Arnold moest al zijn moed verzamelen om haar de vraag te durven stellen. ‘Zuster...’
‘Ja?’
‘Woont u hier in de stad?’
‘Waarom vraag je dat?’
Hij zei vlug: ‘Hebt u een broer die Freek heet?’
Zuster Wiersema's blik was onderzoekend. ‘Hoezo?’
‘Ik ken een Freek Wiersema. Hij heeft me eens uit het water gehaald.’
‘Heeft Freek jou uit het water gehaald? Daar heeft ie nooit iets van verteld? Wanneer dan?’
‘Vorig jaar. Ik was door het ijs gezakt. En toen bleef ik vastzitten met m'n schaatsen.’ Arnold beet op zijn nagels. ‘Ziet u hem nog wel eens?’
‘Wie? Freek...? Elke dag.’
‘O..., gelukkig.’
‘De Duitsers hebben hem een half jaar vastgehouden’, zei ze. ‘Waarom weten we nòg niet.’
Was dat waar? dacht hij. Zou ze dat echt niet weten? En zou ze er ook geen vermoeden van hebben welke rol zijn vader daarbij gespeeld had?
Hij vroeg: ‘Wilt u hem de groeten doen?’
‘Natuurlijk. Moet ik er nog iets bij zeggen?’
‘Nee... Alleen de groeten.’
‘Goed.’ Ze ging op de rand van zijn bed zitten. ‘Weet je dat je over een paar dagen naar huis mag?’
Arnold knikte. ‘Dat heeft de dokter vanmorgen ook gezegd.’ Vreemd genoeg was hij er niet blij om. Wat zou hij thuis moeten doen? En hier had hij Jeroen. Ze hadden heel wat afgepraat, samen. Hij had hem verteld van Martin Jonkers en Karel Rot. En ook van Marloes...
Wat zou er echter met Jeroen gebeuren als hij uit het ziekenhuis werd ontslagen? De Duitsers zouden hem natuurlijk meenemen. Maar waarheen? Zou hij in een concentratiekamp terechtkomen? Of zouden ze
hem net als andere verzetsstrijders fusilleren? Hij kon het zich niet indenken. Je liet toch niet iemand genezen om hem daarna dood te schieten!
Jeroen scheen de laatste te zijn die zich daar zorgen over maakte. ‘Ik wou dat ik naar huis kon’, zei hij. ‘Vooral om het eten. Daar gooien ze hier met de pet naar.’
‘Jij blijft voorlopig hier’, besliste zuster Wiersema. ‘Jij bent nog lang niet beter.’
‘Dat komt van het eten’, hield Jeroen vol.
‘Welja, we zullen jou lamsboutjes voorzetten’, spotte ze. ‘Of biefstuk met champignonsaus.’
Jeroen keek verlekkerd. ‘Ik hou meer van een roomsausje, als dat zou kunnen. En de biefstuk graag licht gebakken. Daar...’
Ze maakte een beweging of ze hem een draai om zijn oren wilde geven, toen de Duitse wacht zijn hoofd om de deur stak.
‘Ach, lieber Heinrich’, riep Jeroen meteen. ‘Du hast mein Leben gerettet!’
‘Was?’
Arnold drukte beide handen tegen zijn borst en probeerde zijn lachen te bedwingen.
‘Staat er wel een stoel op de gang?’ informeerde Jeroen. ‘Heinrich ziet er moe uit.’
‘Stil toch!’ waarschuwde zuster Wiersema. ‘Jij bent veel te ziek om zulke dingen te zeggen. Snap je dat dan nog niet?’
Jeroen keek verongelijkt. ‘Kom ik eens een keer op voor de kleine man - is het wéér niet goed!’
Ze siste hem toe: ‘Ik meen het, Jeroen!’
De militair verdween.
Jeroen zweeg. Voor het eerst leek hij een beetje uit het veld geslagen.
's Avonds kwamen Arnolds ouders weer op bezoek. Ze zagen er betrokken uit.
Meneer Westervoort haalde een krant uit zijn zak. ‘Ik heb Vova voor je meegebracht’, zei hij.
Arnold keek tersluiks de zaal rond. ‘Moet dat nou?’ mopperde hij.
‘Ik heb genoeg te lezen. Er is hier een bibliotheek.’
‘Je hoeft alleen dit maar te lezen.’ Hij wees op een zwart omrande advertentie aan de achterzijde, voorzien van het rouwteken van de NSB. Arnold las.

Een tijdlang was het stil tussen hen. Eén Nederlander tegen tien Russen, dacht Arnold. Dat had Piet gezegd. En nu...
‘We vonden dat je dit moest weten’, zei mevrouw Westervoort.
Hij knikte. Het had weinig zin erover na te praten. Had Piet dit niet zelf gewild? Hij was er altijd al bang voor geweest. Eigenlijk had hij hem ervoor gewaarschuwd.
‘Ik hoop niet dat zijn bloed tevergeefs heeft gevloeid.’ De stem van meneer Westervoort was schor.
Arnold zag Jeroen achter de rug van zijn ouders meeluisteren. Hij zei luid: ‘Ik mag over een paar dagen naar huis!’
De snelle verandering van onderwerp verraste hen. ‘Wat...? O... Dat is mooi, m'n jongen.’
‘En over een week of vier gaat het gips eraf.’
‘Fijn. Dan heb je de hele vakantie om op te knappen.’
‘We hebben de familie Bergman een kaartje gestuurd’, begon meneer Westervoort weer. ‘We hebben jouw naam er ook maar onder gezet.’
Arnold keek met een scheef oog naar Jeroen. ‘Goed’, zei hij haastig.
‘Eh..., zijn er nog nieuwe postzegels bijgekomen, deze week?’
‘Postzegels? Dat weet ik niet. Hoe kom je daar zo opeens bij?’
‘Ik heb nog zes weken zakgeld tegoed. Daar kan ik mooi postzegels voor kopen.’
‘Dat doe je dan maar als je weer thuis bent.’
Een half uur later vertrokken zijn ouders.
Arnold was na een bezoek nog nooit zo moe geweest.
‘Wie is er dood?’ vroeg Jeroen.
‘Dood?’ weerde Arnold af. ‘Wat weet jij daarvan?’
‘Da's nogal duidelijk. Ik hoorde je pa zoiets zeggen. En jullie hadden het over een advertentie.’ Hij richtte zich hoopvol op. ‘Mussert soms?’
‘Nee. Een jongen uit mijn klas.’
Jeroen maakte een verontschuldigend gebaar. ‘Dat wist ik niet. Neem me niet kwalijk.’
‘Hij is gesneuveld aan het oostfront’, zei Arnold.
‘Het oostfront? Bedoel je dat ie bij de SS was? Vocht ie tegen de Russen?’
Arnold knikte.
‘O, dat is wat anders! Zulke nieuwtjes kunnen ze me niet genoeg vertellen. Of was het een vriend van je?’
‘Hij zat bij mij in de klas’, herhaalde Arnold stug.
Op de een of andere manier kon hij het gepraat van Jeroen niet goed hebben.
‘Ze moesten die lui afslachten’, vervolgde Jeroen onbarmhartig.
Arnold draaide zich met zijn gezicht naar de muur. Hij gaf geen antwoord.
‘Het is hetzelfde tuig dat in de concentratiekampen beulswerk verricht. Opknopen moesten ze die schooiers, allemaal! Dan wou ik ze nog wel aan de benen gaan hangen!’
Arnold snauwde woedend: ‘Dan ben jij een nòg groter beul dan zij!’
Minutenlang bleef het stil.
Tenslotte zei Jeroen, zachter dan Arnold van hem gewend was: ‘Ja..., daar kon je wel eens gelijk aan hebben.’
De dag voordat Arnold het ziekenhuis zou verlaten kwam er een arts bij Jeroen. ‘Wat heb ik gehoord, meneer Reinders, u bent nog steeds niet koortsvrij?’
Jeroen deed zijn best een grijns te onderdrukken. ‘Eh... nee, dokter.
Ik heb een temperatuur waar een broedse kip jaloers op is. Minstens negenendertig.’
Arnold luisterde verbaasd mee.
‘Zolang de koorts aanhoudt moet u het bed houden’, deelde de arts ernstig mee. ‘Hoe is het met uw verwonding? Mag ik daar even naar kijken?’
‘Alleen kijken. Nergens aankomen!’
De dokter trok de dekens weg, haalde het verband eraf en betastte de wond.
‘Auwww!’ jankte Jeroen. ‘Ik zei nog zo: nergens aankomen!’
‘Net wat ik dacht’, mompelde de arts. ‘Geïnfecteerd. En lelijk ook.’
Jeroen keek hem ongerust aan. ‘Hoe erg is het, dokter?’
‘Erg genoeg om u nog tenminste veertien dagen hier te houden. Zuster Wiersema zal u straks een injectie geven.’
‘Een injectie...?’
‘Ja. Hebt u daar iets op tegen?’
‘Daar ben ik als de dood voor!’
‘Des te beter’, antwoordde de arts raadselachtig. Hij wendde zich tot Arnold. ‘Jij gaat morgen naar huis?’
‘Ja, dokter.’
Hij keek hem doordringend aan. ‘Jullie kunnen goed met elkaar opschieten, nietwaar?’
‘Nou en of!’
‘Mooi zo.’
Na het vertrek van de dokter zei Jeroen: ‘Sneu voor Heinrich.’
‘Wat dan?’
‘Nou moet ie nog eens veertien dagen buiten staan wachten.’
‘Heb jij echt koorts?’ informeerde Arnold voorzichtig.
‘Je hebt zelf gehoord wat die pillendraaier zei.’
Ze wilden Jeroen hier houden, ging het door hem heen. Er was niets met hem aan de hand. Als hij weer beter was, kwamen de Duitsers hem halen. En dat wilden ze voorkomen. Maar als die veertien dagen
verstreken waren, wat dan...? Zouden zijn vrienden van het verzet hem komen helpen? Van buitenaf?
Kon hij maar iets doen.
Hij gooide zijn dekens af en liep de gang op naar het toilet. De Duitse wachtpost keek hem even scherp aan, maar liet hem ongehinderd passeren.
Op dat moment schoot hem een mogelijkheid te binnen, zo duizelingwekkend, dat hij het zweet in zijn handen kreeg. Natuurlijk kon hij iets doen! Niet meteen. Over een dag of tien, als hij terug moest komen voor controle of zo...
Ze kenden hem allemaal. Ook de Duitse militairen. Hem zouden ze niet verdenken. Alleen moest hij alles goed voorbereiden. Er mocht niets fout gaan.
Terug op de zaal pakte hij een stoel en ging vlak naast Jeroen zitten. Niemand lette op hen.
Hij fluisterde: ‘Ik kan je helpen hier weg te komen.’
Jeroen ging rechtop zitten. ‘Wat? Ik wil helemaal niet weg. Het bevalt me hier best.’
‘Sssst! Niet zo hard. Ik meen het!’
Jeroens ogen kregen een ongelovige uitdrukking. Toen vroeg hij: ‘Ben jij niet goed geworden of zo?’
‘Luister nou eens even. Jullie kunnen mij niks wijs maken: jij bent helemaal niet ziek meer.’
Jeroen keek hem onbewogen aan.
‘En intussen probeer je iets te bedenken om te ontsnappen.’
‘Jij hebt te veel fantasie.’
‘Je kunt me vertrouwen!’ zei Arnold dringend. ‘Anders had ik het toch al lang aan de Duitsers kunnen vertellen...’
Jeroen schudde langzaam zijn hoofd. ‘Dat is te gek, Arnold. En bloedlink. Ik zou niet weten hoe je dat voor elkaar moest krijgen.’
‘Ik wel’, antwoordde hij zelfbewust. ‘Ik moet alleen een goeie gelegenheid afwachten.’
‘Wat wil je dan?’
‘Dat zul je wel zien.’
Jeroen legde zijn hand op Arnolds schouder. Hij zei: ‘Als je 't mij vraagt heb je je verstand verloren.’
Zuster Wiersema hield de injectiespuit omhoog. ‘Ik geef toe - het is een paardemiddel’, zei ze. ‘Maar dat heb jij hard nodig, vooral vanmiddag...’ Vastberaden zocht ze een plek op Jeroens bovenbeen en duwde de naald naar binnen.
‘Auwww! Kan dat niet wat zachter?’
‘Dit is nog niks’, waarschuwde ze. ‘Straks piep je wel anders.’
Zuster Wiersema kreeg gelijk. Eerst dacht Arnold nog dat Jeroen zich weer eens zat aan te stellen, maar een half uur later parelden grote zweetdruppels op zijn gezicht.
‘Ik heb me nog nooit zo beroerd gevoeld’, bracht hij uit. ‘Alles draait me voor de ogen.’
Een beetje ongerust sloeg Arnold zijn vriend gade. Zou dat van die injectie komen? Maar dat was toch te gek? Hij stond op het punt iemand te waarschuwen toen zuster Wiersema de zaal opkwam. Ze wierp een haastige blik op Jeroen en verdween meteen weer.
Vijf minuten later was ze opnieuw terug, nu in gezelschap van de dokter en een heer die Arnold niet kende.
De man keek de zaal rond. ‘Waar ligt hij?’
‘Hier.’
Jeroen ademde zwaar en onregelmatig. Zijn gezicht was lijkbleek. Zijn ogen waren gesloten.
De onbekende greep de pols van de zieke. ‘Hoe lang heeft hij dit al?’
‘Verscheidene dagen. 't Is vanmorgen erger geworden.’
‘Wat geeft u hem?’
De dokter prevelde iets onverstaanbaars.
‘En waarom ligt hij niet alleen? Daar hebt u toch opdracht voor gekregen?’
‘Alle één-persoons kamers zijn bezet’, zei zuster Wiersema vlug.
‘Juist.’ Hij begaf zich naar de deur. ‘Zodra hij voldoende hersteld is om vervoerd te kunnen worden stelt u mij onmiddellijk op de hoogte.
Ik herhaal: onmiddellijk!’ Zonder antwoord af te wachten verliet hij de zaal.
Het liep tegen de avond toen Jeroen opknapte. ‘Zo ellendig heb ik me maar zelden gevoeld’, zei hij. ‘Had dat nou niet anders gekund? Ik dacht dat ik doodging! Wat zat er in die spuit?’
‘Schreeuw toch niet zo!’ maande zuster Wiersema. En fluisterend ging
ze verder: ‘Dit was wat je noemt een cocktail.’
‘Een cocktail?’
-‘Ja - er zat van alles in. En die enge kerel van vanmiddag komt vóór volgende week niet terug. Die denkt tenminste dat je iets ongeneeslijks hebt.’
‘Dat dacht ik vanmiddag ook’, mopperde Jeroen. ‘En zeg me alsjeblieft van tevoren als jullie weer zoiets van plan zijn. Dan kan ik op tijd de benen nemen.’
Zuster Wiersema was opeens ernstig. ‘Ja’, zei ze. ‘Was dat maar mogelijk.’