terug  begin  verderprepost
[p. 181]

21

Binnen een half uur had de politie een grootscheepse klopjacht georganiseerd. Huizen in de omgeving werden doorzocht, straten afgezet. De woning in de steeg waar de overvallers volgens Arnold misschien waren binnengegaan werd van onder tot boven uitgekamd. Zonder resultaat: er woonde alleen een oude vrouw die de politiemannen vriendelijk en verbaasd te woord stond.

Meneer Westervoort zat intussen in zijn kamer en beantwoordde vragen van een rechercheur van politie.

‘Hoeveel bonkaarten hebben de overvallers meegenomen?’

‘Vijftienhonderd ongeveer. Ik weet het niet precies.’

‘Was dat alles wat u in voorraad had?’

‘Nee, gelukkig niet. We hadden er ruim vijfduizend in de kluis. Die kerel deed alsof hij precies wist hoeveel er waren, maar daarmee kon hij mij niet misleiden.’

‘Weet u zeker dat er twee overvallers waren?’

‘Dat heb ik u zoëven ook al verteld.’

‘En u hebt er maar een gezien?’

‘Ja.’

‘Uw zoon vertelde mij dat de man die hier binnen is geweest een hoed droeg. Is dat juist?’

‘Heeft Arnold u dat verteld? Dan moet hij zich vergist hebben. Die kerel had een bril op en een snor. En hij had een regenjas aan.’

‘Hij was gewapend met een revolver?’

‘Ja.’

‘Kent u het verschil tussen een pistool en een revolver?’

Meneer Westervoort vroeg geërgerd: ‘Wat heeft dat ermee te maken? Natuurlijk ken ik het verschil tussen een pistool en een revolver.’

‘U weet dus zeker dat het een revolver was?’

‘Ja, dat weet ik zeker. En mag ik alsjeblieft weten waarom dat zo belangrijk is?’

De rechercheur zei kalm: ‘Hoe nauwkeuriger getuigenverklaringen zijn, des te waardevoller zijn ze. Kent u misschien ook het merk?’

[p. 182]

‘Nee.’

De politieman maakte een paar notities. ‘U hebt de overvaller nooit eerder gezien?’

‘Nee.’

‘Probeert u zich de man eens voor te stellen zonder snor en bril.’

‘Dat heb ik al gedaan - ik ken die man niet.’

Arnold kwam het kantoor van zijn vader binnen.

Meneer Westervoort keek hem scherp aan. ‘Hoe kom je erbij te zeggen dat die kerel, die overvaller, een hoed ophad?’

Arnold keek verward van de een naar de ander. ‘Een hoed? Dat heb ik helemaal niet gezegd.’

Meneer Westervoort staarde de rechercheur ongelovig aan. ‘En u zit mij net te vertellen...’

‘Neem me niet kwalijk, meneer Westervoort’, viel de ander hem koeltjes in de rede, ‘het is nu eenmaal onze opdracht na te gaan of de getuigen elkaar misschien tegenspreken.’

‘Dan gebruikt u daar wel bijzonder eigenaardige methoden voor!’ snauwde meneer Westervoort.

De politieman antwoordde ijzig: ‘In deze eigenaardige tijd gebruikt iedereen wel eens eigenaardige methoden, meneer Westervoort!’

‘Wat bedoelt u daarmee?’

‘Daar bedoel ik precies dat mee wat u ervan denkt!’ Hij gaf hem geen tijd voor een antwoord. ‘U bent zeker nog wel enige tijd op uw kantoor?’

‘Ja.’

‘Goed.’ Zonder te groeten verliet hij de directiekamer om het personeel te gaan ondervragen.

‘Gaan we dan niet naar huis, pa?’ vroeg Arnold.

Meneer Westervoort steunde vermoeid zijn hoofd in de handen. ‘Straks’, zei hij.

 

De beide overvallers bleven spoorloos. En meneer Westervoort wond zich met de dag meer op.

‘Die politie hier is waardeloos!’ zei hij. ‘Het enige wat ze kunnen is onbenullige vragen stellen. Het lijkt er soms waarachtig op alsof ze mij verdenken van de overval en het roven van de bonkaarten!’

[p. 183]

‘Ze moeten natuurlijk alles nagaan’, vergoelijkte mevrouw Westervoort.

‘Wat - alles nagaan...!’ schamperde hij. ‘Als ik die vlerk van een rechercheur tegenkom trekt ie een grijns alsof ie blij is dat de daders ontsnapt zijn. Ze moesten de Duitse Ordnungspolizei maar eens aan het werk zetten. Of de SD. Dan piepten die schurken heel anders! Dan was het afgelopen met dat soort misdaden!’

Een week na de overval begon de school weer. Door het uitvallen van talrijke lessen had men gemakshalve de hele klas laten overgaan naar de vierde, zodat Arnold het gevoel had dat er eigenlijk niets veranderd was.

Hijzelf zat die morgen alleen, want Piet Bergman was ziek, maar Hans van Beek was er wel. En ook Johan Laning, die vier weken in het ziekenhuis had gelegen. Dan Onno van Dijk die op onverwachte momenten zulke venijnige dingen kon zeggen.

En natuurlijk Marloes. Ze had een ander plaatsje opgezocht en zat nu in een rij naast de zijne, een meter of vier van hem verwijderd.

Ze was mooi, dacht hij. En heel anders dan de andere meisjes in zijn klas. Maar ze was tegelijkertijd ver weg, voor hem onbereikbaar ver. Ze zou waarschijnlijk nooit met hem willen praten zoals ze met andere jongens praatte. Ze meed hem zoals iedereen hem meed, zodra ze wisten wie hij was. Kon hij haar er maar van overtuigen dat hij geen rottigheid wilde uithalen. Maar zou hij daar ooit de gelegenheid voor krijgen? En zou hij haar dan vertellen dat hij dat illegale blaadje, VRIJ NEDERLAND, bij haar tas had gevonden en meegenomen? Zou ze dat nog weten?

Marloes keek plotseling opzij. Secondenlang hielden haar ogen de zijne vast; toen wendde ze zich af.

Arnold voelde het bloed in zijn hoofd gonzen. Ze had hem aangekeken... Niet zomaar. De blik in haar ogen was vreemd geweest, haast medelijdend, maar toch anders... Alsof ze hem iets wilde vertellen, maar niet wist waarmee ze moest beginnen.

Zou ze dan toch met hem willen praten?

De hele morgen bleef hij erover tobben. Zou hij haar straks aanschieten? Hij moest het proberen. Hij kon haar in elk geval vragen of ze hem iets wilde vertellen. En als dat niet zo was kon hij altijd zeggen dat

[p. 184]

hij haar wèl iets wilde zeggen. Maar hij moest het zo doen dat niemand er erg in had. Als hij de kans maar kreeg..., straks om twaalf uur.

Arnold kreeg de kans niet. Marloes was het lokaal al uit, terwijl hij zijn boeken inpakte.

Hij schoot haar na, de gang op, maar een paar klasgenoten schenen dat in de gaten te hebben. Opzettelijk traag voor hem uit lopend versperden ze hem de weg.

‘Ik weet nog leuk vakantiewerk’, hoorde Arnold ze zeggen. ‘Op het distributiekantoor. Maar je moet wel goed met mensen kunnen omgaan - onverwachte bezoekers ontvangen en zo...’

Arnold probeerde zich tevergeefs langs het stel te wringen.

‘Als die bezoekers speelgoedpistooltjes bij zich hebben, is het helemaal leuk’, grinnikte een ander. Hij keerde zich om en deed verrast toen hij Arnold ontdekte. ‘Hé, Westervoort, wou je d'r langs? Of heb je haast? Doe maar kalm aan, hoor. Ze doen je hier niks. 't Is hier geen distributiekantoor...’

Woedend baande Arnold zich een weg en rende de trap af. Achter hem klonk bulderend gelach en een stem die schreeuwde: ‘Hard lopen hebben ze je wel geleerd, hè?’

Op straat keek hij links en rechts... Marloes was nergens meer te bekennen.

Teleurgesteld en nijdig liep hij naar huis.

's Middags hadden ze nog een lesuur, van meneer Moolenaar.

Ze waren nog maar net bezig of Gert Veenkamp stak de vinger op.

‘Ja, Gert?’

‘Meneer, doen we dit jaar ook weer mee aan de oogsthulp?’

‘Ja!’ joelden een paar anderen. ‘Daar hebben we echt zin in!’

‘Sjonge wat een enthousiasme!’ zei meneer Moolenaar. ‘Nee, jongens, jullie zijn te vroeg. Er valt nog niet veel te oogsten.’

‘O, jawel, hoor!’ riep Hans van Beek. ‘En je hoeft er niet eens voor naar de boer!’

‘Dan wil ik wel eens horen wat voor oogst dat is’, spotte meneer Moolenaar.

‘Bonnenoogst!’ schreeuwde Hans van Beek overmoedig. ‘Op het distributiekantoor! Je hoeft alleen maar naar binnen te wandelen en te vragen of ze nog...’

[p. 185]

‘Hans, wil jij dadelijk je grote mond houden?’ zei meneer Moolenaar scherp. ‘Als jij niet weet wat je zeggen en verzwijgen moet, heb ik jou liever niet in de klas! Begrepen?’

‘'t Was maar een geintje’, verweerde Hans van Beek zich zwakjes.

‘Zulke geintjes hou je in 't vervolg dan maar voor je!’

Arnold kookte. Bleven ze dan altijd maar doorgaan? Dat kwam natuurlijk omdat Piet er niet was. Nu durfden ze. Het viel hem nog mee dat Moolenaar Hans van Beek een uitbrander had gegeven. Maar dat zou hij ook wel niet menen. Alle kans dat ie zich inwendig kapot zat te lachen.

Die middag miste hij Marloes opnieuw. Wel was hij op tijd bij het hek van de sigarenfabriek, doch ze was op de fiets. Rammelend op haar karretje met de hard-rubber banden reed ze hem haastig voorbij. Ze zag hem niet eens staan.

Hij keek haar na hoe ze met haar tas achterop de straat uitfietste in de richting van de markt. Ze ging dus niet naar huis, dacht hij. En waarom had ze zo'n haast?

Hij wist het niet. En plotseling kon het hem ook weinig meer schelen. Ze moest hem niet. Dat had ze duidelijk laten merken.

Moedeloos liep hij naar huis, maar toen hij zich daar een half uur had zitten vervelen, ging hij opnieuw de deur uit.

‘Waar ga je heen?’ vroeg mevrouw Westervoort.

‘'k Weet nog niet. Ik zie wel...’

‘Kom je niet te laat thuis? We eten om halfzes.’

Hij gaf geen antwoord.

‘En moet je geen huiswerk maken?’ riep ze hem na.

‘Nee!’

Hij liep de straat uit en bereikte na een kwartier de rand van de stad. Daar ging hij op de dijk in het gras zitten en keek uit over de rivier. Een flauwe bries rimpelde het water. Een visser aan de overkant tuurde vanuit een roeiboot naar zijn dobber. Rechts van hem lag de nu verlaten aanlegsteiger. Op de weg achter hem rammelde een fiets voorbij.

Arnold keek om. Op hetzelfde ogenblik stokte hem de adem in de keel. Daar ging Marloes! Licht voorover gebogen, haar boekentas op de bagagedrager.

[p. 186]

Hij vloog overeind met de bedoeling haar aan te roepen, maar bedacht zich nog net. Stel je voor dat ze weer deed of ze hem niet hoorde of zag. Dan stond hij zich met zijn geschreeuw knap aan te stellen.

Marloes reed verder. Ze volgde de weg langs de steenfabriek vlak bij de steiger en sloeg toen rechtsaf het bos in - hetzelfde pad waarlangs Arnold bijna anderhalf jaar geleden de Duitsers de weg had gewezen om de Engelse piloot te zoeken.

Wat had Marloes in vredesnaam in het bos te maken? Of zou ze daar wel vaker komen? Woonde daar ergens een vriendin van haar? Maar waarom had ze haar schooltas bij zich?

Zou ze hem hebben gezien? Waarschijnlijk niet. Achter de kruin van de dijk en het hoge gras was hij zo goed als onzichtbaar geweest.

Gedurende een halve minuut stond hij in tweestrijd. Toen begaf hij zich in de richting van het bos.

Het karrepad tussen de bomen was er sinds de laatste keer dat Arnold er geweest was niet beter op geworden. Iemand die voor z'n plezier een fietstochtje maakte zou er beslist niet langs gaan. Uitstekende boomwortels werden afgewisseld door kuilen vol water, zodat Arnold zich al gauw afvroeg hoe het mogelijk was dat Marloes hier op de fiets kon blijven zitten.

Enige tijd volgde hij de bandensporen toen hij zag dat dat inderdaad niet mogelijk was: Marloes had haar fiets tegen een boom gezet en deed verwoede pogingen de massieve band om de velg van het voorwiel te krijgen.

Arnold legde de laatste vijfentwintig meter af met kloppend hart. Ze was alleen..., eindelijk alleen...

‘Hallo’, zei hij zacht.

Ze had hem niet horen aankomen en ze reageerde alsof iemand haar onverwachts iets in het oor schreeuwde.

‘Eh..., zal ik je even helpen?’ bood hij aan.

Ze staarde hem aan met grote schrikogen in een wit gezicht. Toen stotterde ze: ‘Ik..., ik... eh...’

‘Ik heb het al vaker gedaan’, zei hij ijverig. Hij boog zich over het wiel, greep het harde rubber en begon het om de velg te wringen. Het was een lastig karwei. Zijn vingers werden pijnlijk en vuil.

Hij richtte zich op. ‘Het lukt niet. Eerst moet dat stuk draad eruit.

[p. 187]

Misschien kunnen we naar die boer gaan achter het bos. Die heeft wel gereedschap.’

‘Nee’, antwoordde ze haastig. ‘Nee, dat is niet nodig, dat hoeft niet. Ik red me zo ook wel.’

‘Wou je zo gaan fietsen?’

‘Eh... nee, ik laat m'n fiets staan. Ik ga wel lopen. Bedankt.’ Ze maakte aanstalten haar tas van de bagagedrager te nemen.

‘Moet je nog ver?’

‘Nee, naar een boerderij, een klein eindje verderop.’

‘O. Zal ik met je meelopen? Dan kan ik daar je fiets wel repareren.’

‘Dat hoeft niet, Arnold. Echt niet.’

Hij zweeg even. Toen zei hij: ‘Marloes...’

Marloes prutste aan de riem waarmee haar tas was vastgebonden.

‘Marloes..., ik wou graag eens met je praten.’

Marloes keek op. Haar gezicht stond hulpeloos. ‘Nu niet, Arnold. Ik moet eh..., ik moet opschieten...’

‘Opschieten?’

‘Ja, ik moet eh... melk halen.’ Haar vingers friemelden zenuwachtig aan de tas. ‘Over een half uur moet ik terug zijn, zei m'n moeder.’

‘O.’ Hij zag haar verwoede pogingen de riem om de tas los te gespen.

‘Laat mij dat even doen’, zei hij.

‘Nee!’ Plotseling lag er angst in haar ogen. ‘Dat kan ik zelf wel!’ Met een vinnige ruk trok ze de riem los. De tas ontglipte aan haar handen en plofte zwaar op de grond. Het slot sprong open. Een stapel papieren gleed in het gras.

Het waren gekleurde papieren, verdeeld in kleine vakjes, die voorzien waren van nummers. Boven de nummers stonden woorden: TEXTIEL, VLEES, BROOD, ALGEMEEN en RESERVE.

Niet meer dan een seconde had Arnold nodig om de papieren te herkennen: in het gras lagen bonkaarten, honderden bonkaarten.

prepostterug  begin  verder