Toen Bonny Baker hoorde dat George Fox naar Londen was vertrokken, was hij zielsbedroefd. In al die weken dat hij op zijn strozak onder het dak van de stalvliering had gelegen, starend naar de rivieren en de meren in de vurehouten planken boven zijn hoofd, luisterend naar het gekoer van de duiven in de goot en het geritsel van mussen onder de pannen, was George maar één keer bij hem op bezoek gekomen.
Bonny was verrukt geweest toen hij zijn vriend binnen zag komen, maar George was anders geweest dan vroeger. Hij had niet veel te vertellen gehad, maar hem met sombere ogen zitten aankijken zonder zijn gebruikelijke opgewektheid. Ten slotte had hij een gebed gemompeld vol ‘liefde’ en ‘waarheid’, en was na een vluchtige handdruk weer weggegaan. Had George zich geschaamd omdat hij geprobeerd had een wonder te verrichten en daarin gefaald had? Wat dwaas van hem! Natuurlijk, het zou prettig zijn geweest als dat been had kunnen genezen zonder pijn en deze eindeloze, stomvervelende dagen in bed, maar dat was niet Georges schuld. Het enige wat telde was Georges vriendschap; nu was hij weg, en had niet eens afscheid genomen.
Als Ann Traylor er niet geweest was, dan zou Bonny het liefst van ellende zijn doodgegaan. Ze kwam diezelfde avond onverwacht opdagen toen het al bijna donker was, bukte zijn kamertje binnen met een kaars in haar hand en een pakje onder haar arm. Eerst dacht hij dat ze iets kwam weghalen, Harry Martins strozak misschien. Maar ze was gewoon gekomen om hem een bezoekje te brengen; het pakje onder haar arm bleken boeken te zijn. ‘Bonny, m'n jongen,’ zei ze, zakelijk en nogal streng, ‘het wordt tijd dat je dit werkloos liggen ergens voor gebruikt. Je hebt in het weeshuis leren lezen, is 't niet?’
Dat was zo, maar de gedachte om daar weer aan te moeten beginnen trok hem niet aan. ‘Mooi zo,’ zei ze bazig, ‘ik kom voortaan iedere avond hier bij je om je les te geven. Het zal wel een beetje laat worden, maar je hebt de hele dag om uit te slapen.’ Ze trok een krukje naast zijn bed, ging zitten en sloeg een boek open. ‘Laten we eens zien wat je er nog van weet. Hier, lees dit eens: “Adam at de appel op die Eva...”’
‘Eva - Eva voor hem geschild had,’ verzon hij.
Ze keek hem afkeurend aan.
‘Voor hem geplukt had! Niet zo maar ernaar raden! Lees wat er staat, niet wat je denkt dat er staat. “Adam...” Nu?’
‘Adam - tralala ... met Eva...’
‘Spel het! Wat is de eerste letter?’
‘T.’
‘En de volgende?’
‘R ... O ... U ... W ... trouwde! “Adam trouwde met Eva.”’
‘Zie je nu wel? Je kunt lezen, als je het maar probeert. “Adam trouwde met Eva en...” Wat staat er verder?’
‘T-R...’
‘Nee. Je hebt daarnet de T al gelezen. Kijk, is dat dezelfde letter? Nee. Dus?’
‘G?’
‘Juist! “Adam trouwde met Eva en g...”’
‘Ge - won! “Adam trouwde met Eva en gewon.”’
‘Mooi! En wat gewon hij? A...’
‘Abel en K-A ... en Kaïn. “Adam trouwde met Eva en gewon Abel en Kaïn.”’ Hij begon plezier in de les te krijgen.
Ze kwam iedere avond terug en de lessen braken de verveling, maar ze konden de verdrietige onverschilligheid niet wegnemen die hem sinds Georges vertrek bedrukte. Hij was tot de slotsom gekomen dat George niet zozeer over het mislukte wonder inzat, maar hem er de schuld van gaf. Op een avond flapte hij het er tegen Ann Traylor uit.
Ze keek hem afkeurend aan. ‘Al dat jankend zelfmedelijden! Je moest je schamen, Bonifacius Baker! George Fox is een godvruchtig man. Zo'n gedachte zou nooit bij hem opkomen!’
‘Waarom is hij dan geen afscheid van me komen nemen? Waarom keek hij die ene keer dat hij hier was zo zuur?’
‘Omdat hij een man is! Sommige mannen zijn goed in het genezen van mensen, maar er zijn er maar weinig die goed zijn in ziekenbezoek. Dat is de reden waarom ik hier ben en niet Harry Martin of Thomas Woodhouse. Ik heb het ze niet eens gevraagd, want ze zouden er net zo onderuit hebben proberen te komen als George Fox. Een zieke heeft iets waardoor een man zich niet op zijn gemak voelt en zo gauw mogelijk weer weg wil. Het betekent niet dat ze jou niet mogen. Het betekent eenvoudig dat ze niet volmaakt zijn.’
‘Ik wil dat George volmaakt is,’ zei hij mokkend.
‘Praat geen onzin!’ Ze sloeg het boek open. ‘Niemand is volmaakt behalve Jezus, en zelfs Hij had ogenblikken waar we niet over praten.’
‘Wanneer dan?’
‘Doet er niet toe. Veertiende les: “Toen Noach...”’
Hij wilde meer horen over die ogenblikken van Jezus; het klonk interessant. ‘Wat deed Hij dan dat niet volmaakt was?’
Maar Ann liet zich niet afleiden. ‘We zijn over Noach aan het lezen, en we gaan door over Noach of ik sla dit boek dicht en ga weg. Zeg het maar.’
Nors begon hij te lezen: ‘Toen Noach de Ark voltooid had, kwamen de
dieren des velds...’ Opnieuw zakte de somberheid over hem heen, als een wolk.
Er waren ogenblikken dat hij Ann en haar bazigheid haatte, maar na een poosje begon hij op haar gesteld te raken, vooral op de rode krulletjes die in haar nek onder haar mutsje uitkwamen, en voor het heimelijke lachje in haar ogen, dat verried dat ze aardiger was dan ze voorgaf te zijn. Ze was nieuwsgierig; ze wilde altijd precies weten wat hij te eten had gehad, hoeveel water hij gedronken had, of hij zijn gezicht had gewassen voor hij ging slapen; maar ze rook lekker.
Hij was ontsteld toen ze op een avond binnenkwam, haar groene ogen vonkend van woede, en uitriep: ‘O, ik wou dat ik hier maar weg was!’
De gedachte dat zij weg zou gaan maakte hem van streek. Hij keek haar onthutst aan terwijl ze haar krukje met een nijdige ruk over de vloerplanken naderbij trok en naast hem ging zitten. Ze stak haar hand uit en bitste: ‘Goed! Waar is het?’
‘Wat?’
‘Je schoolschrift! Vertel me niet dat je hier de hele dag hebt liggen lanterfanten!’
Ze was zo boos dat de tranen in zijn ogen kwamen. ‘Wat is er? Heb ik iets gedaan?’
Een ogenblik dacht hij dat ze hem een klap zou geven; toen zei ze op norse toon: ‘Natuurlijk niet. Het heeft niets met jou te maken.’ Plotseling boog ze zich over hem heen en kuste hem op de wang. Hij bleef haar, met open mond, zitten aanstaren. Ze lachte. ‘Kijk niet zo alsof ik je in het water heb gegooid. Heb je nooit eerder een kus van een meisje gehad?’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Nou, dit is dan je eerste. Waar is dat schrift van je?’
Hij haalde het onder zijn kussen vandaan en gaf het haar. Toen ze het opensloeg, vroeg hij: ‘Wat is er, Ann?’
‘Niets.’ Ze bladerde ruw verder. ‘Ze zijn teruggekomen, da's alles.’
‘De rechter en mevrouw?’
‘Nee, zij alleen. Hij is weer weg. En George Fox is naar Londen. Dus hem zullen we waarschijnlijk nooit meer terugzien.’
‘O...’
Ze keek op. ‘Vertel me niet dat jij nu ook de stuipen gaat krijgen!’
‘Huh?’
‘Je zou het gejammer in de keuken moeten horen! O George! O George!’ Ze bouwde hen nijdig na. ‘Alsof ze een minnaar verloren hadden! En mevrouw Fell maar rondlopen met een gezicht als een dashond! Bah! En dat allemaal vanwege die ijdele, verwaten blaaskaak!’
‘Wie?’
‘George Fox! Nou, ik kan alleen maar zeggen: het heilige kruis na. Maar ik ben blijkbaar de enige; het hele stelletje beneden hangt op elkaars schouder uit te huilen. Straks strooien ze ook nog as op hun hoofd! En waarom?
Moet je mij niet vragen!’
‘Het spijt me,’ zei hij. Hij meende het; maar hij was niet zo bedroefd als hij verwacht had.
‘Spijt? Waarom?!’ Ze keek hem met haar groene ogen nijdig aan. ‘Leg jij me 's uit waarom ze allemaal doen alsof ze een minnaar hebben verloren!’
‘Ik weet het niet,’ zei hij. ‘Hij was een aardige man. Ik mocht hem erg graag.’
‘Waarom mocht je hem zo graag?’
‘Ben je boos op me?’
‘Ik ben niet boos. Ik ben nieuwsgierig, dat is alles.’
‘Nou ja, hij - hij is aardig.’
‘Aardig. Nadat hij niets voor je been heeft gedaan? Nadat hij maar één keer bij je op bezoek is gekomen?’
‘Hij heeft mijn been niet gebroken. En je hebt me zelf verteld waarom hij me niet kwam opzoeken.’
‘Ik? Wat heb ik in vredesnaam gezegd?’
‘Dat hij een man was, en dat hij het dus niet plezierig vond om op ziekenbezoek te gaan.’
‘O. H'm. Nou, laten we maar beginnen met de les. Wat heb je sinds gisteren gedaan?’
‘Hij heeft iedereen hier een tijdje erg - nou ja - vrolijk gemaakt,’ zei hij.
‘Vrolijk! Je zou ze nu eens moeten zien! Die arme vrouw!’
‘Welke?’
‘Doet er niet toe. Is dit alles wat je gedaan hebt, dit klad-boeltje?’
‘Ik weet zeker dat niet iedereen zich zo voelt. Wat doet Harry Martin, bijvoorbeeld?’
‘O, die!’ Haar verachting was duidelijk. ‘Hij is de enige die iets aan het bezoek van de heilige George heeft overgehouden: Mabby.’
‘Mabby? Zijn ze verloofd?’
‘Verloofd!’ Ze keek hem aan alsof ze vond dat hij nodig zijn haar moest laten snijden. Toen boog ze zich over hem heen en kuste hem weer, deze keer op de andere wang. Weer was het voorbij voordat het goed en wel tot hem doordrong. Hij bloosde.
Ze zei: ‘Bonny, jij bent het enige stuk onschuld in dit huis.’
Dat beviel hem niet. Het klonk alsof ze het tegen een kind had, en hij voelde zich op dat ogenblik geen kind.
Ze keek fronsend in zijn schrift. ‘Waarmee heb je deze oefening geschreven? Met een teerkwast?’
Maar hij zag door haar strengheid heen, grinnikte tegen haar en zei: ‘Ja.’
Even keek ze alsof ze op het punt stond een scherp antwoord te geven. Toen begon ze te schateren en verborg haar gezicht in haar handen. ‘O,’ zei ze, giechelend, ‘ze maken me razend!’
‘Ik zie je graag razend.’
‘Ha! Lieve jongen, jij hebt me nog nooit echt razend gezien, geloof me!’
Maar hij was niet onder de indruk; hij wilde dat zijn been beter was, dan hadden ze samen kunnen stoeien.
‘Het is dat ze het godsdienst noemen!’ riep ze uit, ‘dat zij het godsdienst noemt! Het hele geval is walgelijk!’
‘Wie is “zij”?’
Ze draaide zich naar hem om. ‘Noem jij het óók godsdienst?’
‘Wat?’
‘Je vriendschap, of wat het dan ook is, voor George Fox?’
Hij keek haar aan. Haar mutsje stond scheef en haar haren zaten in de war, zo woedend was ze. Het was alsof ze een vermomming afwierp. ‘Hoe oud ben je, Ann?’ vroeg hij.
Ze keek verrast. ‘Zeventien. Waarom?’
‘Ik ben twaalf.’
‘Nou, en?’
‘Niks; dat ben ik gewoon.’
‘O, waar maak ik me druk om!’ Ze boog zich weer over het schrift.
‘Zeg 's, eerlijk: wat is het dat ze godsdienst noemen? Wie is “zij”?’
‘Gaat je niks an!’
‘George heeft eens met me over God gepraat, op zijn paard, toen we van kolonel Best naar huis reden. Ik was bang, want ik was er zeker van dat ik slaag zou krijgen; hij maakte dat ik me, nou ja, ánders voelde. Hij praatte over God en ... nou ja. Dat was óók anders.’
‘Wanneer maak jij nou eindelijk eens een zin af, zodat iemand je kan begrijpen?’
Hij grinnikte. Haar mutsje was nog schever gezakt; ze werd steeds jonger, een vriend, niet iemand op wier bevel hij zich waste en zijn lessen leerde.
‘Nou?’ vroeg ze. ‘Jij gaat nu toch ook niet jammeren en janken en klagen “nu zal ik nooit meer de tegenwoordigheid Gods voelen!” Of wel, soms?’
Hij haalde zijn schouders op. ‘Weet ik veel,’ zei hij, ‘ik heb God nooit gevoeld, behalve dan die ene keer op zijn paard. Maar ik verlang er niet zo bar naar.’
‘Blij dat te horen!’
‘Zolang jij maar hier bent.’
Ze trok haar wenkbrauwen op. ‘Aha! Ik heb het te gauw gezegd, zie ik!’
‘Ann,’ zei hij, opeens ernstig. ‘Je bent toch niet van plan weg te gaan, is het wel?’
Ze keek hem verbaasd aan. ‘Hoe wist jij dat?’
De moed begaf hem. ‘Bén je 't van plan?’
‘Als het hier in huis nog erger wordt, vast en zeker. Wat me doodziek maakt is hun huichelachtigheid! Waarom geven ze niet openlijk toe dat ze het zalig vinden? Waarom moeten ze het godsdienst noemen?’
‘Wat vinden ze zalig?’
‘Tegen iedereen jij en jou zeggen! Mevrouw “Margaret” noemen! Het vertikken om voor de dominee, de schout, mijn heer hun hoed af te nemen! Zich lekker eens laten gaan, zoals Mabby het deed! Joehoe! Uit m'n kleren, spiernaakt rondspringen in het maanlicht, zodat alle mannen komen aanrennen! Die Harry Martin: nog voor je pap kon zeggen, hoepla, daar was hij, geen draad aan zijn lijf, spiernaakt achter haar aan, klaar om - doet er niet toe. Dát is wat ik bedoel! Doe het, maar noem het geen godsdienst! Dat is godslasterlijk! Ja, godslasterlijk! Ik wou dat ze hem hadden opgesloten, met witte hoed en al, want naar de resultaten te oordelen, kwam zijn blijde boodschap hierop neer: laten we de boel op stelten zetten! En waarom? Omdat we dat lekker vinden! Ik zou het ook lekker vinden, God zal me bewaren! Ik doe ook graag dingen die niet mogen, net als iedereen, maar ik weet dat het niks met godsdienst te maken heeft! Als dat wél zo zou zijn...’ Plotseling sloeg ze een kruis.
‘Ann!’ zei hij, verrast. ‘Ben jij paaps?’
‘Waarom zou ik?’
‘Omdat je een kruis sloeg.’
‘Da's alleen maar - alleen maar een teken tegen het kwaad. Denk liever aan je les!’ Ze boog zich weer over het schrift.
‘Ann...’
‘Nou?’
‘Jij zou dat toch niet echt willen?’
‘Wat?’
‘Al je kleren uittrekken waar iedereen bij is?’
Ze keek hem streng aan. ‘Bonifacius Baker, je weet heel goed dat ik niet over mezelf praatte. Ik had het over Mabby.’
‘Ann?’
‘Wat nou weer?’
‘Ga niet weg.’
Hij zag haar boosheid verdwijnen terwijl ze naar hem keek. ‘Het spijt me,’ zei ze. ‘Ik zei het alleen maar omdat ik nijdig was. Waar zou ik naar toe moeten? Net als jij, kom ik hier nooit vandaan. Ik heb niemand. Maar een mens kan toch dromen, niet?’
‘Waarom zouden we hier niet vandaan kunnen?’
‘Waar zou je naar toe willen? Ze nemen je in geen van de huizen hier aan, tenzij je een getuigschrift hebt. En Thomas Woodhouse denkt er niet aan om je dat zo maar te geven! Ha! Dáár zou zijn godsdienstigheid opeens ophouden.’
‘Ben je een wees?’
‘Ja.’
‘Een vondeling?’
‘Soms wou ik dat ik dat geweest was.’
‘Waarom?’
‘Mijn vader was een dronkelap. Kunnen we nu verder gaan met de les?’
‘Misschien was de mijne dat ook.’
‘Wil je nou vanavond nog les of niet?’
‘Nee.’
‘Goed!’ Ze klapte het schrift dicht. ‘Dan wens ik je welterusten.’ Ze stond op.
‘Ann!’
Ze keek op hem neer, haar mutsje zat nu achter op haar hoofd.
‘Wil je samenkomst met me houden, Ann?’
‘Wat zeg je?’
‘Die keren dat we allemaal in een kring zaten en niets zeiden. Kunnen we dat niet samen doen, eventjes maar?’
Haar gezicht was plotseling zacht en verbaasd. ‘Wat ben jij toch een vreemde jongen.’
‘Waarom? Doen ze dat niet meer?’
‘O, ja...’ Ze ging weer zitten en vouwde haar handen in haar schoot. Toen wierp ze hem een achterdochtige blik toe. ‘Je houdt me toch niet voor de gek, hè?’
‘Waarom?’
‘Goed. Daar gaan we dan. Samenkomst.’ Ze sloot haar ogen en boog haar hoofd.
Hij wist niet waarom ze hem het gevoel had gegeven samenkomst te willen houden. Het was net als toen, die keer met George op het paard; er welde een grote blijdschap in hem op.
Hij sloot zijn ogen en vouwde zijn handen en dacht: ‘Tot ziens, George. Je bent mijn vriend. Ik zal je nooit vergeten.’ Toen werd het stil in hem.
***
‘Zo, John, hoe staat het leven hier?’
Verschrikt draaide John McHair zich af van het getraliede raampje waardoor hij naar het vierkantje blauwe lucht had staan staren, alles dat hem was overgebleven van de bossen, de dieren, de wind in de boomkruinen, de ritselende regen in de nacht. ‘Hè?’ vroeg hij, toen hij, verblind door het daglicht, de man die zijn cel binnenkwam niet meteen herkende.
‘Je zult je afgevraagd hebben waarom ik je er met zo'n lichte straf vanaf heb laten komen.’
Grote genade! Het was rechter Sawrey! ‘Jawel, mijn heer,’ antwoordde hij onderdanig, plotseling bang. Wat wou die man?
‘Laat mij je dat eens uitleggen,’ zei de rechter minzaam. ‘Dank je, schout, ik zou onder vier ogen met de gevangene willen praten.’
De schout, fors en vreeswekkend, gromde en liep de cel uit, zijn laarzen ruisten in het stro. Hij sloot de met ijzer beslagen deur achter zich.
Rechter Sawrey draaide de sleutel om, en stak die in zijn vestzak. John
McHairs benauwenis verminderde. Hij had nooit vijandschap jegens de kleine man gevoeld. Het was normaal dat een gesnapte stroper zijn straf zonder protest aanvaardde, het hoorde bij het leven. De straf die hij had gekregen was inderdaad mild geweest, in aanmerking genomen dat hij 's mans eigen wild gestroopt had.
‘Je kent me goed genoeg om te weten dat het niet mijn gewoonte is om stropers met fluwelen handschoenen aan te pakken.’
Nee, inderdaad: rechter Sawrey had de reputatie streng in zijn vonnissen te zijn, wraakzuchtig bijna. ‘Jawel, mijn heer,’ zei hij.
‘Nu, de reden is eenvoudig.’ De rechter klapte de zitstok open die hij bij zich had, plooide zijn mantel eroverheen en ging zitten. ‘Ik wil alles horen wat je weet.’
‘Wat, mijn heer?’ Hij voelde zijn wangen koud worden.
‘Alles wat je weet over het stropen van wild. Hoe je de dieren op het spoor moet komen, hoe je ze moet naderen, wat voor strikken je moet gebruiken ... als ik het wel heb gebruik jij alleen maar een stok of knuppel?’
‘Jawel, mijn heer. Zeker mijn heer, dat is zo...’ Hij voelde zich opgelucht.
‘Dan moet je dus vlak bij de beesten komen, zonder dat je ze opschrikt. Hoe speel je dat voor de drommel klaar?’
‘O ... dat ... da's makkelijk, mijn heer. Ik bedoel, er is ervaring voor nodig, maar als je de slag eenmaal te pakken hebt, gaat het makkelijk.’
‘Vertel me daar eens wat van. Begin bij het begin. Hoe krijg je voor het eerst lucht van, pak weg, een hert?’
‘Nou, kijk, mijn heer, ik ben de hele nacht buiten in het bos, mijn heer, dus ik weet altijd waar de dieren zijn.’
‘Onzin! Hoe kun je in hemelsnaam weten waar ieder dier de hele tijd zit? Ga me geen verhaaltjes op de mouw spelden, man, want als je probeert me te bedotten...’
‘Nee, mijn heer! Nee, mijn heer! Ik - ik meen het waarachtig! Ik meen het, ik meen het!’ Hij wilde zo eerlijk zijn als hij maar kon, en doen wat de man vroeg. ‘Kijk, mijn heer, als je een tijdje in het bos hebt gewoond, ik bedoel echt gewoond, niet zo maar als een bezoeker er even in rondgelopen zo af en toe, dan weet je dat ieder dier zijn dagelijkse gang heeft. Een hert, bijvoorbeeld, zal altijd op een bepaald moment op dezelfde plek zijn, overdag of 's nachts. Ik bedoel zonnetijd, mijn heer, geen klokketijd.’
‘Waarom eigenlijk?’
‘Nou, kijk, mijn heer, dat is nou eenmaal zo, mijn heer. Dieren zijn zo. Je kan het al zien met een boerenknol, mijn heer. Als die eenmaal een paar keer een bepaalde loop heeft gemaakt, kan-ie de weg uit zich zelf vinden. Ik weet niet waarom, mijn heer, maar zo is het. Geloof me, mijn heer, ik vertel u geen verhaaltje.’
‘Goed. En verder?’
Hij begreep er niets van. Waarom wilde de rechter dit allemaal weten? Hoe dan ook, hij kon maar beter doen wat hem gevraagd werd. Hij vond het wel prettig om over zijn werk te praten; het was een pover vervangingsmiddel voor vrijheid, maar praten over de bossen en de dieren riep een diepe, sluimerende hunkering in hem wakker. ‘Nou, mijn heer, kijk, om een dier te kunnen vangen moet je zelf eerst deel van het bos worden, je eigen vaste gang hebben. Ieder dier weet, aldoor, waar de andere zijn. Zodra er een verandering komt in iemands vaste gang, weten ze dat er iets mis is. Zelfs als je zo stil als een schaduw bent, mijn heer, en een konijn op zijn vaste gang ziet je en duikt weg, dan is het vijf minuten later niet op de plek waar het had moeten zijn, en de uil in de boom waar-ie had moeten zijn weet dat er iets mis is en begint te krassen, en zo weet het hele bos dat er ergens gevaar dreigt. Wat je dus moet doen, als stroper, is maken dat je zelf bij de dagelijkse gang van zaken komt te behoren. Dat ze je op een bepaald uur op een bepaalde plek verwachten, en ongerust worden als je niet op tijd bent. Dat duurt natuurlijk een hele tijd, wel drie of vier maanden; maar wanneer ze eindelijk aannemen dat je bij hun leven hoort, mijn heer, verschuilen ze zich niet langer voor je, zolang je ervoor zorgt iedere dag en iedere nacht op hetzelfde ogenblik op dezelfde plek te verschijnen. Begrijpt u, mijn heer?’
De kleine rechter keek hem met half toegeknepen ogen aan. ‘Fascinerend,’ zei hij. Hij stak zijn hand in zijn vestzak, haalde een zilveren doosje te voorschijn, strooide wat snuif op de rug van zijn hand en inhaleerde het. ‘Ga verder.’ Hij stopte het doosje weer in zijn zak.
‘Nou, mijn heer, als je het oog hebt op een bepaalde ree, begin je met iedere dag een beetje dichter bij haar gang te komen, zonder haar op te schrikken. Zodra je dicht genoeg bij bent om haar in de ogen te kijken...’
De rechter nieste zo luid dat John ervan schrok.
‘Wat zei je?’
‘Haar in de ogen kijken, mijn heer.’
‘Wat dan?’
‘Nou, dan ben je er, mijn heer.’
‘Wat bedoel je? Knuppel je het beest dan dood?’
‘O, nee, mijn heer, nee, nog lang niet! Zodra je haar in de ogen kan kijken, begint 't pas, mijn heer.’
‘Wat begint dan?’ De rechter gluurde naar hem als een eekhoorn.
‘Nou ja, je bent een mens, mijn heer, en dat hertje is maar een stom dier, en dat moet je nooit vergeten, mijn heer. Er komt een ogenblik dat die ree weet dat je haar dood gaat maken, dat je iedere dag dichterbij zal komen, tot je dicht genoeg bij bent om het te doen.’
‘Onzin!’ riep de rechter geërgerd uit. ‘Ik waarschuwde je dat je me geen sprookjes vertellen moest!’
‘Ik zweer het u, mijn heer, ik zweer het! Zo moet je dat doen, mijn heer! Zo doe ik het, tenminste...’ Hoe kon hij de man ervan overtuigen dat dit
werkelijk de manier was waarop het gebeurde?
‘Goed,’ zei de rechter, zwichtend. ‘Laten we beginnen bij het aanbreken van de dag. Je bent in het bos. Ja? Je wordt wakker.’
‘Jawel, mijn heer, zeker, mijn heer...’
‘Vertel me wat er gebeurt. Waar slaap je? Hoe word je wakker?’
‘Nou, mijn heer, de laatste vijf, zes maanden of zo, heb ik, eh - op, eh - op uw landgoed geslapen, mijn heer, onder een brembosje op de heuvel ten zuiden van de grote wei. U weet waar ik bedoel?’
‘Bij het pad naar het wed?’
‘Jawel, mijn heer, krek zo. Nou, als je naar het wed loopt, op de plek waar het pad de laatste bocht maakt, dan zie je aan je rechterhand drie bremheesters, twee kleine en een grote...’
Hij praatte door, levendiger naarmate hij zichzelf weer terugzag in die wereld waar hij, tot een week geleden, geheerst had over alle wezens die in het bos ritselden, renden, fladderden. Hij genoot ervan, maar het was als koppige wijn; hij werd dronken van de vrijheid, het leven zelf.
Eindelijk stond de rechter op, klapte zijn zitstok dicht en haalde de sleutel uit zijn vestzak. ‘John, dat was erg leerzaam. Maar we zijn nog maar net begonnen,’ zei hij. ‘Ik wil méér weten. Ik kom morgenavond terug, dan kunnen we zo lang praten als we willen.’ Hij liep naar de deur; de gespen van zijn schoenen glinsterden in het licht dat door het raampje naar binnen viel. Hij stak de sleutel in het slot; toen draaide hij zich om. ‘Ik wil alles weten wat er maar over stroperij te weten valt,’ zei hij. ‘Als je mij je vak niet kunt leren, zal ik je straf moeten herzien.’ Na die onheilspellende woorden ging hij weg.
John staarde naar de gesloten deur, het voorhoofd gefronst; toen draaide hij zich om en liep naar het raampje om de zuivere lucht in te ademen en naar het plekje hemel te staren. Het praten over vrijheid was plezierig geweest zolang het duurde, maar hij was er rusteloos en verward door geworden. Het had de gelatenheid ondermijnd, die het leven in de gevangenis draaglijk maakte. Hij kon het komende jaar, opgesloten in deze kooi, alleen overleven door een soort winterslaap binnen te gaan, zoals de bomen van het door sneeuw bedekte woud. Nu was zijn winterslaap verstoord. Door over het bos te praten, zo tot in alle bijzonderheden een dag van vrijheid opnieuw te beleven, was een diepe hunkering in hem opgewekt.
Hij wendde zich van het raampje af en begon te ijsberen van de deur naar de muur, van de muur naar de deur, van de deur naar de muur. Het was voor een dier dat slapend de winter doorbracht zelfmoord om vóór de lente wakker te worden. Een boom die door een grillige warmteperiode tot ontbotting verlokt werd, zou daarvoor zwaar moeten boeten. Plotseling hoopte hij dat de rechter niet zou terugkomen.
Zijn rusteloosheid werd erger toen het buiten begon te regenen. Hij bleef onder het raampje staan, grauw nu door de laaghangende wolken, en luisterde naar de fluisterende regen. ‘Kom, John, kom, John, kom, John.’
Here Jezus! Hij begon weer op en neer te lopen, sneller, sneller; hij holde, zich bij iedere bocht aan de muur en aan de deur afzettend; ten slotte viel hij, zwak van de duizeligheid, in het stro. Dit was waanzin! Hij hoefde het maar één jaar uit te houden! Als hij uitbrak zou hij zichzelf in lengte van dagen tot het leven van een vluchteling veroordelen. Hij zou nooit meer werkelijk vrij zijn, nooit meer onbekommerd te midden van de dieren kunnen leven in zijn bossen. Hij zou voor altijd bang moeten zijn voor de mensen; zijn levenslust zou worden uitgehold door het besef dat hij, uiteindelijk, toch gepakt zou worden. Nee! Hij moest zich niet door die vrijheidsdroom laten beheksen, want dat betekende de dood! ‘Jezus, God,’ bad hij, ‘zeg tegen die man dat hij me met rust laat!’
Buiten het raampje fluisterde de regen zijn naam.
***
Vanuit haar slaapkamer keek Margaret Fell naar de regen die staag en eentonig neerviel; het zou dagen, weken kunnen blijven regenen. Het maakte de somberheid dieper waarin ze die ochtend ontwaakt was na haar eerste nacht thuis. Eerst had het gewoon een reactie geleken, een begrijpelijke vermoeidheid na de emoties van de afgelopen week. Maar nu, met die regen, scheen de mistroostige stemming zich te hebben vastgezet als de herfst zelf. Het begon altijd zo: regen, regen, regen, regen, dagen, nachten, wekenlang. Dan zou de hemel door een storm worden schoongeveegd, groen en helder en koud worden; de bladeren zouden vallen, de hei roestbruin worden en de winterstormen zouden van over de oceaan komen aanloeien. Daarna zou het leven maandenlang stijf bevroren zijn, zelfs het daglicht zou bevriezen tot, in hartje winter, de dag nog slechts een droefgeestige schemering was; bij bewolkte hemel zou het leven bij kaarslicht worden geleefd. Ze wist niet waarom, maar dit jaar zou ze er niet tegenop kunnen. De gedachte alleen al dat het van nu af aan donkerder en donkerder zou worden, somberder en somberder, saaier en saaier ... ze moest bij dat raam vandaan, zich met het huishouden bezighouden. Maar een lome matheid hield haar vast op de plek, starend naar de regen. Waarom had ze dit gevoel van leegheid, lusteloosheid? Was het de gedachte dat het drie maanden zou duren eer Thomas terugkwam? Natuurlijk niet. Ze kon het zichzelf net zo goed bekennen. Het was George. Ze had voorzien dat het leven zonder hem saai zou lijken. Ze had niet voorzien dat het haar zo zwaar zou vallen. Het leek nu alsof zijn aanwezigheid haar zintuigen verscherpt had, haar levensvreugde verhoogd. Nooit had een zomer uitbundiger geleken, nooit eerder had ze het gevoel gehad dat ze niet alleen de zorg voor haar huishouding en het landgoed, maar alle ellende van de wereld op zich zou kunnen nemen. Ze voelde zich, toen, zoals een hoog door de lucht zwierende vogel zich moest voelen.
Nu hij weg was voelde ze zich opgesloten, een gevangene. Even kreeg ze
de dwaze opwelling haar koets te laten inspannen, hem achterna te gaan, een van zijn meereizende volgelingen te worden tot ze sterk genoeg zou zijn om op eigen benen te staan. Maar ze keek met een wrang lachje naar de regen. Haar kinderen, de bedienden, de huishouding, het hele landgoed, alles steunde op haar. Ze had dat feit altijd geaccepteerd; het was het doel waarvoor ze leefde. Nu vervulde het feit dat ze onmisbaar was voor het welzijn van zoveel mensen haar met een opstandig gevoel. Ze kon hen niet in de steek laten, hoe graag ze het ook zou willen. Ze was gevangen. Ze had hen doelbewust van zich afhankelijk gemaakt. Het had de enige manier geleken om haar leven zin te geven gedurende de maanden dat Thomas weg was. Hier zat ze nu: gekluisterd door haar eigen ketens. O, die regen! Als ze eens naar buiten ging, te paard over de heide ging rijden? De eenzaamheid van de heidevlakte scheen altijd haar energie te hernieuwen. Maar paardrijden in de regen was triest. Ze kon haar natwordende mantel ruiken, de koude regen op haar gezicht voelen. En wat was er te zien dat ze niet al duizendmaal gezien had? Lieve hemel! Ze moest deze ziekelijke zwaarmoedigheid van zich afschudden!
Ze liep naar de deur en zag George plotseling weer weglopen, door die gang in het Slot Lancaster. De gedachte dat hij misschien nooit meer zou terugkomen bracht haar in paniek. Het kon niet waar zijn! Ze zou het niet kunnen verdragen! Was het om haar dat hij was weggegaan? Had ze hem er zelf toe gebracht, door de manier waarop ze hem als een kip zonder kop achterna was gelopen? In dat geval bestond er alle kans dat ze hem nooit meer te zien zou krijgen. God alleen wist wat die dolzinnige man voortdreef ...
God. Dat was de enige voorwaarde waarop hij zou terugkomen: als het hem door God werd opgedragen. Hoe zou ze God ertoe kunnen brengen dat te doen? Hoe kon George weten dat het de stem van God was? Hoorde hij die? ‘Wees stil, laat het goddelijke in je opkomen en je gedachten leiden.’ Wat was het dat in hem opkwam en zijn gedachten leidde? Wat was ‘het goddelijke in de mens?’ De zomer lang had ze die woorden te pas en te onpas gebruikt, ervan overtuigd dat hun betekenis haar absoluut duidelijk was; nu ontdekte ze dat ze er niet het flauwste benul van had. ‘Deel van je, maar toch niet jezelf.’ ‘Net als mijn maag, dominee Lampitts buik?’ ‘Nee, als je ongeboren kinderen.’
Wat was ze razend geweest! Zo iets tegen een slotvrouwe te zeggen met wie hij pas enkele minuten tevoren had kennis gemaakt ... Had ze hem maar gevraagd het duidelijker uit te leggen. ‘Het goddelijke.’ Wat was dat? Een verzinsel van hem? Een feit? Er waren tijdens hun samenkomsten ogenblikken geweest, hoewel bij lange na niet zo vaak als ze geprobeerd had zichzelf wijs te maken, dat ze iets in zich had voelen opkomen, iets ondefinieerbaars dat inderdaad haar gedachten geleid had. Maar was dat God? George Fox zei van wel. De duivel hale George Fox. Vervloekte George Fox!
Maar haar logische geest dwong haar verder door te denken. Wat ‘het goddelijke in de mens’ in zijn geval ook was, het reageerde klaarblijkelijk op prikkels van buitenaf. Hoe kon ze het goddelijke in hem ertoe brengen te fluisteren: George, ga terug naar Swarthmoor? Dat zou God hem moeten zeggen: Ga terug, George, terug naar je hulpeloze kinderen, die door hun vader alleengelaten zijn!
Vader! Wel, waarom niet? Hoe jong hij ook was, hij was hun geestelijke vader. Het was zijn plicht naar zijn kinderen terug te gaan als hij hen van smart en angst hoorde huilen. Vader. Een eigenzinnige vader.
Een uur later zat ze aan de tafel in de grote vestibule, papier en inkt voor zich, omringd door alle leden van haar gezin en haar personeel, die ze bijeengeroepen had. ‘Vrienden,’ zei ze, ‘ik heb jullie hier geroepen omdat we een brief aan George Fox gaan schrijven. We moeten hem overhalen terug te komen.’
In plaats van het verheugde enthousiasme dat ze verwacht had, knikten of bromden ze lusteloos. Alleen Mabby riep uit: ‘O ja, mevrouw, ik bedoel Margaret, ja, mevrouw! Ja, Margaret! O, toe, laat hem alsjeblieft terugkomen!’
Ze keek het kind met koude ogen aan. ‘Het gaat niet om hem persoonlijk,’ zei ze. ‘Hij is nodig omdat we nog niet standvastig in het geloof zijn. We hebben zijn leiding nodig. Zodra hij ons eenmaal in waarachtige Kinderen van het Licht heeft veranderd, kan hij doen en laten wat hij wil. Nu: als iemand van jullie iets voor te stellen heeft, zal ik dat graag aan deze brief toevoegen. Hier is wat ik voorstel hem te schrijven.
“Onze geliefde Vader in de Heer. Ofschoon we tienduizend leermeesters in Christus hebben, bezitten we slechts één vader, want jij hebt ons door het Evangelie tot leven gewekt, eeuwig geloofd zij onze Heer. Wij, je kinderen, vergaderd in honger naar de Geest, dorsten naar jou en laten het recht gelden dat we op je hebben.”’
Al lezend voelde ze een groeiende zekerheid. Hij zou deze roepstem niet kunnen weerstaan.
‘O, jij brood des levens, zonder hetwelk onze zielen verhongeren! O, geef ons je brood en heb erbarmen met ons, die je aan je boezem hebt getroost en gevoed! Ons enige verlangen is jou weer te zien, zodat we gelaafd en gesterkt mogen worden tot een voller leven! Laat de laaghartige krachten die ons belagen jou niet van ons scheiden; we zouden met vreugde jouw koninklijke macht over hen zien triomferen. O, onze beminde koesterende vader, we hopen dat je ons niet berooid zult achterlaten maar terugkeren! Wij zijn nu gevangenen in de duistere nacht van het verdriet, laat spoedig de ochtendblijdschap dagen!
O, ons leven, kom terug, opdat onze blijdschap volledig worde! Want alleen in jouw tegenwoordigheid is er blijdschap, alleen waar jij vertoeft heerst de vreugde!’
Toen ze opkeek zag ze dat ze namens hen was gaan spreken. Vol ver-
trouwen las ze verder: ‘O, fontein van eeuwig leven, onze zielen dorsten naar je! In jou alleen ligt ons leven, onze vrede; zonder jou hebben we geen vrede, geen rust! Onze zielen smachten naar jouw aanblik; wij willen je Geest weer binnenin ons voelen, O, George, vader van eeuwige gelukzaligheid!’
Ze was plotseling vervuld met een vurige ijver voor God en Zijn waarheid. Ze had het gevoel dat ze, mocht het ooit van haar worden gevergd, haar leven voor God zou geven. Ze dacht erover dit aan de brief toe te voegen, maar besloot het niet te doen. Dat was te persoonlijk; de brief moest door hen allen worden ondertekend om doeltreffend te zijn.
Zij ondertekende als eerste, daarna Thomas Woodhouse, Ann Traylor, Henderson, Will Caton. De rest van de bedienden zette alleen maar een kruisje. De kinderen schreven er elk, op haar aandringen, een postscriptum bij. Mary mocht een afdruk van haar handje op het papier zetten. Ze schreef namens haar: ‘O, mijn lieve vader, wanneer komt ge weer bij ons?’ Ze bekeek de brief met voldoening, en ging na of iedereen wel getekend had. De enige ontbrekende handtekening was die van haar zoontje Charles. Ze was er zeker van dat hij bij het voorlezen was geweest. Toen ze opkeek zag ze hem wegsluipen, de kleine aap! Ze stond op het punt hem terug te roepen, maar bedacht zich: George moest zich van de gevoelens van de jongen jegens hem bewust zijn. Als zij ook Charles nog om de terugkeer van zijn geestelijk vader liet smeken, zou dat weleens het averechtse resultaat kunnen hebben. ‘Jullie kunnen gaan,’ zei ze, ‘behalve jij, Thomas.’
Gehoorzaam bleef Thomas Woodhouse achter, terwijl de anderen naar buiten dromden, klaarblijkelijk gesterkt door hoop en vol ijver om weer aan het werk te gaan. ‘Hier,’ zei ze, terwijl ze de brief zegelde, ‘breng hem zelf naar het posthuis. Zorg ervoor dat hij vanavond met de koets meegaat. En betaal de kosten vooruit. Hij zou weleens tijdelijk zonder middelen kunnen zijn.’
‘Jawel, mevrouw.’
Pas nadat hij was weggegaan, drong het tot haar door dat hij ook nu weer verzuimd had ‘Margaret’ te zeggen. Nu ja, dat zou allemaal wel terugkomen zodra George er weer was. Ze was er absoluut zeker van dat hij zou terugkomen en voelde zich vol levenslust en vastberadenheid.
‘Ann!’ riep ze toen ze het meisje boven op de overloop voorbij zag glippen. ‘Waar ga je naartoe?’
Het brutale ding bleef betrapt staan en keek naar beneden. Met die groene katteogen en dat rode haar was ze wel knap, maar veel te vrijpostig in haar positie. Een korte terugkeer naar het normale zou haar geen kwaad doen.
‘Ik ga even op bezoek bij Bonny Baker, mevrouw.’
Bonny Baker! Ze had aan hem moeten denken; George voelde zich schuldig jegens hem, daar was ze zeker van. ‘Wat heb jij met Bonny Baker te maken?’
‘Ik leer hem lezen en schrijven, nu hij in bed moet blijven. Hij heeft niets anders te doen.’
‘Erg menslievend. Maar niet nu. Ik wil dat de zomergordijnen in de kinderkamers worden afgenomen. We hebben hun winterkleren nog niet te voorschijn gehaald. Ze zullen gelucht moeten worden om er de kamferlucht uit te krijgen.’
‘Jawel, mevrouw.’
‘Er is genoeg te doen voordat we ons aan taken van christelijke naastenliefde gaan wijden. Begin met de gordijnen.’
‘Jawel, mevrouw.’
Ah! Wat heerlijk om weer te leven! Ze rende de trap op, twee treden tegelijk. In de gang tussen de kinderkamers vluchtte Ann Traylor. Bonny Baker, stel je voor! Ze zou hem een bord kalfspootgelei laten brengen, en een prentenboek. Misschien ging ze op een avond zelf weleens bij hem op bezoek. Hij was, per slot van rekening, lid van de Swarthmoorse ‘Maandvergadering’, zoals George zijn nieuwgevormde Quaker-gemeentes noemde.
Met dankbaarheid bemerkte ze hoe de liefdevolle genegenheid voor alles en iedereen, die haar in de eerste dagen na haar bekering zo blij had gemaakt, terugkeerde. Ze voelde zich weer vol tederheid, zelfs jegens spinnen. Ze ging naar haar kamer om te proberen er een te vangen en vrij te laten in de regen.
***
Daar was hij, eindelijk! John McHair sprong overeind, vloog naar de deur en drukte zijn hoofd tegen de tralies van het luikje met een poging om de gang in te turen. De kaarsvlam in de lantaarn buiten de deur danste; schaduwen trilden op de muur; ergens drupte water, melodieus in de stilte. Maar hij hoorde geen voetstappen; er naderde geen licht door de gang. Hij kwam niet! De rechter kwam niet!
Kreunend draaide hij zich om en hervatte zijn eenzaam ijsberen, van de deur naar de muur, van de muur naar de deur, van de deur naar de muur. Het was allemaal uitermate verbijsterend voor een man die niets anders wilde dan met rust te worden gelaten! Hij verlangde niets anders van het leven dan de doezelende geborgenheid van de winterslaap! Als die verdomde rechter hem nu maar met rust had gelaten, in plaats van deze onverdraaglijke hunkering naar vrijheid in hem op te wekken. Waarom had hij dat gedaan? Wat wilde de rechter van hem? Waarom was hij nu een week lang iedere avond teruggekomen, om in hem te woelen en vragen te stellen? Hem alles te laten vertellen; hem iedere minuut van een dag in het bos telkens en telkens weer opnieuw te laten beleven, tot zijn hoofd tolde en zijn ogen brandden van wanhoop? Hij was aan 's mans bezoeken verslaafd geraakt als een dronkaard aan zijn kroezen bier; en nu bleef hij plotseling weg. Waarom?
Hij probeerde tegen zich zelf te praten, zoals hij tegen de rechter gepraat had, hardop de dingen uit te spreken die hem bezighielden, de hunkeringen die door de vragen waren opgewekt. Maar zonder de rechter was hij niets anders dan een wauwelend warhoofd.
Hij hield het niet uit! Hij kon hier niet langer opgesloten zitten! Zijn hunkering naar de vrijheid was niet meer te onderdrukken; hij kon de gevangenschap niet langer verdragen! Hij moest eruit, eruit! Hij wist dat het geen zin had, maar iets in hem, een drift die hij niet kon beheersen, had zich tegen hemzelf gekeerd. Hij was bezeten door de waanzinnige droom de rechter neer te slaan, de sleutel uit diens vestzak te rukken, de deur te openen en zich in de vrijheid te storten. Gedurende de avonduren was de rechter de enige man die in de gevangenis rondliep; dat had hij zelf een keer gezegd. Hij had iedere avond met die sleutel gezwaaid; en nu, God mocht hem wurgen, bleef hij weg. Misschien kwam hij nooit meer terug. Misschien had hij dit alles met opzet gedaan, hem alleen maar gek gemaakt om hem elf eindeloze maanden als een kettinghond te laten janken. O, Jezus, God, hij hield het niet uit!
Sneller en sneller holde hij in zijn cel op en neer, bij iedere draai van de wand of de deur terugbotsend. Ten slotte liet hij zich uitgeput en duizelig in het stro vallen.
Toen hij nog door de bossen zwierf, was het nooit bij hem opgekomen dat alle levende wezens behalve hijzelf daar in een bestendige toestand van angst verkeerden: de angst waarin hij nu hier lag, kreunend, in de stank van zijn eigen uitwerpselen. Dit was de hel, alles was beter dan dit, alles.
Stil! Daar hoorde hij iets! Kon het de rechter zijn...?
Weer sprong hij overeind, rende naar de deur, tuurde door het luikje, luisterde, met zijn hart in zijn keel.
Maar er was niets, alleen de dansende schaduwen, en het druipende water dat zacht zijn naam zong.
***
De twee brieven, die van rechter Fell en die van Margaret, bereikten George Fox tegelijkertijd. Boeren en dagloners uit de hele omgeving waren bezig zich te verzamelen op het modderige erf van het huis; voor de samenkomst begon wilde hij de brieven lezen. Hij nam ze mee naar de hooiberg waar hij die nacht zou slapen.
Hij maakte de brief van Margaret het eerst open en las hem, langzaam. Zonneplekken joegen de schaduwen van de wolken over de akker vol wuivend koren, terwijl hij zat te lezen, zijn witte hoed naast zich, zijn haren wapperend in de wind.
Hij had in de loop der jaren heel wat hartstochtelijke brieven van vrouwen gekregen, maar nooit een zo onbeschaamd en tegelijkertijd zo onschuldig als deze. Hij had haar tijdens de weken die ze in elkaars nabijheid
doorbrachten goed leren kennen; deze brief was net als zij: onstuimig, edelmoedig, teder, met een verbluffende openhartigheid. Hij staarde naar de jacht van licht en schaduw op de akker, waar het graan golfde als de zee. Van de binnenplaats kwam het gehinnik van paarden, rusteloos door de wildheid van de wind; boven hem zwalpte een vlucht meeuwen gokkerend door de lucht.
Een vrouw van nederige afkomst had nooit zo'n brief kunnen schrijven. Haar woordkeus alleen al had iets gebiedends, een minachting voor wat andere mensen ervan mochten denken. Haar fiere onafhankelijkheid loochende wat ze schreef. Margaret Fell zou nooit van enige man afhankelijk zijn, maar het was duidelijk dat ze hier zelf geen idee van had. Zij wist niet beter of ze zou geen dag verder kunnen leven zonder hem, geestelijke vader, herder, gids, brood des levens, troostrijke boezem of hoe ze hem ook verder had genoemd in haar marsorder, die hem gebood onmiddellijk terug te komen. Toch was zij de vrouwelijkste vrouw die hij ooit ontmoet had. Geen andere had hem ooit zo vervuld met bewondering en ergernis, tederheid en woede. Prikkelde ze hem ook zinnelijk? Hij ontweek de vraag niet; hij had vrede met zijn natuurlijke zelf gevonden en zich erbij neergelegd. Als God hem, net als iedere man, een instinctieve toeneiging tot vrouwen had gegeven kon daar van nature geen kwaad in steken. Het kwaad begon pas als de wet geschonden werd, al was het alleen in zijn hart. Maar om het besef dat hij zich van Margaret Fell als vrouw bewust was te onderdrukken zou betekenen dat hij niet in staat was zich van wetsschennis te onthouden, tenzij hij met dichte ogen en oren door het leven ging. Margaret trok hem sterk aan, van het begin af aan al. Maar de meest verrassende weerklank die ze in hem opriep was vreugde, waardoor andere vrouwen bij haar vergeleken kleurloos schenen, ook in geestelijke vervoering.
Hij las haar brief opnieuw. De hartstochtelijke woorden straalden, net als zijzelf, pure vreugde uit, ondanks de droefheid die ze bedoelden over te brengen. Hoe graag zou hij aan haar verzoek gehoor geven, rechtsomkeert maken, teruggalopperen naar dat sombere huis vol kinderen in witte jurkjes, terug naar haar opwindende tegenwoordigheid, de rijkdom van hun samenkomsten! Maar die andere brief was er ook nog.
Hij wist wat erin stond voor hij het zegel verbrak. Het was inderdaad een introductie bij een zekere lord Shorwell, die verzocht werd hem onverwijld in contact met Oliver Cromwell te brengen. Het was wat rechter Fell beloofd had, toch verontrustte het hem. De zorgvuldig gestelde, neutrale brief leek koud, berekenend. Het lezen ervan gaf hem het gevoel besmet te worden met liefdeloosheid, een pion in een spel te zijn, een symbool. Opeens was hij niet langer zeker van Gods wil. De weg die zich, naar het leek, ontsloten had op de tocht naar Lancaster scheen weer versperd te worden. Hij had geen duidelijke richtlijn voor wat hij nu verder moest doen. Het enige wat hij kon was vertrouwen op de Heer.
Hij stond op om zich bij de wachtende groep op het erf te voegen, en
stopte onder het lopen de brieven in zijn jaszak. De groep was kleiner dan gewoonlijk, maar gezien het stormachtige weer was dat niet verwonderlijk; ze werden bijna van de voeten gewaaid, vooral de vrouwen, wier rokken, uitbollend in de wind, als zeilen aan hen rukten. Het werd een woordeloze samenkomst; niemand zou zich boven het geluid en gehuil van de wind verstaanbaar kunnen maken. Het was een van de zeldzame erediensten die doods leken. Dat was het nadeel van spontaneïteit; soms openbaarde de Tegenwoordigheid zich niet en dan vielen de aanwezigen uit hun gespannen verwachting geleidelijk terug tot een willekeurig groepje mensen dat wachtte op iets dat niet kwam. Misschien beletten de brieven hem zich te concentreren; hij kon ze niet uit zijn gedachten zetten, vooral die van haar niet.
Na afloop kwamen er maar een paar mensen naar hem toe om met hem te praten. Toch leek het of er nooit een einde zou komen aan het beroep dat ze op hem deden. Maar eindelijk ging ook de laatste, praatzieke vrouw weg en hij klom de hooiberg in, waar hij zijn avondmaal deed met kaas en bier. Tegen zonsondergang ging de wind liggen en het begon te regenen. Hij luisterde naar het gutsen, veilig in zijn kleine droge schuilhoek van kaarslicht en geurige warmte. Nadat hij de lantaarn had uitgeblazen, ging hij op zijn rug in het duister liggen, denkend aan haar. Plotseling wist hij: je zelfverzekerdheid zou weleens hol kunnen blijken, mocht ze ooit de kans krijgen er een aanval op te doen. Ze is niet alleen onstuimig, en willig - ze is van adel. Dat, vriend, zou weleens je ondergang kunnen worden. Ondanks je oprechte wens in mensen alleen maar het goddelijke te zien, kun je toch maar niet vergeten dat die brief geschreven werd door de vrouw van lord Thomas Fell, opperrechter. Zelfs Paulus' wapenuitrusting Gods zal je hiertegen niet kunnen beschermen, want de duivel steekt niet in haar, hij is binnenin je. Hij kan geen kwaad zolang je weet waar hij aan het wroeten is en hem aan het licht brengt zodra hij je aanvalt. Maar als je ooit welbewust het duivelse element in haar zou tarten, zou het tweetal samensmelten, net zo zeker als het goddelijke in jou samensmolt met dat van God in de beulsknechten in Derby, en net zoals toen zou het de kracht van de oceaan ontkluisteren - maar dit keer niet die van licht en liefde, maar die van dood en duisternis. Dus - weg! Weg, naar Londen!
Op het moment dat dit alles naar boven kwam snakte zijn lichaam vurig naar haar; maar hij begon in gedachten de brief te formuleren die hij haar in de ochtend sturen zou. Het moest een liefdevolle brief zijn, die echter geen twijfel zou overlaten. Weg, George, weg! Londen was veiliger, ook al heerste er de pest.
***
Ja! Daar was de rechter. Deze keer was hij er! Eindelijk!
John McHair zag het licht van de lantaarn naderbij komen, hoorde
voetstappen in de gang. De sleutel knerste in het slot; de deur kraakte open en daar stond rechter Sawrey, met een lantaarn. Hij sloot de deur, stopte de sleutel in zijn vestzak - het ogenblik was gekomen. John bad, ‘God, God van Fox, help me, help me...’
De rechter zette de lantaarn op de vloer, klapte zijn zitstok open en zei: ‘Wel, vriend John, ik vond dat ik je nog één keer moest gaan opzoeken. Morgen ga ik weg voor een lange reis.’
Dit was het ogenblik, het laatste ogenblik! John stak zijn hand uit. ‘Geef me de sleutel,’ zei hij schor.
Er kwam een vreemde trek op het gezicht van de rechter. ‘Mijn beste man, je moet gek zijn! Is dit mijn beloning nadat ik als christen in je rampspoed met je ben komen praten?’
Iets in deze woorden hield een waarschuwing in, maar hij had te lang gewacht. Hij wierp zich op de rechter, sloeg hem neer, scheurde 's mans vest, vond de sleutel, sprong naar de deur, stak de sleutel in het slot, trok de deur open - één moment dacht hij dat hij vrij was. Toen zag hij de schout en drie mannen buiten klaarstaan, de sabels getrokken. Brullend wierp hij zich op hen.
Hij vocht voor zijn leven, maar de overmacht was te groot; ten slotte werd hij overmeesterd en in zijn cel teruggesleurd. Hij hoorde hoe de schout vroeg: ‘Bent u gewond, mijn heer?’ De rechter antwoordde: ‘Nee. Zijn jullie er goed afgekomen?’ Toen vroeg de schout: ‘Wat doen we met hem?’
Iemand gaf hem een trap, en John sloeg zijn ogen op. De rechter keek op hem neer.
‘John,’ zei hij. ‘Volgens de wet kan ik nu opdracht geven om je terecht te stellen wegens geweldpleging en uitbraak. Maar gezien al de inlichtingen die je me de afgelopen weken hebt gegeven, zal ik genade voor recht laten gelden.’ Hij glimlachte, angstaanjagend.
John hakkelde: ‘Nee, nee...’ in de plotselinge wetenschap dat wat er nu ging gebeuren, wat het ook mocht zijn, erger zou zijn dan de dood.
‘Deze mannen zijn getuigen geweest van je aanval op mijn persoon,’ vervolgde de rechter. ‘Ze willen je om hals brengen; ik wil dat ze de reden begrijpen waarom ik zo genadig ben.’ Hij draaide zich om naar de schout. ‘Aangezien hij me met zijn rechterhand heeft geslagen, hak die hand bij de pols af.’
John gilde, vocht als een duivel; maar de mannen klampten zich aan hem vast met de felheid van honden die een hert neerhaalden. Ze smeten hem ruggelings op de grond, persten zijn armen omlaag door erop te knielen; een sabel flitste in het lantaarnlicht en hij krijste het uit van de pijn en wanhoop toen zijn pols werd afgekapt.
Hij tuimelde in een duisternis, dieper dan de dood. De mannen deden iets met de stomp; als hij geweten had dat het was om te voorkomen dat hij zou doodbloeden, had hij het verband er afgerukt. ‘God, God,’ fluisterde
hij, ‘genade ... genade.’
Maar, net als de stervende ree, het konijn met de gebroken nek, kreeg hij geen antwoord van de grote onverschilligheid.
***
Margaret Fell was de eerste die de hoorn van de postbode hoorde omdat ze er iedere dag op gewacht had. Ze holde naar het raam en zag hem op zijn pony naar het huis toedraven, zijn geel-en-groene uniform deinend tussen de herfstbruine struiken; zonlicht fonkelde op zijn hoorn. Ze moest zich dwingen op de plek te blijven staan en niet naar beneden te hollen.
Hij kwam het hek binnen, op weg naar de keukendeur, waar Thomas Woodhouse de brief zou aannemen en - nee! De brief was misschien aan hen allen geadresseerd! Misschien scheurden ze hem wel open zonder op haar te wachten! Ze holde de kamer uit en kwam de keuken binnen net toen de postbode aan de deur verscheen.
‘Goeiemorgen, mevrouw Fell! Ik heb een brief voor u uit - even kijken - uit Yorkshire.’
Wat ging het hem aan? ‘Dank je, sinjeur Floris.’ Ze greep de brief, zei tegen Thomas Woodhouse: ‘Betaal onze vriend wat hem toekomt,’ en liep de keuken uit. In de vestibule zette ze het op een draven, stormde de trap op, haar slaapkamer in, smeet de deur dicht en verbrak, met haar rug tegen de deur geleund, het zegel. Het papier trilde in haar handen.
‘Beminde en liefhebbende zuster in de Waarheid van God. Mijn innige groeten in liefde en in de Waarheid van God aan jou en alle anderen van je familie in de Waarheid. Wandel in de Waarheid van God, en in dat wat je voor God zuiver houdt; moge de eeuwige God van Macht en Waarheid je behoeden in Zijn Waarheid die eeuwig geloofd en geprezen zij. De Heer openbaart ons hier in Yorkshire opnieuw Zijn Liefde en Zijn kracht, Hem zij eeuwige lof, ter beschaming van het bedrog, om de wille van de Enige, moge Hij Zijn kracht bekendmaken en Zijn woorden in vervulling doen gaan. Ik kan nog niets zeggen over mijn terugkeer. Je liefhebbende vriend, G.F.’
Ze staarde naar de brief, verbijsterd. Toen las ze hem nog eens over, overtuigd dat ze de inhoud verkeerd moest hebben begrepen. Zijn taal was niet gemakkelijk; er stonden zoveel ‘waarheden’ in en aan één regel kon ze geen touw vastknopen. Toen ze weer bij het terloopse zinnetje aan het slot kwam, drong het eindelijk tot haar door. Hij kwam niet. Dat was wat de brief zei: Ik kom niet. De rest was vrome wartaal.
Ze werd overweldigd door een hartverscheurend verdriet. Nee! Het kon niet waar zijn! Ze moest de brief nog eens lezen, langzaam, vol liefde, en al lezend proberen zijn stem te horen. ‘Beminde en liefhebbende zuster in de Waarheid van God...’ Was dat niet precies wat er stond: bemind en liefhebbend? Noemde hij haar niet ‘zuster’, was ‘in de Waarheid van God’ niet zo'n frase die hij altijd gebruikte, de brave jongen? Natuurlijk. Omdat
ze teleurgesteld was hoefde ze niet blind te zijn voor zijn bedeesde en tedere verklaring van - wat? ‘Mijn innige groeten in liefde en in de Waarheid van God aan jou en alle anderen van je familie in de Waarheid...’ Zie je wel: hij zond haar zijn innige liefde, en natuurlijk noemde hij de rest van de familie...
Ach! Wat had het voor zin zichzelf voor de gek te houden? Hij kwam niet! De brief was alleen maar een honingzoete, lafhartige - nee, nee! Zo mocht ze niet denken! Ze moest verder lezen, zonder dat haar verschrikkelijke teleurstelling ieder woord verdraaide!
‘Wandel in de Waarheid van God, en in dat wat je voor God zuiver houdt; moge de eeuwige God van Macht en Waarheid je behoeden in Zijn Waarheid -’ Wartaal! Bazelende, klinkklare nonsens! Ze voelde tranen langs haar gezicht stromen terwijl ze de brief met beide vuisten schudde van woede.
Hij kwam niet! Het was duidelijk waarom niet: ‘De Heer openbaart ons hier in Yorkshire opnieuw Zijn Liefde en Zijn kracht.’ Hij was weer bezig mensen wakker te schudden, hen met hartstocht te vervullen, hun leven te ruïneren. Een mooie manier om te zeggen: ‘Ik ben bezig weer een kerk ondersteboven te keren en de dominee te sarren tot zijn gemeente beseft dat hij een beunhaas is, wiens God in zijn buik zit - Nee, wiens God zijn buik is.
Ze ging aan haar toilettafel zitten en steunde haar hoofd in haar handen, misselijk, duizelig. Ze haalde diep adem in een poging om zich van die misselijkheid te verlossen. Toen ze haar ogen opsloeg ontmoette ze de blik van een geslagen hond. Was dit wat ‘wandelen in de Waarheid van God’ haar had aangedaan? Natuurlijk niet. Het had niets met God te maken. Het had te maken met een achtendertigjarige vrouw en een tien jaar jongere man.
Ze probeerde de gedachte te ontwijken, maar dwong zich de waarheid onder ogen te zien. Ze was verliefd, na twintig jaar huwelijk en zeven kinderen. Ze was niet de eerste wie dit overkwam. Het was het onderwerp van talloze roddelverhaaltjes onder slotvrouwen, giechelend achter haar waaiers.
Een versmade vrouw! Eindelijk had ze zichzelf dan in de verdwazing gestort. Het was onschuld geweest, onervarenheid. Ze had haar hele leven opgesloten gezeten. Ondanks haar zeven kinderen was haar hartstocht nooit gewekt, omdat die nooit door iemand anders was uitgedaagd dan door haar wellevende, hoffelijke echtgenoot. Wie zou een minziek oog durven wagen aan de vrouw van opperrechter lord Fell? Er was een revolutie, de ontwrichting van de kerk, de moord op een koning voor nodig geweest vóór een man het aandurfde het kasteel binnen te dringen en de schone slaapster te wekken. Een nul, een weverszoon, die weigerde om rang en gezag te erkennen. In zekere zin was hij net zo onschuldig geweest als zij; hij had zijn proletarische onbeschaamdheid aangezien voor profetisch vuur, ‘Laat ons samen knielen en God vragen waarom hij me naar Swarthmoor Hall gevoerd heeft.’ Hoe onschuldig, hoe kuis! En zij was net
zo onschuldig, net zo kuis geweest ... Maar de manier dan waarop ze aan hem gedacht had, na haar hartstochtelijke hereniging met haar man nog wel? Ze verborg haar gezicht in haar handen. ‘O, George, George!’ fluisterde ze, heimelijk, alsof het pas door het uitspreken van zijn naam een flagrante zonde zou worden. Maar het was geen zonde! Ze had niet geweten wat ze deed, evenmin als hij! Arme jongen, hij moest zich van haar brief een aap geschrokken zijn! Geen wonder dat hij geantwoord had met dit kattebelletje vol gebazel, waarin zesmaal met het woord ‘waarheid’ gezwaaid werd, als met een braadpan naar een op hol geslagen koe!
Plotseling begon ze te giechelen. Ze wist wat een helleveeg ze kon zijn, zodra ze de teugels vierde. Hij had van de schrik de benen genomen. ‘Ter beschaming van het bedrog, om de wille van de Enige, moge Hij Zijn kracht bekendmaken en Zijn woorden in vervulling doen gaan...’ Wartaal van een vluchtende jongen, die meer aan het rollen had gebracht dan zijn bedoeling was geweest. ‘Ik kan nog niets zeggen over mijn terugkeer.’ Lieve jongen, als ik in jouw schoenen stond en de keus had naar Oliver Cromwell gaan dan wel naar een hijgende oude vrouw vol liefdesverwijten...
‘O, George, George!’ Haar zelfspot bezweek; ze snikte het uit, haar hoofd op haar armen, te midden van de flacons, de lotions, de pathetische attributen waarmee ze had geprobeerd haar jeugd vast te houden. ‘God, genade! Red me, red me...!’ Maar ze was God kwijt. Haar hele leven was ze tevreden geweest met de vaderlijke God van drie dagelijkse gebeden en een zondagse preek; toen had George haar een nieuwe God gebracht, die straalde van liefde, die haar vervuld had met -
Ze werd zich ervan bewust dat er iemand op de deur klopte. Ze wilde ‘ga weg!’ roepen, maar dat zou het hele huis in een zoemende bijenkorf veranderd hebben. Ze droogde haar ogen, poederde haar betraande gezicht, streek haar haren achterover; daarop pakte ze een kam en begon haar kapsel te ordenen. ‘Binnen!’
De deur piepte. ‘Zal ik het bed opmaken?’
‘Ja, Mabby, ga je gang.’
Ze was zich bewust van de nieuwsgierige blikken van het malle kleine ding, dat achter haar begon te rommelen. Het was tenminste Henderson niet, of Ann Traylor. Zelfs al had Mabby het gevoel dat er iets aan de hand was, ze was te onnozel om te gissen wát.
‘Was dat een brief van George, mevrouw?’
‘Brief? O ja. Een brief, van meneer Fox.’
‘Ik vraag me af of hij het weet van John McHair.’
‘John McHair?’ Ze probeerde de tranen te verbijten toen ze plotseling overweldigd werd door de leegheid van het leven dat ze van nu af aan gedoemd was te leven.
‘Wist u het niet? Rechter Sawrey heeft hem zijn hand laten afhakken.’
‘Wat zeg je nou?’
Mabby herhaalde opgewonden, ‘Rechter Sawrey heeft John McHairs hand laten afhakken!’
‘Hoe weet je dat?’
‘De schout heeft het vanmorgen aan Will Hartford verteld, bij de smid.’
‘Waarom, in godsnaam?’
‘Ik geloof dat hij probeerde te ontsnappen...’
Margaret staarde het kind aan; toen zei ze, bruusk, ‘Zeg tegen Thomas Woodhouse dat hij meteen hier komt!’ Die arme, domme John McHair, die in de samenkomst tegenover haar had gezeten met zo'n verbijsterd gezicht! Wat monsterlijk om zo iets te doen! Ze moest meteen naar hem toe gaan! Ze kon hem niet zo maar in die smerige gevangeniscel laten liggen, ze moest...
Thomas Woodhouse kwam binnen.
‘Thomas! Is dat wáár, van John McHair?’
‘Ik ben bang van wel.’
‘Hebben ze - is hij zijn hand kwijt?’
‘Ja.’
‘Hoe is het met hem? Heb je daar enig idee van?’
‘Nee ... ik weet alleen wat ze hem hebben aangedaan.’
‘Zeg tegen Will Hartford het tweespan voor te rijden. Vraag Henderson de pot rode pruimen uit de kelder te halen die ik een poosje geleden gekocht heb; laat Ann Traylor weten dat ze klaar moet staan om met me mee te gaan. Ik ga naar de gevangenis.’
Thomas' gezicht werd wezenloos van verbazing. ‘Gevangenis? Nee, Margaret Fell! Daar komt niets van in! Als je wilt dat John McHair die pruimen krijgt, zal ik ze hem wel brengen! Jij kan onmogelijk gaan!’
‘Waarom niet?’
‘De gevangenis is geen plaats voor een vrouw. Zelfs niet als ze er uit liefdadigheid naartoe zou gaan.’
‘Liefdadigheid?’ riep ze uit. ‘Een man die bij onze samenkomsten is geweest, die het been van onze Bonny Baker heeft gezet? Als ik naar hem toe ga nadat hij opzettelijk verminkt is noem je dat liefdadigheid?’
Thomas keek haar vol waardigheid aan. ‘Margaret,’ zei hij, ‘ik sta erop: je mag er zelf niet naartoe gaan. Geen enkele vrouw mag dat. Je zou trouwens toch niet bij hem worden toegelaten.’
‘Nu, goed dan. Ik zal hem een brief laten brengen. Een man zullen ze toch zeker wel toelaten, of een jongen? Harry Martin bijvoorbeeld?’
Thomas Woodhouse schudde het hoofd. ‘Als je van plan bent hem een brief te sturen, zal iemand hem die moeten voorlezen. Harry Martin kan ook niet lezen.’
‘Goed. Laat Bonny Baker de brief hier over een paar minuten komen halen.’
Nadat Thomas Woodhouse was weggegaan, ging Margaret aan haar toilettafel zitten, schoof de potjes en flacons opzij en schreef: ‘Beste John
McHair.’ Dat klonk onpersoonlijk. Lieve John? ‘Beminde en liefhebbende broeder in de Waarheid van God. Mijn tederste liefde gaat naar je uit in je wrede rampspoed. Wat je het meest pijn moet doen, ik weet het, is de gedachte dat George Fox, ter wille van wie je nu gemarteld wordt, je in eenzaamheid en wanhoop laat omkomen...’
Haar pen vloog over het papier. Ze liet al haar ellende, eenzaamheid en wanhoop de vrije loop; ze schreef aan de ongeletterde stroper zoals ze aan een zuster geschreven zou hebben. Pas toen ze hem af had drong het tot haar door dat John McHair er geen touw aan zou kunnen vastknopen. Hij zat niet in de gevangenis omdat hij een Quaker was, maar een stroper. Hij betreurde niet het verlies van George Fox, maar van zijn hand.
Terwijl ze zat te twijfelen, werd ze zich ervan bewust dat ze niet alleen was. Ze draaide zich om; achter haar stond Ann Traylor, die haar met schrandere ogen opnam. Margaret vouwde de brief op, en zei: ‘Geef dit aan Bonny Baker en zeg hem dat hij John McHair deze brief persoonlijk ter hand moet stellen. Heeft Henderson die pot pruimen uit de kelder gehaald?’
‘Ja.’ Ann Traylor nam de brief aan.
De gedachte aan de arme man die daar lag met alleen nog een stomp waar zijn hand was geweest, ontstelde Margaret. Er moest nog iets anders zijn dat ze hem zou kunnen geven, behalve die pruimen en die onsamenhangende brief. Iets dat hem duidelijk zou maken hoe ze met hem meeleefde. Hij lag in een kerker onder het gerechtsgebouw. Het moest er donker en vochtig en koud zijn. Kaarsen? Iets om de vochtigheid tegen te gaan? De wanten misschien, die haar man voor zijn verjaardag van tante Agatha had gekregen?
‘Wacht even,’ zei ze, en ging er in zijn ladenkast naar zoeken.
Daar waren ze: echt van die dingen die alleen een oude vrijster tijdens eenzame winteravonden voor een man zou breien. Ze waren echter precies wat John McHair nodig had; pas toen ze op het punt stond ze aan Ann te geven, drong het tot haar door dat ze, in plaats van haar medeleven kenbaar te maken, bewezen had in welke mate de arme man een voorwendsel voor haar brief was geweest. Hij had nu maar één want nodig, geen páár. Wat ze moest doen was hem één want sturen en iets anders om over zijn stomp te doen, die koud en pijnlijk moest zijn. Een sok? Wacht! Nog zo'n geschenk van tante Agatha: een mutsje voor Mary toen ze nog een baby was. ‘Ann, dat rode mutsje, dat de tante van mijn man een paar jaar geleden voor Mary heeft gebreid - waar hebben we dat opgeborgen?’
‘In de kast van Mary, bij haar poppekleertjes.’
‘Haal het 's. Het is precies geschikt voor John McHair.’
Het meisje keek haar verbijsterd aan.
‘Ik maak een pakje voor hem, en ik wil deze wanten erbij doen, maar hij heeft nog maar één hand. Dat mutsje kan mooi dienen voor zijn stomp.’
‘Maar er zit een kwastje aan!’
‘Dat knippen we eraf. Maar waarom eigenlijk? Laat het eraan zitten! Hij is niet dood! Ik wil niet met hem gaan zitten treuren; ik wil hem weer hoop geven. We moeten die man daar in het donker op de een of andere manier opmonteren. Wat ik als kind het mooiste van Kerstmis vond, waren de onnozele cadeautjes, de snuisterijen in mijn kous. Laten we een doos vol met dat soort dingen doen - prullaria - hier...’ Ze liep weer naar de ladenkast van haar man. ‘Ondergoed. En hier: een paar bonte zakdoeken om zijn neus in te snuiten. Rookt hij?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Het zal wel niet, in de gevangenis. Zou hij thee mogen? Hier! Ik weet wat...’ Ze liep naar haar toilettafel. ‘Eau de cologne. Het is wel niet voor een man bedoeld, maar ik weet zeker dat hij het heerlijk zal vinden iets lekkers te ruiken. Houd je schort op, we doen alles erin. Wat kunnen we hem nog meer geven? Bedenk jij 's iets.’
Ann Traylor keek haar met een glimlach aan; Margaret kon niet uitmaken wat het meisje van haar dacht en het liet haar koud. Ze moest een huishouden besturen, haar kinderen opvoeden, ook al had George al haar levensvreugde, haar hoop, zelfs haar God meegenomen op zijn vlucht.
***
Bonny Baker lag op de vliering te doezelen toen Ann binnenkwam, erg vroeg deze keer, en hem een dichtgevouwen vel papier gaf. ‘Hier,’ zei ze, kortaf, ‘lees dit 's, hardop.’
‘Wat?’
‘Lees het voor! Luid en duidelijk!’
‘Maar wat ís het?’
Ze zuchtte. ‘Een brief van mevrouw aan John McHair, in de gevangenis. Hij kan niet lezen, jij zult hem de brief moeten voorlezen. Ga je gang! Laat me horen of je het kunt.’
‘Maar ik kan dat hele eind niet lopen!’
‘Je hoeft niet te lopen! Je wordt er met het tweespan naartoe gebracht, en ik ga met je mee om ervoor te zorgen dat je niet op je snoet valt. Lees! Ze staan beneden om je te gillen.’
Hij vouwde de brief open en las: ‘Beminde en liefhebbende broeder in de Waarheid van God. Mijn tederste liefde gaat naar je uit in je wrede ram-ramp -’
‘Rampspoed.’
‘Wat is dat?’
‘Doet er niet toe! Rampspoed. Rampspoed!’
‘... rampspoed. Wat je het meest pijn moet...’
De deur naar de vliering werd opengegooid en een stem brulde: ‘Bonny! Waar voor de donder...’ Het was Will Hartford. ‘Wat doe jij hier?’
‘Heb je het soms tegen mij?’ bitste Ann.
‘Kom mee, jongen! Ik sta op je te wachten!’
‘Hij is pas klaar om te gaan zodra ik me ervan heb overtuigd dat hij zijn opdracht kan uitvoeren!’
‘Tra - la - la!’ bauwde Will haar na. ‘Neem me niet kwalijk, mevrouw! Vergeef me dat ik kom storen, mevrouw! Zorg ervoor dat zijn gulp dichtzit, mevrouw, voor hij...’ Hij dook toen er een boek naar zijn hoofd werd gesmeten.
‘Eruit!’ schreeuwde Ann. ‘Eruit, vuilbek!’
‘Tra - la - la!’ sarde Will, achter de deur. ‘Ik zal de huismeester gaan vertellen dat Zijn Edele Bonifacius Baker nog niet gekleed is, maar...’
‘Doe dat!’ kreet ze. ‘En verzuip jezelf dan!’ De deur bonsde dicht voor ze hem nog een boek naar het hoofd had kunnen smijten.
‘Ann,’ zei Bonny sussend.
‘Bruut! Smerige bruut!’ Ze spuwde op de vloer.
‘Geef me mijn broek 's aan, Ann.’
Ze smeet hem het kledingstuk toe. ‘En laat je niet dwingen om te gaan als je pijn in je been krijgt. Hoor je me?’
‘Ik hoor je.’
Toen hij opstond, deed zijn been pijn. Het zette voorzichtig zijn voet neer en probeerde zijn volle gewicht erop te laten rusten.
‘Nou?’ Plotseling was ze bij hem, haar arm om hem heen.
‘Ik geloof dat het wel gaat ... Even proberen...’
‘Voorzichtig nou, Bonny! Als het pijn doet, zeg het me dan eerlijk. Ik ga liever zelf dan dat ik ze jou op deze manier laat gebruiken. Godsdienst noemen ze dat!’
‘Stil,’ zei hij, ‘laat me het proberen.’ Moeizaam hinkte hij naar de deur. Terwijl hij het smalle trapje afging waakte Ann over hem als een kloekhen; onder aan de trap stond Will Hartford te wachten.
‘Wel, wel, daar is Zijn Edele!’
‘Hou je mond, pummel! Hoe is het, Bonny? Denk je...’
‘Doet er niet toe wat-ie denkt!’ Will Hartford greep hem bij de schouder. Hij kromp ineen. Voor hij wist wat er gebeurde, had Ann de man aangevlogen.
‘Raak hem niet aan!’ krijste ze. ‘Als je die jongen aanraakt, krab ik je ogen uit!’
‘Hee, hee...!’ Will Hartford deinsde achteruit, en liet haar Bonny helpen. Buiten, voor de stallen, stond het tweespan klaar. Ann hielp hem het treetje op en klauterde naast hem naar binnen, toen plotseling Thomas Woodhouse opdook. ‘Wat ben jij van plan?’
‘Ik ga met hem mee,’ zei ze uitdagend.
‘Eruit!’
‘Meneer Woodhouse, ik ben de gouvernante in dit huis, geen dienstmeid. Jij hebt niks over mij te vertellen.’
‘Jawel, dat heb ik wel. Eruit! Ik wil niet dat er ook maar één vrouw uit
dit huis naar de gevangenis gaat, kan me niet schelen wie het is.’
‘Ik neem geen orders van jou aan!’
‘Eruit!’ zei Thomas Woodhouse, streng. ‘Ik heb mevrouw Fell niet laten gaan, ik ben niet van plan me door jou te laten ringeloren. Eruit!’
Ze gehoorzaamde; het noemen van mevrouw had de doorslag gegeven. Op dat ogenblik zag Thomas Woodhouse eruit alsof hij inderdaad mevrouw Fell had bevolen thuis te blijven en dat ze hem gehoorzaamd had.
‘Hartford, ga met de jongen mee en zorg dat hem niets overkomt.’
‘Jawel,’ antwoordde de stalknecht, terwijl hij op de bok klauterde. ‘Ik zal een oogje op hem houden.’
De leren bank was erg zacht. Bonny's dij deed pijn toen hij erin wegzonk. ‘Bonny!’ Ann keek hem door het open portier verontrust aan. ‘Weet je zeker...’
‘Weg jij, meid!’ riep meneer Woodhouse ongeduldig. ‘Er zal die jongen niks overkomen! Vooruit!’ Hij smeet het portier dicht.
Bonny hoorde Will Hartford met zijn tong klakken en daar ging hij. Hij had nog nooit in een van de koetsen gezeten; hij zag de gebouwen rondom de binnenhof voorbijschommelen en werd bevangen door een gevoel van weelde. Maar toen de koets op de weg begon te schokken en te schudden, ging zijn dij weer pijn doen. Hij greep de lus bij het raampje, klampte zich eraan vast en probeerde zijn dij van de zitting te lichten, maar de pijn werd zo hevig dat hij Will Hartford toeriep langzamer te rijden. Will hoorde hem niet; zijn schaduw schoof heen en weer over het raampje in het dak, iedere keer als de koets in een kuil dook en opveerde. Het was een marteling; Bonny hoopte dat het gehobbel minder zou worden als ze eenmaal in de stad waren. Maar de kinderhoofdjes lieten de hele koets schudden, hij jammerde het uit van pijn.
Eindelijk hield de koets stil. Will Hartford opende het portier; Bonny viel er bijna uit. Hij moest zich aan Will Hartford vastklampen, voordat hij moeizaam naar de deur van het gerechtsgebouw kon strompelen. Will Hartford legde de bij de deur op wacht staande mannen van de schout het doel van hun komst uit. Eerst wilden ze hen niet binnenlaten; toen kwam schout McInnes zelf te voorschijn, en Will moest het hele verhaal opnieuw vertellen.
De schout zei: ‘Rechter Sawrey heeft opdracht gegeven dat de gevangene mild moet worden behandeld, dus die jongen mag binnenkomen. Maar jij moet hier blijven wachten, beste man.’
‘Goed hoor,’ zei Will Hartford. ‘Wat denk je, Bonny, kun je alleen lopen?’
‘O ja.’
‘Misschien moet hij op de trap even hulp hebben,’ zei Will Hartford tegen de schout; ‘het gaat hem om zijn linkerbeen. Misschien kan iemand deze doos voor hem dragen.’
‘Mooi, ventje, kom maar binnen.’ De schout stak zijn hand uit. ‘Ik zal je
zelf naar beneden brengen. Geef mij die doos maar.’ Tegen Will Hartford voegde hij eraan toe: ‘Hij is zo weer terug. Bezoekers mogen maar vijf minuten blijven.’ Toen nam hij Bonny bij de arm en leidde hem de duisternis in.
Het eerste dat Bonny opviel terwijl hij, behoedzaam, een stenen trap afdaalde was een stank die hem vaag bekend voorkwam. De stank werd sterker naarmate ze dieper in de onderwereld afdaalden. Het was te donker om te kunnen zien waar hij liep; op een portaal stak de schout een lantaarn aan voordat hij verder ging. ‘Voorzichtig-an, ventje,’ zei hij. ‘Het is vochtig hier beneden, de treden kunnen glad zijn. Heb je pijn?’
‘Gaat wel, mijn heer,’ antwoordde Bonny beleefd, ‘zolang ik maar niet op mijn ene been steun.’
‘Was het je enkel?’
‘Nee, mijn heer, mijn dij.’ De stank werd sterker.
‘Nou effetjes voorzichtig, manneke. Er zit een gat in deze volgende tree. Mooi. Nou naar links ... Alles goed?’
‘Ja, mijn heer - dank u, mijn heer...’ Maar het ging niet goed; Bonny had het gevoel dat hij moest overgeven, zo afschuwelijk was de stank geworden. Hij had dezelfde stank al eens eerder geroken, toen Apple, de oude merrie, in de stal had liggen sterven aan tering. Het kwam hem plotseling weer voor de geest: de zwoegende ademhaling van het paard, vol gereutel en gerochel, de grijns van de gele paardetanden, die afgrijselijke stank, alsof het beest al in haar graf lag te rotten. ‘Het zou beter zijn als mevrouw me het stomme dier maar uit haar lijden wou laten helpen,’ had Will Hartford gezegd terwijl hij stond neer te kijken op de arme oude Apple. ‘Zachtmoedigheid op afstand kan wreed zijn.’
Die woorden klonken in Bonny's herinnering toen de schout een deur opende, en hij een glimp opving van een roerloos, uitgestrekt lichaam in het stro bij het zwakke licht van de lantaarn.
‘Heidaar! John! John McHair! Word wakker, man! Er is bezoek voor je!’
Het lichaam bewoog, maar draaide zich niet naar hen om. Het lag zo begraven in het stro dat Bonny niet kon onderscheiden waar het hoofd was en waar de voeten.
‘Vooruit!’ riep de schout, en hij schopte het lichaam. ‘Draai je 's om! Is dit een manier om een boodschapper van Swarthmoor Hall te verwelkomen?’
Het lichaam kreunde. Toen scheen iets rechtop te gaan zitten in het stro, iets kleins, een gedrocht. Het lantaarnlicht zwaaide dichterbij en Bonny onderdrukte een schreeuw. Het was de stomp van een arm, gezwollen, etterend uit een open wond. De stank was zo overweldigend dat hij er wee en duizelig van werd.
‘Vooruit, kereltje, kiezen op mekaar!’ zei de schout. ‘Laten we de doos maar bij hem neerzetten, dan kan-ie hem openmaken als het hem zint. Hij
is blijkbaar niet van plan ter ere van jou wakker te worden.’
‘Maar - ik moet hem iets voorlezen, mijn heer. Een brief...’
‘Van wie?’
‘Van mevrouw Fell, mijn heer.’
De schout gaf een heftige trap tegen het lichaam en schreeuwde: ‘Overeind, smerige voddezak! Een voorname dame heeft de moeite genomen jou een brief te schrijven, en jij kan nog niet eens de moeite nemen wakker te worden! Vooruit, overeind!’ Weer trapte hij tegen het lichaam; een wolkje kaf dwarrelde op in het lantaarnlicht.
Het lichaam bewoog, rolde om, en Bonny zag dat het hoofd was waar hij gedacht had dat de benen zouden zijn. Het was nauwelijks herkenbaar als een hoofd, zo dik waren stro en bloed in haren en baard vastgekoekt; uit die ruige wirwar zag hij zich plotseling aangestaard door de doodsbange, stervende ogen van de oude Apple. Hij zou zich hebben omgedraaid en het op een lopen gezet, als de schout hem niet bij de arm had gegrepen.
‘Vooruit, manneke. Waar is je brief? Vooruit, ik heb niet de hele dag de tijd!’
‘Jawel, mijn heer, jawel...’ Bonny's hand beefde terwijl hij de brief te voorschijn haalde en openvouwde; zonder naar de starende ogen te kijken, las hij: ‘Beminde en liefhebbende broeder in de Waarheid van God. Mijn tederste liefde gaat naar je uit in je wrede rampspoed...’
Hij las de brief voor zonder fouten. Toen hij klaar was, durfde hij nog steeds niet naar het lichaam in het stro te kijken, en vroeg aan de schout: ‘Was het zo goed, mijn heer?’
De schout stond met een afwezige blik naar hem te kijken, alsof hij niet geluisterd had. ‘Wat zei je? O, ja - ja, uitstekend. Nu, laten we de doos hier staan, of wil je 'm voor hem openmaken?’
Mevrouw Fell zou hem zeker tot in alle bijzonderheden uithoren; hij kon haar straks niet vertellen dat hij te laf was geweest om zijn taak tot een goed einde te brengen. ‘Laten we die doos maar openmaken, mijn heer,’ antwoordde hij, ‘Er zitten briefjes bij de cadeautjes, en ik heb opdracht ze aan hem voor te lezen.’ Het viel hem op dat ze over het lichaam praatten alsof het Apple was, alsof John McHair niets te maken had met die smerige hoop vodden, die ogen.
‘Nou, vooruit.’ De schout hurkte naast de doos en opende het deksel. Het eerste dat hij eruit haalde was een bundeltje ondergoed; hij haalde het briefje eraf dat eraan was vastgespeld en reikte het Bonny toe. ‘Lees maar voor.’
‘Dit is een verschoning ondergoed voor je, beste vriend. Geef Bonny Baker je vuile goed mee zodat we het voor je kunnen wassen. We zullen je iedere week van schoon ondergoed voorzien.’
De schout keek met open mond naar hem op. ‘Ondergoed? Voor een stroper? En iedere week een verschoning?’
‘Dat heeft mevrouw gezegd, mijn heer.’
‘Nou nou...’ De schout legde het bundeltje neer alsof het breekbaar was. ‘Wat verder?’
Het volgende was een prentenboek met bijbelse taferelen dat Bonny eens op het grasveld gevonden had, waar een van de jongedames het had laten liggen. Hij trok het tussen de bladzijden gestoken briefje te voorschijn en las: ‘Dit boek moge je helpen, beste John, door de ledige uren heen te komen en zal je aan het denken zetten over wat anderen hebben doorgemaakt ter wille van hun geloof.’
De schout staarde naar het boek, sloeg het open, bekeek een paar van de gekleurde prenten en legde het toen naast het bundeltje ondergoed in het stro. Het volgende geschenk was een pak kaarsen. Maar voordat Bonny het briefje kon voorlezen, zei de schout: ‘Die mag hij niet hebben. Kaarsen zijn in de gevangenis niet toegestaan.’ Hij gooide het pakje weer in de doos en haalde er een ander uit: een bosje gedroogde hei.
Het briefje dat erbij hoorde luidde: ‘Moge de geur van dit bosje je herinneren aan je geliefde heide en aan de dag waarop je er weer in vrijheid kunt ronddwalen.’
De schout stond op het punt het heidebundeltje bij de rest neer te leggen toen plotseling het stro ritselde en het lichaam zich op één elleboog overeind hees. Een vuile hand strekte zich in het lantaarnschijnsel uit en een stem fluisterde: ‘Geef hier...’
De schout duwde het bosje hei in de hand van de stroper. Bonny zag hoe de hand het boeketje hei naar de neus hief die uit het vunzige haar stak, en hoorde de stroper snuivend inademen.
‘Vooruit, vooruit,’ drong de schout aan, ‘opschieten! Wat is dit?’
Eén voor één las Bonny de briefjes die bij de rest van de geschenken behoorden: een kam, een flesje eau de cologne, een zak snoepgoed, een rol kleurige zakdoeken, en, ten slotte, een want en een rood mutsje. Het briefje luidde: ‘Beminde vriend, het koude weer is op komst en als teken van onze liefhebbende zorgen tref je hierbij een want aan voor je linkerhand en een mofje voor je rechterarm. Moge dit alles je vertellen wat onder Kinderen van het Licht niet onder woorden behoeft te worden gebracht.’
Tot zijn verrassing zag Bonny tranen in de smerige baard rollen; de ogen echter waren niet langer die van een stervende merrie, maar van een ontwakende man.
‘Nou!’ zei de schout, overeind krabbelend, ‘dat was het mooiste pakket dat ooit aan een gevangene gestuurd is. Nog een boodschap voor de dame, McHair?’
De ogen keken van de een naar de ander, toen zei de stem: ‘Duif ... Zeg haar dat ze de duif is...’
‘De duif,’ zei de schout, ‘gek is lastig.’ Hij pakte de lantaarn weer op en nam Bonny bij de arm. Toen ze door de gang liepen, riep de stem van de gevangene hen na: ‘De brief! Geef me de brief!’
‘Maar je kunt hem niet lezen, man!’ riep de schout terug.
‘Mijn brief,’ smeekte de stem, ‘geef me mijn brief!’
‘Geef hier,’ gromde de schout. Hij nam de brief van Bonny aan. ‘En laten we hem die kaarsen ook maar geven, dan kan de sufferd tenminste iets zien.’
Toen hij terugkwam en hem weer bij de arm pakte, mompelde de schout: ‘Vrouwen!’ Alsof met dat ene woord alles verklaard was.
***
Gehurkt in het stro bekeek John McHair bij het licht van de kaars de om hem heen uitgestalde voorwerpen; hij raakte ze voorzichtig aan zoals hij dat gewoon was te doen met de eerste wilgekatjes in de lente. De kam, het flesje eau de cologne, de versnaperingen, de zakdoeken, het ondergoed, het prentenboek, de pot pruimen. Hij nam het bosje hei op, ademde diep de geur van vrijheid en zomer in en wendde zich toen tot het grootste wonder van allemaal, de want en het mutsje. Dat de Vrienden, die liefhebbende Vrienden, hem een want voor zijn hand hadden gestuurd en een sok voor zijn stomp, was het beste bewijs van hun bekommernis om hem, John McHair, beminde vriend John. Wie zei dat het verlies van zijn hand het verlies van zijn leven betekende? Hij pakte de want op, het sokje, en opeens had hij het gevoel alsof zijn leven opnieuw begon. Hij wilde bidden, een dankgebed tot God, maar kon geen woorden bedenken, alleen maar geluiden: de wind in de bomen, het geritsel van de regen, het aanzwellende geruis van het bos dat wakker werd bij het gloren van een nieuwe dag.
***
Margaret Fell zat in haar slaapkamer te lezen toen Bonny Baker verslag kwam uitbrengen over zijn bezoek aan John McHair. Hij beschreef hoe hij de man had aangetroffen, de indruk die haar geschenken op hem hadden gemaakt; hij gaf haar de boodschap die hij had meegekregen: ‘De duif. Zeg haar dat ze de duif is.’ Het was roerend. Bonny ging weg, en ze staarde naar de regen, de bijbel op haar schoot.
In haar eenzaamheid had ze daar weer naar teruggegrepen; lezend over Christus, hoe hij gesproken en gehandeld had, werd ze getroffen door een overeenkomst met George zelf. In plaats van als een etherische Heiland vol liefde en medelijden zag ze Jezus ineens als een door de heuvels van Galilea zwervende George, een oproerkraaier, die de woede van de priesters wekte door te zeggen dat hij de zoon van God was. Aan de ene kant zag ze Hem duidelijker; anderzijds ontdekte ze plotseling trekken die Hem een onthutsende menselijkheid verleenden. Zijn vernietiging, met vuur uit de hemel, van dat onschuldige vijgeboompje, bijvoorbeeld, alleen maar omdat het op het moment toen Hij erlangs kwam geen vrucht droeg - precies wat George zou hebben gedaan. En die arme boer, de eigenaar van
die kudde Gardareense zwijnen! Ze zag hem de avond tevoren in zijn handen wrijven, terwijl hij tegen zijn vrouw zei: ‘Nou, nog een paar weken en ze zijn klaar voor de markt! Ik heb ze nog nooit zo vet gezien als nu! We maken er vast een goeie prijs voor!’ Hoe verbijsterd moesten die arme mensen de volgende dag zijn geweest toen ze hoorden dat een Heilige de dorpsidioot genezen had door de boze geest in hun kudde zwijnen te jagen, die zich vervolgens in het ravijn hadden gestort. De boer had ten slotte voor het wonder betaald; had hij niet vooraf geraadpleegd moeten worden? Of daarna bedankt door de Heilige, die 's mans hoop de bodem had ingeslagen door deze openbaring van Zijn goddelijke krachten? Precies wat George zou hebben gedaan! Dat had hij al die tijd gedaan: wonderen verricht, bekeringen, mensen in vervoering gebracht, en nu lag daar John McHair bloedend in het stro, voor zijn leven verminkt, en waar was onze heilige? Op weg naar Londen, naar Oliver Cromwell.
En de andere wonderen die Jezus had verricht? Hoe stond het, bijvoorbeeld, met de duizenden zieken die hinkend, kruipend en wankelend naar Jeruzalem waren gekomen om de zoom van Zij