terug  begin  verderprepost
[p. 195]

23

Een paar weken gingen voorbij. Marloes liet niet meer merken dan af en toe een vluchtig glimlachje; doch Arnold was er gelukkig mee. Hij begreep heel goed dat ze weinig anders kon doen. Het zou al te opvallend zijn wanneer ze nu regelmatig gesprekken met hem zou aanknopen. En die vluchtige glimlachjes gaven hem het gevoel dat hij niet meer zo alleen stond.

Toch moest hij van nu af ook meer oppassen. Stel je voor dat hij zich versprak waar zijn vader bij was...

Bovendien was hij er niet zeker van of het goed was wat hij deed. Was hij nu medeplichtig aan de overval op het distributiekantoor? Nee, dat kon natuurlijk niet. Hij was er zelf het slachtoffer van geweest. Ze hadden hem zelfs met een revolver bedreigd. Dan konden ze hem nooit van medeplichtigheid beschuldigen.

Maar - hij wist nu wèl waar de bonnen waren gebleven. Of tenminste een deel ervan. Zou hij de politie wèl hebben ingelicht als Marloes er niet bij betrokken was...?

Hij bleef erover doortobben zonder eruit te komen. Het maakte hem nerveus en zwijgzaam tegelijk.

En dat bleef voor mevrouw Westervoort niet onopgemerkt. Op een zaterdagmiddag in oktober begon ze erover. ‘Is er wat, Arnold?’

‘Wat...? Nee.’

‘Je bent zo stil, de laatste tijd.’

‘Ik kan toch niet altijd zitten praten.’

‘'t Is de puberteit, ma’, spotte Rita. ‘'t Kereltje zit achter de meisjes aan.’

Arnold kreeg een hoofd als een biet. ‘Stik jij, voor mijn part!’ stoof hij op. ‘Jij weet ook nooit wat anders te zeggen. Ze moesten jou...’

‘Arnold, laat je toch niet zo opdraaien!’ zei mevrouw Westervoort.

‘Trouwens, als het wèl zo is, is het nog geen schande. Nee, volgens mij is er wat anders aan de hand.’

Arnold voelde zijn nekharen prikken. Zijn antwoord was echter onverschillig. ‘Ik zou niet weten wat.’

[p. 196]

‘Iets op school?’

‘Nee.’

‘Met Piet Bergman dan? Of met iemand anders?’

‘Hè ma, hou d'r nou over op. Er is niks. Echt niet!’

Vanuit de gang klonk het geluid van een open- en dichtgaande deur.

‘Daar is pa’, probeerde Arnold haar af te leiden.

‘Het is sinds die beroving van het distributiekantoor’, hield ze vol. ‘Al een maand lang zeg jij boe noch ba. Je moet daar niet zo over zitten piekeren. Straks heb ik twee mannen in huis die aan niets anders kunnen denken dan bonnen, bonnen en nog eens bonnen.’

Meneer Westervoort kwam de kamer binnen. ‘Hadden jullie het over die bonnenroof?’

‘Ja. Ik zeg net tegen Arnold dat hij daar niet zo over moet piekeren.’

‘Ik pieker nergens over’, protesteerde Arnold zwakjes.

Meneer Westervoort glimlachte. ‘Er valt ook niets meer te piekeren’, zei hij. ‘Ik hoorde zojuist dat de SD de overvallers op het spoor is. Dat stelletje misdadigers zal niet zo heel lang meer van onze bonnen kunnen profiteren.’

Een hete vlam van schrik joeg Arnold het bloed naar de wangen. De SD... Marloes...! Terwijl hij zijn handen tot vuisten kneep flitste zijn blik van de een naar de ander. In zijn ogen lag ontzetting.

‘Wat is er, Arnold? Ben je daar niet blij om?’

‘Wat...? Nee, dat is... Eh, ja, natuurlijk wel.’

Zijn vader had dus gelijk gehad. De SD kon meer dan de politie. Hij twijfelde er niet meer aan of ze zouden de overvallers arresteren. En misschien Marloes ook. Maar wanneer? Hij moest iets doen. Haar waarschuwen.

‘Ik heb de chef van de SD gesproken’, vervolgde meneer Westervoort. ‘Die zei dat de overval zeer geraffineerd was opgezet. En dat het veertien dagen speurwerk had gekost voor ze iets hadden gevonden. Vandaag of morgen zullen ze wel gepakt worden.’

‘Wie zijn er dan bij betrokken?’ vroeg mevrouw Westervoort.

‘Dat heeft ie me niet verteld. Wel kreeg ik de indruk dat het lui waren van buiten de stad. Al hebben ze de bonnen hier waarschijnlijk ergens afgegeven.’

‘Waar...?’ Arnold had een prop in zijn keel.

[p. 197]

‘Dat weten ze nog niet. Maar zodra ze die kerels hebben zullen ze daar ook wel achter komen.’

Arnold wist genoeg. De speurders van de SD hadden er waarschijnlijk nog geen vermoeden van dat Marloes er ook bij hoorde. Waarschijnlijk. Zeker was dat niet. En dat betekende dat hij haar moest waarschuwen. Als ze haar arresteerden zou Marloes natuurlijk vertellen dat hij ook op de hoogte was. En wat dan?

Het koude zweet brak hem uit. Hij stak zijn handen in z'n zak en liep naar de deur. ‘Ik ga nog even de stad in, hoor.’

‘En de Jeugdstorm dan?’ informeerde meneer Westervoort.

‘O, dat ging niet door, vanmiddag.’ Hij was er zelf verbaasd over dat liegen hem steeds gemakkelijker afging. ‘Meneer Mulder moest naar een vergadering, geloof ik.’ Hij was de deur uit voor er meer lastige vragen kwamen.

Een minuut of tien later bereikte hij de straat waar Marloes woonde - een tamelijk brede laan met aan weerszijden beuken met goudbruine bladeren. Nummer 58 moest hij hebben, een klein huis met een steil zadeldak.

Hij begon langzamer te lopen. Nu moest hij aanbellen, dacht hij. Maar als haar vader of moeder opendeden? Zouden die weten wie hij was? Zouden ze hem binnenlaten? Kon hij het maar anders aanpakken. De aandacht trekken zonder dat haar ouders iets in de gaten hadden.

Het was niet meer nodig.

Terwijl een bus voorbij ronkte, kwam Marloes opeens het gangetje naast haar huis uitfietsen. Ze zwaaide de weg op en reed de straat uit zonder ook maar één keer in zijn richting te kijken.

Arnold haalde diep adem om haar te roepen. Maar hij bedacht zich. Het oorverdovende geraas van de bus zou zijn geschreeuw hebben overstemd. Hij bleef staan en leunde tegen een boom.

Misschien kwam ze dadelijk terug, hield hij zich voor, en was ze alleen even weg voor een boodschap. In dat geval kon hij beter blijven wachten. Als ze terugkwam kon hij haar zo aanroepen.

Hij wachtte. En terwijl de tijd verstreek hield hij de omgeving in het oog.

Er gebeurde weinig. Een paar kinderen een eind verderop trokken krijtstrepen op de stenen en begonnen te hinkelen. In een tuin naast

[p. 198]

het huis van Marloes harkte iemand bladeren van het gazon. En kleuter van een jaar of vier scharrelde met een piepend karretje over het trottoir. Van tijd tot tijd veegde de man in de tuin over zijn voorhoofd, keek even in zijn richting en ging vervolgens weer aan het werk.

Arnold voelde zich niet op zijn gemak. De straat was hem te rustig. Als hij te lang bleef staan zou hij veel te veel opvallen.

De kleuter duwde zijn wagentje tot bij Arnold en keek hem aan met onschuldige ogen. ‘Waarom sta jij hier?’

Zie je wel! Daar had je het al! Hij deed zijn best het jochie te negeren. ‘Moet jij niet werken?’ hield het kereltje vol. ‘Mijn papa werkt altijd.’

‘O.’

‘Of kun jij niet werken?’

‘Nee.’

‘Als je niet werkt krijg je geen geld’, wist het ventje.

Arnold draaide hem de rug toe en slenterde weg. Dat vervelende joch met zijn gezeur. De kleuter dribbelde hem achterna.

‘Jij woont hier niet, hè?’ zei hij vriendelijk.

‘Nee!’

‘Ik ken jou niet.’

‘Hoepel op!’ gromde Arnold.

Het gezichtje begon te betrekken. Tenslotte stelde het joch rustig vast: ‘Jij bent stom!’ Toen keerde hij zijn wagentje en rende terug.

Met een hoofd vol ergernis liep Arnold de straat uit. Aan het einde keek hij nog eenmaal om.

Geen Marloes.

 

Thuis sloot hij zich op in zijn kamer, pakte een stuk papier en begon te schrijven.

‘Beste Marloes, de politie weet wie de...’ Hij stopte midden in de zin en verfrommelde het briefje tot een prop. Het had geen zin, dacht hij moe. Zo'n brief zou waarschijnlijk veel te laat komen. En stel je voor dat iemand anders het in handen kreeg. Dan zou die te weten komen dat hij zich ermee bemoeid had. Zelfs wanneer hij zijn naam er niet onder zette was het gevaarlijk. Alle kans dat ze konden nagaan waar dat briefje vandaan kwam.

Zou hij opnieuw de stad ingaan?

[p. 199]

Hij schrok op toen de bel in de gang overging. Hij hoorde iemand de deur openen, gevolgd door een stem die iets vroeg. En meteen wist hij wie daar was: Piet Bergman! Wat moest die hier? Hij was nog nooit bij hem thuis geweest!

‘Arnold, ben je boven?’ riep zijn vader. ‘Er is iemand voor je.’

‘Ja, ik kom eraan!’ Hij smeet de prop papier in de prullenmand en stommelde de trap af. ‘Ha, Piet!’ Hij probeerde enthousiasme in zijn stem te leggen. ‘Wat eh..., wat kom je doen?’

‘Och, niks eigenlijk... Ik kom zomaar even. Ik had niks te doen. En op de Jeugdstorm...’

‘Kom boven, joh!’ viel Arnold hem luid in de rede.

Toen ze boven waren vroeg Piet: ‘Waarom was je niet op de Jeugdstorm?’

‘Geen zin.’

‘Je hebt gelijk’, antwoordde Piet. ‘'t Was vanmiddag ook weer een tamme boel.’ Hij keek om zich heen. ‘Mooie kamer heb jij. Hij is maar een beetje kleiner dan de mijne. Je moest ook eens langs komen.’

Arnold knikte. Hij liet zich op zijn bed zakken, terwijl hij zich afvroeg waarom Piet bij hem kwam. Hij vroeg: ‘Heb je je huiswerk al af?’

‘Dat kleine beetje? Dat kan morgen ook nog wel.’ Piet keek hem aan met een geheimzinnig lachje. ‘Ik denk trouwens dat ik de langste tijd huiswerk heb gemaakt.’

‘Hoezo?’

‘Ik ga van school.’

Arnold vernauwde zijn ogen. ‘Je wilt bij de SS, hè?’

Piet leek onaangenaam verrast. ‘Hoe weet jij dat?’

‘Dat heb je me zelf verteld.’

‘O.’ Hij zweeg even en vervolgde toen: ‘Over anderhalve maand word ik zestien.’

‘Ik dacht dat je achttien moest wezen.’

‘Jongeren willen ze ook graag hebben. Als je maar een meter zeventig lang bent. Is het niets voor jou? Dan zouden we samen kunnen gaan.’

‘Wat vinden ze er bij jou thuis van?’ ontweek Arnold die vraag.

‘O, m'n ouwelui vinden het prima. Heb je de “Stormmeeuw” van vandaag al gelezen?’

‘Nee. Wat dan?’

[p. 200]

‘Daar staat een brief in van mijn vriend, je weet wel. Die zit nu al meer dan een jaar in Rusland.’

‘O.’ Arnolds gedachten dwaalden af naar Marloes. Als Piet straks weg was moest hij toch maar weer proberen contact met haar te zoeken.

‘Dat moet je lezen, man!’ ging Piet geestdriftig verder. ‘Heb je de “Stormmeeuw” hier?’

‘Wat...? Ja, ik geloof van wel.’ Arnold zocht tussen een stapeltje boeken en haalde het blad te voorschijn. Het adresbandje zat er nog om.

‘Geef maar hier. Ik weet precies waar het staat.’ Piet vouwde het open.

‘Kijk, hier op bladzij twintig.’

 

Kameraden schrijven van het front’, las Arnold. ‘In Godsvertrouwen voor het Vaderland.

Ver van de Nederlandse grenzen staan in het onmetelijke Rusland Nederlandse mannen op post; in strenge koude of intense hitte.

Eenvoudig en zonder veel woorden staan zij daar als beschermers tegen het vreselijke gevaar, dat in die wijde steppen zijn klauw naar Europa uitsteekt.

Vele van hen zijn reeds gevallen in deze harde strijd. Zij vinden hun laatste rustplaats op een Heldenfriedhof op een lage heuvel nabij het Russische dorpje Selo Gora.

Naarmate de maanden verstrijken stijgt het getal der graven, versierd met het teken van moed, het IJzeren Kruis en de rune van Trouw, de Wolfsangel.

Met heldenmoed werd hier geschiedenis geschreven, zoals wij ze in onze roemrijke vaderlandse geschiedenis slechts terugvinden bij Geuzen en Boeren.

Nooit zullen wij deze mannen en het Heldenfriedhof waar zij rusten, mogen vergeten.

SS-Obersturmmann Bernard Losser.’

 

Arnold keek op. ‘Die Bernard Losser, is dat jouw vriend?’

‘Ja... Wat vind je ervan?’

‘Ik weet het niet.’

‘Dit is toch geweldig, man! Kijk, ik heb ook nog een aanplakbiljet meegebracht.’ Piet haalde een stuk papier te voorschijn, vouwde het open en hield het op armlengte van zich af. ‘Nou? Wat zeg je daarvan? Heel wat anders dan dat schooljongensgedoe van de Jeugdstorm, hè? Mijn vader zegt ook dat je daar man wordt!’

[p. 201]



illustratie

[p. 202]

Arnold bekeek het biljet. ‘Ik ben niet zo gek op vechten’, zei hij voorzichtig.

‘Ach man, je bent toch niet bang?’

‘Nee, maar er sneuvelen er heel wat.’

‘Natuurlijk sneuvelen er heel wat! Maar wist jij dat er tien Russen het loodje leggen tegen één Nederlander? Wanneer word jij zestien?’

‘In maart.’

‘Zou jij meemogen van je ouwelui?’

‘Ik weet het niet.’

‘Maar je wilt het zelf wel?’

‘Daar heb ik nog niet zo over nagedacht.’

‘Man, doe niet zo slap!’

Arnold haalde onwillig zijn schouders op. ‘Ik zie wel wat ik doe.’

Piet stond op. ‘Nou, dan moet je het zelf maar weten. Ik ben in elk geval over een paar weken van die onbenullige school af.’ Hij voegde eraan toe: ‘Doe jij intussen maar braaf je huiswerk. Tenminste, als je denkt dat je daarmee de Russen van het lijf kunt houden!’

‘Ik zei toch dat ik het nog niet wist’, antwoordde Arnold geprikkeld. ‘ik heb er nog tijd genoeg voor.’

Piet glimlachte geringschattend. ‘Goed, dan zie je maar...’

Even later liet Arnold hem uit.

Mevrouw Westervoort stak haar hoofd om de kamerdeur. ‘Was dat Piet Bergman?’

‘Ja.’

‘Wat kwam hij doen?’

‘Och, niks. Hij kwam zomaar langs.’

‘Dat is aardig van hem.’

‘Ik ga nog even weg’, zei Arnold.

‘Alweer?’

‘Ja, even naar de postzegelzaak.’

Voor de tweede maal die middag liep hij in de richting van het huis van Marloes. In hem woelde de onrust. Hij zou nu niet meer aarzelen, nam hij zich voor. Hij moest haar waarschuwen. Of desnoods haar ouders.

Hij liep de straat in waar ze woonde, doch verder dan enkele tientallen meters kwam hij niet. De weg was afgezet door zware motoren. Leden

[p. 203]

van de Duitse Ordnungspolizei stonden met machinepistolen in de aanslag. En Arnold zag meteen waarom: tegenover de woning van de Ter Winkels stond een grijze overvalwagen.

Een verlammende schrik maakte normaal denken bijna onmogelijk. Marloes! schreeuwde het in hem. Ze gingen haar arresteren!

Hij maakte een beweging alsof hij verder wilde lopen. Een van de Duitsers reageerde onmiddellijk. ‘Halt! Zurück!’

Arnold week terug. Maar hij bleef kijken. Minutenlang..., totdat een kleine gebogen man het tuinpad afliep en in de overvalwagen werd geduwd. Hij wachtte tot de auto wegreed en de politiemannen hun motoren hadden gestart. Toen liep hij terug naar huis. In zijn keel krampte de angst.

prepostterug  begin  verder