terug  begin  verder
[p. 89]

Vier

Vreemd, dacht Thomas Fell, hoe de verhouding tussen leermeester en student nooit werkelijk verandert, ook al streeft de leerling uiteindelijk zijn vroegere meester in hun beroep voorbij. Zodra hij tegenover rechter Moses Cartwright stond, werd hij onmiddellijk weer de student die naar de oude rechter had opgezien met de mengeling van ontzag en rebellie die hun verhouding gekentekend had. Zelfs nu nog, telkens als hij zich in een proces onzeker voelde, betrapte hij zich erop dat hij Moses Cartwright begon te imiteren. Dan zette hij zijn bril op, rommelde bijziend in zijn papieren, keek over zijn bril heen naar de beklaagde en zei op de terloopse wijze die nooit naliet indruk te maken: ‘Tja, wat moet ik nu met jou beginnen? Wat zou jouw beslissing zijn, als je vandaag op mijn plaats zat? Ik zal je zeggen wat je zou doen: je zou de zwarte kap opzetten en de gevangene veroordelen tot de dood door de strop. Dat is nu net wat je op je slachtoffer toepaste toen je het recht in eigen hand nam.’

Toch lukte het hem nooit helemaal om de oude Cartwright te personifiëren. Achter de volkse zedenpreken van de slimme oude vos ging een der scherpste geesten van de justitie schuil. Voor Moses Cartwright was de jurisprudentie eerder een wetenschap dan een maatschappelijke functie. Evenals zijn broer Aaron Cartwright, de bioloog, was Moses Cartwright nooit getrouwd of tot een van die menselijke zwakheden vervallen die leiden tot ootmoed, het voorportaal van de deernis. Hij was briljant, en als er in de archieven van oude procedures, desnoods teruggaand tot het in 1086 door Willem de Veroveraar ingestelde Register der Landerijen, een obscuur precedent was om een vonnis te rechtvaardigen, dan wist hij het op te diepen. Zelfs na zestig jaar achter de balie werd hij nooit gefolterd door twijfel, laat staan wroeging, als hij terugkeek op de lange rij galgen aan elk waarvan door zijn toedoen een menselijk wezen was opgehangen. Hij had zichzelf beschouwd als een schakel in een uit pure logica gesmede keten van oorzaak en gevolg. Het in praktijk brengen van die logica leidde, om de een of andere reden, tot de gemoedelijke toespraakjes tot de verdachte waarmee hij zijn bevindingen onder woorden bracht; de hypocrisie ervan drong nooit tot iemand in de rechtszaal door.

Bij de eerste aanblik van die stralende blauwe ogen, dat gezicht doorgroefd met rimpels van humor, viel Thomas onmiddellijk weer ten prooi aan het misverstand dat zijn oude meester humaan, alles-vergevend en vaderlijk was. ‘Kom binnen, kom binnen, jongen! Wat een verrassing!

[p. 90]

Mary! Breng meer brood! Een kroes aal voor His Lordship!’

‘Ik heb al ontbeten, dank u,’ zei Thomas, terwijl hij de teugels aan Charles Cotten reikte. ‘Maar misschien zou mijn knecht er trek in hebben.’

‘Natuurlijk!’ riep de oude man joviaal tegen de knecht. ‘Ga maar naar de keuken, jongen! Pak maar waar je zin in hebt, brood, vlees, wijven...’ Hij knipoogde; misschien was zijn voorgewende menselijkheid zo overtuigend omdat hij er zelf in geloofde. Hij was zozeer van normale gevoelens gespeend, dat hij geen maatstaf had om er zijn eigen menselijkheid aan af te meten, zoals iemand zonder gevoel voor humor zichzelf, in alle oprechtheid, een geestig man kan vinden. Hij scheen niet veranderd sinds de laatste keer dat ze elkaar ontmoet hadden; evenmin als zijn broer, die zijn hoofd om de deur van zijn laboratorium stak toen ze de vestibule binnenkwamen en het weer als een schildpad terugtrok zodra hij hen zag. Ouder geworden waren alleen maar het huis en de bedienden. De huishoudster, nu grijzer, het meubilair iets meer versleten, net als de gordijnen.

‘En waaraan dank ik 't genoegen van je bezoek, beste jongen?’ informeerde de oude man, terwijl hij een stoel aanschoof bij de ontbijttafel die er niet aanlokkelijk uitzag. ‘Ik hoor dat je benoemd bent tot vice-kanselier van het Paltsgraafschap! Gefeliciteerd, jongen, gefeliciteerd; ik heb alle reden om trots op je te zijn.’

‘Moses!’ krijste een kijfzieke stem in de gang. ‘Heb jij mijn bak met dikkopjes soms toegedekt?’

De oude rechter keek zijn leerling geamuseerd aan. ‘Ik heb jouw dikkopjes in geen vijfendertig jaar aangeraakt!’ riep hij terug. ‘Ik ben zelfs sinds Kerstmis niet meer in dat smerige hok van jou geweest!’

‘Iemand moet het toch gedaan hebben!’ snauwde de stem, nu dichterbij. ‘Drie dreven er in de dril, de rest lag op apegapen.’ Hij verscheen in de deuropening, een magere vogelverschrikker gekleed in een vieze kiel.

‘Zeg goeiemorgen tegen onze vriend Thomas Fell,’ zei zijn broer gemoedelijk. ‘Kom erbij zitten.’

‘Thomas Fell? Ik dacht dat het Lester Peacock was.’ Aaron ging aan tafel zitten en stak een klauwachtige hand uit naar een mandje met krentenbollen.

‘Lester Peacock! Lester Peacock was klein; hij stotterde en hij is dood. Je was zelf bij zijn begrafenis.’

‘Nou ja,’ mompelde Aaron, terwijl hij een krentenbol greep. ‘Voor de wormen zijn we allemaal gelijk.’

De oude rechter haalde de schouders op en wendde zich tot Thomas. ‘Wat kan ik voor je doen? Zit je weer met een lastig geval?’

Thomas glimlachte. ‘Inderdaad. Laat me het uitleggen...’

Hij begon de feiten zo beknopt mogelijk uiteen te zetten, zoals hem dat geleerd was door de onverbiddelijke oude man die zat te luisteren met een nietszeggend glimlachje, terwijl zijn koude ogen hem observeerden. De broer deed, net als vroeger, zijn best om vervelend te zijn door het mandje

[p. 91]

krentenbollen onder luid gesmek en gemopper leeg te eten.

‘Interessant,’ zei de oude rechter ten slotte, ‘ik heb van deze Fox gehoord. Dus, als ik je goed begrijp, wil je hem zo on-opzienbarend mogelijk van het toneel doen verdwijnen?’

‘Ja.’

‘En niet via een gevangenisstraf.’

‘Nee.’

‘Allereerst moet voorkomen worden dat hij opnieuw de orde verstoort tijdens een kerkdienst.’

‘Inderdaad - maar hoe?’

De oude man glimlachte. ‘Stel hem voor zijn wijdingsbijeenkomsten 's zondags bij jou thuis te houden.’

Wat zegt u?’

‘Geen betere manier om een dominee bij andermans preken weg te houden dan hem een eigen gemeente te geven. Als je een tijdstip zou vaststellen dat samenvalt met de kerkdienst, zou dat de vrede verzekeren, althans voor de komende weken.’

‘Dat zou het zeker. Maar...’

‘Hoor eens!’ bitste de oude man. ‘Ben je gekomen om naar mijn raad te luisteren, of naar het geluid van je eigen stem?’

‘Neem me niet kwalijk. Gaat u verder.’

‘Het spreekt vanzelf dat jij die samenkomsten niet moet bijwonen. Jij en je zoon gaan naar de kerk, zodoende krijg je geen moeilijkheden met je eigen predikant.’

Daar kwam de bril te voorschijn, die alleen maar als rekwisiet voor de rol van vaderlijke oude man diende. ‘Vervolgens moet je die predikant van jullie ertoe brengen zoveel mogelijk van zijn collega's uit naburige dorpen en steden een aanklacht wegens godslastering tegen Fox in te laten dienen. De aanklacht wordt jou voorgelegd, en jij plaatst de zaak op de rol voor de eerstvolgende zitting van het kantongerecht in Lancaster. Dan beslis je echter dat dit niet onder jouw jurisdictie valt maar een zaak voor de geestelijkheid is; volgens de wet is alleen de Kerk bevoegd om te bepalen wat godslastering is en wat niet. Maar het proces moet plaatsvinden in de tegenwoordigheid en onder de leiding van twee wereldse rechters - één van de twee, ex officio, ben jij. Wie is in deze zittingsperiode je tweede rechter?’

‘William Best.’

‘Hoe staat hij tegenover deze geschiedenis?’

‘Hij was bij de delegatie die me tegemoet kwam rijden. Hij zei dat hij het alleen gedaan had om op de hoogte te blijven.’

‘Geloof je dat?’

‘Ja. Hij is een beetje slap, maar een fatsoenlijke vent.’

‘Sawrey en de dominee beschouwen hem als een van de hunnen?’

‘Dat schijnt zo.’

[p. 92]

‘Dan is hij de man om de dominee voor te stellen een aanklacht tegen Fox in te dienen, samen met zijn collega's, vooral met dr. Marshall in Kendal, een opgeblazen beunhaas die zich onmiddellijk tot hun woordvoerder zal opwerpen. Hij is zo onbesuisd in zijn reacties dat hij zichzelf in de wielen zal rijden als je hem de kans daarvoor geeft. Het mooie van deze oplossing is dat hij in de waan zal verkeren dat hij de positie inneemt van zowel aanklager als eiser; op die manier kun je het hele zaakje spoorloos laten verdwijnen.’

‘Legt u me dat eens uit.’

‘Bij een kerkelijke rechtzaak is het, juridisch gesproken, de verkeerde wereld. Als presiderend rechter kun je alle feiten uitschakelen en ze dwingen zich tot hun opinie te beperken. Er waren, in het verleden, bepaalde handelingen die op zichzelf godslastering inhielden, zoals pissen tegen het beeld van een heilige of je ontlasten op het altaar, maar die zijn door de revolutie geschrapt, althans de facto. Je kunt dus van het “alleen opinies” een conditio sine qua non maken; voor de dag om is zullen ze zich hopeloos in de knoop zwetsen. Laat Fox en zij elkaar met hun wederzijdse opinies om de oren slaan tot ze scheelzien, verklaar jezelf dan onbevoegd en stuur de hele zaak door naar het Hof van Beroep. Als ze zó met de handen in het haar zitten dat jij je er vanaf kunt maken, verklaar de man onschuldig en schop hem de straat op. Ik maak me sterk dat het gepeupel daar wel korte metten met hem zal maken, als ik me niet in dr. Marshall vergis. Hij mag dan een blaaskaak zijn, maar hij kan een gemene preek afsteken; hij weet hoe hij het bloed van het gespuis aan het koken kan brengen. Op die manier zou jij je van Fox ontdoen zonder je handen vuil te maken.’

‘Ik herinner me het precedent,’ zei Thomas droog.

‘Welk?’

‘Pilatus.’

‘Als rechter: wat zou jij in zijn plaats hebben gedaan? De Romeinse wet...’

Hij moest de man de mond snoeren anders zou hij blijven doorratelen: Romeins recht was zijn stokpaardje. ‘En Sawrey?’

‘Aha, Sawrey!’ De oude man grijnsde. ‘Briljant advocaat. Hij zou het ver kunnen brengen, als hij niet zo'n snob was. Sawrey kan in een kerkelijk proces alleen een adviserende rol spelen, maar je zou hem buiten de deur moeten houden. Als hij vanuit de zaal die geestelijken instructies gaat geven, zou hij het hele plan wel eens naar de bliksem kunnen helpen.’

‘Het zal niet makkelijk zijn om hem buiten de deur te houden.’

‘Zou je mijn raad nodig hebben als het wél makkelijk was? Die geestelijken moeten hun aanklacht zo snel mogelijk indienen, voordat Sawrey er een civiele zaak van maakt waarbij Fox de beklaagde zou zijn. In dat geval heb je het spel a priori verloren.’

‘Hoezo?’

[p. 93]

De oude Cartwright trok in overdreven verbazing zijn wenkbrauwen op. ‘Hoezo? De man is een Quaker! Zelfs ik, hier in dit godvergeten gat weet dat Quakers weigeren de eed af te leggen! Of is die kleinigheid aan je aandacht ontsnapt?’

‘Maar welk verschil zou dat maken?’

‘In een kerkelijk proces kan de presiderende rechter bepalen dat de getuigen niet de eed hoeven af te leggen, aangezien hun alleen maar naar hun mening zal worden gevraagd, niet om feiten. Niemand hoeft zijn mening onder ede te geven, want meningen veranderen. Ze veranderen misschien zelfs tijdens het proces.’

‘Het spijt me, maar op dit punt kan ik het niet met u eens zijn.’

‘Natuurlijk zal je beslissing heftig worden betwist, maar er kan alleen in hoger beroep aan worden getornd. Tenzij Sawrey in de zaal zit om ze te souffleren zal geen van de geestelijken van die juridische complicatie afweten.’

‘Stel dat het zich allemaal afspeelt zoals u het nu voorstelt, hoe werken we Fox dan weg zonder dat hij door het gepeupel gekeeld wordt? En wat belet hem naar Ulverston terug te komen, zodra er eenmaal beroep tegen het vonnis is aangetekend?’

‘Ah!’ De oude man stak zijn vinger op alsof hij op het punt stond de troefkaart uit te spelen. ‘Het wegwerken van Fox is het gemakkelijkste deel van de hele operatie. Er is geen dominee in dit land die er niet van droomt de grijze eminentie achter Cromwells troon te worden, niet?’

‘Daar ben ik nog niet zo zeker van.’

‘Denk je eens in dat jij zo'n zwamneus bent, die het land rondreist om boerenkaffers de blijde boodschap te brengen en bij iedere gelegenheid bont en blauw geslagen wordt. Wat drijft je voort? Machtswellust! Wat viel er in Ulverston voor macht te oogsten? Swarthmoor Hall, de vrouw van opperrechter Fell, vice-kanselier van het Paltsgraafschap. Niet gek, voor een brutale jongen uit de heffe des volks. Maar laat hem even aan Cromwell ruiken en hij stuift als een windhond achter hém aan. Hoe is jouw verhouding met Cromwell tegenwoordig? Zodanig dat je Fox een introductiebrief voor hem kan meegeven?’

‘Nauwelijks.’

‘Ken je iemand in zijn omgeving die een ontmoeting zou kunnen arrangeren?’

‘Ja.’

‘Mooi. Vertel Fox dan op een geschikt ogenblik - op weg naar de rechtszaal, bijvoorbeeld - dat als hij zich behoorlijk gedraagt, beknopt antwoord geeft zonder iedereen in het harnas te jagen, zijn zaak in hoger beroep zal worden behandeld en hij naar Londen zal kunnen gaan, waar je voor hem een audiëntie met de Protector hebt gearrangeerd.’ De oude man glimlachte zelfgenoegzaam.

‘Maar ik ben geen bewonderaar van Fox, en dat weet hij. Waarom zou

[p. 94]

ik plotseling een audiëntie voor hem willen regelen?’

‘Om hem van je vrouw weg te krijgen!’ zei een spottende stem, onverwacht.

Thomas draaide zich om. Hij was de hele broer vergeten.

‘Hoe oud is die Fox?’ vroeg de vogelverschrikker.

‘Achter in de twintig, zou ik zeggen. Waarom?’

‘En je vrouw?’

‘Eh - achtendertig.’

‘Vandaar.’ Aaron stak zijn vinger in de suikerpot. ‘Godsdienstige extase. Ha! Als ik jou was, zou ik onmiddellijk op hem toestappen en mijn echtelijke rechten gaan opeisen. En trek je niets van zijn slimme plannetjes aan!’

‘Aaron!’ riep zijn broer streng, ‘ga met je studentikoze grapjes naar je werkhok, waar ze thuishoren!’

‘Grapjes?’ vroeg Aaron terwijl hij zijn vinger aflikte en weer in de suikerpot doopte. ‘Een klassieke grap, zou ik zeggen. Alle Franse kluchten zijn erop gebaseerd.’

‘Genoeg!’ snauwde de rechter. ‘Verder geen nonsens! Naar je kamer!’ Met verrassende gedweeheid stond Aaron op en liep naar de deur. Daar draaide hij zich om. ‘Zo groen als gras, jullie allebei!’ En weg was hij.

Moses Cartwright en zijn leerling deden er een ogenblik verlegen het zwijgen toe; toen gromde de oude man: ‘Misschien zit er iets in. Hij kan oervervelend zijn, maar hij kent de vrouwen, geloof het of niet. Ik kan nooit met de meiden in dit huis overweg; hij wikkelt ze om zijn pink.’

Thomas kon alleen maar knikken, want hij was door een plotselinge twijfel overvallen. Kon er inderdaad een waarheid schuilen in de woorden van oude Aaron? Hoe lachwekkend de suggestie ook was, plotseling was hij ten prooi aan een domme, pueriele jaloezie.

Margaret was de laatste om er overspelige gedachten op na te houden, toch stoof hij in galop over de heide naar huis op zijn voortgezweept paard, met maar één gedachte in zijn hoofd. Toen hij thuiskwam, laarzen en broek bespat met modder, beende hij heet van woede naar binnen. Daar werd hij staande gehouden door zijn zoon Charles, die zenuwachtig vroeg: ‘Vader? Zou ik u astublieft even kunnen spreken?’

‘Waar is je moeder?’

‘Ik - ik - weet het niet...’

Thomas stampte door de vestibule, met rinkelende sporen, de zweep in zijn hand.

‘Thomas?’

Daar stond ze, op de overloop, in een schoof van stofdansend zonlicht. Hij stormde de trap op, drie treden tegelijk; toen hij haar bereikte greep hij haar bij de hand. Hij zag een blik van ontsteltenis op haar gezicht bij het zien van de zweep, het gaf hem een boosaardige voldoening. Hij trok haar mee naar de slaapkamer.

‘Wat is er?’ vroeg ze onthutst. ‘Wat is er gebeurd? Wat wil je van me?’

[p. 95]

Hij duwde haar naar binnen en smakte de deur achter zich dicht. Ze staarde hem aan met stomme verbazing. Hij smeet zijn zweep weg en nam haar in zijn armen.

‘Thomas! Wat...’

Hij sloot haar lippen met een kus. Even verzette ze zich, toen voelde hij haar toegeven met een hartstocht die hem iets deed doen wat hij nooit eerder gedaan had: hij tilde haar op en droeg haar naar het bed.

Daar, in een ritselende warwinkel van rokken, nam hij haar met een tederheid die hem eindelijk in staat stelde uiting te geven aan wat hij, sinds zijn terugkomst, niet onder woorden had kunnen brengen.

 

***

 

Voor de rest van die dag leefde Margaret Fell maar ten dele in de werkelijkheid. Ofschoon ze haar huishoudelijke taken met de gebruikelijke kordaatheid hervatte, bleef ze innerlijk genieten van de liefde. Het leek of ze door het huis zweefde, gewichtloos als een vis, vervuld met een gevoel van opperste, sensuele gelukzaligheid. Het was lang geleden dat ze zo de liefde hadden bedreven; nooit eerder had hij een dergelijke hartstochtelijke reactie bij haar opgewekt.

Toen het die avond tijd werd voor de samenkomst, trok haar man zich in zijn studeerkamer terug, maar ze zag dat hij zijn deur op een kier liet staan. Ze probeerde zich te concentreren, weg te zinken naar een diepere stilte, maar ze bleef zweven in de zinnelijke voldaanheid die haar de hele dag vervuld had. Met gesloten ogen, schijnbaar verdiept in vrome overpeinzing, herleefde ze het alles van het ogenblik af dat hij haar in zijn armen nam, naar het bed droeg ...

Ze opende haar ogen en keek om zich heen. De anderen schenen ook verzonken in hun eigen wereld: George alsof hij zat te luisteren; Will Caton voldaan als de kat die de room had opgelikt; Ann Traylor, die kleine roodharige duivelin ...

‘Almachtige Vader, Schepper van Hemel en Aarde, Zaaier van sterren, Werper van zonnen!’ George was opgestaan in het kaarslicht. Hij had zijn hoed afgenomen, wat hij alleen deed als hij tot God sprak. Wat een kracht, wat een vitaliteit! ‘Het spijt me u te moeten teleurstellen, maar als minnaars vallen ze tegen...’ Hij? Als hij ooit zijn blik zou afwenden van het goddelijke in een vrouw, de hemel helpe ... Ze schrok op. Dit was de duivel in haar! Ze vouwde haar handen en smeekte God haar te verlossen van den boze. Uit het duister van haar dichtgeknepen ogen kwamen weer roze vormen naar haar toedrijven, zoals die keer in de tuin. Ze sloeg haar ogen weer op en keek naar John McHair. In tegenstelling tot de anderen, zat hij met open ogen te peinzen. Hij keek erg somber; het werkte aanstekelijk. Terwijl ze naar hem zat te staren begon ze ook somber te worden. Als ze niet aan geestelijke dingen kon denken, moest ze haar aandacht

[p. 96]

richten op iets positiefs, opbouwend denken. Wat, bijvoorbeeld, zou ze voor haar man kunnen doen om zijn thuiskomst te vieren? Voordat ze naar bed gingen zou ze hem de rode pruimen voorzetten, daar was hij gek op, de lieverd.

Ze herinnerde zich de rode pruimen pas laat op die avond, nadat ze opnieuw de liefde hadden bedreven, dit keer vol slaperige tederheid. Het was nu te laat; ze zou ze hem bij het ontbijt voorzetten.

Ze snoot de kaars, maar toen ze op het punt scheen in slaap te vallen voelde ze opeens een vreemde onrust. Om de een of andere reden was ze plotseling bang voor wat ze zou gaan dromen. Toen ze bij het ochtendgloren wakker werd, duurde het een ogenblik vóór ze zich haar droom voor de geest kon halen: zwanen, die ronddreven op zwart water, de weerspiegeling van een torenspits, een juichend klokgebeier dat duiven opjoeg uit de weerspiegelde toren: een witte explosie in het zwarte water. Goddank, volkomen onschuldig.

Ze voelde zich intens gelukkig; toen Thomas, aan het ontbijt, terloops voorstelde dat de Quakers van Ulverston hun samenkomsten voortaan maar hier in huis moesten houden kon ze haar oren niet geloven. ‘Tom! Je meent het niet! Je...’ De rest ging in kussen verloren.

Zo gauw ze de kans kreeg rende ze naar de stallen om George het nieuws te vertellen. Zijn reactie was teleurstellend. Hij vroeg argwanend: ‘Was dit jouw idee, of het zijne?’

‘Ik zweer - ik bedoel: ik verzeker je - het was zijn idee! Geen haar op mijn hoofd heeft ooit aan de mogelijkheid gedacht!’

Hij glimlachte zuur.

‘Wat is er nou?’

‘Ik vraag me af waar hij op uit is.’

‘Op uit? Vertrouw je hem niet?’

‘Ik vertrouw het goddelijke in hem,’ antwoordde hij, ‘maar daar houdt het dan ook mee op.’

Ze draaide zich om, gekwetst. Terwijl ze naar de keuken liep om de dagelijkse werkzaamheden te bespreken met Henderson, vroeg ze zich af of George soms jaloers was.

‘En, Henderson, wat staat er voor vandaag op het programma?’

De huishoudster vertelde het haar, berustend, in de wetenschap dat haar meesteres het toch door een eigen programma zou vervangen. Dat had ze de afgelopen twintig jaar iedere dag gedaan.

 

***

 

Kolonel Best zag, met een gevoel van opluchting, Thomas Fell en diens zoontje de kerk binnenkomen. Hij had zich over de dienst van die ochtend zorgen gemaakt; zoals iedereen verwachtte hij dat Fox zou terugkomen. Hij had gebeden, zonder veel vertrouwen, dat God de onruststoker op een

[p. 97]

afstand zou houden; wilde het stadje weer tot rust komen, dan waren een paar weken respijt broodnodig. Hij vroeg zich af waar de andere leden van de familie Fell waren. Als gevolg van de komst van Thomas sloeg de gedrukte stemming in de kerk volkomen om. Het leek alsof iedereen een zucht van verlichting slaakte; zelfs Lampitt moest opgelucht zijn nu de dagen van gehoorzaamheid en onderdanigheid weer waren teruggekeerd die hij, in een ogenblik van verstandsverbijstering, had geholpen in gevaar te brengen.

Na de dienst hield Thomas Fell kolonel Best staande te midden van een drom mensen in de deuropening die gretig ieder woord opvingen. Een man als Fell zou dit ogenblik niet hebben uitgekozen, tenzij hij de hele stad wilde laten horen wat hij te zeggen had.

‘Goedemorgen, kolonel, goedemorgen, Madame...’ Hij maakte een hoffelijke buiging voor Henrietta. ‘Ik zou je graag even willen spreken, beste vriend. Zou het vanavond schikken, na het eten? Ik kom wel even bij jou langs.’

‘Maar natuurlijk. Je bent van harte welkom.’ Best hoopte dat zijn verbazing niet al te duidelijk was.

‘Ik ben van mening dat we de kwestie Fox niet zo maar moeten laten rusten,’ vervolgde Fell met een minzaam lachje. ‘Tot vanavond, dan. Adieu Madame; Best.’ Op weg naar buiten schudde hij de dominee de hand die, zo vermoedde Best, eveneens moeite had zijn verbazing te verbergen.

In de koets op weg naar huis ontdekte de kolonel dat zijn vrouw Fells openbare demonstratie doorzien had; maar zij had dan ook veel ervaring in paleisintriges. ‘Hij is een van de sluwste intriganten die ik ooit ontmoet heb,’ zei ze. ‘Ik zou maar op mijn tellen passen als ik jou was. Hij zal Sawrey en Lampitt zichzelf laten ophangen, zonder dat ze het merken totdat ze van het bankje springen.’

‘Ik mag het lijden.’

‘Ja,’ zuchtte ze, ‘God weet het, ik ook.’

 

***

 

Toen Fell die avond op bezoek kwam, werd Henrietta Bests mening over hem bevestigd. Nadat het tweede glas wijn was ingeschonken, zette hij zijn plan uiteen. Het leek eenvoudig. Als haar man dominee Lampitt ertoe kon brengen om, samen met zijn collega's in de naburige parochies, een aanklacht wegens godslastering tegen Fox in te dienen dan zou die aanklacht bij hem, Fell, terechtkomen ter behandeling tijdens de komende zitting van het kantongerecht in Lancaster. Lampitt zou de aanklacht zo gauw mogelijk moeten indienen, voordat iemand anders, met name Sawrey, er een civiele zaak van maakte.

‘Ik geloof niet dat Sawrey dat zou doen,’ zei haar man.

‘Hoe dat zo?’

[p. 98]

‘Tijdens de rel in de kerk zag ik kans hem een briefje in handen te spelen, waarin ik hem waarschuwde dat hij bezig was zich schuldig te maken aan geweldpleging binnen geconsacreerde muren. Hij liet onmiddellijk de man uit de kerk verwijderen en buiten door de schout en zijn rakkers verder afranselen.’

‘Maar inmiddels had hij zich al gecompromitteerd?’

‘Inderdaad.’

Fell nam bedachtzaam een teugje wijn. ‘In dat geval zou ik het zó voorstellen dat we er een kerkelijke zaak van maken om hem voor een tegenaanklacht van de beklaagde te vrijwaren.’

Haar man glimlachte bewonderend. ‘Heel slim,’ zei hij.

‘Voor zover ik het zie,’ zei ze, verontrust door hun zelfingenomenheid, ‘zitten jullie tussen twee vuren. Als Fox in de gevangenis terechtkomt, zou dat een martelaar van hem maken. Wordt hij vrijgesproken, dan zou hij doorgaan de stad op stelten te zetten. Mensen zoals hij worden door tegenwerking alleen maar aangemoedigd.’

‘Ach zo,’ zei Fell hoffelijk.

Maar ze was niet van plan zich de mond te laten snoeren. Ze stond verbaasd over zichzelf; het was niets voor haar om zich met andermans zaken te bemoeien, maar ze wilde dat Fox weggewerkt werd, voorgoed. ‘U moet goed beseffen,’ ging ze verder, ‘dat hij op vervolging uit is, ook al weet hij dat dit er uiteindelijk op uit moet lopen dat hij gekruisigd wordt. Ik hoef u wel niet uit te leggen wat de gevolgen zouden zijn, als Fox Ulverston als zijn Golgotha mocht uitkiezen.’

Thomas Fell staarde naar zijn wijnglas. ‘Zou dat niet een te bescheiden decor zijn voor zo'n glorieus evenement?’

‘Tenzij hem een beter werd aangeboden.’

‘Wordt dat niet beslist door wat hij goddelijke inspiratie noemt?’

‘God inspireert Zijn kinderen zelden rechtstreeks,’ antwoordde ze. ‘Zelfs intieme vrienden van de Almachtige, zoals Fox, zien zich gedwongen om tekenen of gebeurtenissen te interpreteren.’

Thomas Fell glimlachte. ‘Laten we hopen dat de heer Fox een waardiger toneel voor zijn catharsis zal vinden dan Ulverston.’

‘Dat zal van zijn tegenspeler in de slotscène afhangen,’ zei ze.

Plotseling keek Thomas Fell haar voor het eerst aan. ‘Suggereert u soms dat ik hem een introductie voor Oliver Cromwell geef, Madame?’

Even was ze van haar stuk gebracht; toen antwoordde ze: ‘U moet me mijn vrijpostigheid vergeven.’

‘Integendeel!’ zei hij terwijl hij opstond. ‘We zullen, voordat deze zaak is afgedaan, uw vrijpostigheid hard nodig hebben. Zou u mij het genoegen willen doen het proces bij te wonen?’

Hij boog zich over haar uitgestrekte hand, liep toen naar de deur, waar hij nogmaals een buiging maakte.

Toen haar man terugkwam, nadat hij Fell had uitgelaten, zei ze: ‘Jij hebt

[p. 99]

me nooit voor een proces uitgenodigd!’

‘Nee,’ zei hij op nuchtere toon, ‘inderdaad.’ Hij schonk zich nog een glas wijn in. ‘Dat betekent helaas dat hij ook zijn eigen vrouw zal moeten uitnodigen.’

‘En waarom niet?’

‘Omdat hij daarmee het proces in een soort chique attractie verandert. Ik maak een goede kans om Sawrey dat idee van een kerkelijk proces te verkopen, maar ik kan hem niet bewegen hier te blijven als de hele beau monde van Ulverston naar de zitting van het kantongerecht gaat.’

Voyons, mon chou! Je kunt mevrouw Fell en mij nauwelijks “de hele beau monde” noemen!’

‘Een stelletje blikken dominees als aanklagers kunnen Fell en ik wel de baas,’ mopperde hij verder, ‘maar met John Sawrey als het meesterbrein op de achtergrond? Nee, dankjewel.’

‘Maar er is toch wel een manier te vinden om hem op een afstand te houden?’

‘Allicht, maar ik ben bang dat ik niet erg goed ben in dat soort intriges.’

Ze liep naar hem toe en kuste hem. ‘Lieve man, doe niet zo bescheiden. Wees weer eens jezelf, zoals vroeger: brutaal, driest - en kom me dan eens wakker maken.’

Ze gaf hem een tikje met haar waaier op zijn neus, draaide zich om en liet hem staan, haar met droevige tederheid nastarend.

 

***

 

Toen zijn vrouw weg was pakte kolonel Best een nieuwe fles, ging in zijn stoel zitten en legde zijn gelaarsde voeten op tafel. Hij schonk zich nog een glas muskadel in en slurpte er bedachtzaam van. Sawrey was inderdaad de spil waar het hele plan om draaide. Alleen als ze hem op een afstand konden houden, maakten ze een kans. Welk lokaas zou hij kunnen gebruiken om die sluwe kleine rat hier in Ulverston vast te houden?

Misschien was het de wijn, misschien het vertrouwen van zijn vrouw, maar voor de fles leeg was had hij de oplossing gevonden. Als hij John Sawrey juist taxeerde, kon het niet missen. Hij keek naar de klok; de bedienden zouden wel naar bed zijn; niettemin trok hij aan het schellekoord. Na een paar minuten werd er op de deur geklopt en kwam Kathryn de meid binnen.

‘Is Bonbon nog op?’ vroeg hij.

Ze keek hem verbaasd aan. ‘Jawel, kolonel, ik denk het wel...’

‘Zeg hem dat ik hem wil spreken.’

De mond van de meid zakte open. ‘Wilt u zich nu nog laten scheren, mijn heer?!’

‘Doe niet zo gek!’ riep hij geërgerd uit. ‘Het gaat je geen steek aan waarom, ik wil met hem praten.’

[p. 100]

‘Jawel, kolonel...’ Ze deed de deur achter zich dicht.

Grommend dronk hij het laatste restje uit de fles.

 

***

 

Louis Bonnecharme was bezig voor zijn spiegel zijn wenkbrauwen te epileren bij kaarslicht, toen zijn deur geopend werd en een kijfzieke stem riep: ‘Vooruit, Mesjeu! Hij wil je spreken, in het poppenkamertje!’ Hij sprong op van schrik en stak zich met het pincet tussen de ogen.

Hij ziedde van woede. ‘Oh, la vache!’ riep hij. ‘Kun je niet kloppen? Heb je geen chasteté, om zo maar, als een sacrée éléphante, de kamer van een man binnen te stormen?’

Hij verwachtte dat ze hem met gelijke munt zou terugbetalen - hij wilde dat ze het deed, hij had een laaiende ruzie nodig om over zijn crise de nerfs heen te komen, maar ze vroeg smalend: ‘Sinds wanneer ben jij een man?’ en deed de deur dicht; het pincet dat hij haar naar het hoofd smeet kaatste tegen de deur terug en viel met een zacht getinkel op de grond. Niemand hier in huis kon hem zó het bloed onder de nagels wegsarren als die waggelende vleeskoets; als het niet voor Madame geweest was zou hij al tien jaar geleden naar Frankrijk zijn teruggegaan. Maar hier zat hij, een in de hel verdwaalde oude eunuch, slachtoffer van een stom instinct - want hij was allang tot de conclusie gekomen dat zijn opofferende trouw aan La Douce Tété alleen maar als blind instinct verklaard kon worden. Voordat ze hem in haar netten verstrikte was hij een vrij man geweest, met een prachtige toekomst voor zich; iedereen in de keukens van Fontainebleau had geweten dat Louis Bonnecharme, assistent pâtissier van de grote chefkok Turlupin, op weg was naar de top. Altijd als er een of andere speciale gelegenheid was waarbij kleine bouchées, canapés of petits fours nodig waren, werd er een beroep op hem gedaan. Hij wist precies wat hij moest opdienen als een hoveling of een van de buitenlandse gezanten een tête-à-tête in de zin had. Bij ieder galant avontuur waren het de hors d'oeuvres die de sfeer bepaalden; de zijne brachten zelfs de meest aftandse oude zwierbol ertoe kiese fijngevoeligheid te veinzen. Op roekeloze ogenblikken, als hij dagdromend met de handen op de rug door de bediendentuin drentelde, wist hij dat er een pasteitje moest bestaan, een betoverend lekkernijtje dat haast zou blozen zodra het zilveren deksel van de schaal werd opgelicht, en dat op de zinnen een subtielere uitwerking zou hebben dan champagne of kaviaar. Soms kon hij zich wel tegen het voorhoofd slaan van vertwijfeling over de kafferachtigheid van sommige hovelingen, wier brute lompheid een stier in verlegenheid zou hebben gebracht. Het speelse minnekozen werd des te verrukkelijker naar de mate van de delicatesse van de versnapering waarmee de zinnen werden geprikkeld - alle zinnen, niet slechts één. Alles moest in het spel worden betrokken: muziek, parfum, geraffineerde liefkozingen, weelderige entourage, de intimiteit van te weinig kaarsen,

[p. 101]

maar bovenal de strelingen van oog en smaak van de bonne bouche en de pouf-poufs bereid door Louis Bonnecharme, pâtissier du Roi.

Zijn kans kwam toen chef-kok Turlupin hem bij zijn broer aanbeval, de grote hansworst die, samen met Gaultier-Garguille, in de kluchten optrad die na de treurspelen in het Théâtre de l'Hôtel de Bourgogne ten tonele werden gebracht. Als het aan het gepeupel in de engelenbak had gelegen, had men de tragedies al lang geleden afgeschaft en uitsluitend kluchten opgevoerd; het waren de rijken en de bevoorrechten die ze in leven hielden. Want de treurspelen vormden de ideale dekmantel voor ongehaast liefdesspel in de duisternis van de loges, die allemaal leeg schenen te lopen zodra de tragedies begonnen. Als ten slotte de clowns het proscenium opbuitelden en de eerste lachsalvo's losbarstten kwamen de bleke-manegezichten weer opduiken in de donkere bogen van de loges; zo eindigde een avond van hartstochtelijk overspel in zuiverende, kinderlijke vrolijkheid.

Hij werd het hoofd van de keukens van het theater, meester-kok voor de rijken, de edelen en de diplomaten die zich in die loges uitraasden. Weldra was hij de lieveling van de cocottes, en op weg terug te keren naar de koninklijke keukens met genoeg culinaire lauweren om zijn weldoener Turlupin te onttronen, toen hij verstrikt raakte in de netten van een doodgewoon meisje, een kleine dilettante uit de provincie, die toen zij voor de eerste keer een loge binnenging beefde als een aan een sultan verkochte maagd. Hij bracht de eerste schaal gebakjes binnen; ze keek hem aan met zo'n wanhoop, zo'n angst, zo'n verdriet, dat hij haar niet uit zijn gedachten kon zetten. Toen de voorstelling was afgelopen en haar patron was weggegaan, zocht hij haar op.

Ze zat op de bank in de loge, haar hoofd in haar handen, een toonbeeld van verslagenheid te midden van de verwelkende bloemen, de opgebrande kaarsen. Haar haren waren los, haar keursje open, haar provinciale waaiertje lag op de vloer.

Toen hij haar zo zag zitten gebeurde er iets met hem, iets dat hij later nooit helemaal had kunnen begrijpen. Ze leidde de rijzende jonge ster af van zijn fiere opvlucht en maakte de toekomstige chef-pâtissier du Roi eerst tot haar beschermer, later tot haar zaakwaarnemer. Hij schiep een nieuwe persoonlijkheid voor haar, alsof hij een nieuw gebakje creëerde. Ze bleek een jonge Hugenote-weduwe te zijn, wier echtgenoot en kinderen ergens in de Camargue waren afgeslacht; hij zag onmiddellijk de waarde van haar tragische achtergrond.

Haar hindeachtige schuwheid kon misschien, bij de juiste partner, tot een kortstondige, dolzinnige vlaag van hartstocht oplaaien, die de meest geblaseerde losbol de bijna vergeten sensatie van ontmaagding zou geven. Discreet vertelde hij een paar zorgvuldig door hem uitgekozen heren over haar exotische aantrekkelijkheden; het gevolg was dat ze al spoedig in haar eigen kleine salon werd geïnstalleerd door een van de rijkste kooplieden in de stad, zo kies en tactvol dat hij nooit onaangekondigd op bezoek kwam.

[p. 102]

Bonbon zelf werd haar majordomus en maakte haar, als ‘La Douce Tété’, tot een van de vooraanstaande courtisanes van Parijs. Ze bezat een kuise onschuld die op magische wijze tien jaar lang onbezoedeld bleef; gedurende die periode bezochten vrijwel al de invloedrijke mannen uit hof en stad haar salon, om zijn gebak te loven en hem een louis d'or in de hand te drukken als hen discreet uitgeleide werd gedaan. Haar jeugd, haar tragische kwetsbaarheid schenen onaangetast door tijd; ze bleef onbezoedeld totdat kolonel William Best, een ruwe, louche Engelsman, haar met de hebzucht van de ouder wordende rokkenjager voor zich zelf alleen opeiste. Ze bezweek niet voor 's mans vleierijen, maar voor een of ander burgerlijk ideaal dat ze van het huwelijk had, wat bewees dat ze in haar hart niet meer was dan een midinette. Bonbon probeerde een beroep op haar gezonde verstand te doen, maar ze liet zich ontvoeren naar een godverlaten barbaars achterland dat Lancashire heette, een grenzeloze heide met hier en daar wat vochtige huizen bevolkt door provinciale kinkels, riekend naar zweet, en vrouwen met een adem die stonk naar onverteerbaar voedsel en rotte tanden. Ervan overtuigd dat ze het slachtoffer was van een tijdelijke verstandsverbijstering en hem weldra nodig zou hebben om haar te helpen naar Parijs terug te keren, ging hij met haar mee. Maar er gebeurde iets catastrofaals: zodra ze eenmaal in Lancashire was zag hij haar voor zijn ogen zwichten voor de enige vijand die hij niet in bedwang kon houden: de ouderdom. In één jaar takelde ze tien jaar af; vol afgrijzen zag hij haar pafferig worden, haar tengerheid, de donkere schoonheid van de wanhoop verliezen, veranderen in iets wat ze in het diepst van haar hart altijd had willen zijn: een burgerlijke huismoeder. Ze was gelukkig, daar bestond geen twijfel aan, maar het was een mismoedig, platvloers geluk; de onvergelijkbare zwaan van La Couvertoirade zong haar laatste lied op de naargeestige heide van Lancashire en uit haar as verrees een gezellige, schommelende eend.

En hij zelf? De man die koninklijke smaak geprikkeld had, de meest verwende gehemelten van de beschaafdste stad ter wereld gestreeld? Hij zag zich plotseling gedoemd tot het opdienen van klapstuk en niertjes, jachtschotel van kliekjes, gekookte schelvis, rolpens. In plaats van de scepter te zwaaien over een huishouding van zeventien bedienden, moest hij nu in de keuken slag leveren tegen één sarrende, dikke meid en iedere ochtend de stoppels van de gehate kaken van zijn nieuwe meester schrapen, bekogeld door vloeken, schimpscheuten op zijn mannelijkheid, boeren, winden, de stank van een buizerdsnest.

Hij zuchtte, wreef zich de ogen uit, knoopte zijn jas dicht en boog zich voorover naar de spiegel om zijn wenkbrauwen glad te strijken en zijn haar te ordenen voor de bruut, die niet eens naar hem zou kijken en waarschijnlijk niets meer wilde hebben dan een kroes aal, die nog bedorven werd doordat zij met een gloeiende pook werd opgewarmd. Wist de man niet dat de vuren in de keuken op dit uur van de nacht gedoofd waren? Zijn haat

[p. 103]

tegen de veroveraar golfde als gal in zijn keel op terwijl hij tastend de donkere trap afstrompelde, kreetjes slakend als hij gloeiendheet kaarsvet morste op zijn hand. Zijn klop op de deur werd beantwoord door het gebruikelijke gegrom; hij opende de deur en zag de kolonel als een zoutzak in een stoel, poten op tafel, fles op de grond, lege kroes in de hand. Laat in de avond scheen de man zich te gedragen alsof hij een soldaat van een zegevierend leger was die in zijn eigen huis was ingekwartierd.

‘Zeg,’ zei hij alsof het negen uur in de ochtend was, ‘die haas die we laatst hadden; had je die van die stroper gekocht?’

O, douce vierge! Was hij daarom in het holst van de nacht uit bed gehaald?

Non, non, mon Colonel! U hebt het me verboden! Ik zou er niet aan dénken...’

‘Hou op met die flauwekul!’ riep de lomperd uit, terwijl hij zijn laarzen van de tafel lichtte. ‘Ik weet dat je het met hem op een akkoordje hebt gegooid. Het enige wat ik wil zeggen is: ik vond 'm lekker, die haas. Erg lekker. Begrijp je?’

Hij begreep het niet, maar zei: ‘Eh - oui, mon Colonel.’

‘Goed. Laat die McHair dan weten dat ik meer hazen wil hebben. Iedere dag een haas. Is dat duidelijk?’

‘Maar, mon Colonel! Met één haas doen we...’

‘Kan me niet verdommen!’ riep de bullebak met volslagen minachting voor de realiteiten van de keuken. ‘Ik wil iedere dag een verse haas! En ik wil hem van die man, en daarmee basta!’

Het was allemaal een raadsel voor Bonbon, maar hij had tenminste geen bevel gekregen op handen en knieën voor het keukenfornuis te gaan liggen om een pook heet te maken. ‘Heel goed, mon Colonel,’ zei hij, ‘is dat alles?’

‘Ja.’

‘Welterusten, mon Colonel.’

Toen hij op het punt stond de deur te sluiten, riep de stem hem na: ‘Wat ik zeggen wou, het is niet nodig om het aan Madame te vertellen!’

Bonbon keek om, met plotselinge argwaan. Maar hij paste wel op er iets van te laten merken. ‘Heel goed, mon Colonel, welterusten.’

Terwijl hij langzaam de trap beklom, terug naar zijn kamer, vroeg hij zich af waarom de kolonel opeens, tegen zijn eigen bevel in, iedere dag haas eiste, tot het hun straks de oren uitkwam? Waarom had hij erop gestaan het van McHair te betrekken? Waarom mocht Madame er niet van weten? Het was volslagen dwaasheid; natuurlijk zou Madame erachter komen. Maar waarom? Wat voerde hij in zijn schild? Wat de kolonel ook van plan was, plotseling, na dertien jaar, had hij zijn onverzoenlijke vijand macht over zich gegeven. Bonbon wist nog niet welke, maar het was macht, die uiteindelijk misschien voldoende zou blijken om hem te vernietigen.

[p. 104]

Ach! Als hij het lieve burgereendje eens terug zou kunnen brengen naar La Douce France! Niemand kon haar haar jeugd weerom geven, maar ze zouden samen langs de Seine kunnen zwerven waar Parijs in weerspiegeld lag, en terugdenken aan de dagen toen de sleutel naar het geluk gemaakt scheen te zijn van pâtisserie.

Hij keek naar zijn vervallen gezicht in de spiegel, fluisterde: ‘Ai, mon pauvre ami!’ en blies de kaars uit.

Er was geen gordijn. Hij vond zijn bed bij het licht van de maan.

 

***

 

John McHair was een verbijsterd man. Sinds die vechtpartij in de kerk had hij geprobeerd zijn normale leven te hervatten, maar zijn bekwaamheid als jager scheen op de een of andere manier te zijn aangetast.

Hij zwierf niet meer als de onbetwiste koning van het woud door rechter Sawreys landgoed; zijn kracht scheen van binnenuit ondergraven te zijn. Hij voelde zich niet langer deel van de natuur, de dierenwereld waarin hij zolang hij zich kon herinneren thuis was geweest. Hij interesseerde zich niet meer voor het jagen van wild, ook al was het deel van de natuur. Voor het eerst in zijn leven betrapte hij zich erop dat hij aan een eerlijk beroep dacht. Een eerlijk beroep! Welk? Het enige wat hij zou kunnen was slager worden; maar hij kon geen hulpeloze, gekluisterde dieren slachten die hij niet gejaagd en tot overgave gedwongen had.

Wat anders? Dagloner, net als zijn vader, een slaaf die van uitputting zou sterven en in het graf van een pauper worden gesmeten? Dat nooit. Op jacht gaan voor zijn maal, leven met de vogels, de wolken, de regen, de wegglippende haas, het huppelende konijn, dat was zijn bestemming. Hij kon zich geen ander bestaan indenken dan in de bossen, op de heide; de ritselende nacht, de glorie van de dageraad. Maar het was alsof de natuur zelf begonnen was hem af te stoten. De een of andere elementaire zwakheid deed hem aarzelen op het moment dat hij moest doden. Het was de schuld van die verdomde Quakers, die ijlhoofdige wijven. Die hadden hem besmet met dat waanzinnige besef van broederschap met alle leven, dat hem met ogen en een hart vol liefde naar een hinde en haar kalf deed gluren, en een haas liet ontsnappen als hij zijn knuppel al opgeheven had. Net een roes was het; alleen verdween deze sentimentele dronkenschap niet na een goede nachtrust. Hij scheen niet bij machte om die zwakheid van zich af te schudden, die eerbied voor alle leven die de roerloze haas, verlamd door zijn wilskracht, plotseling de moed gaf met een reddende sprong te vluchten in plaats van, deemoedig, op de genadeslag te wachten. Het zich bewust worden van zijn prooi als levend wezen, al was het maar voor één seconde, was genoeg om het dier vrij te laten.

Hij begreep niet wat er op dat ogenblik tussen hem en zijn prooi kwam, maar het veroordeelde hem tot de hongerdood. Het betekende domweg dat

[p. 105]

hij niet langer kon jagen, en jagen was zijn lust en zijn leven. Hij probeerde met de strik te jagen, ook al vergemakkelijkte dat opsporing door de jachtopzieners van de rechter. Maar het hielp niet; hij kon geen gevangen dieren doden, dat had hij nooit gekund. Hij dacht erover Mesjeu te vertellen dat hij een tijdje wegging, maar hij zou wel gek zijn om zo'n goede klant voor het hoofd te stoten. Tenminste, zo dacht hij er overdag over. Zodra het weer donker werd en de eerste vleermuizen om de klokketoren van de kerk begonnen te buitelen en de roepstem van de jacht hem naar het bos lokte, bekroop hem die beheksing weer. Het gaf hem het gevoel dat er iets in het duister op hem loerde, klaar om hem te bespringen en te doden, zoals hij zelf gedood had toen hij nog de onbetwiste koning van het woud was geweest. Net als zijn eigen slachtoffers scheen hij gedoemd zich te laten beheksen door een moordenaar die hem in het donker beloerde, en die niet door deze belachelijke zwakheid ontmand was geworden.

Als hij maar wist wat het was, dan zou hij zich kunnen verdedigen! Hij wilde het van zich afschudden, maar was machteloos zolang hij niet wist waarom die weifeling hem telkens op het ogenblik van de genadeslag verlamde.

 

***

 

Zodra echtelieden iets voor elkaar verbergen, dacht Henrietta Best, wordt alle samenspraak tussen hen erdoor verstoord. Ze was er zeker van dat haar man iets in zijn schild voerde en als ze niet, nu al wekenlang, gedaan hadden alsof haar pijnlijke uitbarsting op Swarthmoor Hall niet had plaatsgevonden, zou ze het hem op de man af hebben kunnen vragen. Maar, als gevolg van hun goedbedoelde veinzerij waren de herfstdraden van de intuïtie, die alle lang getrouwde paren verbinden, gebroken. Misschien verbeeldde ze het zich allemaal wel. Misschien was het haar eigen, onrustige geweten dat haar parten speelde. Op een ochtend, toen ze Bonbon haar protest liet horen vanwege de eindeloze sleur om haas aan het avondmaal op te dienen, hoorde ze dat dit overeenkomstig het voorschrift van haar man was. Eindelijk kwam ze tot de vaste overtuiging dat William Best, zesenvijftig jaar oud, met de doorzichtige grifheid van een jongen van twaalf kattekwaad aan het beramen was. Belachelijk van hem, te denken dat ze niet zou merken dat Bonbon, die meesterkok, ineens alleen maar haas opdiste, ad nauseam!

Wat was die domme man van plan? Ze maakte zich zorgen. Dezelfde eigenschap die haar eens gered had maakte hem een povere samenzweerder; er kwam altijd een ogenblik dat hij, onverwacht, slachtoffer werd van zijn eigen menselijkheid. Hij kon kuipen en intrigeren als de beste; maar ineens trof medelijden, barmhartigheid, deernis of wat dan ook hem tussen de schouderbladen en liet hij alles erbij neervallen. Ze hield daarom des te meer van hem, maar het bracht altijd een sleep van verwikkelingen teweeg.

[p. 106]

Nu was er kennelijk weer iets van deze aard gaande. Ze moest erachter zien te komen wat het was. Ze besloot het hem op de man af te vragen, maar ze moest het juiste moment daarvoor wel zorgvuldig kiezen. Mannen waren onstandvastige wezens. Aangename redelijkheid kon plotseling door een of andere terloopse opmerking, een onderdrukte geeuw of een enigszins kortaf antwoord omslaan in een uitbarsting van opgekropte woede. Ondanks haar ervaring verraste dit haar altijd weer, alsof ze een lawine op zich zag neerstorten als gevolg van een onschuldig niezen.

Het beste ogenblik was gedurende het halfuurtje voor het avondeten, als ze hun apéritief dronken in haar salonnetje. Die avond zei ze, toen hij wilde opstaan om hun glazen in te schenken, ‘Nee, schat, laat mij dit nu eens doen! Je zit nu net zo gezellig.’ Had ze hem gevraagd om te blijven zitten omdat hij er vermoeid uitzag, zou het aanbod averechts hebben uitgewerkt; ‘vermoeid’ betekende in de mannelijke vocabulaire ‘oud’.

Hij nam dankbaar het glas aan dat ze hem overhandigde. ‘Parbleu! Dat is erg vol, liefje!’ Hij morste, gelukkig op de vloer en niet op zijn broek.

‘Het spijt me.’ Ze gaf hem een kus op zijn voorhoofd. ‘Ik zal de karaf naast je zetten.’ Ze hoopte dat het niet te doorzichtig was. ‘Hoe gaat het met de zaak Fox?’ vroeg ze terloops, terwijl ze naar haar stoel terugging.

‘Tot dusver goed,’ antwoordde hij, en nam een teug wijn. ‘Fell moet de aanklacht ontvangen hebben, want de zaak komt volgende week voor.’

‘Wie heeft de klacht ingediend?’

‘Dr. Marshall.’ Hij grinnikte. ‘Volgens plan. Schrandere kerel, die Fell.’

‘Hoeveel dominees hebben meegetekend?’

‘Achtendertig.’

‘En Sawrey? Hoe heeft die het opgenomen?’

‘Volgens plan, volgens plan.’ Hij nam nog een teug wijn, slurpend.

Ze wachtte tot hij zijn mond gespoeld had; toen vroeg ze op de man af: ‘Ben je soms van plan Sawrey die stroper in handen te spelen?’

‘H'm? Wat zeg je noú?’

‘Bonbon vertelde me dat je hem opdracht hebt gegeven iedere dag een haas te bestellen. De reden daarvoor kan alleen maar zijn dat je van plan bent Sawrey de stroper in handen te spelen op een ogenblik dat het jullie uitkomt. Hij probeert al jarenlang de man op heterdaad te betrappen.’

‘Maar - maar hoe...’ stotterde hij.

‘Voyons, chéri,’ zei ze. ‘Ik heb genoeg van processen opgestoken om te weten dat het enige wat Sawrey nodig heeft een gemerkt stuk wild is, als onomstotelijk bewijs.’

‘Waarom zou ik in 's hemelsnaam zo iets doen?’

‘Sawreys aandacht zou erdoor worden afgeleid; tegen de tijd dat hij onraad begint te ruiken, zouden jij en ton petit camarade Thomas Fell die Fox hebben vrijgesproken en weggewerkt. Heb ik geen gelijk, mon chou?

Hij gromde: ‘Doet er niet toe. Bemoei je met je eigen zaken.’

Ze koesterde beslist geen genegenheid voor John McHair de stroper,

[p. 107]

maar het was barbaars met een menselijk wezen om te springen alsof het een stuk wild was. ‘Waarom zou je het leven van een onschuldige man in de waagschaal stellen, chéri?

‘Onschuldig? Hij is een stroper!’

‘Waarom het leven van een onschuldige stroper...’

‘Schei toch uit met dat geklets!’ riep hij nijdig uit. ‘De man wordt voor stroperij heus niet opgehangen!’

‘Ik acht Sawrey er best toe in staat.’

‘Als hij die man ophangt, zou dat het einde van zijn dagen als rechter betekenen. Het ergste wat er gebeuren kan is dat McHair een jaar of wat de gevangenis ingaat; en dat heeft hij rijkelijk verdiend.’

Zijn vastberadenheid klonk hol. Hij was er de man niet naar om iemand op slinkse manier tot een misdrijf te verlokken en op het geëigende ogenblik aan te klagen. Natuurlijk zou er weer een moment komen waarop hij plotseling spijt zou krijgen en alles nog erger maken dan het al was. ‘Waarom?’ vroeg ze. ‘Waarom breng je jezelf in gevaar?’

‘Ik? Je bent niet wijs.’ Hij slurpte een teug wijn.

‘Coco, Sawrey is wraakgierig, ambitieus en heeft niets te verliezen. Als hij erachter komt zal hij het je nooit vergeven. Waarom zou je voor zo'n kleinigheid de onsterfelijke haat van een doortrapte intrigant als hij riskeren?’

‘Kleinigheid? M'n goeie mens: ik wil de zekerheid dat Fox uit het district verdwijnt en nooit meer terugkomt! Kleinigheid! De vrede en de rust van de stad zijn ermee gemoeid! Hoe dan ook: ik wil er verder niets over horen!’ Hij glimlachte grimmig. ‘We zullen hazepeper blijven eten.’

Ze wist dat iedere verdere poging harerzijds om hem van zijn besluit af te brengen de zaak alleen maar bederven zou. Ze vroeg zich af of ze de stroper zou waarschuwen; maar dit was een van die gelegenheden waarbij een vrouw loyaal moest blijven, ongeacht haar eigen overtuiging. Ze kon dat William niet aandoen; hij zou er onherroepelijk achter komen en haar verraad zou hem diep kwetsen; het was de prijs niet waard. Bovendien was zij niet degene die de eerste steen kon werpen.

terug  begin  verder