Het bleef rustig in de stad aan de rivier en meneer Westervoort hoefde zijn pistool niet te gebruiken. Bovendien begonnen kort daarna mannen door de straten te patrouilleren, mannen met een rode band om de arm, uitgerust met jachtgeweren.
‘Onze Landwacht’, zei meneer Westervoort trots. ‘Nu kunnen we tenminste weer rustig slapen. Zie je wel, als je je tanden laat zien houdt dat gespuis zich wel koest.’
Intussen had Arnold nergens meer belangstelling voor. En het aantal onvoldoenden dat hij op school incasseerde nam dan ook toe. Het kon hem weinig schelen. Niets kon hem meer schelen sinds Marloes hem beschouwde als een verrader.
Hij probeerde haar te vergeten, maar haar aanwezigheid in de klas maakte dat onmogelijk. Elk lesuur weer werd hij herinnerd aan dat afschuwelijke moment op het plein. En hoewel niemand erover praatte voelde hij dat iedereen ervan wist. Hij zag het aan de blik in hun ogen die verachtelijker was dan ooit.
Marloes zelf scheen hem niet eens meer op te merken. In de gang en op straat passeerde ze hem alsof hij niet bestond.
Ook de leraren bemoeiden zich nauwelijks met hem. Als ze iets tegen hem zeiden was dat meestal een verwijt vanwege zijn slechte resultaten.
Overigens slaagde hij erin, dankzij een nog redelijk kerstrapport, zijn lage cijfers een paar weken verborgen te houden. Totdat zijn moeder op een middag in januari thuiskwam met een gespannen uitdrukking op haar gezicht.
‘Ik heb meneer Geurtsen gesproken’, zei ze.
‘Meneer Geurtsen?’ reageerde hij verward. ‘Oh..., van school.’
‘Ja. Hij zei dat je de laatste tijd erg achteruit ging.’
‘O.’
‘Als je zo doorgaat blijf je zitten.’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Dan blijf ik maar zitten. Ik zal heus de enige niet zijn.’
Haar stem werd scherper. ‘Je haalt alleen maar tweeën en drieën!’
‘Wat kan ik daaraan doen?’
‘Beter je huiswerk leren!’
‘Ik doe mijn best.’
‘Dat lieg je, Arnold!’ viel ze uit. ‘Al dagenlang vraag ik me af hoeveel tijd jij aan je huiswerk besteedt. Urenlang doe jij niets anders dan lanterfanten. Jij hebt morgen een repetitie Duits, nietwaar?’
Dat had ze natuurlijk van Geurtsen gehoord, dacht hij.
‘Heb je daar al iets aan gedaan?’ vroeg ze.
‘Op school, ja.’
‘Hoe lang heb je eraan gewerkt?’
‘Weet ik niet.’
‘Dan ga je dadelijk naar boven en leert net zo lang tot je het kent.’
‘'t Is koud boven.’
‘Dan trek je maar een jas aan. Anders klaag je nooit over de kou. En ik wil je agenda even zien.’
‘Wat dan nou weer?’
‘Of mag ik die soms niet zien?’
Arnold gaf geen antwoord, haalde de agenda van zijn kamer en overhandigde hem aan zijn moeder.
Ze bekeek de verfrommelde bundel papier. ‘Noem jij deze puinhoop een agenda?’
‘Iedereen heeft hem zo.’
Ze bladerde in het boekje tot ze gevonden had wat ze zocht. ‘Vrijdag 28 januari - daar staat nog helemaal niets!’
‘Jawel, kijk maar, het tweede uur een repetitie Duits.’
‘Maar er staat niet bij wat je ervoor moet doen.’
‘Dat weet ik zo ook wel.’
Ze schudde vermoeid haar hoofd. ‘En de andere vakken?’
‘Daar hebben we haast niets voor op.’
Ze gaf hem de agenda terug. ‘Ga dan nu maar aan het werk’, zei ze.
‘Ik zal pa vanavond vragen of hij jou wil overhoren.’
Van die overhoring kwam echter niets, want meneer Westervoort kwam laat thuis.
‘Kun je Arnolds huiswerk niet even controleren?’ vroeg mevrouw Westervoort.
‘Huiswerk controleren? Daar heb ik nu geen tijd voor’, antwoordde hij haastig. ‘Ik moet meteen weer naar een vergadering.’
‘Een vergadering? Ik dacht dat je vanavond niet weg hoefde.’
‘We moeten een paar belangrijke dingen bespreken’, zei hij ernstig. Hij aarzelde even voor hij verder ging. ‘Je weet wat onze Leider in zijn Nieuwjaarsrede heeft gezegd.’
‘Wat bedoel je?’
‘Dat weet je toch! Over een eventuele invasie.’
‘Komt die dan toch?’
‘Ach nee, dat niet. Maar we moeten wel op alles voorbereid zijn. Je weet nooit wat die Amerikanen en Engelsen in hun hoofd halen.’
‘Wat moeten jullie dan bespreken?’ vroeg ze.
‘Dat kan ik je nog niet vertellen. Ik weet alleen dat we ons niet mogen laten verrassen.’ Hij trok zijn jas aan. ‘Tot vanvond. Het zal wel laat worden.’
‘Goed, Koos’, zei ze mat. ‘En eh... wees voorzichtig.’
De volgende morgen maakte Arnold zijn repetitie Duits. Hij haalde een vijfenhalf.
Het was bovendien de eerste dag dat Piet Bergman niet meer in de lessen verscheen.
‘Arnold, wil je even een boodschap doen?’
Hij wees naar buiten waar een sneeuwbui langs de huizen joeg. ‘Met dit rotweer?’
Mevrouw Westervoort glimlachte traag. ‘Juist vanwege dit weer. De kolen zijn op.’
Hij draaide zich verbaasd om. ‘Moet ik kolen halen?’
‘Welnee, alleen even vragen of ze wat willen bezorgen. Eierkolen.’
‘Bij Visser?’
‘Ja.’
‘Goed.’ Hij liep naar de gang om zijn jas aan te trekken.
‘Je mag nog wel even wachten tot de bui over is.’
Hij knikte.
Vijf minuten later liep hij door de koude, natte straten. De brandstoffenhandel van Visser bevond zich in de buurt van het station en hij moest de spoorlijn oversteken om deze te bereiken.
Bij de overweg stonden leden van de Landwacht voetgangers te controleren.
Arnold wilde doorlopen, maar een van de Landwachters riep hem aan:
‘Hé, jij daar, staan blijven!’
Hij hield de pas in. ‘Ik mag er toch zeker wel langs’, zei hij. ‘Ik moet naar die kolenhandel daar.’ Hij wees naar een zwartgeteerde loods honderd meter verderop.
‘Niks mee te maken!’ snauwde de ander. ‘Jij wacht gewoon op je beurt, begrepen?’
Mopperend ging Arnold achteraan staan. En toen hij tenslotte aan de beurt was, waren er zeker vijf minuten verstreken.
‘Zo, baasje, nou jij.’ De Landwachter die hem had aangeroepen trok een grijns. ‘Waarom had jij zo'n haast?’
‘Ik heb geen haast’, antwoordde hij geïrriteerd. ‘Ik moet alleen naar die brandstoffenhandel. Dat heb ik zoëven ook al gezegd.’
‘Tut, tut - een kereltje met praatjes! Van wie heb jij dat brutale bekje?’
Arnold werd rood van ergernis. ‘Ik dacht dat u aangesteld was voor controlewerkzaamheden’, zei hij uit de hoogte. ‘Niet voor het maken van beledigingen.’
De man leek een ogenblik te verbluft om te antwoorden. Toen verschoof hij de riem van zijn jachtgeweer en gromde: ‘Je PB!’
Arnold deed een greep in zijn achterzak en was meteen zijn zekerheid kwijt. ‘Dat... dat heb ik niet bij me’, stotterde hij. ‘Dat zit in m'n andere broek.’
De Landwachter wendde zich tot zijn collega. ‘Hoor je dat, Kuiper, zijn PB zit in zijn andere broek. Die smoes hebben we vanmorgen nog niet gehoord, hè?’ En tegen Arnold: ‘Hoe oud ben je?’
‘Zestien.’
‘Dan moet je een PB bij je hebben.’
‘Dat weet ik ook wel. Maar ik zei u toch al dat ik het had vergeten.’
‘Hoe heet je?’
‘Arnold.’
De Landwachter vloekte. ‘Ik bedoel je achternaam, sufferd!’
‘Westervoort.’
De man vernauwde zijn ogen. ‘Westervoort...?’
Arnold zei strak: ‘Mijn vader is directeur van het distributiekantoor.’
De Landwachter maakte opeens een nerveuze indruk. ‘Vooruit, ga maar door’, zei hij. ‘En zorg ervoor dat je in 't vervolg je PB bij je hebt! Je weet dat het verplicht is. Je ziet zelf in welke moeilijkheden je kunt komen.’
Geërgerd, maar toch ook met een vaag gevoel van voldoening liep Arnold verder. Het was natuurlijk stom van hem dat hij zijn persoonsbewijs had vergeten. Maar hij had zich ook niet laten behandelen als de eerste de beste snotjongen.
De brandstoffenloods stond naast het spoorwegemplacement. Aan de kant van de rails was een betonnen verhoging aangebracht voor het laden en lossen van goederen. Naast die verhoging stonden drie lege kolenwagons.
Terwijl een waterig zonnetje begon te schijnen liep Arnold om de loods heen naar een groengeschilderd kantoortje en klopte aan.
Er verscheen niemand.
Hij voelde aan de klink, maar de deur was gesloten. Toen pas zag hij het papier achter een van de kleine ramen: ‘Ben even weg. Kom over een half uur terug.’
Besluiteloos bleef hij staan. Als de man er ook bij gezet had hoe laat hij was weggegaan, wist hij tenminste hoe lang hij moest wachten. Dat vervelende gedoe ook met die boodschappen!
Hij slenterde terug en zocht beschutting tegen de noordenwind in het gangetje tussen de loods en het kantoortje. Een half uur, maximaal. Hij had niemand zien vertrekken, dus mocht hij aannemen dat hij niet veel langer dan een kwartier hoefde te wachten. Vooropgesteld dat de kolenhandelaar inderdaad binnen het beloofde half uur terug was. Er verstreken verscheidene minuten. Aan de overkant van het emplacement sjokten spoorwegarbeiders langs de rails. Af en toe stonden ze even stil, verrichtten onduidelijke werkzaamheden met een grote tang en liepen dan weer verder.
Verveeld leunde hij tegen de loods en perste met zijn schoenen steentjes in de modder. Weer wierp hij een blik op zijn horloge. Half vijf. Als die kerel nu niet gauw kwam opdagen ging hij er vandoor.
Bij de ingang van de loods, om de hoek, klonk geschuifel van voetstappen.
Arnold kwam in beweging en wilde het gangetje uitlopen. Op hetzelfde moment echter werd hem de uitgang versperd: drie meter van hem af stond een forse breedgeschouderde jongen. Zijn lichtblauwe ogen vertoonden een vreemde glinstering. In zijn handen hield hij een zware moersleutel.
Hij siste tussen zijn tanden: ‘Eindelijk hebben we je te pakken, NSB-zwijn!’
Door de heftige schrik duurde het verscheidene seconden voor Arnold de jongen herkende. Toen scheen de grond opeens alle stevigheid te hebben verloren. Hij was het! Martin Jonkers! Zijn vroegere klasgenoot! Die hem had opgesloten in de woonark. Die hem had bedreigd. En die tenslotte met zijn vriend Karel Rot het scheepje in brand had gestoken.
Arnold zocht steun tegen de houten loodswand. Zijn handen waren klam en koud. Hij had willen wegrennen, maar zijn benen weigerden te gehoorzamen, als in een angstige droom.
Martin Jonkers kwam langzaam op hem af.
Arnold wankelde terug, het gangetje in. In zijn hoofd bonsde de angst. Martin Jonkers had een staaf ijzer. Daar kon hij nooit tegenop. Hij moest weg!
Hij keerde zich om en vluchtte het gangetje door. Of liever - dat had hij willen doen. Midden in de doorgang stond Karel Rot. Het mes in zijn hand glinsterde in de zon.
Arnold schudde zijn hoofd. ‘Nee!’ hijgde hij. ‘Nee... Jullie kunnen me niet...’
Martin en Karel begonnen hem zwijgend in te sluiten.
En meteen besefte Arnold dat hij geen seconde langer moest wachten. Met een wilde sprong vloog hij op Martin af. Zijn been zwiepte omhoog. De punt van zijn schoen raakte iets hards.
Martin slaakte een gesmoorde kreet. Zijn arm zwaaide omlaag.
Het ijzer schampte Arnold langs de elleboog. Een verlammende pijn schoot door zijn arm. Tollend op zijn benen probeerde hij een nieuwe klap af te weren. Uit een ooghoek zag hij Karel als een tijger op hem afspringen. Het mes blikkerde.
Wanhopig deed hij een greep naar Martins kleren met de bedoeling hem opzij te sleuren, maar zijn nagels raspten langs ruw hout. Een felle slag met het ijzer trof hem op de schouder. Hij zakte door zijn knieën, niet bij machte een trappende schoen te ontwijken.
Hij viel voorover, kreeg een arm te pakken en beet erin met woeste kracht: Arnold vocht voor zijn leven.
Iemand raakte zijn rug met iets kouds. Hij gilde.
Toen voelde hij geen pijn meer. Hij zag zijn tegenstanders er vandoor gaan, Martin hinkend alsof hij zijn voet verstuikt had. Hij probeerde zich op te richten, maar een vreemd, onpasselijk gevoel belette hem dat. Met trillende handen tastte hij naar de weeë warmte ergens aan zijn rug. Toen hij zijn vingers voor zijn ogen hield was hij te moe om verbaasd te zijn dat ze dropen van het bloed.
Gelukkig, ze waren weg, dacht hij. Vechten hoefde hij niet meer. Hij zou het nu trouwens ook verloren hebben. Want hij was zo moe, zo ongelooflijk moe.
Van dichtbij klonken opgewonden mannenstemmen.
Maar die hoorde Arnold niet meer.