De eersten die de ruiters het drijfzand van Morecambe Bay zagen oversteken waren Harry Martin en Bonifacius Baker, staljongens van Swarthmoor Hall. Het was de eerste echt warme dag na Sinte Margriet; de rijknechts, de tuinlieden, zelfs sinjeur Woodhouse, de huismeester, waren na het middagmaal naar bed gegaan om een dutje te doen, allemaal zo loom van de ongewone hitte dat niemand eraan gedacht had de jongens een karweitje op te dragen. Ze hadden van de gelegenheid geprofiteerd door op hun kouse-voeten naar buiten te sluipen, klompschoenen in de hand, en snel en geluidloos langs de muren van de binnenplaats te rennen, langs de duiven die in de schaduw opeengedromd zaten, te doezelig om op te fladderen of zelfs maar te koeren. Ze riskeerden de roede, afgezien van de straf die hen voor spijbelen zou worden opgelegd, toen zij dwars door de verboden rozentuin met de weelderige bloembedden van mevrouw Fell de boomgaard inholden, waar ze als jonge honden met grote sprongen door het tot de heupen reikende, met johannesbloemen bezaaide gras naar het hoge booghek van de ingangspoort snelden en naar buiten, de verlaten, woeste heide op.
Ze gingen naar meikevers zoeken, waar het in juni van wemelde en die een hoop geld waard waren als je ze had afgericht om wagentjes te trekken of tredmolentjes aan het draaien te brengen; ze vormden een van de attracties van iedere dorpsjaarmarkt. De jongens dartelden over de heide, zonder iets te merken van de zich snel opstapelende donderwolken die van de bergen in het noorden kwamen aandrijven. Er waren volop meikevers te zien, die met snorrende vleugeltjes van bremstruik naar bremstruik fladderden, maar zo vroeg in het jaar waren ze nog te kwiek om zich te laten vangen. Dus begonnen de jongens naar vogelnestjes te zoeken, vooral die van de heidehupper, want als je de kuikentjes eruit haalde en een paar weken met kleine insekten voedde en ze dan met een roodgloeiende naald blind maakte, gingen ze zingen en dan kon je ze op de markt verkopen. Ze waren niet zoveel waard als een koppel afgerichte meikevers, maar ze konden toch wel twee duiten per stuk opbrengen, meer misschien, als je er van deur tot deur mee ging leuren langs de keukens van de grote huizen in de buurt. Maar dat was riskant met het oog op het geroddel onder het keukenpersoneel. Vroeg of laat zou het vast en zeker Will Hartford, de stalmeester, of sinjeur Woodhouse ter ore komen en dan had je de poppen aan het dansen.
Er waren echter ook geen vogelnestjes; of als ze er wel waren, zaten ze
goed verscholen. Het enige wat de jongens bereikten was dat er een paar leeuweriken opvlogen die angstig piepend om hen heen begonnen te vliegen om hen van hun nesten weg te lokken. Maar heidehuppers waren er niet.
Het was Harry Martin die de ruiters het eerst in de gaten kreeg: twee stipjes die zich hadden losgemaakt van de donkere rotsen aan de andere kant van de baai en nu over het zand naderbij kwamen. ‘Bonny!’ riep hij. ‘Kijk, daarginds! Kijk!’
Bonifacius keek, maar hij zag niets; het felwitte zand weerkaatste de gloed van de laagstaande zon en verblindde hem. ‘Wat is er?’
‘Daarginds! Onder Holker Hall!’
Bonny hield zijn handen boven zijn ogen en tuurde in de verte; na een ogenblik zag hij ze ook: twee ruiters, klein en verloren in de uitgestrektheid van het zand, die het ruiterpad volgden tussen de zandwakken en de plekken drijfzand waar geen paard of mens ooit uit zou kunnen loskomen. Hij sprong overeind. ‘Maar dat halen ze nooit!’
‘Natuurlijk niet. Kijk! Het tij is al gekeerd!’
En dat was zo. Chapel Island, waar vroeger de monniken de klok hadden geluid en de mis gelezen voor de zielen van de reizigers die in het drijfzand waren omgekomen, was al door de zee omspoeld. Het opkomende tij stoof sneller over het zand dan een paard in galop; de twee ruiters wachtte een zekere dood tenzij ze direct omkeerden en zo snel ze maar konden naar de zandkliffen van Cark reden. Als ze het nog maar een paar minuten langer probeerden vol te houden, zouden ze gedoemd zijn; het zand in het midden van de baai was zacht en zou hun vaart vertragen; het kolkende tij zou hen achterhalen en hun paarden omver spoelen; zodra de pollen die het pad markeerden onder water kwamen te staan zouden de mannen in het drijfzand terechtkomen en in de diepte worden weggezogen.
Starend naar het schouwspel van twee ruiters die hun dood tegemoet reden, bleven de jongens roerloos staan; toen hoorden ze, voor het eerst, het gerommel van het naderende onweer.
‘Moet je die lucht zien,’ zei Harry Martin.
Bonny keek. De top van Old Man Coniston in de verte was al in de wolken verdwenen; bliksemstralen flitsten tegen de zwarte lucht; de wind trok een gordijn van regen over de rotsen naar Ulverston; ze zagen de schaduw op het stadje toesnellen en de fonkeling van de weerhaan op de kerktoren doven. Het zou niet lang duren voor het noodweer ook hen bereikte; als ze thuis wilden zijn voor het toesloeg, zouden ze het op een hollen moeten zetten.
Maar de ruiters in de verte waren niet omgekeerd; zonder iets te vermoeden vervolgden ze hun rit naar het dodelijke, glinsterende drijfzand. Zij konden het van hun plaats af niet zien, maar de jongens, met van opwinding bonzend hart, zagen de rimpeling van zilver water onontkoombaar op hen toeglijden. ‘Iemand zou de kolonel moeten waarschuwen!’ zei Bonny.
‘Misschien kan iemand ze van de toren af een teken geven!’
‘Te laat. Ze komen er niet levend af.’
‘Maar we kunnen hier toch niet zo maar blijven staan kijken! We zouden iets moeten doen!’
‘We zouden al lang op weg naar huis moeten zijn!’ zei Harry, ‘en gauw ook! Kom!’
Maar Bonny bleef staan. Hij staarde naar de twee ruiterfiguurtjes die argeloos hun einde tegemoet draafden; ze hadden bijna het zachte zand bereikt, de eerste glibbergladde watertongen likten al aan de voeten van hun paarden. Ze waren nu zo dichtbij dat hij de kleur van de paarden kon onderscheiden: het ene bruin, het andere wit; een van de mannen had een witte hoed op, blinkend in het zonlicht. Maar niet lang meer, want uit het noorden kwam de zwarte schaduw van het noodweer met het gordijn van regen op hen afstuiven.
‘Kom mee, Bonny! Straks missen ze ons in het Huis! Vooruit, opschieten!’
‘Ik weet wat,’ zei Bonifacius, plotseling vastbesloten. ‘Ga jij maar naar huis, ik ga de kolonel waarschuwen.’ Hij draaide zich om en zette het op een lopen in de richting van de stad.
‘Niet doen, Bonny!’ schreeuwde Harry hem achterna. ‘Het is te laat!’ Maar zijn vriend was al buiten gehoorsafstand of weigerde te luisteren; hij holde door, over struiken heide springend, de grazende schapen opschrikkend, terwijl de bliksem aan de inktzwarte hemel flitste en het zware gerommel van donderslagen af en aan rolde. Het was iets krankzinnigs wat hij deed; een kind kon zien dat de mannen niet meer gered konden worden, het was te laat, zelfs geen bootje zou hen nu meer op tijd kunnen bereiken. Will Hartford zou razend zijn als hij erachter kwam dat de jongens gespijbeld hadden; het dramatische nieuws van de verdrinkende ruiters zou zijn aandacht misschien even afleiden, maar nu Bonny Baker weg was zou er vast en zeker enorm kabaal ontstaan. Harry Martin spuwde woedend naar zijn in de verte verdwijnende, verraderlijke vriend; toen begon hij zo snel zijn benen hem konden dragen naar het huis te hollen. Het felle zonlicht, op het punt om door het noodweer te worden geblust, flonkerde in de vensters van de westelijke vleugel; rook kronkelde uit een van de schoorstenen op; het keuken vuur werd aangemaakt voor het avondeten.
***
Het huis van kolonel Best, de gerechtelijke lijkschouwer, lag aan de buitenrand van de stad, een klein herenhuis, opgetrokken van scheepsplanken en rode baksteen in een ommuurde tuin. Bonny Baker bereikte hijgend en struikelend het hek, net toen de eerste zware regendruppels in het stof van de weg ploften. Met een laatste krachtsinspanning rende hij het tuinpad af, bekogeld door de regen; hij botste tegen de gesloten onderste helft van de keukendeur aan, een van zijn klompschoenen glipte uit zijn hand en viel
met luid kabaal binnen op de plavuizen. De kok van de kolonel, ‘Mesjeu’ Bonnecharme, die met zijn rug naar de deur bij de tafel stond, bezig iets te snijden, schrok op van het geluid. Hij draaide zich met een ruk om, zwaaide zijn slagersmes en riep met een hoge nijdige stem: ‘Sacré nom! Jij bent gek, niet? Jij wil dat ik mezelf aan het mes rijg, niet? Sacré gosse!’
Maar Bonny kende Mesjeu goed genoeg om zich niet meer door diens Franse uitbarstingen bang te laten maken; hij hijgde: ‘Mesjeu, Mesjeu, alsjeblieft, alsjeblieft, de kolonel! De kolonel moet komen! Twee mannen, twee ruiters...’ Hij kon niet op adem komen.
Kathryn, het mollig-ronde kamermeisje van mevrouw Best, kwam op het lawaai af en vroeg: ‘Wat is hier aan de hand? Wat is er, jongen?’
‘Twee ruiters op het zand...’ hijgde Bonny. ‘Ze zijn nu op het zachte stuk, ze komen er nooit uit! De kolonel moet ze helpen, iemand moet ze helpen, anders verdrinken ze...’
‘Ah! Sacré nom de putain!’ riep Mesjeu, zijn slagersmes opgeheven. ‘Daar gaan mijn kreeften voor vanavond! Dat zijn de visventers uit Cark! Ah! Misère! Miséricorde! Wat een land!’
‘Nee mijn heer, nee mijn heer, nee Mesjeu!’ riep Bonny. ‘Het zijn de visventers niet mijn heer, het zijn vreemdelingen, twee vreemdelingen. Mensen die hier wonen weten wel dat ze met opkomend tij niet over het zand kunnen rijden.’
Maar Mesjeu Bonnecharme wenste niet vertroost te worden. Hij smeet zijn slagersmes met luid gekletter te midden van de tinnen borden op de tafel, sloeg zichzelf kletsend voor de kop en schreeuwde: ‘Daar gaan ze! Mijn kreeften! Wat moet ik ze nu vanavond te eten geven, wat, bon Dieu, de bon Dieu?!’
‘O, hou op,’ zei Kathryn met afkeer. ‘Er staan twee mensen op het punt in het drijfzand te verdrinken en jij kunt alleen maar aan kreeften denken!’
‘Wel sacré nom de putain de Bretagne!’ gilde Mesjeu, op dreef komend. ‘Wie, in de naam van de gebraden Drievuldigheid, zal er aan kreeften denken als ik het niet doe? Als ik niet het bloed uit mijn entrailles zwoegde zouden Monsieur le Colonel et Madame van varkenslappen, jachtschotels en gesmoord schapevlees moeten leven!’
‘O, in godsnaam!’ riep Kathryn uit, terwijl ze hem haar rug toekeerde. ‘Wacht hier, jongen, ik zal het Madame gaan vertellen!’ In de deuropening draaide ze zich om en zei: ‘Ga in geen geval weg. Misschien wil de kolonel je nog spreken.’
‘Voilà!’ riep Mesjeu triomfantelijk. ‘Le Colonel, hij wil je nog spreken!’ Hij bauwde haar met miauwstem na. ‘Ze zegt niet “arme jongen, blijf in de warme keuken tot de regen ophoudt”, nee, nee! Ik ben un monstre omdat ik me zorgen over haar avondeten maak in plaats van te bidden voor twee idioten die in het drijfzand verzuipen, terwijl zij een kind dat kletsnat is van de regen en doodop van het harde lopen, zonder pardon nog eens dat noodweer zou insturen! Ah! Die meid met haar - haar cul de guenon!’ Hij
haalde diep adem om zijn tirade voort te zetten, maar een scherp tikken boven zijn hoofd snoerde hem de mond. ‘Sacré nom,’ fluisterde hij. ‘Madame...!’
De donderslagen klonken nu veel dichterbij; een wervelwind ranselde de regen tegen de vensterruiten. Toen Mesjeu Bonnecharme naar de deur rende om die af te sluiten, verscheen er een man met een verwarde haardos en een baard die droop van het regenwater in de deuropening. Hij keek om zich heen en hield toen een dode haas omhoog.
‘Monsieur McHair!’ riep de kok met vreugde. ‘Engel Gabriël! Hoe wist je dat mijn kreeften bezig waren te verdrinken?’
‘Goeiendag Mesjeu, mijn vriend,’ gromde de man, met een grijns van rotte tanden. ‘Wat zou je ervan denken om me binnen te vragen voor een kom soep?’
‘Kom binnen, kom binnen,’ fluisterde de kok, terwijl hij de onderste deurhelft openmaakte, ‘maar hou je stil, en laat dit verrukkelijke beest niet zien! Ik zal 'm in een emmer stoppen! Kom, kom,’ drong hij aan, terwijl hij de man binnenliet en ook de bovendeur dichtdeed, om de regen buiten te sluiten. ‘Ssst!’ Hij wees naar het plafond. ‘Ze hoort alles. Praat hier niet over...’ Hij nam de slappe haas van de stroper aan en kuste het dier op de neus. ‘Ah, mon petit chou! Mon petit joujou!’
De stroper grinnikte en knipoogde naar Bonifacius; hij had kennelijk ook nog nooit eerder iemand gezien die een dode haas kuste.
Bonifacius glimlachte een beetje flauwtjes, want er was een verbaasde triestheid in hem opgeweld. Niemand scheen meer aan de twee ruiters te denken die nu voor hun leven vochten in het kolkende water van Morecambe Bay. Hij kon ze haast om hulp horen schreeuwen, vage stemmen in de wind. Toen flitste de bliksem achter de ramen en daverde, vlakbij, een krakende donderslag.
Mesjeu Bonnecharme sloot zijn ogen, vouwde zijn handen met het dode dier in zijn armen en mompelde: ‘Douce vierge pleine de grâce, protégez-nous,’ alvorens het deksel van een bij het fornuis staande emmer op te lichten en de haas er ondersteboven in te kiepen.
***
‘Wat is er in vredesnaam beneden aan de hand?’ vroeg Henrietta Best toen haar meid binnenkwam. Ze had een hekel aan onweer. Het werkte op haar zenuwen.
‘Een van de staljongens van het grote huis, Madame,’ antwoordde de meid. ‘Hij kwam de kolonel vertellen dat er blijkbaar twee ruiters door het tij zijn overvallen.’
‘In dit weer? Wat verwacht hij dat de kolonel eraan doet? Wie heeft hem gestuurd?’
‘Ik geloof dat hij ze zelf gezien heeft, Madame, en hier naar toe kwam
hollen om het de kolonel te vertellen. Hij is nog te jong om te weten dat hij zich de moeite had kunnen besparen.’
Henrietta Best wierp haar in de metalen spiegel een blik toe. ‘Roerend,’ zei ze, fatsoenerend aan haar pruik. Ze vroeg zich af of de meid brutaal was of alleen maar naïef. ‘Heeft iemand het al aan de kolonel verteld?’
‘Ik geloof het niet, Madame.’
‘Waarom doe jij dat dan niet? We willen toch niet dat 't manneke helemaal voor niets hierheen is komen rennen, wel?’
Ze zag in haar spiegel dat de meid zich omkeerde en vroeg: ‘Wat schreeuwde Bonbon allemaal?’
‘O, ik weet het niet, Madame. Iets over kreeften.’
‘Ik dacht dat ik de woorden “cul de guenon” hoorde. Wat heeft dat met kreeften te maken?’
‘Ik zou het echt niet kunnen zeggen, Madame,’ antwoordde de meid stijfjes. ‘Ik spreek zijn taal niet.’
‘Die woorden betekenen “dikke billen van een apin”,’ legde Henrietta Best uit, terwijl ze haar in de spiegel gadesloeg. ‘Ik hoop niet dat je weer ruzie met hem zoekt?’
De meid mompelde: ‘Nee Madame,’ en haastte zich de kamer uit.
‘En Kathryn!’ riep Henrietta Best haar na. ‘Als je de kolonel gewaarschuwd hebt, laat Bonbon dan boven komen. Ik wil hem spreken.’ Er kwam geen antwoord.
Dwaas om die dikzak zo in het garen te jagen. Ze was een voortreffelijke dienstmeid. In plaats van de draak te steken met haar omvang zou men daar in feite dankbaar voor moeten zijn, omdat hierdoor de kans kleiner werd dat ze er met een boerenpummel vandoor ging om Puriteintjes te fokken in een van die muffe, stinkende krotten op de hoogvlakte. Eigenlijk zou ze, met een dikkerd van een meid en een pédéraste als kok, haar gelukkig gesternte moeten danken in plaats van haar zenuwachtige geïrriteerdheid, een gevolg van het onweer, op hen uit te vieren. Arme Bonbon; wat zou een echte Fransman een goede sier hebben kunnen maken in dit schijnheilige stadje vol preutse vrouwen, die er stuk voor stuk wanhopig naar snakten om met een kreet van hellevrees in bed te duiken, haar handen tot een gebed gewrongen terwijl ze bereden werden. God zij dank dat Bonbon was zoals hij was; voor je het wist zou een van zijn minnaressen hem voor het gerecht hebben gedaagd wegens tovenarij of godslastering of het sluiten van een pact met de duivel, natuurlijk nooit omdat ze verkracht was. O nee, verkrachting was er niet bij; in dit gezegende hoekje van deze gezegende eilanden doen we allemaal of de kindertjes uit eieren komen, roze eitjes voor meisjes en blauwe eitjes voor jongens, niet onder smartekreten uit onze ingewanden gescheurd, intra faeces et urinam. Zoals Jeannot in die kelder in het stro, met al die toekijkende mannen ... ze huiverde. Dat niet, dat niet.
Ze smeet de kam naar de spiegel; het ding kletterde neer te midden van
de flesjes en de potjes. Waarom had ze in 's hemelsnaam die pruik op? Wat een gezicht: kant, fluwelen strikken, zijden linten; en dat allemaal alleen maar om tegenover haar dierbare Joris Goedbloed aan tafel te zitten en hem te horen doorwauwelen over korhoenders of paarden of de crisis onder de wevers sinds de Burgeroorlog, waarbij hij een van Bonbons verrukkelijke heerlijkheden wegschrokte en zijn mond spoelde met teugen wijn terwijl het Fransmannetje achter zijn rug stond te popelen van een wanhopige kunstenaarsbehoefte aan lof, al was het alleen maar een teken van besef dat er een creatie verricht was.
Weer daverde er een kolossale donderslag; de bomen bruisten buiten het raam. Ze sloot haar ogen en drukte haar handen tegen haar oren. Doe niet zo dwaas, zei ze tegen zichzelf, doe niet zo dwaas; het is alleen maar onweer. Het werkte bijna heilzaam; toen herinnerde ze zich dat ze dit ook tegen de kinderen had gezegd toen de kanonnen begonnen te dreunen.
Ze probeerde zich van het verleden te bevrijden; ze mocht haar gedachten niet verder laten gaan, niet doen, nee, niet doen ... Toen dacht ze, met een gevoel van verlossing, aan de twee mannen in het drijfzand, de mare die door een jongen gebracht was. Jongen! Ze stond op. Dankbaar zijn omdat Bonbon geen moeilijkheden met vrouwen kon veroorzaken was één ding, hem van jongetjes voorzien iets anders. Ze stevende naar de deur met ruisend damast, buiten gevaar nu, en botste in de deuropening bijna tegen haar echtgenoot op. ‘Nu lieve,’ zei hij, terwijl hij zijn jas dichtknoopte. ‘Ik zal maar eens naar de lijken van die arme donders gaan zoeken. Verduiveld vervelend, zo vlak voor het avondeten, en in dit hondeweer...’ Hij probeerde er geërgerd uit te zien, maar het was duidelijk dat hij zich er op verheugde.
‘Kom,’ zei ze, ‘geef mij die sjerp.’
‘Sjerp? O - bedankt.’
Hij gaf haar het brede oranje lint met kwastjes dat hij om zijn nek had gehangen toen hij zijn jas begon dicht te knopen. Ze tilde haar rokken op om voor hem neer te knielen en de sjerp om zijn corpulente middel te binden. Op dat moment kwam Bonbon de trap oprennen en verscheen achter zijn meester. ‘Monsieur le Colonel gaat toch niet uit?’ Zijn stem klonk verwijtend, als die van een minnaar.
‘Wat gaat jou dat aan?’
‘Sta stil,’ zei ze.
Bonbon begon een jeremiade over verknoeid eten en wijn die net in de karaf was geschonken. Haar man mompelde: ‘O, doe me een plezier: stuur die kakelende papegaai weg!’
‘Ça va, Bonbon, Monsieur le Colonel sera de retour dans une demi-heure!’ Het was niet waar; zodra hij eenmaal het huis uit was zou hij heel wat langer dan een half uur wegblijven; afgezien van de hertejacht en soms een ophanging had hij geen verzetjes, behalve dan zijn sinistere taak om lijken te schouwen.
‘Vergeef me, lieve,’ zei hij toen Bonbon, gekwetst, op klapperende sloffen de trap afstommelde. ‘Ik kan die snaak niet luchten of zien. Zal wel zijn omdat 't een mannenvrindje is, denk ik.’
‘Sta stil!’ Ze knoopte een vrouwelijke strik in zijn ambtssjerp. De donder rolde, regen striemde tegen de ruiten, geluiden die haar aan andere sjerpen herinnerden die ze gestrikt had, en losgemaakt.
Toen klonk uit de keuken de gil van een kind.
***
Kolonel William Best vroeg zich af wat voor de donder er nu weer aan de hand was; er kon in heel verwenst Lancashire beslist geen ander huishouden zijn dat zich zo gretig in gekrijs, driftbuien, woede-uitbarstingen of scheldpartijen stortte. Hij stond op het punt om de trap af te stormen om dat gillende stel nietsnutten te vertellen wat hij van hen dacht toen hij het gezicht van zijn vrouw zag. Ze staarde hem aan met ogen vol doodsangst; in één seconde was ze tien jaar ouder geworden. Hij stond in tweestrijd of hij bij haar zou blijven dan wel naar beneden gaan; toen sprong ze overeind en rende de kamer uit, haar eigen betovering verbrekend of er juist door meegesleurd, hij zou het niet kunnen zeggen. Hij volgde haar, diep verontrust.
Het afgelopen jaar had het ernaar uitgezien alsof het hem eindelijk was gelukt haar verleden uit te wissen; ze had vrolijk geleken, onbezorgd, liefdevol. Maar klaarblijkelijk was ze toch niet in staat geweest zich van haar boze geesten te bevrijden; er was niet meer dan de gil van een kind voor nodig om de arme ziel terug te storten in de folteringen van de hel. Terwijl hij de trap afstommelde, zijwaarts met het oog op zijn sporen, kwam zijn woede terug. Wie de idioot ook was die zijn vrouw zo van streek had gemaakt, hij zou er voor boeten, evenals die gecastreerde poedel en die krijsende meid.
De eerste die hij zag toen hij de keuken binnenkwam was die vermaledijde stroper. Dit was het toppunt! Hij had strenge orders gegeven geen wild meer van die boef te kopen, ter wille van de lieve vrede met John Sawrey, en toch was hij daar weer!
Daar was ook de jongen, blijkbaar degene die de boodschap gebracht had, zo wit als een doek. In de deuropening stonden twee mannen, druipend van de regen en verwaaid door de storm, een met een witte hoed op die hij niet de moeite had genomen af te zetten.
‘Nu?’ informeerde hij bars. ‘Hebben jullie de lijken gevonden?’
Toen deed de jongen zijn mond open. ‘Nee, mijn heer,’ zei hij met een hoog angstig stemmetje. ‘Er zijn geen lijken! Dat zijn de mannen die ik zag...’
‘Praat geen onzin! Niemand kan met opkomend tij het zand oversteken, zelfs niet als zijn paard vleugels heeft.’
‘De jongen spreekt de waarheid, vriend,’ zei de man met de witte hoed. ‘We zijn het zand overgestoken, al hebben onze paarden het grootste gedeelte van de weg moeten zwemmen.’
‘Onzin!’ herhaalde de kolonel, woedend om de arrogantie van de vreemdeling. ‘Ik ben in deze stad geboren, mijn vader was vóór mij lijkschouwer van dit district; er is nog nooit iemand na het keren van het tij uit Cark weggegaan en hier levend aan wal gekomen. Het is onmogelijk!’
‘Ik geloof het graag,’ zei de onbekende. ‘Maar wij waren in 's Heren hand.’
Zijn vrouw moest zijn woede hebben beseft, want plotseling voelde hij haar koele hand op de zijne en hij hoorde haar zeggen: ‘U bent doorweekt, heren; wilt u niet binnenkomen om iets te eten en uw kleren bij het vuur te drogen? U bent toch zeker niet van plan vanavond verder te reizen?’
‘We zijn op weg naar Swarthmoor Hall,’ zei de onbekende, wel hoffelijk, maar nog steeds zonder zijn hoed af te nemen of haar correct aan te spreken.
‘Wordt u daar vanavond verwacht?’
‘Nee.’
‘In dat geval kunt u beter hier blijven tot morgenochtend, en dat geldt ook voor jou, jongen,’ voegde ze eraan toe, zich tot Bonny wendend. ‘Bonbon, zorg voor deze heren. En nu, als u mij wilt excuseren...?’ Ze drukte de hand van haar echtgenoot; hij had geen andere keus dan haar zijn arm aan te bieden om haar weer naar boven te begeleiden.
Maar ze wilde niet naar boven; ze leidde hem door de vestibule naar het kamertje in de uiterste hoek, waar ze gewoon waren voor het avondmaal een glas muskaatwijn te drinken. Onder het lopen voelde hij haar hand op zijn arm beven; de gil van die idiote jongen moest haar diep geschokt hebben. Hij deed de deur achter hen dicht en bracht haar naar een stoel. Terwijl hij de wijn inschonk zei hij, in een poging om haar aandacht af te leiden: ‘Ik dacht dat ik duidelijk gezegd had dat er door John McHair geen wild meer naar dit huis mocht worden gebracht! Heb je die Franse roomsoes niet van mijn wensen op de hoogte gesteld?’
Maar ze luisterde niet; ze werd zich pas van zijn aanwezigheid bewust toen hij haar het glas overhandigde. Ze glimlachte om hem te bedanken, maar zei niets. Ze nam het glas aan en hield het tegen haar boezem alsof ze het wilde beschutten. Hij stond op het punt om over koetjes en kalfjes te gaan praten toen ze zei: ‘Wat die man ook hierheen voerde, hij brengt ongeluk.’
‘Welke man?’
‘Die fanaticus. Met de witte hoed op.’
‘Wat heb je tegen hem, behalve dan dat hij geen manieren heeft en kennelijk een leugenaar is?’
‘O nee, hij is geen leugenaar,’ zei ze met een wrang lachje. ‘Hij is inderdaad het zand overgestoken.’
‘Maar liefste, dat bestaat niet! Het tij komt veel te sterk opzetten, en als de pollen eenmaal onder water staan kan niemand zijn weg door het drijfzand vinden. Zelfs mensen niet die hier hun hele leven gewoond hebben.’
Met vrouwelijke geringschatting voor de natuurwetten haalde zij haar schouders op. ‘O, zijn paard zal wel hebben gezwommen of zo iets, ik weet het niet. Ik weet alleen dat hij ongeluk brengt.’
‘Waarom?’
Ze keek hem aan met een eigenaardige uitdrukking in haar ogen. Het was geen angst, het was geen wanhoop, het was alsof ze een masker had laten vallen en hem nu aankeek als haar ware zelf, de Douce Tété die hij dertien jaar geleden in Parijs ontmoet en getrouwd had. ‘Omdat hij me in liefde aankeek,’ antwoordde ze.
De woorden verbijsterden hem zozeer dat hij haar enkele ogenblikken met open mond bleef staan aankijken voordat woede hem overmeesterde. ‘God zal me bewaren!’ riep hij uit, terwijl hij het glas met een klap op het tafeltje neerzette. ‘Ik smijt dat zwijn mijn huis uit!’
‘Nee!’ Ze greep zijn sjerp vast en hield hem ermee staande, zodat hij zich belachelijk voelde. ‘Dat bedoelde ik niet! Niet dat soort liefde!’
Zijn woede zakte weg; hij voelde zich plotseling onbehaaglijk. Dertien jaar lang hadden zij nooit gerept over de omstandigheden waaronder ze elkaar hadden ontmoet. Ze hadden dat onderwerp zo vaardig vermeden dat het nu was alsof het om twee verschillende mensen ging. ‘Wat dan wel?’
‘Hij keek me aan op de manier waarop de ... de heiligen plachten te kijken,’ antwoordde ze. ‘Met goddelijke liefde.’
Hij wilde dat ze dat masker weer opzette, ter wille van haarzelf, niet van hem. Maar hij moest nu alles weten. ‘Wat bedoel je?’
‘Pure, onpersoonlijke liefde,’ antwoordde ze, weer met dat wrange lachje. ‘Liefde om de liefde zelf, niet voor mij.’
Arme ziel, het verleden was een obsessie voor haar, een soort waanzin. Hij sloot zijn ogen en wenste, vuriger dan hij in lange tijd iets gewenst had, dat hij haar kon helpen om te vergeten. Maar dit was een kruis dat ze haar hele verdere leven zou moeten dragen. Wat er vierentwintig jaar geleden in dat stadje in Frankrijk gebeurd was, beheerste nog altijd haar leven. ‘Ik kan hem het district uit laten jagen,’ zei hij zonder veel overtuiging.
‘Dat zou het ergste zijn dat je kon doen. Dat soort mensen gedijt bij vervolging.’
‘Wie is hij, in naam van de Christus? Hoe weet je dit alles?’ Zijn woede kwam terug. Wat hadden ze God aangedaan om op dit tijdstip, zo laat in hun leven, met deze man te worden opgescheept?
Ze trok haar schouders op. ‘Ik weet niet wie hij is, ik weet alleen wat hij is: een heilige. Iemand die dronken is van God.’
‘Ik begrijp het niet.’
‘Je moet ze zelf hebben ontmoet in de rechtszaal. Het doet er niet toe bij welke kerk ze horen, papisten of protestanten, ze zijn allemaal eender. Hun
ogen stralen van liefde; ze zijn bezeten van “genade” en “verlossing”; ze horen stemmen die niemand anders hoort; zien visioenen die alleen zij kunnen zien; ze geloven dat ze door God gezonden zijn om de wereld te veranderen. Maar het enige wat ze teweegbrengen is dat mensen elkaar naar de keel vliegen, ouders zich van hun kinderen afkeren, mannen van hun vrouwen. Ze willen dat allen hun geliefden verlaten, wat ze doen neergooien, alles wat ze bezitten opgeven en God volgen, wat betekent hen volgen. Het eindigt altijd in geweld en wreedheid en dood, maar dat kan ze niet schelen. Ze zouden zich door God verworpen voelen als ze niet werden gemarteld of op de brandstapel gezet of aan een vleeshaak opgehangen, als hun tong niet werd uitgerukt of hun geslachtsdelen niet werden afgesneden...’
Hij kon dit niet toestaan; wat er ook gebeurde, hij moest voorkomen dat ze teruggesleurd werd in de gruwel van haar verleden. Hij liep naar haar toe en legde zijn hand vol tederheid op haar schouder. Hij wilde iets zeggen, maar wist niet wat. Iets van zijn bezorgdheid, zijn liefde moest erbij tot uiting zijn gekomen, want plotseling greep ze zijn hand en overdekte die met kussen en fluisterde: ‘O, Will, Will, Will, liefste; houd me vast, alsjeblieft, houd me vast...’
Hij hield haar in zijn armen en hoorde hoe een ver gelach opschalde uit de keuken.
***
‘Waar ben je geboren, vriend Bonifacius?’ vroeg de onbekende met de witte hoed de volgende ochtend, terwijl het paard dat ze bereden de heide opdraafde.
‘Ik weet het niet, mijn heer,’ antwoordde Bonny monter. ‘Ergens hier in de buurt, denk ik, Lancaster of zo.’
‘Je ouders zullen het je toch zeker wel hebben verteld?’
‘Ik heb mijn ouders nooit gekend, mijn heer.’
Voor Bonny leek het een droom: het paard, de warme aanwezigheid van de man achter hem, de vogels, de zonsopgang, de bloeiende heide, de witte wolken in de blauwe lucht. Zijn hart zwol van trots; nooit eerder had iemand zoveel belangstelling in hem getoond. Het maakte het sombere huis in de verte minder dreigend. De hele nacht had hij liggen woelen in het stro van de zolder boven de stallen van kolonel Best; hij durfde niet te denken aan wat Will Hartford hem zou aandoen als hij thuiskwam; tien slagen met de gard was wel het minste wat hij kon verwachten. Maar alle angst was nu verdwenen. Hij was veilig; vergeleken bij het wonder van een rit dwars over het zand tegen het opkomend tij in, moest het kinderspel voor de vreemdeling zijn om een staljongen te vrijwaren voor een afranseling door de stalmeester.
‘Je bent wees?’
‘Nee, mijn heer, een vondeling.’
‘Wie heeft je dan die interessante naam gegeven?’ vroeg de vreemdeling. ‘Heeft iemand die op een stukje papier geschreven, en op je luier gespeld?’
‘Nee, mijn heer, de vrouwen in het vondelingenhuis in Kendal hebben me zo genoemd. Ik ben op de stoep gevonden, vroeg in de ochtend. In een mandje.’
‘Nee toch.’
‘Iemand bonsde op de deur, deed die open, schoof het mandje naar binnen en riep “Bakker!” Daarom noemden ze me “Baker”. En de moeder van het huis zei: “Ik ga hem Bonifacius noemen, “Bonny Face”. Aardig gezichtje”.’ Hij lachte en probeerde naar de onbekende op te kijken, maar kon zijn nek niet zo ver draaien.
‘En hoe ben je in Swarthmoor Hall terechtgekomen?’ drong de stem achter hem aan. ‘Rechter Fell is een belangrijk man in deze streken. Het is een hele eer.’
‘Dat weet ik, mijn heer,’ zei Bonifacius zelfgenoegzaam. ‘Op een dag was ik buiten aan het spelen toen er een vierspan door de straat kwam; ik zag dat de moer van een achterwiel er bijna af was en ik rende er roepend achteraan; ik moest een eind hollen voordat ze me hoorden. Toen hield de koetsier halt en stapte af en keek; als ze nog een eindje verder waren gereden, zou het wiel eraf zijn geraakt. Iemand deed het deurtje van de koets open, een man met een hoed met een struisveer erop; hij wou me een duit geven, maar die nam ik niet aan, we hadden geleerd nooit geld aan te nemen voor een goede daad. Toen vroeg hij: “Hoe zou jij het vinden om als staljongen bij mij te komen werken?” Ik zei: “Dat zou ik aan de moeder van het huis moeten vragen en misschien weet zij niet wie u bent.” En toen zei hij: “Zeg de moeder dat opperrechter Thomas Fell van Swarthmoor Hall haar en jou morgenochtend bij zich verwacht.” Toen trok hij de deur dicht, ze reden weg en ik ging het aan de moeder vertellen. We gingen de volgende dag naar hem toe. Ik trof het dat ik zijn naam goed verstaan had.’
‘Bonifacius,’ zei de vreemdeling ernstig, ‘wat denk je dat jou ertoe gebracht heeft achter die koets aan te hollen om ze te waarschuwen voor dat wiel?’
Bonifacius dacht na. ‘Hetzelfde dat me naar het huis van de kolonel liet hollen om hem over u te vertellen, mijn heer.’
‘Wat bracht je ertoe door dat noodweer heen te rennen, met de kans op straf bovendien?’
‘Ik weet het niet. Ik kon niet blijven toekijken hoe u en uw maat het drijfzand inreden, zonder er iets aan te doen.’
‘Je vriend kon het wel.’
Het was waar, toch leek het niet billijk jegens Harry Martin. ‘Als ik had geweten dat u een wonder zou doen zou ik het óók niet hebben gedaan.’
Ik was het niet, die het wonder verrichtte, vriend Bonny. Het was God.’
‘Ja, mijn heer,’ zei hij plichtmatig.
‘Dat zegt je weinig, niet?’
Die vraag verraste hem; het was alsof de onbekende niet alleen wonderen kon verrichten, maar zijn gedachten lezen ook.
‘Ken je God, vriend Bonny?’
Hij had zijn hele leven over God gehoord, iedere avond tot Hem gebeden, maar Hem kennen? Hij stond op het punt iets ontwijkends te zeggen, toen hij zich herinnerde dat zijn gedachten toch zouden worden geraden. ‘Nee, mijn heer,’ zei hij.
‘Dat is vreemd voor een jongen die tweemaal in zijn leven in Gods macht is geweest.’
‘Ik...?’
‘Hij was het die je ertoe bracht achter die koets aan te hollen. Hij was het die je de lijkschouwer liet waarschuwen, terwijl je wist dat je gestraft zou worden.’
Bonifacius dacht hierover na, starend naar het huis in de verte. Hij kon nu het latwerk voor de ramen onderscheiden; er bewoog iets wits in de schaduw van de bomen die het huis beschutten. Het moest een van de jonge freules zijn; geen van de bedienden ging in het wit gekleed.
‘En...?’
‘Maar ik heb niets gezien, mijn heer, of stemmen gehoord. Ik zag u gewoon en zette het op een lopen.’
‘Maar wat dwong je ertoe om dat te doen?’
‘Ik weet het niet, mijn heer. Iets - iets binnenin me.’
‘Aha!’ riep de man uit. ‘Waar denk je dat God woont? In de lucht?’
Bonny vond deze wending van het gesprek niet prettig. Hij wilde liever over zichzelf praten.
‘Dat heb je mis,’ vervolgde de vreemdeling. ‘Hij woont binnenin je, in iedereen.’
‘Hebt u veel wonderen gedaan?’ vroeg Bonny om van onderwerp te veranderen.
‘Niet ik, weet je nog wel? De mens verricht alleen maar wonderen als hij in Gods macht is. Het kan iedereen gebeuren, jou ook. God leeft binnenin je, in al Zijn glorie: een en al licht en blijdschap. Dat is wat Hij bovenal uitstraalt - blijdschap.’
Bonny voelde de blijdschap uitstralen van de man achter zich. Plotseling kreeg hij het verlangen om te schreeuwen, te zingen. Hij had nooit gedacht dat iets dat met de kerk te maken had blij kon zijn. ‘Ja, mijn heer,’ zei hij.
‘Heb je ooit gebeden?’
‘Ja, mijn heer.’
‘Zeg niet “mijn heer” tegen me. Jij en ik zijn Kinderen van het Licht, broeders. Noem me George, en zeg “je”, niet “u”.’
‘Ja, George.’
‘Heb je ooit echt gebeden? Niet om iets gevraagd, maar je ziel opengezet om God binnenin je vrij te laten?’
Bonifacius schudde het hoofd.
‘Zou je dat nu willen doen? Ga je gang, Bonny! Zing, fluister, schreeuw, bid, vriend! Bid!’
Zo kwam het dat John Foster, de schaapherder, op een heuvel buiten Swarthmoor Hall, opschrok van een kinderschreeuw die een leeuwerik van zijn nest joeg. Hij zag een wit paard langsdraven, bereden door een man met een witte hoed; hij had een van de staljongens van het Huis voor zich zitten. John Foster dacht dat het kind ontvoerd werd en dat de kreet die hij gehoord had een schreeuw om hulp was geweest, maar toen de jongen hem in het oog kreeg zwaaide hij hem toe en riep: ‘Goeiemorgen, herder!’
John Foster beantwoordde de groet niet. Hij staarde hen na, met open mond, terwijl het paard onder het opwerpen van kluiten met zwaar hoefgestamp door de heidestruiken draafde, het dal in. Daar, klein en wit, waadde het door de rivier heen, een zilverige flits in de zon, en draafde de weg over, stof opjagend, voor het door het hek verdween.
***
Een paar uur later op die ochtend zag John Foster vanaf zijn uitkijkpost op de heuvel opnieuw een stofwolk oprijzen boven de weg van Ulverston. Even later verscheen een door twee zwarte paarden getrokken koetsje om de bocht; het tweespan van het Huis dat mevrouw Fell terugbracht van haar wekelijks bezoek aan de markt. Iedere vrijdagochtend, weer of geen weer, zag hij haar weggaan en terugkomen. Hij kende haar al sinds ze nog een meisje was, een mooi kind met goudblond haar dat bloemen plukte. Op een keer was de kindermeid met haar naar hem toegekomen om te vragen of juffrouw Margaret het zwarte lammetje even mocht aaien. Hij had voor de kerk gestaan toen ze, stralend mooi in haar bruidsjapon, naar buiten kwam aan de arm van de rechter die oud genoeg was om haar vader te zijn. Nu, twintig jaar later, was ze nog steeds een verbijsterend mooie vrouw, maar met een opvliegend temperament, zoals hij een paar keer had kunnen ervaren wanneer zijn kudde het ongeluk had de weg van mevrouw Fell te versperren als ze in haar tweespan met snuivende paarden kwam aanstuiven; soms had ze hem zo heftig toegesnauwd: ‘maak dat je wegkomt!’, dat hij een uur later nog op zijn benen stond te trillen.
Margaret Fell zag John Foster niet terwijl haar koets hotsebotsend over de weg naar het Huis reed. Ondanks het noodweer van de vorige avond stoven er dichte stofwolken rond de koets op die haar alle uitzicht benamen; pas toen de paarden het hek binnendraafden werd de dwarreling minder. Uit de optrekkende stofwolk kwam een zwarte gestalte te voorschijn met een flodderhoed op, net een vogelverschrikker. Ze herkende dominee Lampitt en tikte tegen het raampje in het dak. De koets kwam met een schok tot stilstand; ze opende het portier. Tot haar verbazing bleef
de dominee niet staan om haar te begroeten; hij beende langs haar heen.
Iets moest zijn toorn hebben gewekt; de kleine Charles had hem misschien weer geplaagd met vragen over Adams navel of Kaïns vrouw. Ze was blij dat de jongen, na tien jaar lang het toonbeeld van zijn vader te zijn geweest, eindelijk eens wat ondeugendheid vertoonde, maar hij behoorde geen geestelijke te plagen. Ze gaf Will Hartford, die door het raampje in het dak naar haar keek, een teken om verder te rijden; terwijl de koets schommelend en krakend de binnenplaats inzwenkte snauwde ze de meid tegenover haar toe de mand met de flessen wijn en de pot gestoofde rode pruimen goed vast te houden. Ze had de pruimen gekocht met het idee dat haar man die avond weleens zou kunnen thuiskomen; als hij niet thuiskwam, zou ze de pruimen aan de dominee geven om Adams navel goed te maken.
Zoals altijd op marktdag reed Will Hartford naar de keukeningang. Daar gebeurde weer iets vreemds: de kokkin kwam niet naar buiten om de boodschappen in ontvangst te nemen. Will Hartford maakte het portier van de koets open en hielp haar de wankele treetjes af; ze keek om zich heen en zag dat de binnenplaats verlaten was. Geen dienstmeisjes die achter het huis bezig waren met het schuren van potten en pannen, geen staljongen om de teugels van de paarden over te nemen. Alleen duiven, die koerend over de keistenen dribbelden, en Cassandra de kat, die zich op het keukenstoepje zat te wassen.
‘Waar is iedereen?’ vroeg ze.
Will Hartford brulde gedienstig: ‘Henderson! Harry! Bonny! Wat is hier aan de hand?’
De keukendeur ging open en Henderson, de huishoudster, kwam klip-klappend op haar sloffen het stoepje af, zodat de kat er ijlings vandoorging. ‘Neem me niet kwalijk, mevrouw, neem me niet kwalijk,’ hijgde ze, geagiteerd. ‘We zaten allemaal in de keuken naar de predikant te luisteren. We hebben de koets niet horen aankomen.’
‘Maar ik zag hem daarnet weggaan!’
‘O, niet die, mevrouw! De nieuwe! Deze heeft gisteravond een wonder verricht door tegen het tij in over het zand te rijden, en hij heeft vanmorgen Bonny thuisgebracht, en toen Thomas Woodhouse de jongen een standje wou geven omdat hij de hele nacht was weggebleven, legde hij uit dat Bonny in de macht des Heren was geweest toen hij wegrende om de lijkschouwer te gaan waarschuwen en...’
‘Goeie genade, mens!’ riep Margaret uit. ‘Houd op met dat gekakel! Help Mary met de boodschappen!’ Ze nam haar rokken op voor de stoep; bij de deur draaide ze zich om en riep, ‘Voorzichtig met die pruimen! In het mandje!’ Ze stapte de keuken in en zag gestalten in het halfduister wegglippen; alleen degenen die het dichtst bij de deur stonden konden niet meer wegkomen. ‘Mag ik vragen wat hier aan de hand is?’
Onder normale omstandigheden zouden de bedienden haar met eerbied hebben geantwoord; nu reageerden ze traag, bijna onwillig. ‘Verekskuseer,
mevrouw,’ zei Thomas Woodhouse, midden uit de groep. ‘We hebben naar een prachtige preek van dominee George geluisterd. We zijn allemaal bezield door de liefde des Heren.’ Hij legde zijn hand op de schouder van Bonny, die naast hem stond; de jongen zag er verhit uit, alsof hij de restantjes uit de wijnglazen achterovergeslagen had.
Woede laaide in haar op. Rondtrekkende predikanten te ontvangen gaf wat afwisseling aan de dagelijkse sleur, maar als ze haar bedienden uit hun gewone doen gingen brengen moesten ze maar liever verdwijnen. ‘Waar is de man?’ vroeg ze.
‘Ann Traylor is met hem de tuin in gegaan om te wachten tot u kwam, mevrouw,’ antwoordde de huismeester, met een waardigheid die haar stemming niet bepaald verbeterde.
Ze kwam in de verleiding om ze allemaal met een snauw naar hun bezigheden te sturen, maar hun houding had iets uitdagends. De liefde des Heren, stel je voor! Ze draaide zich om en liep door de donkere gang naar het hoofdgebouw.
In de salon stuitte ze op een ander groepje, dat voor de lege haard bijeenstond: haar zes dochters, Ann Traylor de gouvernante, Will Caton de huisonderwijzer en Mabby de hit, die allemaal opgewonden met elkaar stonden te praten. Haar verschijning moest hen verrast hebben, maar ook zij schenen zich merkwaardig weinig van haar aan te trekken. De elfjarige Isabel, altijd hennetje-de-voorste, riep vol vuur: ‘Moeder, moeder! U hebt iets gemist! Een nieuwe predikant en dominee Lampitt kregen het met elkaar aan de stok en de dominee heeft verloren!’
‘Doe niet zo belachelijk, Izzy,’ zei Meg, de oudste, op laatdunkende toon. ‘Je praat alsof ze met elkaar gevochten hadden.’
‘Nou, dat scheelde niet veel!’ Isabels haar hing weer over haar voorhoofd en de glazen van haar scheefstaande bril waren als gewoonlijk smeerpoesvuil; ze moest er overheen kijken om iets te kunnen zien. ‘Ik dacht echt dat hij hem te lijf zou gaan.’
Toen liet de vijfjarige Mary zich horen, in een van haar zeldzame uitvallen vanuit het wereldje waarin ze leefde. ‘Weet je wat hij zei, moeder, tegen de dominee? Dat God in zijn buik zat.’
‘Dat zijn buik zijn God wás,’ verbeterde Meg.
Dus daarom was dominee Lampitt er met zoveel nijd vandoorgegaan! Het was niet het werk van Charles geweest, gelukkig. ‘En waar zit deze heer nu?’ vroeg ze.
‘In de tuin,’ antwoordde Ann Traylor, niet eerbiedig genoeg.
Ze keken allemaal naar haar, afwachtend, belust op het volgende bedrijf van het drama. Nu, dat zou een teleurstelling voor hen worden. Ze had wel eerder met zijn soort te maken gehad; geen beter blusmiddel voor hun vuur dan koude vormelijkheid.
‘Kom,’ zei ze, ‘jullie hebben voor één ochtend al genoeg opwinding beleefd. Mabby, help Henderson met het uitladen van de boodschappen.
Ann, ga met de meisjes in de tuin madeliefjes plukken.’
‘O, moeder!’ protesteerde Isabel. ‘De madeliefjes groeien gewoonweg uit onze oren!’
‘Houd je brutale mond! Als je geen zin hebt om in de tuin te gaan spelen, ga dan je kast maar opruimen. Dat is als je mij vraagt in geen maanden gebeurd.’ Ze draaide zich om en liep naar de openstaande tuindeur.
Op de bank bij de rozen zat een blonde man, het hoofd als in gebed gebogen, een witte hoed op de zitting naast zich. Haar voetstappen knarsten over het grind terwijl ze naar hem toeliep; hij hoorde het en keek op.
Hij stond niet op om haar te begroeten, laat staan dat hij een buiging of knieval maakte; hij staarde haar alleen maar aan. Hij was jonger dan ze verwacht had, onverzorgd, ongewassen: een rondtrekkende student die probeerde een paar weken lang kost en inwoning te krijgen, zoals tal van anderen dat iedere zomer deden.
‘Wie heb ik het genoegen op Swarthmoor Hall te mogen verwelkomen?’ Tegenover zijn boerse gedrag viel de hoffelijkheid haar niet gemakkelijk.
Hij bleef star naar haar staren. Zijn ogen waren blauw, als van een zeeman, en vreemd van vorm, een beetje schuinstaand. ‘Ik ben George Fox,’ zei hij. ‘Moge de Heer, oneindige oceaan van licht en liefde, je de waarheid doen zien, Margaret.’
Zijn belachelijk hoogdravende toon wekte haar woede. ‘Wie, mag ik vragen, heeft u hier naartoe gestuurd?’
Hij keek haar strak aan en antwoordde: ‘God.’
‘Aha. Hebt u bijgeval een introductiebrief?’
‘Ja,’ zei hij.
Zijn onbeschaamdheid riep de neiging bij haar op om Thomas Woodhouse te roepen, maar zijn ogen weerhielden haar. De manier waarop hij naar haar staarde was niet brutaal; hij scheen vervuld te zijn van wat hij zag. ‘Gisteravond zijn mijn vriend Richard en ik het zand overgestoken,’ zei hij. ‘We zijn hier vreemd, we wisten niet dat het gevaarlijk was. In Ulverston werden we verwelkomd door een drom mensen die ons vertelden dat we de eersten waren die bij inkomend tij van Cark waren vertrokken om levend en wel in Ulverston aan te komen. Wie dacht je dat onze paarden veilig over het drijfzand leidde, als het God niet was?’
Als hij de waarheid sprak, was dit een uitzonderlijk staaltje van geluk. Pogingen om het zand bij inkomend tij over te steken waren steevast zo noodlottig gebleken dat een klooster er al driehonderd jaar van kon gedijen door jaarlijks tegen een vast bedrag missen voor de doden op te dragen. Klaarblijkelijk hadden haar bedienden geen verder bewijs nodig gehad voor zijn bewering dat hij een afgezant van de Almachtige was. ‘Hebt u er enig idee van waarom de Heer er zoveel moeite voor over had om u hierheen te sturen?’
‘Nee,’ antwoordde hij. ‘Jij?’
Ze had er nu genoeg van. ‘Nee. Ik vraag me af waarom Hij juist ons moest uitkiezen om een lompe vreemdeling op ons dak te sturen, die mijn personeel ophitst en mijn predikant vertelt dat God in zijn buik zit.’ Ze wees naar het huis. ‘U weet de deur te vinden, neem ik aan.’
Hij glimlachte, het maakte hem opeens jong en schalks. ‘Het spijt me dat ik de indruk wekte een lomperd te zijn, Margaret. Het feit dat ik niet opstond om een buiging te maken behoort tot mijn getuigenis.’
Ze wist dat ze er niet op moest ingaan als ze hem weg wilde hebben, maar ze kon de verleiding niet weerstaan om te vragen: ‘Wat is dat voor een getuigenis?’
‘Alle mannen en vrouwen hebben God in zich. Hij geeft antwoord zodra Hij wordt aangeroepen door God in mijzelf. Als ik een buiging zou maken of mijn hoed afzetten, zou ik God in je verloochenen. Want die buiging zou niet jou gelden als een uniek, onvervangbaar iemand die nooit eerder op aarde is geweest en er nooit weer zal terugkomen, maar een symbool, datgene waar je voor staat: de echtgenote van rechter Thomas Fell. De vrouwe van Swarthmoor Hall.’
‘En wat, als ik u vragen mag, geeft u het recht dit alles te verkondigen?’
Hij keek haar kalm aan. Hij leek in geen enkel opzicht op andere predikanten; hij leek in niets op welke andere man ook die ze kende.
‘Waarom delen wij niet een ogenblik van stilte voordat ik die vraag beantwoord? Laten we God vragen waarom Hij het nodig vond mij naar Swarthmoor Hall te sturen.’
Neerknielen naast deze wilde jongeman onder de blikken van het hele huisgezin was wel het laatste wat ze wenste te doen. Maar het afslaan van een uitnodiging om samen te bidden was moeilijk. Ze twijfelde eraan of God dit soort middelen zou gebruiken om haar Zijn wil kenbaar te maken, maar men kon nooit weten. Ze vond een compromis door naast hem op de bank te gaan zitten. ‘Wanneer kwam u op de gedachte hier naar toe te gaan, mijn heer Fox?’
‘Twee weken geleden. In de gevangenis in Derby.’
Een gevangenisboef! Ze vroeg zich af hoe ze zonder 's mans argwaan te wekken een van haar kinderen het sein zou kunnen geven om Thomas Woodhouse te gaan waarschuwen. ‘Och kom. Waarom zat u daar, als ik vragen mag?’
‘Godslastering.’
‘Wie was de rechter die u veroordeelde?’
‘Gervase Bennett. Ik ben bang dat ik van het paard op de ezel gekomen ben door hem Jerry te noemen.’
‘Och kom,’ zei ze. Ze kende alle rechters; Sir Gervase was wel de laatste onder hen om brutaliteiten van een beklaagde te tolereren. Zelfs de domste boef zou dit meteen hebben moeten merken. Het feit dat deze jongeman zijn eigen lot zo blijmoedig bezegeld had, scheen een geruststelling. ‘Hoe kwam u er toe zo iets dwaas te doen? Wat had het voor zin een rechter te
beledigen die op het punt stond u te veroordelen?’
‘Ik beledigde hem niet. Ik probeerde God in hem te bereiken, Die schuilging achter al die barrières.’
‘Welke barrières?’
‘Een gepoederde pruik, een toga, een bef.’
‘Maar dat zijn de symbolen van zijn ambt!’
‘Ze maakten van hem ook een symbool. Zoals hij daar op me zat neer te kijken, achtte hij zichzelf niet persoonlijk verantwoordelijk voor zijn vonnissen. Voor rechter Gervase Bennett was er bij zijn beslissingen geen plaats voor deernis, mededogen, achting voor de menswaardigheid van een gevangene. Rechter Gervase Bennett kon zonder wroeging een mens ophangen; Jerry zou er niet aan denken om zo iets te doen; hij zou er niet toe in staat zijn. Als ik het symbool aanvaard had, zou ik God in hem hebben verloochend. Dus noemde ik hem Jerry. En ik zei hem dat de dag zou komen waarop ook hij zou beven voor het aangezicht Gods.’
‘En wat was zijn reactie?’
‘Hij zei: “Breng die quaker weg!” Hij noemde me “quaker”, om wat ik over dat “beven” voor het aangezicht van de Heer had gezegd. De naam “Quaker” sloeg aan; alle Kinderen van het Licht worden nu “Quakers” genoemd. Maar hij kon niet ongedaan maken wat ik voor hem gedaan had.’
‘Wat was dat?’
‘Ik had hem bevrijd.’ Hij verbeterde zichzelf. ‘Nee, niet ik. Zoals een kuiken uit een ei breekt, doorbrak hij zelf zijn schaal, van binnenuit. Daarna was er geen terug meer.’
‘Hoe weet u dat allemaal?’
‘Hij heeft het me verteld.’
Ze slaagde er niet in haar verbazing te verbergen. ‘Sir Gervase?! Wanneer?’
‘Later, in de gevangenis. Hij had me in de smerigste cel laten zetten om mij te breken. Maar hoe hardvochtiger ik behandeld werd, hoe vrijer ik me voelde.’
Wat hij zei was belachelijk. Vrij! Bevrijd van wat? Maatschappelijke conventies? Hij was vrij, inderdaad, als een vogel in de lucht: zonder een greintje verantwoordelijkheid of zorg voor een ander. Wat zou er van haar geworden zijn, als ze alle plichten en beperkingen van de samenleving had afgeworpen toen ze zo oud was als hij? Hoe oud zou hij zijn, vijfentwintig, zesentwintig? Plotseling was het of zij een vleugje voelde van de vrijheid die hij beschreef. Ze was achtendertig; een oude vrouw. Ze legde zich erbij neer dat haar leven voorbij was om de eenvoudige reden dat iedereen dat zei. Desondanks leek het of ze nog een heel leven voor zich had.
Ze staarde naar zijn mannelijk, bijna nobel gezicht. Natuurlijk! Hij moest de zoon van een edelman zijn. Hij had nooit geweten wat het was om maatschappelijk de mindere te zijn; dat verklaarde zijn kolossale zelfvertrouwen. Voor een jonge lord was het geen rebellie om zijn hoed niet af te
zetten, of een baron Jerry te noemen.
‘Wat zeggen uw ouders van dit alles?’ vroeg ze.
Hij zweeg abrupt, midden in een zin. Het was onbeleefd van haar om te laten merken dat ze niet geluisterd had. ‘In het begin vonden ze het erg,’ zei hij. ‘Maar nu hebben ze zich bij mijn roeping neergelegd.’
‘Wat doet uw vader, mijn heer Fox?’
‘Hij is wever.’
Een wever! Hoe haalde deze prol het in zijn hoofd om zich te gedragen alsof hij haar gelijke was? ‘Het spijt me dat ik u in de rede viel. Is er nog meer dat u mij voor het noenmaal moet vertellen?’ Ze besefte dat dit een maaltijd betekende voordat ze hem de deur uit kon zetten, maar er waren grenzen aan de onhoffelijkheid.
‘Ik zou graag nog even dat verhaal willen afmaken, omdat het Gervase Bennett en de schout van de gevangenis tot omkeer bracht. Ik stond dus voor het raampje van mijn cel toe te kijken terwijl ze de krijsende vrouw over de binnenplaats naar de galg sleurden. Ze verzette zich met alle macht; ze sloegen haar, maar ze was niet stil te krijgen. Toen ze bij de ladder van het schavot kwamen, lukte het haar, al gillend en jammerend, zich aan een van de sporten vast te klampen. Een van de beulsknechten klauterde op het schavot en trok haar omhoog. De andere duwde. Ze speelden het klaar haar naar de galg te sleuren en de strop om haar nek te leggen. Ze begon te gillen om haar moeder, om iemand die “Harry” heette, om Jezus, wie ze smeekte haar te komen redden. Ik keek ziek van ellende toe; toen kwam de kracht Gods over me.’
‘Hoe bedoelt u?’
‘Ik kan het niet beschrijven. Er welde een kolossale kracht in me op, maar het was niet de mijne. De kracht barstte uit me los als ... als ... ik weet niet hoe ik het zeggen moet.’
‘Probeer het.’
‘Het was een overweldigend gevoel van deernis, niet alleen voor de vrouw, maar vooral voor de mannen die op het punt stonden haar op te hangen. Zij stonden op het punt verdoemd te worden, niet zij. Ik wilde hen tegenhouden, maar de enige manier waarop ik hen kon bereiken was met mijn stem. God binnenin me barstte los in één woord: “Stop!” Het vloog als een pijl over de binnenplaats, doorboorde de muur waarachter God in de mannen gekluisterd lag, en de kracht en de liefde Gods werd over hen vaardig.’
‘Hoe?’
‘Ze probeerden het, maar ze konden het niet langer over zich verkrijgen om die vrouw op te hangen. Ze probeerden het, een half uur lang; ten slotte brachten ze haar weer naar haar cel terug. Diezelfde avond kwamen de rechter Gervase Bennett en de schout, die erbij waren geweest, bij me. We praatten en baden en loofden de Heer. De volgende dag trok de schout bij mij in.’
‘De schout van de gevangenis? In uw cel?’
‘Hij deed overdag zijn werk, maar hij sliep in mijn cel. We praatten iedere avond, urenlang. Hij bleef bij me tot ik werd vrijgelaten, negen maanden later. Nu is hij een Kind van het Licht. Gervase Bennett heb ik niet meer gezien, maar ik weet dat ook hij aangeraakt is door de hand des Heren.’
Ze staarde hem aan. Ze had zijn kracht beseft toen hij ‘Stop!’ schreeuwde. Ook zij zou niet in staat zijn geweest iets tegen zijn wil te doen. Het was meeslepend; een deel van haar zou het heerlijk vinden om hulpeloos onderworpen te zijn aan de heerschappij van een man. Omdat haar echtgenoot zo zelden thuis was had ze zolang ze getrouwd waren zelf leiding moeten geven, in alles. Wat een hemelweelde zou het zijn als ze zich eens een tijdje door iemand anders kon laten leiden.
‘Zullen we naar binnen gaan om te noenmalen?’ Ze stond op.
Hij hield haar tegen door een hand op haar arm te leggen, terloops; de gedachte dat ze wel eens zou kunnen weigeren aan zijn verzoek te voldoen kwam blijkbaar niet bij hem op. ‘Laten we, voor we naar binnen gaan, een kort gebed doen.’
‘Hier?’
‘Waarom niet? “Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, daar ben Ik in het midden van h2en.” Christus heeft nergens gezegd dat dit wonder alleen maar zou kunnen plaatsvinden in bepaalde gebouwen, op bepaalde tijdstippen, onder toezicht van gesalarieerde priesters. Laten we God aanbidden waar Hij is: hier, in ons beiden.’
Ze beheerste zichzelf. ‘Het spijt me, mijn heer Fox, maar ik geef er de voorkeur aan om dat op de geëigende plaats te doen.’
‘In de kerk, alleen op zondagen?’
‘Het minste wat onze Hemelse Vader van ons mag verwachten is hoffelijkheid, vindt u ook niet?’
Hij keek haar met een jongensachtige glimlach aan. Hij was werkelijk onuitstaanbaar. ‘Lieve Margaret, besef je wel dat de God die je dient door jou geschapen is, naar je eigen beeld: een strenge, rechtvaardige beheerder in een kantoortje in de hemel?’
Ze begreep nu waarom hij wegens godslastering gevangen was gezet. ‘En waar, als ik vragen mag, zou ik mijn Schepper dan wel mogen zoeken?’
‘In jezelf.’
‘Net als mijn maag? De buik van dominee Lampitt, zeker?’
‘God is een geest. Ik kan Hem niet omschrijven. Maar als je een vergelijking zoekt: niet als je maag, meer zo iets als je ongeboren kinderen.’
‘Wat zegt u?’
‘Deel van je, maar niet jou zelf. Toekomstige menselijke wezens, wier identiteit nog een geheim van God is. Zullen we nu bidden?’
Ze stond op. ‘Het spijt me, mijn heer. Ik voel niets voor een godslasterlijke aanbidding van mijn ingewanden.’
Zijn gezicht verstrakte. ‘Dát, Margaret, was godslasterlijk! Steek niet de draak met de geest van de Eeuwige die je als mens in je mag meedragen!’
‘Ik drijf niet de spot met de Eeuwige, mijn heer Fox! Ik drijf de spot met uw - uw onbeschaamdheid! Doet u me een plezier, en ga mijn huis uit, nu, meteen!’
Hij glimlachte, brutaal, onuitstaanbaar. ‘Kom, je snakt ernaar om het toch ééns te beleven.’
‘Wat, in vredesnaam?!’
‘Het ervaren van de tegenwoordigheid Gods. Kom, kom naast me zitten. Stil; luister naar de stem Gods binnenin je. Je zult Hem horen, je zult Hem in je voelen opstaan, als je Hem maar de vrijheid wilt geven.’
Zijn onmiskenbare oprechtheid deed haar aarzelen; toen besloot ze hem nog één kans te geven. Ze ging weer zitten. ‘Goed dan. Wat moet ik doen?’
‘Ontspan zowel je lichaam als je geest. Zet je voeten naast elkaar, kijk, zo. Ga er gemakkelijk bij zitten, zodat je lichaam niet rusteloos wordt na een tijdje. Leg je handen in je schoot.’
Ze volgde zijn aanwijzingen op.
‘Breng je geest tot rust. Verjaag alle gedachten.’
Ze probeerde het en ontdekte dat ze geen gedachten had, alleen maar het besef van zijn aanwezigheid naast haar, de bijen die rond de bloemen zoemden, de geur van rozen.
‘Wees stil,’ fluisterde hij, eerbiedig. ‘Breng al de gedachten tot zwijgen die bij je opkomen. Wacht! Wacht op de Heer.’
Zijn geloof in zijn eigen vorm van magie was zo aanstekelijk dat ze haar ogen sloot en haar gezicht ophief en probeerde alle besef van de wereld rondom haar uit te wissen. Het zonlicht scheen rood door haar oogleden. Een gedachte flitste nog: ‘Mijn ongeboren kinderen! Hoe durft hij!’ Het lukte haar die laatste gedachte weg te duwen tot er alleen nog maar het rode zonlicht door haar oogleden was. Ze boog haar hoofd om ook dat nog uit te bannen.
In het donker kwamen lichtende vormen langzaam op haar af terwijl haar ogen zich van het licht herstelden. Roze vlekken, die dichterbij kwamen en opengingen. Roze bloemen, die zich ontvouwden en ronde rode zaadjes onthulden. Ze vouwde haar handen, probeerde haar gedachten ervan los te maken; plotseling herkende ze de ronde rode zaadjes: pruimen. Henderson moest vast hebben gedacht dat ze voor het middagmaal, voor iedereen bestemd waren! Ze moest haar vertellen dat ze voor haar man bedoeld waren, voor het te laat was. Ze opende haar ogen en wierp een zijdelingse blik op de jonge man naast haar. Hij zat, met opgeheven hoofd en open ogen, naar de wolken te staren. Ze schraapte haar keel en streek haar rok glad; hij keek op alsof hij mijlenver weg was geweest. ‘Het spijt me,’ zei ze, ‘dit is niets voor mij, vrees ik.’ Ze stond op. ‘Mag ik u nu aan tafel verzoeken, voordat u verder reist?’
‘Laat je niet ontmoedigen, Margaret,’ zei hij. ‘Er is tijd voor nodig. Vóór God zich aan je kan openbaren, moet je eerst jezelf aanvaarden zoals je bent.’
‘Och kom. Zullen we dan nu maar gaan eten?’
Hij stond op. Ze was een beetje teleurgesteld toen ze ontdekte dat hij kleiner was dan zij. Ze ging hem voor naar de vestibule, bezorgd over de kinderen. Hoe kon ze hun uitleggen wat ze ongetwijfeld hadden gezien? ‘We hebben samen de Heer gebeden voor de veilige thuiskomst van jullie vader...’ Waarom zou je erom liegen? Wat viel er te verbergen?
Terwijl ze het koele, donkere huis binnenging vroeg ze zich af waarom ze zo'n gevoel van schuld had.
***
Toen ze in de eetkamer kwam waar haar dochters, de huisonderwijzer, haar zoontje Charles en Thomas Woodhouse al op hen wachtten, maakte ze kennis met de metgezel van de jongeman. Hij bleek Richard Hubberthorne te heten, en was een tengere jongeling, eenvoudig gekleed, kennelijk van nog nederiger afkomst. Ook hij vond hoffelijkheid blijkbaar overbodig, want hij nam niet de moeite zijn hoed af te zetten, al leek hij daarbij weinig op zijn gemak.
Ze begon genoeg te krijgen van de vrome ongemanierdheid van dit span; haar Charles dacht er kennelijk net zo over. Hij nam met een zwierig gebaar zijn bepluimde hoed af, die hij speciaal voor de gasten moest hebben opgezet, maakte een buiging en zei plechtig: ‘Heren, uw nederige dienaar.’
Fox zei: ‘God zegen je, vriend.’ De ander zei niets, maar bleef staan waar hij stond, een en al hoed.
‘Dit is mijn zoon, jonker Charles Fell,’ zei ze luchtig. ‘Charles, deze twee heren zijn op doorreis naar het noorden en doen ons de eer aan met ons mee te eten voordat ze verder gaan.’
Fox maakte het nog erger door glimlachend op de jongen neer te kijken en te vragen: ‘Charles, hè? Hoe oud ben je?’
‘Dertien, mijn heer,’ antwoordde Charles, pips van kwaadheid. ‘Dank u, mijn heer, voor uw belangstelling. Moeder, mag ik de eer hebben?’ Hij maakte opnieuw een buiging en een zwierige zwaai met zijn hoed, minder geslaagd deze keer, en bood haar zijn arm.
‘Dank je, Charles,’ zei ze, vriendelijk, in de hoop hem te kunnen sussen.
Hij bracht haar naar haar stoel aan het hoofd van de tafel, maakte weer een buiging, een tweede voor zijn zuster Isabel, die erom giechelde, en ging zitten, toonbeeld van nukkigheid. Ze dacht erover hem te vragen bij afwezigheid van zijn vader voor te gaan in gebed, maar dat zou een belediging voor haar gasten zijn aan wie, als mannen Gods, dat voorrecht toekwam. ‘Wilt u ons de eer aandoen het gebed uit te spreken, meneer Fox?’ vroeg ze.
George Fox keek vragend om zich heen. ‘Komen uw bedienden er niet bij?’
Ze voelde de onchristelijke opwelling hem een klap in het gezicht te geven, maar de aanwezigheid van haar kinderen, die gespannen op een uitbarsting zaten te wachten, weerhield haar. ‘Het spijt me, meneer Fox, dat is hier in huis niet de gewoonte. Thomas Woodhouse, onze huismeester, zal u na de maaltijd naar de keuken brengen als u dat wilt.’ Ze vouwde haar handen en sloot haar ogen, een duidelijke uitnodiging.
In plaats van de gebruikelijke, plechtige woorden, hoorde ze hem zeggen: ‘Laat ons elkaar de hand geven en wachten op de Heer.’ Ze sloeg haar ogen op en zag zijn uitgestrekte hand. Onwillig legde ze de hare in de zijne, haar andere in die van zijn metgezel aan haar linkerzijde; de kinderen volgden haar voorbeeld, de boze Charles pas nadat ze hem een strenge blik had toegeworpen. Ze wachtte met toenemend ongeduld op het gebed van de onuitstaanbare Fox, maar hij zei niets. Hij bleef zwijgend zitten, de ogen gesloten, haar hand in de zijne; haar andere in de eeltige knuist van het wezen links. Ze bleven zo lange tijd zitten. Ze verwachtte dat de kinderen ongedurig zouden worden, maar die schenen in plaats daarvan kalm te worden. Er kwam een ogenblik van diepe stilte dat iets teders en vreedzaams had. Ze had nog best een poosje langer zo kunnen blijven zitten, toen Fox ‘Amen’ zei en haar hand losliet. Zijn metgezel liet haar andere varen. Isabel gaf lucht aan een opgekropt gegiechel, dat zij trachtte te maskeren door haar neus te snuiten. Die jongedame moest nodig eens onderhanden genomen worden. Toch was het alsof al haar ergernis en rusteloosheid waren verdwenen; de maaltijd verliep verder zonder wanklank. Toen ze haar gasten na afloop een glas sherry aanbood, weigerden zij, zelf-ingenomen; ze waren echter wel bereid naar de meisjes te luisteren die een madrigaal zongen, ‘De Andalusische Koopman’, dat ze bezig waren te leren voor de thuiskomst van hun vader. Toen stond Fox op en zei: ‘Ik zou het op prijs stellen als de huismeester me nu naar de keuken wil brengen.’
Ze had het zelf voorgesteld, en kon dus niet anders dan Thomas Woodhouse een knikje geven. Zodra de gasten weg waren barstten de kinderen los in druk gekwetter, als een volière; ze bracht hen tot zwijgen en hield een moederlijke toespraak over gastvrijheid en goede manieren.
‘En wat doe je dan als de gasten opzettelijk grof zijn?’ vroeg Charles. Hij hield met duistere wellust zijn gegriefdheid levendig, net als zijn vader, die ook dagenlang kon broeden over iets dat zijn ergernis gewekt had, ten rechte of ten onrechte.
‘Hun gemeenzame manier van praten is geen oneerbiedigheid,’ antwoordde ze, ‘maar een uitdrukking van hun godsdienstige overtuiging.’
Meg vroeg: ‘Hoe dan?’
Nu was ze gedwongen de revolutionaire theorieën van Fox uiteen te zetten. De kinderen bleven haar met vragen bestoken; ten slotte verloor ze
haar geduld en riep geërgerd uit: ‘Waarom vragen jullie het de gasten zelf niet?’
Dat deden ze. Zodra George Fox terugkwam van de keuken viel Isabel op hem aan alsof hij een nieuwe boom was om in te klimmen. Het duurde niet lang of hij zat tegen de kinderen te oreren zoals hij in de tuin tegen haar georeerd had. Ze wilde hem duidelijk maken dat ze hem en zijn vriend liefst voor donker vertrokken wenste te zien, maar kon dit geestelijke gesprek niet onderbreken. Tegen de tijd dat de belangstelling van de kinderen begon te tanen was het te laat voor hem en zijn gezel om nog op een aanvaardbaar uur bij de buren aan te kloppen; ze kon niet anders dan hen ook nog voor het avondmaal uitnodigen.
Na de maaltijd, toen de kaarsen waren aangestoken en de kinderen op het punt stonden hun welterusten te wensen, kwam Fox met het voorstel de bedienden binnen te roepen voor een gezamenlijk gebed. Zo iets was alleen met Kerstmis gebruikelijk, wanneer de symbolische betekenis zo voor de hand lag dat het personeel zich onmogelijk iets zou kunnen gaan verbeelden. Maar aangezien Fox eerder op de dag in het bediendenverblijf zo'n verkeerde invloed had gehad, leek het een doeltreffend tegengif wanneer ze het nu toestond.
Zodoende kwam iedereen die onder het dak van het Huis Swarthmoor woonde die avond bijeen in de salon. Met Kerstmis zongen ze doorgaans samen een kerstlied, daarom vroeg zij nu om een psalm. Fox antwoordde dat voor gemeenschap met God geen psalmen nodig waren, ofschoon iedereen die aanstonds de behoefte mocht voelen om te gaan zingen dat kon doen. De godsdienstoefening zou zwijgend zijn; iedereen kon bidden, spreken, of wat dan ook waartoe de Geest hem maar mocht aanzetten, op voorwaarde dat iedere getuigenis kort zou zijn en gevolgd werd door een periode van stilte.
‘Kom, laat ons dan nu op de Here wachten.’
Hij ging zonder meer in haar mans leunstoel zitten; de bedienden wisten niet goed wat ze moesten doen; ondanks alle dromen van gelijkheid konden ze niet zo maar met hun nederig achterste in een stoel van hun meester gaan zitten. De meesten volgden het voorbeeld van Henderson, de huishoudster, die met de intelligentie waar ze haar positie aan dankte op de vloer ging zitten. Alleen Ann Traylor de gouvernante en Mabby de hit gingen in een stoel zitten - Ann omdat ze grootheidswaan had, Mabby omdat ze te dom was om beter te weten.
Er viel een stilte in de salon. Het was een rusteloze stilte; Will Caton werd geplaagd door ingewandsborrelingen die letterlijk schalden in de stilte. Hij werd vuurrood van verlegenheid; zijn handen, in gebed gevouwen, werden wit aan de knokkels, zijn ogen rolden achter zijn gesloten oogleden, hij leek op een brulkikvors op het punt een beroerte te krijgen. Isabel begon te schudden van het lachen dat ten slotte in snotterig geproest ontplofte.
Plotseling begon George Fox te praten, rustig, zonder de plechtstatigheid die andere predikanten gepast achtten. ‘Als ik zo naar de spijsvertering van onze vriend luister, kom ik op de gedachte dat dit de eerste geluiden moeten zijn geweest die de pasgeboren Jezus hoorde toen hij, blind en verbijsterd, in de kribbe lag, tussen het vee.’
Als een andere prediker dit gezegd had, zou het belachelijk hebben geklonken; nu werd het beeld van het pasgeboren kind, blind en verbijsterd, hun met zo'n overtuigende kracht voor ogen gezet dat de ingewanden van Will Caton en hun gekoer en geborrel als bij toverslag in een preek waren veranderd.
Plotseling jammerde een schelle kinderstem, ‘O, God, Jezus! Lieve God! Vergeef me dat ik hier aan die zondige dingen zit te denken! Vergeef me, Christus, Jezus, Lieve Jezus! Ik wil bidden, ik - ik - we moeten - ik - ik moet zingen! Ik moet zingen! Jezus, ik - “Hemelse Vader, Heilige Geest, O Verlosser met Uw Heerscharen...”’ Het was Mabby, de hit, sidderend als een espeblad, heen en weer zwaaiend, uitzinnige kreten uitstotend.
Margaret keek om zich heen. Geen van haar kinderen scheen een gegniffel te onderdrukken; ze bleven allemaal rustig zitten met deemoedig neergeslagen ogen, Isabel met een gefascineerde blik op Mabby; maar niemand scheen zich aan haar schaamteloze uitbarsting te ergeren. Mabby zong de psalm ten einde; toen ging ze, sidderend, weer zitten.
Wat had haar tot deze vreemde uitbarsting gebracht? Ze zaten gewoon maar te zitten, in stilte, als mensen die op de postkoets wachtten; toch was er spanning onder hen, een opwinding die gevoed scheen te worden door een of andere ontastbare brandstof uit hun zielen. Waren het wel hun zielen? Mabbys gedrag was allesbehalve zielvol...
Een nieuwe stem verstoorde haar gedachten; deze keer was het, nota bene, Henderson. ‘Toen ik klein was zong mijn moeder altijd een liedje in de keuken,’ zei de huishoudster, op een dromerige toon die niets met gebed te maken had. ‘De woorden waren:
De vrouw bleef met dichtgeknepen ogen zitten, haar handen gevouwen, alsof ze nog een andere gedachte onder woorden probeerde te brengen. Maar hierna zei ze niets meer.
Hoe was het mogelijk dat het personeel zo vrijuit kon spreken, zonder te wachten tot de familie eerst iets had gezegd? Haar man had het wel bij het rechte eind, dacht Margaret; Cromwell had meer teweeggebracht dan een godsdienstige omwenteling alleen. De mogelijkheid was nooit bij haar opgekomen dat ze in haar eigen salon zou zitten luisteren naar een paar meiden die als dronkelappen tekeergingen. Haar gezin leek plotseling in de
minderheid te zijn; het evenwicht moest nodig worden hersteld, het was belachelijk om het praten alleen maar aan het werkvolk over te laten.
Ze benam hen de kans dit gevaarlijke spelletje voort te zetten door luidkeels te bidden, ‘Hemelse Vader! Wij zijn dankbaar voor de inspiratie die Gij ons vanavond hebt gegeven. Maar net als bij het aardse voedsel kan Uw Hemelse spijs alleen dan worden verteerd als wij beseffen wanneer wij in nederige dankbaarheid van tafel moeten opstaan, wil onze honger niet in vraatzucht ontaarden. Daarom danken wij U voor de aanwezigheid van Uw dienaren - eh - Richard Fox en - eh - George Hubberthorne, die we na morgenochtend vroeg pijnlijk zullen missen. Laat ons nu met dankbaarheid naar ons dagelijks leven terugkeren, bezield, zoals ons vanavond in herinnering is gebracht, door het verlangen in stilte en zonder te begeren ons werk te doen, te Uwer ere. Amen.’ Ze stond met een glimlach op; Fox stak zijn handen uit, een gebaar dat bedienden en kinderen dwong een kring te vormen.
Desondanks hadden haar woorden een ontnuchterende uitwerking gehad. De bedienden, tot de werkelijkheid teruggeroepen, gingen na haar met een buiging of revérence te hebben bedankt de kamer uit. Toen de laatste verdwenen was, zei ze: ‘Thomas Woodhouse, wees zo goed de heren hun kamers te wijzen. Welterusten, heren.’
Voordat hij met de huismeester meeging, keek Fox haar met die alziende ogen aan en zei: ‘Wees waakzaam, vriendin Margaret; de dag des Heren komt als een dief in de nacht.’ Zij glimlachte en zei, ‘Welterusten.’
Een uur later maakte ze de ronde langs de kamers van de kinderen, liet de kat voor de nacht in het bediendenverblijf en droeg de mopshond mee naar haar slaapkamer zoals haar gewoonte was bij afwezigheid van haar man. Ze stond op het punt de kaars op het trapportaal uit te blazen toen een stem uit het donker riep: ‘Moeder?’
Het was Charles. Hij kwam uit zijn kamer te voorschijn als zijn vader in het klein: compleet met rijlaarzen, degen, fluwelen broek en hoed-met-veren. Hij zag eruit alsof hij op jacht wilde gaan.
‘Waarom ben je niet uitgekleed?’ vroeg ze. Ze wist dat ze hem niet langer ais een kind moest behandelen, maar als hij in het holst van de nacht volledig gekleed en met een hoed op door het huis rondliep kon ze moeilijk anders doen.
‘Wanneer gaan die mannen weg?’ vroeg hij, hooghartig.
‘Wat gaat jou dat aan?’
‘Als vader niet thuis is,’ zei hij, ‘is het mijn plicht ervoor te zorgen dat niemand mijn moeder of mijn zusters misbruikt.’
‘Misbruikt? Wat bedoel je?’
‘Ik weet zeker dat vader niet zou goedkeuren wat hier vanavond gebeurd is.’
‘Je bedoelt de wijdingsbijeenkomst?’
Hij richtte zich in volle lengte op, wat niet veel betekende, en greep het
handvest van zijn degen. ‘Als dat een wijdingsbijeenkomst was,’ zei hij hooghartig, ‘dan ben ik een vulkaan.’
Het zou een zekere hoop op zijn originaliteit hebben aangewakkerd als ze niet had geweten dat Will Caton die dag over vuurspuwende bergen en hun ontstaan had gepraat.
‘Het is bedtijd voor vulkanen,’ zei ze, en maakte het nog erger door zijn hoed over zijn neus neer te trekken, hem om te draaien en een klap op zijn broek te geven. ‘Als er geprotesteerd moet worden doe ik dat, niet mijn kinderen. Welterusten.’
Hij bleef staan, in een poging haar te braveren, maar zijn kortstondige onafhankelijkheid was opgebrand. ‘Schiet op, manneke, voor ik de kaars snuit.’ Toen hij zich niet verroerde deed ze het; hij zou zijn weg in het donker moeten zien te vinden.
Ze ging haar kamer in, sloot de deur achter zich en luisterde aan de kier. Ze had hem verkeerd behandeld, maar als ze haar gezag trotseerden vergat ze altijd dat ze met kinderen te doen had. Die ochtend nog had ze zich erop betrapt dat ze de vijfjarige Mary toeschreeuwde: ‘O, doe niet zo kinderachtig!’ Met een mengeling van wroeging en opluchting hoorde ze zijn schuifelende voetstappen de gang afgaan en verdwijnen. Het bespaarde haar in ieder geval om het kind iets te moeten uitleggen dat ze zelf niet begreep. Waarom voelde ze zich zo onzeker van zichzelf tegenover die Fox? Hij leek anders dan alle anderen, maar was hij waarlijk een man Gods? Wie kon het zeggen? Ze wenste dat haar man thuis was. Zijn mensenkennis was indrukwekkend. Misschien was het feit dat ze die pruimen had gekocht inderdaad een voorteken; wie weet kwam hij inderdaad vanavond nog terug. Het kon, tegen middernacht zou het tij keren, en het was vollemaan.
Ze kleedde zich kuis uit, met haar rug naar de spiegel, en trok haar nachtjapon aan. Toen deed ze die weer uit en trok een andere aan, met zijden linten en bijbehorend mutsje; als haar man inderdaad in het holst van de nacht thuiskwam moest ze er aantrekkelijk uitzien. Ze knielde naast het bed neer en mompelde haar avondgebed; toen lichtte ze haar nachthemd op, waarbij zij een paar welgevormde kuiten onthulde, en klauterde in bed. Zodra ze zich in de kussens neervlijde sprong het hondje op het bed en nestelde zich aan haar voeten. ‘Nee, Mongol, nee!’ riep ze. ‘Vooruit, in je mandje!’ De mopshond keek haar uit zijn kuiltje in het zachte eiderdons-dekbed als een kikker uit een vijver aan. ‘Vooruit, mormel!’ Ze probeerde hem van onderaf een trap te geven, maar dat was door het donzen dekbed niet mogelijk. Mongol knorde, ging liggen en rolde zich op tussen haar voeten.
Ze zuchtte, nam de bijbel van het nachtkastje, sloeg het boek op een willekeurige plaats open en begon te lezen, tegelijkertijd denkend aan de bedgordijnen van de twee jongste meisjes die deze week tegen het zomerse zonlicht gevoerd moesten worden, anders werden ze te vroeg wakker. Ze was zich plezierig bewust van de warmte van het hondje tussen haar voe-
ten, de geur van de sinaasappel-cachets van het beddegoed en de slaperigheid die zich van haar meester maakte terwijl de vermaningen van de profeet Amos machteloos in haar doezelige brein weergalmden. Ze klapte het boek dicht, legde het terug op het nachtkastje, snoot de kaars en strekte zich behaaglijk onder de lakens uit. De herinnering aan de kaarsvlam danste nog even binnen haar gesloten oogleden voordat ze langzaam gedoofd werd. Wat een verrukking om zo in slaap te vallen, wijdbeens in het warme bed, alléén ... Even kwam er iets van schuldgevoel in haar op, omdat ze genoot van de afwezigheid van haar man; ze probeerde een gebedje voor zijn behouden thuiskomst te formuleren, maar maakte het niet af. Ze viel in slaap, in slaap, heerlijke, diepe slaap.
Midden in de schemerige flitsen van een onsamenhangende zomerdroom ging er aan het voeteneind een deur open. Ze moest half wakker zijn want ze wist dat ze in bed lag, armen en benen gespreid; alleen was er geen deur aan het voeteneinde van het bed. Toch ging de muur open, er straalde verblindend zonlicht door, en ze werd zich bewust van een man die in de lichte opening naar haar stond te staren; de zon achter hem was zo fel dat ze zijn gezicht niet kon zien. Ze stond op het punt uit te roepen: ‘Liefste!’ en haar armen naar haar echtgenoot uit te strekken, toen het tot haar doordrong dat hij het niet was. Het haar van de indringer was blond, zijn schouders waren breed. Hij stond naar haar te staren, de benen lichtjes vaneen en stevig neergeplant; plotseling wist ze wie hij was. De aanblik van die man op die plek vervulde haar met de heftige wens om wakker te worden; ze probeerde overeind te komen, maar voelde met schrik dat ze verlamd was door een loodzwaar gewicht op haar voeten. Hij kwam langzaam op haar toe, aan land wadend uit een oceaan van licht. Ze riep: ‘Wat wilt u?!’
Hij bleef bij het voeteneind staan, staarde op haar neer en zei: ‘Ik ben gekomen om de priesters naar de duivel te jagen!’ De godslastering gaf haar de kracht om zich uit haar verlamming te bevrijden; ze werd wakker door het gekef van de hond, in een wirwar van lakens; haar nachtjapon zat om haar middel gedraaid, ze lag half buiten het bed, zich vastklampend aan het gordijn; Mongol woelde achter haar. De droom was zo levendig geweest, zo werkelijk, dat ze naar het raam wankelde, tastend naar de realiteit van haar huis, haar kinderen, haar echtgenoot, God. Maanlicht scheen door de jaloezieën; ze opende ze om de koelte van de nacht over zich heen te laten stromen.
Ze keek naar de hemel, waar de sterren koud flonkerden, als diamanten. Ze zou willen bidden, maar haar woorden zouden verloren gaan in de oneindigheid. Er straalde geen tedere bekommernis om een gevallen musje uit de ijzige sterren, de onpeilbare duisternis. Het enige dat ze daarbuiten gewaar werd was een onpersoonlijke onverschilligheid - de onverschilligheid van het onvoorstelbaar grote jegens haar onvoorstelbare kleinheid. Plotseling voelde ze een drang om in het duister te fluisteren: ‘God? God,
kijk 's naar me. Ik ben het, Maggie.’
Ze wendde zich af toen ze besefte wat de sterren zagen, als ze zich daarvoor de moeite namen: een oude vrouw in een venster die God vroeg eens naar haar te kijken en haar Maggie te noemen.
Ze stak de kaars aan, klom weer in bed, duwde Mongol over de rand, pakte haar bijbel en sloeg die nog eens open.
‘Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht. Want wanneer zij zullen zeggen: het is vrede en zonder gevaar, dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood ene bevruchte vrouw, en zij zullen het geenszins ontvlieden.’
Ze sloeg haar ogen op en keek naar de muur, waar de deur was geweest.