De maagdelijke zandvlakte van Morecambe Bay, door het tij ontbloot, lag glinsterend in de zon; de drie ruiters die op de rand van het klif waren verschenen hielden in voor ze hun afdaling begonnen. Zo op het oog waren twee van de drie ondergeschikten; er viel niet te twijfelen aan de gezaghebbende voornaamheid van de man in het midden op zijn witte Arabische merrie. Zijn reiskleren, overdekt met stof, verschilden niet opvallend van die van de anderen; maar zijn opgemaakte pruik onderscheidde hem als een man van stand. Zodra hij de koele zeebries voelde nam hij zijn pruik af en wierp die naar de man rechts van hem, die het ding handig opving. Hij zag er opeens oud uit met zijn kortgeknipte grijze haar, een Romeinse generaal die de zandvlakte overzag alvorens die over te steken.
Hij bleef even zitten, de ogen gesloten, genietend van de bries na hun lange, stoffige rit; zijn nerveuze, dampende paard trappelde onder hem met een gerinkel van kettingen en het kraken van leer. ‘Ha,’ zei hij. ‘Het doet goed weer thuis te zijn!’ Alsof hij zichzelf betrapte op een ogenblik van onbeheerste emotie opende hij zijn ogen en zijn gezicht kreeg weer de hooghartige uitdrukking. ‘Vooruit,’ zei hij, ‘laten we verder gaan. Het tij is gunstig.’
De ruiters begonnen de steile helling af te dalen. Een vogel vloog op uit een bremstruik; het door de hoeven van de paarden opgeworpen zand ritselde in de helm. De wind die boven op het klif fris en zuiver gewaaid had bracht nu de muffe geur van rottend zeewier, van myriaden stervende zeediertjes op het wad, ontbindend tot vruchtbare grond voor toekomstige generaties. Vaak had Thomas Fell als jongeman met een in de keel kloppend hart over het zand van Morecambe gegaloppeerd, in een dwaze wedloop met het opkomende tij, zich afvragend of hij te laat op weg was gegaan, met de plotselinge angst voor een ontijdig einde van zijn veelbelovende loopbaan. Het had jaren geduurd voor hij het zand en zijn tijdeloze schoonheid was gaan appreciëren. Daarom hoorde hij met ergernis het gerucht van hoefslagen achter zich naderen. Sam Pruitt, met zijn eeuwig gezeur, kon hem weer eens niet met rust laten.
‘Ja, wat is er?’
Maar het was Sam Pruitt niet, het was Charles, zijn rijknecht, die op een eerbiedige afstand achter hem had gereden maar bij het zien van een groepje ruiters dat van de andere oever naderde naar voren draafde om zijn meester te beschermen. Het was een symbolisch gebaar, maar hij reed op
de ruiters in de verte toe, een veelvoetig gewirwar in de lichte nevel dat met wapperende mantels kwam aandraven.
‘Is dat dominee Lampitt niet, Your Lordship?’ vroeg een stem aan zijn andere kant. Ditmaal was het Sam Pruitt.
‘Ik zou het niet kunnen zeggen.’
‘Ze schijnen nogal haast te hebben, niet?’
Fell gaf geen antwoord; het zou de man alleen maar aanmoedigen.
‘Ik vraag me af of ze ons komen verwelkomen?’ Sam sprak altijd over ‘ons’, als een vroedvrouw.
‘Waarom rij je niet vooruit om erachter te komen?’
De secretaris gaf zijn paard de sporen. Toen hij Charles Cotten inhaalde, draaide deze zich met een gekwetste blik in zijn zadel om; Thomas Fell maakte een sussend gebaar om hem te beduiden dat dit niet kwaad bedoeld was. Wat hadden bedienden toch een lange tenen! Ze bereikten beiden tegelijk het groepje naderende ruiters; even krioelden ze allemaal door elkaar heen; toen kwam Sam teruggalopperen. De ruiters waren nu zo dichtbij dat Thomas Fell enkele gezichten kon herkennen: dominee Lampitt, John Sawrey, Rutledge. Het leek wel een delegatie; toen Charles terug kwam draven riep Fell hem toe hem zijn pruik terug te geven. Het hijgende paard van zijn secretaris kwam naast hem rijden.
‘Your Lordship!’ riep Sam Pruitt. ‘Er is iets bij u thuis gebeurd! Iets met uw gezin! Het schijnt dat uw vrouw...’ Zijn stem verdronk in het geroffel van hoeven toen de ruiters zich bij hen voegden.
Zoals altijd als er een ramp dreigde, verstarde Thomas Fell. Onmiddellijk ging er tussen hem en de realiteit een ophaalbrug omhoog, zodat er tijdelijk een ongenaakbaarheid teweeg werd gebracht die hem in staat stelde iedere catastrofe onder het oog te zien. Hij verwelkomde de opgewonden heren op hun schuimbekkende paarden met terughoudende hoofsheid; Lampitt lichtte eerbiedig zijn hoed en riep: ‘Your Lordship! We hebben droevig nieuws over uw gezin! Mevrouw, uw dochters, zelfs uw bedienden hebben zich met hekserij ingelaten!’
Thomas Fell was opgelucht. Er waren tenminste geen doden gevallen.
‘De dominee heeft gelijk, vrees ik,’ zei een hoge, parmantige stem. Het was John Sawrey. ‘Tijdens uw afwezigheid verleende mevrouw Fell gastvrijheid aan een zwervende evangelist die haar en uw huishouding onder zijn ban wist te krijgen. De man heeft een kerkdienst verstoord met profaniteiten waarin hij helaas door mevrouw uw echtgenote gesteund werd; eergisteren verscheen hij opnieuw in de kerk en veroorzaakte een vechtpartij waarbij een groot aantal gemeenteleden gewond raakte. Het spijt me te moeten melden dat mevrouw Fell de schurk in bescherming heeft genomen; hij vertoeft op dit moment onder uw dak. Als de hoogste autoriteit in het district, en ik neem aan ook in uw huis, appelleren wij aan u om een en ander zonder verwijl recht te zetten.’
De woorden ‘ik neem aan ook in uw huis’ vervulden Thomas Fell met
woede. Alle Goden! Hoe durfde die vervloekte parvenu! ‘Moet ik hieruit opmaken, mijne heren, dat u me tegemoet bent gekomen om me te vertellen hoe ik mijn huishouding moet bestieren?’ vroeg hij, wetend dat dit onverstandig was; maar Sawrey had hem diep gekrenkt.
‘Welnee, Thomas Fell!’ gromde een zware stem vlakbij. ‘Natuurlijk niet!’ Het was Rutledge, zijn buurman, een jonker met een hart van goud maar net zoveel hersens als zijn bulhonden. ‘We wilden je alleen maar over de toestand inlichten voor je thuiskwam, zodat je erop voorbereid zou zijn.’
‘Juist, dank je. En nu,’ vervolgde Fell, zich tot de dominee wendend, ‘wilt u zo vriendelijk zijn dat woord “hekserij” te verklaren?’
‘Nu ja, Your Lordship, de houding en de handelingen van uw echtgenote...’
‘Beseft u, dominee, dat een beschuldiging van hekserij een zeer ernstige zaak is? Bent u van plan die vol te houden of zei u het in de hitte van uw opwinding?’ Zonder op een antwoord te wachten draaide Fell zich naar Sawrey om. ‘Ik neem aan dat u de beschuldiging ondersteunt?’
Ofschoon hij er uiterlijk niets van liet merken, moest Sawrey onmiddellijk beseffen wat die vraag inhield. Ondanks zijn lachwekkende hang naar de grote wereld was hij een goed jurist, zo gevat als geen ander. ‘Ik bied, mede namens dominee Lampitt, onze verontschuldigingen aan voor het ongelukkige woord,’ zei hij. ‘Het werd inderdaad in haast gezegd.’ Hij wendde zich tot de predikant. ‘Ik ben ervan overtuigd dat dominee Lampitt ook graag zijn excuses zal aanbieden; hij beseft klaarblijkelijk niet precies wat het woord inhoudt.’ Hij zei het minzaam, maar aan zijn nijd viel niet te twijfelen.
Lampitt fleemde onmiddellijk: ‘Vergeef mij, Your Lordship!’ en hij nam opnieuw zijn vieze zwarte hoed af. ‘Inderdaad zei ik het overijld, in - in mijn bezorgdheid over de ernst van de situatie...’
‘Hoe ernstig is die precies? Zijn er doden gevallen?’
‘Nee, Your Lordship...’
‘Materiële schade? Vee omgekomen?’
‘Nee...’
‘Ik vrees dat het toch iets ernstiger is,’ kwam Sawreys koele stem tussenbeide; hij was zich er van bewust dat zijn eminente collega bezig was de getuige te intimideren. ‘Ongetwijfeld op aanstichten van de godslasteraar heeft mevrouw uw echtgenote beslist dat er geen onderscheid in rang tussen uw gezin en uw bedienden meer mag zijn. Iedere avond is er een soort heidense bijeenkomst van hoogst emotionele aard, waarbij de bedienden worden aangemoedigd alles te zeggen wat hen maar voor de mond komt; een paar nachten geleden hebben zich op uw binnenplaats taferelen van stuitende wellust afgespeeld...’
‘Wat verstaat u onder stuitende wellust, Sawrey?’
‘Leden van uw personeel dansten naakt in de maneschijn en eindigden in gemeenschappelijke ontucht op de grond.’
‘Hoe weet u dit? Was u erbij?’
‘Ik heb ooggetuigen.’
‘Die tot mijn huishouding behoren?’
‘Inderdaad.’
‘En die, neem ik aan, dus ook onder de ban zijn van dit satanische heerschap, hoe de man ook heten mag?’
‘Beslist niet. Ze behoren tot de weinigen die de godslasteraar hebben weerstaan. Hun getuigenis is boven alle verdenking verheven.’
‘Wiens verdenking? De uwe?’
De kleine man keek hem koel aan. ‘Inderdaad.’
‘In dat geval eis ik dat u een officiële aanklacht bij me indient tegen Margaret, echtgenote van Thomas Fell van Swarthmoor Hall.’
‘Aanklacht?’ Het gezicht van de vervloekte intrigant begon eindelijk enige emotie te vertonen.
‘Ik kan dan een beschuldiging wegens laster uitbrengen tegen u en ieder ander die vindt dat wat er in het holst van de nacht op het binnenplein van mijn huis gebeurt hem voldoende raakt om mijn gezin in de gevangenis te gooien.’ Het was theatrale bluf, maar Sawrey was de enige onder hen die zich daarvan bewust kon zijn.
‘Kom, kom, Fell, dat was onze bedoeling niet,’ protesteerde Simon Rutledge, grommend als een bulhond.
Toen kwam Rutherford tussenbeide. ‘Kom, beste vriend,’ zei hij met rustige stem, ‘de hele zaak kan een beetje opgeblazen zijn, maar waar we ons zorgen over maken is de plotselinge voet van gelijkheid waarop je bedienden en je gezin verkeren; het begint op onze eigen huishoudens over te slaan. Te duivel, vanmorgen vertelde mijn vrouw me dat onze keukenmeid had geprobeerd “jij” en “jou” tegen haar te zeggen, en toen ik het mens daarover ging kapittelen begon ze te bazelen over de man Fox en “het goddelijke” in haar en mij dat hetzelfde was, of zo iets. Die Fox is gewoon een oproerkraaier, zoals we die sinds de revolutie herhaaldelijk hebben zien opduiken, maar in dit geval is het de steun van je vrouw die hem tot een gevaar voor de gemeenschap maakt. Laten we dus geen grote woorden gebruiken zoals hekserij, maar dit als buren onder elkaar regelen. Nietwaar, heren?’ Hij keek om zich heen. De anderen mompelden hun instemming; ze waren kennelijk opgelucht.
‘Dank u,’ zei Fell koel. ‘Terwijl we verder gaan wil een van u misschien zo vriendelijk zijn me rustig en zonder verdere emotie van de feiten op de hoogte te stellen?’
‘Mij dunkt dat ik, als zielenherder, daartoe de aangewezen persoon ben,’ zei Lampitt, erop gebrand de schade ongedaan te maken.
‘Nee, dank u,’ zei Fell. ‘Ik wil niets meer over godslastering horen. Ik wil de feiten weten.’ Hij wendde zich tot Rutherford. ‘Vertel me 's wat meer over de huishoudelijke problemen van je vrouw,’ zei hij, met onschuldige minzaamheid.
***
Terwijl zij terugreden naar Ulverston en de nuchtere Rutherford zijn relaas deed van de gebeurtenissen op Swarthmoor Hall, sloeg William Best Fell gade. De man had Sawreys uitdaging behendig gepareerd, maar hoe zou hij de verdere situatie gaan aanpakken? Hoe kon die stokebrand Fox worden weggewerkt, voordat hij kans kreeg nog meer kwaad aan te richten? Hoe kon die onstuimige vrouw ertoe worden gebracht, de draad van het leven weer op te nemen alsof er niets gebeurd was?
Hij kreeg geen kans een woord met Fell te wisselen totdat Rutledge en Rutherford afscheid namen en elk de weg naar zijn eigen huis insloeg. Zodra ze uit het gezicht waren, kwam Best naast zijn collega rijden en vroeg: ‘Heeft mijn knecht het klaargespeeld je gisteren te vinden?’
‘Nee, ik heb hem niet gezien.’
‘Dat begrijp ik niet - ik heb hem gistermorgen naar je toe gestuurd met een brief om je over een en ander in te lichten. Ik hoef je wel niet te vertellen dat ik deze hele affaire uitermate pijnlijk vind. Wat er verder ook gebeurt, je kunt op mijn medewerking rekenen.’
‘Dank je.’
Aan de manier waarop de donkere ogen hem opnamen zag Best dat Fell zijn aanbod verdacht vond, maar er was op dit ogenblik niets wat hij daaraan doen kon.
Hij reed alleen naar huis, diep in gedachten, en zag tot zijn opluchting dat zijn vrouw weer voldoende hersteld was om hem bij het hek te verwelkomen. Ze zag er ontspannen uit; het was bewonderenswaardig hoe ze zich steeds weer wist te vermannen.
Ze gingen haar zitkamertje binnen, waar hij twee glazen muskaatwijn inschonk. Misschien kwam het door de opluchting die hij voelde omdat ze weer de oude was, maar het hele geval leek nu tot de juiste proporties te zijn teruggebracht: een storm in een glas water.
‘Arme Margaret Fell,’ zei hij. ‘Sawrey heeft aan haar man verteld over de bedienden, die spiernaakt op het binnenplein rondsprongen. God weet waar hij dat te horen heeft gekregen; de hele stad moet het nu wel weten. Hij voegde er een detail aan toe waar de jongen niet van gerept heeft: het eindigde in gemeenschappelijke ontucht. H'm.’ Hij nam een teug wijn.
‘Voor een man in zijn situatie is er maar één oplossing,’ zei Henrietta nuchter.
‘Welke?’
‘Haar zwanger te maken.’
‘Wat heeft dat nou voor zin?’
Ze glimlachte. ‘Om dat te begrijpen, chéri, zou je een vrouw moeten zijn.’
‘Helaas,’ schertste hij, ‘dat is een van de weinige dingen die ik niet voor
je kan doen.’
Ze lachte. ‘Goddank niet.’ In de ietwat onbehaaglijke stilte die volgde werd er op de deur geklopt.
‘Binnen!’ riep hij, opgelucht.
Het was Kathryn de meid. Ze zouden het vanavond met een koud avondmaal moeten doen, Bonbon was naar bed gegaan met migraine.
Het was een slag, maar ze zagen de crisis met vastberadenheid onder ogen.
***
Op het moment dat haar verteld werd dat haar man het klif opreed, rende Margaret Fell de trap op naar het raam van hun slaapkamer. Het was in de loop van de jaren een traditie geworden: iedere keer als hij thuiskwam van zijn dienstreis ging ze daar staan; op weg naar het huis keek hij dan altijd op en wuifde, dat was hun eerste contact.
Ze was zo zeker van de juistheid van haar handelingen dat ze er niet aan twijfelde of hij zou ze billijken, ook al waren, zoals ze gehoord had, enkele buren hem tegemoetgereden, kennelijk om te stoken.
Er klonk geklepper van hoeven en plotseling verscheen hij voor het hek. Hij zag er vermoeid uit, besmeurd van de reis. Ze keek toe terwijl hij afsteeg en Harry Martin de staljongen kwam toerennen om het paard over te nemen. De domme jongen nam zijn hoed niet af; Thomas sloeg hem die met een klap van het hoofd.
Dat was voor zijn doen zó ongewoon dat ze plotseling ongerust werd. Ze sloot haar ogen en bad om kracht, om goddelijke hulp. Toen ze haar ogen weer opsloeg zag ze Thomas naar de voordeur lopen zonder op te kijken naar het raam, en uit het zicht verdwijnen. Dit had hij nog nooit gedaan. Ze wachtte nerveus op zijn voetstappen in de gang, maar die kwamen niet. Ze was erop voorbereid geweest dat hij boos zou zijn, niet dat hij zou wegblijven. Was hij met iemand gaan praten? Ze moest het weten. Ze greep haar rokken bijeen, liep naar de balustrade van de overloop en tuurde omlaag in de vestibule. Hij was nergens te bekennen.
Ze liep naar beneden. Toen, door het raam halverwege de trap, zag ze hem in de tuin zitten, op de bank bij de rozen. Hij moest zó razend zijn dat hij niet voor zichzelf instond.
Dat was belachelijk! Ze liep de trap verder af om naar hem toe te gaan, alles uit te leggen; toen weifelde ze en bleef staan. Misschien zou eerst iemand anders hem moeten benaderen. Maar wie? Alleen George had de kracht en de autoriteit hem in zo'n stemming tegemoet te treden; maar George was die ochtend vroeg weggegaan en zou niet voor de avond terug zijn. Wie anders zou in staat zijn de woede te trotseren waarin hij zich daar zat te verbijten? Toch leek hij verschrikkelijk eenzaam, zoals hij daar zat, en diep gekwetst. Wat een thuiskomst, arme man! Iemand zou naar hem
toe moeten gaan om hem met liefde te verwelkomen, gewoon met liefde. Zij durfde het niet; een van de kinderen? Mary was de enige die zich nooit door hem had laten intimideren, en hij had zich altijd door haar laten strikken. Het kleine nest! Ze mocht dan pas vijf zijn, maar ze had de listen van een volwassen vrouw.
Margaret ging naar de speelkamer en vond de kinderen daar bijeengekropen rond Ann Traylor, zoals ze altijd deden als het onweerde, behalve Mary die alleen in een hoekje zat, bezig een vel papier in snippers te scheuren, die ze in de zak van haar schortje propte.
‘Wat doe je daar in vredesnaam?’
Het kind keek op met haar grote blauwe ogen. ‘Ik ben iets aan het maken voor vader.’
Ze wilde haar zeggen die rommel uit haar zak te halen voordat ze naar vader toeging, maar bedacht zich. ‘Vader is in de tuin, op de bank bij de rozen. Ik geloof dat hij op je zit te wachten.’
Het meisje zei kalm: ‘Ik ga als ik klaar ben met mijn rassing.’ Het was haar woord voor ‘verrassing’.
Ze ging door met het papierscheuren tot Margaret het wel uit kon gillen; pas toen het hele vel versnipperd was en in haar zak gestopt sprong het kind op en huppelde de kamer uit.
***
Thomas Fell was de tuin ingevlucht omdat, als zijn vrouw hem op dit moment onder ogen was gekomen, het op een laaiende ruzie zou zijn uitgelopen, en hij verafschuwde echtelijke scènes. Hoe vaak had ze zich al niet hals over kop in een of ander onbekookt avontuur gestort! Toen ze nog in Londen woonden, was 't eerst een gaarkeuken voor de armen geweest, toen een school voor weesmeisjes, toen een tehuis voor ouden van dagen. Na hun terugkeer naar Swarthmoor had ze eerst de dorpelingen bij de haren in een koor gesleurd dat klonk als een varkensstal op voedertijd, en toen de puriteinse revolutie alle koren had uitgeroepen tot paapse afgoderij had ze er zonder blikken of blozen een ‘madrigaalclub’ van gemaakt. O! De opschudding, de ergernis die ze met haar bazige eigenzinnigheid had veroorzaakt! Het schoonmaken van de zerken in de kerk bijvoorbeeld, waarbij iedereen in het dorp die lopen kon grafstenen moest schrobben; en die reusachtige kerstfeesten voor de zetboeren, waarbij de hele Hall veranderd werd in een gekkenhuis van dooreenkrioelende plebejers die karrevrachten plumpudding verzwolgen en suikersaus op zijn voorvaderlijke stoelen morsten! Zijn vader, God hebbe zijn ziel, in zijn tijd een berucht vrouwenjager, had, toen hij hoorde dat zijn zoon van plan was met de schuwe kleine Margaret te trouwen, achttien jaar jonger dan hij, uitgeroepen: ‘Je bent stapelgek! Ik ken het meisje nauwelijks, maar dit kan ik je wel vertellen: als je met haar trouwt zal ze je je hele leven achter zich aan laten hollen, tot
je erbij neervalt! Schuw? Bij mijn klok- en hamerspel! Een stormram met rokken aan!’
In die tijd had Thomas de tirade van de oude man met minachting aangehoord, maar hoe hadden de woorden later in zijn oren geklonken! En nu had ze voor de duivel wéér iets onmogelijks gedaan! Hier zat hij nu, na een afmattende reis van drie maanden, hunkerend naar een paar gezellige vreedzame maanden thuis, en waar kwam hij in terecht? In een wespennest! Een boerenkermis! Een opschudding die zo hoog was gelopen dat een delegatie van zijn buren hem tegemoet was komen rijden! Deze keer zou hij haar eindelijk eens over de knie moeten nemen om haar een pak slaag te geven tot ze geen pap meer kon zeggen. Bij God, deze keer ...
Hij ving een glimp van iets dat bewoog, draaide zich om en zag zijn dochter Mary over het tuinpad naderen, gevolgd door een kat en een hond. Haar aanblik vertederde hem, maar de hond scheen de chaos die over zijn huis was gekomen te verpersoonlijken. Het was de stalhond, een smerige oude teef die nooit in huis mocht komen, laat staan in de tuin. Maar daar kwam het mormel, amechtig van dikte, met tepels, uitgerekt door voortdurend moederschap, die over het grind sleepten. Het drietal bleef voor hem staan; en het meisje zei zonder een groet, alsof ze elkaar nog maar enkele ogenblikken geleden gesproken hadden: ‘Ogen dicht.’
‘Waarom?’
‘Ik heb een rassing voor je. Ogen dicht.’
Fell sloot zijn ogen. Hij hoorde een ritselend geluidje; er streken een paar insekten op zijn handen neer.
‘Ogen open.’
Hij keek naar zijn handen; ze waren bedekt met snippers papier evenals zijn knieën, zijn schouders, zijn pruik. Er wiegelden er nog meer omlaag; ze wierp hem snippers toe bij de vuistvol, alsof ze aan het zaaien was. Toen de zak van haar schortje eindelijk leeg was keek ze hem tevreden aan en zei: ‘Ziezo!’
‘Wat betekent dit allemaal?’
‘'t Is sneeuw.’
‘O.’
‘Heb ik voor je gemaakt. Zonder dat iemand het wist.’
Hij zag zichzelf zitten: een woedende man, bezaaid met snippers.
‘Kijk 's’, zei ze. Ze kwam dichter bij hem staan en deed vlak voor zijn neus haar mond open. Het was een klein en kwetsbaar mondje, van een roze kinderlijke onschuld. ‘Kan je het zien?’
‘Wat?’
‘Mijn nieuwe kies. Achterin. Kijk eens goed.’ Ze opende haar mondje nog wijder. Hij tuurde naar binnen; en zag een wit puntje aan de linkerkant van haar onderkaak.
Ze deed haar mond dicht. ‘Gezien?’
‘Ja.’
‘Ik heb het geheim gehouden, maar is er iemand die het misschien gezien heeft zonder dat ik het wou. Ze heeft misschien in mijn mond gekeken toen ik haar riep.’
‘Wie?’
Ze wees op de kat. ‘Wacht; kijk of je het kan zien.’ Ze bracht haar gezichtje weer vlak bij het zijne en riep: ‘Kaatje! Kaatje!’ waarbij ze haar mond wijd opensperde.
‘Ja,’ zei hij. ‘Als je haar van zo dichtbij hebt geroepen, heeft ze het gezien.’
‘Maar Mimi niet, denk ik.’ Ze wees op de oude stalteef die in de zon zat te hijgen. ‘Kijk maar.’ Ze riep: ‘Mimi! Mimi! Mimi!’ zonder haar kaken vaneen te doen. De teef legde uit aangeboren schuldgevoel haar oren plat en likte haar neus.
‘Je hebt gelijk,’ zei hij. ‘Zij kan het niet gezien hebben.’
‘Dan zal ik het haar nú laten zien.’ Zij viel op haar knietjes, nam de kop van de argwanende oude hond tussen haar handen en zei: ‘A-a-a-h. A-a-a-h.’ Het dier rolde zich in bange onderdanigheid op de rug. Het kind zei: ‘Ze heeft het gezien’, stond op en kwam weer bij hem. Ze keek van dichtbij in zijn ogen, eerst het ene, daarna het andere, en vroeg toen: ‘Zal ik je verder vertellen van de muis?’
‘De laatste keer was hij op zolder. Op theevisite bij de vleermuizen.’
‘Nu,’ zei ze, ‘is-ie dood.’
‘Nee toch...’
‘Terwijl je weg was is-ie dood gegaan, begraven, maar daar kreeg hij op een gegeven moment genoeg van en werd weer levend en besloot een dienstreis te maken. De muize-dienstreis, in een heel klein koetsje. Toen-ie in Lancaster kwam, voor het kantongerecht...’
Het werd een lang verhaal, dat ze al vertellend verzon. Ze leunde tegen zijn knie; haar witte handjes bewogen zich vol gratie tegen de rode achtergrond van de rozen, terwijl ze hem met vrouwelijk raffinement haar eigen wereldje binnenlokte.
Van dat wereldje uit gezien was Margarets laatste uitspatting eigenlijk komisch. Ze had vele bizarre fasen doorgemaakt, maar nog nooit een bekering. Hij moest maar eens naar binnen gaan om te horen wat het allemaal te betekenen had, ditmaal.
***
Margaret Fell sloeg hen door het raam van de overloop gade, en zag met vreugde hoe de kleine flirt de sombere woede van haar vader wist te beteugelen. Toen ze binnenkwamen, hand in hand, trad Margaret hem dapper tegemoet, met een glimlach; bij het zien van de snippers papier op zijn pruik en schouders kreeg ze opeens de neiging om het uit te proesten. Hij wierp haar een vernietigende blik toe en liep zonder een woord de
vestibule in, waar de meisjes hem schroomvallig opwachtten. Het was kennelijk niet het juiste moment om het madrigaal te gaan zingen dat ze hadden ingestudeerd; dus hield Margaret, alsof er niets gebeurd was, een luchtige kout gaande door hen aan te sporen honderduit te babbelen over wat ze tijdens zijn afwezigheid hadden gedaan. Hij luisterde naar hen zoals hij naar een breedsprakige getuige placht te luisteren; hij was nooit bijzonder intiem met de meisjes geweest, behalve Mary. Hij vroeg waar zoon Charles was; toen ze hem vertelde dat die in bed lag na een val van zijn paard, vroeg hij: ‘Toch niet ernstig, hoop ik?’
‘Nee, nee, hij is alleen maar erg geschrokken. Maar ik weet zeker dat hij je dolgraag zou willen zien.’
‘Straks. Jij en ik moeten eerst eens even samen praten.’
‘Ja,’ zei ze, uiterlijk kalm. ‘Dat lijkt me een uitstekend idee.’
‘Zullen we naar mijn studeerkamer gaan?’
Ze nam de arm die hij haar reikte en liet zich meetronen naar zijn werkkamer; ze voelde zich als een lam dat naar de slachtbank werd geleid. Ze verwachtte dat hij haar naar binnen zou smijten, zodra ze buiten zicht van de kinderen waren; ze hoopte bijna dat hij dat zou doen. Als hij die onberispelijke hoffelijkheid nu eindelijk eens liet varen om tomeloos uit te razen! Het zou de lucht zuiveren als een onweersbui, het zou eindigen in een berouwvolle omhelzing, waarna iedereen zou kunnen herademen.
Hij opende de deur en liet haar met een buiging voorgaan; terwijl ze naar binnen liep, verwachtte ze een schop voor haar broek, want hij zag wit van woede. Maar nee; hij deed rustig de deur dicht, als een bovenmeester die op het punt stond een leerling een standje te geven. Zijn onverdraaglijke superioriteit werd haar te machtig. ‘Zou je alsjeblieft de beleefdheid willen hebben me als een volwassene te behandelen?’ vroeg ze scherp.
Als het haar bedoeling was geweest op haar eigen voorwaarden met hem in het krijt te treden, faalde ze.
‘Een wat?’ vroeg hij, koeltjes. ‘Ik denk niet dat een volwassene de dwaasheden zou uithalen waaraan jij je tijdens mijn afwezigheid te buiten bent gegaan.’
‘Welke dwaasheden, als ik vragen mag?’
‘Vóór je me jouw versie laat horen, moet ik je vertellen dat het maar een haar had gescheeld of er was een officiële aanklacht wegens hekserij tegen je ingediend.’
‘Door wie?’
‘Door onze buren.’
‘Op grond waarvan, in vredesnaam?!’
‘De Walpurgisnacht, bijvoorbeeld, die kortgeleden op het binnenplein plaatsvond.’
‘Wát zeg je nou voor onzin?!’
‘Toen de bedienden naakt in het maanlicht dansten, en eindigden in algemene ontucht.’
‘Wie heeft je dat belachelijke verhaal verteld?!’
Hij staarde haar aan. ‘Is het niet waar, soms?’
‘Natuurlijk niet! Waar zie je me voor aan?! Het waren alleen maar Mabby en Harry Martin de staljongen! In godsdienstige vervoering!’
‘Naakt?’
‘Ik geloof dat het belangrijker is...’
‘Waren ze naakt?’
‘Ja! Maar ze hebben niet - dat hebben ze niet gedaan! Ik weet het zeker! Thomas Woodhouse kwam erbij en hij gooide wa-’ Te laat.
‘Hij gooide water over hen heen. Precies.’
‘Maar het hele verhaal is je reinste verzinsel! En het was de enige keer! Het ... ach! Wat heeft het voor zin!’
‘Precies.’ Zijn stem was van een dolmakende heusheid.
‘Waarom begin je het hele geval meteen omlaag te halen met - met zo iets?’ riep ze uit. ‘Waarom laat je me niet vertellen wat er werkelijk gebeurd is? Wat er met mij gebeurd is?’
‘Ik ben hoogst geïnteresseerd,’ zei hij. ‘Vertel me dat eens.’ Hij liep naar zijn schrijftafel, ging erachter zitten alsof het een rechtbank was, leunde achterover en staarde haar onpersoonlijk aan. Ze voelde zich hulpeloos, zoals iedereen zich moest voelen die in de beklaagdenbank tegenover hem stond.
‘Een paar weken geleden,’ begon ze, met de moed van de wanhoop, ‘kwam er een rondreizende prediker op bezoek. Hij heette George Fox.’
***
Terwijl Margaret verder ging met haar verhaal, dwaalde Thomas Fells aandacht af. Hij had haar nooit eerder zo in de war gezien als nu. Ze was een hartstochtelijke vrouw die nooit een geheim van haar emoties gemaakt had, het was een deel van haar charme; maar dit keer was er iets verwards in haar hartstocht. Bij al die vorige gelegenheden, de gaarkeuken, de grafzerken, het koor, was het een opgewekte, doelbewuste opwinding geweest; dit keer was er een element van vertwijfeling in haar dat hem verontrustte. Hij voelde zijn woede wegebben; hij hield van deze vrouw, het ontstelde hem haar zo te zien.
Terwijl haar verhaal zich verder voortspon, probeerde hij nader vast te stellen wat hij in haar bespeurde. Was zij bang? Waarvoor? Kon het zijn dat ze een demon had losgelaten die ze niet in toom kon houden? ‘Eh - vergeef me, liefste, waar is meneer Fox? Ergens in huis?’
Ze keek hem verward aan. ‘Wat? ... O, nee, nee. Hij is op huisbezoek. Hij komt vanavond terug. Hij heeft zó naar je komst uitgezien.’
‘Dat verbaast me, gezien het feit dat hij mijn huishouding in een bacchanaal...’
‘O, Thomas! Alsjeblieft!’ Plotseling leunde ze over het bureau, wanhopig,
gefolterd. ‘Alsjeblieft, keer je niet tegen hem! ... Ik ... begrijp je het dan niet? ik - ik ben ... Ik ben erbij betrokken!’
Hij keek naar haar ogen, plotseling vol tranen.
‘Maak je geen zorgen,’ zei hij. ‘Ik zal hem au sérieux nemen.’
‘O ja, alsjeblieft, alsjeblieft... als je alleen maar naar hem wilt luisteren! Hij is een man vol liefde en begrip! Geef hem een kans om alles uit te leggen, om zichzelf te zijn. Kleineer hem niet - alsjeblieft, alsjeblieft!’
Hij glimlachte. ‘Naar ik zo gehoord heb, is het geen man die zich makkelijk laat kleineren.’
‘O, wat vergis je je daarin! Daar vergist iedereen zich in! Hij is zo gevoelig, zo zacht, zo ... Nu ja, je zult het zelf wel zien. Zullen we nu weer naar de kinderen gaan?’ Ze streek zich zenuwachtig over het haar.
Hij stond op.
‘Ik heb je nog niet de helft verteld...’
‘Ik neem aan dat we nog gelegenheid zullen hebben op het onderwerp terug te komen.’
Hij liep naar de deur en deed die voor haar open. Ze aarzelde, met onderzoekende ogen. Dit zou het moment zijn geweest haar in zijn armen te nemen, maar hij kon het niet opbrengen. Nog niet.
Arm in arm gingen ze terug naar de zitkamer.
De hoge stemmen van de zes meisjes vloeiden in volmaakte harmonie te zamen. Thomas Fell zat met gesloten ogen te luisteren.
De laatste maten, betoverend gekruid met een dissonant van de jongste stem, vervaagden, largo sostenuto, tot stilte. Thomas zuchtte, opende zijn ogen, en zei: ‘Allerliefst, allerliefst. Kinderen, ik moet jullie werkelijk m'n compliment maken. Dat was bijzonder mooi.’ Hij zag dat ze zich niet op hun gemak voelden en vroeg zich af of zijn lof niet hartelijk genoeg was geweest toen het tot hem doordrong dat ze niet naar hem keken maar naar de deur achter hem. Daar stond een jongeman in herderskleren met een toegeeflijke glimlach het tafereel op te nemen. Margaret zei: ‘Thomas, mag ik je voorstellen, George Fox...’
Voordat Thomas kon opstaan, sprak de jongeman: ‘God zegene je, Thomas Fell, moge Hij je de ogen openen en de vrijheid schenken.’
Thomas' eerste opwelling was de vlerk op zijn nummer te zetten, maar de angstige afwachting van zijn vrouw weerhield hem daarvan. Hij stond op.
‘Mij dunkt, meneer Fox, dat wij eens samen moeten praten. Zoudt u me het genoegen willen doen me te vergezellen naar mijn studeerkamer?’
De jongeman maakte een uitnodigend gebaar, alsof het huis van hem was. ‘Met plezier.’
In de studeerkamer zat Sam Pruitt aan het bureau te schrijven. ‘Sam, zou je zo goed willen zijn?’
‘O ... natuurlijk, Your Lordship...’ De secretaris stond gejaagd op, schudde zijn papieren bijeen, liet zijn bril vallen, raapte hem op en ging met een buiging de kamer uit, zijn arm vol paperassen.
‘Neemt u plaats.’ Fell wees op de stoel voor zijn schrijftafel. ‘Mag ik u een glas wijn aanbieden?’
‘Dank je, Thomas Fell.’ De jongeman ging zitten.
Het had geen zin om kwaad te worden. ‘Ik heb begrepen dat uw prediking een diepe indruk op mijn gezin heeft gemaakt, meneer Fox, onder andere op mijn echtgenote. Ze heeft getracht me uw boodschap uit te leggen, maar ik ben bang dat de essentie me ontgaan is. Zoudt u er bezwaar tegen hebben me er een definitie van te geven?’
De lichtblauwe ogen van de jongeman keken hem vorsend aan. Thomas vroeg zich af waar hij die ogen eerder had gezien, die bedrieglijke openhartigheid.
‘Wat Margaret Fell bekeerd heeft was de waarheid. Dat is met veel andere mensen gebeurd.’
Thomas glimlachte. ‘Meneer Fox, ik hoop dat u me wilt vergeven, maar als rechter ben ik argwanend geworden ten opzichte van het woord “waarheid”. Mijn ervaring is dat er varianten van bestaan.’
De jongeman glimlachte. ‘Dat mag zo zijn in een rechtszaal, maar in de ogen van God is er maar één waarheid - namelijk, dat ieder mens Hem in zich draagt, en dat het onze bestemming is Zijn leiding te volgen.’
‘Hoe weet u dat u door God geleid wordt, meneer Fox? Staat u in verbinding met de Almachtige?’
‘Ik heb Zijn roep gehoord.’
‘Wanneer?’
‘Als jongeman.’
‘U staat niet bepaald aan de rand van de seniliteit. Hoe oud was u?’
‘Negentien.’
‘En in welke vorm kwam die roep?’
Opnieuw keken de ogen van de jongeman hem aan met een indringendheid die hem bekend voorkwam. Waar had hij die blik toch eerder op zich gevestigd gezien?
‘Wat heb jij van de oorlog gezien, Thomas?’
‘Aan daadwerkelijk vechten? Ik was lid van het parlement.’
‘Heb je ooit gehoord van de slag om Penny Drayton?’
‘Niet dat ik weet. Hoe dat zo?’
‘Het is een gehucht in Leicestershire, waar ik geboren ben. Toen ik
negentien was, werd daar vlakbij slag geleverd, niet meer dan een schermutseling. Aan 's konings kant vijftig of zestig dragonders. Aan die van de Rondkoppen, een paar honderd man te voet, gewapend met mestvorken, dorsvlegels en bijlen en een paar musketten. Ik zag ze door het dorp marcheren; ze droegen vaandels mee waarop stond: “De Heer is met ons.” Ze werden door onze dominee aangespoord Farao's strijdwagens te verslaan, en marcheerden verder onder het zingen: “Een vaste burcht is onze God.” Ik was ervan overtuigd dat de vaandels gelijk hadden, dat God aan onze kant stond, dat dit een heilige oorlog was.’
‘U ging mee?’
‘Met een mestvork in mijn vuist. Ik hoorde onze vijanden voordat ik ze zag. Ze zongen “Een vaste burcht is onze God”.’
‘U wilt me toch niet vertellen dat u de roep Gods hoorde toen u ontdekte dat beide partijen in een oorlog altijd beweren dat Hij aan hun kant staat?’
De jongeman negeerde de vraag. ‘De Rondkoppen werden verslagen. Ik vluchtte met de overlevenden het bos in, door de dragonders achternagejaagd alsof we wilde zwijnen waren. Pas tegen het donker durfden de vrouwen van het dorp hun mannen en zonen te gaan zoeken; ik ging met ze mee. We moesten erg voorzichtig zijn, de dragonders hadden aan de rand van het bos hun bivak opgeslagen en zaten om een kampvuur te zingen en te lallen, ze waren dronken. Het was vollemaan, we konden de lichamen van de gevallenen duidelijk zien. Sommigen leefden nog. Een van de vrouwen vond haar zoon en begon te jammeren. Een schildwacht van de dragonders hoorde haar; plotseling kwam hij opdagen, op zijn paard, met een lans. De vrouw vluchtte, ik verschool me in het bos. Ik zag hem de gewonden opsporen en ze vloekend met zijn lans doorsteken. Hij ging het hele slagveld rond en stiet zijn lans in ieder lichaam dat bewoog. Ten slotte stapte hij van zijn paard, op een paar passen van mijn schuilplaats. Hij praatte sussend tegen het paard terwijl hij het roskamde, en vol tederheid. Ik kon het niet begrijpen. Zo pas had hij minstens twaalf mensen met zijn lans gedood; hun gekrijs klonk me nog in de oren. Toen begreep ik dat in zijn ogen het paard een levend wezen was zoals hij zelf, een individu. Maar de gevallenen waren geen mensen zoals hijzelf, geen individuen. Dat waren Rondkoppen. Dingen.’
‘Ja, meneer Fox, oorlog is een gruwelijke zaak. Vooral een burgeroorlog.’
De jongeman keek hem peinzend aan. ‘Iedere oorlog is een burgeroorlog, Thomas Fell, dat is wat ik die avond ontdekte. Ik vroeg mezelf af: “Hoe kunnen mensen elkaar dergelijke dingen aandoen en geloven door God geroepen te zijn?” Als God ons inderdaad wilde laten vechten, dan moest Hij ook de anderen hebben willen laten vechten. Wat was zijn wil? Wat was de waarheid? Ik moest erachter komen. Plotseling werd het een kwestie van leven en dood.
Daarom begon ik een pelgrimstocht om het aan dominees en godgeleerden te vragen. Sommigen zeiden dat het een straf voor onze verdorvenheid
was, dat God in Zijn toorn beide partijen had opgedragen elkaar te vernietigen. Anderen beweerden, dat we de paapse afgodendienaars moesten afmaken zoals de kinderen Israëls de Hettieten hadden afgemaakt. “Maar Gods liefde dan?” vroeg ik hun. “Zijn genade dan? God zei: Ge zult niet doden. Bedoelde hij: behalve Hettieten, Egyptenaren, Filistijnen, Rondkoppen, Ieren? Is er geen absolute wet?” Ik werd een plaag voor hen, een dwaas die hen niet met rust liet. Ik kreeg te horen dat ik me moest doen aderlaten, tabak roken, trouwen, in het leger gaan, wat dan ook, als ik ze maar niet langer lastig viel.’
Thomas schudde het hoofd. Wat was hij nog jong en onvolwassen! Deze vragen waren natuurlijk voor een baardeloze knaap; maar om er na de leeftijd des onderscheids over door te blijven tobben werd infantiel. Wie weet was dat het geheim van het succes van alle profeten: ze stelden jeugdvragen die nooit waren opgelost en die in het hart van ieder mens onbeantwoord begraven lagen, tot hij de moed vond ze onder ogen te zien voor wat ze waren: bewijzen van de absurditeit van het leven die men eerst stoïcijns moest aanvaarden voor de deur naar de volwassenheid ontsloten kon worden.
‘Op een ochtend,’ ging de jongeman verder, ‘nadat ik in wanhoop was thuisgekomen, dwaalde ik door mijn vaders boomgaard. Ik was ten einde raad. Ik wilde dat die vragende stem in me zweeg, me met rust liet, maar de stem liet zich niet tot zwijgen brengen, ze vroeg maar door, zonder ophouden; ik begon me af te vragen of ik misschien krankzinnig was. Plotseling hoorde ik een andere stem: “Er is iemand, Christus Jezus, die tot je verlossing kan spreken.” Ik was verbijsterd. Ik vroeg: “Wie is daar? Wie is dat? Wie sprak daar tegen me?” Er was niemand.’
‘Was het letterlijk een stem?’
‘Dat dacht ik toen. Ik weet nu dat het de stem was van God in mijn binnenste.’
‘Als ik u dus goed begrijp, draagt u een element met u mee dat niet deel van uzelf uitmaakt?’
‘Precies. Het is niet ik, maar een ander.’
‘En die ander is volgens u God?’
‘Het is God. De bijbel zegt het. Johannes Een, vers negen. Het Waarachtige Licht dat een iechelijk mens verlicht, komende in de wereld. Een iechelijk mens, staat er, niet “behalve Filistijnen, Hettieten, Papen, Rondkoppen”. En dat is mijn boodschap: wij dragen allemaal het Licht Gods in ons, en er is er maar één, Christus Jezus, die tot onze verlossing kan spreken. Maar we moeten Zijn woorden rechtstreeks horen, niet via vertolkers, en er in al hun eenvoud naar leven. Als Hij zegt: dood niet, dood dan niet. Als Hij zegt: bemin uw vijanden, bemin ze dan, zonder uitzondering. Als Hij zegt: waar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam, daar ben Ik in het midden van hen, geloof Hem dan op Zijn woord, letterlijk. Als Hij zegt...’
‘Meneer Fox, neem me niet kwalijk: u hebt me tot nu toe nog steeds geen rechtvaardiging voor uw daden gegeven. Dreef het goddelijke in u u ertoe het leven van andere mensen ondersteboven te gooien, hun huiselijke rust te verstoren, hen te vervreemden van degenen die hen liefhebben? Het grote gebod is toch zeker: “Hebt elkander lief”?’
‘Thomas, je bent verblind door boosheid. Kijk naar me: hier ben ik, net als jijzelf uniek, onvervangbaar, nooit eerder op aarde geweest, om er nooit meer terug te komen. Kom, probeer me te begrijpen door je met mij te vereenzelvigen. Laten we ons conflict benaderen op de manier van vrienden, niet als tegenstanders.’
Meneer Fox, ik ben bereid me met u te vereenzelvigen voor zover maar enigszins mogelijk is, maar u hebt me nog steeds geen afdoend antwoord gegeven. Verstoort u de rust in andermans huis of niet, in flagrante strijd met de stelregels van de Bergrede, die u ons vermaant letterlijk op te volgen? Het is uw hypocrisie waar ik bezwaar tegen maak, niet uw excentriciteit.’
‘Thomas, ik...’
‘U zegt dat u gehoor geeft aan een Goddelijke roep. Om wát te doen? Mensen op te hitsen kerkdiensten te verstoren, zich te laten afrossen, in de gevangenis te worden gesmeten? Huisvrouwen het hoofd op hol te brengen, die niets hebben om zich mee te verdedigen behalve hun edelmoedige hart?’
‘Ik breng het goddelijke in hen tot ontwaken. Wat God hen beweegt te doen...’
‘Kom, kom, meneer Fox! U kunt niet het land doortrekken en mensen tot oproer aanzetten en uiteindelijk alle verantwoordelijkheid afwijzen!’
‘Thomas, iedere man, iedere vrouw is uniek. Hun antwoord op het ontwaken van het goddelijke in hen verschilt van geval tot geval. Het is niet mijn taak de mensen te vertellen hoe ze moeten antwoorden. Integendeel - ik moedig elk individu aan om op eigen wijze het goddelijke in hem uit te drukken.’
‘Meneer Fox, zo gemakkelijk komt u niet van me af. Hoeveel unieke, onvervangbare manieren zijn er om dominees aan de kaak te stellen? Het is huichelarij om te zeggen: “Ik vertel de mensen dat de man op de kansel een beunhaas is, maar wat ze vervolgens doen komt op rekening van het goddelijke in hen!”’
De jongeman glimlachte, onverstoorbaar. ‘Ik heb je al gezegd, Thomas, de enige manier om tot de waarheid te komen is elkaar te benaderen op de manier van vrienden. Kom, laten we ons samen een ogenblik aan de stilte overgeven, zwijgend bij elkaar zitten, het goddelijke in ons boven laten komen om ons te leiden.’
‘Het spijt me, meneer Fox, ik zie niet in welk doel daarmee gediend zou zijn, behalve u er uit te redden.’
‘Aangezien het goddelijke in jou en in mij één en hetzelfde zijn, zouden
we eendracht vinden door het allebei aan het licht te laten komen.’
Het zelfvertrouwen van de man was niet te schokken. Toen drong het tot Thomas door waar hij die onverstoorbare zelfverzekerdheid eerder tegengekomen was. ‘Overigens,’ zei hij, ‘ik weet niet of iemand anders u dit ooit verteld heeft, maar u doet me aan Oliver Cromwell denken.’
‘O ja?’ Plotseling veranderde Fox' geduldige kalmte, die klaarblijkelijk niets anders was dan totale onverschilligheid voor wat een ander ook te berde mocht brengen, in persoonlijke belangstelling. Het was het doorslaggevende bewijs: wat nog het meest aan Oliver Cromwell deed denken, was zijn reactie op de mededeling dat hij aan Oliver Cromwell deed denken.
‘Inderdaad,’ ging Thomas verder. ‘Ik heb hem goed gekend. Hij was ook een man met een groot magnetisme. Hij geloofde ook goddelijke inspiratie te hebben. Hij slaagde er door zijn oprechtheid en emotionele overredingskracht in anderen te overtuigen, mezelf inbegrepen. Hij overtuigde me dat God tot hem gesproken had, dat ik afstand moest doen van mijn eigen verantwoordelijkheid voor mijn leven en daden en hem volgen, omdat hem de waarheid door God was toevertrouwd. Voor ik het wist stond ik tegenover de koning, als zijn beul. Daar stond hij: een zwakke oude man met een magere schrale nek. En daar stond ik, in mijn religieuze vervoering: op het punt mee te werken aan zijn onthoofding. Verbaast het u dat ik sindsdien iedere godsdienstige vervoering heb gewantrouwd?’
De jongeman keek hem welwillend aan, precies als Cromwell wanneer hij met een onweerlegbaar argument geconfronteerd werd. ‘Hoeveel mensen heb je als rechter ter dood veroordeeld, Thomas?’
‘Kom, kom, meneer Fox, dat is beneden uw waardigheid. De mensen die ik ter dood veroordeeld heb, werden overeenkomstig de wet gevonnist; wat Cromwell van ons verlangde was de wet buiten werking te stellen ten gunste van zijn eigen goddelijke inspiratie. Helaas, meneer Fox: volgens Oliver Cromwell moest de koning om de wille van “de waarheid” gedood worden. Dat waren zijn eigen woorden.’
‘Oliver Cromwell vergiste zich. God is liefde; de waarheid kan nooit tot gewelddadigheid leiden, alleen tot eensgezindheid.’
‘Ik ben blij dat te horen. Ik hoop dat u daar voortaan aan zult denken. Er heeft zich hier heel wat gewelddadigheid voorgedaan als gevolg van uw verkondiging van de waarheid.’
‘Ik mag dan misschien gewelddadigheid opwekken in degenen die met de waarheid worden geconfronteerd; ikzelf...’
‘Juist, ja. Iemand anders tot gewelddadigheid brengen is geen gewelddadigheid plegen. Bedoelt u dat?’
‘Jezus zei...’
‘Meneer, u bent Fox, niet Jezus! U bent, volgens uw eigen omschrijving, uniek, onvervangbaar, nooit eerder op aarde gezien om, als God het wil, er nooit meer terug te keren. Verschuil u niet achter citaten uit de bijbel!’
‘Thomas, jouw uitspraken zijn op de wet gebaseerd, de mijne op de Heilige Schrift.’
Het was hopeloos. Het was onmogelijk deze man van zijn stuk te brengen. Net als Oliver Cromwell, was hij een aap in een porseleinkast; de enige manier om hem kwijt te raken zou zijn hem een andere ongelukkige stad op de nek schuiven. Het mocht dan geen bijster menslievende oplossing zijn; het was de enige. Hij moest op de een of andere manier worden weggewerkt, of hij zou een chaos aanrichten waar Ulverston nooit meer bovenop zou komen. ‘Meneer Fox, het zou misschien nuttiger zijn als we eens over de naaste toekomst gingen praten. Wat zijn uw plannen?’
‘Daar heb ik niet over te beslissen.’
‘Alleen God, veronderstel ik?’
‘Inderdaad.’
Lord Shorwell, voormalig kamerheer voor de Verzoekschriften bij 's Konings Hof en nu Cromwells vertrouweling, had eens opgemerkt: ‘Waar we bij de Protector altijd aan moeten denken is dat hij, als hij het over God heeft, zichzelf bedoelt.’
‘Wat maakt mensen als u er toch zo zeker van dat juist jullie zijn uitverkoren om Gods wil ten uitvoer te brengen?’ vroeg hij vol ergernis.
‘Thomas, we zijn allemaal Gods werktuigen. Hoe zou je willen dat Hij anders Zijn wil liet uitvoeren? Door de dieren des velds, de bomen, de bergen, de rivieren? Het is de opdracht van de mens Gods wil te verwezenlijken. Er is geen enkel ander levend wezen dat Hij voor dat doel zou kunnen gebruiken. Hetzelfde geldt ook voor Gods liefde: Hij is niet in staat ons Zijn liefde rechtstreeks mee te delen; dat deed Hij door Zijn zoon Christus Jezus en, door Hem, middels onszelf. Dit is mijn boodschap, Thomas: dat Christus alleen ons heeft om Zijn liefde over te brengen aan hen die in nood verkeren.’
Thomas had er genoeg van. Hij stond op. ‘Zullen we weer naar de dames gaan?’ Hij liep naar de deur. ‘Na u.’
Margaret leek opgelucht toen ze binnenkwamen, alsof ze had verwacht slechts één van hen te zien terugkomen.
***
Als men bezig is zich in elkaars aanwezigheid uit te kleden, wordt ijzige vormelijkheid op een gegeven moment lachwekkend. Thomas zat op de rand van het bed, bezig zijn broek uit te trekken, Margaret, aan de andere kant, was doende haar kousen uit te doen, toen plotseling de hele vertoning gewoon belachelijk werd. ‘En?’ vroeg ze. ‘Heeft hij je zijn boodschap uitgelegd?’
Thomas legde zijn broek naast zich neer. ‘Inderdaad.’ Hij stond op. ‘Mijn nachthemd zit zeker om de beddepan?’ Hij sloeg de sprei op.
‘Er is geen beddepan meer in de maand mei, liefste.’
Hij zweeg en schudde zijn kussen op. Wat kon ze doen om zijn ijskoude vormelijkheid te doorbreken? Plotseling voelde ze zich de wanhoop ten prooi. Met iedere minuut die verstreek dreven ze verder uit elkaar; binnenkort zou hij helemaal niet meer te bereiken zijn.
‘Thomas,’ smeekte ze, ‘toe, alsjeblieft...’
Hij keek haar aan, naar het scheen met bezorgdheid. ‘Het spijt me dat ik zo zwijgzaam ben; mijn gesprek met de heer Fox was nogal alarmerend, moet ik bekennen.’ Hij zei het op zijn vormelijke toon, maar ze had toch het gevoel dat ze een deur ontsloten had.
‘Dat verbaast me niet!’ barstte ze uit. ‘Hij brengt de mensen helemaal van streek, vóór ze goed en wel weten wie hij is! Maar ik verzeker je...’
Hij liep naar de kast, trok een la open en begon erin te rommelen.
Ze voelde hoe hij haar weer ontglipte. ‘Wat zoek je?’
‘Mijn slaapmuts.’
‘Die is hier, schat!’ In haar ijver sprong ze op het bed, kroop er op haar knieën overheen, pakte de slaapmuts van zijn nachtkastje en reikte hem die toe. ‘Alsjeblieft...’
‘Dank je.’ Hij zette de muts op zijn hoofd; zij kroop onder de dekens en hield die voor hem open.
‘Dank je.’ Hij stapte in bed en ging naast haar liggen. Toen zei hij: ‘Verdomd! We hebben vergeten te bidden. Of heb je het bidden ook afgeschaft?’
‘O, Thomas!’ In een opwelling draaide ze zich om en legde haar arm en knie over hem heen. ‘Toe...’
Stroef sloeg hij zijn arm om haar heen; ze vlijde haar hoofd op zijn schouder. ‘Je moet het me vergeven,’ zei hij, ‘maar ik kan de heer Fox niet onbevooroordeeld zien. Hij deed me te veel aan Oliver Cromwell denken.’
‘Cromwell?’ Ze hief haar hoofd op om hem aan te kijken. ‘Je wilt me toch niet vertellen dat je een gelijkenis ziet?’
‘Veel zelfs.’
‘Thomas!’ Ze ging overeind zitten, ontzet. Hij bleef naar het plafond liggen staren, haar ogen ontwijkend. ‘Maar ze lijken in niets op elkaar! Cromwell is een - een bullebak! Een bekrompen bullebak! George is beminnelijk en vol begrip en - en - hij leeft met de mensen méé!’
‘Margaret, ik sta erop dat je niet probeert mij je eigen droom op te dringen. Daar is de situatie te ernstig voor.’
‘Maar ik...’
‘Dit is geen kwestie van een gaarkeuken, of een tehuis voor ouden van dagen. Die bevliegingen waren op hun hoogtepunt net zo dolzinnig, maar ze bleven onschuldig. Ze mogen dan sommige mensen ergernis hebben bezorgd, ze hebben nooit iemand tot gewelddadigheid verleid! Ja: gewelddadigheid! Als jij doorgaat die man te steunen, loopt het erop uit dat je ons hele gezin, dit huis, de stad tot de ondergang brengt. Je zult alles afbreken wat we deze twintig jaar met zoveel moeite, zoveel zachtmoedigheid heb-
ben opgebouwd.’
‘Maar, lieveling! Hij is zachtmoedig! Hij is een en al...’
‘Margaret, kom tot je zelf! Kijk om je heen. Wat heeft hij gedaan? Mensen, die een leven lang in vrede met elkaar hebben geleefd, opgezweept tot ze elkaar naar de keel vlogen. Dank zij hem is een delegatie mij tegemoet gereden om me te smeken de vrede te herstellen. Hij maakte dat ik een staljongen een klap gaf omdat hij zijn hoed niet afzette, iets dat ik sinds mijn zestiende jaar niet meer heb gedaan. Ben je het dan niet met me eens dat, hoe zachtmoedig hij ook mag voorgeven te zijn, de daden waar hij anderen toe brengt daarmee in tegenspraak zijn? Ook Cromwell sprak over niets anders dan vrede, met als resultaat dat we de bloedigste burgeroorlog kregen die dit land ooit gekend heeft, en een koningsmoord. Als de man blijft, kunnen we alleen maar meer gewelddadigheid verwachten.’
‘O, Thomas, Thomas! Wat kan ik doen om het je te doen inzien? Wat kan ik zeggen? Ach, laat Cromwell naar de duivel lopen! Die vervloekte Cromwell! Hij heeft niets met George te maken, niets! Ze zijn elkaars tegengestelde!’
‘Goed, Margaret. Wat zou je willen dat ik doe?’
Ze keek op, verrast.
‘Ik meen het. Ik wil weten wat jij zou wensen.’
‘Maar je bent van plan hem weg te sturen...’
‘Ik betwijfel of meneer Fox zich láát wegsturen. Er zal meer dan zachtmoedige overreding voor nodig zijn om hem ertoe te bewegen anderen met zijn aanwezigheid te verblijden.’
‘O, Thomas, alsjeblieft!’ smeekte ze. ‘Houd op hem een klap in zijn gezicht te geven met ieder woord dat je zegt! Toe alsjeblieft, luister naar me, kijk naar me, hou van me...’
‘Liefste, als ik niet van je hield zou ik niet in deze toestand verkeren. Ik maak me zorgen over je, Margaret. Je bent ten prooi aan zinsverbijstering. Zie je dan niet dat de man een dodelijk gevaar is? Dat hij alles bedreigt wat we bezitten? De hele zin van ons leven?’
‘Nee, Thomas, nee! Je bent alleen maar bang om te geloven, bang voor wat er met je zal gebeuren zodra je eenmaal zijn boodschap aanvaardt. Ik weet het, ik ben zelf ook bang geweest! Ik - ik ben het nog steeds.’
Hij keek haar aan, één en al bezorgdheid. ‘Ik dacht het al. Waar ben je bang voor?’
‘Jou - jou kwijt te raken.’
‘Onzin. Je hebt me, hier, naast je. Ik probeer je te helpen.’
‘Maar daarnet nog...’
‘Daarnet nog zei ik dat wij, tenzij Fox weggaat, op een catastrofe aansturen. Je wilt me toch niet vertellen dat zijn boodschap alleen maar van kracht is zolang hij er zélf is?’
Ze keek hem aan met een gevoel van ontwaken. Had hij gelijk? Was ze werkelijk bekeerd, of was Georges aanwezigheid het belangrijkste...?
‘Liefste,’ ging hij geduldig voort, ‘vertel me eens in je eigen woorden waarvan hij je eigenlijk overtuigd heeft. Misschien is dat de manier om erachter te komen wat dit allemaal betekent. Kom, ga liggen, leg je hoofd op mijn schouder en vertel het me. Vertel me alles maar.’
Ze ging liggen, met een zucht. Het was allemaal zo moeilijk, zo verward. ‘Maar dat is precies wat ik vanmiddag probeerde te doen.’
‘Dat weet ik. Maar vanmiddag moest ik me nog herstellen van een wel heel verrassende thuiskomst.’
‘O, ik weet het, ik weet het! Ik heb daar de hele tijd over ingezeten, de hele tijd!’
‘Stil...’ Zijn hand streelde haar sussend over het haar. ‘Vertel het me maar. Van voren af aan.’
Ze haalde diep adem. ‘O, Thomas, ik hou zo van je...’ Het was niet wat ze bedoeld had te zeggen.
‘Ik hou van jou. Vertel het me maar.’
‘Nu ... waar het op neerkomt is liefde. God is liefde. We hebben allemaal een vermogen tot liefde in ons; dat is in feite wat hij “het goddelijke” noemt.’
Het was vreemd; iets van de betekenis scheen uit de woorden vervluchtigd te zijn. Misschien omdat ze zo moe was. Zo te liggen, zoals nu, het hoofd op zijn schouder, maakte haar altijd meteen doezelig. Zodra haar hoofd op zijn schouder rustte en haar knie over hem heen lag, schenen haar gedachten in slaap te vervlieten.
‘Tom?’
‘Ja, schat?’ Zijn stem was een trilling in zijn borst.
‘Lieve Tom...’
Daar ging ze, o hemeltje, o hemeltje, wegglijdend in slaap.
***
Toen hij haar ademhaling regelmatig hoorde worden, ontspande Thomas zich. Het was bijna alsof ze inderdaad behekst was. Hij had haar nooit zo los van de realiteit gekend, zo ver van haar koers. Arme, arme vrouw; wat kon hij doen om haar te helpen? Klaarblijkelijk had de man een greep op haar, waarom dan ook. Hij moest worden weggewerkt. Maar het zou heel subtiel moeten gebeuren. Subtiliteit; helaas miste hij die gave. Er waren er, eerlijk gezegd, maar weinigen die de gave bezaten; hij kende er maar twee. De ene was lord Shorwell; in zijn geval grensde de subtiliteit aan genialiteit. Maar hij zat in Londen. De andere was de oude Cartwright. Misschien zou hij eens bij hem op bezoek moeten gaan.
Het hinderde hem niet te ontdekken dat hij hulp nodig had. Hij was zo zeker van zijn autoriteit dat hij nooit aarzelde advies in te winnen. De oude Cartwright zou vast wel weten hoe hij de aap uit de porseleinkast kon lokken zonder dat het dier het besefte. Hij zou morgenochtend meteen naar
hem toe gaan.
Het uitstel gaf hem de rust om in slaap te vallen.
***
Op de vliering boven de stallen lag George Fox door het dakraampje naar de nachtelijke hemel te staren. Een paar sterren trilden in het vierkante stuk duisternis; ergens onder de pannen woelden zwaluwen in hun nesten.
‘God...’ dacht hij, als onder hypnose, ‘God...’ Het besef van de Tegenwoordigheid vervulde hem. Eeuwig, eeuwig. Eindeloos. Eindeloze oceaan van licht en liefde. ‘God, wijs me de weg.’
Maar ofschoon God om hem heen was, een onaardse vredigheid, kwam er geen vingerwijzing uit de stilte. Het enige wat tot hem kwam, uit de diepte van zijn ziel, waren de woorden: ‘Nog niet.’ Hij moest blijven waar hij was. Doorgaan zich aan de Heer toe te vertrouwen, tot het bevel zou komen, een fluistering in de nacht.
Het vervulde hem met de rust van de aanvaarding. Toch voelde hij zich belast. Hij zou de brave mensen hier graag respijt hebben gegeven, een einde hebben gemaakt aan dit overhoop halen van hun leven. Hij wist dat verlenging van zijn verblijf hier chaos zou teweegbrengen, want hij was nu voor de stad een symbool geworden. Ze zouden al hun zonden, angst, wanhoop en schuld op hem laden en hem ten slotte, bereden door hun demonen, de woestijn insturen. Voor de eerste keer sinds zijn komst op Swarthmoor Hall voelde hij angst. Wat zouden ze uiteindelijk met hem doen?
Hij bad: ‘Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan.’ Er kwam geen antwoord, noch uit hemzelf, noch uit de stilte van de nacht. ‘Doch niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt...’ Het besef van de Tegenwoordigheid week terug. Alleen de kleine, koude sterren bleven over, het heimelijke geritsel van de zwaluwen onder de pannen, en een groeiend gevoel van angst.