten!? Waar zitten jouw hersens eigenlijk?’
‘Ik ga nog wel even terug...’
‘Dat is je geraden ook!’
‘Maar het eten staat al op tafel’, zei mevrouw Westervoort.
‘Niks mee te maken! Moet die sukkel maar leren een opdracht goed uit te voeren!’
Dat laatste hoorde Arnold niet eens meer. Op een draf rende hij de straat uit in de richting van het postkantoor.
Tien minuten later lagen de brieven in de bus.
Toen hij op de terugweg voor de derde maal langs het station kwam, vertrok de goederentrein juist in oostelijke richting.
Arnold hoorde het rumoer het eerst. Hij rekte zich uit om door het raam omlaag te kunnen kijken, maar de straat bleef buiten zijn gezichtsveld. Hij luisterde scherp, doch het was moeilijk naast de doordringende stem van meneer Nijenhuis andere geluiden te herkennen.
Hij stootte Piet Bergman aan.
‘Wat is er?’ fluisterde deze.
‘Hoor je dat?’
‘Wat...?’
‘D'r is wat aan de hand. Beneden, op straat.’
‘Wat dan?’
‘Bergman en Westervoort, monden dicht!’ dreunde meneer Nijenhuis. Hij wilde meteen doorgaan met de les toen er een harde stem tot hen doordrong, gevolgd door luid gejuich.
Meneer Nijenhuis zei: ‘Blijven jullie rustig zitten... Ik zal wel even kijken wat er aan de hand is.’
Hij had even goed de banken kunnen toespreken, want in een oogwenk worstelden ze allemaal om een plaatsje voor een van de kleine ramen. De straat was vol mannen en er kwamen er steeds meer bij.
‘Ze komen uit de fabriek hiernaast’, zei iemand.
‘Daarginds ook!’ schreeuwde een ander. ‘Nog veel meer! Moet je eens kijken! 't Lijkt wel of alle fabrieken leeglopen!’
‘Zouden ze vrij hebben?’ vroeg Marloes. Ze stond vlak naast Arnold die zich nauwelijks durfde bewegen.
‘Vrij?’ Hans van Beek lachte schamper. ‘Doe niet zo onnozel. Arbeiders hebben nooit vrij. Als je 't mij vraagt zijn ze aan 't staken. Mijn vader zei vanmorgen ook al zoiets.’
‘Staken? Waarvoor?’
‘Jongelui - gaan jullie allemaal weer zitten!’ gebood meneer Nijenhuis. ‘Jullie hebben het nu wel gezien.’
‘Ach, meneer - nog even kijken.’
‘Geen sprake van... Zitten, zei ik!’
‘Mogen wij niet meedoen?’ vroeg iemand brutaal. Tenslotte zitten wij ook in een fabriek.’
‘Kijk - lui van de vierde!’ schreeuwde Hans van Beek weer. ‘Die lopen er ook tussen. Ik doe mee!’ Hij rende naar de deur, maar meneer Nijenhuis was hem voor.
‘Jij doet niks!’
‘Waarom niet? Iedereen is beneden.’
‘Jij weet niet eens waar het om gaat!’
Onno van Dijk zei opeens: ‘Ik wel, meneer. Ze willen alle Nederlandse militairen krijgsgevangen maken.’
Meneer Nijenhuis' mond werd een grimmige streep. ‘Juist! En dat is precies de reden waarom jullie hier blijven. Het is op straat veel te gevaarlijk. Wie weet wat daar gaat gebeuren!’
Arnold stond nog steeds bij het raam.
Hij zag de menigte aangroeien en zich door de straat in de richting van het centrum begeven.
Staken... Een geladen woord. Hij had het een keer eerder meegemaakt. Mensen staakten om loonsverhoging of uit protest tegen een fabrikant. Maar nu..., nu was het anders.
De mensen waren woedend. Hij zag het aan hun gezichten, aan de heftigheid van hun gebaren.
Staken betekende echter wanorde, straatrellen, oproer. Misschien wel een opstand. Dat zouden de Duitsers nooit toelaten.
Meneer Nijenhuis deed vergeefse pogingen de rust te doen weerkeren. ‘Allemaal zitten!’ beval hij.
‘Wij gaan ook staken!’ riep Marloes.
‘Dat moet je niet doen,’ waarschuwde Arnold. ‘Dat is veel te gevaarlijk. Straks komen de Duitsers...’
‘Bemoei jij je d'r niet mee!’ beet ze hem toe. ‘Doe jij maar braaf wat de Duitsers zeggen.’
‘Zo bedoel ik het niet. Als ze erachter komen dat wij ook...’
‘Ach, vent, vlieg op!’
Arnold zweeg verward. Waarom reageerde ze zo kwaadaardig? Hij had toch niets verkeerds gezegd?
Hij zei tegen Piet Bergman: ‘Dat gaat nooit goed met die staking. Dat nemen de Duitsers nooit!’
‘Dat zullen ze dan wel merken.’
De klas was niet meer te houden. Tot overmaat van ramp gooide een jongen van een andere klas de deur open. ‘Wij staken ook!’ schreeuwde hij.
Meneer Nijenhuis werd bijna omver gelopen toen hij een poging deed de naar buiten stormende jongens en meisjes tegen te houden.
Tenslotte bleven Arnold, Piet en nog een paar leerlingen in het lokaal achter.
Meneer Nijenhuis zei vermoeid: ‘Jongens, van les geven komt vandaag toch niets meer... Gaan jullie maar naar huis.’
Het was al laat in de avond toen meneer Westervoort ook thuiskwam. Hij zag eruit alsof hij ernstig overspannen was.
‘Ze moesten ze oppakken!’ zei hij hees. ‘De raddraaiers, de oproerkraaiers!’
‘Hebben ze op het kantoor ook gestaakt?’ vroeg mevrouw Westervoort.
‘Bij mij op kantoor? Geen sprake van! Daar hebben ze het lef niet voor. Maar een stel van die schreeuwers hebben wel een half uur voor de ramen gestaan.
Het zal ze trouwens duur te staan komen, want ik heb hun namen meteen doorgegeven aan de politie.’
Mevrouw Westervoort keek geschrokken. ‘Koos, is dat nou wel verstandig? Je weet toch wat er met ze gebeurt?’
‘Dat weet ik, ja! En daar hebben ze dan ook om gevraagd! Het is toch te gek om los te lopen dat een stelletje van die rellenschoppers hier de lakens gaat uitdelen. Daar moet hard tegen opgetreden worden. Aan wanorde hebben we niets!’
‘Ken je ze dan allemaal?’
‘Jammer genoeg niet. Maar twee ervan wel. Stegeman en Van de Werf. Ze stonden met hun ongure tronies te schreeuwen dat iedereen die niet staakte een landverrader was. Nou - die zullen vandaag of morgen merken dat we met landverraders korte metten maken!’
Arnold zei: ‘Wij hadden vandaag ook geen school.’
‘Wat!? Zijn die leraren ook in staking gegaan? Wie zijn het?’
‘De leraren niet. Vooral de lui van de hoogste klassen. Ze liepen zomaar de straat op. En toen ging onze klas ook mee.’
‘En daar was jij ook bij?’
‘Natuurlijk niet. Maar er bleven er te weinig over om nog les te geven. En toen hebben we vrij gekregen.’
‘Wie gaf jullie vrij?’
‘Nijenhuis.’
Meneer Westervoort pakte een stuk papier, schroefde zijn vulpen los en begon te schrijven.
‘Wat gaat u doen, pa? Nijenhuis heeft er niets mee te maken. Hij probeerde ze nog tegen te houden.’
‘Probeerde, ja.’ Meneer Westervoort lachte geringschattend. ‘Ik ken dat soort proberen. Hij heeft geen poot uitgestoken, zul je bedoelen.’
‘Jawel, pa. Hij kon echt niet anders.’
‘Natuurlijk kon hij anders! Is dat een man van gezag? Is dat een kerel om respect voor te hebben? Dat laat zich domweg aan de kant zetten door een stelletje schooljongens! Een slappeling, meer is het niet! Een vaatdoek!’
‘Koos, kalm nou’, maande mevrouw Westervoort.
‘Ach, jij altijd met je kalm nou en - is dat nou wel verstandig... Het wordt tijd dat je daar ook eens mee ophoudt!’
Mevrouw Westervoort keek haar man even aan. Toen stond ze op en liep naar de keuken.
Even had Arnold de indruk dat er tranen in haar ogen stonden.
De volgende morgen zag hij op weg naar school overal aanplakbiljetten.
Een paar mensen stonden ze aandachtig te lezen.
Arnold sloot zich bij een groepje aan en las mee.

Iemand keek om zich heen. ‘Niet meer dan vijf personen bij elkaar’, constateerde hij laconiek. ‘Dan staan we hier knap gevaarlijk. We zijn al met z'n zessen.’
De man naast hem trok een grijns. ‘Ze hoeven alleen jou maar dood te schieten’, zei hij. ‘Dan zijn we weer met ons vijven.’ Toen hij echter merkte dat zijn opmerking minder goed viel, maakte hij zich haastig uit de voeten.
Die zaterdagmorgen kwam Arnold voor een dichte school. Ook de straat waar behalve de sigarenwerkplaats nog andere fabrieksgebouwen stonden lag er verlaten bij.
Terwijl hij zich afvroeg of de stakers misschien weer aan het werk waren gegaan, draaide een pantserwagen van het Duitse leger de weg op. Even later raasde hij Arnold voorbij. De vier zwaargewapende militairen er bovenop schonken geen aandacht aan hem.
Toen Arnold terugliep naar huis, kwam hij een paar klasgenoten tegen.
‘De school is dicht’, zei hij.
‘Da's dan jammer voor je’, was het antwoord. De jongens slenterden verder.
Arnold maakte een omweg over het marktplein. Er stonden - ondanks het verbod - groepen mensen met elkaar te praten. Uit een zijstraat naderde een tiental mannen. Ze wilden het plein oversteken met de kennelijke bedoeling zich in de richting van de fabrieken te begeven, doch plotseling was daar weer de pantserwagen.
De mannen reageerden snel. Sommigen doken een steeg in, anderen stormden het plein over.
Een machinepistool begon te knetteren. Kogels sloegen in gevels en winkelpuien. Ramen vlogen aan gruizels. Mensen schreeuwden.
Instinctief liet Arnold zich vallen. De pantserwagen veegde de markt schoon en verdween ronkend in de richting van het industrieterrein.
Arnold hief zijn hoofd op. Het plein was nu leeg. Alleen aan de overkant lag een man - zijn hoofd opzij geknakt, zijn armen onnatuurlijk gevouwen.
Hij bewoog niet meer.
Arnold voelde zich koud en klam. Het opstaan kostte hem een inspanning alsof hij uren in een ongemakkelijke houding op de grond had gelegen. Toen begon hij te rennen.
Diezelfde avond nog kwamen er nieuwe aanplakbiljetten bij. Ditmaal was de tekst anders:
