terug  begin  verder
[p. 172]

Zeven

Henrietta wist niet wat haar ertoe bewoog opnieuw bij Margaret Fell op bezoek te gaan, maar zodra die gedachte haar inviel besloot ze ernaar te handelen. Ze stond er niet bij stil dat er ruim een maand verstreken was sinds het vertrek van Fox; het enige waar ze aan dacht was hoe zij zelf zich zou voelen indien de man van wie ze hield voorgoed was weggegaan. Ze twijfelde er niet aan dat Margaret Fell nu besefte dat zij verliefd op hem was geworden; een vrouw kon zich aangaande haar gevoelens jegens een man slechts iets wijsmaken zolang hij in de buurt was. Zodra hij weg was liet ze alle schijn varen, en geen wonder, want op dat moment brak haar hart en begon het verschrikkelijke verdriet: de hopeloze hunkering naar zijn aanwezigheid, tot zij ten slotte aan niets anders meer denken kon. Het was de wreedste tortuur waaraan vrouwen blootstonden en het deed er niet toe hoe oud ze waren, hoe intelligent, hoe bedreven in de beheersing van hun gevoelens. En er was voor deze kwelling geen troost, geen geneesmiddel; de tijd was de enige remedie.

In de koets, op weg naar Swarthmoor Hall, wist Henrietta dat ze nu sterk genoeg was in haar eigen huiselijke geluk om Margaret te kunnen helpen. De arme vrouw zou dolblij zijn als ze tegen iemands schouder kon uithuilen, als ze een kans kreeg om zich eindelijk te laten gaan.

Het verraste haar toen ze ontdekte dat het Huis Swarthmoor een bijenkorf van arbeidzaamheid was en de vrouw des huizes, in plaats van gebukt te gaan onder ellende, bezig met voorbereidingen voor wat een voortijdig sinterklaasfeest leek. Lange tafels in de vestibule lagen vol snuisterijen die stuk voor stuk werden ingepakt; iedere bediende, zo leek het, deed met de familie mee aan de koortsachtige bedrijvigheid. Iedereen was bezig surprises te sorteren, lijsten te raadplegen, pakjes te maken; de lucht was zoet van de geur van zegelwas; in plaats van mistroostigheid heerste er een stemming van vreugde en geestdrift in het huis.

Toen Margaret Fell Henrietta in het oog kreeg, staakte ze haar bezigheid en kwam naar haar toe om haar te verwelkomen, uitbundig. Dit was niet wat Henrietta voor ogen had gestaan; voordat ze wist wat er gebeurde zat ze samen met de anderen pakjes te maken. Iemand vertelde haar dat dit alles voor gevangenen bestemd was; de eerste surprise die ze inpakte leek echter een vreemde keus voor iemand in de gevangenis: een kleine koperen caleidoscoop, zwaar gehavend, waar een hele reeks kinderen mee moest hebben gespeeld voor het ding was afgedankt. Onwillekeurig keek ze er

[p. 173]

verstolen doorheen om te zien of er misschien een boodschap in zat; maar ze zag alleen maar gekleurde sterretjes en figuurtjes, op z'n best fascinerend voor iemand onder de vijf. Ze liet het speelgoed verlegen zakken toen ze Margaret Fells stem naast zich hoorde. ‘Ach, ja, de caleidoscoop! Even zien...’ Ze raadpleegde een lijst. ‘Die gaat naar Herbert Meiklejohn, in de gevangenis in York. Waar is het briefje dat erbij moet?’ Ze zocht in een bundeltje papieren dat ze in haar hand had; er straalden een zachtheid en een vreugde van haar uit die, mét deze koortsachtige bedrijvigheid, een vage herinnering aan vervlogen tijden bij Henrietta opriepen.

‘Hier heb ik het! Wilt u zo vriendelijk zijn dit bij het cadeautje in te pakken? Het zou misschien het beste zijn het briefje om de caleidoscoop te wikkelen, dacht u niet?’

‘Goed idee,’ zei Henrietta, zonder overtuiging.

Margaret lachte. ‘Het spijt me dat ik u zo maar aan het werk zet! U zult zich wel afvragen wat dit allemaal te betekenen heeft!’

‘Ik begrijp dat u van plan bent een paar leden van uw kerkgemeenschap te verrassen die in de gevangenis zitten. Ik wist niet dat daar ook kinderen bij waren.’

‘Kinderen?’

‘Deze caleidoscoop, is die niet voor een kind bestemd?’

‘Herbert Meiklejohn? Goeie hemel nee, hij is professor in de astronomie in Oxford! Daarom heb ik het juist voor hem uitgekozen!’ Margaret streek een haarlok van haar voorhoofd weg; plotseling zag ze er vermoeid uit. Onder de blos op haar wangen leek haar huid wasbleek.

‘Doet u niet te veel?’ vroeg Henrietta impulsief. ‘U ziet er doodmoe uit.’

‘O, nee, nee!’ Ze lachte. ‘Ik voel me een beetje onpasselijk, dat is alles. Zullen we even in mijn kamer gaan zitten? Ik heb u nog niet gevraagd waaraan ik het genoegen van uw bezoek te danken heb. U moet me wel echt onhoffelijk vinden.’

‘Helemaal niet. Zullen we maar meteen gaan?’

‘Een ogenblikje.’ Ze legde haar hand op Henrietta's arm. ‘Ik ben zo terug, ik moet nog even...’ Ze snelde weg naar een van haar dochters die moeizaam bezig was een streng saucijsjes in een sok te proppen.

Henrietta kon de verleiding niet weerstaan een steelse blik te werpen op het briefje aan de professor in de astronomie. ‘Beste vriend Herbert. We dachten dat dit stukje speelgoed je misschien de gelegenheid zou kunnen geven je medegevangenen, of zelfs je bewaker, enkele principes van je wetenschappelijk werk uit te leggen, voor zover het de lichtbreking en de kleuren van het spectrum betreft. Wellicht is dit een geschikte manier voor je om een gesprek te beginnen over het Innerlijk Licht, en over de vreugde van het goddelijke in elkaar te ontdekken. Laat ons weten, beste vriend, of je bijzondere wensen en verlangens mocht hebben; we zullen er, als we maar enigszins kunnen, aan tegemoet komen. Wees verzekerd, beste John, van onze liefdevolle gedachten en voortdurende gebeden voor jou die onze

[p. 174]

last met zoveel moed en kracht torst. Je vriendin, Margaret Fell, klerk, Vergadering voor hulp aan gevangenen.’ Het briefje was zo kennelijk oprecht dat Henrietta, het velletje papier achter haar reticule verbergend, ‘John’ in ‘Herbert’ veranderde.

Ze was klaar met het inpakken van het geschenk toen Margaret Fell haar wenkte bij een deur achter in de hal. Hij bleek toegang te geven tot een kleine, wanordelijke zitkamer; een schrijfbureau bij het raam was bezaaid met papieren, theegerei en snuisterijen. Het herfstlicht, dat door de ramen naar binnen stroomde, was winters helder; het maakte dat de vrouw er nog afgematter uitzag. Geen wonder: het leek een herculische taak.

‘Aan hoeveel gevangenen stuurt u pakjes, mevrouw Fell?’

‘Zestig, zo ongeveer, maar we hebben de lijst van de Midlands nog niet ontvangen, en van Wales ook niet. Hebt u trek in een kopje thee? Ik zal wat verse...’

‘Nee, dank u. Bent u van plan al uw geloofsgenoten in de gevangenis geschenken te sturen?’

‘Ja. Het is de bedoeling hun iedere maand een pakje te sturen, en ik ben voornemens ze iedere week een brief te schrijven.’

‘Zestig brieven per week, en dan nog al die pakjes?’

Margaret Fell lachte, maar het klonk niet overtuigend, dit keer. Henrietta voelde een grote sympathie voor haar, want ze bespeurde onder alles het hartverscheurende verdriet en de eenzaamheid die ze verwacht had. De jongeman was in de twintig geweest, Margaret moest achter in de dertig zijn; een klassieke situatie. De dapperheid waarmee ze probeerde daar met werk tegen te vechten was ontroerend.

‘Waarom, lieve?’ vroeg ze.

‘Pardon?’

‘Waarom doet u dit allemaal?’

De ander wierp haar een snelle blik toe. ‘Ik ontdekte toevallig hoeveel het voor een gevangene betekent als iemand in de buitenwereld zich van zijn bestaan bewust is. U zult het misschien niet geloven, maar u was het die me tot dit besluit bracht. Die avond, toen we al die gewonde mensen hier hadden, zei u iets dat me is bijgebleven.’

Henrietta verstarde. Het was haar gelukt die affaire van zich af te zetten, ze wilde er niet aan herinnerd worden.

Margaret Fell moest iets hebben gemerkt, want ze voegde er haastig aan toe: ‘Vergeef me dat ik erover begon - maar u zei tegen me: “Hij verricht wonderen, maar wat voor zin hebben ze?” Ik was toen geschokt; ik heb sindsdien ontdekt dat u gelijk had. Zijn hele werk zou zinloos zijn tenzij iemand anders de mensen, die hij bekeert, een besef van saamhorigheid geeft, van bestendigheid. Ik probeer de gevangenen te overtuigen dat hij meende wat hij zei toen hij het had over - over zijn liefde voor hen.’ Ze liep naar het raam, en keek naar buiten; ofschoon ze met de rug naar Henrietta toe stond kon ze de tranen in haar stem niet verheimelijken. ‘Dat

[p. 175]

is het wat ze boven alles nodig hebben: liefde. Die arme, arme mensen, wegzinkend in eenzaamheid, twijfel, wanhoop...’ Ze wendde zich om. ‘Ik ben vastbesloten dat niet te laten gebeuren. En ik kán het doen, omdat ik een vrouw ben.’

Iets in de ogen van Margaret verwonderde Henrietta, de glans op haar haren, iets ontastbaars in haar afgematte broosheid. Wacht eens! Stralende tederheid, koortsachtige bedrijvigheid, misselijkheid, die doorzichtige teint ... ‘Zou u het niet wat kalmer aan doen?’ vroeg ze vriendelijk. ‘Voor iemand die zwanger is doet u veel te veel.’

De ander staarde haar aan met een uitdrukking van verbazing; toen zuchtte ze: ‘O, néé...!’

‘Het kan verbeelding van me zijn.’ Zou Fox de vader zijn? Nee. Niet met die grimmige onschuld. De zwangerschap moest het resultaat zijn van de oplaaiing van echtelijke hartstocht die altijd met het begin van een buitenechtelijke verliefdheid gepaard ging. Vreemd, hoe de intiemste ervaringen van een vrouw gemeengoed waren.

Margaret Fell liet zich in de stoel bij haar bureau vallen. ‘Natuurlijk!’ zei ze, vermoeid. ‘Natuurlijk, dat is het! Hoe kon ik zo dom zijn? Je zou zo denken dat ik het zo langzamerhand wel moest weten...’ Ze keek met wanhoop naar de papieren op haar bureau, de snuisterijen die op een bestemming wachtten. ‘Nu, dan moet ik dit werk maar anders gaan aanpakken.’

Henrietta zei kalm: ‘U gaat helemaal niets aanpakken. Kijk, u hebt alleen maar wat hulp nodig, een paar vrouwen zoals ik, die tijd over hebben en bereid zijn u uit de nood te helpen door die brieven voor u te schrijven...’

‘Brieven? Nee, die moet ik zelf schrijven.’

‘U kunt ze ondertekenen, maar ik geloof niet dat u proberen moet om zestig brieven per week te schrijven. U loopt kans in de war te raken.’

‘Wat bedoelt u?’

‘Dat briefje bij die caleidoscoop. Ik weet zeker dat professor Meiklejohn heel blij met die brief zal zijn, maar aan het begin noemt u hem Herbert en aan het eind, John.’

Alsof dit de druppel was die de emmer deed overlopen, keek de arme Margaret haar met wanhoop aan. ‘Die zal ik dan opnieuw moeten schrijven.’

‘Dat hoeft niet, ik heb hem al voor u gecorrigeerd. Misschien kan ik beter die hele brief overschrijven. Maar wat u nodig hebt,’ zei ze, terwijl ze opstond, ‘is bedrust, en wat voedzame bouillon. Ik zal even met uw kokkin gaan praten.’

Margaret kwam moeizaam overeind; Henrietta legde een arm om haar schouders. ‘Hoor eens,’ zei ze, ‘een kind onder uw hart, zeven onder uw dak, zestig in de gevangenis ... Voyons, soyez raisonnable!

Een ogenblik leek het alsof Margaret dwaas genoeg zou zijn om alle

[p. 176]

ellende van de wereld alléén te blijven torsen; toen zwichtte ze voor die beschuttende arm.

 

Henrietta Best stopte de vrouw des huizes in bed en gaf opdracht dat er over een uur een lichte maaltijd naar boven moest worden gebracht, daarna ging ze de chaos te lijf. Ze recruteerde een meisje dat Ann bleek te heten om haar met de correspondentie te helpen en zette zich aan het schrijven van haar eerste brief. Tot haar spijt viel die, ondanks haar ernstige bedoelingen, luchthartig uit. Enfin, concludeerde ze met nuchtere berusting, die brief mag dan misschien weinig met Het Genootschap der Vrienden, of hoe het dit keer dan ook heet, van doen hebben, maar misschien kan ik ze in die gevangenissen een beetje laten lachen.

Achtentwintig jaar geleden, toen ze zelf een jonge bekeerlinge was, zou die gedachte haar hebben geschokt; sindsdien had ze uit bittere ervaring geleerd dat religieuze extase niet aangetast kon worden door pijn of gevangenisstraf. Ze zou het nu eens met humor proberen, en wel met een gevoel van roeping. Want iedereen die zich aan religieuze extase overgaf terwijl hij nog de kans had zich ervan los te maken was comme la lune.

‘Beste en beminde vriend Edward Harrow, deze bouffante is voor u.’ Ze mompelde: ‘Merde! “Jou”!’ verfrommelde het velletje tot een prop en begon opnieuw.

‘Beste en beminde vriend Edward Harrow...’

Een hinkend jongetje bracht aangestoken kaarsen binnen; ze herinnerde zich dat hij het was, die tijdens dat noodweer het bericht was komen brengen dat twee mannen op het punt stonden in het drijfzand te verdrinken. Dit deed haar denken aan haar nietsvermoedende echtgenoot. Het nieuws van haar jongste activiteit zou een schok voor hem betekenen; het was misschien geen slecht idee om het hem door dit kind te laten brengen.

Ze gaf de jongen opdracht naar haar huis te gaan met een briefje voor kolonel Best; het meisje Ann kwam tussenbeide. ‘Dat kan hij niet, mevrouw; hij heeft een zeer been.’

‘Wees maar niet bezorgd, chère,’ antwoordde ze met gezag. ‘Hij wordt in mijn koets heen- en teruggebracht. Die staat buiten.’

Ze voelde zich volkomen meesteres van de situatie, maar toch was er ergens, diep in haar, een koud gevoel van angst.

 

***

 

Tot de jongen van Swarthmoor Hall het briefje van zijn vrouw bracht, had kolonel Best aangenomen dat ze opgehouden was. Maar de paar vluchtige regeltjes waren genoeg om hem ongerust te maken.

Toen ze, die avond laat, eindelijk thuiskwam, lukte het haar hem ervan te overtuigen dat er niets aan de hand was. Zoals ze het hem vertelde,

[p. 177]

vrolijk en opgewonden, had ze ten langen leste iets gevonden dat haar gedurende haar vrije uren afleiding gaf. Brieven en pakjes naar alle Quakers in gevangenschap te sturen klonk idioot, maar dit zou inderdaad een manier kunnen zijn om andere dingen uit haar hoofd te zetten. Die nacht echter werd hij wakker doordat ze hardop droomde, kennelijk geen prettige droom, en hij hoorde haar mompelen in het Frans.

Zijn aanvankelijke vermoedens kwamen er weer door tot leven. Nadat hij haar zachtjes had wakker geschud en ze weer in slaap gevallen was met haar hoofd op zijn schouder, bleef hij liggen tobben, starend naar de zoldering. Zijn eerste gevoel van ongerustheid was juist geweest. Door opnieuw betrokken te raken bij een revolutionaire religieuze sekte, bij mensen die gemolesteerd werden en in de gevangenis gesmeten, was ze bezweken voor het verleden. Het was alsof ze zo bang voor een afgrond was geweest dat ze zich er uit louter wanhoop ingestort had. Ze was wel de laatste om brieven aan gevangen godsdienstige fanatici te schrijven. Zou hij met haar naar het buitenland reizen? Bij Margaret Fell op bezoek gaan en haar uitleggen waarom zijn vrouw dit niet mocht doen? Of zouden ze de tuin veranderen, zoals ze laatst bepraat hadden? Wat dan ook, om haar iets anders te doen te geven. Maar hij wist dat het niets zou uithalen. Ze was achterhaald door haar alter ego, Henriette de Vaury, die toen men haar kinderen voor haar ogen de schedel verbrijzelde, in tijdelijke krankzinnigheid was weggezonken, om weer aan het oppervlak te komen als een zwervende cocotte, La Douce Tété. Hij bleef zoeken naar een middel om haar tegen de demonen van haar verleden te beschermen, nu zijn eigen liefde had gefaald.

De volgende ochtend, aan het ontbijt, vroeg ze terloops: ‘O ja - weet je nog dat je me een maand geleden vroeg wat Thomas Fell zou moeten doen om zijn vrouw bij zinnen te brengen?’

‘Zeker. Haar zwanger maken.’

‘Nu, dat heeft hij gedaan. Daarom heeft ze mijn hulp nodig.’

Hij mompelde iets onbenulligs, maar hij had het antwoord op zijn gebed gekregen.

 

Die ochtend, onder het voorwendsel dat hij naar een paard moest gaan kijken waar Simon Rutledge hem over gesproken had, reed hij zonder zijn knecht naar Kendal. Daar was een weeshuis waarvan hij regent was; het was vol vondelingen, wachtend op kinderloze echtparen die hen zouden komen halen om ze als hun eigen kind groot te brengen. Een kind! Het was haar enige hoop. Op hun leeftijd kon dit alleen maar worden verwezenlijkt door haar een vondeling te geven om te bemoederen.

Hij ging vastberaden op weg; maar terwijl hij langs het kronkelpad de heide overstak won het sombere landschap het van zijn zelfvertrouwen. Zou ze een vreemd kind wel accepteren? Hoe levendig was haar herinnering aan haar eigen kinderen? Het geneesmiddel zou weleens erger dan de

[p. 178]

kwaal kunnen zijn ... Hoe meer hij erover nadacht, hoe meer hij ervan overtuigd raakte dat ze het kind zou weigeren. Maar als het nu eens voor haar deur gevonden werd? Dan zou het een geschenk van God lijken...

Het zelfvertrouwen waarmee hij op weg was gegaan kwam echter niet terug. Eenzaam onder de stormachtige hemel begon hij te piekeren over het kind zelf. Hij was per slot van rekening niet op weg om een schoothondje voor haar te gaan uitzoeken. Een kind was een menselijk wezen - tenminste, dat zou het binnen niet al te lange tijd worden. Hoe kon hij er zeker van zijn dat hij geen geboren bandiet of een toekomstige snol in huis haalde? Ondanks het feit dat hij een van de regenten van het weeshuis was, wist hij niets van de daar verzorgde kinderen af. Waar kwamen ze vandaan? Het merendeel, zo niet allen, waren vondelingen. In sommige gevallen kon de afkomst van een kind worden vastgesteld op grond van de kleertjes die het aan had toen het gevonden werd of aan een aan de luier vastgespeld briefje; soms was de moeder een vrouw van goede familie die gedwongen was een kind van de liefde af te staan; ook Mozes was een vondeling geweest. Maar zelfs als het een kind van goede komaf zou zijn, hij was zesenvijftig, Henrietta tweeënvijftig; het was te verwachten dat hij er over een jaar of tien, vijftien, niet meer zou zijn, en hoewel zijn vrouw misschien nog wat langer zou leven, het kind zou op jonge leeftijd zijn ouders verliezen. Hij zou het natuurlijk goed verzorgd achterlaten, maar was dat wel genoeg? Hoe nobel zijn motieven ook mochten zijn, hij kon zich niet ontdoen van het onbehaaglijke besef dat hij op het punt stond een zonde jegens een ander menselijk wezen te begaan. Ondanks zijn hartgrondige afkeer van de man leek het wel of Fox hem met zijn hoogdravende opvattingen aangestoken had. Eén frase in het bijzonder, die hij destijds alleen maar had aangehoord als een aforisme, kwam hem in gedachten: ‘Gebruik een mens nooit als middel, alleen maar als doel.’ Hier was een duidelijk voorbeeld van een mens die als middel werd gebruikt; hij was niet op weg naar Kendal om een kind te redden, maar zijn vrouw.

Dit werd al te gek; ook al ging het hem niet in de eerste plaats om het kind, het wicht, wie het ook was, zou zich gelukkig mogen prijzen. Het verschil te worden grootgebracht als bestedeling van de kerk of als de enige zoon van kolonel William Best was voldoende om de daad te rechtvaardigen, zelfs al zou het kind naar alle waarschijnlijkheid nogmaals wees worden voor het volwassen werd. Maar hijzelf? Stond hij op het punt zijn leven in het honderd te jagen, de paar jaren die hem nog waren gegund? Op zijn leeftijd had hij recht op rust, een geordend bestaan, zonder de herrie, de rommel en de drukte die kleine kinderen met zich meebrachten. Was het geen pure dwaasheid om zo maar, uit eigen vrije wil, een koekoeksjong in zijn nest te halen?

Hij reed het bos van Kendal in. De wind floot in de zwiepende bomen, het geluid riep visioenen op van kinderziekten, kinkhoest, braaksel op het tapijt, snot op zijn stoel, flaporen, buikpijn, paardetanden, gekrijs midden

[p. 179]

in de nacht, door de kamer gesmeten pap, oorverscheurend geblaas op een fluitje. Het was waanzin om zich dat alles vrijwillig op de hals te halen, de rust en het behagen van zijn oude dag in een vagevuur te veranderen, waarbij de dood zijn enige hoop op bevrijding zou betekenen. Zijn angst groeide uit tot paniek, maar toen hij zijn paard inhield om de teugel te wenden en weer naar huis te gaan, kon hij het niet volbrengen. Hij had geen keus. Tenzij hij deze laatste, uiterste poging deed om het lot dat haar wachtte af te wenden, zou Henrietta voortgaan op haar weg naar Golgotha, om zich zelf te kruisigen als zoenoffer voor zonden, die niet de hare waren, maar die van kardinaal Richelieu, van de Hugenoten, van het noodlot. Als er ooit een onschuldige vrouw was geweest, slachtoffer van het noodlot, was het wel La Douce Tété. Hij had geen keus; hij moest het doen, hij moest - God zij zijn bejaarde ziel genadig.

Hij kwam tegen het middaguur bij het weeshuis aan; de beheerster ontving hem in haar schrijfvertrekje, met in de verte het kabaal van kletterende pannen, rammelende borden en rinkelende lepels uit een naburige zaal, waar de kinderen aan het middageten moesten zitten. Ze was een ingetogen oude vrijster van onbepaalde leeftijd die sprak met een gedempte, eerbiedige stem alsof God in een aangrenzende kamer zat te luisteren. Zij reageerde op de mededeling dat hij bereid was een van haar ongelukkige kinderen de zegeningen te schenken van zijn naam, rang en rijkdom met onbegrijpelijke aarzeling; toen herinnerde hij zich dat hij, een jaar geleden, in de Raad van Regenten tegen haar gestemd had als nieuwe beheerster. Ze had hem schijnheilig en zo koud als een vis toegeleken; op de een of andere manier moest zijn verzet haar ter ore zijn gekomen. Hij zei scherp: ‘Mevrouw, mag ik u eraan herinneren dat het doel van deze instelling is kinderen in gezinnen onder te brengen? Niet om ze armlastig te houden?’

De beheerster glimlachte, poeslief. ‘Het spijt me, kolonel,’ zei ze langzaam en duidelijk, opdat God in het aangrenzende kamertje ieder woord zou horen, ‘ik heb niet alleen een verantwoordelijkheid tegenover de regenten, maar ook jegens de kinderen, en, in de persoon van kinderen, tegenover Onze Lieve Heer. Mag ik u herinneren aan de woorden van Jezus Christus, Mattheus Vijfentwintig: “In zoverre gij dit aan een van deze Mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan”?

‘Als ik het goed begrijp,’ antwoordde hij op zijn ijzigste rechterstoon, ‘zou het, volgens u, Gode onwelgevallig zijn wanneer een van die minste onder voogdijschap van mij en mijn vrouw werd geplaatst. Waarom denkt u dat wij een kind willen hebben, mevrouw? Als bediende? Om het brandewijn te voeren teneinde het klein te houden, zodat het hors d'oeuvres kan opdienen tijdens onze orgieën zonder in het bed te kunnen kijken?’ Het was een beeld dat, zo besefte hij te laat, meer kwaad dan goed zou doen; ze moest zich afvragen in welke periode van zijn verleden hij deze kennis had opgedaan. Raad of geen Raad, hij zou ervoor zorgen dat ze vervangen werd door iemand met realistischer opvattingen over de kansen die haar vonde-

[p. 180]

lingen geboden werden.

‘Kolonel,’ antwoordde ze, met de minzame superioriteit die zijn uitbarsting haar op een schaaltje had aangeboden, ‘ik ben ervan overtuigd dat ieder kind dat u en mevrouw Best zouden uitkiezen dankbaar voor de eer zou moeten zijn. Het lijkt me echter niet verstandig voor u om een kind van prille leeftijd te adopteren. Ik heb een paar oudere jongens die eerder in aanmerking komen. Een knap kereltje, tien jaar oud...’

‘Ik wil geen knap kereltje van tien jaar oud!’ riep hij nijdig uit. ‘Ik wil een kind van een paar weken, op zijn hoogst een maand, en daarmee basta! Ik eis een duidelijk antwoord, mevrouw, op een duidelijke vraag: bent u bereid me te helpen bij het uitkiezen van zo'n kind, of wilt u dat ik de Raad van Regenten voorstel u te ontslaan?’

Haar handen, in gebed op haar schrijftafel gevouwen, werden wit aan de knokkels. ‘Als u het zo stelt,’ antwoordde ze, langzaam en duidelijk ter wille van God, ‘laat u me geen keus.’

Hij stond op. ‘Nu dan; zullen we naar de kinderen gaan kijken?’

Ze staarde hem met onverhulde haat aan; hij hoopte dat ze nooit contact met John Sawrey zou krijgen. In de handen van een geslepen intrigant als hij zou haar versie van dit voorval een gevaarlijk wapen kunnen zijn.

Ze stond stijfjes op en ging hem voor het schrijfkamertje uit, de gang in. Ze liepen door een zaal waar een twintigtal dreumesen pap uit houten kommen zat te slurpen, of ingelepeld kreeg door welgedane vrouwen die eerbiedig opstonden toen hij langskwam. Een paar kinderen hielden op in hun papfestijn om hem met open mond aan te gapen; hij dacht met wrange humor hoeveel meer de beheerster bereikt zou hebben als ze hem meteen naar deze zaal had gebracht om hem met zijn toekomst te confronteren.

Ze beklommen een trap, staken een portaal over en gingen een zaal in vol wiegjes, elk ervan gevuld met een jammerend mensje. De gezichtjes van de wurmen waren rood van razernij; ze trappelden en zwaaiden met gebalde vuistjes; hij was bereid toe te geven dat zijn adoptieplan gelijk stond aan zelfmoord. Eén maand met zo'n schreeuwlelijk in zijn huis, die om het uur alles in rep en roer bracht en stonk als een mestkar, en hij zou in staat zijn zich een kogel door het hoofd te jagen. Maar na de manier waarop hij in het kantoortje zijn gezag had laten gelden kon hij niet anders doen dan er willekeurig eentje uitkiezen, stevig in laten pakken zodat het op weg naar Ulverston niet uit zijn armen kon springen en de nek breken, en het morgen terugsturen met een briefje dat deze vondeling niet voldeed en dat hij wel ergens anders een kind zou zoeken. Hij vergat dat hij het beste exemplaar uit het nest had willen kiezen en vroeg: ‘Welke zou u me aanbevelen?’

De beheerster wendde zich tot een zwaarlijvig mens dat, op een driepoot gehurkt, bezig was met runderachtige achteloosheid twee van de monstertjes aan haar logge, zwaar beaderde borsten te zogen. ‘De kolonel zoekt een

[p. 181]

kind,’ zei de beheerster, luidkeels om zich verstaanbaar te maken boven het kabaal.

De vrouw keek naar hem met gapende nieuwsgierigheid. De twee biggen aan haar borsten gromden en smakten met hartstochtelijke vraatzucht. ‘Jongen of meisje?’ vroeg ze.

‘Kolonel?’ Als Lazarus met een dergelijke zelfvoldaanheid had geglimlacht, zou iemand onder de toeschouwers hem weer zijn graf hebben ingeslagen.

‘Dat doet er niet toe,’ zei hij nors; bij nader inzien voegde hij eraan toe: ‘Misschien beter een jongetje.’

‘Kleine Billy, daarginds in de hoek?’ opperde de voedster. ‘Hij is net verschoond, en het is een pront kereltje. Maar hij heeft wel veel liefde nodig. Ik kan hem niet genoeg geven, niet met al die anderen erbij die zich schor schreeuwen.’

‘Wat zei je dat hij nodig heeft?’ vroeg de beheerster, vals.

‘Liefde, mevrouw. Geknuffel, gekus, gekietel, lieve woordjes; iemand zou hem vijftigmaal per dag moeten vertellen hoe mooi hij is, en hoe sterk, en hem dan weer van voren af aan knuffelen en zoenen en kietelen...’

De beheerster draaide zich zoetsappig naar hem om. ‘Nu, kolonel, is dat niet iets voor u?’

‘Het doet me genoegen dat u - eh - meewerkt,’ zei hij, in een vergeefse poging om een nederlaag in een overwinning te veranderen. ‘Laat me dat - eh - kereltje eens bekijken.’

De voedster kneep de neusjes van de twee zuigelingen dicht tot ze loslieten en naar lucht hapten; het klonk alsof er twee flessen werden ontkurkt. Beroofd van hun maaltijd barstten zij los in een protest dat uit ijzeren longen kwam; onwillekeurig deinsde Best achteruit, de beheerster sloeg al zijn bewegingen met haviksogen gade. De dikke vrouw legde de twee krijsende, spartelende zuigelingen in hun bedjes; toen waggelde ze naar de verste hoek en wenkte hem. Hij ging naar haar toe en keek neer op een nors gezichtje met grote, donkere ogen die somber naar hem staarden. Het lichaampje dat zich onder de deken aftekende leek nietig; het hele kind leek nietig met uitzondering van een grote pruik gitzwart haar die in een punt uitliep, als bij een specht.

‘Moet u dat lekkere diertje 's kijken,’ zei de dikke vrouw. Ze sloeg het dekentje op en onthulde een opgeblazen buikje en twee kromme beentjes, dun als lucifershoutjes. ‘Hij is de enige die niet met de anderen meekrijst. Hij is een verstandig kereltje, onze kleine Billy. Kom 's hier, Billy, kom dan, tatatatata!’ Ze nam het wezentje op; te oordelen naar de krampachtige beweging van zijn armpjes, schrok hij er behoorlijk van. Ze hield hem rechtop tegen haar schouder, terwijl ze steels zijn luier zo schikte dat zijn wormdunne dijtjes eronder schuilgingen. Ze streek de dwaze haarpunt omhoog en kietelde hem onder de kin. ‘Vooruit, Billy, manneke - toe nou, lach 's tegen ons?’ Billy was echter niet in de stemming om te lachen; hij

[p. 182]

keek somber naar de onbekende man. Maar hij was tenminste stil; als hij gedurende de vier uren naar Ulverston gegarandeerd stil zou blijven, zou hij de beste keuze zijn.

De beheerster vroeg, honingzoet: ‘Misschien zou de kolonel hem even willen vasthouden?’

De voedster legde prompt het kind in zijn armen. Hij was ontsteld door het geringe gewicht en door de zure melkgeur; het had een hondje kunnen zijn of een speenvarkentje, als die ogen er niet waren geweest.

‘Kan dit jongetje uw tevredenheid wegdragen?’ vroeg de beheerster.

Hij besteedde te veel aandacht aan zijn eigen houding om zich het beslissende karakter van zijn woorden te realiseren toen hij antwoordde: ‘Zeker, hij bevalt me uitstekend,’ waarna hij het kind weer aan de voedster teruggaf.

De directrice ging hem voor naar haar vertrekje, waar hij de verklaring tekende dat de zuigeling Billy Monday, van onbekende ouders, gevonden op de stoep van het weeshuis te Kendal in de ochtend van de veertiende september anno Domini zestienhonderd tweeënvijftig, naar schatting drie dagen oud, met ingang van heden aan zijn zorgen was toevertrouwd. Intussen werd het kind door de voedster tot een vervoerbaar bundeltje ingebakerd, waarna ze hem een speen gaf om in de mond van het kind te stoppen zodra het begon te schreeuwen. De voedster reikte hem het kind aan, nadat hij zich in het zadel had gehesen. Hij legde het bundeltje onhandig in de kromming van zijn linkerarm; hij zou deze houding niet langer dan enkele minuten kunnen volhouden, maar hij wilde zo gauw mogelijk weg van de beheerster en het groepje straatjongens dat zich om hen heen verzameld had, genietend van het fascinerende schouwspel van een oude man in deftige kleren te paard met een vondeling in zijn arm. Zijn zenuwachtigheid moest op zijn paard zijn overgeslagen, want zodra hij de merrie de sporen gaf begon ze te steigeren, haar hoeven sloegen vonken uit de keien. Hij klemde de baby zo stevig hij kon in zijn arm om te voorkomen dat hij hem liet vallen; het kind zette het op een huilen met een geluid als van een krolse kater. De voedster schreeuwde: ‘Geef hem de speen, mijn heer! De speen!’ Ze had er geen benul van dat een man maar twee handen had en dat hij de teugels stevig moest vasthouden om het paard te beletten op hol te slaan. Hij kletterde, steigerde en slierde de straat uit, het krijsende bundeltje in zijn arm geklemd; het gegil van het kind en het gekletter van de hoeven van zijn paard weergalmden tussen de huizen.

Toen hij het open veld buiten het stadje bereikte was hij al uitgeput en volkomen wanhopig. Het kind gierde met hoge, doordringende gillen, die eindigden in een gesmoord gerochel.

Zodra hij het paard in zijn macht had, hield hij aan de kant van de weg stil, haalde de speen uit de zak van zijn jas en stopte het ding in de wijdopen mond van het nietige wezentje dat er nu uitzag als een griezelige onbekende vis op apegapen. Hij voelde de opwelling de vis weer in zee te

[p. 183]

gooien en te vluchten; maar de fopspeen bleek doeltreffend. De kleine klemde er zijn tandeloze kaken op, zodra het ding zijn tong raakte, en begon er verwoed op te zuigen, met hetzelfde grommende gesnuif dat de twee biggen hadden gemaakt aan de borsten van die vrouw.

Tegen de tijd dat ze het bos bereikten was het kind in slaap gevallen, met de speen in zijn mond. De wind was inmiddels nog aangewakkerd; de opdwarrelende bladeren brachten het paard opnieuw aan het steigeren. Met zijn hart in zijn keel reed hij het krakende, zwiepende bos in.

Hij zou pas weer logisch kunnen denken als hij thuis was, en dat was maar goed ook. Hij had er geen behoefte aan de toekomst te overdenken, of erbij stil te staan hoe weinig tijd het hem gekost had om vader te worden en zijn leven te verwoesten.

 

***

 

Toen Bonbon het hoge, zwakke gehuil buiten de keuken hoorde, dacht hij aanvankelijk dat het parende katten waren. Of had een vos of een das misschien Madame's hondje te pakken gekregen? Hij maakte de bovenste helft van de deur open en tuurde bijziend de schemerige tuin in. Het geluid was opgehouden; hij riep verontrust: ‘Froufrou? ... Viens! Viens, cocotte! ... Froufrou?’ Plotseling klonken er voetstappen; iemand kwam het tuinpad op; pas toen de gestalte in het lichtschijnsel trad herkende hij zijn meester. ‘Ah! Bonsoir, mon Colonel!’ riep hij beminnelijk uit, maar de barbaar groette hem nauwelijks terug. Bonbon deed ook de onderste helft van de deur voor hem open, zich afvragend wat er met de man aan de hand was; hij zag er gejaagd en schichtig uit. ‘Zal ik Benjamin roepen om uw paard op stal te zetten, mon Colonel?

‘Nee, dank je. Dat heb ik al gedaan. Is madame thuis?’

Non, mon Colonel. Maar ze zal zo wel komen.’

‘Goed. Breng me wat kaas en mosterd in de kleine zitkamer. En zeg maar dat ze me daar kan vinden als ze thuiskomt.’

‘Jawel, mon Colonel.’

Er was geen twijfel aan: de man had iets uitgehaald. Het feit dat hij die ochtend alleen was uitgereden was al ongewoon genoeg; dat hij nu ook nog zelf zijn paard ontzadeld en op stal gezet had was hoogst verdacht. Wat had die ouwe satyre uitgespookt, dat hij zo achterbaks deed? Had hij ergens een molletje zitten? Maar waarom moest hij dan zelf zijn paard op stal zetten? Het viel nauwelijks te verwachten dat het dier naar parfum zou stinken. Of was hij met de Quakers aan het samenspannen? In dat geval zou rechter Sawrey daarvan met veel belangstelling vernemen.

Er waren manieren om achter de waarheid te komen; hij zou de kleren van die ouwe bok eens goed bekijken als ze beneden kwamen om geperst te worden, en eens in zijn laden snuffelen. Vroeg of laat zou hij het te weten komen; het droeg allemaal bij tot zijn machtspositie die begonnen was met

[p. 184]

de affaire van die stroper. Sinds dat proces was het toekomstbeeld - hijzelf en La Douce Tété samen op de terugweg naar Frankrijk om hun oude dag door te brengen in zoete herinnering aan het verleden - van een dwaas luchtkasteel veranderd in een reële mogelijkheid, zolang hij zich maar niet tot overijlde daden liet verleiden en het geduld had zijn kans af te wachten, als een kat die naast een muizegaatje ligt te doezelen in de wetenschap dat de kleine rakker er vroeg of laat uit moet komen.

Hij bracht een schaal kaas naar de kleine kamer, waar de oude imbécile onderuit gezakt zou zitten in zijn stoel, laarzen op de tafel; hij was halverwege de vestibule toen hij opgewonden stemmen bij de voordeur hoorde. De deur werd opengesmeten en daar waren die vreemde, hoge uithalen weer, als van een jong dier in angst; daar kwam Madame het huis binnenstormen met ogen als theeschotels, haar pruik scheef, een bundeltje in haar armen. ‘William! Kathryn! Vlug!’ en, toen ze hem zag: ‘Bonbon! Ga meneer halen! Roep Kathryn! Iemand heeft een kind onder onze heg gelegd!’

Hij bleef met open mond staan, maar daar was dat gehuil weer, het kwam duidelijk uit de bundel die ze in haar armen droeg. Er was geen twijfel aan; ze had een kind gevonden.

De volgende paar minuten waren zo chaotisch dat Bonbon geen kans kreeg om na te denken. Madame riep hem orders toe om warme melk, een deken, cognac, handdoeken, een suikerpot; Kathryn kwam snuivend en kwakkelbenig de trap af en maakte met haar gillen de verwarring nog groter, tot ze als een gigantische pad op het jammerpak in de armen van haar meesteres toesprong. Op haar beurt begon ze hem orders toe te schreeuwen om melk, heet water, cognac, handdoeken; vervolgens kwam de kolonel uit het zitkamertje en brulde: ‘Wat is hier aan de hand?’ Een natuurlijke reactie; maar ofschoon de toon goed was en de woorden ook, wierp hij een schichtige blik op Bonbon, die hem met de schotel kaas in zijn handen stond aan te staren als een lynx.

Ondanks de verwarring, de koortsachtige bedrijvigheid, bevatte Bonbon met een gevoel van voldoening dat het de kolonel geweest was die het kind daar voor het huis had neergelegd! Daarom had hij zijn paard zelf ontzadeld en op stal gezet! Terwijl hij melk, cognac, lepel, handdoek, gekookt water ging halen en een waskom klaarmaakte vroeg Bonbon zich af: waarom had de man dat gedaan? Van wie was dat kind? Waarom had hij het zo bekokstoofd dat zijn vrouw degene zou zijn die het vond? Er kon maar één oplossing zijn: het kind was zijn eigen bastaard, de vrucht van een stoeipartij met een of andere deern, niet in Ulverston maar een halve dag rijden hiervandaan; en nu probeerde hij hem als een vondeling zijn huis binnen te smokkelen!

Bij die gedachte staakte Bonbon met schrik zijn bezigheid. Als ze uit overjarig moederlijk instinct voor de belachelijke verleiding zou bezwijken en het kind het hare maken betekende dat het einde van de droom haar naar Frankrijk terug te brengen. Wat er ook gebeurde, hij moest dit voor-

[p. 185]

komen; maar hij zou er al zijn geduld en koelbloedigheid voor nodig hebben. Plotseling besefte hij dat hij voor zijn leven vocht.

Het lukte hem het beven van zijn knieën te onderdrukken en de misselijk makende paniek te bedwingen; hij behield voldoende tegenwoordigheid van geest om snel de melk van het fornuis te grijpen voor die overkookte. Hij stond op het punt met een volbeladen blad de keuken uit te gaan, toen de deur werd opengesmeten en Kathryn met Madame's hondje in haar armen binnenstormde. ‘Hier,’ zei ze bars, ‘neem jij dit hopeloze mormel bij je; alleen al bij het zien van de baby krijgt-ie al een beroerte.’ Ze zette het jankende hondje op de keukentafel, snauwde: ‘Geef hier! Dit is vrouwenwerk. Blijf in de keuken en hou die hond stil. Er is al drukte genoeg!’ Ze greep zijn blad en stevende de keuken uit, terug naar de vestibule.

Hij smeet de deur achter haar dicht, balde de vuisten en siste: ‘Serpent! Suceuse de sang! Sale vache vénérienne!’ Hij draaide zich trillend naar de tafel om en zag de kleine Froufrou staan, bevend, de oogjes uitpuilend van angst, klagend met een geluid dat menselijker klonk dan het gekrijs van het kind. Ofschoon hij het kleine kreng nooit had kunnen uitstaan, nam hij het huiverende dier in de armen en fluisterde: ‘Tais-toi, tais-toi, mon petit chouchou ... We gaan naar huis, wees maar niet bang. Op de een of andere manier gaan we naar huis, en gauw ook.’

Hij gaf het teefje het restant van de voor de baby bestemde melk op een schoteltje, voor het fornuis. Hij flikflooide haar met lieve woordjes en kusgeluidjes tot ze ging drinken; maar haar beven ging er niet van over. Ze likte apathisch van de melk, keek in kruiperige verontschuldiging naar hem op, deed een paar wankelpassen en braakte op de vloer.

Deze daad van het beest scheen al wat er die avond gebeurd was samen te vatten. Het leek plotseling onmogelijk het nog één minuut langer te laten voortduren. Wat voor doel de kolonel er ook mee had om zijn arme vrouw zo verachtelijk achterbaks met een kind op te schepen, hij mocht dat niet ongestraft doen, geen seconde langer.

Zonder zich de tijd te gunnen om na te denken, bezeten van het besef dat hij haar leven en het zijne moest redden, nu meteen, rende Bonbon de keuken uit, de vestibule in en gilde, buiten zichzelf van haat: ‘Hij heeft het gedaan! Hij heeft het kind onder de heg gelegd! Hij heeft het op zijn paard hiernaartoe gebracht! Ik heb hem gezien! Ik heb hem gezien! Het is zijn bastaard! Het is van hem, van hem!’

Een ogenblik bleven ze allemaal als versteend staan: Madame gebogen over de jammerende baby, le Colonel als aan de grond genageld met een handdoek in zijn hand.

De eerste gedachte die uit dat griezelige moment van stilte bij Bonbon opkwam was: ‘Neem het terug, God, lieve God, laat me het terugnemen!’ Hij wist met plotselinge, ijzingwekkende duidelijkheid dat het verkeerd was geweest om dit te doen, dat hij, in plaats van haar en zichzelf te redden

[p. 186]

ter wille van die droom, in één seconde van waanzin zijn noodlot bezegeld had.

Zo onweerlegbaar was dit bewustzijn, dat hij met een kreet, als de laatste schreeuw van een aan een zwaard geregen soldaat, zich omdraaide en terugrende naar de keuken, de deur uit, de nacht in.

 

***

 

De eerste reactie van Henrietta Best was ijzige kalmte. ‘Je kunt hem beter achternagaan,’ zei ze tegen Kathryn, die met open mond bij de deur stond waardoor de oude man was verdwenen. Toen de meid op het punt scheen te protesteren, voegde Henrietta er, met een waarschuwende klank in haar stem, aan toe: ‘Maak je niet bezorgd over het kind, ik ben volkomen in staat ervoor te zorgen. Doe wat ik je zeg.’ Toen wendde ze zich tot haar man, die nog steeds stond waar Bonbons beschuldiging hem verstard had. Eén blik op zijn gezicht en ze wist dat het waar was: hij had het kind zelf onder de heg gelegd. Een jongere vrouw, een zoon - haar hele wereld van liefde en tederheid was een zinsbegoocheling geweest. Het kind op het tafeltje gierde zonder ophouden; ze liep ernaartoe om het op te nemen, zonder goed te weten wat ze ermee aan moest: het hem in de handen duwen, of het door elkaar rammelen en gillen: ‘Stil! Stil!’ Maar toen ze het optilde waren de nietigheid, de pathetische kwetsbaarheid van het kind zo ontroerend dat ze het in haar armen nam, het wiegde, zijn gezichtje kuste en fluisterde: ‘Allons, allons, ne t'en fais pas ... ne t'en fais pas ... Allons, t'es beau ... T'es un grand gosse...’

Ze hoorde haar man achter zich zeggen, ‘Hier - ze hebben me dit meegegeven om in zijn mond te stoppen. Het is het enige dat helpt.’ Maar alsof de peuter ieder woord van haar Franse kinderpraat verstond, werd hij stil en sloeg voor de eerste keer sinds zijn komst hier in huis de oogjes op om te zien door wie hij werd vastgehouden.

Het gaf haar haar zelfbeheersing terug, en ze draaide zich naar haar man om. Haar blik viel op zijn hand met de speen; hij beefde. Een trieste oude man, betrapt bij zijn aandoenlijke dwaasheid. Ze werd overweldigd door medelijden en het plotselinge verlangen om hem te helpen. ‘Kom,’ zei ze, met een zelfvertrouwen dat eigenlijk niet in haar aard lag, maar haar door de baby werd ingegeven, ‘het lijkt me beter dat we maar eens samen gaan praten, vind je niet? Zullen we naar mijn kamer gaan?’

Hij keek haar aan met het gezicht dat ze zo goed kende, het zondaarsgezicht van een kleine jongen die betrapt is met zijn hand in de honingpot, en het maakte dat ze zich oneindig droevig voelde omdat het leven zo iets van hem gemaakt had, die nog pas gisteren zo'n vermetel, ondeugend, levenslustig man was geweest. Toen vroeg hij, met een onderzoekende blik: ‘Je denkt toch zeker niet dat het van mij is, wel?’

‘Van wie dan wél?’

[p. 187]

‘God weet het. Een vondeling. Ik heb hem vanmiddag in Kendal opgehaald.’

‘Het is jouw kind niet?’

‘Doe niet zo belachelijk! Het is niemands kind. Ik heb hem gehaald in de hoop dat je hem als je eigen kind zou accepteren.’

‘Maar waarom?’

‘Om te voorkomen dat je - dat je in de afgrond springt! Het was een wanhoopsmaatregel, maar het is dan ook een wanhopige situatie.’

Ze staarde hem aan. ‘Afgrond?’

Haar niet-begrijpen prikkelde hem; hij riep woedend: ‘Door te gaan samenwerken met die krankzinnige vrouw op de heuvel! Na alles wat daarvóór gebeurd is! Ik dacht dat het je gelukt was die boze geesten uit te bannen, het leven weer aan te kunnen! Maar die schurk van een Fox, die de stad vergiftigde, van Tom Fells huishouding een stel dolzinnige idioten maakte, heeft kans gezien ook jou in zijn greep te krijgen!’ Hij smeet de speen op de grond. ‘Dat stuk duivelsgebroed! Ik had hem door die dominees moeten laten ophangen! In plaats daarvan heb ik, God helpe me, niet alleen mijn geld en mijn vrijheid op het spel gezet, maar me nog met een kind opgescheept ook!’ Hij sloeg zich in machteloze woede tegen het voorhoofd. ‘Als ik hem hier had, zou ik het zwijn de darmen uit het lijf scheuren! Hem in zijn eigen ingewanden smoren! Als ik hem hier had -’

Ter wille van de baby viel ze hem snel in de rede: ‘Maar je hebt hem niet hier! Je hebt mij hier, en ik houd van je, en alles is goed met me, ik zweer het je, alles is goed met me!’

‘O, ik ken je!’ riep hij uit, weigerend naar haar te luisteren. ‘Ik ben dertien jaar met je getrouwd! En nu, na dertien jaar, komt er opeens een charlatan, een godslasterlijke schoft...’

Chéri, doe niet zo dwaas,’ zei ze, in een poging om zowel hem als het kind te kalmeren. Maar het kind had geen kalmering nodig, het scheen zich niets van zijn luidruchtige woede aan te trekken. Het lag tevreden in haar armen, in slaap, dacht ze; maar toen ze op hem neerkeek zag ze twee donkere ogen die ernstig op haar gevestigd waren.

‘Ach, wat heeft het voor zin?’ riep hij uit. ‘Alles is bedorven, dank zij die gecastreerde kwal van een Bonbon! Ik zal het kind morgen naar Kendal terugbrengen. Laten we het maar in zijn mandje leggen en naar bed gaan.’

‘Mon cher,’ zei ze vol tederheid, ‘we gaan naar mijn kamer om alles te bepraten. Ja?’ Hij gromde. ‘Maar laat me jou voor die tijd vertellen dat je de dapperste, liefdevolste echtgenoot bent die een vrouw zich maar kan wensen.’ Hij maakte aanstalten om naar de deur te lopen. ‘Ik meen het,’ ging ze verder terwijl ze hem volgde, het kind in haar armen. ‘Ik ken geen enkele man die dit zou hebben gedaan, alleen maar om zijn vrouw te redden van - van gevaar. Ook al moet ik je bekennen dat er geen gevaar meer is.’

Hij opende de deur; ze liep langs hem heen het kamertje binnen, waar ze

[p. 188]

zovele uren, gelukkige en droevige, hadden doorgebracht. Terwijl ze voorzichtig met de baby in haar armen ging zitten, vroeg ze zich af hoe lang het geleden was sinds er een kind in deze kamer was geweest.

Hij sloot de deur. ‘Ik wou dat ik dat kon geloven,’ zei hij.

‘Het is waar! Ik kan die brieven schrijven en die pakjes helpen versturen zonder over het verleden te tobben. Ik heb altijd geweten dat ik er op een dag overheen zou moeten komen. Ik weet niet hoe ik het zeggen moet, maar het schrijven van brieven aan die mensen in de gevangenis heeft me bevrijd.’

‘Bevrijd?’

‘Tot gisteren toe schenen mijn eerste man en mijn kinderen vergeefs te zijn gestorven. Ik kon niet aan ze denken, omdat ik de zin van hun lijden en hun dood onmogelijk kon inzien.’ Het was de eerste keer dat ze over haar kinderen sprak, afgezien van die wanhoopsavond toen ze het tegen George Fox had uitgekrijst. Ze klemde de baby tegen zich aan; het gevoel van dat lichaampje gaf haar een besef van geborgenheid. ‘Eigenlijk ben jij het die me de kracht heeft gegeven het verleden onder ogen te zien,’ zei ze. ‘Jouw liefde maakte dat ik het durfde.’

Hij schudde zijn hoofd, liep naar de kast en schonk zich een glas wijn in.

‘Wat zou je hebben gedaan, als we hadden besloten het kind te houden?’ vroeg ze terloops.

‘Weet ik veel,’ antwoordde hij somber. ‘Gaan jagen, paarden fokken ... ik had wel iets gevonden om me bezig te houden.’

‘Maar, mon cher, een baby in huis zou van jou geen weduwnaar maken! We zouden een voedster hebben genomen, en een meid voor het kind, hoewel ik er zeker van ben dat Kathryn heel goed in staat zou zijn het te verzorgen. Net wat ze nodig heeft, die oude vrijster. Ik heb me de laatste maanden ongerust over haar gemaakt. Ze wordt verschrikkelijk humeurig.’

‘Ik bedoel: jagen en paarden fokken tot hij oud genoeg zou zijn om met me mee te gaan.’ Hij nam een teug wijn.

De baby scheen eindelijk slaperig te worden, misschien doordat ze hem wiegde. ‘Hebben ze hem een naam gegeven?’

‘Wie?’

‘Hij moet in dat tehuis toch een naam hebben gehad?’

‘O, Billy. Billy Monday - de dag waarop hij gevonden werd. Ze moeten moeite hebben om namen voor al dat goedje te vinden.’

‘Billy...’ Ze keek naar het slaperige gezichtje. De donkere, onderzoekende ogen waren nu gesloten; het gaf het kind een aanblik van vertrouwen en onschuld.

‘Lieve,’ zei haar man plotseling. ‘Als je er zo over denkt, zouden we er beter over kunnen praten.’

Ze keek weifelend op. ‘Over wat?’

‘Of we het kind zullen houden.’

‘O, bon Dieu!’ riep ze uit, plotseling zenuwachtig. Ze had tijd nodig om

[p. 189]

na te denken, de consequenties te overwegen, alvorens zich onherroepelijk te binden. ‘Ik weet het niet! Laten we er niet over praten. Nog niet.’

Hij nam weer een teug uit zijn glas; toen zei hij: ‘Eén ding staat vast: we kunnen Bonbon niet houden, in geen geval.’

Ze had dit verwacht. Het was een situatie, net als de baby, die ze op haar gemak, alleen, wilde bekijken. ‘Kunnen we niet nog wat wachten?’ vroeg ze.

‘Nee. Niet om mezelf, ofschoon ik er, na vanavond, niet bepaald naar snak om morgenochtend zijn mes op mijn keel te voelen.’

‘Waar zou hij naar toe kunnen, op zijn leeftijd?’

‘Ik zal ervoor zorgen dat hij financieel geen zorgen heeft. Maar hij kan niet bij ons blijven, na vandaag. Hij zal in Frankrijk veel gelukkiger zijn, onder zijn eigen mensen.’

‘Maar hij hééft geen eigen mensen!’ pleitte ze, overweldigd door melancholie bij de gedachte van die arme oude man helemaal alleen in Parijs. ‘De enige die hij heeft ben ik!’

Hij keek haar vol begrip aan. ‘Nee, hij heeft jou niet meer. Ik weet niet hoe, maar La Douce Tété is vandaag ter ruste gelegd. Misschien zelfs Henriette de Vaury.’

‘Maar wie ben ik dan?’ riep ze uit.

‘Henrietta Best, vrouw van William Best,’ antwoordde hij kalm. ‘Moeder van William Best junior, als je dat wilt.’

Tranen welden in haar ogen op; ze boog zich over het slapende kind. ‘God,’ zei ze, ‘wat is het leven toch moeilijk!’

Het kind lag daar, sluimerend, op raadselachtige wijze gerustgesteld.

terug  begin  verder