De staking werd gebroken.
Meneer Westervoort was tevreden. Of liever - dat had hij moeten zijn. Maar hij was rusteloos en gejaagd.
‘Voel je je wel goed, Koos?’ vroeg mevrouw Westervoort.
‘Wat...? Ja, ik voel me best.’
‘Je hebt het zeker erg druk op kantoor.’
‘Nogal.’
‘Je ziet er slecht uit, de laatste tijd.’
‘O.’
‘Zit je soms iets dwars?’ hield ze aan. ‘Dat dreigbriefje bijvoorbeeld’?
‘Dreigbriefje...?’ vroeg hij schrikkerig. ‘Wat voor dreigbriefje?’
‘Dat weet je toch wel - Arnold vond het in zijn jaszak.’
‘O... dat. Dat is al meer dan drie maanden geleden.’
‘Of heeft het iets met die staking te maken?’
‘Die staking hebben we gehad’, antwoordde hij kortaf.
‘Hebben ze er op 't kantoor nog over gepraat?’
‘Nee!’ viel hij uit. ‘En ik wil er ook geen woord meer over horen! Gedane zaken nemen geen keer!’
Mevrouw Westervoort liet zich ditmaal niet uit het veld slaan. Ze zei: ‘Bedoel je dat je niets zou hebben gezegd, als je alles had geweten?’
‘Ik begrijp niet waar je 't over hebt.’
‘Die twee mannen’, zei ze zacht, ‘Stegeman en Van de Werf...’
‘Ik zei toch dat ik er geen woord meer over wilde horen! Die waren ook opgepakt als ik niets had gezegd.’
‘Hoe weet jij dat?’
‘Dacht jij werkelijk dat de politie de twee grootste raddraaiers van de stad over het hoofd had gezien? Kom nou!’
‘Dan had jij ze ook niet hoeven...’, begon mevrouw Westervoort.
‘Wat is dit eigenlijk?’ viel hij haar in de rede. ‘Een verhoor? Moet ik mij soms tegenover jou verantwoorden? Die kerels hebben gekregen wat ze verdienden!’
Mevrouw Westervoort bleef haar man met grote ogen aankijken.
‘Ze wisten wat hun te wachten stond!’ vervolgde hij heftig. ‘De stommelingen! En toch bleven ze staken, bleven ze doorgaan met oproer kraaien. Alsof arbeidstrouw en plichtsbesef waardeloze begrippen zijn. En dat notabene in oorlogstijd! Terwijl miljoenen Duitsers zich afbeulen in de strijd tegen het bolsjewisme!’
Er viel een beklemmende stilte.
Arnold had het steeds geweten: zijn moeder was het niet in alles met zijn vader eens. Ze had het af en toe laten merken, bijna tersluiks, alsof ze niet goed durfde. Tenminste niet als hij erbij was.
Maar ditmaal was het anders. Voor het eerst had ze openlijk gezegd hoe zij erover dacht.
Ze zei: ‘Oorlogstijd... Is dan alles anders? Mag dan alles zomaar? Is een gewone berechting dan niet meer mogelijk?’
‘Niks gewonè berechting! Je weet toch zelf ook wel hoe er bij die rechtbanken geleuterd wordt. Ellenlange verhalen - wel schuldig, niet schuldig...En als er maanden later een uitspraak komt weet geen sterveling meer waar het voor is en zijn de straffen veel te licht. Wij hebben nu een politiestandrecht. En dat is duidelijk genoeg. We laten niet met ons sollen!’
‘Maar als die mensen er nou anders over denken?’
‘Wie er anders over denkt is fout en een gevaar voor de samenleving. Gea, begrijp dat toch eens een keer - als iedereen zijn eigen gang gaat wordt het hier een janboel, een puinhoop. Er moet gezag zijn. En leiding. Een volk zonder leider is een kaartenhuis dat bij een zuchtje wind in elkaar stort.’
Meneer Westervoort streek vermoeid over zijn voorhoofd. ‘Gea, we hebben 't er al vaak over gehad - waarom twijfel je daar steeds weer aan?’
‘Ik weet het niet, Koos. Maar die oorlog..., het is allemaal zo verschrikkelijk. En ik ben soms zo bang...’
Meneer Westervoort trok zijn vrouw naar zich toe. ‘Dat is toch niet nodig, Gea. Iedereen heeft in zijn leven wel een moeilijke periode waar hij doorheen moet. Je moet naar de toekomst kijken, erin geloven, want de toekomst is van ons. We zullen leven in een wereld met vrede. In een land zonder armoede, ons vaderland, waar iedereen gelukkig is. Maar dat geluk moet verdedigd worden, moet desnoods veroverd
worden! Wat denk je wat er gebeurt als de communisten hier de baas zouden gaan spelen? Wat zou er met ons gebeuren? En met onze kinderen?’
Arnold hoorde zijn vader aan; maar hij wist niet goed wat hij ervan denken moest. Hij zei behoedzaam: ‘Pa, als mensen die er anders over denken nu eens in de meerderheid zijn... Ik bedoel - niet iedereen is lid van de NSB.’
‘Begin jij nou ook al, Arnold? Waarom denk je dat al die maatregelen genomen worden? Toch zeker voor het bestwil van ons allemaal! Je twijfelt er toch niet aan dat onze Leider het beste voorheeft met ons volk, met ons vaderland? Als we aan hem gaan twijfelen, wie kunnen we dan nog vertrouwen? En wie zegt mij dat de meerderheid altijd gelijk heeft? Wie zegt mij dat wat de meerderheid denkt goed is? Ja, misschien de lui die nog in een democratie geloven. Maar jij weet even goed als ik dat we die tijd hebben gehad.’
Arnold zweeg. In gedachten zag hij de roerloze man op het marktplein. Wat had die eigenlijk gedaan? Waarschijnlijk alleen maar gestaakt. Of misschien dat niet eens. Misschien was hij wel toevallig over de markt gelopen. Net als hijzelf. Was die man opgeofferd voor het bestwil van hen allemaal? En de drie mannen die gefusilleerd waren - hadden die het geluk van de toekomst in de weg gestaan? Maar wat voor geluk was dat? En voor wie?
‘Waar denk je aan, Arnold?’
‘Wat...? Ik...? O, nergens aan.’
Meneer Westervoort zei: ‘Bedenk één ding, m'n jongen, er zijn er maar weinig die begrijpen waar het echt om gaat; die duidelijk zien voor welke idealen wij vechten.’
Het politiestandrecht duurde ruim veertien dagen. In die tijd werden er nog twee doodvonnissen geveld en voltrokken. Toen hadden de Duitsers de zaak onder controle.
Op school vielen verscheidene lessen uit, omdat een aantal leraren plotseling was verdwenen.
Arnold vond het al lang goed. In de vrije uren zwierf hij door de stad, een enkele maal met Piet Bergman, meestal alleen. Hij hunkerde naar een ontmoeting met Marloes, met haar alleen. Hij zou haar misschien
iets kunnen vertellen van zijn twijfels, van zijn onzekerheid. Hij wachtte haar op, hij probeerde haar te benaderen.
Maar Marloes ontweek hem. En ze deed het handig. De enkele maal dat hij haar ergens in de stad tegenkwam, stapte ze juist een winkel binnen of was ze samen met een vriendin. Een ontmoeting op school kon hij wel vergeten. Afgezien van Marloes' weinig toeschietelijke houding was hij bang dat Piet Bergman er iets van zou merken. En dat wilde hij voorkomen.
In de maand voor de zomervakantie werden alle lesuren naar de morgen overgebracht. Normaal zou hij blij zijn geweest met die regeling en de vermindering van de hoeveelheid huiswerk. Nu voelde hij zich alleen maar triest. En eenzaam.
‘Heb je niets te doen?’ vroeg mevrouw Westervoort op een middag.
‘Och..., nee, eigenlijk niet.’
‘Misschien kun je je vader helpen. Die heeft het toch al zo druk.’
‘Pa helpen?’ Het idee lokte Arnold niet aan. Hij zag het beeld van een duf kantoor en een warwinkel van papieren. ‘Ik wou gaan vissen’, zei hij.
‘Dan ga je vanmiddag vissen. Vanavond praten we er dan verder wel over. Het is wel eens goed voor jou om met andere mensen om te gaan.’
‘Dat lijkt me leuk’, zei hij sarcastisch. ‘Vooral als die andere mensen niet met mij willen omgaan.’
‘Zo mag je niet praten, Arnold! Je moet je best doen om er iets van te maken!’
Meneer Westervoort vond het een geweldig plan en de volgende middag al ging Arnold mee naar het distributiekantoor. Het was een oud gebouw van bruine bakstenen. Bij de ingang stond een politieagent. Hij tikte even tegen zijn pet toen ze naar binnen gingen.
‘Waarom staat die daar?’ vroeg Arnold.
‘Voor de veiligheid’, verklaarde meneer Westervoort. ‘Er zijn de laatste tijd een paar overvallen gepleegd op distributiekantoren. Niet hier in de buurt, in Friesland. Dat tuig van het zogenaamde verzet schijnt daar helemaal nergens voor terug te deinzen.’
Arnold volgde zijn vader door een brede gang naar een kamer die
door glas van de rest van het kantoor was gescheiden. Aan een stuk of wat bureaus zaten mannen en vrouwen te schrijven. De loketten bevonden zich aan de andere kant van de ruimte, bij de ingang voor het publiek. Er stond niemand.
‘Het kantoor is alleen 's morgens geopend’, ging meneer Westervoort verder. ‘'s Middags wordt alles bijgewerkt.’ Hij opende de deur naar de grote werkruimte.
Niemand van het kantoorpersoneel keek op.
‘Dames en heren’, zei meneer Westervoort. ‘We hebben er vandaag een personeelslid bij - dit is mijn zoon Arnold.’
Ze keken verstoord op, knikten en gingen weer aan het werk.
Arnold wees op een grote stalen deur in een van de wanden. ‘Is dat de kluis?’
‘Ja, daar zitten de bonkaarten in en alles wat er verder voor de distributie nodig is - inlegvellen en zo... Er moet heel wat gebeuren voor ze die open krijgen.’
‘Wie heeft de sleutel?’
‘Ik.’ Meneer Westervoort glimlachte. ‘Maar ik ga zelfs jou niet vertellen waar ik die bewaar.’
‘En als...’ begon Arnold.
‘Je wou vragen: als er iets met mij gebeurt? Dan gaan ze naar de burgemeester. Die heeft de reservesleutel.’
Arnold knikte. Hij was toch een beetje onder de indruk. En met de junizon door de hoge ramen leek het niet zo duf als hij gedacht had. Dan zag de sigarenfabriek waar ze les hadden er heel wat beroerder uit.
Na een week had Arnold het werk al zo in de vingers dat hij het bijna leuk begon te vinden. Wel schonk het personeel nauwelijks aandacht aan hem, maar daar was hij wel aan gewend. Hij vulde lijsten in, noteerde aantallen uitgereikte bonnen en hielp zijn vader met het corrigeren van verslagen.
In de vakantie bracht hij al gauw hele dagen in het distributiekantoor door. En toen zijn vader hem eind juli een tientje in handen stopte en hem vertelde dat hij zijn werk goed gedaan had, nam hij zich voor de school vaarwel te zeggen. Dan kon hij nog meer verdienen. Tenminste, als hij voor vast werd aangenomen.
Het liep tegen vieren.
Arnold had de hele morgen geholpen met het knippen van bonnen. Nu was hij druk bezig met het sorteren van een zending schoenen en klompen die de volgende morgen zouden worden uitgereikt. Een van de meisjes hielp hem. De anderen zaten aan hun bureaus te werken. Zijn vader bevond zich in de directiekamer.
Er werd geklopt. De deur werd meteen geopend. De politieman die die dag het gebouw bewaakte stond op de drempel.
‘Ben jij de zoon van de directeur?’ vroeg hij Arnold. Zijn gezicht stond strak. Zijn armen hield hij krampachtig langs zijn lichaam.
‘Ja.’
‘Wil jij je vader even waarschuwen? Er is iemand die hem wil spreken.’ Arnold legde een paar schoenen terug in de doos. Hij keek naar de agent, zoals die daar stond - haast in de houding. Waarom vroeg die zijn vader zelf niet? En waarom bleef hij niet buiten? Dat was toch zijn opdracht.
‘Schiet een beetje op, wil je?’ maande de politieman. ‘Er schijnt haast bij te zijn.’
Arnold knikte. Hij begaf zich naar de kamer van zijn vader. ‘Pa, er is iemand om u te spreken.’
Meneer Westervoort keek op. ‘Wie?’
‘Dat weet ik niet.’ Hij wees naar de andere deur. ‘Die agent vroeg het mij net. Er is haast bij, geloof ik.’
‘Goed, laat hem maar binnen.’
Arnold liep terug.
‘U kunt hem binnenlaten’, zei hij.
Stijfjes deed de agent een pas opzij om een man door te laten wiens gezicht gedeeltelijk verborgen werd door een snor en een donkere bril. Hij droeg een regenjas en had zijn handen diep in de zakken.
‘Goedemiddag, jongeman. Je vader is in zijn kantoor?’
‘Ja, meneer - die kant op.’
‘Dank je.’
Arnold keek de man na. Wat een vreemde kop had ie. Net of die bril niet goed bij hem paste. Hij keerde zich om, maar de agent was alweer verdwenen.
‘Vond jij dat ook een eigenaardige kerel?’ vroeg Arnold aan het meisje dat was doorgegaan met schoenen sorteren.
‘Wie? Die man? Ik heb er niet op gelet.’
Een halve minuut later opende zijn vader de deur van zijn kantoor. ‘Arnold, wil je even hier komen?’ Er was een hese toon in zijn stem. De hand waarmee hij de deur achter zijn zoon sloot beefde.
Eén seconde - meer had Arnold niet nodig om te zien wat er aan de hand was. De bezoeker zat op een van de stoelen tegen de muur. De loop van de revolver in zijn hand wees recht op de borst van zijn vader. ‘Dat is toch uw zoon, nietwaar, meneer Westervoort?’ De stem van de man was vlak en toonloos.
‘Ja...’
‘Wilt u dan nu de bonkaarten uit de kluis halen?’
‘Maar...’, protesteerde meneer Westervoort. ‘Dat kunt u niet doen... Ik ben...’
‘Opschieten!’ snauwde de ander. ‘We hebben niet de hele middag de tijd. En u begrijpt zeker wel dat uw zoon zolang hier blijft...’
Arnold voelde zich opeens moe. Een overval, wist hij. Het was de man om de bonkaarten begonnen. Waarom had de politieman niet ingegrepen? Of was de overvaller niet alleen gekomen? Hadden ze de agent buiten verrast? Stonden er nog meer in de gang?
Hij wilde iets zeggen, maar het enige wat hij voortbracht was schor gefluister.
‘Ik geef u precies twee minuten’, zei de man.
Meneer Westervoort gehoorzaamde. Hij liep naar de kast met ordners, stak zijn hand achter een richel en haalde een sleutel te voorschijn. Daarna begaf hij zich naar de deur.
‘Stop!’ De revolver bewoog zich naar Arnold. ‘Ik hoef u niet te zeggen wat er gebeurt als u iemand waarschuwt of de alarminstallatie inschakelt!’
Meneer Westervoort schudde zijn hoofd. Hij was lijkbleek.
‘En denk erom - ik weet hoeveel bonkaarten er zijn... Breng ze mij allemaal!’
Arnold zag zijn vader de deur openen. Een paar mannen keken op, maar gingen meteen weer door met hun werk; ze hadden niets in de gaten.
Kon hij maar iets doen. Iemand waarschuwen. Maar hij was machteloos. En weerloos. Hij stond tegenover de man aan de andere kant van het vertrek. Hij zou zijn pink nog niet eens kunnen bewegen zonder dat hij het zag, laat staan de aandacht trekken. Maar hij kon toch ook niet werkeloos toezien hoe het kantoor werd beroofd.
Terwijl het hart hem het bloed naar de slapen joeg zei hij: ‘Ze krijgen jullie wel te pakken!’
‘Mond dicht!’ beval de man.
Arnold zweeg. Traag kropen de seconden om. Kwam zijn vader nou nooit terug? Was er iets met de kluis? Had er toch iemand iets gemerkt? Hij hoorde gepraat in het kantoor, gevolgd door de bevelende stem van zijn vader.
De man had het eveneens gehoord. Met een ruk stond hij op en kwam vlak naast hem staan. ‘Geen beweging, mannetje! Denk er goed aan!’ Arnold verroerde zich niet. De angst schroefde zijn keel dicht.
Zijn vader kwam terug met een stapel bonkaarten.
De overvaller verspilde geen tijd. Hij graaide onder zijn jas en smeet een opgevouwen boodschappentas op het bureau. ‘Alles erin!’
Meneer Westervoort deed wat hem gezegd was. Zijn bewegingen waren gejaagd en onnauwkeurig.
Tenslotte greep de man de volle tas, stak de hand met de revolver in zijn zak en maakte een hoofdbeweging naar Arnold. ‘Jij gaat met mij mee!’ Daarna keerde hij zich naar meneer Westervoort. ‘U blijft in uw kantoor en u doet niets..., u doet helemaal niets! Begrepen?’
Meneer Westervoort stond naast zijn bureau. Hij zei schor: ‘Hier zullen jullie spijt van krijgen.’
Met stijve benen verliet Arnold de directiekamer. Het meisje was nog bezig met de schoenen en klompen. Ze keek hem en zijn begeleider bevreemd aan. ‘Ga je nu al weg?’
‘Even maar’, antwoordde hij. ‘Ik ben zo terug.’
In de gang stond de agent en Arnold zag meteen waarom deze niet had ingegrepen: een man met een sjaal half voor zijn gezicht bedreigde hem met een pistool. De holster aan de riem van de politieman was leeg.
‘Voor u geldt hetzelfde’, zei de man met de bril. ‘In de gang blijven en niets ondernemen voor hij terug is!’
Even later waren ze buiten.
‘Deze kant op.’ De beide mannen liepen half achter hem en loodsten hem na honderd meter een steeg in. Bij een uitstekende muur stopten ze en duwden Arnold met het gezicht tegen de stenen. ‘Voor je je omdraait langzaam tot honderd tellen!’ snauwde een van de mannen.
Arnold hoorde zachte voetstappen zich verwijderen. Even later het open en dichtgaan van een deur. Daarna stilte.
Maar hij durfde niet te kijken. Stond een van die kerels nog achter hem? Of waren ze beiden weggegaan? Hij voelde zich angstig en belachelijk tegelijk. Tot honderd tellen...
Er verstreken een paar minuten. Toen draaide hij zich om.
De steeg was verlaten.
Arnold zette het op een lopen.