terug  begin  verder
[p. 108]

Vijf

Het gezelschap, op weg van Ulverston naar Lancaster, was bezig het zand over te steken. Het was een zonnige dag; de Morecambe Bay glinsterde aan de horizon als een zilveren rimpeling tussen zand en hemel. De geur van door het tij blootgelegde schaaldieren hing in de roerloze, hete lucht; de paarden, nat van zweet, trappelden zenuwachtig omdat hun hoeven in sponzige zeewierbanken wegzonken.

Het gezelschap bestond uit twaalf personen: de rechters Fell en Best met hun knechten en secretarissen, George Fox en, in het midden van de stoet, Henrietta Best en Margaret Fell, elk door een parasol tegen de zonnestralen beschut, met haar respectieve kameniersters.

Toen ze halverwege waren, vroeg rechter Fell George Fox even met hem achterop te willen blijven om over het komende proces te praten. George gehoorzaamde met tegenzin; hij begon zich steeds minder op zijn gemak te voelen. Hij wist genoeg over de manier waarop het recht werd toegepast om te beseffen dat er vooraf van alles bedisseld kon worden. Rechter Bennett had in de gevangenis van Derby zelf gesuggereerd dat, als hij om een nieuwe berechting zou vragen en zich tot een korte lijst van vooraf opgestelde verklaringen beperken, zijn vonnis zou worden herzien.

Zodra ze buiten gehoorsafstand van de anderen waren zei George: ‘Vriend Thomas, ik wil niet over het proces praten.’ Hij voelde zich opgelucht en glimlachte de man die naast hem reed verzoeningsgezind toe.

Thomas Fells ogen waren onmededeelzaam. ‘Zoals u wilt. U moet zich alleen wel realiseren dat in een kerkelijke rechtszaak zoals deze de vragen door de aanklagers worden gesteld. Het zal ongetwijfeld hun bedoeling zijn u tot nieuwe godslastering te verlokken. Ik zal daarbij tussenbeide moeten komen. Is dat duidelijk?’

‘Ja.’

Ze reden zwijgend voort. Er viel, naar het scheen, niets meer te zeggen; toch maakte de rechter geen aanstalten zich weer bij de anderen te voegen. ‘Tussen haakjes,’ zei hij eindelijk, ‘hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat het tijd voor u wordt uw boodschap tot Oliver Cromwell te richten. In een persoonlijk onderhoud, bedoel ik.’

‘Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.’

‘Ik zou u een introductiebrief aan iemand bij het hof kunnen meegeven, die u in contact met de Protector zou brengen.’

Nee maar! Eindelijk lagen dan de kaarten op tafel. Het was nu zonne-

[p. 109]

klaar dat het proces door Fell en Best gearrangeerd was; de hele opzet was zo'n belediging voor het geestelijke aspect van zijn missie dat hij op het punt stond te zeggen: ‘Dank je, vriend, ik zal met Cromwell gaan praten als God de tijd gekomen acht.’ Maar de gedachte viel hem in: zou God soms de intriges van zondige mannen gebruiken om Zijn wil te verwezenlijken? Hij had nog steeds geen antwoord gevonden op de vraag waarom de Heer hem naar Swarthmoor gestuurd had. Zou Hij soms wensen dat hij naar Cromwell ging, en liep de kortste weg via Fell en Best? Voor het eerst zag hij een mogelijk doel van zijn komst. ‘Dank je, Thomas,’ zei hij, ‘dat zal ik graag doen.’ Terwijl hij het zei, werd hij vervuld van een gevoel van liefde voor de man. ‘Maak je geen zorgen,’ voegde hij eraan toe. ‘We zijn allemaal in Zijn macht. Als Hij de haren op onze hoofden telt, moet Hij zich zeker bewust zijn van onze kuiperijen en intriges. Onze enige troost is dat we, zonder het te beseffen, op Zijn aandrang handelen.’

Voor hemzelf was het duidelijk, maar hij had het gevoel dat de man naast hem erover smaalde als kinderlijke blokkendozenfilosofie. Misschien moest men eerst veilig bij hoogtij over deze zandvlakte geleid zijn door de hand Gods voordat men kon aanvaarden afhankelijk te zijn van die oneindige oceaan van licht en liefde, die zowel onze oorsprong als onze bestemming is.

 

***

 

De ochtend van het proces was drukkend warm. Het Slot Lancaster, massief en ongenaakbaar, beheerste op zijn heuvel de lage daken van de stad. Het slotplein wemelde van mensen, alsof er een jaarmarkt aan de gang was. Venters met gepofte kastanjes, bier, waaiers, pamfletten prezen met schelle stemmen hun waren aan. De menigte stond dicht opeengepakt; er waren zelfs mensen op het voetstuk van het Sint-Jorisbeeld geklommen, dat tijdens de revolutie vanwege de heiligenkrans onthoofd was. Op het woedende geschreeuw van hellebaardiers opende zich een smal pad in de volte om een draagstoel door te laten, die door twee mannen getorst werd. Ernaast liepen twee rechters in vol ornaat met pruiken, voorafgegaan door de pedel; zij werden onmiddellijk herkend als lord Thomas Fell en kolonel William Best, presiderende rechters bij het proces. De stoel werd niet het bordes naar de rechtszaal opgedragen, maar de Slotpoort in, de ingang naar de gevangenis. De ijzeren hekken gingen open en weer dicht, een passagier stapte uit de stoel en verdween in het kantoor van de schout. Een woedend gehuil steeg op uit de menigte. Ze spuwden, schudden hun vuisten, brulden verwensingen, want in de draagstoel hadden niet de dames van de rechters gezeten, zoals iedereen had aangenomen, maar de godslasteraar George Fox zelf, die door deze list tegen de woede van het gepeupel beschermd was. Te oordelen naar het bloeddorstig gekrijs dat zijn verschijning opwekte, was het een verstandige maatregel geweest. Het volk op het plein, door

[p. 110]

de geestelijkheid opgehitst, zou de beschuldigde als hij in het openbaar was verschenen waarschijnlijk ter plaatse hebben afgemaakt, zoals tijdens de burgeroorlog met pater Herringdon en pater Finster was gebeurd. Toen eindelijk de deuren van de rechtszaal werden geopend en het publiek naar binnen stroomde, bleek er niet genoeg plaats te zijn, ofschoon het de grootste rechtszaal in het hertogdom was. Velen moesten zich vergenoegen met een staanplaats op de stoep of op het plein.

De stemming was zo geladen dat, toen er een tweede draagstoel aankwam, de mensen begonnen te schreeuwen en te joelen en hun vuisten te schudden tegen de bleke geschrokken gezichten achter de ruitjes; er waren drie hellebaardiers voor nodig om ruimte te maken zodat de deur kon worden geopend. Twee vrouwen stapten uit en baanden zich een weg naar de deur van de rechtszaal onder kreten van woede en gegilde schimpscheuten. Met gebogen hoofden, dicht bij elkaar om elkaars bescherming te zoeken, haastten ze zich half struikelend de stoep op; vlak voor ze de rechtszaal binnenglipten werd één van hen door een koolstronk in de rug getroffen; de hellebaardiers stormden het bordes af. Plotseling klonk van binnen de rechtszaal trompetgeschal. In de stilte die volgde galmde een plechtige stem: ‘Oyez, oyez, staat allegader op...’

Het proces tegen George Fox wegens godslastering was begonnen.

 

***

 

Thomas Fell, zwetend onder zijn toga en pruik in de hoge rechterstoel, keek de rechtszaal rond terwijl dr. Herbert Marshall, woordvoerder voor de geestelijkheid, zijn eerste breedsprakige uiteenzetting gaf. De zaal was eivol; de veertig dominees zaten als een zwerm kraaien aan de ene zijde van het podium, Fox tegenover hen in de beklaagdenbank. Het was smoorheet, hoewel de ramen openstonden. De schrille kreten van de pamfletventers, nog altijd bezig hun schotschriften op het plein aan de man te brengen, verhoogden de sfeer van spanning, want de haat in die stemmen was onmiskenbaar.

Vreemd, dacht Thomas Fell, dat dit proces zoveel opwinding onder het gepeupel teweegbracht. Waren deze mensen werkelijk zo bezorgd over de dingen die hier besproken zouden worden - de historische betrouwbaarheid van de bijbel, de verhouding tussen God en Mens, het gezag van de Kerk over het persoonlijk geweten? De meesten zouden, over deze dingen ondervraagd, met baarlijke nonsens antwoorden. Ze waren kennelijk alleen maar gekomen voor het spektakel, het hanengevecht; helaas waren zij het echter die, uiteindelijk, over het lot van de man in de beklaagdenbank zouden beslissen. De scherprechters waren niet Best, hijzelf of de beul, maar het grauw in de zaal, de schreeuwende menigte daarbuiten.

De vorige avond, op zijn kamer in de herberg, had hij een rapport over Fox bestudeerd dat Sam Pruitt met zijn gebruikelijke zorgvuldigheid voor

[p. 111]

hem had samengesteld; een opsomming van het ene incident na het andere waarbij de man in de beklaagdenbank aangevallen, mishandeld, gemolesteerd was door woedende dorpsbewoners die door de geestelijkheid waren opgehitst. In de grote kerk van York was Fox van het bordes gesmeten; in Warmsworth hadden de mensen hem met stokken afgetuigd, met kluiten modder en stenen bekogeld, zelfs de dominee had geweld tegen hem gebruikt. In Tickhill had, zodra hij in de kerk begon te spreken, de hele gemeente zich woedend op hem gestort, de dominee had hem met een bijbel op het hoofd geslagen zodat het bloed langs zijn gezicht stroomde; hij was wankelend de straat opgevlucht, waar het gepeupel hem had neergeslagen, getrapt, over een heg gesmeten, dwars door een huis weer de straat op gesleurd, waarbij hij onafgebroken werd afgeranseld. In Walney Island was een man met getrokken pistool op hem afgekomen, had de haan overgehaald, maar het pistool was niet afgegaan. De teleurgestelde dorpelingen waren Fox met stokken, knuppels en vishengels te lijf gegaan, omdat ze geloofden dat hij een van hun dorpsgenoten, die zich nu een Quaker noemde, behekst had. De menigte, aangevoerd door de vrouw van de man, had Fox eerst gestenigd en daarna naar het strand gesleurd, waar de dominee hen ophitste hem in zee te gooien en te verdrinken. Ze hadden hem op het strand opnieuw met stenen bekogeld; de door hem bekeerde man had hem met zijn eigen lichaam beschut, terwijl 's mans vrouw probeerde haar echtgenoot met een steen de hersens in te slaan. De man was er ten slotte in geslaagd Fox in een bootje te sleuren; het grauw had hen van het strand af gestenigd tot ze buiten bereik waren. Toen Fox op het vasteland aan wal kwam, stond hem daar een andere menigte op te wachten met mestvorken, vlegels en stokken; ze smeten hem in een kar en brachten hem naar het kerkhof, waar ze hem wilden ophangen; maar het lukte hem te ontsnappen. Geen wonder dat dominee Lampitt veertig collega's bereid had gevonden de aanklacht mede te ondertekenen; tot dusver was de geestelijkheid niet in staat geweest de opkomst van de Quaker-beweging door terreur te stuiten. Te oordelen naar de sfeer in de rechtszaal en de stad zou Fox, als hij hier bleef, vroeg of laat om hals worden gebracht.

Wat was het dat de man voortdreef? Fell had zich dat vele malen afgevraagd in verband met Oliver Cromwell; het enige antwoord dat hij had kunnen vinden was: bezetenheid. Evenals Cromwell was Fox bezeten door een demon die hem voortjoeg; en niemand kon voorspellen hoeveel mensen hij nog zou meesleuren. Hij had de mond vol over ‘het goddelijke in de mens’, maar wat was er voor goddelijks aan om eenvoudige, ongeletterde lieden als dat echtpaar in Walney Island zover te drijven dat de vrouw probeerde haar man de schedel in te slaan? Welke ‘eeuwige waarheid’ werd er gediend door twee fatsoenlijke mensen tot barbaarsheid te verlagen? En dat waren dan nog zogenaamde eenvoudigen van geest, maar daar stond dr. Herbert Marshall, doctor in de godgeleerdheid, te krijsen en te raaskallen als een krankzinnige, beschuldigingen gillend die, zoals ieder kind hem zou

[p. 112]

kunnen vertellen, door de rechtbank als onzin van de hand zouden worden gewezen. Marshall was in normale doen een niet bijster intelligent maar waardig en verstandig man, meer politicus dan theoloog; vandaag, door Fox tot verstandsverbijstering gedreven, stond hij wartaal uit te slaan, beroofd van alle redelijkheid en gezond verstand. Marshall moest ervan weerhouden worden om, vanwege zijn prestige, het volk te gaan ophitsen het recht in eigen hand te nemen, want dan zou de rechtbank zich gedwongen zien hem in hechtenis te nemen - iets waar, vermoedde Thomas Fell, de slimme Fox best eens op uit zou kunnen zijn. Het debat moest, als het kon, zó esoterisch-theologisch worden dat de menigte in de zaal er geen touw meer aan zou kunnen vastknopen, alleen om Marshall tegen zichzelf in bescherming te nemen.

Het zou niet meevallen, maar de aantijgingen tegen George Fox zoals Marshall die in de vorm van vragen voordroeg, leenden zich wel tot exegetisch abracadabra. ‘Weerhoudt de beklaagde mensen van het lezen van de Schrift door te zeggen dat die vol vleselijke lust is? Erkent de beklaagde zijn verklaring dat zowel de doop als het Heilig Avondmaal onwettig zijn? Beweert de beklaagde dat hij gelijk is aan God? Houdt de beklaagde vol dat God bedrog leert? Dat de Schrift anti-christelijk is? Dat hij het licht van de wereld is?’

De lijst was tragische wartaal; maar het janhagel in de rechtszaal loeide, floot, schreeuwde; een rauwe stem gilde van achter uit de zaal: ‘Geef hem maar aan ons! Geef ons die godslasteraar!’ Het duurde meer dan een minuut voordat de deurwaarder de orde kon herstellen.

‘Als zich nog meer van deze betogingen voordoen, zal ik de zaal laten ontruimen,’ zei Fell, kalm. ‘Wil de beklaagde zo goed zijn op te staan om ons zijn antwoord op deze beschuldigingen te laten horen?’

George Fox stond op, maar voordat hij iets kon zeggen, interrumpeerde de schrille stem van dr. Marshall, trillend van woede: ‘Moet de beklaagde de eed niet afleggen?’

Dit was het moment dat de oude Cartwright had voorzien. ‘Gezien de aard van dit proces,’ antwoordde Fell met een stalen gezicht, ‘en aangezien de beklaagde alleen naar zijn mening gevraagd wordt en niet naar feiten, is de rechtbank van oordeel dat er geen eed nodig is.’

‘Ik protesteer!’ riep Marshall. De dominees achter hem staken de hoofden in beroering bijeen; weer steeg er in de rechtszaal een geroezemoes op dat door de deurwaarder moest worden onderdrukt.

‘Ik herhaal dat ik geen verdere interrupties kan dulden!’ zei Fell streng. ‘Wat u betreft, dr. Marshall, uw protest zal op de geijkte manier bij een hogere rechtsinstantie moeten worden ingediend, na dit proces. Op dit moment is de beslissing van de presiderende rechter rechtsgeldig.’ Hij wendde zich tot de beklaagde. ‘George Fox, ik verzoek u te antwoorden op deze beschuldigingen, nauwkeurig en bondig, zonder omhaal. Nummer een. Acht u de Schrift vol “zinnelijke lust”?’

[p. 113]

Fox wachtte met rustige zelfverzekerdheid, tot de opwinding in de rechtszaal geluwd was en er een stilte viel, waarin de kreten van de venters buiten klonken als het gekrijs van pauwen in de verte. ‘Nee, dat acht ik niet. En wat betreft dat ik mensen zou hebben weerhouden om de Schrift te lezen...’

Fell viel hem scherp in de rede. ‘Beantwoord mijn vraag, meneer Fox! Ik vroeg niet wat u wel of niet gedaan hebt, ik vroeg om uw mening. Het gaat er niet om of u al dan niet anderen hebt weerhouden, het gaat om uw opinies.’

‘Maar, Your Lordship!’ protesteerde Marshall, ‘op die basis is dit hele proces...’

‘Dr. Marshall,’ zei Fell op ijzige toon, ‘hetzelfde geldt voor u. U hebt uw beschuldigingen voorgelegd, nu is het de beurt van de beklaagde om ze te weerleggen dan wel te bevestigen. U krijgt later gelegenheid hem aan een kruisverhoor te onderwerpen.’

‘Maar, Your Lordship! Mijn beschuldiging was juist dat hij anderen heeft overgehaald...’

‘Dr. Marshall!’ riep Fell geërgerd uit, ‘u bent al aanklager en vervolger! Moet u nu ook nog de rol van rechter opeisen?’

‘Nee, Your Lordship, nee, Your Lordship, maar...’

‘Dit proces heeft ten doel dat u en uw collega's, naar overtuiging van deze rechtbank, godslastering bewijzen in de zin van de wet. De daden van de beschuldigde zullen onder geen beding als bewijs worden toegelaten. Dus, meneer Fox: de Schrift is, naar uw mening, niet zinnelijk. Wat bedoelt u daar eigenlijk mee?’

‘Vriend,’ antwoordde Fox, die klaarblijkelijk net zo ongeduldig op het bit knauwde als zijn tegenstander, ‘ik heb nooit geprobeerd iemand ervan te overtuigen dat...’

‘Meneer Fox!’ bitste Fell, ‘u houdt zich aan de richtlijnen van deze rechtbank of ik klaag u aan wegens obstructie van het gerecht. Het interesseert ons niet wat u hebt geprobeerd te doen! We willen weten wat u denkt.’

‘Maar, Your Lordship...!’ jammerde Marshall.

‘Genoeg! Nog één interruptie en ik schors de zitting!’

Marshall en zijn vrienden pleegden geagiteerd overleg; de zaal gonsde van opwinding. ‘Stilte in de zaal!’ bulderde de deurwaarder op een teken van Fell. ‘Stilte in de zaal!’ Natuurlijk hadden de dominees alle reden om geagiteerd te zijn; maar goed dat Sawrey hier niet was. Hij had hen wel kunnen inblazen hoe ze het argument van de rechter konden betwisten. ‘Meneer Fox, gaat u verder,’ zei Fell toen de orde hersteld was.

‘Wat de zinnelijkheid van de Schrift betreft,’ ging de jongeman zelfverzekerd verder, ‘de letter ervan is inderdaad zinnelijk. De letter is dat altijd. De letter doodt, maar de geest is eeuwig. Het zijn de huurling-priesters die de Schrift zinnelijk maken, door Gods woord als een broodwinning te

[p. 114]

gebruiken...’

Dit bracht de dominees aan het snateren als een stel ganzen. De rechtszaal barstte los in gejoel, geloei, obsceniteiten, gebrulde dreigementen; de wachters moesten verscheidene heethoofden overmeesteren die op de beklaagdenbank afsprongen om de godslasteraar aan te vallen; ze werden onder grote opschudding de deur uitgewerkt. De deurwaarder hamerde aan één stuk door met zijn hellebaard op de vloer, zijn stentorstem werd schor van het bulderen. Eindelijk werd de onrustige menigte weer tot orde gebracht.

Fell richtte zich tot de beklaagde: ‘Meneer Fox, te uwer informatie: we kunnen u ad hoc veroordelen tot openbare geseling, twee dagen en twee nachten in het blok en een maximum van twee jaar gevangenis wegens obstructie van rechtspleging, en we zullen niet aarzelen van die macht gebruik te maken.’ Zonder de reactie van de jongeman af te wachten, vervolgde hij: ‘Tweede vraag; beperk u tot de beantwoording van de essentie ervan. Beschouwt u zichzelf als gelijke van God?’

‘Nee, maar ik ben van oordeel dat ik God in me heb, dat God deel van me is, zoals Hij dat van u en ieder ander in deze rechtszaal is, de huurlingpriesters incluis.’

Weer protesteerden de dominees, maar het publiek was nu zo geïnteresseerd in wat Fox zei, dat Fell er aanleiding in vond hen rustig te laten protesteren.

‘Dit is niet iets wat ik heb uitgevonden,’ ging Fox verder. ‘Dit is wat de Schrift zegt...’

‘Godslastering!’ riep een van de dominees. De deurwaarder stelde, op Fells teken, vast wie dat geroepen had en berispte hem. Fell ging verder: ‘Derde vraag. Acht u zowel de doop als 's Heren Avondmaal onwettig? Begin met de doop.’

‘Aha,’ antwoordde de beklaagde, alsof hij aan een geliefkoosd onderwerp begon; ‘water sprenkelen op kleine kindertjes! Nergens spreekt de Schrift daarover als een sacrament. Laat mij hier eens iets dieper op ingaan. De eerste vermelding van de doop, in het Nieuwe Testament...’

Hij draafde nu verder, veilig in het wagenspoor van de theologie. Thomas Fell kon zich ontspannen; dit was beter. Een slaapmiddel, dat was wat ze nodig hadden; slaapwekkende diepzinnigheden over sacramenten en hun bijbelse rechtvaardiging. Wat een ogenblik gedreigd had een botsing van emoties te worden, was dank zij zijn hardnekkige verpersoonlijking van rechter Cartwright vastgelopen in het droge zand van de exegese. Hij wierp een blik naar de bank voor bijzondere gasten waar zijn vrouw en mevrouw Best zaten, zwaar bewaakt door met hellebaarden uitgeruste helpers van schout Farragut, de gevangenis-opzichter. Margaret zag er angstig en ontsteld uit. Geen wonder, de arme vrouw! Hij had, op weg naar de rechtszaal, uit de gang gezien hoe ze door het gespuis behandeld was en hoe een of andere onverlaat afval naar haar gegooid had. De barbaren! Wat een rampzalige

[p. 115]

gedachte dat zij in staat zouden zijn zichzelf te regeren, dat Engeland aan dit uitvaagsel en hun verdorven, op eigenbelang beluste geestelijken zou worden overgeleverd. Terwijl het proces zich voortsleepte, snakte hij naar een tijd waarin demagogen als Cromwell en deze verfoeilijke jongeman zouden worden behandeld voor wat ze waren: loslopende gekken met een dodelijker wapen dan een kanon, waarmee ze onschuldigen neermaaiden uit naam van een barbaarse God.

 

***

 

Die zelfde ochtend was in het kleine, benauwde rechtszaaltje in Ulverston een ander proces aan de gang: dat tegen John McHair, beschuldigd van stroperij, met John Sawrey als rechter.

De weinige toeschouwers op de ongemakkelijke banken zaten zich met hun hoeden koelte toe te wuiven en schiepen met hun traag, hypnotiserend gewaaier een versufte sfeer. Iedereen was ten prooi aan slaperigheid, zelfs de beklaagde die op zijn benen stond te zwaaien, met verglaasde ogen, zijn gezicht laks van doezeligheid. De enige die klaarwakker was en met heldere ogen toekeek was de getuige voor het hekje, de Franse kok van kolonel Best, die John Sawrey bezig was te ondervragen.

Het bewijs tegen de beklaagde was overstelpend. Het enige dat de rechter nog nodig had was een concrete verklaring van de getuige dat John McHair wild had geleverd aan de keuken van kolonel William Best, en dat dit afkomstig was van de landgoederen van de welgeboren heren Sawrey, Rutledge en anderen, terreinen waarop het bij de wet verboden was te jagen, alsmede vallen of strikken te zetten.

‘Getuige,’ zei Sawrey, ‘u hebt verklaard dat de beklaagde op de ochtend van de zeventiende twee hazen en een patrijs binnenbracht die hij zei gestrikt te hebben op het landgoed van de heer Rutledge.’

‘Ja, Monsieur le Juge,’ antwoordde de oude eunuch beminnelijk, ‘meermalen.’

‘Wat bedoelt u, meermalen? Zei hij dit die ochtend meer dan één keer?’

‘Nee, nee, Monsieur le Juge, niet alleen maar die ochtend.’ De kraaloogjes keken hem monter aan.

‘U bedoelt: u wist al eerder dat het wild dat u van de beklaagde kocht op misdadige wijze verkregen was?’

‘Ja, Monsieur le Juge.’ Er kwam een uitdrukking van opluchting over het gezicht van de getuige. Wat had die man toch?

‘Hoelang was u op de hoogte van het feit dat het door u gekochte wild op misdadige wijze verkregen was?’

‘O, al maanden, Monsieur le Juge.’

‘U bedoelt dat u al die tijd op de hoogte was van het feit dat de beklaagde stroper was, maar dat u toch doorging zijn waren te kopen?’

‘Ja, Monsieur le Juge!’ De man scheen uitermate in zijn nopjes over deze

[p. 116]

manier van vragen, ondanks het feit dat hij bezig was zichzelf in moeilijkheden te brengen. Er klopte iets niet.

‘Beseft u wel dat het feit dat u de herkomst van het wild kende en toch doorging het te kopen, u tot medeplichtige maakt?’

‘O, ja, Monsieur!’ Het kereltje stráálde gewoon. ‘Maar mij treft geen schuld, Monsieur le Juge! Ik ben alleen maar een bediende die doet wat hem bevolen wordt.’

Sawrey bond onmiddellijk vol ergernis in. De oude leperd wilde William Best, zijn meester, in verlegenheid brengen. Zo'n venijnde ouwe Fransoos - hij zou hem leren. ‘Onzin!’ zei hij scherp. ‘Of je nu bediende of meester bent doet er niet toe. Uw meester deed onmiddellijk aangifte van de misdaad zodra hij er kennis van kreeg.’

‘O, maar dat is niet waar, Monsieur le Juge!’ Het oude enge monster boorde zijn felle kraalogen weer in de zijne. Het leed geen twijfel of hij drong er bij hem op aan verder te peilen.

‘Wat bedoelt u?’

‘Ik had opdracht iedere dag wild van John McHair te kopen, en mijn meester op de hoogte te houden van wat ik kocht, ook al wisten we allebei dat het gestroopt was.’

Het was een precaire situatie. Sawrey draaide zich naar de griffier om en zei: ‘Schrap zijn laatste antwoord en mijn vraag als niet ter zake doende.’ Hij keek de getuige aan en stond op het punt hem een nieuwe vraag te stellen toen het opeens tot hem doordrong: het adembenemende besef waarom de Fransman die opdracht van William Best had gekregen. Het duurde een paar ogenblikken voor hij ten volle besefte hoe hij om de tuin was geleid; hij voelde het bloed uit zijn gezicht wegtrekken toen hij, eindelijk, inzag hoe hij erin gelopen was. De plotselinge aangifte tegen John McHair maakte deel uit van een plan om hem, Sawrey, uit Lancaster weg te houden.

Hij veroordeelde, overhaast, de beklaagde John McHair tot een jaar gevangenisstraf - een belachelijk licht vonnis, maar op dat moment voelde hij zich allereerst gedrongen wraak te nemen; het vonnis was een klap in het gezicht van Fell en Best, die hadden gemeend hem ongestraft te kunnen misleiden.

Het proces eindigde met een plotselinge tempoverandering, duffe slaperigheid ging in ongepaste haast over. Sawrey rende de zaal uit, trok in zijn kamer zijn toga uit, rukte zijn pruik af en smeet alles op een stoel. Tot dusver had hij de attributen van zijn ambt altijd met eerbied behandeld. Hij drukte zijn eigen pruik en zijn hoed op zijn hoofd, sloeg zijn mantel om zijn schouders en rende naar de stal op het binnenplein waar zijn paard klaarstond. Hij sprong in het zadel, galoppeerde naar huis, propte het een en ander in een valies, zei tegen zijn vrouw dat hij in verband met een proces naar Lancaster moest en pas over een paar dagen zou terugkomen; toen stoof hij weg in de richting van de baai.

[p. 117]

Het tij was laag, maar stond op het punt te keren; hij zou het klif van Cark nog kunnen halen; om vandaar naar Lancaster over te steken zou te riskant zijn. Maar hij was door slechts één gedachte bezeten: om in die rechtszaal te komen, hun onzalige plan te verijdelen en de buit onder de neus van zijn smalende collega's vandaan in de wacht te slepen. Ondanks het risico draafde hij over de verraderlijke zandvlakte door naar Lancaster, in niet aflatende woede; die avond joeg hij zijn paard hoefklepperend door de straten van de stad en steeg bevend van vermoeidheid af op de binnenplaats van de herberg waar zijn maîtresse logeerde. Hij holde de trap op, opende de deur en vond haar met een andere man in bed.

Razend van woede smeet hij de deur voor de ogen van het onthutste paar dicht, rende stampend de trap af, snauwde de herbergier toe dat hij haar kamer opzegde en dat de maandrekening maar moest worden gepresenteerd aan de heer die er nu verblijf hield. Toen stommelde hij de donkere binnenplaats op, waar de stalknecht zijn paard al ontzadeld had. Hij beval hem het opnieuw te zadelen en reed de nacht in, duizelig van vermoeidheid, om ergens anders een kamer te zoeken.

Dat was niet gemakkelijk; de meeste herbergen in de buurt van het Slot waren bezet door de dominees en hun aanhangers. Alleen Het Hert en het Everzwijn had kamers vrij, maar hij ontdekte dat Fell en Best daar logeerden. Bekaf viel hij ten slotte in bed in een van vlooien wemelende herberg aan de rand van de stad, waar het gelal en gebras tot diep in de nacht doorgingen. Zwetend, gesard door jeuk, lag hij op de bultige matras te woelen en te draaien, niet in staat de slaap te vatten, geschokt door de plotselinge ommekeer die er in zijn leven was gekomen. Zijn achterdocht groeide geleidelijk buiten alle proporties. Toen het daglicht aanbrak was hij ervan overtuigd dat zelfs het bedrog van die trouweloze snol bij het complot hoorde. Hij besloot, in zijn overspannen wanhoop, helemaal niet naar de rechtszaal te gaan, maar zijn schande te verbergen, naar Ulverston terug te rijden en zich als een verworpene op te sluiten in het huis, dat niet van hem maar van zijn vrouw was.

Naarmate de zon hoger klom, werd hij een ander mens. Zijn zelfbeklag maakte plaats voor vastberadenheid. Hij gelastte de knecht zijn paard op stal te zetten en liep naar het Slot, dwars door de drukte. Hij duwde de venters op het plein opzij en probeerde de rechtszaal binnen te dringen, zich met zijn ellebogen een weg banend door de opeengedromde mensenmassa op het bordes. Toen hem bij de deur de toegang werd ontzegd, vertelde hij de bewakers wie en wat hij was en werd naar de bank voor bijzondere bezoekers geleid, waar hij naast de dames Fell en Best kwam te zitten, wat zijn woede nog verhevigde.

Zodra Lampitt en de dominees hem eenmaal hadden herkend, kwam hij tot de conclusie dat het op deze manier eigenlijk nog beter zou gaan. Hij zou zich in de gang van zaken alleen kunnen mengen door dr. Marshall suggesties aan de hand te doen; nu zou Marshall, als hij een briefje van hem

[p. 118]

kreeg, begrijpen wie het gezonden had en het lezen in plaats van het in dilettantistisch zelfvertrouwen opzij te leggen.

Fell als rechter-president was de eerste die binnenkwam, gevolgd door Best. Sawrey zag Fells blik door de zaal dwalen, langs zijn bank glijden en toen, met onmiskenbare verrassing, naar hem terugkeren. Fell fluisterde iets tegen Best; Best wierp een blik in zijn richting; het was duidelijk dat zijn aanwezigheid hen verontrustte. Het was balsem voor zijn gekwetste trots; hij had er plotseling alle vertrouwen in dat hij hun opzet toch nog zou kunnen verijdelen.

Op Fells verzoek stond dr. Marshall op om zijn kruisverhoor te beginnen.

 

***

 

John Sawreys komst had Margaret Fell diep verontrust. Tot op dat ogenblik had ze aangenomen dat alles in orde was, ondanks de verschrikkelijke haat van de mensen in de zaal en die daarbuiten. Ze had met toenemende bewondering en groeiend vertrouwen naar George zitten staren, zoals hij daar stond, fier, jong, onbevreesd, stralend van zachtmoedigheid en liefde, geen moment zijn geduld verliezend onder het haatdragende doordrijven van die ellendige geestelijken bij wie iedere keer als ze naar hem keken het venijn haast uit de mond droop. Nu was dat alles plotseling veranderd. Sawrey had een heel beleefde buiging voor haar gemaakt; waarom had ze opeens zo'n gevoel van gevaar? Ze legde haar hand op haar borst om het bonzen van haar hart te kalmeren en wendde zich van hem af.

Terwijl ze naar de ondervraging van George Fox door dr. Marshall luisterde, kon ze echter niet inzien hoe Sawrey in dit late stadium nog enige invloed zou kunnen uitoefenen. Het proces was bijna afgelopen. De geestelijken, in de veronderstelling dat hun zaak onaanvechtbaar was, kenden in hun hatelijke ijver geen grenzen meer. Zij hoorde de kalme, autoritaire stem van Thomas vragen: ‘Is het waar, dr. Marshall, dat sommigen van u hebben verklaard George Fox van kant te zullen maken als ze de kans mochten krijgen?’ En daar kwam dr. Marshalls antwoord, met een hoge schrille stem uitgesproken: ‘Inderdaad, Your Lordship! Velen van mijn vrienden en collega's hier hebben verklaard dat ze, als ze de godslasteraar in handen konden krijgen, in de verleiding zouden komen hem van de aardbodem weg te vagen!’

Het publiek juichte; ergens jouwde iemand de spreker uit. Ze wierp een zijdelingse blik naar Sawrey en zag dat hij strak naar de rechterstoel zat te staren.

‘We zouden dat doen,’ snerpte dr. Marshalls stem, ‘ter wille van de kerk van Christus! Om de ere Gods!’

Het gejuich verdubbelde in kracht. Maar zelfs Margaret zag in dat die verklaring een zelfbeschuldiging inhield. Dr. Marshall moest zijn eigen

[p. 119]

zaak schade hebben gedaan. De vorige avond had Thomas haar uitvoerig uitgelegd hoe de straf voor godslastering, zorgvuldig door de wet omschreven, niet de doodstraf insloot. Er was zeker geen wetsbepaling waarbij de geestelijkheid naar believen mensen zou kunnen executeren met wier meningen ze het niet eens was. Alle aantijgingen waren op redelijke wijze beantwoord door George, die geen moment zijn zelfbeheersing had verloren, niet één keer was uitgevallen, geen andere dan liefdevolle en begrijpende woorden had geuit en iedere uitlating geschraagd had door citaten uit de Schrift. Hier was toch zeker geen sprake van godslastering? De enige beschuldiging die tegen hem kon worden ingebracht was ordeverstoring in de kerk.

Ze keek naar haar echtgenoot in zijn hooggerugde stoel, een majesteitelijke figuur met bepoederde pruik en scharlakenrode toga. Ondanks zijn gemis aan sympathie voor George moest ook hij hebben opgemerkt dat de opvatting van de jongeman over de verhouding tussen God en de mens van een brede visie getuigde, in pijnlijk contrast met die van de dominees. Het moest Thomas duidelijk zijn dat Georges versie dichter bij de boodschap van Christus stond, zeker in menslievendheid.

‘We hebben de beschuldigde nog één laatste vraag te stellen,’ riep dr. Marshall uit, ‘en daarna is voor ons de zaak afgedaan. Want we zijn ervan overtuigd, mijne heren, dat het antwoord van de godslasteraar onze beschuldiging zal onderschrijven.’ Hij wendde zich tot George, die in kalme afwachting in de beklaagdenbank zat. ‘Ontkent u, George Fox, dat u de gelijkheid van heidenen en Christenen voor God bepleit?’

Er viel een stilte over het publiek die geen twijfel liet aan de dramatische spanning van dit ogenblik. Margaret zag een bezorgde uitdrukking op het gezicht van haar man; hij boog zich opzij om iets tegen kolonel Best te fluisteren. Best knikte, en beiden, meende ze, keken even naar de man naast haar. Ze had niet meer aan Sawrey gedacht; nu werd ze aan zijn aanwezigheid herinnerd als aan iets dreigends.

‘In Titus Twee, vers elf,’ antwoordde George, ‘schrijft Paulus: “Want de zaligmakende genade Gods is verschenen allen mensen.” Het past ons dus alle mensen, negers, Indianen en islamieten als wel als leden van andere Christelijke sekten, lief te hebben als onze gelijken voor God.’

‘Heren rechters!’ riep Marshall triomfantelijk. ‘Hiermee is voor ons de zaak afgedaan! Hiermee is bewezen dat George Fox de antikrist is!’

Er werd gejubeld en geschreeuwd; ze maakten Margaret bang, die kreten, zo boosaardig waren ze. Al die tijd was ze zich bewust van de onbewogen aanwezigheid van de man naast haar, wiens ogen de rechters geen moment schenen los te laten. Thomas gaf de deurwaarder een wenk; toen deze niet in staat bleek de orde te herstellen, stond Thomas zelf op. Onmiddellijk viel er een stilte in de zaal. De opperrechter stond op het punt het vonnis uit te spreken.

‘Na zorgvuldig nota te hebben genomen van de argumenten van de

[p. 120]

geachte aanklagers,’ begon hij, ‘kan deze rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat de door de beschuldigde George Fox als zijn mening geuite verklaringen géén godslastering inhouden conform de bij de wet vastgestelde definitie.’

Er ontstond opschudding in de zaal.

‘Tijdens het proces’, vervolgde Thomas, doof voor de protesten, ‘is naar het oordeel van deze rechtbank geen enkel bewijs van godslastering geleverd. Waar we getuige van zijn geweest, en wel met grote belangstelling, was een dispuut tussen theologen over de interpretatie van de Schrift. Bij zijn getuigenis heeft de beschuldigde op geen enkel punt twijfel uitgesproken ten aanzien van de Goddelijke inspiratie van de genoemde Schrift, noch heeft hij de weigering uitgesproken Christus Jezus te aanvaarden als de Zoon van God. Volgens de wet zijn deze twee punten...’ De opschudding in de zaal was nu zodanig dat hij niet meer verstaanbaar was. De deurwaarder liet zijn hellebaard bonzen; de rust keerde terug. ‘Het zijn deze twee punten,’ herhaalde Thomas, ‘die door de wet worden genoemd als toetsstenen voor godslastering. Dientengevolge wordt de aangeklaagde ontslagen van de beschuldiging, zodat hij vrij is om te gaan waarheen hij wil.’ Hij ging zitten, en de zaal barstte los in een oorverdovend tumult.

‘Ik protesteer!’ schreeuwde dr. Marshall over het kabaal heen. ‘Ik wil duidelijk maken...’ Niemand kwam te weten wat hij duidelijk wilde maken; zijn kreten gingen in het pandemonium verloren. Margaret slaakte een zucht van verlichting. De razernij van de mensen om haar heen was beangstigend, maar George was veilig. Thomas zou ervoor zorgen dat hij niet in de handen van dit grauw viel. Plotseling werd ze zich ervan bewust dat de man naast haar was ontwaakt. Hij praatte tegen een van de bewakers achter hun bank en stak hem een stukje papier toe. De man salueerde eerbiedig en bracht het briefje naar de deurwaarder. Margaret was niet de enige die dit zag gebeuren; ook andere mensen in de zaal begonnen te bemerken dat er iets gaande was. De deurwaarder overhandigde het kattebelletje aan dr. Marshall, die het las, waarna hij met gefronste blik naar hun bank keek. Margaret zag John Sawrey knikken, een glimlach op zijn gezicht. Marshall stond op. Het werd stil in de zaal. In de stilte zei Marshall, plotseling kalm en beheerst: ‘Ik wil, staande deze zitting, de rechtbank ten behoeve van de predikanten verzoeken de aangeklaagde George Fox in staat van beschuldiging te stellen en een arrestatiebevel tegen hem uit te vaardigen.’

Plotseling was de zaal volkomen stil. Margaret keek met van angst kloppend hart naar Thomas. Hij zat daar ongeschokt, onbewogen, maar toen hij antwoordde hoorde ze, omdat ze hem zo goed kende, dat de verklaring als een verrassing voor hem gekomen was. ‘De rechtbank wijst het verzoek af, aangezien de aanklagers er niet in geslaagd zijn voldoende bewijs over te leggen om het te rechtvaardigen.’

Opnieuw barstte de zaal in heftige protesten uit. Dit keer was het Marshall zelf die het publiek tot stilte bracht door zijn handen op te heffen. ‘De

[p. 121]

geestelijkheid...’ riep hij, en toen het stil werd, herhaalde hij: ‘De geestelijkheid zal bij het Hoge Gerechtshof een adres tegen George Fox indienen. Daarom staan we erop dat de beschuldigde in hechtenis wordt gehouden tot genoemd Hof een beslissing heeft genomen.’

Margaret zag hoe Marshall een blik in hun richting wierp. De kleine rechter naast haar knikte.

‘De rechtbank kan niet op dit verzoek ingaan,’ antwoordde haar man kalm, ‘aangezien het overgelegde bewijs geen beknotting van de vrijheid van de beschuldigde, voor welke periode dan ook, wettigt.’

‘In dat geval,’ - ze zag Marshall even op het briefje kijken - ‘eist de geestelijkheid dat George Fox slechts op borgtocht wordt vrijgelaten. Bezit om bezit.’

Weer raakte de zaal in beroering. Uit de manier waarop Thomas met Best overlegde concludeerde ze dat dit een wettig verzoek moest zijn. Maar wie, hoezeer hij de houding van de geestelijken ook mocht verfoeien, zou het op zich nemen met zijn hele bezit voor George Fox borg te staan? O, als ze zelf maar wat kapitaal had! Ze zou geen seconde hebben geaarzeld! Het gefluisterde gesprek tussen Thomas en Best ging voort; daarna wenkte Thomas de deurwaarder, die met zijn hellebaard op de vloer stampte. Zodra het in de zaal weer stil werd, deelde de afgemeten stem van Thomas mee: ‘Er is naar genoegen van deze rechtbank een borg, bezit om bezit, voor de beschuldigde gesteld.’

Dit keer was de deining er een van woede.

‘Wil de aanklager alsook de beschuldigde even hier komen?’ vroeg Thomas.

Klaarblijkelijk waren de dominees al net zo van hun stuk gebracht als Margaret. Wie zou die borg kunnen zijn? Wie was de wonderbaarlijk menslievende man geweest die zijn hele bezit voor de berooide George op het spel wilde zetten? Hij moest iemand van betekenis zijn, wilden de dominees tevreden zijn met het vermogen dat hij garant stelde. Toen, midden in haar blijdschap, zag ze Sawrey weer druk bezig iets op te schrijven, waarna hij opnieuw de bewaker wenkte. Hij overhandigde de man het briefje, het werd naar de deurwaarder gebracht, die het aan dr. Marshall gaf. Marshall las het, stond op en hief zijn armen. De deurwaarder bonsde met zijn hellebaard; het werd weer stil.

‘Overeenkomstig de wet,’ las Marshall van zijn papiertje, ‘eisen de aanklagers dat de rechtbank de naam van de borgsteller bekendmaakt, zodat zij kunnen beoordelen of de aangeboden garantie voldoende is.’

Het werd nu zo stil dat de schrille kreten van de venters buiten op het plein weer hoorbaar werden. ‘De naam van de borgsteller,’ antwoordde Thomas effen, ‘is kolonel William Best.’

Impulsief legde Margaret haar hand op die van de vrouw naast haar. Weer ontstond er opschudding in de zaal, maar ditmaal was het van verbazing. Het drong tot iedereen door waarvan men hier getuige was: een man

[p. 122]

van eer die iedere cent die hij bezat riskeerde.

‘In dat geval,’ las Marshall met een triomfantelijke klank in zijn stem voor, ‘kunnen de aanklagers deze borg niet als toereikend aanvaarden. Ze eisen uitbreiding van de borg tot lijf om lijf.’

Henrietta Best greep haar arm en fluisterde: ‘O, nee!’ Margaret voelde een felle woede in zich opwellen. ‘Lijf om lijf’ betekende dat, mocht Fox zich niet willen aangeven, kolonel Best in zijn plaats naar de gevangenis diende te gaan. De eis was zo onbillijk, zo kwaadaardig dat ze zich niet meer kon beheersen: ze gooide alle voorzichtigheid overboord, draaide zich naar Sawrey om en zei uit de felheid van haar hart: ‘O! Jij kleine vuile gemenerik!’ Ze had er ogenblikkelijk spijt van, tenminste van dat woordje ‘kleine’.

Maar ze maakte niet de geringste indruk op John Sawrey. Hij bleef minzaam glimlachend zitten, onaangedaan, de enige in de hele zaal die zich volledig op zijn gemak scheen te voelen.

Ze keek naar de rechters achter de tafel en zag aan het gezicht van haar man dat hij geen keus had: hij zou George gevangen moeten zetten. Toen stond kolonel Best op en zei iets. Ze kon niet horen wat, maar ze voelde aan de manier waarop zijn vrouw haar arm greep dat het dramatisch moest zijn.

Zodra hij ging staan werd het stil in de zaal. ‘Mag ik mijn geachte collega vragen zijn verklaring nog eens te herhalen?’ vroeg Thomas kalm, maar het leek haar toe dat hij kolonel Best een vragende blik toewierp.

Kolonel Best zei, met een stem die bijna achteloos klonk: ‘Ik zal voor de beschuldigde borg staan, bezit om bezit en lijf om lijf.’

In een verbijsterde stilte ging hij rustig zitten.

‘Mag ik beide partijen verzoeken even hier te komen?’ vroeg haar man onbewogen.

Het publiek in de zaal herstelde zich van zijn verbazing; het rumoer dat oplaaide klonk als het gezoem van een reusachtige bijenkorf. Margaret keek weer naar Sawrey; het leed geen twijfel dat hij verbluft was.

‘O, lieve Henrietta! Wat - wat - geweldig!’ riep ze uit. Henrietta Best bedekte haar gezicht met de handen en barstte in tranen uit; Margaret troostte haar, met een gevoel van blijdschap.

 

***

 

Zoals iedereen was Thomas Fell volledig verrast door Bests Don Quichot-te-achtige zelfopoffering. Pas toen zij zich in de raadskamer van hun toga ontdeden, na het proces, was hij in staat onder vier ogen met de man te praten. ‘Wat ter wereld bracht je daartoe, beste vriend?’

‘O - eh - ik wou de geestelijke gezondheid van de stad veilig stellen,’ antwoordde Best terwijl hij zijn pruik afnam en aan zijn knecht gaf die het voorwerp in de pruikendoos opborg.

‘Maar de consequenties voor jou persoonlijk zouden ernstig kunnen

[p. 123]

zijn!’

‘Alleen als die geestelijken in hoger beroep zouden gaan. En dat zullen ze zeker niet doen.’

Daar zat iets in. Het zou een kostbare aangelegenheid worden, en de dominees waren zo arm als kerkmuizen. Desalniettemin was het een drieste daad voor een zo voorzichtig man als Best.

‘Kom, beste vriend, we hebben dit samen beraamd, ik geloof dat we elkaar eerlijkheid verschuldigd zijn, vind je niet? Zou ik de ware reden niet mogen weten?’

Best keek hem ontwijkend aan.

‘Ik vraag het niet zo maar uit nieuwsgierigheid, dat verzeker ik je.’ Fell glimlachte. ‘Als hoofd van de rechterlijke macht in dit district kan ik een rechter niet handhaven als ik aan 's mans gezond verstand twijfel.’

Best wierp een blik op zijn knecht, die de wenk begreep en de kamer uitging. Hij zag er zonder zijn pruik afgetobd uit en veel ouder. Zodra de deur dicht was, zei hij: ‘Op voorwaarde dat het tussen ons blijft: ik deed het voor mijn vrouw. Ze heeft in haar jonge jaren iets vreselijks meegemaakt. Haar eerste man en haar kinderen werden door de soldaten van kardinaal Richelieu afgeslacht.’ Het kostte hem klaarblijkelijk moeite erover te spreken.

‘Vergeef me, beste vriend. Ik realiseer me dat dit pijnlijk voor je moet zijn, maar je zult begrijpen...’

‘Natuurlijk, natuurlijk.’ Best bleef er heel beminnelijk onder. ‘Door Fox kwamen al die dingen weer in haar herinnering naar boven. Ze is een hoogst emotionele vrouw, en ik begon bang te worden voor haar verstandelijke vermogens.’ Hij glimlachte verontschuldigend. ‘Als man van eer en - eh - uit genegenheid, had ik geen andere keus.’

‘Maar Fox zou naar de gevangenis zijn gegaan! Voor zover het je vrouw betreft kon hij geen kwaad meer doen!’

‘We waren het erover eens, jij en ik, dat zolang hij hier in Lancaster gevangen zat noch zij noch de stad tot rust kon komen. Was dat niet de reden voor dit proces? Zo niet, dan hadden we ons net zo goed de moeite kunnen besparen en hem zelf tot gevangenisstraf veroordelen...’

Er werd op de deur geklopt; Fell riep: ‘Ja! Binnen!’

Het was George Fox, in gezelschap van schout Farragut, de gevangenisopzichter. ‘Your Lordship,’ zei de schout met klem, ‘ik kan niet toelaten dat de beschuldigde, ik bedoel deze heer, onder de huidige omstandigheden het Slot verlaat. Er staat buiten een mensenmenigte op hem te wachten, en ze hebben niets goeds in de zin. Ik heb niet genoeg bewakers om hem bescherming te bieden.’

‘Zoals ik je al gezegd heb, beste vriend, God zal...’ begon Fox op zijn onuitstaanbare manier, maar Thomas Fell had er genoeg van.

‘Meneer Fox,’ zei hij scherp, ‘wij zijn verantwoordelijk voor uw veiligheid, en niet van zins die verantwoordelijkheid van ons af te schuiven, zelfs

[p. 124]

niet op de Almachtige. Schout Farragut!’

‘Jawel, Your Lordship?’

‘Hebt u een kamer in het Slot waar de heer Fox vannacht kan logeren?’

‘Hm...’ Het idee stond de gevangenis-opzichter kennelijk niet erg aan.

‘Het provoostverblijf bijvoorbeeld? Logeert daar iemand op dit moment? Wie is momenteel provoost?’

‘Rechter Somerset, Your Lordship.’

‘Nu, die woont hier in Lancaster. Breng meneer Fox dus in de zuidoostelijke toren onder. Morgenochtend bij het aanbreken van de dag...’

De deur vloog open: daar waren Margaret en Henrietta Best in een toestand van opwinding. Ze wierpen zich met kreten in de armen van hun echtgenoten; het was als een overval door zwanen.

‘Een ogenblik, een ogenblik, schat!’ Met een zijdelingse blik zag Thomas Fell dat Best bezig was zijn gade te kalmeren die het aan zijn schouder scheen uit te snikken. Wat een belachelijk schouwspel! ‘Schout Farragut!’

‘Jawel, Your Lordship.’

‘Morgenochtend bij het aanbreken van de dag brengt u meneer Fox door de gang onder de kerkers naar het wachthuis buiten de poort. Die gang is nog steeds open, neem ik aan?’

‘Ik denk het wel, Your Lordship, maar er is al een hele tijd geen gebruik van gemaakt.’

‘Uw paard staat bij De Drie Zwanen op stal, is het niet, meneer Fox?’

George Fox knikte somber. ‘Ik kan niet zeggen dat ik blij...’ begon hij.

‘Goed, Farragut,’ ging Thomas Fell verder, hem de pas afsnijdend, ‘zorg dat zijn paard gehaald, gevoederd en gedrenkt wordt. Breng dan, bij het eerste ochtendlicht, deze heer door de gang naar buiten; daar houdt uw verantwoordelijkheid op.’ Hij wendde zich tot Fox. ‘Meneer Fox, ik sta erop dat u zonder verwijl op weg gaat naar Londen.’

‘Vriend Thomas...’

‘Meneer Fox, hier wordt niet over geredetwist! U verdwijnt zonder dralen uit dit district, en als u binnen mijn ambtsterrein op enigerlei wijze nieuwe moeilijkheden veroorzaakt, laat ik u wegens ordeverstoring in de gevangenis gooien. Is dat duidelijk?’

‘Londen?’ vroeg Margaret.

‘Wat jou betreft, liefste,’ zei hij bits, ‘wees de volgende keer zo vriendelijk aan te kloppen voordat je de raadskamer binnenstormt. En wil iedereen nu zo goed zijn de rechters gelegenheid te geven zich te verkleden?’

George Fox verliet de kamer met grote passen; Margaret liep hem achterna. Dit was het ogenblik waarop Thomas Fell de wijsheid van William Bests besluit besefte.

 

***

 

‘George!’ riep Margaret Fell. Haar rokken bijeengarend rende ze zijn ver-

[p. 125]

dwijnende gestalte en die van de schout achterna door de galmende gang. ‘George!’

Ditmaal draaide hij zich om. Toen ze hem bereikte vroeg ze, buiten adem, ‘Is het waar?! Ga je naar Londen?!’

Ze zag dat de vraag hem irriteerde. Was het omdat hij er een hekel aan had zo te worden aangeklampt? Of omdat de schout erbij was?

‘Inderdaad.’

‘Waarom?!’

‘Om Oliver Cromwell te spreken.’

Wat een koelheid, wat een afwijzing in zijn stem! Plotseling was ze aan een angst ten prooi die ze bijna als een lichamelijke pijn voelde. ‘Waarom heb je me dat niet eerder verteld?’ riep ze. ‘Was het jouw eigen idee? Of van mijn man soms?’

‘Margaret,’ zei hij op een toon die ze nog niet eerder van hem gehoord had, ‘beheers je. Ik zou niet gaan als het niet Gods wil was.’

Plotseling veranderde haar angst in woede. ‘Van Gods wil weet ik niets af!’ bitste ze. ‘Maar wél van de wil van mijn man!’

Zijn gezicht verstrakte; de schout sloeg hen gefascineerd gade. Dat bracht haar tot bezinning; ze moest zich niet zo laten gaan, alsof ze een maîtresse was die hij op het punt stond van zich af te schudden. ‘Ik zeg dit niet om mezelf,’ zei ze, ‘maar om de wille van alle mensen in mijn huis en in Ulverston die je tot - tot inzicht hebt gebracht en die je niet zo opeens in de steek mag laten, nog niet! Vóór je naar Londen gaat, moet je ervoor zorgen dat je nieuwe gemeente in het geloof bevestigd is.’ Ze was zich sterk bewust van de gefascineerde aandacht van de schout.

‘Ik kom terug zodra God het wil,’ zei George. Het trof haar als onverdraaglijk schoolmeesterachtig en sluw.

‘Ja,’ zei ze. ‘God komt gewoonlijk op een moment dat het je goed uitkomt, niet?’ Ze draaide zich om, ontsteld over de venijnigheid van die opmerking. Ze moest zich beheersen, wist ze; maar terwijl ze zich naar de raadskamer terughaastte stond het huilen haar nader dan het lachen. Vanaf het moment dat ze op het bordes van het gerechtsgebouw door die koolstronk was getroffen, leek ze op het punt te hebben gestaan om het uit te gillen. Nooit eerder had ze zich zover laten gaan dat het tot een dergelijke scène kwam, behalve dan met haar man. En die schout! Wat zou die te roddelen hebben!

Ze zette haar gezicht in de plooi, ordende haar kapsel, trok haar keurs recht en opende de deur. Haar man stond klaar om te vertrekken; Henrietta Best zag er betraand maar stralend uit; William Best had, roerend, zijn arm nog steeds om haar schouders. ‘Nu?’ vroeg Margaret. ‘Zijn jullie klaar?’

Bij het horen van haar toon trok Thomas zijn wenkbrauwen op. O, de onuitstaanbare zelfverzekerdheid van die man! Plotseling balde al haar ellende zich samen tot woede tegen haar echtgenoot. De lafaard! De slinkse, huichelachtige lafaard! Wacht maar tot ze thuis waren!

[p. 126]

In de draagstoel op weg naar de herberg, met Henrietta Best tegenover haar in het schommelende kastje, verhardde haar wrok zich terwijl het hele snode plan van haar man haar eindelijk duidelijk werd. Natuurlijk had hij het allemaal uitgedokterd, van het begin af aan: het proces, de brief aan Cromwell, de ... nee! Zelfs zijn aanbod aan de Quakers om in zijn huis bijeen te komen? Kon ook dát deel van een vooraf beraamd plan zijn geweest? En ze was nog wel zo ontroerd geweest door dat gebaar! O! De schurk! De hypocriet!

Ze kon nauwelijks wachten tot ze alleen met hem op hun kamer was, maar nee, eerst moesten ze met de Bests dineren in de luidruchtige gelagkamer van Het Hert en het Everzwijn. Wijn, wildbraad, zwezerik, Drambuie, mokka; het leek wel alsof Thomas het andere echtpaar louter uit dwarsheid onthaalde, wetend dat ze popelde om ze kwijt te zijn. Hij babbelde erop los, geestig, wellevend; onder normale omstandigheden zou ze er met plezier naar geluisterd hebben, nu kon ze hem wel een klap in zijn gezicht geven. De intrigant, de achterbakse huichelaar! Het lieve, gelukkige echtpaar, kozend als maanzieke verliefden, was zo roerend dat ze er misselijk van werd.

Ze kon nauwelijks een hap door haar keel krijgen. Thomas scheen het niet te merken, laat staan dat hij zich er iets van aantrok. Dus at ze niets, en zat daar maar met ogen als schietklare pistolen, stikkend van sprakeloze woede terwijl hij doorging de ene anekdote na de andere te vertellen, die ze allemaal wel vijftig keer eerder had gehoord. Hij bracht het stel ganzen aan het lachen en giechelen alsof hij ze dirigeerde zoals meester Purcell de Koninklijke Kapel. O, de huichelaar, de lafaard!

Eindelijk stonden ze op om naar hun kamers te gaan. Tegen die tijd was er niemand meer in de gelagkamer behalve een paar overjarige zuiplappen die als bloedhonden over hun kroezen gebogen hingen. De echtparen wensten elkaar voor de deur van de Bests welterusten; toen het verliefde stel eindelijk naar binnen was gegaan, waarschijnlijk om zich aan seniel mingestoei over te geven, had Thomas de brutaliteit haar met een schelmse glimlach zijn arm aan te bieden, alsof hij van plan was haar te verleiden. Als de knecht er niet was geweest om hen met de kandelaber bij te lichten, zou ze hem tegen de schenen hebben geschopt; nu antwoordde ze met een minzaam lachje, legde haar hand op zijn handschoen en liet zich gedwee als een duif naar hun slaapkamer geleiden. Daar werd ze opgewacht door haar kamermeisje, die ze wegstuurde; zodra ze alleen waren draaide ze zich met vlammende ogen om. ‘Zo! Dat was een geslaagd komplot, slimme vos die je bent!’

‘Pardon?’

Kijk hem nu toch! Die onschuld, die verbazing! ‘Sta daar niet alsof je door de bliksem getroffen bent! Je weet heel goed waar ik het over heb! Wat een ellendige, achterbakse ... voor een volwassen man! De vice-kanselier van het Paltsgraafschap! Meneer de opperrechter! Bah! Dat soort bedriege-

[p. 127]

rij zou ik van een Londense hoer hebben verwacht! Bah!’ Het drong tot haar door dat ze schreeuwde; om haar zelfbeheersing te herwinnen draaide ze zich om en begon zich uit te kleden.

‘Liefste, zou het mogelijk zijn me te vertellen waar het allemaal om gaat?’

Ze keerde zich met een ruk om. ‘Thomas Fell,’ zei ze met trillende kalmte, ‘we zijn het wel meer niet eens geweest, we hebben vaak zonder liefde in ons hart tegenover elkaar gestaan, maar nooit, nooit heb ik je verfoeid! Ja, ik verfoei, ik veracht je! Bah! Bah!’ Ze wendde zich weer af. Werkelijk, ze moest proberen zich te beheersen. Met bevende handen ging ze verder de knoopjes van haar jurk los te maken.

‘Maar liefste toch!’ Zijn kalme stem was onuitstaanbaar. ‘Ik begrijp dat je van streek bent door de spanningen van de laatste paar dagen. Maar laten we proberen op een volwassen, verstandige manier te praten. Nu. Wat is het precies waar je met zo'n charmante felheid bezwaar tegen maakt?’

Bij het zien van zijn glimlach, zijn meesmuilende triomf, sprong ze op hem toe en hamerde met haar vuisten op zijn borst terwijl ze uitriep: ‘Zwijn, zwijn, zwijn! Slinks, verraderlijk, laf zwijn!’ Het was beschamend, het was verfoeilijk voor iemand die zich een Kind van het Licht noemde; erger nog, het bracht hem ertoe haar in zijn armen te sluiten en haar razernij met een kus te sussen. Dat maakte haar laaiend van woede. ‘Laat me los! Laat me los, zeg ik! Laat me los!’ Toen hij weigerde, stampte ze zo hard ze kon met haar hiel op zijn jichtige teen.

‘Au!’ Weg was hij, de zelfvoldane protser, ronddansend met allebei zijn handen om zijn voet, klaaglijk uitroepend: ‘Au! Au! Dat was gemeen!’

‘Denk alsjeblieft aan de buren,’ zei ze plotseling kalm, maar in haar hart diep beschaamd. Wat laaghartig om zo iets te doen! Maar, God helpe haar, het was zijn eigen schuld! Eerst haar bedotten, en dan nog denken dat hij haar met zijn mannelijke charme tot zwijgen kon brengen! Ze draaide zich om naar de spiegel, maakte de laatste knoopjes van haar japon los, stapte eruit en liep naar de kast om de jurk weg te hangen. Hij zat op de rand van het hemelbed, zijn voet in de handen. Ai, wat vals van haar om zo iets te doen! Ze zou naar hem toe willen vliegen om hem te helpen zijn laars uit te trekken; maar ze hield zich in. Eerst moest ze precies weten wat er gebeurd was.

‘Nu?’ vroeg ze terwijl ze de kastdeur dichtdeed. ‘Ben je klaar om er verstandig en kalm over te praten?’

Hij hapte niet in het aas, maar keek haar aan met een duidelijk gebrek aan tederheid. Nu, hij zou er wel overheen komen. Hij had het verdiend, dubbel en dwars!

‘De hele zaak was, als ik het goed begrijp, van het begin af aan door jou en je vriend Best bekokstoofd. Aanklacht, proces, Fox' reis naar Londen...’

‘Inderdaad.’

[p. 128]

‘Je schijnt je helemaal niet te schamen.’

‘M'n lieve, beste mens...’

O, dat werd zó'n toespraak! Ze wendde zich af.

‘Laten we, voordat we met dit charmante tête-à-tête verder gaan, één ding duidelijk stellen: als ik dit niet “bekokstoofd” had zou jouw vrome vriend allang gevierendeeld en voor de honden gegooid zijn, om over wat er met ons gezin en de stad Ulverston zou zijn gebeurd maar niet te praten.’

‘Ik heb nog nooit van mijn leven zulke nonsens gehoord! De...’

‘En nu is het afgelopen!’ bulderde hij met een plotselinge woede die haar adem liet stokken. ‘Ik ben ziek van jouw onverantwoordelijke gedrag! Zo lang we getrouwd zijn, God zal me bewaren, ben je ieder jaar bezeten geweest van de een of andere buitensporigheid! Maar deze keer ben je te ver gegaan! Kijk naar het gepeupel op het plein; ze stonden op het punt hem af te maken! Ze hebben jou zelf met een dooie kat gesmeten!’

‘Het was geen dooie kat, het was een koolstronk.’

‘O!’ Hij stond op, vergat zijn teen, riep ‘Au!’ en daar ging hij weer, ronddansend met zijn voet in zijn hand. Ze kon het niet langer verdragen; ze had er verschrikkelijk spijt van.

‘Kom - laat ik je helpen die laars uit te trekken.’

Hij keek alsof hij haar een schop wilde geven, zwichtte toen, zeeg op het bed neer, stak zijn been uit, liet haar aan de laars sjorren. Hij kreunde; eindelijk, na een ruk waarvan hij het uitgilde, zag ze kans de laars uit te trekken, knielde voor hem op de grond en nam zijn arme voet in haar handen. ‘Het spijt me,’ zei ze, oprecht.

‘Voorzichtig!’ kreunde hij. ‘Niet aankomen!’

‘O, neem me niet kwalijk...’

‘Ik ben bang dat er een chirurgijn aan te pas zal moeten komen. Geef me alsjeblieft eerst dat voetenbankje, ga dan de knecht roepen. Misschien dat hij iemand kan vinden die op dit uur van de nacht mijn voet wil komen verbinden.’

‘Ach, in vredesnaam! Ik heb je toch gezegd dat het me speet! Het is nergens voor nodig er een compleet drama van te maken!’ Maar ze pakte het krukje en legde er een kussentje op, waarop ze zijn voet neervlijde. ‘Ziezo, is dat beter?’ Hij keek haar aan met dezelfde kilheid die ze op Georges gezicht had gezien toen ze hem gesmeekt had om te blijven. Ze werd overvallen door een plotseling gevoel van eenzaamheid. ‘Had je het me niet eerlijk kunnen vertellen?’ vroeg ze. ‘Had je me niet in vertrouwen kunnen nemen?’

‘Nee.’

‘Waarom niet? Ik zou het hebben begrepen. Dat je dit alles achter mijn rug hebt gedaan...’

‘Het spijt me, lieve. Ik voel me niet goed. Zou je zo vriendelijk willen zijn de knecht te roepen? Ik verga van de pijn.’

Ze wist dat hij zijn teen uitbuitte, maar het gevoel van eenzaamheid was

[p. 129]

zo drukkend dat ze al haar kennis van de grondbeginselen van de huwelijksoorlog overboord gooide en snikkend naast hem neerknielde, haar hoofd op de beddesprei. Haar handen zochten de zijne, ze drukte zich stijf tegen hem aan, maar hij reageerde niet. Hij liet haar uitsnikken terwijl hij, zonder twijfel, met zijn rechtersogen op haar neerkeek. Ze liet zijn handen los, veegde haar tranen af en keek op. Ja hoor, daar zat hij: zo kil als de sterren.

‘Als ik je nu eens in bed hielp?’ vroeg ze. ‘Ik zal een handdoek om je voet binden. Probeer hem eerst tot rust te laten komen, voordat je hem door een chirurgijn laat zwachtelen en dagenlang niet leunt lopen.’

‘Ik ben bang dat ik geen keus heb.’

Echt waar, het spijt me! Maar ik geloof niet dat ik er zo hard op gestampt heb...’

‘Margaret, Margaret!’ zei hij op vaderlijke toon. ‘Wat moet er van je worden als ik er niet meer ben?’

‘Er niet meer bén?’ Ze keek hem met verschrikte ogen aan.

‘Op mijn volgende rondreis.’

‘O, dat. Wanneer moet je weer weg?’

‘Zodra ik me kan bewegen met deze vervloekte voet. Ik zal hier moeten blijven tot de pijn over is.’

Hoe ellendig ze de gedachte ook vond dat hij zo gauw alweer weg zou gaan, toch was ze niet van plan om vanavond nog eens een man te smeken bij haar te blijven.

‘Zit daar maar niet over in,’ zei ze terwijl ze opstond. ‘Ik red me wel.’ Ze trok een robe aan en liep naar de deur. Daar nam ze de kandelaber op en vroeg: ‘Nu, weet je het zeker, van die chirurgijn?’

‘Zeker.’

Ze wilde wel dat ze weer opnieuw kon binnenkomen en hem ter verantwoording roepen, ditmaal zonder woede. Maar als het leven haar één ding geleerd had, was het wel dat gedane zaken geen keer nemen.

Ze ging de kamer uit.

Op weg naar de trap kwam ze langs de deur van de Bests, en voelde plotseling afgunst.

 

***

 

‘We zouden de dingen vrijer moeten uitpraten,’ fluisterde Henrietta Best in het donker. Haar hoofd rustte op de schouder van haar man, ze lag veilig in zijn armen genesteld in het vreemde bed. ‘Van dat gedoe met John McHair en Sawrey wist ik al voordat we erover spraken, en dat maakte me, nu ja - enfin...’ Had ze nog steeds niet de poging opgegeven om William te veranderen? Bevatte ze nog steeds niet dat hij ongeneeslijk Engels was? Ze zou evengoed kunnen proberen een pinguïn over te halen te gaan vliegen. En waarom moest ze hem eigenlijk veranderen? Waarom zich bekla-

[p. 130]

gen over het feit dat hij ouder werd, zwijgzaam was, zijn mond met wijn spoelde, het ene ogenblik vol kinderachtige uitvluchten zat en nog geen minuut later een ontstellende moed vertoonde? Ach, die man, die lieve, heldhaftige man! Nooit sinds hij haar uit de prostitutie had gered, had hij uit liefde zo'n groot offer gebracht, zo onbetwistbaar bewezen wat ze voor hem betekende. ‘Oh, chéri, chéri,’ fluisterde ze, ‘vergeef me, ik meende dat allemaal niet echt. Ik hou van je zoals je bent. Je t'aime, mon petit pompom. Je t'adore...’ Ze luisterde, wachtend op zijn antwoord, maar ze hoorde alleen maar een zacht gesnurk.

Ach, de arme lieverd, hij moest uitgeput zijn na al die emoties. Stel je voor, zijn hele bezit weggeven, zijn vrijheid zelfs, en dat alleen maar ter wille van haar, om haar te bevrijden van de spoken van het verleden. Besefte hij niet dat wat haar werkelijk bevrijd had de hartroerende tederheid van zijn offer was? Wat deed het ertoe of ze hun landgoed, hun geld, hun luxe kwijtraakten? Het zou haar zelfs niet kunnen schelen als de tweede voorwaarde van de borgtocht van kracht zou worden en hij in de gevangenis terechtkwam; ze zou gewoon met hem meegaan. Ja, dat zou ze doen. Samen met hem de gevangenis in. Tot nu toe had alleen het woord al haar vervuld met - nee, zelfs nu kon ze het nog niet. Ze mocht er niet aan denken. Ze moest er nooit meer aan denken. Er waren dingen die ze zich niet meer mocht herinneren, zelfs nu niet, in deze geborgenheid, dit geluk.

‘William?’ fluisterde ze. ‘Guillaume? Mon amour? Je t'aime.’

Er kwam geen antwoord. Met een zucht nestelde ze zich behaaglijk in zijn arm, al gauw in doezelige sluimerzucht door zijn gesnurk. Toen ze bijna in slaap viel, dacht ze: ‘Blind, dat ik ben geweest. Iedereen heeft wekenlang over heiligen gebazeld, ikzelf ook, en al die tijd had ik er een vlak naast me. Hoe bestaat 't.’

 

***

 

In het holst van de nacht werd George Fox wakker geschud; een stem fluisterde dringend: ‘Vooruit, kerel! Het is tijd om te gaan!’

Hij sloeg zijn ogen op en zag in de doorzichtige duisternis het silhouet van een man die hij niet kende. Een ogenblik wist hij, versuft van slaap, niet waar hij was; toen herkende hij het driehoekige kamertje, het bultige bed, de smalle vensterspleet. Hij bevond zich in een toren van het Slot Lancaster, in het provoostverblijf. De man naast zijn bed moest een bewaker zijn; het was tijd om te vertrekken. ‘Goed, vriend,’ zei hij, ‘geef me een paar ogenblikken, dan ben ik klaar.’

Hij knielde naast het bed waarop hij, zo scheen het, nog pas enkele uren tevoren was gaan liggen, volledig gekleed. Zoals altijd voor hij een nieuwe reis ging ondernemen, voelde hij de behoefte de tegenwoordigheid Gods op te roepen, hoe kort ook, om zich aan Zijn liefdevolle zorg toe te vertrouwen.

[p. 131]

Maar de man achter hem wilde niet wachten. ‘Opschieten, kerel,’ zei hij, hem aanporrend, ‘doe dat maar als je in het open veld bent. Ik heb orders je zo gauw ik maar kan naar buiten te loodsen. Maak voort. Alles is klaar.’

Met een zucht stond George op en volgde de man naar buiten, naar de smalle trap, die donker en hem vreemd was. ‘Waarom geen licht?’ vroeg hij.

‘Stil!’ fluisterde de stem beneden hem. ‘Ze staan daarbuiten op het plein op je te wachten. En hou nou je bek of we jagen de duiven op en dan weet iedereen daarbuiten dat we op weg naar beneden zijn.’

Stond er nog steeds een menigte buiten? Hij kon het niet geloven. Volksoproer was net een strovuur: het vlamde fel en hoog op, om snel weer te doven. Dit hele gedoe om voor dag en dauw door een geheime gang naar buiten te kruipen, op de vlucht te slaan om zijn hachje te redden, was verdacht. Hij vermoedde dat Thomas Fell er absoluut zeker van wilde zijn dat hij het district verliet. De mensen daarbuiten, als ze er inderdaad waren, konden door Fell zijn opgetrommeld. Misschien was die brief aan Cromwell ook wel een arglist geweest. Maar nee, Fell had hem verteld dat hij de brief naar de herberg in Bentham zou sturen. Het feit dat hij hem de brief niet overhandigd had maar buiten het district gedeponeerd bewees dat hij serieus was.

‘Pas op!’ fluisterde de stem. ‘Hier is een opstap, dan zijn we in de gang. Voel je 'm?’

Met zijn voet voelde George een hoge drempel in de duisternis. De voetstappen van de ander, voor hem uit, weergalmden in een hol gewelf. Geleidelijk kon hij het silhouet van de man weer onderscheiden in het donker, blauw getint met het ochtendgloren achter een rij vensters. Eindelijk zwaaide een deur open aan het eind van de gang, er was een licht, en hij ging hetzelfde kantoorkamertje binnen waar hij naartoe was gebracht toen hij de dag tevoren uit de draagstoel was gestapt. Het vertrekje werd verlicht door een kaars op een schrijftafel, waarachter een kleine man met een haviksneus zat die hij niet eerder had gezien.

‘Ha, daar ben je dan!’ zei de man met een hoge, spottende stem. ‘Klaar om weg te glippen, wat?’

‘Is de gang beneden open?’ vroeg de bewaker.

George keek om zich heen en zag voor het eerst het gezicht van de bewaker, een magere facie met een blik vol hoon.

‘Ja,’ zei de man achter de schrijftafel. ‘Hier, steek een lantaarn aan, die zul je nodig hebben.’ Hij schoof de kaars naar de rand van de schrijftafel en George zag dat hij een bochel had.

‘Bedankt.’ De bewaker stak met de kaars een lantaarn aan.

‘Nu, het beste,’ zei de bochel met een onplezierig lachje. ‘Laat ze je niet te pakken krijgen daarbuiten. Dat zou vreselijk zijn.’

George wilde een van liefde getuigend antwoord geven, maar de bewaker gaf hem geen kans. ‘Vooruit, kerel! We hebben niet de hele ochtend de

[p. 132]

tijd. Opschieten, vooruit!’ Hij liep naar een glazen deur; voordat hij die opende, draaide hij zich om en voegde eraan toe: ‘Loop gewoon achter me aan, zonder rond te kijken. Niet hardlopen, want ze gluren naar ons door het hek. Ze weten niet beter of dit is een aflossing van de wacht. Zet die witte hoed af, die is van een mijl afstand te zien.’

Het had geen zin nu weerbarstig te zijn. Hij kon nu alleen nog maar gehoorzamen en zich zo gauw mogelijk naar buiten laten brengen. Hij nam zijn hoed af.

‘Stop 'm onder je mantel.’

Hij deed dat.

‘Goed,’ zei de bewaker. ‘Klaar? We gaan.’ Hij deed de glazen deur open.

Ze kwamen in het donkere poortgewelf; George zag dat er inderdaad buiten de hekken nog mensen op het plein stonden. Toen ze de poortgang overstaken in de richting van een flakkerende toorts, hoorde hij gemompel van stemmen. Iemand riep: ‘Hé! Wat hebben jullie met de godslasteraar gedaan?’ De bewaker gaf geen antwoord; ze liepen snel door. Onder de toorts stond een tweede bewaker, gewapend met een hellebaard; zonder een woord trok de man een lage poortdeur met piepende scharnieren open. ‘Kom,’ drong de gids aan. Bukkend gingen ze het pikkeduister binnen.

Bij het licht van de lantaarn ontdekte George dat hij in een stenen gewelf stond met een zwart gat in het midden. De bewaker met de lantaarn begon erin af te dalen, het was een wenteltrap, vermoedelijk naar de kerkers. Plotseling voelde hij zich ten prooi aan een onverwachte angst. Er was iets onuitsprekelijk boosaardigs in de atmosfeer. Hij kende veel gevangenissen; iedere keer als hij er een was binnengegaan had hij een walging in zich voelen opkomen, maar nooit zo sterk als nu; en deze keer kwam hij hier niet eens als gevangene binnen. Terwijl hij zijn gids volgde, omlaag, die put in, waarbij hij zich aan de van vocht druipende muur in evenwicht hield, dacht hij aan de woorden van Paulus: ‘Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.’

Ze bereikten een portaal waar een aantal donkere gangen op uitkwamen, toen kwam er uit de donkere, gapende gangopeningen een geluid dat hij nog nooit gehoord had, een geloei, gebrul, gekrijs van haat dat onmiskenbaar tegen hen gericht was. Hij vroeg, ontsteld: ‘Wat is dat?’

‘Dat?’ antwoordde de bewaker minachtend, ‘dat zijn de beesten die we hier gevangen houden.’ Hij schreeuwde een van de donkere gangen in: ‘Kop dicht, gespuis! Bekken dicht, of ik brand jullie je ogen uit!’ De lichaamloze stemmen werden dolzinnig van woede; de man wendde zich met een grijns van voldoening af. Het kabaal van het koor van haat werd door echo's verhevigd: vloeken, kreten, gejouw; het gekrijs was oorverdovend. Toen ze hun afdaling voortzetten scheen de rust terug te keren; maar op het volgende portaal gebeurde hetzelfde. De stemmen van onzichtbare

[p. 133]

gevangenen loeiden, brulden, schreeuwden scheldwoorden en schimpscheuten, een koor van razernij, zo bezeten van haat, dat George zich moest dwingen te denken: ‘Mensen, het zijn mensen. Het zijn mannen net als jijzelf. Elk van die mannen heeft het goddelijke in zich, net als jij. Het zou je plicht zijn naar hen toe te gaan en hun je boodschap te brengen.’

‘Maar nee,’ zei hij in zichzelf, ‘nee, dat is niet mogelijk. Ik moet naar Londen, naar de Protector. God wil het.’

De roep in hem werd onmiskenbaar toen, op het derde portaal, een nieuw koor van verdoemden in uitzinnige razernij op hem toeschalde. ‘George,’ drong de zachte stem in zijn binnenste aan, ‘George, ga daar naar binnen. Ik wil ze met Mijn liefde bereiken, maar Ik kan dat niet zonder jou, George. Ik heb alleen maar jou.’

De wanhoop van God in hem was zo werkelijk dat tranen in zijn ogen sprongen, maar hij kon het niet, hij kon het niet, hij miste de kracht. ‘Maar Ik zal bij je zijn, George! Ik zal bij je zijn!’ drong de stem in hem aan, zachter nu. Maar hij kon het niet, hij kon het niet; hij was bang.

Hij daalde de wenteltrap af, door zelfverwijt gekweld. Er waren vier portalen; toen kwamen ze eindelijk bij de toegang tot wat de ondergrondse gang moest zijn. Terwijl zij daar stonden, barstte een nieuw lawaai los: een hoog, wanhopig gehuil, een wild gerinkel.

De bewaker lachte. ‘Dat zijn onze krankzinnigen. Zo zingen ze, terwijl ze met hun kettingen tegen de tralies slaan. Mooi, niet?’ Hij opende een deur in de duisternis. ‘Nou, kerel, daar ga je. Nog geen halve mijl, en je bent vrij. Hier, neem de lantaarn, geef die aan de man in het wachthuis. Hij zorgt wel dat ik het ding terugkrijg. Breek je nek niet, er liggen stenen.’

‘Kan ik verdwaald raken?’

‘Nee, de gang loopt rechtdoor. Bijna een halve mijl en je komt bij een trap naar een bovenluik. Bons daar maar op, dan doet er wel iemand open.’

George nam de lantaarn aan en ging op weg.

‘Dag hoor, kerel!’ schreeuwde de bewaker hem met galmende stem na. ‘Wat je ook doet, kom hier nooit meer terug!’

Terwijl George door de nauwe tunnel verder liep, struikelend over stenen, opgeschrikt door ratten, stierf het lawaai achter hem geleidelijk weg. Eindelijk kwam hij bij een stenen trap, de treden bedekt met stof dat bitter op zijn tong smaakte toen hij het met zijn laarzen opschopte. Hoestend bonsde hij op het luik boven hem. Het werd opgetrokken en daar stond Charles Cotten, de knecht van rechter Thomas Fell. ‘Zo, zo, welkom! Hoe vond je het, levend begraven te zijn?’

Georges besef te hebben gefaald was zo overweldigend dat hij het niet kon opbrengen de man te antwoorden. Toen kwam hij weer in de buitenlucht en vond zijn paard vreedzaam grazend in een weiland buiten een klein gebouw. De prille dag leek jong en zuiver. Het gras was bedauwd, uit een beekje steeg een dunne nevel op; daarachter lag, als een belofte, de

[p. 134]

heide, nog dampig van de nacht. Na de kerkers leek dit landschap onuitsprekelijk mooi; het verscherpte zijn wanhoop. Kijkend naar die gezegende wereld, had hij het gevoel een beloning te ontvangen die hij niet verdiend had.

‘Het beest is gedrenkt en gevoederd,’ zei de knecht achter hem, ‘maak dus dat je wegkomt. Laat ze je niet te pakken krijgen.’

George liep naar zijn paard toe, steeg op en staarde naar de pracht van de glorende dag. Toen zei hij: ‘Moge de almachtige God, in Zijn genade, ons vergiffenis schenken.’

Hij klakte met zijn tong, en volgde het ruiterpad over de heide, naar de heuvels aan de horizon.

 

***

 

John Sawrey was voor het aanbreken van de dag opgestaan. Hij sloop de herberg uit, met achterlating van het geld voor zijn logies op de toog in de gelagkamer; hij maakte de nachtwaker wakker en liet hem zijn paard zadelen.

Tegen de middag, na een inspannende rit, kwam hij eindelijk bij het ruiterpad naar Cark en ontdekte dat het tij opkwam. Dit stemde hem zo mismoedig dat hij overwoog toch de zandvlakte op te rijden, ondanks de zekerheid door het drijfzand te worden overspoeld; maar die voldoening wilde hij Fell en Best niet gunnen.

Niettemin kon hij hier geen uren blijven rondhangen, wachtend tot het tij zou keren; hij zou het risico lopen dat Fell en Best hem inhaalden. Zodoende bleef hij het ruiterpad volgen langs de rand van het klif, voornemens op dit pad te blijven tot het tij keerde. Dan dwaalde hij wel ver naar het noorden af, misschien wel helemaal tot Arnside, maar dat kon hem niet schelen. Hij had behoefte aan eenzaamheid, tijd om zijn wonden te likken.

Terwijl hij een wereld van toenemende verlatenheid en woestheid binnenreed, minderde zijn melancholie. Hij had zijn doel ten slotte maar op een haar na gemist. Vroeg of laat zou hij Thomas Fell onttronen en diens plaats als opperrechter innemen. Om dat te bereiken, zou hij bovenal een koel hoofd nodig hebben; zijn ergste vijand was deze machteloze woede, dit gevoel van minderwaardigheid. Wat het ergste stak was hun verachting voor hem als een parvenu, een onderkruiper, een ‘kleine’ onderkruiper. Dat verdomde vrouwmens! Dat ze hem een ‘vuile gemenerik’ had genoemd, had geen pijn gedaan; integendeel, het gaf uitdrukking aan een soort respect. Maar ‘kleine’! Plotseling laaide zijn woede weer op, zich uitend in een kinderachtige dagdroom: hij joeg dat arrogante, wulpse wijf van Fell over de heide achterna, overweldigde haar in de struiken en liet haar bont en blauw gebeukt achter, zij werd naar de gevangenis gesleurd door schout McInnes, de enige vriend die hij ter wereld had.

De gedachte aan McInnes bracht hem tot de werkelijkheid terug. Wat

[p. 135]

zou hij hem vertellen? Hij zou zijn vrouw kunnen wijsmaken dat de hele zaak een overwinning was geweest; met schout McInnes was het een ander geval. Dat was een bruut, traag van begrip, al op een domme tobberige manier verbijsterd door de belachelijk lichte straf die de stroper gekregen had. De ploert had gehangen moeten worden, dat verdiende hij; maar dat alsnog te doen zou de situatie alleen maar verergeren. Fell zou hem prompt op het matje roepen; de executie van een gevangene zonder behoorlijk proces kon hem zijn ambt kosten, dat was precies de kans waar ze op wachtten. Nee, hij zou de schoft in leven moeten houden. Maar hij zou ervan lusten! Hem brandmerken met een ‘S’ op zijn voorhoofd? Had geen zin. Met zijn gebroken neus en zijn rotte tanden zou een litteken meer of minder hem niet afstotelijker maken dan hij al was. Nee, het moest een straf worden die hem er voorgoed van zou weerhouden ooit weer te gaan stropen. Zijn hand afhakken? Ja, dat zou de manier zijn. Maar op wat voor grond? Het proces was afgesloten, het vonnis vastgelegd; de schoft zou opnieuw een misdaad moeten plegen om een strengere straf te rechtvaardigen. En hij zat opgesloten in een cel, waar hij een jaar lang geen kwaad kon doen.

Sawrey stuitte op een ravijn dat hem dwong af te dalen naar het strand en aan de andere kant weer tegen het klif op te rijden. Terwijl zijn paard met korte voorzichtige voetstap het steile pad afdaalde, werd hij zich voor het eerst bewust van de wereld om zich heen: de zandvlakte, de zeemeeuwen, de wolken, het zilverig rimpelende water in de zon. Hij snoof de stank van rottend zeewier op; de geur bracht hem zijn jeugd in herinnering: het eilandje, het huisje op de rotsen, het kleine, veilige honk dat hij gedeeld had met zijn moeder, een jong hondje en een kat. Hoe heette dat hondje toch ook weer? Het was zo lang geleden ...

Alsof de naam van dat diertje, al lang dood en tot stof vergaan, de sleutel was van een verloren paradijs, werd hij plotseling overweldigd door een hunkering naar die onschuld van toen, die zonovergoten beschutting vol tederheid. Welke duivel had hem uit die wereld weggelokt, hem ertoe aangezet zich in de krioelende konijnenbult van de gerechtelijke bureaucratie een weg omhoog te klauwen naar een steeds wijkend toppunt van macht? Eerzucht? Hij had het altijd zo gezien, maar terwijl hij neerwaarts reed naar het strand kreeg hij opeens het vermoeden dat het iets anders was, iets irrationeels, een ongezonde drift die nooit bevredigd kon worden, zelfs al zou hij op een dag de positie van Thomas Fell bemachtigen, maar die hem zou blijven voortdrijven naar een hersenschimmig doel achter de horizon. Waarom niet tevreden zijn met wat hij had? Een brave vrouw, een landgoed, achting, macht ... en een trouweloze snol, die hem voor gek had gezet. De eerste vrouw in zijn leven die hem dat aangedaan had; ze was de laatste geweest van wie hij het had verwacht. Ze was jong geweest en arm en een maagd, toen hij haar nam ...

De gedachte aan haar gaf de doorslag. De hoer! De slet! God wist hoe

[p. 136]

lang ze al op zijn kosten boerenkinkels tussen haar dijen had laten rijden, in het bed waar hij voor betaalde! ‘Dat kleine mannetje,’ moest ze hebben gedacht, ‘laten we hem eens een paar horentjes opzetten.’ Plotseling leek het allemaal één bijtende belediging: de trouweloze lichtekooi, de stroper, Best die borg stond voor de man Fox. De enige onder hen die nog aan zijn genade was overgeleverd, was de stroper.

Terwijl hij het klif weer beklom en zijn tocht voortzette, droomde hij hoe hij zijn wraak op dat harige, afstotelijke lijf zou koelen.

terug  begin  verder