terug  begin  verderprepost
[p. 238]

28

Zaterdag, 13 mei 1944.

‘Bedankt, Jeroen. Ik kom je gauw eens opzoeken.’

Jeroen kneep Arnolds hand haast fijn. ‘Daar hou ik je aan’, zei hij.

‘En als je iets leuks kunt vinden breng het dan voor me mee.’

‘Ik doe mijn best.’ Met zijn tas in de hand liep hij naar de deur. ‘Tot ziens. En beterschap allemaal!’

In de gang stond, geduldig en waakzaam, de Duitse soldaat. Arnold liep hem voorbij naar een kamertje verderop waar zuster Wiersema aan een tafeltje zat te schrijven. ‘Dag zuster’, zei hij.

‘Arnold! Ga je er vandoor? Je kon wel haast hebben. Is er al iemand om je op te halen?’

‘Mijn moeder, denk ik. Maar ik heb haar nog niet gezien.’

‘Kom maar mee.’

Samen liepen ze de trap af waar mevrouw Westervoort in de hal zat te wachten.

Arnold bleef staan. ‘Bedankt, zuster..., voor alles. En ik kom gauw eens terug.’

‘Kom jij nog weer terug?’

Hij wees op zijn arm in de mitella. ‘Het gips moet er nog af.’

‘O, natuurlijk.’ Ze ging mee tot hij met zijn moeder de stoep van het ziekenhuis afstapte.

‘We moeten lopen’, zei mevrouw Westervoort. ‘Kun je dat wel?’

‘Natuurlijk. Zo ver is het niet.’

Het viel hem tegen. Toen ze een kwartier later thuiskwamen liet hij zich uitgeput in een stoel zakken.

Mevrouw Westervoort liep bedrijvig heen en weer. ‘Wil je een kopje thee? Ik heb ook koekjes gebakken. Je bent zeker wel blij dat je weer thuis bent?’

Hij knikte. ‘Waar is pa?’

‘Die moest nog werken. Die bonnen...’ Mevrouw Westervoort zuchtte. ‘Het is haast niet te doen.’

‘En Rita?’

[p. 239]

‘Rita is even weg voor een paar boodschappen.’

Hij keek de kamer rond. Er was niets veranderd. Het bureau van zijn vader in de hoek. Het portret van Anton Mussert erboven. De tafel onder de met franje versierde lamp.

‘Ik heb je kamer gisteren helemaal schoongemaakt’, zei mevrouw Westervoort. ‘Die zat onder het stof.’

Hij glimlachte haar toe. Ze leek wel een jaar ouder te zijn geworden, dacht hij.

Tegen de middag kwam meneer Westervoort thuis. Maar Arnold kreeg nauwelijks meer dan een knikje. ‘Het gaat niet goed’, mompelde hij somber. ‘Als ik zie welke gevaren ons bedreigen... Onze vijanden dringen op aan alle kanten. En steeds meer kameraden laten ons in de steek, juist in het uur van gevaar.’

Daar had je het gezever weer, dacht Arnold.

‘Ik hoorde zojuist dat er weer vijf leden van onze Beweging hebben bedankt’, vervolgde meneer Westervoort. ‘De lafaards! In plaats van de wapens op te nemen en te vechten tot de laatste snik gaan ze er vandoor!’

‘Ik ga naar mijn kamer’, zei Arnold. ‘Even naar mijn postzegels kijken.’

‘Blijf je niet te lang boven? We gaan zo eten.’

‘Goed, ma.’

 

Na een week begon Arnold de eentonigheid thuis te ontvluchten door het maken van lange wandelingen. Bang voor een tweede ontmoeting met Martin en Karel was hij niet. Hij zwierf overal, terwijl hij zijn plan om Jeroen te helpen ontsnappen tot in de kleinste details overdacht. Het was zo simpel, maar hij mocht geen enkele fout maken. Jeroen moest vrijkomen. Het wachten was alleen op een geschikte gelegenheid.

Die gelegenheid kwam op woensdag 24 mei.

Het was een uur of twee in de middag toen mevrouw Westervoort meedeelde: ‘Arnold, ik ga een paar uurtjes weg. Ik heb met iemand afgesproken dat ik haar zou helpen met naaien.’

‘Blijft u lang weg?’

‘Tot een uur of half vijf, denk ik. Heb je wat te doen?’

‘Genoeg.’

‘Mooi zo. Tot straks.’

[p. 240]

Vijf minuten nadat zijn moeder weg was kwam Arnold in actie. Hij deed de achterdeur op slot, haalde een schroevedraaier uit het schuurtje en liep terug naar de kamer. Toen ging hij voor het bureau van zijn vader zitten en prentte alles in zijn geheugen: de plaats van de penhouder, het stapeltje boeken, de paperassen.

Vervolgens sleepte hij alles van het bureaublad naar de tafel en trok aan de rechterbovenla.

Op slot.

Arnold had niet anders verwacht. Nog nooit had zijn vader vergeten de la waarin hij zijn pistool bewaarde zorgvuldig af te sluiten.

Op zijn knieën schoof hij het zware bureau beurtelings aan de rechteren linkerkant van de wand af tot er een flinke ruimte was ontstaan. Toen kroop hij erachter en begon de schroeven waarmee het bureaublad was bevestigd los te draaien.

Omdat hij maar een arm goed kon gebruiken was het een lastig karwei en de ongemakkelijke houding waarin hij werkte deed hem al gauw hijgen van inspanning.

Na een paar minuten echter had hij alle schroeven aan de achterzijde los: hij kon het blad nu een centimeter of tien oplichten zonder dat hij bang hoefde te zijn dat hij de schroeven aan de voorkant eruit trok. Hij wurmde zijn gezonde arm door de opening en graaide in de la rond tot hij het pistoolholster te pakken had. Het op de tast openen ervan was een kwestie van seconden. Hij haalde het wapen voorzichtig naar zich toe en legde het naast zich op de grond. Het doosje met patronen stak hij in zijn zak.

Een kwartier later stond alles weer op zijn plaats.

Arnold nam het pistool mee naar zijn kamer, haalde een ouderwetse koekjestrommel uit de kast en legde het wapen erin. Daarna bedekte hij het met een stukje papier en vulde de rest op met koekjes uit de keukenkast.

Met de trommel onder zijn arm verliet hij het huis. Hij wist dat hij geen fouten had gemaakt. Het enige waar zijn moeder hem van zou kunnen beschuldigen was dat hij te veel koekjes had opgegeten.

 

De portier van het ziekenhuis knikte hem toe en wees op zijn arm.

‘Voor controle, zeker?’

[p. 241]

‘Ja.’

‘Loop maar door.’

Nu kwam het, dacht hij. Als hij nu liet merken dat hij iets van plan was kon alles nog misgaan.

Hij liep de trap op. De gang boven was leeg. Alleen de Duitse wacht zat op zijn stoel voor de zaal waar Arnold had gelegen.

Jeroen was er dus nog! Hij wilde nonchalant de deur openduwen, maar de Duitser hield hem staande.

‘Warte mal!’ Hij keek Arnold onderzoekend aan. ‘Ah, du bist der Junge der hier gelegen hat.’

‘Ja.’ Arnolds knieën knikten.

‘Was bringst du da mit?’ Hij tikte tegen het trommeltje.

‘Koekjes. Hat meine Mutter gebacken.’ Arnold had het gevoel of zijn keel werd dichtgeknepen. Hij dacht aan Jeroen - hoe die dit zou oplossen. ‘Wollen Sie auch eine?’ Het was eruit voor hij er erg in had.

‘Bitte, gern!’

Onhandig, met zijn ene gipsen arm, prutste hij aan het deksel.

‘Kann ich helfen?’

‘Eh... nein..., es geht schon.’ Het deksel sprong los.

De militair koos met zorg een koekje en hapte vergenoegd. ‘Ausgezeichnet!’ prees hij. ‘Wie zu Hause.’

Arnold sloot zijn trommeltje en betrad na een kort glimlachje de zaal.

‘Ha, die Arnold! Sjonge, jij bent bruin geworden, kerel!’ Jeroen zat rechtop in bed.

Arnold zette de koekjestrommel neer. ‘Hoe is 't met jou?’ Hij kon er niets aan doen dat zijn stem beefde.

‘Slecht’, antwoordde Jeroen monter. ‘Ze willen me nog steeds niet laten gaan. Maar wat is er met jou? Je zet een gezicht of Hitler jou een oor heeft afgebeten.’

‘Ik heb iets voor je meegebracht’, fluisterde Arnold.

‘Dat zie ik. Geweldig bedankt. Jij weet tenminste wat een door het ziekenhuiseten geteisterd mens nodig heeft.’

Arnold keek behoedzaam de zaal rond. ‘Onder de koekjes’, fluisterde hij weer. ‘Maar wees voorzichtig.’

Jeroen trok een samenzweerderig gezicht, stopte de trommel half onder de dekens en opende het deksel. ‘Mmmm, dat ziet er goed uit!’

[p. 242]

‘Nee, man, dat bedoel ik niet.’

‘Een stuk papier’, constateerde Jeroen. ‘Plattegrond van het ziekenhuis?’

‘Doe niet zo onnozel!’

Jeroen haalde er nu een paar koekjes uit en tilde het papier op. Het volgende ogenblik hapte hij van verbazing. ‘Alle donders, Arnold! Hoe kom je daaraan?’

‘Van mijn vader.’

‘Mocht ik die even lenen?’

‘Doe toch niet zo gek!’

Jeroen maakte een hoofdbeweging naar de deur. ‘Wat zei Heinrich?’

‘Die wou graag een koekje.’

Jeroen floot van verbazing.

‘Ik heb hem er maar een gegeven.’ Arnold tastte in zijn zak en haalde het doosje te voorschijn. ‘Dit hoort er ook bij. Patronen.’

Jeroen bleef hem een tijdje wezenloos aankijken. Tenslotte zei hij: ‘Ik had gelijk: jij bent hardstikke gek.’

Arnold was te gespannen om erom te lachen. Hij zei: ‘Wil je iets voor me doen?’

‘Dat is een stomme vraag.’

‘Ik heb je toch verteld van eh... van Marloes?’

‘Ja...’

‘Als jij hier uitkomt - wil jij dan naar haar toegaan en vertellen...’

Hij stokte.

Jeroen werd ernstig. ‘Je wilt dat ik haar vertel wat wij hier samen... beleefd hebben?’

‘Ja.’

‘Dat beloof ik je.’

Arnold had opeens haast. ‘Ik ga maar weer eens.’

‘Maar’, onderbrak Jeroen hem, ‘als je vader het ontdekt. Ik bedoel...’

‘Dat zien we dan wel weer.’ Hij stond op. ‘Tot ziens, Jeroen.’

Jeroen greep zijn hand. ‘Tot ziens, Arnold.’ En met een grijns voegde hij er fluisterend aan toe: ‘Jij bent de minst beroerde NSB-er die ik ooit ben tegengekomen.’

 

Vierentwintig uur later ontsnapte Jeroen uit het ziekenhuis met medeneming van het machinepistool van de Duitse bewaker.

[p. 243]

De man zelf had hij opgesloten in een gangkast.

Pas twee dagen erna ontdekte meneer Westervoort de verdwijning van zijn pistool. Hij was verbijsterd. ‘Mijn pistool is weg!’ hijgde hij.

‘Wat!?’ Mevrouw Westervoort kwam geschrokken de kamer in.

‘Het lag in mijn bureau’, stamelde hij. ‘En nu is het weg. En de patronen ook! Alleen het holster ligt er!’

‘Hoe kan dat?’

‘Hoe kan dat? Hoe kan dat...? Gestolen natuurlijk! Wat anders!’

‘Zat die la wel op slot?’

‘Die la zat potdicht. Dat vergeet ik nooit!’

‘Weet je dat zeker?’

Meneer Westervoort begon te vloeken. ‘Waar zie je mij eigenlijk voor aan? Voor een achterlijke sufferd?’

‘Waar heb je de sleutel dan?’

‘Hier! Die draag ik altijd bij me.’ Hij pakte zijn vrouw bij de arm.

‘Luister eens - heb jij soms vergeten de achterdeur op slot te doen?’

‘Nee, nooit.’

‘En dat stomme gedoe met die sleutel op dat richeltje... Daar kan iedereen zomaar bij komen!’

‘Dat heb jij altijd goedgevonden! Trouwens, niemand anders dan jij heeft de sleutel van dat bureau.’

‘Zo moeilijk is dat niet open te krijgen. Iedere inbreker met een beetje handigheid kan het.’

‘Dan hoef je mij ook niet te beschuldigen.’

‘Ik beschuldig niemand!’ Meneer Westervoort brieste. ‘Rita, Arnold, kom eens hier. Heeft een van jullie mijn bureau sleutel gehad?’

‘Uw bureausleutel? Wat zouden we daarmee moeten doen?’

‘Mijn pistool is weg!’

‘Wat!?’ Arnold hoopte dat niemand het trillen van zijn handen zou opmerken.

‘Ik heb altijd wel gedacht dat daar narigheid van zou komen’, zei mevrouw Westervoort. ‘Je moet de politie waarschuwen.’

‘De politie? Geen sprake van! Hoe zou ik dit ooit tegenover mijn kameraden kunnen verantwoorden?’ Hij keek een tijdlang mistroostig naar het lege holster en smeet het tenslotte woedend terug in de la. ‘Als ik dat tuig te pakken krijg!’

[p. 244]

In de weken die volgden probeerde Arnold zich zo onopvallend mogelijk te gedragen. Dat was niet zo moeilijk, want de gebeurtenissen in Europa gaven meneer Westervoort zoveel zorgen dat hij de vermissing van zijn pistool scheen te vergeten. Vooral sinds de landing van de geallieerde troepen in Normandië was hij nerveuzer dan ooit.

Arnold vroeg zich intussen af of Jeroen Marloes had kunnen bereiken. Hoe zou hij dat gewaar kunnen worden? Zou Jeroen hem op de een of andere manier een berichtje sturen? Stom, dat ze dat niet afgesproken hadden.

Tenslotte kon hij het niet meer uithouden. Hij moest erachter komen - was Marloes ingelicht of niet?

Op een drukkend warme dag in juli begaf hij zich opnieuw in de richting van haar huis. De bomen in de beukenlaan stonden roerloos. Boven de huizen groeiden witgerande onweerswolken.

Slecht op zijn gemak liep hij de laan in. Ze kenden hem in deze buurt, wist hij. Hij moest maar net doen of hij een toevallige voorbijganger was.

Hij was echter nog niet eens op de helft toen hij het al gezien had. Het liefst had hij dadelijk rechtsomkeert gemaakt, maar dat kon niet meer.

Wie weet hoeveel er alweer achter de ramen zaten te loeren.

Het huis van de Ter Winkels was leeg. De donkere ramen gaapten.

Het gras in de voortuin stond een halve meter hoog.

Met een onwezenlijk leeg gevoel liep Arnold verder. Marloes was er niet meer. Hoe lang al niet? Een maand? Twee maanden? Waarom waren ze verhuisd? Was meneer Ter Winkel weer vrij? Had Jeroen Marloes nog gesproken? Maar als dat niet zo was, waarom had hij dan niets van zich laten horen? Was hij bang opnieuw in handen van de Duitsers te zullen vallen?

Zijn hoofd duizelde van de vragen.

In de verte begon het te onweren, maar hij schonk er geen aandacht aan. Doelloos dwaalde hij door de stad tot de bui in alle hevigheid losbarstte.

Drijfnat en doodmoe kwam hij thuis.

‘Arnold, kon je dan nergens even schuilen?’

‘Schuilen?’ vroeg hij. ‘Ik zou niet weten waarom.’

[p. 245]

De opmars van de geallieerden was onstuimig. Duitse legers trokken zich terug. De oorlog kwam dichterbij.

Meneer Westervoort was rusteloos. Tot diep in de nacht stond hij in de deuropening van zijn huis en luisterde naar de machtige eskaders bommenwerpers. ‘Ze krijgen Duitsland niet klein’, mompelde hij. ‘Dat mag niet gebeuren! Wie anders zou het communisme nog kunnen keren?’

Arnold kwam er zijn bed niet meer voor uit - het liet hem koud. Zolang hij niet wist waar Marloes was liet alles hem koud: de gejaagdheid van zijn vader, de toenemende angst van zijn moeder en de onverschilligheid van zijn zusje.

Had hij maar ergens een houvast. Maar hij kon niemand iets vragen. Hij durfde niemand iets te vragen.

Dinsdag, 5 september 1944.

‘Ik begrijp het niet’, zei meneer Westervoort. ‘Waarom gebruikt de Führer zijn geheime wapen niet? Ze zien daar in Berlijn toch ook wel dat ze het zo niet volhouden?’

‘Wie weet wat voor verschrikkelijke werking dat wapen heeft’, antwoordde mevrouw Westervoort. ‘Misschien durven ze dat niet eens te gebruiken.’

‘Als je door het bolsjewisme dreigt te worden overspoeld zijn alle wapens geoorloofd!’ Meneer Westervoort ging voor het raam staan. ‘Horen jullie dat ook?’

‘Wat?’

‘Dat geschreeuw op straat.’

‘Ik ga wel even kijken’, bood Arnold aan. Hij liep de deur uit en begaf zich naar het marktplein. Overal stonden druk pratende en heftig gebarende mensen. ‘Ze zijn al over de grens!’ riep iemand.

‘Hoe weet jij dat?’

‘'t Was op de radio! Ze zeggen dat de eerste tanks al in Breda zijn.’

Hij wrong zich tussen de opgewonden menigte door tot hij onverwachts oog in oog stond met een stel klasgenoten.

‘Hé, daar heb je die gluiperd ook weer!’ schreeuwden ze. ‘We wisten niet eens meer dat je nog bestond! Straks nemen ze je te grazen, mannetje.

[p. 246]

Nog een paar uur. Dan ben jij 't haasje!’

Arnold klemde zijn tanden opeen. Wat zou er aan de hand wezen? Waren de geallieerden werkelijk zover als ze beweerden? Als dat zo was... Hij keerde zich om.

‘Ha, hij doet het al in zijn broek, de schijtlaars! Rot maar gauw op. Het begint hier al knap te stinken!’

Met de brullende lach van zijn vroegere klasgenoten in zijn oren maakte Arnold zich uit de voeten. Hij liep een paar straten door, maar overal hetzelfde beeld: blijde gezichten. Hier en daar zelfs een rood-wit-blauwe vlag.

Toen hij eindelijk thuiskwam, stond de deur open. ‘Arnold, schiet op! We wachten op je!’

‘Wat dan?’

‘We gaan weg! Er is bericht gekomen van het hoofdkwartier. Er staat een trein klaar!’ Meneer Westervoort zeulde een zware koffer de stoep op. ‘Heb je het dan nog niet gehoord? De Engelsen en Amerikanen zijn al in Rotterdam!’

Arnold staarde zijn vader ontredderd aan. ‘En m'n spulletjes dan?’

‘Laat maar liggen! We kunnen nu alleen het hoognodige meenemen.’

Arnold rende de trap op, graaide zijn postzegelalbums bijeen en vloog weer naar beneden. ‘Kan dit nog in een koffer?’

Mevrouw Westervoort was niet in staat een woord uit te brengen.

‘Waar gaan we heen?’

‘Weet ik niet.’ Meneer Westervoort kwam achter hem aan, een stapel papieren in de hand. ‘Er rijden vandaag speciale treinen. Over een half uur moeten we op het station zijn.’

‘Waar is Rita?’

‘Die is nog boven. Zeg dat ze moet opschieten!’

Arnold keek de straat in. Waar deze uitkwam op de hoofdweg zag hij meer mensen staan. Toen Duitse militairen. Op gammele fietsen reden ze voorbij. De meesten zonder wapen. Daar tussendoor een motor met zijspan. Een rauwe stem: ‘Achtung!’

‘Arnold, wat sta je toch te kijken? Schiet alsjeblieft op!’

Ze gingen. Zijn vader en hij voorop. Zijn moeder en Rita achter hen.

In de straat werden deuren geopend. Scheldwoorden vlogen hen achterna. Iemand begon te applaudisseren.

[p. 247]

Arnold had het gevoel dat hij door de hel ging. En waar moesten ze in godsnaam heen?

‘Naar het station’, zei meneer Westervoort hees.

‘Ja, maar dan...?’

‘Naar het oosten. De Duitsers zullen ons wel beschermen.’

Arnold wees op een groepje haastig fietsende militairen. ‘Moeten die ons beschermen?’

‘Die zijn zich aan het hergroeperen.’

Bij het station stonden tientallen mensen, bepakt en gezakt. Hun gezichten stonden angstig, verwilderd bijna. ‘Waar blijft die trein nou...? Stel je voor dat we onderweg beschoten worden...’

Ze zetten hun spulletjes neer aan het einde van het perron.

Na drie kwartier kwam de trein.

Arnold zag de dampende locomotief het station binnenrijden. En opeens schoot hem een wilde, onweerstaanbare gedachte door het hoofd.

‘Ik moet nog even naar de wc!’ riep hij.

‘Wacht nou! Dat kan in de trein ook!’

‘Ik zie jullie wel weer!’ Hij rende om het stationsgebouw heen, klom over een hek en dook weg tussen de struiken langs de rails.

 

Het duurde een eeuwigheid tot hij de trein hoorde wegrijden.

prepostterug  begin  verder