Gedurende veertien dagen kwam Marloes niet op school. En toen ze eindelijk op een morgen weer verscheen zag ze er moe en afgetobd uit.
‘Ha, Marloes’, begroette meneer Moolenaar haar, ‘fijn dat je weer terug bent.’
Ze knikte met een glimlachje.
Arnold zat rechtop in zijn bank en vermeed zorgvuldig naar haar te kijken. Al meer dan een week wist hij het: meneer Ter Winkel zat in de gevangenis. Ze hadden een klein deel van de geroofde bonnen in zijn huis gevonden. Maar dat was meer dan genoeg geweest om hem te arresteren. Waarschijnlijk wisten ze ook dat Marloes bonnen had weggebracht. Zoiets had hij van zijn vader gehoord. Ze hadden haar echter ongemoeid gelaten.
Hij had zijn vader gevraagd hoe ze er achter waren gekomen waar de bonnen waren verstopt. Zijn vader had geantwoord dat hij dat niet wist. Dat hij alleen gehoord had dat er nog een paar mannen waren opgepakt. Het was een hele bende geweest met complete plannen voor nog meer overvallen.
Arnolds twijfels waren er niet kleiner op geworden. Ze hadden Marloes met rust gelaten. Maar voor hoe lang? En wat zou er met haar vader gebeuren? Stond er niet de doodstraf op het beroven van een distributiekantoor en het illegaal verspreiden van bonnen?
Was hij maar wat doortastender geweest, veertien dagen geleden. Had hij maar aangebeld in plaats van als een bange stumper in de buurt rond te hangen. Dan had hij hen kunnen waarschuwen. Dan had Marloes niet zo in de narigheid gezeten.
Piet Bergman stootte hem aan. ‘Hé, Arnold’, fluisterde hij. ‘Heb je d'r al over nagedacht?’
‘Wat...? Waarover...?’
‘Toe, sukkel! Daar hebben we 't pas nog over gehad. Je weet wel...’
‘O... dat.’ Arnold kauwde op zijn nagels. ‘Ik denk niet dat ik ga.’
‘Waarom niet?’
‘Dat heb ik je al gezegd - ik heb er geen zin in. En ik mag ook niet van m'n vader en moeder.’
Piet snoof minachtend. ‘Belachelijk! Jij zit hier dus liever dan...’
‘Arnold, hou je mond!’ gebood meneer Moolenaar.
‘Ik zei niks, meneer.’
‘Jullie zaten te praten’, antwoordde de leraar rustig. ‘En zolang ik het woord heb houdt de rest zijn mond.’
Piet siste tussen zijn tanden: ‘Kijk, dat bedoel ik nou!’
Arnold deed zijn best zijn hoofd bij de les te houden; het gelukte hem slecht. Steeds opnieuw dwaalden zijn gedachten af. Kon hij maar iets doen. Kon hij zijn vader maar vragen of die zijn best wilde doen om meneer Ter Winkel vrij te krijgen... Onwillekeurig schudde hij zijn hoofd. Dat was onmogelijk. Daar zou zijn vader nooit zijn best voor willen doen.
Het enige wat hij kon doen was tegen Marloes zeggen hoe erg hij het vond. Het zou haar natuurlijk niet veel helpen. Maar toch... Ze zou hem misschien wat meer vertrouwen.
In de middagpauze wist hij Piet Bergman te ontlopen. Hij verschool zich achter het muurtje van de fietsenstalling en wachtte.
Het duurde niet lang. Met haar fiets aan de hand liep Marloes het pleintje af.
Arnold deed een stap naar voren. ‘Marloes...!’ Zijn stem was hees van spanning.
Geschrokken hield ze de pas in. Maar toen ze hem zag begonnen haar ogen te vlammen. ‘Wat wil je?’
‘Marloes... ik vind het erg... van je vader... Ik... ik had jullie nog willen waarschuwen...’
‘Wat!?’ Haar mondhoeken begonnen te trillen. ‘Had jij ons... willen waarschuwen?’
Hij knikte vlug.
Ze haalde diep adem. ‘Jij smerige leugenaar’, fluisterde ze. ‘Jij valse verrader! Hoe durf je dat te zeggen. Of dacht je soms dat wij het niet wisten? Iedereen heeft gezien hoe jij de hele middag in onze buurt hebt rondgehangen. Jij wist wat er zou gebeuren. En jij wou natuurlijk niets missen. Ze hebben het wel gezien hoe jij met je grijnzende smoelwerk stond te kijken toen de moffen mijn vader kwamen ophalen.’
Het trillen van haar mond werd erger. ‘Ik begrijp alleen niet waarom je er zo lang mee gewacht hebt. Of wou je er soms zeker van zijn dat wij geen argwaan meer hadden?’
Arnold was lamgeslagen. ‘Dat... dat heb je mis’, stamelde hij. ‘Ik wou je waarschuwen. Mijn vader...’
Verder kwam hij niet. Volkomen onverwacht liet Marloes haar fiets los, vloog op hem af en sloeg hem kletsend in het gezicht. ‘Daar!’ gilde ze. ‘Valse verrader! Vuile NSB-er!’
Arnold wankelde terug. Zijn wang gloeide. Zijn stem klonk hoog en schril. ‘Niet waar!’
Een paar jongens verderop kregen in de gaten wat er aan de hand was en drongen joelend op. ‘Goed zo, Marloes! Geef die smeerlap zijn vet!’
Als een gewond dier drukte Arnold zich tegen de muur. Wanhopig schudde hij zijn hoofd. ‘Nee, Marloes... Niet waar.’
Even nog bleef Marloes vlak voor hem staan, bevend van drift. Toen knakte haar hoofd voorover. Ze keerde zich om, pakte haar fiets op en liep met gebogen schouders het plein af.
Arnold staarde haar na, maar hij zag haar onduidelijk als in een verwarrende droom. En de ophitsende stemmen van de jongens om hem heen schenen van ver weg te komen. Ze geloofde hem niet, bonsde het in zijn hoofd. Ze dacht dat hij haar vader verraden had. Ze hadden hem zien staan - die kerel in de tuin..., of misschien die kinderen. En ze dachten dat hij op de loer had gestaan.
‘Kom op, jongens! Geef die vuilak op zijn donder!’ schreeuwde iemand.
‘Jullie zagen hoe dat stuk ongeluk Marloes zat te treiteren!’
Arnolds ogen flitsten heen en weer. Daar stonden ze - tenminste een man of acht. En plotseling kookte hij van woede. ‘Goed!’ snauwde hij. ‘Als jullie niet anders willen...!’
‘Wat is hier aan de hand!?’ De kleine driftige man stond tussen hen in voor ze er erg in hadden.
‘Moolenaar...’ De jongens weken terug.
‘Nou? Krijg ik nog antwoord? Wat willen jullie?’
‘Die vuilak zat Marloes te pesten’, zei een van de jongens. ‘We hebben het zelf gezien.’
‘Marloes?’ De ogen van de leraar vonkten. ‘Waar is ze?’
‘Ze is weggegaan.’
Meneer Moolenaar wendde zich tot Arnold. ‘Wat heb jij daarop te zeggen?’
Arnold voelde geen pijn meer. Hij deed ook geen moeite de stekende blik van de man voor hem te ontwijken. Maar hij gaf geen antwoord. Meneer Moolenaar haalde diep adem. ‘Goed’, zei hij zacht. ‘Jij meldt je vanmiddag na de les bij mij. Dan zullen we dat wel eens even uitzoeken.’
Arnolds gedachten vlogen terug naar een soortgelijk ogenblik. Hoe lang was dat alweer geleden? Drie jongens hadden er toen tegenover hem gestaan. En het was de rector, meneer Borger, geweest die tussenbeide was gekomen. En net als toen zou hij opnieuw de schuld krijgen. Niet openlijk, natuurlijk. Want dat durfden ze niet!
‘Arnold, heb je mij gehoord?’
Arnold zei star: ‘Ik heb met uw uitzoekerij geen bliksem te maken.’
Hij keerde zich van de leraar af en liep met grote passen het plein over.
Niemand deed een poging hem tegen te houden.
Hij deed een half uur over de weg van school naar huis. En toen hij het gangetje naar de achterdeur inliep hoopte hij zichzelf zo in bedwang te hebben dat ze niets aan hem zouden merken. Die moeite had hij zich echter kunnen besparen, want er was niemand thuis. Met de sleutel die zijn moeder in zo'n geval op een richeltje achterliet opende hij de deur.
Op de keukentafel vond hij een ruw afgescheurd papier: ‘Ben boodschappen doen en pa eten brengen. Er ligt een boterham in de kast.’
Hij frommelde het briefje tot een prop en smeet die op de grond. Daarna stampte hij de trap op, plofte achterover op zijn bed en staarde naar de zolder.
Ze zagen hem niet meer op school, vanmiddag. En als het aan hem lag de hele week niet.
Eigenlijk was hij ook gek om zich steeds weer te laten overhalen om naar die rotschool te gaan.
Wat zou hij er trouwens nog moeten zoeken? Er was niemand meer die hem accepteerde..., ook Marloes niet. Hij had gedacht, gehoopt dat hij eindelijk iemand had met wie hij vertrouwelijke dingen kon bespreken. En nu...
Hij draaide zich wild om en begon met zijn hoofd in zijn armen onbedaarlijk te snikken.
Een half uur later kwam mevrouw Westervoort thuis. Arnold hoorde haar scharrelen in de keuken en de gang. Hij ging echter niet naar beneden. Hij lag nog steeds voorover en hij voelde zich moe. Af en toe had hij de gewaarwording dat hij in een bodemloze put zou vallen, zoals wel gebeurt op de drempel van de slaap. Maar het was toch anders: Het terugkeren naar de werkelijkheid bracht geen opluchting.
Hij was Marloes kwijt. Waarschijnlijk voorgoed. Een ogenblik kwam de gedachte bij hem op dat hij haar een briefje zou kunnen schrijven waarin hij alles uitlegde. Even later besefte hij dat dat een nutteloze gedachte was: ze zou hem nooit geloven.
Kon hij het maar aan iemand vertellen. Maar aan wie? Aan zijn moeder? Alleen - hoe zou zij reageren? Zou ze alles aan zijn vader vertellen? Als hij het haar vroeg waarschijnlijk niet. Maar toch... Zou ze hem wel begrijpen?
Hij hoorde haar opeens de trap opkomen. Meteen draaide hij zich om en veegde met de mouw over zijn gezicht. Ze hoefde niets te merken. Mevrouw Westervoort verdween echter in de kamer van zijn zusje en het duurde zeker tien minuten voor ze zijn deur openduwde.
Ze bleef staan als aan de grond genageld. ‘Jongen! Is me dat schrikken! Ik wist niet eens dat jij thuis was.’
Hij keek haar aan zonder iets te zeggen.
‘Dus jij had de achterdeur opengemaakt. En ik al die tijd maar denken dat ik had vergeten hem op slot te doen. Moet jij niet naar school?’
‘Nee.’
Ze keek hem onderzoekend aan. ‘Of voel je je niet lekker? 't Lijkt wel of je gehuild hebt.’
Arnold sloeg zijn benen over de rand van zijn bed. ‘Dat zegt u nou ook altijd. Ik voel me prima.’
‘Waarom kwam je dan niet beneden? Je zit hier te verkleumen. Heb je wel gegeten?’
‘Ik had geen trek.’
Mevrouw Westervoort schudde haar hoofd. ‘Jij ook altijd met je fratsen. Ben ik eens een keer niet thuis en meteen zijn er moeilijkheden.’
‘Ik snap niet wat voor moeilijkheden u bedoelt.’
‘Nou - niet eten en zo...’
Hij stond op en ging voor het raam staan. ‘Schei toch uit met zeuren, ma. Mag ik alsjeblieft dat eten eens een keer laten staan.’ Ze zuchtte. ‘Ik vind dat jij met de dag ongezeglijker wordt’, zei ze verwijtend. ‘Ik hoef maar een paar woorden te zeggen of jij begint meteen met een grote mond. Ik begrijp niet wat jou de laatste tijd bezielt. En ik... ik...’ Ze haperde. ‘Ik kan het ook niet langer verdragen!’ Ze draaide zich vlug om en verliet de kamer.
Arnold beet op zijn lip. Ook dat nog, dacht hij bitter. Zijn moeder verdrietig. Of zelfs kwaad. Je kon ook geen woord zeggen of je kreeg de wind van voren.
Misschien had hij beter zijn mond kunnen houden. Maar moest hij dan overal maar ja en amen op zeggen? Moest hij dan altijd maar weer precies doen wat zijn vader en moeder prettig vonden?
Werktuiglijk haalde hij zijn schouders op. Wat kon het hem eigenlijk ook schelen. Ze konden barsten, allemaal!
Hij bleef op zijn kamer tot hij tenslotte rillend van de kou naar beneden ging. Daar plofte hij in een stoel bij de kachel en verdiepte zich in een boek.
Mevrouw Westervoort zat aan tafel een overhemd te repareren. Ze zweeg.
En tussen hen in hing een sfeer van koppigheid en verwijten.
Om half zes stond mevrouw Westervoort op om het eten klaar te maken, maar het duurde tot kwart over zes voor meneer Westervoort samen met zijn dochter thuiskwam. De lijnen om zijn mond waren strak en diep. Maar zijn ogen glansden van een vreemde opwinding.
Zonder zijn jas uit te trekken liep hij door naar de huiskamer, trok een stoel bij en ging aan tafel zitten. ‘Komen jullie er eens bij’, zei hij. ‘Ik moet jullie wat laten zien.’
‘Wat dan, pa?’ Rita leunde nieuwsgierig voorover.
‘Dat zul je zo wel zien. Arnold, kom jij ook even?’
Arnold wierp hem een ongeïnteresseerde blik toe. ‘Ik zit hier best.’
Meneer Westervoort fronste even zijn wenkbrauwen, maar ging er niet op in. Hij tastte in de binnenzak van zijn jas, haalde er met enige moeite een tamelijk groot pak uit en legde dat voor zich neer.
‘Kijk’, zei hij, ‘een cadeau van onze Leider.’
‘Wat?’
‘Jullie weten dat we het de laatste tijd niet gemakkelijk hebben’, vervolgde meneer Westervoort ernstiger. ‘Er zijn er maar zo weinig die oog hebben voor de verschrikkelijke gevaren die ons volk en vaderland bedreigen. Die pal staan in het verzet tegen een oppermachtig schijnende vijand. En nu zijn er ook nog van die lafhartige schurken die menen dat ze met sluipmoorden dat verzet kunnen breken.’
Arnold legde zijn boek op de grond en ging rechtop zitten.
‘Bedoelt u de moorden op leden van de Beweging?’ vroeg Rita.
‘Die bedoel ik, ja’, antwoordde meneer Westervoort. ‘Op vooraanstaande leden van onze Beweging!’ Hij wachtte even voor hij verder ging: ‘Onze Leider heeft dat begrepen. Hij heeft ingezien dat onze Beweging op die manier in de kern zou worden aangetast. En hij heeft geen moment geaarzeld de noodzakelijke maatregelen te treffen.’
Mevrouw Westervoort kreeg een ongeruste blik in de ogen. ‘Koos, bedoel je...’
‘Stil, Gea. Laat me even uitspreken... Voortaan zullen talloze kameraden zich niet meer weerloos laten afslachten door een stel gewetenlozen. Ze zullen van zich afbijten, net zoals onze voorouders in de Tachtigjarige Oorlog van zich afbeten! Dank zij de maatregelen van onze Leider hoeven zij niet meer bang te zijn voor terreur... Hoeven wij niet meer bang te zijn voor terreur.’
Terwijl hij het beven van zijn handen probeerde te bedwingen maakte hij het papier los.
Ogenschijnlijk onverschillig kwam Arnold overeind en keek mee over de schouder van zijn vader. En het volgende ogenblik werden zijn ogen groot van verbazing.
Uit het papier kwam een donkerbruin lederen holster dat met een lichte vingerbeweging openknipte. Een dof glanzend pistool gleed meneer Westervoort als vanzelf in de handen.
‘Een pistool...’ fluisterde Rita.
Meneer Westervoort glimlachte voldaan en legde het wapen op tafel. ‘Mijn God...’ Mevrouw Westervoort zei het als een ademtocht. ‘Koos, waarom haal je zo'n ding in huis? Je weet hoe ik er op tegen ben. De grootste ongelukken kunnen ermee gebeuren!’
‘Nee, meisje’, antwoordde meneer Westervoort zelfverzekerd. ‘Alleen ongeoefenden maken daar ongelukken mee.’
‘Maar jij...’
Hij hief zijn hand op. ‘Ik weet wat je zeggen wilt - jij bent ongeoefend. Maar dat duurt niet lang meer. Vanaf morgen gaan we elke week een middag naar de schietbaan.’
Arnold vergat een ogenblik zijn problemen. ‘Is ie geladen, pa?’
‘Geladen? Natuurlijk niet. Dat zou veel te gevaarlijk zijn.’
‘Hoe wou u er dan mee schieten?’ vroeg Rita praktisch.
Meneer Westervoort deed opnieuw een greep in zijn binnenzak en legde een grijs kartonnen doosje op tafel. ‘Hiermee!’
‘Patronen?’ vroeg Arnold.
‘Precies.’
‘Hoeveel?’
‘Tien. Later krijgen we er waarschijnlijk meer.’ Meneer Westervoort opende het doosje en Arnold keek naar de kleine koperen hulzen voorzien van gladde, onschuldig uitziende bolletjes.
‘Mag ik het pistool even vasthouden?’
‘Even dan. Maar kijk uit!’
‘Er zitten toch geen kogels in?’
‘Nee, maar je kunt er nooit voorzichtig genoeg mee zijn.’
Arnold nam het wapen en woog het op zijn hand. Het was zwaar, vond hij. Daar zou hij niet graag een tijd mee rondsjouwen. Hoewel... De kolf voelde prettig aan. En zijn vinger ging als vanzelf naar de trekker. Stel je voor dat hij zo'n ding had. Dan zou...
‘Geef hem nou maar weer hier, Arnold. Dan zullen we hem goed opbergen.’ Meneer Westervoort stak het pistool in de holster en knipte deze zorgvuldig dicht. Toen hij zijn vrouw aankeek stond zijn gezicht opgewekt. ‘Toe, Gea, niet zo somber. Wat kan ons nu nog gebeuren!’