terug  begin  verderprepost
[p. 188]

22

Het was stil in het bos. Alleen bladeren ritselden in de zachte wind.

En in de verte zongen vogels.

Maar dat waren geluiden die niet tot Arnold doordrongen. Verbijsterd staarde hij naar de uitgestrooide papieren. Hij stamelde: ‘Hoe... hoe kom je daaraan?’

Marloes zag er ontredderd uit. Haar gezicht was bleek. En de angst in haar ogen maakte plaats voor radeloosheid. Toen viel ze op haar knieën en scharrelde de bonkaarten bij elkaar - haastig, alsof ze op die manier haar gevaarlijke bagage wilde redden.

‘Dat zijn de bonnen van het distributiekantoor’, fluisterde Arnold.

Nog steeds gaf Marloes geen antwoord. Bijna wild propte ze de kostbare papieren in haar tas.

‘Marloes’, drong hij aan, ‘hoe kom jij aan die bonnen?’

Ze probeerde het slot op de tas dicht te klikken. Tevergeefs. Het ding was door de val kapot gesprongen. Toen keek ze hem aan. Haar ogen glansden als van een kat die in het nauw zit. ‘Dat gaat je niets aan!’

Arnold wist niet wat hij doen moest. Moest hij zijn vader waarschuwen, straks, als hij thuiskwam? Maar wat zou er dan met Marloes gebeuren? Zouden ze haar arresteren? Haar ondervragen? En zouden ze haar dan net als die stakers een paar maanden geleden...Hij duwde die afschuwelijke gedachte weg.

Hij kon haar ook de tas met de bonkaarten afnemen en thuis zeggen dat hij die ergens had gevonden. Maar dat zouden ze natuurlijk nooit geloven. Hij zou de plek moeten aanwijzen waar hij de bonnen gevonden had. Er zou een onderzoek komen. Niemand liet zomaar honderden bonkaarten slingeren. Nog wel in een schooltas!

Hij wist waarom die lui van het verzet distributiekantoren overvielen. Duizenden mannen die weigerden voor de Duitsers te werken of niet in krijgsgevangenschap waren gegaan, waren spoorloos verdwenen. Onvindbaar. Zijn vader had hem er iets van verteld. Maar die moesten natuurlijk wèl eten. Zonder distributiebonnen was er geen eten te krijgen. En zodra die mannen in het distributiekantoor bonnen kwamen

[p. 189]

halen, werden ze gearresteerd, omdat ze niet voldoende papieren bij zich hadden...

Maar wat deed Marloes zich daarmee te bemoeien?

Hij zei: ‘Die bonnen zijn gestolen.’

Marloes klemde de tas onder haar arm. ‘Hoe kom je daarbij!?’

Hij keek haar ongelovig aan. ‘Ik was er zelf bij..., vorige week! Twee kerels met pistolen hebben ons overvallen. Ze hebben een heleboel bonkaarten meegepikt.’ Hij wees op de tas. ‘Die bonkaarten.’

‘Wat weet jij daarvan?’ ging Marloes tot de aanval over. ‘Heb jij soms de nummers genoteerd?’

‘Nummers genoteerd? Zo'n stapel bonkaarten heeft toch niemand!’

‘Ik wel!’ was het bitse antwoord.

Arnold was even uit het veld geslagen. Hij schudde zijn hoofd. ‘Dat zijn nieuwe bonkaarten.’

‘Nou en?’ Ze keerde hem de rug toe en begon het bospad verder af te lopen.

Arnold was meteen naast haar. ‘Je moet ze terugbrengen’, zei hij. ‘Zeg maar dat je ze ergens gevonden hebt.’

Geen antwoord.

‘Misschien krijg je er wel een beloning voor...’

Met een ruk bleef ze staan. Haar ogen fonkelden. ‘Dit zijn mijn bonnen. En ik doe ermee wat ik wil!’

‘Dat kun je niet doen, Marloes. Dat is veel te gevaarlijk. Als ze merken dat...’

‘Wie zou dat merken?’

Haar gezicht straalde een vijandigheid uit die Arnold nog niet eerder had gezien. Hij voelde een onbedwingbare woede in zich opkomen. Wat deed ze zich ook in te laten met dat verzet. Met opeengeklemde tanden zei hij: ‘Stel je voor dat de politie jou had aangehouden?’

‘Ja’, antwoordde ze. ‘Of een NSB-er!’

Het klonk als een zweepslag en Arnold kromp in elkaar. ‘Marloes...’ zei hij zacht. ‘Dat... dat meen je niet...’

‘Dat meen ik wel!’ antwoordde ze schril. ‘Waarom ben je mij achterna gelopen? Waarom zat je mij op school al op de hielen? Je dacht zeker dat ik dat niet gemerkt had, hè? Maar je zit al weken achter mij aan. Ik kan geen voet verzetten of jij ligt ergens op de loer!’

[p. 190]

‘Marloes...’

‘En hier heb je natuurlijk op gewacht! Je hebt me te pakken! Nou, geniet er maar van!’ Haar stem sloeg over. ‘Ga het maar vertellen - thuis, aan je vader. Ga me maar verraden: Marloes ter Winkel is koerierster. Ze brengt gestolen bonnen weg naar onderduikers die anders doodgaan van de honger! Dan kunnen ze mij oppakken. Dan heb je eindelijk je zin!’ Ze sloeg haar handen voor haar gezicht en barstte in snikken uit. De tas viel voor de tweede keer op de grond.

Arnold beet het bloed uit zijn lip. ‘Niet waar, Marloes! Luister nou toch eens even...!’ Hij greep haar bij de arm.

‘Blijf van me af!’ huilde ze. ‘Hoepel alsjeblieft op!’ Ze rukte zich los en bukte zich om haar tas weer op te pakken.

Arnold stond te trillen op zijn benen. Tranen van verontwaardiging en verdriet brandden achter zijn ogen. Waarom zei ze dat allemaal? Het was immers niet waar! Hij had niet het flauwste vermoeden gehad dat zij de bonkaarten van de overval in haar tas had. Maar zij dacht dat hij dat wèl had geweten. Dat NSB-ers er alleen op uit waren anderen te beloeren, te kijken of ze iets deden wat niet mocht. Maar dat was toch niet waar! Zelfs al had zijn vader een paar keer...

In zijn hoofd begonnen wanhopige gedachten rond te tollen. O, God, schreeuwde het in hem, het komt allemaal van die smerige, ellendige oorlog!

Hij duwde beide vuisten tegen zijn wangen. ‘Marloes’, zei hij schor. ‘Het is niet waar! Ik heb het toch ook niet gezegd van dat krantje, van Vrij Nederland!’

Ze stond over haar tas gebogen. Haar schouders schokten.

‘Als ik gewild had..., had ik het toen toch wel kunnen vertellen.’

Ze hief haar hoofd op. In haar roodomrande, betraande ogen lag onbegrip.

‘Het lag naast jouw bank, in school...’

‘Wat...?’

‘Weet je dat niet meer? Van 't voorjaar... Ik heb het meegenomen. Ik had het je willen teruggeven, maar...’ Hij stokte.

Ze veegde met de mouw van haar jas over haar gezicht. ‘Heb jij... een krant van mij meegenomen...?’

Arnold knikte.

[p. 191]

Ze keek hem ongelovig aan. ‘Dus jij... jij hebt dat gevonden? En... aan niemand verteld?’

Hij schudde zijn hoofd.

Ze fluisterde: ‘Waarom niet?’

‘Omdat ik jou...’ Hij zocht naar woorden. ‘Dat eh... vond ik niet nodig.’

‘Oh...’ Marloes was het toonbeeld van onzekerheid. ‘Heeft eh... niemand anders het gezien? Heb jij het wel gelezen?’

Hij knikte.

‘Niemand anders?’

‘Ik... heb het thuis niet laten zien.’

‘Waar heb je het dan gelaten,’

‘Verbrand.’

Marloes bleef aan de sluiting van haar tas frunniken. Maar haar vijandigheid was weg. ‘En ik dacht al die tijd dat ik het had verloren.’ Ze vervolgde aarzelend: ‘Dus... je zegt ook niets van die bonnen?’

Arnold staarde naar de grond. ‘Kun je ze echt niet terugbrengen? Ik bedoel - ze zijn toch gestolen...’

‘Dat kan niet.’

‘Waarom niet?’

‘Dat snap jij toch ook wel. Er zijn een heleboel mensen die bonnen nodig hebben, maar ze zelf niet kunnen halen.’

‘Dan hebben ze dat aan zichzelf te danken.’

‘Nietwaar! Dat hebben ze aan de moffen te danken!’

‘Maar die bonnen waren voor anderen bestemd. Die kun je niet zomaar inpikken!’

‘Dan drukken ze er maar een paar honderd bij. Dacht je dat ze in de stad minder eten kregen als er een paar van die rotbonnen verdwijnen?’

‘Dat weet ik niet.’ Hij dacht aan de moeite die het zijn vader kostte alles weer in orde te maken. Aan de moeilijkheden met de politie. Aan de moeilijkheden thuis. Aan de mensen die uren voor de loketten zouden moeten wachten. Hij zei koppig: ‘Die bonnen horen in het distributiekantoor.’

‘Goed!’ Marloes kreeg een kleur van opwinding. ‘Jij wilt die onderduikers liever laten doodgaan van de honger?’

‘Dan moeten ze maar niet onderduiken. Er zijn er genoeg die zich

[p. 192]

gewoon melden voor werk in Duitsland. Daar gebeurt toch niks mee?’ Marloes keek hem verbijsterd aan. Haar angst was echter verdwenen. ‘Doe niet zo stom! Het is toch te gek dat je verplicht bent te werken voor... voor de Duitsers?’

‘Waarom?’

‘Waarom..., waarom...! Snap je dat dan niet? Jij doet toch ook geen werk waar je geen zin in hebt?’

‘Als het moet... ledereen heeft de plicht om...’

‘Ach, wat plicht! Dan krijgen de moffen ons precies waar ze ons hebben willen. Straks mag er helemaal niks meer. Zou jij dat leuk vinden?’

Hij spreidde zijn handen. ‘Je kunt toch niet alles doen waar je zin in hebt! Mijn vader zegt...’

‘En mijn vader zegt dat iedereen die voor de moffen werkt een landverrader is. En de NSB-ers zijn...’ Ze zweeg geschrokken.

Arnold strengelde zijn vingers in elkaar. ‘Ik weet wat je wou zeggen’, zei hij bitter. ‘De NSB-ers zijn de ergste landverraders... Marloes, geloof je dat echt?’

Marloes sloeg haar ogen neer.

‘Ik bedoel’, ging hij verder, ‘wij willen ook graag dat iedereen het goed heeft, dat iedereen..., ik weet niet hoe ik het zeggen moet.’

Ze antwoordde: ‘Maar daar hoef je toch geen mensen voor aan te brengen.’

‘Dat heb ik ook nooit gedaan!’

‘En Moolenaar dan, vorig jaar?’

‘Dat was mijn schuld niet. Dat was Piet Bergman...’

‘Piet Bergman is jouw vriendje.’

‘Ik zie hem alleen op school.’

‘Nietwaar. Ik heb jullie wel eens samen in de stad gezien - collecteren voor de Winterhulp.’

‘Dat is maar een of twee keer gebeurd. Maar ik heb nooit iemand aangegeven. Ik heb...’ Hij weifelde. Moest hij alles vertellen? Kon hij haar vertrouwen? ‘Ik heb het thuis wel eens gezegd dat ze me altijd zitten te pesten.’

‘O.’

‘Zou jij dat niet gedaan hebben?’

‘Ik weet het niet.’

[p. 193]

‘Ik kan er toch ook niks aan doen dat mijn vader lid van de NSB is?’

Marloes' ogen stonden opeens waakzaam. ‘Ben jij het dan niet eens met je vader?’

‘Eh... niet altijd. En mijn moeder...’ Hij haperde opnieuw. Wat had hij haar eigenlijk te zeggen? Hij had er zo naar verlangd met haar te praten, met haar alleen. En nu... Het was zo anders gelopen. Hij wist niet waar hij beginnen moest. Die rotbonnen ook!

‘Ik ga maar eens verder’, zei Marloes. ‘We kunnen hier niet steeds blijven staan.’

‘Nee...’ Arnold slikte moeilijk. ‘Maar, Marloes...’

‘Ja.’

‘Geloof je me?’

‘Ik weet niet wat ik geloven moet.’

‘Jij bent een van de weinigen die mij nooit gepest hebben. Ik dacht - misschien kunnen we samen praten. Thuis, ik bedoel - mijn vader is soms zo moeilijk. En met mijn zusje kan ik niet zo goed praten. Ze is ook vaak weg. Marloes, wat er in dat krantje stond, is dat echt waar?’

‘Ik kan me niet meer herinneren wat er in stond.’

‘Het ging over concentratiekampen. Martelen ze daar mensen? Mijn vader zegt dat dat leugens zijn.’

‘Weet jij daar echt niets van?’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Ook niet van Vught en Amersfoort? Dat ze daar mensen doodtrappen?’

‘Doodtrappen? Wie doen dat dan?’

‘SS-ers!’ antwoordde Marloes fel. ‘De grootste smeerlappen die er op twee benen rondlopen!’

Arnold dacht aan Piet Bergman. Die wilde ook bij de SS, over een paar maanden, als hij zestien was. Hij vroeg: ‘Hoe weet jij dat allemaal?’

‘Van mijn va...’ Ze was meteen weer op haar hoede. ‘Dat weet iedereen.’

‘Jouw vader is dan zeker ook bij het eh... verzet?’

Wantrouwen gloeide op in haar ogen. ‘Mijn vader werkt bij de PTT.’

Arnold keek haar verdrietig aan. ‘Je vertrouwt me niet, hè?’

[p. 194]

Ze wilde een antwoord geven, toen er om de kromming van het bospad een fietser verscheen. Slingerend en kuilen ontwijkend hobbelde hij voort. Hij kreeg de twee in het oog en maakte een beweging of hij wilde afstappen. Op het laatste ogenblik scheen hij zich echter te bedenken. Hij wiep hen beiden een snelle blik toe en fietste door.

Arnold keek hem na en wendde zich vervolgens tot Marloes. ‘Ken jij die man?’

‘Ik...? Nee...’ Ze maakte een gejaagde indruk.

‘O, dat dacht ik. 't Was net of hij jou wel kende. Zou hij hier in de buurt wonen?’

‘Misschien wel.’ Ze lachte plotseling gemaakt. ‘Ik moet nu weg, Arnold. Ik bedoel - ’ Ze plukte aan haar vingers. ‘Je vertelt niemand iets, hè? Ook niet van die bonnen?’

Hij schudde langzaam zijn hoofd. ‘Zal ik toch even met je meelopen? Met je fiets?’

‘Nee, beter van niet. Ik heb liever niet dat ze ons...’ Weer stopte ze midden in de zin.

‘Dat ze ons samen zien’, vulde hij aan.

Ze knikte met neergeslagen ogen en keerde zich om. ‘Dag, ik zie je nog wel...’

‘Dag...’ Hij bleef staan tot haar ranke figuurtje tussen de bomen verdwenen was. Toen draaide hij zich om en liep terug naar de hoofdweg, zijn hoofd boordevol verwarrende gedachten.

prepostterug  begin  verder