terug  begin  verder
[p. 41]

Twee

De volgende morgen aan het ontbijt nodigde Margaret Fell haar gasten uit de familie naar de kerk te vergezellen. George Fox antwoordde dat hij geen gebouw met een toren nodig had om de tegenwoordigheid Gods te ervaren, laat staan het gezwam van dominee Lampitt. Hij wenste haar veel stichting en liep de tuin in.

Het was een warme, zonnige ochtend; de vogels zongen, de natuur scheen te ontwaken. De boomgaard zag er verlokkend uit; Fox waadde door het hoge gras dat nog nat was van de dauw en ging onder een appelboom zitten, waar hij van het Huis uit niet te zien was. Alles was nat van dauw; overal om hem heen waren bijen met druk gezoem doende hun vleugeltjes te drogen. Een vink jubelde in de takken.

Tegen de boom geleund, de ogen gesloten, de polsen rustend op zijn knieën, liet George de platvloersheid van het dagelijks leven van zich afglijden tot er niets was dan het heden, de stilte, waarin hij wachtte op God. Als jongeling had hij God gebeden en gesmeekt zich aan hem te openbaren; pas in de gevangenis had hij geleerd zich als instrument te laten gebruiken, zijn gedachten te laten leiden. Dat was het geheim: een volkomen passiviteit die alleen bereikt kon worden door volledige overgave van de eigen wil. Alleen dan kon God zich manifesteren: een plotseling gevoel van kracht, een laaiende vreugde, de onbeschrijflijke maar onmiskenbare tegenwoordigheid.

Die ochtend gebeurde het opnieuw, nadat hij ook de laatste wens had prijsgegeven: het verlangen naar begrip, naar een glimp, hoe vluchtig ook, van het doel van zijn komst naar Swarthmoor Hall. Zodra hij ook die gedachte verdrongen had daagde het innerlijke licht, plotseling, met toenemende helderheid, als een zonsopgang. Hij voelde de kracht Gods zijn ziel binnenstromen; in vervoering wachtte hij op de eerste gedachte die zou opkomen, de stem die zou gaan fluisteren. ‘Uw wil geschiede, de Uwe alleen.’

De bijen zoemden. De vink fladderde weg. De melodieuze vleugelslag van een vlucht duiven zoefde boven hem voorbij. De geur van in de zon verdampende dauw werd sterker. Ergens vloog een kwinkelerende leeuwerik hoger en hoger. Gods geest waarde over het land; de hele natuur zong Zijn lof. Maar er kwam geen gedachte in hem op; geen richtlijn uit de diepte van zijn ziel, alleen een gevoel van vrede. Toen verrees een beeld uit het niets: een torenspits. En daar kwam een woord: ‘Kerk’.

[p. 42]

Hij wachtte, maar er kwamen geen andere beelden uit het niets, geen andere woorden uit de stilte. ‘Kerk’. Dat was alles. Hij bleef nog een poosje zitten, in zwijgende aanbidding van de Tegenwoordigheid. Toen stond hij op, vervuld van licht en liefde.

Hij kwam vóór de anderen bij de kerk van Ulverston aan, tuide de teugels van zijn paard aan het hek vast, ging het kerkhof op en bleef in gebed te midden van de grafstenen staan, een vreemde figuur in herderskleren met een witte hoed op. Iedereen die de kerk binnenging moest hem wel zien, en ofschoon hij in gebed verzonken was zag hij hen ook. Hij zag de dominee de pastorie aan de andere kant van de begraafplaats verlaten en langs hem lopen naar de kerk. Hij zag Margaret Fell en haar kinderen aankomen in twee koetsen, de jongen achter hen aan op zijn pony. Hij zag een vierspan met hoogstappende paarden voorrijden; in de koets zaten een gezette man en een vrouw met een hoge modieuze pruik op en een hondje op een kussentje op haar schoot. Hij herkende de lijkschouwer en zijn vrouw, in wier stal hij geslapen had na zijn tocht over het zand. Hij zag Richard Hubberthorne aankomen op zijn oude merrie, die hij naast zijn eigen paard aan het hek vastbond.

Toen de laatste kerkganger naar binnen was gegaan, zette een orgel een diepe en droeve toon in. De gememte begon te zingen: ‘Hoe lieflijk zijn Uw woningen, O Heer der Heerscharen...’

Na een laatste gebed: ‘De Uwe alleen, de Uwe alleen,’ liep hij langzaam de kerk binnen.

 

***

 

Zoals iedereen had Henrietta Best zitten wachten op het binnenkomen van George Fox; het gerucht dat hij kerkdiensten placht te verstoren was als een lopend vuurtje door de stad gegaan. Toen hij binnenkwam trof haar hoe berekend het moment van zijn opkomst was; haar eerste gedachte was: de man is een geroutineerd acteur.

Hij had op het kerkhof gestaan als een prima donna in de coulissen, wachtend tot de gemeente de eerste psalm begon te balken voor hij opkwam, opdat zijn eerste verschijnen door hen kon worden ingedronken voor de actie begon. Wat had Delange ook weer uitgeroepen in de theaterzaal van het Louvre? ‘Nee, nooit het toneel oprennen, alsjeblieft! Als je opkomt, of het nu coté jardin of coté cour is, blijf altijd even een paar seconden stilstaan zodat de toeschouwers je verschijning in zich kunnen opnemen vóórdat de poespas begint. Wil je dat nog even opnieuw doen?’

Onbewust beefde ze; ze besefte het pas door het gebibber van het hondje op haar schoot. Ze deelde haar stemmingen altijd aan Froufrou mee voor ze zich er zelf van bewust werd. Terwijl de openingspsalm, ietwat ongelijk, door de afgeleide gemeente luidkeels ten einde werd gegalmd, deed Hen-

[p. 43]

rietta wat Delange van het publiek verlangd had en nam de verschijning van Fox in zich op. Twee dagen tevoren, in haar keuken, was ze van streek geweest door de schreeuw van die jongen; nu kon ze hem dan op haar gemak gadeslaan. Zijn uiterlijk, zorgvuldig berekend op het wekken van afkeuring, was dat van een schaapherder, compleet met flodderhoed. De mensen in dit godvergeten stadje wisten niet dat de herdersmode zich een jaar of tien geleden van het Franse hof had meester gemaakt; beu van oorlog en heldendaden had de beau monde de dolende ridder en de chevalier de rug toegekeerd ten gunste van een symbool van vreedzamer verlangens. Tegen de tijd dat ze uit Parijs was weggegaan kwamen zelfs de beruchtste losbollen, die om het minste of geringste gingen duelleren, in de vroege ochtend naar het park, uitgedost in het pak van de onschuldige schaapherder, hoed, leren broek, mantel en al, precies zoals de man die nu in het middenpad tegenover de preekstoel naar dominee Lampitt stond te staren. Vreemd, dat ze dit opnieuw meemaakte. Ze vroeg zich af of ze achtentwintig jaar geleden ook verliefd zou zijn geworden op deze man. Onwaarschijnlijk, daarvoor was zijn komedie te doorzichtig.

Toen de psalm uit was sprak dominee Lampitt, met enigszins schelle stem en een nog bedrukter gezichtsuitdrukking dan gewoonlijk, een gebed uit waarvoor de man in het gangpad met een zwierig gebaar zijn hoed afnam. Als een volleerd acteur gebruikte hij de tekst van zijn tegenspeler om de aandacht op zichzelf te vestigen. Na het ‘Amen’ werd een tekst uit de Schrift voorgelezen. ‘Komt tot Mij en Ik zal u spijzigen. Komt tot Mij en Ik zal u brood geven.’

De gemeente kuchte, schuifelde, werd rustig; net op het moment dat de arme Lampitt adem schepte om zijn preek te beginnen, vroeg de vreemdeling in het gangpad luidkeels, ‘Is deze preek uitsluitend voor beroepsdominees bestemd?’

Alle hoofden draaiden zich in zijn richting, de aandacht werd van de arme, talentloze man op de kansel weggezogen. Wat een inzet! En wat een stem! Ondanks haar afkeer van alles wat hij vertegenwoordigde, voelde Henrietta een bewondering voor hem die alleen grote toneelspelers bij haar konden opwekken. Dominee Lampitt had er op moeten inhaken, maar hij verknoeide de kans. Hij bleef daar maar staan, met starende ogen, te verrast om iets te zeggen; de man in het gangpad nam opnieuw het woord. ‘Zo niet, vriend Lampitt, wat bazel je dan? De enigen die door de woorden des Heren gespijzigd worden zijn zij die er de kost mee verdienen!’

Niet wát hij zei, ofschoon het schokkend genoeg was, trof haar en de rest van het gehoor in de ziel, maar de manier waarop hij het zei. Zijn stem, zwaar en meeslepend, bereikte wat het orgel gefaald had te bereiken: hij schiep een dramatische sfeer en bracht een onmiskenbare spanning teweeg. Als ze zich niet vergiste zou nu een figuur van het tweede plan een poging moeten doen om de held de weg te versperren, teneinde de spanning op te drijven en de toeschouwers in deelnemers te veranderen.

[p. 44]

Inderdaad klonk er een falsetstem, die schoolmeesterachtig kraaide: ‘Weg met die man!’ Het was vrederechter Sawrey, de aanmatigende kleine dwaas. Hij was geknipt voor de rol - het leek bijna alsof het afgesproken werk was. Iedereen in de stad had een hartgrondige hekel aan hem; zelfs de weifelaars zouden zich nu onweerstaanbaar tot de held in het middenpad aangetrokken voelen.

Toen riep een vrouwenstem, dichtbij: ‘Laat hem uitspreken! Hij heeft het recht om te zeggen wat hij op zijn hart heeft!’

Het was de vrouwe van het Huis Swarthmoor. Ze was opgestaan in haar bank bij de preekstoel, een gezaghebbende verschijning in haar kostbare japon die haar welgevormde lichaam en hals allergunstigst liet uitkomen. De man Fox was haar gast en Lampitt werd door haar betaald; bij afwezigheid van haar echtgenoot kon ze de kleine Sawrey de dienst niet laten uitmaken.

De dominee, die het blijkbaar wijzer achtte de vrouw van een opperrechter te behagen dan een vrederechter, antwoordde: ‘Hij mag uitspreken. En laat me u eraan herinneren, beminde broeders en zusters in Christus, dat we ons niet door persoonlijkheden of emoties moeten laten beïnvloeden, maar te allen tijde ons laten leiden door de Schrift.’ Het was een poging om zijn gezag te herstellen door zichzelf, ietwat verward, met God te vereenzelvigen; de man in het gangpad maakte korte metten met hem.

‘Het is niet de Schrift die ons leidt, maar de Heilige Geest die er de inspiratie toe gaf! Voorwaar, ik zeg u dat dezelfde Heilige Geest, die eens tot degenen sprak die Gods woord neerschreven, nog steeds tot ons spreekt! Als de Schrift inderdaad Gods woord is, dan spreekt God vandaag nog tot ons! Maar horen jullie Hem? Jullie gebeden zijn alleen maar de herhaling van andermans woorden; jullie luisteren niet naar de Geest die binnenin je spreekt, nu, op dit ogenblik. God spreekt, nu, nu, niet tot het Christendom, of de Protestantse Kerk, of de gemeente van Ulverston, maar tot een ieder van jullie afzonderlijk, man, vrouw, kind, dominee - nu! Ja! Gods stem spreekt in het hart van iedereen hier, nu, en zegt: “Christus zegt dit, Paulus zegt dat, maar wat zegt gij?”’ Hij wees naar de vrouwe van Swarthmoor Hall, die vanuit haar bank met hautaine blik op hem neer-staarde. Hij bleef op haar wijzen, totdat de spanning tot het uiterste was gestegen; toen riep hij: ‘Dieven! Wij zijn dieven! We hebben ons de woorden van de Schrift toegeëigend, maar niets van de geest ervan! Luister!’ Hij hief de vinger op, en zo overtuigend was zijn luisteren dat een ieder in de kerk de adem inhield. ‘Ik hoor Hem! Nu! Luister - daar roept Hij, in wanhoop: “O, verdoemde stad van Ulverston! Ik wilde dat gij Mij verloochende, maar Mijn geboden gehoorzaamde!”’ Geschokt, gehypnotiseerd door zijn drift en zijn overredingskracht, gaapte de gemeente hem aan. ‘Maar het uur is geslagen!’ riep hij. ‘Er staat geschreven: “Er zal een herder opstaan, en de schapen zullen hem volgen, want zij zullen zijn stem herkennen!”

[p. 45]

Daar hebben we het, dacht Henrietta. Het oude liedje. Een paar minuten lang, meegesleept door zijn kracht en zijn theatrale volleerdheid, had de idee van een God die ieder gemeentelid persoonlijk toesprak, nieuw en overtuigend geschenen; maar nu moest er een herder komen, en ze kon wel raden wie dat zou zijn. Natuurlijk zouden de schapen hem volgen omdat ze zijn stem herkenden - maar het was de stem van de duivel, de massale waanzin die in alle mensen sluimerde zodra zij deel van een groep waren, de blinde vernielzucht en bloeddorst van de menigte. Die had ze vierentwintig jaar geleden aan den lijve ondervonden.

Ze keek naar de gemeente, terwijl ze de woorden over zich heen liet rollen. De vrouwen waren onmiskenbaar in de ban van de acteur; de mannen staarden hem met woede aan. Ze keek naar de vrouwe van het Huis Swarthmoor. De aanval van de man was inzonderheid op haar gericht; en daar zat ze, met stralende ogen, de wangen hoogrood, voor de buitenwereld een tedere ziel, diep geroerd door een geestelijke boodschap. Maar niet voor iemand die met een man als Fox getrouwd was geweest. Toen zij zelf in de ban van geestelijke vervoering was, had Henrietta nooit vermoed dat wat ze voelde minder met God of de Heilige Geest te maken had dan met de overweldigende aantrekkelijkheid van een man. Ze had nog niet de ervaring gehad die het leven haar later zou bijbrengen. Maar zelfs nu, na iedere vorm van vleselijke hartstocht in al zijn razernij te hebben leren kennen, kon ze nog steeds het mysterieuze verband tussen heiligheid en wellust niet goed begrijpen. Wat maakte ‘heiligheid’ in een man zo onweerstaanbaar verleidelijk? Waarom reageerde een vrouw roekelozer en hartstochtelijker op geestelijke extase dan op vleierij en bloemen, galanterietjes, ridderlijkheid, moed? Al deze dingen verstoven als kaf in de wind voor mannelijke geestelijke bezieling. Kijk naar Margaret Fell: meegesleept, betoverd door die brulaap, dronken van God. Wat bracht een hoog intelligent, heerszuchtig vrouwspersoon als zij was ertoe op de heilige viriliteit van de man te reageren met de instinctieve drang hem aan zich te onderwerpen? Was het de uitdaging om het met God op te nemen? Was dát misschien in het Paradijs gebeurd? ‘Ik zal maken dat hij mij begeert, niet boven alle andere vrouwen, want dat is gemakkelijk. Ik zal het tegen God opnemen, die hem doet stralen van liefde en blaken van hartstocht, die hem vervult met de adembenemende kracht die hij nu verspilt aan domme mensen in muffe kerken!’

Kon het zijn dat ze er getuige van moest zijn dat, na al deze jaren, het hele gruwelijke verhaal opnieuw begon? Nee, niet in dit land; wat in Frankrijk mogelijk was geweest, kon hier niet gebeuren. Ze was nu in Engeland: saai, vormelijk, maar met een fundamenteel fatsoen dat excessen van wreedheid en ontucht als na de val van La Couvertoirade onmogelijk maakte.

Het kwam allemaal weer bij haar boven - een golf van duisternis en dood. Ze stootte haar man aan, overhandigde hem het kussentje met Frou-

[p. 46]

frou en stond op, ten prooi aan de onweerstaanbare drang om te vluchten.

Ondanks het kussen met het keffende hondje erop wist kolonel Best haar uit de bank te helpen en door het middenpad, langs de bulderende Fox, naar buiten te geleiden, waar de lucht zuiver was en de vogels in het kerkhof zongen.

 

***

 

De plotselinge opschudding in de bank van de familie Best en het schelle keffen van het hondje betekenden een beslissing voor Margaret Fell. In haar verontwaardiging over hun protest tegen de woorden van de jonge profeet wist ze opeens wat ze doen moest.

Tot op dat moment had ze de daverende woordenvloed van de man over zich heen laten stromen, sensueel haast, als de branding. George Fox stond tussen de grauwe massa van ontstelde schepselen uit Ulverston als een bezoeker uit een andere wereld. Kracht, moed, onvervaardheid - woorden schoten te kort om zijn uitwerking te beschrijven. Hij scheen de enige mens in die kerk te zijn, de enige die werkelijk leefde. Ze twijfelde er niet langer aan: hij was een man Gods.

Toen Henrietta Best opstond en het lompe paar met hun gillende hondje het gangpad afstommelde naar de deur, werd één ding duidelijk: George Fox had hulp nodig. Een van de invloedrijkste mannen in Ulverston had hem in het openbaar de rug toegekeerd; zij moest hem in bescherming nemen, of het zou slecht met hem aflopen.

Dominee Lampitt sprak het slotgebed alsof hij het was geweest die in dit afgelopen uur het woord had gevoerd, in plaats van de breedgeschouderde jongeman, verhit van hartstocht, zijn ogen glanzend van de glorie des Heren. Margaret Fell stond op; iedereen wachtte correct tot ze het gangpad inliep. Voor de ogen van iedereen nam ze Fox bij de arm en zei: ‘Ik wil met je praten, vriend George. Buiten.’ Ze wist dat hierover geroddeld zou worden, maar het kon haar niet deren, ze wist nu wat haar te doen stond. Ze had zeven kinderen die ze de wereld in moest sturen. George Fox had haar aan het twijfelen gebracht of de waarden die ze hun bijbracht wel de juiste waren; ze mocht haar kinderen geen geloof bijbrengen dat aan het wankelen was gebracht. Het zou moed vergen, maar ze moest de uitdaging aannemen.

Ze wachtte niet op Lampitt, ook al zag ze met een zijdelingse blik dat hij probeerde eerder dan zij bij de deur te komen. Ze leidde George Fox naar buiten, het kerkhof op, en zei vastberaden: ‘Vriend George, ik heb besloten het met je boodschap te proberen. Zeg me wat ik doen moet en ik zal het doen. Je zult bij ons moeten blijven wonen als leermeester van mij en mijn gezin, maar dat is, neem ik aan, wat je wilt.’

Hij staarde haar aan met die doordringende, bijna spottende blik die haar bij hun eerste ontmoeting al zo in de war had gebracht. ‘Je hebt mij niet

[p. 47]

nodig, Margaret. Het enige wat je nodig hebt om God te ontvangen is oprechtheid jegens jezelf.’

‘Vertel me niet wat ik nodig heb, George Fox,’ zei ze op de toon die niemand ooit tegensprak. ‘Ik wil dat je op Swarthmoor Hall blijft tot mijn gezin en ikzelf bekeerd zullen zijn.’

‘Je bent al bekeerd, Margaret,’ zei hij kalm. ‘Je moet het nu in praktijk gaan brengen.’

Het werd haar, met ongelovige verbazing, duidelijk dat hij op het punt stond haar de rug toe te keren en haar als de eerste de beste aanbidster te laten staan. ‘George!’ riep ze, met een felheid die ze niet bedoeld had. ‘Ik sta erop dat je blijft! Ik heb je nodig. We hebben je allemaal nodig! Je kunt dit mensen niet aandoen: ze wakker schudden, in de war brengen, opzetten tegen de wereld waarin ze leven, en je dan omkeren en wegwandelen!’

‘Zoals ik je al zei, niet ik maar God...’

‘God zal me een zorg zijn!’ riep ze uit, te laat beseffend dat dit niet bepaald de taal van een bekeerlinge was. ‘Ik ben bereid mijn bedienden als gelijken te behandelen. Ze krijgen toestemming me met “jij” en “jou” aan te spreken. We zullen iedere avond godsdienstoefeningen houden, waarbij ze mogen zingen en - en getuigen naar hartelust. Ik zal mijn kinderen je principes bijbrengen. Maar om dat te doen, moet ik eerst weten wat die principes zijn!

De manier waarop hij haar aankeek bracht haar het besef dat ze tegen hem dezelfde toon had gebruikt als tegen kooplui met wie ze aan het afdingen was.

‘Mijn principes, Margaret? Die ken je. Vergader je met je gezin en je bedienden in Zijnen naam, en Hij zal in het midden van ulieden zijn.’

Mensen kwamen de kerk uit; ze was zich ervan bewust hoe ze eruitzag: boos, smekend. ‘Maar hoe breng ik ze in praktijk?’ vroeg ze met ergernis in haar stem.

Ze zag aan zijn gezicht dat zijn gedachten begonnen af te dwalen. ‘De praktijk is eenvoudig,’ zei hij. ‘Volg het Licht.’ Toen draaide hij zich om en liep naar het hek. Het had als een afscheid geklonken, en ze wist dat hij het ook zo bedoeld had.

Op de weg naar huis, in haar koets, terwijl de meisjes opgewonden praatten over de avontuurlijke ochtend en de kleine Charles achter hen aan draafde op zijn pony, verwonderde ze zich over haar eigen gevoel van zekerheid.

‘Moeder, weet u wat hij bedoelde met “het innerlijk licht”?’

Ze keek naar Isabels onschuldige kindergezicht. ‘Ja,’ zei ze, ‘maar voor ik het je vertel: we gaan thuis een nieuwe regel toepassen. Van nu af aan, kinderen, spreken jullie me aan met “jij” en “jou”. Dat geldt ook voor de bedienden, over wie we niet langer spreken als “personeel”. Van nu af aan zullen we het hebben over “vriendin Ann” en “vriendin” - nu ja, wat de voornaam van Henderson dan ook mag zijn. Dat geldt voor iedereen, zelfs

[p. 48]

voor Mabby.’

‘Waarom, in vredesnaam?’ vroeg Meg ontsteld.

‘Omdat wij, als gezin, op zoek gaan naar de waarheid.’

 

***

 

Ach, hoe pijnlijk, hoe beschamend was het allemaal! Toen Charles Fell een week later op Faggot de pony over de heuvels draafde, zat hij er verschrikkelijk over in. Het Huis Swarthmoor, het enige vaste punt in zijn leven, was in oproer. Dat hij zich, voor het eerst sinds hij in korte broek rondliep, weer met ‘jij’ moest laten aanspreken door de bedienden en iedere avond een gebedsbijeenkomst bijwonen waar iedereen mocht opspringen en aan het gillen of bazelen slaan zodra de geest over hen vaardig werd, was al erg genoeg. Maar gisteravond had Mabby weer een ‘belijdenis gedaan’, ditmaal in antwoord op Thomas Woodhouse die met allerlei bloedige details had staan oreren over Jezus' marteldood. Plotseling was Mabby opgesprongen; haar ogen rolden in haar hoofd, ze schokte en schudde alsof ze een stuip kreeg en krijste dat ze Jezus' marteldood wilde delen, net als Hij aan het kruis genageld worden en met een speer doorboord om, net als haar heerlijke, heerlijke Verlosser, dood te bloeden. Schuim stond op haar mond, ze rukte aan haar bovenlijfje, gilde dat kleren een gruwel waren, dat ze zich allemaal moesten uitkleden en zich op de grond werpen, klaar om zich door de speer te laten doorboren. Ze stond kennelijk op het punt dat te gaan doen ook, maar Henderson greep haar bij de arm en sleepte haar, gillend over Jezus, bloed en speren, naar de keuken.

Midden in de nacht was Charles wakker geschrokken door gekrijs in de binnenhof. Hij stommelde naar het raam, stootte zijn teen, maar vergat de pijn toen hij zag wat daar beneden gebeurde. Het was vollemaan, in het spookachtige schijnsel dansten twee witte lichamen. Hij herkende Mabby en Harry Martin; ze waren allebei poedelnaakt, Mabby, met op en neer huppende, verrassend grote borsten, zwaaide met haar armen alsof ze wilde gaan vliegen. Ze gilde iets over Jezus' bloed en smeekte of iemand, wie dan ook, haar alsjeblieft met een speer wilde doorboren; Harry Martin brulde ook over Jezus, maar zonder veel overtuiging. Plotseling tuimelden ze allebei op de grond, bleven liggen worstelen alsof ze bezig waren elkaar te wurgen. Ineens was de binnenhof vol rennende gedaanten in nachtkledij; iemand gooide een emmer water over hen heen; twee anderen trokken ze van elkaar en sleurden ze weg, Mabby gillend en vechtend, Harry Martin jankend als een hond omdat Will Hartford hem een trap gaf.

Dat was vannacht; vanochtend, toen Charles over de heide reed, had vrederechter Sawrey hem staande gehouden. Hij had geprobeerd hem met een groet te passeren, maar de rechter had ‘Halt!’ geroepen en gezegd: ‘Hoor eens, jongeman. Die vriend van je moeder heeft moeilijkheden veroorzaakt in Dalton, Aldringham, Dendron, Ramside Chapel. Nu heb ik

[p. 49]

gehoord dat hij weer op weg is hierheen! Weet je dat je moeder, na wat er vannacht bij jullie thuis is gebeurd, van hekserij zou kunnen worden beschuldigd?’

Het leek onmogelijk dat een buitenstaander iets weten kon van wat er op de binnenplaats was gebeurd; vrederechter Sawrey was een nare man, en er klaarblijkelijk op uit om moeilijkheden te maken. Wat zou vader hebben gedaan? Moest hij proberen hem te bereiken? Een boodschapper sturen? Lieve God, wat moest hij doen?

Nog nooit had hij zo helemaal alleen voor een zo grote beslissing gestaan. Was er maar iemand, een oom, een vriend, die de verantwoordelijkheid van hem kon overnemen! De enige die hij kon bedenken was opperrechter Cartwright bij wie zijn vader regelmatig op bezoek ging als hij thuis was, maar die woonde mijlen ver weg, helemaal in Gleaston. Het moest iemand in de buurt zijn, iemand die hij persoonlijk kende, die hem kende ...

 

***

 

Die morgen was kolonel Best bezig zich door Bonbon te laten scheren. Het was een dagelijks ritueel, dat ermee begon dat hij in zijn hemdsmouwen op de leren divan in zijn werkkamer ging liggen terwijl Bonbon zijn gereedschap klaarlegde: scheermes, scheerriem, lotions, zeep met de geur van rozeblaadjes, een kom heet water, handdoeken. De kolonel bromde grimmig: ‘Vooruit, opschieten,’ maar zodra hij ruggelings op die divan lag, de ogen gesloten, en het flikflooiende mannetje met het ritueel begon, was hij als een aan opium verslaafde die zijn eerste teug nam. Het begon met een dampend hete handdoek die op zijn gezicht werd gelegd en, na even op de stoppels te hebben gerust, behoedzaam weer weggehaald. Hierna wreven de vrouwelijk zachte handjes van de eunuch zijn wangen in met naar boudoirs geurende olie, gevolgd door een nieuwe handdoek, heter dan de eerste; ten slotte werd het schuim als strelingen van een hoeri met de kwast opgelegd. Terwijl hij daar lag, zijn gezicht onder het warme, geurige schuim, zijn lichaam verzadigder en meer ontspannen dan na de bijslaap, hoorde hij het sjilpen van het scheermes dat op de riem werd aangezet. Daarna duwden de zachte vingers van het mormel voorzichtig zijn rechter bakkebaard omhoog om de huid strak te trekken, de stem fluisterde: ‘Klaar, patron?’ en hij gromde om zijn grijns van welbehagen te verbloemen. Het scheermes gleed omlaag, zachter dan een vrouwentong, en de stem vroeg: ‘Trekt het, patron?

Hij blafte, ‘Idioot! Hou op met dat gewauwel! Schiet op!’ Het staal, zo vlijmscherp dat hij het nauwelijks kon voelen, streelde zijn wangen; de warmte van het schuim werd vervangen door de koelte van de naakte huid. Bonbon deed zijn werk zorgvuldig, pakte zelfs de haartjes hoog op de jukbeenderen en onder de adamsappel; eindelijk wreef hij, met het geluid

[p. 50]

van twee wulpse lichaampjes in extase, zijn handjes vol met een oliezalf die naar zwoele vrouwen rook en begon de wangen van zijn meester te masseren. De kolonel had het gevoel dat hij wakker werd uit een boze droom van ouderdom en onmacht om opnieuw de kloeke jongeling te worden die hij eens geweest was, de brutale Engelse losbol met zijn uitdagende gezicht, volle zinnelijke lippen en geen wallen onder de schelmse ogen, die wel duizend meiden had weten te verleiden, van Schotse bedsteden tot Franse chaises-longues. Hij wachtte op de derde handdoek, toen de zoon van Thomas Fell werd aangekondigd door Kathryn, de meid. Hij gromde: ‘Te vroeg. Laat hem wachten!’

‘Hij zegt dat het erg dringend is, mijn heer,’ hield de meid vol; ze mocht voor zijn part naar de duivel lopen met haar harige dijen.

Hij rukte de handdoek van zijn gezicht, riep: ‘Ik zei, laat wachten!’ en daar stond de jongen in de deuropening, in groen fluwelen pak, lieslaarzen met zilveren gespen en met een miniatuurdegen opzij. Hij nam zijn gepluimde hoed met een zwierig gebaar af en mompelde: ‘Edele Heer, uw gehoorzame dienaar.’ De kolonel gooide de handdoek naar Bonbon, die de aantrekkelijke kleine bezoeker gretig stond aan te staren, en riep hem toe: ‘Ga weg, viezerd! Donder op!’

‘Mais, patron!’ riep de castraat. ‘Mag ik het niet even afmaken, terwijl de kleine monsieur -’

‘Eruit!’ schreeuwde de kolonel, dankbaar voor de kans om zijn ergernis te kunnen luchten. ‘Maak dat je wegkomt!’

‘Mais, patron! Uw foulard...’

‘Die doe ik zelf wel om! Ga zitten, Charles Fell. Hier, neem die stoel...’ Hij had de jongen op zijn gemak willen stellen, maar hij hoorde Bonbon onbeschaamd iets mompelen. Het gaf hem de welkome gelegenheid hem de kamer uit te schoppen; als een sluwe oude straatteef slaakte het mormel een gil voordat de laars contact maakte, hupte onder het slaken van angstkreetjes de deur uit, zonder echter een druppeltje uit de kom te morsen of iets achter te laten. Best hoorde hem jammerend door de salon rennen, kennelijk met het doel zijn meesteres ertoe te brengen haar echtgenoot ter verantwoording te roepen voor de ruwe bejegening van een zo teergevoelig iemand. De kolonel smeet de deur dicht en draaide zich om naar de jongen, die weifelend naast de stoel stond die hem was aangewezen. ‘Ga zitten, ga zitten,’ herhaalde hij, terwijl hij naar de koekkast liep. ‘Een glaasje wijn, om de dag mee te beginnen?’

‘Graag, mijn heer.’ De jongen was kennelijk niet gewoon om negen uur 's ochtends wijn te drinken; toen hem het glas werd aangeboden nam hij het aan alsof het een levend diertje was. Hij zag eruit alsof hij in geen dagen geslapen had.

‘Ik neem aan dat je lieftallige moeder en zusters het goed maken?’

Het was zijn bedoeling geweest nog even te dralen voor ze ter zake kwamen, maar de jongen barstte uit: ‘Nee, mijn heer, nee, helemaal niet,

[p. 51]

helemaal niet! Daarom ben ik hier, mijn heer, ik wist niet bij wie ik moest aankloppen - ik bedoel, u als vriend van mijn vader - ik bedoel, ik moet hem in zijn afwezigheid vervangen...’

‘Natuurlijk, natuurlijk,’ zei de kolonel sussend, terwijl hij de jongen gefascineerd gadesloeg. Hij had geruchten gehoord over wilde taferelen in het Huis sinds het bezoek van die ophitser Fox, maar er niet veel aandacht aan geschonken. ‘Ik zal je graag met raad en daad bijstaan, als ik kan,’ zei hij, ‘ofschoon ik ervan overtuigd ben dat jij je vader tijdens zijn afwezigheid waardig weet te vervangen.’

De jongen kreeg iets van zijn zelfbeheersing terug; hij maakte een gebaar alsof hij een teugje van zijn wijn wilde nemen, maar bedacht zich. ‘Ik zou u niet hebben mis - eh - lastig gevallen, mijn heer, als ik niet gewaarschuwd was dat de man weer op weg hierheen is en dat zijn volgelingen beschuldigd worden van...’

‘Van wat?’

De jongen wierp een zijdelingse blik op de deur, en zei zacht, ‘Van - van hekserij, mijn heer.’

‘Wie heeft je dat gezegd?’ De kolonel probeerde een normale gesprekstoon te bewaren, maar dit werd ernstig.

‘Vrederechter Sawrey, mijn heer.’

‘Wanneer?’

‘Vanmorgen. We kwamen elkaar tegen, op de hei.’ Hij voegde er verontschuldigend aan toe: ‘Ik - ik zou u hier niet mee lastig gevallen hebben, mijn heer, maar omdat u en mevrouw Best uit de kerk zijn weggelopen dacht ik dat u net zo over die Fox denkt als ik...’

‘Natuurlijk, natuurlijk. Ik ben blij dat je me dat verteld hebt. Maar vertel me nog iets meer; wat bracht rechter Sawrey op 't idee dat je moeder een volgelinge van Fox zou zijn?’

‘We hebben iedere avond gebedsbijeenkomsten, met de bedienden. En de bedienden tonen geen respect meer, mijn heer, voor - voor ons.’

‘Maar dat woord “hekserij” - zei rechter Sawrey dat?’

‘Ja, mijn heer.’

‘Hoe kwam het ter sprake?’

‘Hij had het over - over wat er vannacht gebeurd is, mijn heer...’

‘Wat is er dan gebeurd?’

‘Een van de meiden en een staljongen dansten rond in de binnenhof zonder - in natura, mijn heer. Ik begrijp niet hoe het mogelijk is, maar rechter Sawrey schijnt er lucht van te hebben gekregen.’

Bests eerste opwelling was de jongen met een of andere vage raad naar huis te sturen en zich verder buiten de hele zaak te houden. Maar het gezin van een nabuur werd bedreigd; er kwam een moment dat men voor elkaar moest opkomen, anders zouden het geweld en de ordeloosheid die Cromwell in het land ontketend had korte metten met hen maken. Hij moest proberen Sawrey in te tomen voor hij kwaad kon aanrichten.

[p. 52]

Het lukte hem de jongen gerust te stellen, maar hij beging de fout te zeggen: ‘Je hoeft die wijn niet op te drinken, hoor,’ waarop de jongen de rest in één teug achterover sloeg, alsof het limonade was. Toen hij opstond om weg te gaan blaakte hij van zelfvertrouwen; hij verloor bijna zijn evenwicht tijdens het zwaaien van zijn hoed, besteeg zijn pony pas na drie mislukte aanloopjes en gaf het arme dier de sporen. Het stoof weg met vonken uit de hoeven.

Een kwartier later reed kolonel Best zelf uit, vergezeld door zijn knecht.

 

***

 

Toen haar man die avond terugkwam zag Henrietta Best aan de manier waarop hij zich van zijn paard liet helpen door de stalknecht dat hij doodmoe was. Terwijl hij over het tegelpad naar de deur liep, zag zij dat hij grauw van uitputting was; pas toen hij haar omhelsde, zijn wang tegen de hare, realiseerde ze zich dat hij niet geschoren was. ‘Ik moet met je praten,’ zei hij, ‘kom mee.’

Hij bracht haar naar het zijkamertje, sloot de deur achter zich en bleef staan luisteren aan de kier naar voetstappen in de gang. Toen zei hij, met gedempte stem: ‘Het gaat mis met het gezin van Thomas Fell.’

Het verraste haar niet na wat ze in de kerk had gezien. ‘Hoezo?’

Hij vertelde haar van John Sawreys gesprek met Charles Fell. ‘Ik ben vanmorgen langs de buren gegaan. Het bleek dat ze al bezoek van Sawrey en Lampitt hadden gehad, die beweerden dat de man weer op weg naar Ulverston is om de boel op stelten te zetten. Ze zeiden dat Fells vrouw de kerel hulp en bijstand verleende, en dat er iets aan gedaan moest worden. Lampitts rol in dit alles is duidelijk, Fox heeft hem voor gek laten staan. Maar Sawrey is niet in Fox geïnteresseerd, die heeft een oogje op de positie van Thomas Fell. Hij heeft zich nu blijkbaar in het hoofd gezet dat hij zijn doel kan bereiken door Fells vrouw in diskrediet te brengen. Onder het mom haar te willen beschermen, natuurlijk.’

‘Wat zeggen de buren van dit alles?’

‘Ze houden zich voorlopig nog op de vlakte, maar mocht Fox inderdaad terugkomen en opnieuw een kerkdienst verstoren dan zullen ze ongetwijfeld korte metten met hem maken.’ ‘Hem de stad uitzetten?’

‘Laten we hopen dat het daarbij blijft. Sawrey gebruikte het woord “hekserij”.’

‘O, douce vierge...!’

Ze draaide zich om naar het raam. In de verte vormden de kleine rode daken van Ulverston een schilderstuk vol knusse veiligheid te midden van de kale heidevlakte. Maar ze wist hoe in kleine, vreedzame stadjes moorddadige waanzin kon losbarsten, alsof ze niet door normale mensen werden bewoond maar door krankzinnigen, bezeten van lust naar marteling, verkrachting, moord, ontuchtige verminking.

[p. 53]

‘Wat kan mevrouw Fell eraan doen?’

‘Jij bent een vrouw. Wat zou jij eraan doen?’

Er liep nu een kleine zwarte gestalte over de weg, een stok met een bundeltje eraan over de schouder. Zo te zien niets gevaarlijks of alarmerends; maar ja, de meesten leefden een godvruchtig leven, hielden van hun dierbaren, gingen naar de kerk, totdat plotseling de duivel in hen wakker schoot en diezelfde mensen in één moment veranderden in ... Nee, dat niet. Niet verder denken. ‘Ik geloof dat ze zal proberen haar vriend Fox te beschermen,’ zei ze. ‘Misschien komt ze wel tussenbeide, als ze hem zouden aanpakken.’

‘Dit is precies waar Sawrey op aanstuurt.’

‘Maar ik geloof nooit dat ze haar iets durven doen. Niet de landjonkers.’

‘Daar ben ik nog niet zo zeker van. Ik had het gevoel dat die Fox, wat hen betreft, nu het symbool van iets anders geworden is, iets dat al sinds de moord op de koning in ons allemaal gewroet heeft. Het heeft met rede of logica niets te maken; het waren de Puriteinen die de koning hebben omgebracht en oproer gekraaid. Toch ziet het ernaar uit alsof hun woede zich niet zal uitvieren op Puriteinen zoals Lampitt en Sawrey, maar op de man die hen tart. Toen ik naar Simon Rutledge zat te luisteren, vroeg ik mezelf af: hoe is het mogelijk dat redelijke, beschaafde mensen...’

Plotseling wist ze wat ze doen moest. ‘Als ik eens met haar ging praten?’

Hij bleef zo lang zwijgen dat ze zich omdraaide; zij werd getroffen door de uitdrukking op zijn gezicht: zijn ogen stonden vol angst. ‘Als ik Fox eens ging waarschuwen?’ opperde hij. ‘Hem zeggen dat hij weg moet blijven?’

‘Daar is geen schijn van kans op,’ zei ze. ‘Het zou hem alleen maar halsstarriger maken. Mensen als hij gedijen door vervolging. Nee, ik ga naar haar toe, en daarna vertrekken jij en ik samen. Ik ben niet voornemens erbij te zijn als dit geval tot een uitbarsting komt.’

Hij zei, beslist, ‘Je mag niet naar haar toe gaan!’

‘Waarom niet?’

‘Ik kan het niet goedvinden! Het zou je - je kwaad kunnen doen!’

Ze liep naar hem toe, kuste hem op zijn neus en zei: ‘Dank je, cher ami. En nu moest je je maar eens laten scheren. Ik zal Bonbon naar je toe sturen.’

Ze ruiste het kamertje uit, vol zelfvertrouwen, en bestelde de koets.

 

De knecht reed haar naar het Huis in het tweespan, omdat het minder opzichtig leek dan de koets. Ze liet haar meid thuis, maar nam Froufrou mee op zijn kussentje, een symbolisch gebaar van bescherming. Toen ze bij het Huis aankwam verwachtte ze in het boudoir van de vrouw des huizes te worden binnengelaten en daar een intiem gesprek met haar te hebben, waarna ze even onopvallend zou weggaan als ze gekomen was. Maar ze had de zeven kinderen vergeten; zodra het stilstond werd het tweespan omringd door meisjes in witte jurken. Ze stapte voorzichtig uit en was even verbijs-

[p. 54]

terd als Froufrou, toen nog een meisje voor haar voeten uit een boom viel en haar bril kwijtraakte op het grind. De anderen hielpen haar zoeken, wat hun aandacht afleidde; de zoon des huizes kwam naar buiten, als slotheer uitgedost, en begroette haar zwierig met een buiging en een zwaai van zijn hoed. Ten slotte begeleidde hij haar naar zijn moeder.

Terwijl ze de jongen volgde door de koele, gewelfde vestibule, hoorde ze tot haar ontsteltenis dat de meisjes achter haar aankwamen. Ondanks de godsdienstige extase waaraan ze zich volgens zeggen overgaven, schenen ze te snakken naar een verzetje. Maar ze bleven, gelukkig, in de deuropening staan. Mevrouw Fell bevond zich in de tuin, aan het eind van een grindpad, waar ze op haar knieën rozen lag te knippen. De zak van haar schort was vol roze en rode rozen; toen ze opstond om haar bezoekster te begroeten leek het alsof ze zwanger was van bloemen. De ontvangst was uiterst koel; ze vroeg, zonder haar gast uit te nodigen te gaan zitten: ‘En? Wat kan ik voor u doen, Madame?

Henrietta fronste de wenkbrauwen. Waarom deze vijandigheid? Ah, natuurlijk, de manier waarop ze tijdens de tirade van Fox de kerk was uitgelopen. ‘Allereerst zou ik u willen verzekeren dat mijn man en ik niet uit de kerk zijn gegaan om onze afkeuring te laten blijken,’ zei ze. ‘Ik werd opeens onwel en de kolonel had geen andere keus dan me naar huis te brengen.’

De ander leek niet overtuigd. ‘Als het uw bedoeling is over de geruchten te praten dat wij hier ons hoofd kwijt zijn,’ zei ze, ‘dan moet ik u bekennen dat ik niet inzie wat dit een buitenstaander aangaat.’

‘Zo eenvoudig is het niet, vrees ik,’ zei Henrietta op zakelijke toon. ‘U loopt gevaar. Vijanden van uw man zijn eropuit hem in uw persoon te treffen.’ Ze wachtte niet op de uitnodiging, maar ging op een bank zitten tegenover de rozen.

Margaret Fell stond kennelijk in tweestrijd hoe ze hierop zou reageren; ten slotte vroeg ze: ‘Zou u in bijzonderheden willen spreken, in plaats van in algemeenheden?’ Met haar schort vol rozen en een loshangende haarlok zag ze er voor haar leeftijd bijzonder jong uit - hartstochtelijk en tegelijkertijd onschuldig, een onweerstaanbare combinatie voor iedere man.

‘Dominee Lampitt en John Sawrey zijn bezig helpers bijeen te trommelen teneinde uw vriend Fox komende zondag uit de kerk te smijten.’

‘Onzin,’ zei de vrouw ongeduldig. ‘Meneer Fox is weg.’

‘Ma chère,’ zei Henrietta met rustig gezag, ‘laten we ophouden tegen elkaar te sissen en te blazen, en verstandig met elkaar praten. U moet toch wel weten dat er bepaalde mensen zijn onder onze buren die niets liever zouden willen dan uw man in verlegenheid te brengen en zelfs hopen hem uit zijn ambt te kunnen wippen door u zwart te maken.’

‘Maar hoe?’ riep de ander geërgerd uit. ‘Welke reden hebben ze voor dat geroddel?’

‘Om te beginnen, wat hier vannacht gebeurd is.’

[p. 55]

‘Wat?!’

‘Die - eh - voorjaarsriten, zal ik maar zeggen. Meiden en knechts dansend à la Bacchante...’

‘O! Wat een onzin!’ Het klonk verontwaardigd, maar de vrouw kwam naast haar zitten, de rozen op schoot; hun geur omwolkte hen, zomers, zinnelijk. ‘Niemand kan toch zeker mijn man uit zijn functie stoten omdat mijn bedienden rond de Meiboom dansen?’

Madame, het gaat om uw vriendschap met deze jongeman Fox. Hij heeft het eerverleden zondag nogal bont gemaakt, gezien vanuit het gezichtspunt van de landjonkers hier in de buurt. Hij kwetste hun trots door ongevraagd tegen hen te preken, zijn ideeën zijn, om het zacht te zeggen, radicaal, maar de hoofdzaak is wel dat geen enkele vrouw in die kerk, jong of oud, ongevoelig voor hem kon blijven. Dat, vrees ik, was overduidelijk.’

Margaret Fell stond op: ‘Doelt u, Madame, daarbij op mij?’

De heftigheid van haar reactie betekende dat dit een teer punt was. ‘Voyons, mevrouw,’ zei ze, ‘u wilt me toch niet vertellen dat zijn overweldigende mannelijkheid u is ontgaan, terwijl hij daar stond te getuigen? Iedere vrouw hing aan zijn lippen; maar de mannen...’

De ander sprong overeind, zodat haar rozen op de grond vielen. ‘Genoeg!’ riep ze, met onbeheerste drift. ‘Geen woord meer! Ik eis dat u mij niet beoordeelt volgens uw eigen maatstaven!’

Het was als belediging bedoeld; Henrietta zette haar tanden op elkaar. Het was nu wel zonneklaar dat Margaret Fell, ondanks haar zeven kinderen, nog altijd zo groen was als gras. Haar onschuld was beangstigend. ‘Chère,’ zei ze, en streelde Froufrou die was gaan bibberen, ‘ik wil me niet met uw zaken bemoeien. Maar ik moet u, voor mijn eigen geweten, duidelijk maken welk gevaar u loopt. Denk een ogenblik aan uw kinderen. Ik heb er zelf ook twee gehad, ik spreek uit ervaring...’

Maar de vrouw was buiten zichzelf, en niet langer voor rede vatbaar. ‘Daar ben ik van overtuigd, Madame,’ zei ze, met minachting. ‘Ik ken uw reputatie, helaas.’

Henrietta bleef een ogenblik sprakeloos zitten. Ze had op het punt gestaan het hoogste offer te brengen door dit schepsel in vertrouwen te nemen en al haar leed daarmee nog eens door te maken. Ze stond op en bitste, ‘In dat geval, Madame, zal ik man en paard noemen. Er is voor een hartstochtelijke vrouw niets opwindenders en begerenswaarders dan een zogenaamde heilige, maar laat me u vertellen dat ze als minnaars bitter tegenvallen. Ze zijn in geen geval de prijs waard die ze ons berekenen voor het voorrecht om met Paulus naar bed te mogen gaan.’

Voordat de ander haar opengevallen mond dicht had kunnen doen, stevende ze het pad af, de donkere vestibule door en de deur uit. Maar in de beslotenheid van haar koets barstte zij in snikken uit; Froufrou likte haar tranen op die op zijn kussentje drupten.

‘O, Jeannot, Christine ... Tonton, Titi, mes chéris, mes petits choux...’

[p. 56]

De koets zette zich schokkend in beweging, zij botste tegen de zijwand, haar pruik kwam scheef te slaan. Een grijze vlok haar viel over haar voorhoofd, maar het kon haar niet schelen. Ze was al vierentwintig jaar een door verdriet gekwelde moeder, die de martelingen van de hel verduren moest.

 

***

 

Zodra mevrouw Best weg was, schaamde Margaret Fell zich.

Diezelfde ochtend nog had ze, ondanks het bijgeloof ‘een spin in de morgen brengt kommer en zorgen’ een glas over zo'n harig beest gezet, er de bladwijzer uit haar bijbel ondergeschoven en hem uit het raam de vrijheid ingegooid; nu had ze een medemens zo bruut behandeld dat zij snikkend was weggerend. Dit was wel het ergste dat ze gedaan had sinds George Fox in haar leven was gekomen.

De vrouw was kennelijk niet in staat hun geestelijke verhouding te begrijpen. Twee weken geleden zou ze het zelf niet hebben kunnen begrijpen. Toen had ze Georges definitie van God als ‘een oneindige oceaan van licht en liefde’ als dichterlijke beeldspraak beschouwd; nu wist ze precies wat hij bedoelde. Ze ervoer het de hele dag: ze zweefde, gewichtloos als een vis, door het huis, zong onder het sorteren van het linnengoed, glimlachte tegen spinnen, kuste Mongol, was engelachtig voor de kinderen. Haar gevoel voor George zelf, als persoon, had hier niets mee te maken. Ze voelde voor hem wat ze destijds voor haar vader had gevoeld: een diepe genegenheid, meer niet. Maar, inderdaad: als er nu onder de buren over hen geroddeld werd zou Thomas bij zijn thuiskomst misschien in de war kunnen worden gebracht door geruchten en verdraaide feiten. Zou ze hem tegemoet reizen? Hem opwachten in de herberg in Lancaster waar hij altijd logeerde? Nee, haar plaats was hier, nu zéker. Zonder haar zou haar kleine kudde uiteenvallen.

De situatie had een ogenblik zorgelijk geleken, nu kwam haar gevoel van zekerheid terug. Toch, niettegenstaande haar herwonnen zelfvertrouwen, kwam ze tot een besluit. Als George inderdaad voor die tijd terug zou komen, zou ze zondag niet naar de kerk gaan, maar hem aan Gods bescherming overlaten.

 

***

 

Zowel zijn volgelingen als zijn vijanden zagen George Fox met vreugde in het schemerig duister onder het orgel opdoemen toen het voorspel voor de openingspsalm van de avonddienst werd ingezet. Deze keer werd hij vergezeld door een groep discipelen, door zijn eerste preek bekeerd, die buiten op hem hadden staan wachten.

De enige in de bank van Swarthmoor Hall was Charles Fell. Hij had die

[p. 57]

nooit voor zich alleen gehad; het was een benauwende ervaring de nieuwsgierige blikken van al die mensen op zich gericht te weten. Hij had de kerk nog nooit zo vol gezien; drommen mensen stonden opeengeperst op de grafstenen achter de banken; toen de psalm begon joeg het massale geluid van al die stemmen een rilling langs zijn rug, want het klonk prachtig en dreigend tegelijkertijd. Hij had zich nog nooit zo belangrijk gevoeld, met zoveel gezag bekleed, hij zat hier als vertegenwoordiger van het Huis Swarthmoor, enige zoon van Thomas Fell, opperrechter van het hertogdom Lancaster. Als Fox opnieuw de godsdienstoefening zou verstoren, zou het alleen van hem, in zijn verheven afzondering in de familiebank, afhangen hoe het gepeupel zou reageren. Het vervulde hem met een tot in zijn lendenen voelbare spanning. Wat een verhaal om aan zijn vader te vertellen! Hij verwaardigde zich niet naar Fox te kijken, hij verwaardigde zich niet naar wie dan ook te kijken; hij zat voor zich uit naar het orgel te staren in zijn blauw fluwelen pak met gesteven kraag en mouwopslagen, een miniatuur-kopie van zijn vader.

Toen de psalm ten einde was, viel er een stilte. De vrouwen die naar de jongen in de Swarthmoor-bank hadden zitten staren draaiden nu hun hoofd om en keken naar de rebel in het schemerduister, in afwachting van wat hij zou gaan zeggen. Fox wachtte tot er geen gefluister, geen geschuifel, geen geritsel van een gebedenboek meer hoorbaar was; toen liep hij langzaam het middenpad af, naar de kansel, waar dominee Lampitt, bleek en verontrust, stond te wachten. Maar toen hij het woord wilde nemen, werd hem dat belet door vrederechter Sawrey. ‘Halt! George Fox, u zult alleen mogen prediken overeenkomstig de Heilige Schrift!’ De woorden schenen een vorm van toestemming in te houden, maar de toon waarop ze werden gesproken loochende die. Klaarblijkelijk hadden de landjonkers de rechter opgedragen die formulering te gebruiken voordat er iets werd gedaan om de man tot zwijgen te brengen.

Fox keek op Sawrey neer, alsof hij hem in zijn vernederende situatie beklaagde. Toen zei hij: ‘Natuurlijk, vriend John. Zoals je je zult herinneren, daar gaat het mij juist om.’

De rechter werd rood van woede. ‘Neem in ieder geval je hoed af in de kerk, godslasteraar!’

Fox antwoordde verzoenend: ‘Het spijt me, vriend John. Ik neem alleen mijn hoed af als ik in gebed met God praat.’

Door dit antwoord, hoe vredelievend het ook was, raakte de kleine rechter buiten zichzelf van drift. ‘Belet hem het spreken!’ riep hij, zijn stem nu schril van woede. ‘Gooi hem eruit! Laat hem zien dat er mannen hier in Ulverston wonen!’

Niemand verroerde zich. Als Fox de dominee beledigd had, zouden ze zich waarschijnlijk op hem hebben geworpen; nu had hij alleen maar iemand beledigd die zelf ook een buitenstaander was. Het scheen alsof Fox zou zegevieren toen het hondje van mevrouw Best plotseling hysterisch

[p. 58]

begon te keffen. Een mannenstem brulde: ‘Kom op, jongens! Laten we His Lordship bewijzen wie we zijn!’ Het was John McHair, de stroper; zijn eigenbelang was zo overduidelijk dat alleen het rapalje onder de gemeente opsprong. Ze wierpen zich met rauwe kreten op Fox en begonnen hem met hun vuisten te beuken. Iemand riep: ‘Stop dat! Niet in de kerk!’ Maar met die eerste vuistslagen was de opgekropte woede van de andere mannen in de gemeente toch losgebroken, tegen hun beter weten in. Al spoedig waren het niet alleen de boeven die bezig waren Fox en zijn discipelen af te tuigen; vrijwel iedere man in de kerk had zich bij hen gevoegd.

Charles Fell zag hoe kolonel Best een ouderling een briefje reikte, en hoe die het naar rechter Sawrey bracht. De rechter, die de vechtersbazen had staan aanvuren, las het briefje en begon onmiddellijk te schreeuwen: ‘Halt! Niet in de kerk! Halt! Breng hem naar buiten!’ Het lukte hem zich een weg door de drom van vechters heen te banen tot hij bij John McHair kwam die hij iets toeschreeuwde; het resultaat was dat de stroper Fox dwars door de menigte naar de kerkdeur sleurde, waar de schout en zijn rakkers klaarstonden. Toen die de man met hun stokken begonnen af te ranselen, riep rechter Sawrey: ‘Gooi hem de stad uit! Maak dat hij hier nooit meer terugkomt!’

‘Laat dat maar aan mij over, Edele Heer,’ brulde John McHair. ‘Ik sla 'm tot moes, met de blote vuist, en als dat niet lukt: hiermee!’ Hij hield de knoestige stok omhoog die hij altijd bij zich had als Charles hem tegen donker in de buurt van Sawreys park zag rondhangen.

‘Brave man!’ riep de rechter. ‘De God onzer vaderen is met je!’

Charles Fell stond op om de vechtende menigte te volgen.

 

***

 

Bonifacius Baker had buiten de kerk staan wachten omdat die vol was; hij zag tot zijn ongelovig afgrijzen hoe John McHair, de stroper, George Fox de deur uitsleurde en de stoep afsmeet, waar de mannen van de schout hem zo wreed met hun stokken begonnen te beuken dat Bonny gilde, ‘Nee, nee! Hou op! Hou op!’ en zijn vriend te hulp kwam. Hij probeerde de schout tegen te houden door hem bij de arm te grijpen, maar hij werd opzij gesmeten zonder dat de man hem opmerkte; toen dromde er een menigte vechtenden uit de kerk: mensen die hij kende, maar die plotseling in schrikaanjagende wilde beesten herschapen leken te zijn, die brulden en kreten, met wijd opengesperde ogen. Ze wierpen zich allen op het lichaam van zijn vriend, dat op de grond lag; Bonny vergat hoe klein hij was, hoe zwak en begon zich door de maaiende vuisten en de trappende laarzen een weg naar George te banen.

Hij struikelde; hij werd getrapt, gestompt, omvergesmeten; het was

[p. 59]

alsof hij door een kudde op hol geslagen vee onder de voet werd gelopen, maar iets dreef hem voort, sterker dan pijn en angst. Hij moest bij George zien te komen, hij moest dat arme lichaam beschutten tegen de slagen, de laarzen die maar bleven trappen, terwijl de dolle menigte hem langzaam naar het open heideveld sleurde.

Bonny had net de hoop opgegeven toen hij het hoge, angstige gehinnik van een pony hoorde, de gil van een jongen. De menigte weifelde. Op dat ogenblik lukte het hem, rap als een fret, naar George toe te krabbelen en hem bij een been te grijpen. Toen begonnen de trappen en slagen weer van voren af aan, maar dit keer was hij zelf een deel van het lichaam dat ze mishandelden.

 

***

 

Charles Fell, op zijn pony, had de vechtenden ingehaald aan de rand van de stad, bij het bruggetje over de rioolgreppel. Mensen wie het bloed langs hun gezicht stroomde werden in de greppel gesmeten, hun krijten was zo ijzingwekkend dat Charles zijn sporen in Faggots flanken stampte; maar voor de pony zich uit de voeten kon maken schreeuwde iemand: ‘Daar heb je hem! De zoon van de heks! Grijp hem, mannen, grijp hem!’ Even leek het dat Faggot hun toch nog te vlug af zou zijn, toen gleden zijn hoefjes uit op de keien. Hinnikend van angst smakte het dier tegen de grond.

Charles gilde: ‘Moeder! Moeder! Help, moeder!’ Hij werd door ruwe handen gegrepen, boven de schreeuwende hoofden getild en in de greppel gesmeten. Daar bleef hij in de stinkende moer liggen, naar adem snakkend. Hij voelde de koude drab door zijn kleren sijpelen en hem in de diepte zuigen tot alleen nog zijn hoofd, met open mond en ogen vol doodsangst, boven de oppervlakte uitstak. Overal om hem heen jammerden mensen, die zich in de drek wentelden, verstikt door de pestilente stank van de uitwerpselen van Ulverston, de stad van zijn vader.

‘God,’ bad hij, ‘God, moeder, ik ga dood ... Help! Help!’ Maar niemand hoorde hem.

 

***

 

Nadat ze hem over het bruggetje hadden gesleurd, viel de menigte opnieuw met stokken en knuppels op George Fox aan en bleef hem afranselen. Maar terwijl hij voortgesleept werd, groeide er een stijgende vervoering in hem die toenam tot hij wist: ‘God is hier, ik ben geborgen in Zijn liefde.’

Op dat ogenblik laaide de kracht des Heren door hem heen. Hij wierp zijn aanvallers van zich af, stond op, breidde zijn armen uit en riep met luide, blijde stem: ‘Sla maar, beminde vrienden! Hier zijn mijn armen! Hier is mijn andere wang!’

[p. 60]

Zijn kwelgeesten deinsden verbijsterd achteruit. Pijn en angst waren als een mantel van hem afgevallen; alleen een aan zijn been hangend gewicht probeerde hem nog naar de grond te trekken. Toen riep de baardige reus die hem in de kerk bij de kladden had gegrepen: ‘Doorgaan met slaan, Quaker? Heb je tot nu toe alleen maar zachte klappen gehad? Goed, dan zal ik je nou eens goed raken!’ Hij sloeg met een knuppel zo hard op Fox' uitgestrekte hand dat een vlammende pijn door alle pezen heen tot in zijn borst schoot en hem de adem benam. Hij wankelde, alles wat sterfelijk in hem was schreeuwde het uit van pijn. Toen laaide de kracht des Heren door zijn arm, zijn hand, en de pijn verdween. Christus, de gegeselde, die struikelend de weg naar Golgotha was gegaan, stond in hem op, vol oneindige tederheid. Hij hief langzaam zijn armen op in een gebaar van zegen en zei: ‘De liefde en de barmhartigheid van de levende God zij met u allen, amen.’ Het gewicht aan zijn been viel nu ook van hem af.

Hij keek om zich heen naar de menigte, zo vervuld met liefde jegens hen allen dat tranen in zijn ogen schoten. Een soldaat drong zich met getrokken zwaard door de drom naar hem toe en zei: ‘Ik zal u beschermen, mijn heer, want u bent een mán!’ Maar hij antwoordde: ‘Steek je zwaard in de schede, vriend, en leef in de liefde die de oorzaak van alle oorlogen wegneemt.’

Toen liep hij terug naar de stad. Onder het gaan groeide de menigte. Hij beklom de pomp op het marktplein en hield daar de preek van zijn leven.

 

***

 

Toen Bonny Baker wakker werd, wist hij niet waar hij was. Overal om hem heen werd er gejammerd en gekreund: ‘Help ... help! Toe, is er dan niemand? Help...’ Hij wilde vluchten, maar zodra hij zich bewoog gilde hij het uit van pijn en viel weer neer. Maar hij had George gered! De herinnering aan die triomf was een ogenblik sterker dan de pijn; het lukte hem op een elleboog steunend overeind te komen; overal om zich heen zag hij mensen op de weg en de brug liggen, sommigen bewogen, sommigen kreunden. Hij kon niet zien wat er aan de overkant van de brug gebeurde, maar hij hoorde stemmen, paarden; toen kwam er een bemodderd lichaam uit de rioolgreppel kruipen en het wankelde naar hem toe. Hij herkende jonker Charles, overdekt met drek, bloedend uit een wond op zijn gezicht, met ogen alsof hij slaapwandelde.

‘Jongeheer Charles ... Help ... help!’ Pijn schoot weer door zijn lijf; hij viel bewusteloos neer.

Toen hij weer bijkwam stonden er mannen om hem heen. Iemand bukte zich, pakte hem bij de schouder en riep: ‘Bonny? Bonny, jongen? Ben je gewond?’ Het was sinjeur Woodhouse. Bonny barstte in tranen uit. ‘Stil jongen, kalm toch,’ zei sinjeur Woodhouse.

Hij voelde handen onder zijn lichaam schuiven, die hem trachtten op te

[p. 61]

tillen. De pijn was zo ondraaglijk dat hij het uitgilde.

‘Het is zijn dij,’ hoorde hij sinjeur Woodhouse zeggen, wiens stem galmde alsof hij op de bodem van een put lag. ‘Voorzichtig, ik denk dat hij een been gebroken heeft.’

De handen verstevigden hun greep; toen ze hem optilden opende hij zijn ogen wijd, zag het gezicht van sinjeur Woodhouse boven zich en riep: ‘Ik heb een wonder verricht! Mijn heer Woodhouse, ik heb een wonder verricht!’

Sinjeur Woodhouse keek op hem neer zoals hij nog nooit naar hem gekeken had en zei: ‘Ik weet het, kereltje, ik weet het. Maar nu brengen we je veilig naar huis.’

Pijn overweldigde hem, en hij duizelde terug in vergetelheid.

 

***

 

Margaret Fell kreeg een eerste besef van wat er gebeurd was toen Will Hartford, de stalmeester, haar kwam vertellen dat de pony van jonker Charles daarnet alleen thuis was gekomen, zo schichtig en nerveus dat hij vreesde dat er een ongeluk gebeurd moest zijn. Hij stelde voor dat hij de hei op zou gaan om naar Charles te zoeken, die vast en zeker uit de zadel geslingerd was; misschien was de pony door een ram aangevallen, de paartijd van de schapen was net begonnen.

Ze wist onmiddellijk dat het geen ram was geweest. Ze beval Will Hartford het tweespan gereed te maken en riep Ann Traylor toe hun beider mantels te halen en haar te vergezellen. Ze stond op het punt in de koets te stappen toen Will Hartford riep: ‘Mevrouw, kijk!’ Ze zag hoe haar zoon de binnenplaats opwankelde, bebloed, onder de modder, en hoorde hem haar naam roepen.

Ze holde naar hem toe, knielde voor hem neer, drukte zijn sidderende, stinkende lichaam tegen zich aan. De vunze lucht van zijn kleren en zijn haar was afgrijselijk; hij beefde onbedaarlijk; hij snakte naar adem; het enige wat ze kon doen was hem naar binnen brengen, terwijl ze, zo vuil als hij was, zijn gezicht kuste en fluisterde: ‘Liefje, lieveling, niet huilen, ik ben hier, ik ben hier, niet bang zijn, je bent thuis, je bent veilig...’

Ze baadde hem en stopte hem zelf in bed. Voor hij eindelijk in slaap viel, zei hij: ‘Ze hebben me pijn gedaan. Ze hebben me verschrikkelijk pijn gedaan...’

Haar eerste opwelling was met haar hele gezin te vluchten. In de stad was men klaarblijkelijk gek geworden. Ze hadden een weerloos kind aangevallen, God wist wat ze nog meer zouden doen. Ze zou met haar hele gezin in de reiskoets stappen en naar haar tante in Great Urswick gaan, of, nog beter, naar opperrechter Cartwright in Gleaston, de leermeester van haar man. Hij zou beter in staat zijn haar te beschermen dan tante Clara, die niets anders had om haar tegen een dolzinnige menigte te beschutten dan

[p. 62]

een oude stakker van een tuinman en een kaketoe die vuile taal uitsloeg.

Maar George dan? Als de ploerten dit een kind hadden aangedaan, hoe hadden ze hém dan wel niet mishandeld? Als ze niet zo zelfzuchtig was geweest en alleen maar aan haar eigen veiligheid had gedacht, zou ze vanmorgen in de kerk hebben gezeten en dan zou heel die misère louter door het gewicht van haar gezag voorkomen zijn.

Een ogenblik dacht ze eraan om iedereen in huis aan zijn lot over te laten en er zelf op uit te gaan om George te zoeken. Toen werd er op de deur geklopt: Thomas Woodhouse kwam vragen of hij Will Hartford en Harry Martin mocht meenemen om naar de bedienden te gaan zoeken die niet waren thuisgekomen; Henderson, de kleine Mabby, Bonny Baker. Ze gaf hem toestemming om te gaan; toen voegde ze eraan toe: ‘Kijk ook of je George Fox ergens ziet.’ En toen hij de deur bijna uit was: ‘Breng iedereen maar hier die hulp of onderdak nodig heeft.’ Thomas zei: ‘Tot uw dienst, mevrouw.’ Ze beseften geen van beiden dat ze in hun oude standsverhouding waren teruggevallen.

 

Margaret was onvoorbereid op wat er volgde; toen een uur later de eerste gewonden werden binnengebracht, was ze ontzet over de omvang van de ramp. Een van hen was Bonny Baker, bewusteloos, bont en blauw, kreunend toen de mannen hem op de bank in de vestibule legden. Ze hoorde dat hij een gebroken dijbeen had en stuurde Harry Martin naar de apotheker. Gelukkig dat ze dit deed; Bonny Baker was de eerste van velen; allemaal bebloed, afgerost, doodsbang; allemaal smeekten ze haar hen te beschermen tegen de razende duivels in de stad.

Ze was verbijsterd, onthutst en doodsbang. Toen dwong de toenemende warwinkel van al die gewonde mensen, krankzinnig van angst of verlamd van ontzetting, haar om de werkelijkheid onder ogen te zien.

De meesteresse van Swarthmoor Hall nam het gezag over van de warhoofdige Maggie en haar fantasieën; ze begon met kalme vastberadenheid het huis in een hospitaal te veranderen. Ze liet de matrassen van alle bedden naar beneden brengen, het beddegoed tot repen verbandlinnen scheuren, water, handdoeken, kamillethee, wijn aandragen; ze haalde haar hele huis overhoop om hulp en bijstand te verlenen aan de slachtoffers van haar dwaasheid. Maar ze wist dat haar wereld nooit meer de oude zou worden en dat voor Swarthmoor Hall het uur der vergelding had geslagen.

 

***

 

Toen Henrietta Best op de drempel van het Huis stond en met ontzette ogen naar het tafereel in de vestibule staarde, draaide ze zich bijna om, om de vlucht te nemen. Overal, op de vloer, op de banken, voor de haard, op de trap naar de bovenverdieping, op de galerij, lagen gewonden op matras-

[p. 63]

sen, rijen kussens, stapels dekens. Bedienden liepen heen en weer om wonden te wassen en te verbinden of zieken te steunen bij het drinken uit porseleinen kopjes en tinnen kroezen. Het leek allemaal zo sprekend op La Couvertoirade, nadat de troepen van de kardinaal hun eerste aanval op de stad hadden gedaan, dat de opwelling om te vluchten haar bijna te machtig werd. Toen hoorde ze een kinderstem roepen: ‘Mama!’

Een klein meisje, niet ouder dan een jaar of vijf, liep naar haar moeder toe; ze torste een kan water die veel te zwaar voor haar was. Die aanblik bracht Henrietta tot het besef waarom ze hier naar toe was gekomen: hier was een kans om, eindelijk, een postume zin te geven aan de lijdensweg van haar eigen kinderen. Ze moest die kans snel grijpen, voordat het vlees weer zwak werd. Ze haastte zich langs de bedden, veronachtzaamde de smekend naar haar uitgestrekte handen en vond Margaret Fell gebogen over het staljongetje, dat zijn been gebroken scheen te hebben. Zij wist de vrouw een leeg kamertje binnen te loodsen, naast de vestibule; daar, in het halfduister, vertelde ze haar wat haar te wachten stond als ze niet bij zinnen kwam. Ze vertelde over de Hugenoot op wie zij verliefd was geworden om de geestelijke hartstocht die hem bezielde. Hoe ze na vier jaar huwelijk voor vervolging moesten vluchten, met achterlating van al hun wereldse goederen; hoe ze waren ondergedoken, met vijfhonderd andere Hugenoten, in het stadje La Couvertoirade, in een poging aan de huurlingen van kardinaal Richelieu te ontkomen; hoe, na een belegering van vijf weken, de tot razernij gebrachte soldaten ten slotte de muren doorbroken hadden en iedere man afgemaakt, iedere vrouw verkracht, en haar kinderen ... Ze kon het niet zeggen. Ze bedekte haar gezicht met haar handen, probeerde zich tot spreken te dwingen, maar ze kon het niet. Ze voelde de arm van Margaret Fell om haar schouders; ze bemerkte dat er iemand anders de kamer was binnengekomen omdat de arm werd weggenomen. Ze hoorde haar roepen: ‘George!’

Fox stond in de deuropening, bemodderd, zijn kleren aan flarden. Maar er straalde een kracht en een licht van hem uit die onweerstaanbaar waren voor iedere vrouw, oud of jong, getrouwd of weduwe, maagd of hoer. Het deed er niet toe hoe hij zich noemde, Paulus, Savonarola, Calvijn, Rohan, hij was altijd dezelfde en zou dat altijd blijven; hij was het monster dat haar kinderen verslonden had.

‘Ben je gewond?’ vroeg Margaret Fell, met de stem van alle vrouwen die ooit liefde voor een heilige hadden opgevat en daar haar hele verdere leven voor hadden moeten lijden.

‘Ja,’ zei hij, ‘maar de kracht Gods kwam over me en mijn wonden werden door een wonder genezen. Ik liep voor mijn vijanden uit naar het marktplein, en daar schudde de kracht des Heren hen als een wervelstorm.’

‘Een wonder?’

Henrietta riep uit: ‘Ja! Hij verricht wonderen! Hij geneest zieken, hij wekt de doden op, hij heelt wonden, hij drijft boze geesten uit! Maar weet

[p. 64]

je wat er met je kinderen gebeurt als je je niet van dit monster losrukt, nu, meteen, nu het nog tijd is?’ Margaret probeerde haar te sussen; maar ze riep: ‘Ze zullen de deur intrappen, ze zullen je kinderen uit je armen rukken, ze zullen ze bij hun enkels grijpen, en ze terwijl ze jouw naam uitschreeuwen met hun hoofden tegen de muur te pletter slaan! En terwijl jij je hart uit je lijf gilt zul je worden verkracht, in hun bloed, in de brij van hun hersens!’

Een roerloos ogenblik zweefde zij op de rand van een afgrond, de dood zelf. Toen opende Fox zijn armen en zei: ‘Vriendin...’ Hij zei het met zoveel tederheid en begrip dat ze bezweek. Zijn beschuttende armen leidden haar naar een stoel, waar ze verslagen in neerzonk. Opnieuw was ze gezwicht voor de onpersoonlijke liefde van een heilige.

Ze voelde een hand op haar schouder en keek op. Margaret Fell stond voor haar en stak haar een zwachtel toe. Ze staarde de vrouw aan, die haar vroeg haar leven weer op te vatten waar het vierentwintig jaar geleden was afgebroken; toen hoorde ze haar naam roepen. Daar stond haar man, in de deuropening. Zij strekte haar armen naar hem uit en smeekte: ‘Chéri, chéri! Neem me mee, neem me mee! Je t'en supplie!’

Hij leidde haar weg, teder, van haar ogenblik der waarheid.

 

***

 

De aanblik van de gewonden had George Fox ontnuchterd, de uitbarsting van de Franse vrouw hem diep geschokt. Hij ging naar de vestibule terug en boog zich over de staljongen met zijn krijtwitte gezicht. Zijn been was gebrekkig gezwachteld met twee croquethamers bij wijze van spalken. ‘George’, fluisterde het jongetje, ‘ik heb je gered, George; is het niet George, ik heb je gered?’ Hij legde zijn hand op het voorhoofd van het kind, overweldigd door twijfel.

Een uur geleden had de kracht des Heren zijn hand genezen en hem in staat gesteld zijn kwelgeesten een boodschap van hoop en liefde te geven. Nu ervoer hij een ogenblik van volslagen wanhoop. Opnieuw hoorde hij de stem van die vrouw, zag hij de beelden die zij had opgeroepen.

‘De apotheker zegt dat hij me niet kan genezen,’ zei de jongen, ‘maar hij kan geen wonderen verrichten zoals jij, George...’

Bij het zien van dat gezicht, stralend van vertrouwen en aanbidding, strekte Fox zijn hand naar het kind uit en smeekte de oneindige oceaan van licht en liefde hem te verlossen van pijn en angst, zijn gebroken been te genezen. Maar hij voelde zelf dat zijn smeekbede onbeantwoord zou blijven; de kracht des Heren was uit hem geweken. Hij was vol wanhopig medelijden met het kind dat zijn vertrouwen beschaamd zag. ‘Mijn God,’ bad hij, ‘waarom hebt Ge mij verlaten?’ Toen sloeg hij zijn ogen op. ‘Vriend Bonny, de Heer zegt: nog niet.’

Het kind keek hem verbijsterd aan.

[p. 65]

‘Vraag me niet waarom. God spreekt alleen maar nu en dan door mij. Het enige wat ik je op dit ogenblik kan geven is mijn dankbaarheid voor wat je hebt gedaan, en mijn trots dat ik je vriend mag zijn.’

De blijdschap en verwachting op het gezicht van de jongen vervlogen. ‘Ja, George,’ fluisterde hij.

Fox kon het niet langer verdragen. Hij draaide zich om en wilde naar buiten gaan, maar een hand op zijn arm hield hem tegen. Het was Margaret Fell; hij had niet gemerkt dat ze naast hem stond. ‘George? Alles goed met je?’

‘Ja.’ Hij liep weg, langs de bedden, naar buiten, de nacht in.

Een bleke halve maan scheen door de jachtende wolken. Hij stond in het donker, vertwijfeld, toen een fluisterstem hem aanriep: ‘Quaker?’

Hij keek om zich heen, maar zag niemand. Het had geschenen dat de stem van boven kwam, maar daar was alleen maar de maan, de jagende wolken.

‘Quaker? Kom 's hier...’

Nu scheen de stem uit de boomgaard te komen.

‘Waar?’

‘Hier.’ De donkere gedaante van een man stapte uit het duister van de boomgaard in het licht van de maan. Het was de man die hem had afgeranseld. ‘Laat me je hand 's zien, Quaker,’ zei hij.

Hij hief zijn arm op. De man nam zijn hand en kneep er met kracht in. Toen hij niet van pijn ineenkromp scheen de man verbijsterd. ‘Laat me je andere hand zien.’

Fox gehoorzaamde; de man kneep ook in die hand, toen zei hij kalm: ‘Geef me die andere weer'.’

‘Waarom?’

‘Ik ga 'm nog een klap geven, een rake, dit keer.’

Hij was vaak met geweld bedreigd; God in hem was altijd meteen in beweging gekomen. Nu scheen er niets binnen in hem te zijn, alleen een doffe wanhoop. Hij zag de man zijn knuppel opheffen: ‘Nee! Niet doen!’

‘Waarom niet? Omdat er geen andere mensen bij zijn? Ben ik niet goed genoeg voor een wonder?’

‘Ik heb het wonder niet verricht, maar God! En Zijn kracht is van me weggenomen.’

‘Geen praatjes,’ zei de man met de knuppel. ‘Hou je hand op.’

‘Niet doen! Dit keer zul je hem breken!’ Maar toch strekte Fox zijn hand weer uit.

De ander liet de knuppel zakken. ‘Waarom doe je het dan, man?’

‘Misschien is dit de manier waarop God me wil straffen voor het lijden dat ik heb veroorzaakt.’

‘Welk lijden?’

‘Al die mensen, binnen. Dat kind met zijn gebroken been.’

‘Ben je nou helemaal gek geworden?!’ riep de man woedend uit. ‘Dat

[p. 66]

heb jij niet gedaan! Ik en de jongens hebben die mensen afgeranseld! Ik heb jou afgeranseld!’

‘Ik was de oorzaak van al dit geweld. Ik geloofde dat ik in Gods naam handelde. Nu heeft Hij Zich van mij afgewend.’ Opnieuw strekte hij zijn hand uit. ‘Sla toe!’ riep hij. ‘Breek hem maar! Als God dit van me verlangt om mij weer te ontvangen in Zijn liefde, breek hem maar! Sla! Sla toe!’

Even bleef de man sprakeloos staan. Toen gooide hij zijn stok weg; de knuppel ritselde even in de takken van een boom, toen werd het stil. ‘De duivel hale jou en je streken!’ riep hij. ‘Laat rechter Sawrey zelf zijn vuile zaakjes maar opknappen!’ Hij draaide zich om, om weg te gaan, maar bedacht zich.

‘Waar is dat kind met een gebroken been?’ vroeg hij, nors. ‘Binnen?’

‘Ja.’

‘Breng me er maar 's heen.’

‘Waarom?’

‘Ik kan botten zetten. Ik heb 't wel tien keer gedaan. Ik heb 's een hond gehad die zijn dijbeen brak in een klem; we hebben samen nog jarenlang in 't bos gewerkt.’

Fox aarzelde, toen zei hij: ‘Ga mee.’ Samen gingen ze het huis weer binnen.

Zo kwam het dat John McHair de stroper Bonny Bakers gebroken dijbeen zette. Hij bleef, om de vrouwen te helpen met kruiken water sjouwen en ketels soep uit de keuken aan te dragen; toen ze later op die avond samenkomst hielden zat hij te midden van hen.

Gedurende de stilte keek George Fox naar de stroper tegenover hem. Daar zat hij, een wolf in het Koninkrijk van de Vrede. ‘En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitebok nederliggen, en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven.’

Plotseling voelde hij weer de ondefinieerbare, onmiskenbare tegenwoordigheid Gods.

terug  begin  verder