Het had dus toch weer gesneeuwd, dacht hij. En flink ook. De hele wereld was met een wit kleed bedekt. En hijzelf lag er middenin. Vreemd genoeg had hij het niet koud. Eerder warm zelfs, maar dat zou wel komen van zijn dikke kleren en de felle zon.
‘Mijn God..., eindelijk!’
De stem leek van heel ver te komen als van iemand die achter een heuvel stond te roepen. Hij draaide zijn hoofd in de richting van het geluid en zag iets donkers op zich afkomen met eronder een lichte vlek. Het maakte hem bang, maar hij was niet in staat zich te bewegen. Hij sloot zijn ogen.
‘Arnold, ben je wakker?’
Weer die stem, nu aan deze kant van de heuvel.
‘Arnold, hoor je mij? Arnold...!’
Het roepen werd dringender als van iemand die hulp nodig heeft. Hij opende zijn ogen.
De donkere vorm zweefde heen en weer, werd duidelijker en nam tenslotte de contouren aan van een gezicht, omkranst met haar.
Zijn bangheid verdween. Hij fluisterde: ‘Dag, ma.’
Mevrouw Westervoort begon te schreien.
Arnold keek even naar zijn moeder, doch vreemd genoeg voelde hij geen ontroering. Zijn ogen dwaalden af en gleden van de hagelwitte wanden naar de grijze, halfgesloten gordijnen. Een kleine kamer, dacht hij met merkwaardige helderheid. Ze hebben mij een kleine kamer gegeven. Waarom?
Hij slikte moeilijk om het scherpe, droge gevoel in zijn mond kwijt te raken. Ergens in zijn borst stak een zeurende pijn de kop op. Hij probeerde tevergeefs zijn armen te verplaatsen: het leek wel of ze er lood aan gebonden hadden.
Hij draaide zijn hoofd terug. ‘Ik lig in het ziekenhuis, hè?’
Mevrouw Westervoort knikte alleen maar.
Hij keek naar een fles boven zijn hoofd waaruit gestaag druppels in een slangetje vloeiden. Het slangetje was verbonden met een metalen
buisje dat in zijn rechterarm stak. Hij vroeg: ‘Hoe laat is het?’
Ze veegde met een zakdoek over haar ogen. ‘Een uur of een, denk ik.’
Er begon langzaam iets tot hem door te dringen. ‘Lig ik hier dan zowat een dag?’
Ze schudde haar hoofd. ‘Je moet niet zoveel praten, Arnold. De dokter heeft gezegd dat je goed moet uitrusten.’
De kamerdeur werd geopend. Een verpleegster kwam geruisloos binnen. Toen ze Arnold zag was ze duidelijk verrast. ‘Zo, slaapkop, eindelijk wakker?’
Arnold keek naar het leuke gezicht met de spitse neus vol sproeten.
Hij probeerde een glimlach. ‘Is het nu donderdag?’ vroeg hij.
‘De hele dag’, antwoordde ze opgewekt. ‘We hebben al een mooi poosje voor je gezorgd.’ Ze verschikte de deken en schoof het gordijn verder open.
‘Ik heb zo'n dorst’, zei Arnold. ‘En ik ben misselijk.’
‘Dat komt van de narcose’, zei ze. ‘Ik zal vragen of je wat drinken mag.’ Ze verliet de kamer, waarna mevrouw Westervoort Arnolds hand greep. ‘Dag, m'n jongen. Ik ga nu weg. Ik kom strakjes wel terug.’
Opnieuw kon Arnold zijn ogen niet openhouden. Waar was hij toch zo afschuwelijk moe van? En waarom kon hij zich nauwelijks bewegen?
Toen hij voor de tweede maal wakker werd ontdekte hij dat de gordijnen gesloten waren. Boven zijn hoofd brandde een zwakke lamp. Op het kastje naast hem stond een glas met een centimeter water.
Hij merkte dat hij zijn rechterarm wat beter kon bewegen en probeerde het glas te pakken.
De zeurende pijn in zijn borst werd stekend. Hijgend zakte hij terug in de kussens. Hij had even tijd nodig om bij te komen voor hij de deken oplichtte. En toen pas zag hij dat hij van zijn schouder tot zijn heup omzwachteld was, terwijl zijn linkerarm tussen pols en elleboog voorzien was van gips.
Terwijl hij bezig was die ontdekking te verwerken, kwam de verpleegster opnieuw binnen.
Hij keek haar ongerust aan. ‘Ik zit helemaal in het verband!’
‘Dat was wel nodig ook’, zei ze. ‘Wat jij hebt is normaal over een stuk of vier patiënten verdeeld.’
‘O.’ Het duurde even voor hij de vraag durfde stellen. ‘Wat dan?’
Ze trok een stoel bij. ‘Dat zal ik je vertellen’, antwoordde ze vriendelijk.
‘Maar laat ik beginnen met me voor te stellen - ik ben zuster Wiersema.’
Arnold staarde haar verschrikt aan. ‘Zuster Wiersema...?’
‘Ja, vind je dat zo gek?’
‘Eh... nee, natuurlijk niet. Ik dacht even dat... dat ik u ergens van kende.’
‘Je zult me in de stad wel eens hebben gezien.’
Arnold was zijn dorst en pijn een ogenblik vergeten. Wiersema... Zou ze familie zijn van Freek Wiersema, die hem vorig jaar uit het water had gehaald? Een zusje of zo? Dat kon best. Stel je voor dat ze wist wat zijn vader gedaan had. Zou ze zijn naam weten? Ach, natuurlijk wist ze wic hij was. En bijna iedereen in de stad kende zijn vader.
‘Voel je je niet goed, Arnold? Je hebt opeens zo'n kleur.’
‘Ik eh... ik heb zo'n dorst.’
Ze hield het glas aan zijn lippen. Hij dronk gulzig. In twee slokken was de inhoud verdwenen.
‘Meer mag je voorlopig niet hebben’, zei ze. ‘Dat is niet goed voor je.’ Ze wachtte even voor ze vervolgde: ‘Jij bent gistermiddag binnengebracht. Om een uur of vijf. Door mensen van de spoorwegen. Toen dachten we dat je... nou ja, dat het heel erg was. Je had veel bloed verloren.’ Ze aarzelde opnieuw. ‘Iemand heeft je geraakt met een mes.’
Opeens wist Arnold weer precies wat er gebeurd was. Martin Jonkers en Karel Rot... Ze hadden hem willen vermoorden.
‘De dokter heeft je geopereerd. Aan een van je nieren. Daarom mag je nog niet zoveel drinken.’
‘Je nieren zitten toch bij je rug?’
‘Ja.’
‘Daar heb ik geen pijn.’
‘Waar heb je dan wel pijn?’
‘In m'n borst en m'n arm.’
‘Erg?’
‘Gaat wel. Ik kan me niet uitrekken.’
Ze zei: ‘Je hebt twee gebroken ribben.’
‘O.’
‘En een gebroken sleutelbeen.’
Hij bleef haar aankijken.
‘En een kapotte arm.’
Hij fluisterde: ‘Is dat alles?’
‘Nou zeg! Is dat soms niet genoeg?’
Arnold begon zenuwachtig te lachen, maar hield daar dadelijk mee op toen zijn ribben heftig protesteerden. ‘Ik kan niet diep ademhalen’, stootte hij uit.
‘Dat zal toch moeten’, zei ze gedecideerd. ‘Anders krijg je longontsteking.’
‘Is mijn moeder nog geweest?’ vroeg hij even later.
‘Ja, maar toen sliep jij. En dat moet je nu weer doen. Het is bijna tien uur.’ Ze wees op een knopje aan een snoer. ‘En als je iemand nodig hebt moet je daarop drukken. Goed?’
‘Goed. Zuster...’
‘Ja?’
‘U weet toch wie ik ben?’
‘Ja zeker.’
‘Ik eh... u bent de eerste die aardig tegen mij is...’
Ze antwoordde zacht: ‘Dat is mijn beroep, Arnold. Welterusten.’
‘Welterusten, zuster.’
Toen ze weg was keek Arnold nogmaals naar het verband. De pijn in zijn arm werd erger. In zijn ogen blonken tranen.
Veertien dagen later werd hij van het kamertje overgebracht naar een zaal met een stuk of acht bedden. Ze gaven hem een plaatsje bij de deur.
‘Dit is Arnold Westervoort’, zei een van de verpleegsters die hem erheen had gereden.
De zaal mompelde een vage groet.
Een man tegenover hem keek hem scherp aan en begon vervolgens een druk gesprek met zijn buurman.
Arnold was niet op zijn gemak. Voor het eerst na bijna veertien dagen voelde hij weer iets van een vijandige sfeer. Daar kwam nog bij dat de pijn in zijn borst nauwelijks was verminderd. Toch ging hij goed
vooruit, had de dokter gezegd. Over een dag of tien mocht hij er waarschijnlijk al even uit.
Tien dagen... Ze kropen om. Met de andere patiënten had hij weinig contact. Het bezoek van zijn ouders en zijn zusje was de enige afwisseling.
‘De politie is de daders van die laffe aanslag op het spoor’, vertelde zijn vader op een dag.
‘O.’
Meneer Westervoort keek verbaasd. Daarna geërgerd. ‘Of kan je dat soms niets schelen?’
‘Och, ja...’ Arnold had zich al eerder afgevraagd hoe het kwam dat hij geen wraakgevoelens koesterde.
‘Ik heb onze Landwachters de instructie gegeven dat ze scherp moeten letten op alle verdachte personen.’
Arnold zei: ‘Als die Landwachters allemaal zo zijn als die ik bij het station ben tegengekomen, zal daar wel niet veel van terechtkomen.’
Meneer Westervoort keek geschrokken. Toen zei hij heftig: ‘Wat heb jij op onze Landwacht aan te merken?’
‘Stil toch, Koos!’ waarschuwde mevrouw Westervoort. ‘Ze horen het allemaal!’
‘Nou en...! Wat is daar voor verkeerds aan? Ik wil graag horen wat Arnold mij te zeggen heeft!’
‘Je mag hem niet zo opwinden.’
‘Wat zullen we nou beleven? En intussen mag hij wel alles zeggen wat hem voor de mond komt? Onze idealen de grond intrappen?’
‘Koos, beheers je alsjeblieft! We zijn hier niet in ons eigen huis!’
‘Dat interesseert me niet!’ Meneer Westervoorts stem werd toch zachter. ‘Ik heb het gevoel dat Arnold het slachtoffer wordt van allerlei ondermijnende activiteiten. Anders zeg je zoiets niet.’
‘Hoe kan dat nou, hier in het ziekenhuis?’
‘Besef je dan niet dat het gevaar overal op de loer kan liggen? Dat het ons elk moment bespringen kan?’
‘Dat heb ik gemerkt’, zei Arnold laconiek.
‘Dat bedoel ik niet - ik bedoel het geestelijk gevaar. Wat blijft erover van ons volk als het van alle kanten wordt belaagd door krachten die het op de ondergang van ons vaderland gemunt hebben?’
Daar had je het weer! dacht Arnold vermoeid. Het leek wel of zijn vader nooit iets anders kon bedenken. Hij zei: ‘Is dat het belangrijkste in de wereld?’
‘Is dat voor jou nog steeds een vraag? Hoe vaak heb je het zelf op de Jeugdstorm niet gezongen in dat prachtige lied:
Ben je dat dan allemaal vergeten?’
Arnold haalde zijn schouders op. ‘Ik weet het niet. Het zegt me niet zoveel meer.’
‘En die bijeenkomst dan in Utrecht...’ Zijn toon werd smekend. ‘Je weet wel met onze Leider...’
‘Dat is twee jaar geleden.’
Meneer Westervoort schudde vertwijfeld zijn hoofd. ‘Hoe kun je zoiets zeggen, Arnold. Hebben we je daarvoor grootgebracht? Hoe komt het dat je zo opeens veranderd bent? Wat is er toch met jou gebeurd?’
‘We moeten weg, Koos’, zei Mevrouw Westervoort nerveus. ‘Arnold is moe. En het bezoekuur is ook afgelopen.’ Met jachtige bewegingen pakte ze haar tas en drukte Arnold een kus op het voorhoofd. ‘Dag, jongen. Tot morgen.’
Meneer Westervoort gaf hem een hand. Zijn magere gezicht stond gespannen. ‘Arnold, we blijven toch kameraden, nietwaar?’
Arnold sloeg zijn ogen neer. Zijn hoofd maakte een nauwelijks merkbaar knikje.
Het was al bij half twaalf, maar Arnold kon niet in slaap komen. Hij had nog steeds veel last van zijn arm en de zere plek in zijn borst stak gemeen.
Hij luisterde naar de geluiden in het ziekenhuis: zachte voetstappen in de gang, het slaan van een deur. Uit een kamer verderop een regelmatig terugkerende rauwe hoest.
Van buiten kwam het snel aanzwellende geronk van een automotor. Iemand schakelde ruw en bracht de wagen ergens in de buurt tot stilstand. Harde stemmen klonken in de nacht. In de gang begon iemand te rennen.
Een tijd lang bleef hij scherp luisteren, maar de geluiden vervaagden. Een uur later sliep hij.
Het was zuster Wiersema die hem de volgende morgen het nieuws vertelde. ‘Je krijgt straks gezelschap.’ Ze wees op het lege bed naast het zijne.
‘Wie?’
‘Dat zul je wel zien.’
‘Wat is er dan gebeurd?’
‘Iemand heeft een eh... ongelukje gehad.’
‘Was dat dat lawaai, vannacht?’
‘Dat weet ik niet. Ik had geen dienst.’
Ze schudde zijn kussen op. ‘Jij mag er vandaag even uit.’
Arnold voelde zich warm worden. ‘Als ik maar kan lopen.’
‘Aan je benen mankeert toch niks!’ Ze verdween en was een kwartier later terug in gezelschap van een andere verpleegster. Samen duwden ze een brancard.
Nieuwsgierig richtte Arnold zich op en keek toe hoe ze de man vakkundig op het bed tilden. Ze konden echter niet voorkomen dat deze een pijnlijk gezicht trok.
‘Voorzichtig, dames! Alsjeblieft voorzichtig... Ik heb er maar één!’
Verbaasd keek Arnold naar het jongensachtige gezicht. Zat ie zich aan te stellen?
De man liet zich behoedzaam op zijn buik zakken en trok een tevreden grimas.
‘Ja, zo is het stukken beter. Krijg ik ook wat te eten?’
‘Moet je dat horen!’ mopperde zuster Wiersema. ‘Is net binnen en zeurt nu al over eten. Je zult nog even moeten wachten.’
‘Ik heb honger’, verklaarde de ander.
‘Ik breng je straks wel een bord pap’, beloofde ze.
‘Hebben ze hier geen brood?’
‘Jij mag alleen maar vloeibaar voedsel. En je weet best waarom.’
Geamuseerd keek hij de zusters na toen deze de zaal verlieten, maar
toen hij op zijn zij ging liggen verscheen er weer die pijnlijke trek op zijn gezicht.
Even later keek hij echter opgewekt de zaal rond. ‘Hallo, allemaal!’ zei hij. ‘Ik heet Jeroen. Hoe jullie heten hoor ik nog wel.’
Arnold begon zich af te vragen of dit wel de man was die ze vannacht hadden binnengebracht. Een ongelukje, had zuster Wiersema gezegd. Zou hij geopereerd zijn? Waarschijnlijk niet. Iemand die net bijkwam uit een narcose voelde zich niet zo prettig.
‘Hoe heet jij?’ hoorde hij naast zich.
Arnold keek in het gezicht met de twinkelende ogen. ‘Arnold.’
‘Ken jij boter kaas en eieren?’
‘Natuurlijk.’ Hij keek Jeroen niet begrijpend aan.
‘Mooi. Dan hoeven we ons niet te vervelen. Wat heb jij?’
‘Ik eh... ik ben van een trap gevallen. Een paar ribben gebroken en zo.’ Hij vroeg aarzelend: ‘Ben jij vannacht binnengebracht?’
‘Ja. Per taxi. Helemaal gratis en met een gewapend escorte.’
Arnold keek hem ongelovig aan.
‘Net als een generaal’, vulde Jeroen aan. ‘M'n adjudant staat nog voor de deur.’
‘Wat!?’
‘De rotzakken!’ schold Jeroen.
‘Wie?’
‘De moffen, natuurlijk. Ik was zo mooi bezig, gisteravond. En toen schoten ze me in m'n kont.’
Hij zei het op een manier die Arnold deed hikken van de lach. Maar daar had hij meteen spijt van. Met het zweet op zijn voorhoofd leunde hij achterover. De pijn in zijn borst ebde weg.
‘Met kapotte ribben moet je nooit lachen,’ zei Jeroen overbodig.
Arnold haalde voorzichtig adem. Jeroen was bij het verzet, dacht hij. Gisteravond hadden ze hem te pakken genomen en naar het ziekenhuis gebracht.
‘Ze hebben de kogel er vannacht nog uitgehaald’, vertelde Jeroen. ‘Die krijg ik mee als souvenir.’
Zouden ze zo'n man van het verzet hier zomaar laten liggen? peinsde Arnold. Als hij opgeknapt was kon hij immers zo wegwandelen.
Zuster Wiersema kwam binnen en zette een bord op het kastje naast
Jeroens bed. Hij wierp een wantrouwige blik op de dampende vloeistof. ‘Wat is dat?’
‘Pap. Je wou toch eten?’
Hij roerde het spul om. ‘Is dat pap? Dat smeren ze bij ons thuis achter het behang.’
Zuster Wiersema deed beledigd. ‘Ja, hoor eens, het is hier geen restaurant. En als het eten je niet bevalt ga je maar ergens anders heen.’
Jeroen grijnsde breed. ‘Wat een meelevende verpleegsters, vandaag de dag!’
Ze draaide zich hooghartig om met de bedoeling de kamer te verlaten, maar botste bij de deur bijna tegen een Duitse militair, gewapend met een machinepistool.
‘Wo liegt der Verbrecher?’ vroeg hij.
De zaal verstomde.
Zuster Wiersema wees zwijgend naar het bed van Jeroen.
‘De oppas voor de kinderen!’ stelde deze opgewekt voor. ‘We hebben afgesproken dat hij elk uur even komt kijken.’
De Duitser liep op hem toe, opende het kastje naast zijn bed en controleerde de inhoud.
‘Kijk, dat zie ik graag’, vervolgde Jeroen waarderend. ‘Grondigheid voor alles. Je weet nooit wat je tegenkomt.’ Hij hield de militair een lepel voor. ‘Ook een hapje? Pap van het huis.’
De man gromde iets onverstaanbaars en begaf zich vervolgens naar de raamkant waar hij de sluiting aan een nauwgezet onderzoek onderwierp. Daarna marcheerde hij de zaal door naar de deur.
Jeroen stak zijn hand op ‘Auf Wiedersehen!’ zei hij hartelijk. ‘En de groeten aan je baas.’
Hij werkte een paar lepels pap naar binnen. ‘Met klonten’, stelde hij vast.
Diezelfde middag mocht Arnold voor het eerst even uit bed. Het viel hem niet mee en hij was blij dat hij tien minuten later weer kon gaan liggen.
‘Zo te zien is dat knap aangekomen’, merkte Jeroen op. ‘Hoe hoog was die trap eigenlijk?’
Arnold glimlachte gemaakt. ‘Ik kwam ongelukkig terecht’, zei hij.
Wat was die Jeroen voor een man? Zou hij niet zo onschuldig zijn als hij zich voordeed? En zou hij vermoeden dat er iets anders met hem was gebeurd? Of had hij iets van de verpleegsters gehoord?
Na het bezoek van zijn ouders, die avond, was Jeroen opvallend stil.
‘Heb je pijn?’ vroeg Arnold.
Jeroen bleef naar de muur staren. ‘Nee.’
Een beetje geschrokken van het onverwacht botte antwoord hield Arnold zijn mond.
Een paar minuten later zei Jeroen opeens: ‘Waren dat je vader en moeder?’
Arnold kreeg een angstig vermoeden. ‘Waarom vraag je dat?’
‘Ik heb hem eerder gezien..., jouw pa. In het distributiekantoor. NSB-er, hè?’
Arnold beet op zijn lip. Waarom moest hem dat overal en altijd achtervolgen?
‘Ik had nooit gedacht dat jij lid was van die club.’
‘Ik ben geen lid’, antwoordde Arnold stug.
Jeroen scheen hem niet gehoord te hebben. ‘En ik begrijp niet hoe iemand het in zijn hersens haalt zich bij zo'n stelletje schooiers aan te sluiten. Dan moet je wel heel wat zaagsel in je hoofd hebben.’
Arnold zweeg.
‘Wie krijg je anders zo gek om achter een opgeblazen kabouter als Mussert aan te lopen?’ vulde Jeroen aan. ‘Als je pa terugkomt zeg ik het hem ook!’
‘Dat moet je niet doen!’ zei Arnold geschrokken.
‘Waarom niet? Hij kan me toch niks meer maken!’
Dat was waar. Jeroen was al de gevangene van de Duitsers. Die kon zeggen wat hem voor de mond kwam.
Arnold zei: ‘Dan krijg ik rottigheid.’
‘Jij rottigheid? Waarom?’
‘Mijn vader denkt altijd meteen dat ik te weinig voor de Beweging voel.’
Jeroen tuitte zijn lippen. ‘Is dat ook zo?’
Arnold knikte.
‘Nou, dat valt me dan weer mee van je. Ik moet eerlijk zeggen dat
ik jou ook nooit voor zo'n bloedzuiger had aangezien. Maar je ouwe heer mag z'n gezicht wel eens wassen. Het fanatisme druipt eraf!’
Het kwam hard aan. En Arnold wist niet wat hij erop zeggen moest.
Gelukkig werd hun gesprek onderbroken door de komst van een andere Duitse militair die de wacht voor de ziekenzaal had overgenomen. Hij liep meteen naar Jeroens bed. ‘Du bist Rainders?’
Jeroen lachte geringschattend. ‘De stakker’, zei hij meewarig. ‘Nog te stom om een naam goed uit te spreken.’ En tegen de Duitser: ‘Jawohl, Herr Obersturmbannunteroffiziersführer!’
De militair knipperde niet eens met de ogen.
‘Wo bist du verwundet?’
Jeroen keek geschokt. ‘Dat gaat je geen fluit aan!’
‘Bitte?’
Jeroen zuchtte vermoeid. ‘Goed dan’, zei hij. ‘Hier.’ Hij klopte op de dekens. ‘An mein Hinterarbeit.’
Arnold grinnikte onderdrukt.
De Duitser trok zijn wenkbrauwen op, schudde zijn hoofd en verliet de kamer.
‘Zag je dat?’ constateerde Jeroen. ‘Totaal gebrek aan humor - daar herken je iedere nazi aan.’ Hij keek Arnold onderzoekend aan. ‘Ik geloof jou’, zei hij. ‘Jij bent geen echte NSB-er. Daar heb je geen kop voor.’
Hij trok zijn kussen omlaag. ‘En nou ga ik maffen!’