terug  begin  verder
[p. 203]

Boek twee: Lancashire, Engeland
1653

[p. 205]

Een

Het hatelijke pamfletje was wel een contrast met de lentedag. Buiten de openstaande ramen van de studeerkamer in het Huis Swarthmoor trippelden duiven koerend heen en weer op de vensterbank; een geur van kamperfoelie en jong gras dreef de kamer binnen waar Henrietta Best het schotschrift zat te lezen, bewust van het feit dat Thomas Fell haar scherp gadesloeg.

‘Nu,’ zei ze toen ze het had doorgekeken, ‘hij neemt niet bepaald een blad voor zijn mond moet ik zeggen. Maar zijn definitie van ons heeft iets dichterlijks.’

‘Pardon?’

Ze las hardop, ‘De Quakers, die satanische vlinders in het heuvelgebied van Lancashire. Satanische vlinders, dat is aardig gevonden.’

‘Hoe zegt u?’ Hij was kennelijk niet in de stemming voor luchtige kout.

‘Dat is precies wat we zijn: charmant, onschuldig en kortstondig.’

Hij leefde op; eindelijk had ze dan zijn sombere stemming doorbroken. ‘Meent u dat: kortstondig? Dat dit hele geval een storm in een glas water is?’

Dus daarom had hij haar zo heimelijk uitgenodigd bij hem in zijn werkkamer te komen, de dag na zijn terugkomst van zijn dienstreis: hij wilde horen dat het gedoe met die Quakers zo ongeveer was uitgeraasd, waar het zijn vrouw betrof. Hij zag er uitgeput uit, de arme man, en geen wonder: altijd op reis, de ene herberg na de andere, verontrust over zijn vrouw en haar jonge heilige ... Ze hoopte dat hij daar niet over zou beginnen.

‘Dat bedoelde ik niet,’ zei ze, voorzichtig.

‘Ik geloof niet dat ook maar iemand hier in huis er enig idee van heeft hoe ernstig de situatie is!’ riep hij uit.

‘Vindt u?’ Het leek een diplomatiek antwoord, gezien de omstandigheden.

‘Dit pamflet bewijst dat Swarthmoor Hall nu bekendstaat als het hoofdkwartier van de Quakerbeweging. Cromwell staat op het punt een proclamatie uit te vaardigen; ik ken de inhoud: verbod van de onchristelijke verstoring van kerkdiensten door Quakers, de eis dat er een einde wordt gemaakt aan hun onordelijke praktijken; van nu af aan zullen de Quakers officieel als ordeverstoorders worden beschouwd; schouten en rechters wordt opgedragen streng tegen hen op te treden. Beseft u wat dit betekent?’

‘Nu ja -’ Ze besefte het niet, maar zijn kennelijke ongerustheid werkte aanstekelijk.

[p. 206]

‘Het betekent dat als jullie vrouwen blijven meedoen aan een beweging die nu verboden is, jullie met z'n allen in de gevangenis terecht zullen komen. Is het dat waard? Ik smeek u, madame! Probeer haar toch over te halen op te houden met die onzin! Geef haar iets anders te doen! In godsnaam: iets anders, waarmee ze zichzelf en haar gezin niet in de waagschaal stelt!’ Hij begon op en neer te lopen, zijn handen op zijn rug; ze had hem nog nooit zo geagiteerd gezien. ‘Laat haar lammetjes fokken, een vondelingentehuis beginnen ... O, pardon. Het was niet mijn bedoeling iets kleinerends over uw zoon te zeggen.’

‘Dat begrijp ik,’ zei ze op effen toon. ‘Maar ik ben bang dat er toch iets meer bij komt kijken dan alleen maar een andere afleiding voor haar te zoeken.’ Ze begaf zich op gevaarlijk terrein.

Hij wierp haar een blik toe die zo veelzeggend leek dat ze de ogen afwendde. Zou hij het weten, van Fox? ‘Verklaar u nader, madame.’

‘Uw vrouw heeft een terrein gevonden waar ze haar talent voor organisatie ontplooien kan.’

‘U bedoelt dat zij de beweging respectabel heeft gemaakt?’

Het was een vreemde manier om het onder woorden te brengen, maar ze begreep wat hij bedoelde. ‘Inderdaad. Zij heeft de kerkorde opgesteld waardoor de beweging vorm heeft gekregen. Het is een merkwaardig document; ik vraag me af of u er belangstelling voor zou hebben?’ Het was een indiscretie van haar kant, maar de manier waarop hij haar gadesloeg beviel haar niet. Ze was tot alles bereid om het onderwerp van zijn vrouw en Fox te vermijden. ‘De hele orde is nog onderwerp van bespreking,’ zei ze, terwijl ze haar schrijfdoos pakte die ze naast haar stoel had gezet. ‘Maar ik heb hier een afschrift van haar eerste ontwerp.’ Ze maakte de doos open en nam er een papier uit dat ze hem reikte. ‘Ik hoop dat u mijn handschrift kunt lezen.’

‘Dank u.’ Met een buiging nam hij het document van haar aan. ‘Erg vriendelijk.’

‘Pas du tout.’ Ze glimlachte, klapte haar doos dicht en stond op om weg te gaan. ‘U zult eruit kunnen zien wat uw vrouw zo aantrekt. Ze is bijzonder intelligent.’

‘Vindt u?’ Hij vroeg het alsof dat het laatste was wat van zijn echtgenote kon worden gezegd.

‘Mais oui,’ zei ze, glimlachend. ‘Ik ben erg op haar gesteld, weet u.’

‘Dat,’ zei hij, ‘ben ik ook.’ Het klonk op een vreemde manier aanmatigend.

‘Au revoir, cher ami...’ Ze glipte weg, met een poging om het geen vlucht te laten lijken. De vestibule was donker; ze zette haar schrijfdoos neer en liep naar buiten, de tuin in.

Margaret Fell zat met de baby onder een van de oude bomen die gehuld waren in een waas van lentegroen. De kinderjuffrouw en de voedster zaten naast haar in het gras; ze lachten alle drie om het gekir van het kindje dat

[p. 207]

naar het gezicht van zijn moeder graaide dat als een bloem van pure liefde boven hem zweefde. Henrietta voelde even iets van afgunst. Hoe jong was ze zelf geweest, hoe vol liefde, toen Jeannot...

Ze schudde het verleden van zich af en liep door naar de rozentuin, waar ze Ann Traylor met kleine Will tussen de struiken zag spelen.

 

***

 

Terwijl Thomas Fell het door zijn vrouw opgestelde ontwerp van een kerkorde voor de Quakers doorlas, besefte hij dat dit een dodelijk gevaarlijk document was. Tot voor kort had Cromwell de ‘Kinderen van het Licht’ als onschadelijke lastposten beschouwd; de reden voor de proclamatie was dat zij sindsdien waren veranderd in een goed georganiseerd, centraal bestuurd, revolutionair kerkgenootschap. Bij het doorlezen van de kerkorde twijfelde Thomas er geen ogenblik aan wie de schrijfster was. De hoofdschuldige aan de metamorfose van de ‘Kinderen van het Licht’ was zijn vrouw; hij herkende haar in vrijwel iedere zin.

Hij schoof zijn stoel achteruit en liep naar het openstaande raam, de duiven verjagend. Daar zat ze, de baby op haar schoot, een toonbeeld van huiselijk geluk. Ze had geen idee van het gevaar, geen notie van het lot dat haar zou wachten als ze niet onmiddellijk alle banden met de verboden beweging verbrak. Over enkele dagen zou John Sawrey de proclamatie en de begeleidende instructies aan officieren van justitie en rechters ontvangen, het wapen dat hij moest hebben gezocht. Ze hadden Sawreys opzet één keer kunnen verijdelen, daar was nu geen hoop meer op. Of Margaret nu de vrouw van een Lord Chief Justice was dan wel van de nederigste schaapherder op de heide, voor de wet was er geen verschil.

Hij moest haar redden voordat het te laat was. Hoe kon hij haar ervan overtuigen dat ze rechtstreeks de gevangenis in zou belanden, waar ze ongetwijfeld zou sterven? Ze had er geen idee van hoe een gevangenis er in werkelijkheid uitzag. Ze had honderden brieven aan gevangenen geschreven, maar nooit van haar leven de binnenkant van een cel gezien. De boosaardige pamfletschrijver had inderdaad de definitie van haar en haar vrouwen gegeven: ‘Vlinders’.

Wat kon hij doen? Hij woog in gedachten verschillende mogelijkheden af en kwam tot de conclusie dat de beste oplossing was haar met eigen ogen te laten zien wat haar te wachten stond als ze niet ophield. Hij moest haar een gevangenis laten zien, de ergste gevangenis die hij maar vinden kon.

Dat was niet moeilijk. Er was in heel Engeland geen erger hellegat dan de kerkers van het Slot Lancaster.

 

***

[p. 208]

Thomas had zelf niet vaak een bezoek aan de kerkers gebracht; in tegenstelling tot andere rechters gaf het hem geen voldoening degenen die hij veroordeeld had in hun ellende te gaan bezichtigen. De donkere, muffe gangen, de onvergetelijke stank, het woeste gebrul van de krankzinnigen - zijn geloof in de rechtvaardigheid van gevangenisstraf werd er niet door geschokt, maar het vervulde hem met dezelfde walging waarmee de taferelen in een slachthuis hem vervuld zouden hebben. Er was een grover besnaarde natuur dan de zijne voor nodig om onbewogen naar de verdoemden in de hel te kunnen kijken, zoals de gevangenisschout deed die hen op hun tocht begeleidde. Een minzame man in het dagelijkse leven, een monster vol wraaklust zodra hij eenmaal afdaalde in de onderwereld waarover hij het toezicht had.

Vanaf het ogenblik dat ze binnenkwamen, maakte Margaret diepe indruk op haar man door de manier waarop ze haar zelfbeheersing behield, ofschoon hij wist dat ze diep ontzet moest zijn door wat ze zag. Het meisje Traylor was kennelijk minder gestaald; Margaret scheen meer bekommerd om de ontsteltenis van haar jeugdige gezellin dan om de gruwelen die de schout hun met slecht verhulde voldoening liet zien. Ze staarde, schijnbaar onverschillig, naar de vervuilde boosdoeners die in het stro hurkten of languit op de in de rotsen uitgehouwen banken lagen; als ze niet zo bleek geweest was, zou hij hebben gedacht dat het schouwspel haar onaangedaan liet.

Haar zelfbeheersing bezweek ten slotte, toen ze in de onderste gewelven kwamen en zij de krankzinnige vrouwen in hun kooi zag, kwijlend, krijsend, in ketens, die naar de tralies strompelden en klauwachtige handen uitstrekten om haar, terwijl ze voorbijliep, bij de mantel te grijpen. Onwillekeurig deinsde ze met een kreet achteruit; hij zag tranen in haar ogen glinsteren terwijl ze naar de vrouwen staarde. Toen ze aan het einde van de gang bij de cel van de kinderen kwamen, en het jammeren en huilen van de krankzinnigen nog in hun oren klonk, maakte ze een gebaar van afgrijzen bij het zien van vijf of zes wezentjes die in het smerige stro bijeengekropen zaten, hun gezichten broodmager en vuil, hun ogen in het lantaarnlicht glimmerend als die van ratten. Hij legde haar met een kalme stem uit dat dit zwervertjes waren, in de steek gelaten of ouderloos, het soort dat in troepen alle steden van Engeland afschuimde en uitgeroeid moest worden wilde de burgerij in rust kunnen leven. Hij vertelde haar over inbraken, roofovervallen, moorden die deze kleine onverlaten hadden gepleegd; een van hen was zelfs wegens doodslag van zijn pleegvader veroordeeld. Maar ze luisterde niet naar hem; ze staarde naar die ratachtige dwergen met een medelijden dat, hoe misplaatst ook, hem ontroerde. Hij leidde uit de manier waarop ze zijn hand omklemde af dat ze aan het eind van haar uithoudingsvermogen moest zijn; het stond hem tegen haar met het allerergste te confronteren, maar hij moest het doen wilde dit bezoek aan het Slot Lancaster de beoogde uitwerking hebben. Hij zei tegen de schout: ‘Laat ons nu

[p. 209]

de rest zien.’

De schout, die wist wat hij bedoelde aangezien alles van tevoren beraamd was, zei met de belustheid van een samenzweerder: ‘Zeker, Your Lordship. We hebben alles precies zo gelaten. Deze kant op, alstublieft, mevrouw.’

Hij leidde het kleine gezelschap weer terug, de gang door, langs de kooien met de gillende krankzinnigen, de klauwende handen; ze gingen de stenen wenteltrap weer op.

Op de trap vroeg Margaret fluisterend: ‘Zitten hier ook Quakers gevangen?’

Hij had de vraag verwacht en antwoordde: ‘Inderdaad, maar in eenzame afzondering.’

‘Waarom?’

‘Zo luiden de nieuwe voorschriften uit Londen.’

De schout opende de deur naar het binnenplein. ‘Deze kant op, alstublieft, mevrouw.’ Ze stapte naar buiten.

Deze keer hield ze de adem in bij wat ze zag. Het meisje Traylor gilde: ‘O, nee!’ en verborg haar gezicht tegen de schouder van haar meesteres. Margaret sloeg haar armen om haar heen en staarde, versteend, naar het gruwelijke tafereel.

Ondanks het feit dat deze drie kinderen hun doodstraf moesten hebben verdiend, was het triest hen daar te zien hangen; de gezichtjes verwrongen, met uitpuilende blauwe tongen, hun broodmagere nekjes monsterlijk uitgerekt. De broosheid van hun kleine lichamen, waardoor de stroppen grof en zwaar leken, deed zelfs Thomas pijnlijk aan. Hij keek naar zijn vrouw, in de verwachting dat zij een stomme smeekbede tot hem richten zou om te worden weggeleid; maar ze bleef naar dat tafereel staan staren, het snikkende meisje in haar armen. Haar gezicht was vastberaden, haar ogen waren helder; voor de eerste keer die ochtend begreep hij haar reactie niet. Ze draaide zich langzaam naar hem om; iets in haar ogen gaf hem het ontstellende besef dat hij het tegenovergestelde had bereikt van wat hij gehoopt had.

‘Wist jij hiervan, Thomas?’ vroeg ze. Haar stem was onbewogen.

‘Ja, natuurlijk...’ Hoe kon hij de schade ongedaan maken? ‘Ik vond dat je dit moest zien. Vergeef me als ik te ver ben gegaan, maar zo is de realiteit, liefje. Ik kan die niet veranderen door ze voor je verborgen te houden.’

Ze keek hem aan op een manier waar hij van schrok. ‘Heb jij deze kinderen veroordeeld?’

‘Nee.’

‘Heb jij ooit kinderen tot - tot zo iets veroordeeld?’

Hij wist dat hun toekomst van zijn antwoord afhing, maar hij kon de waarheid niet loochenen. Hij knikte.

Ze zei niets meer. Op zijn stilzwijgend verzoek leidde de schout hen

[p. 210]

terug naar hun in de zon wachtende koets. Het was een warme dag; het onthoofde standbeeld van Sint-Joris en de banken die eromheen stonden wemelden van kwetterende jonge vogels; het was alsof de natuur samenspande om het tafereel van de dode kinderen nog monsterlijker te maken. Nadat ze afscheid van de schout hadden genomen en hem voor zijn vriendelijkheid hadden bedankt, bleven ze zwijgend tegenover elkaar zitten terwijl de koets ratelend over de met kinderhoofdjes geplaveide straten van Lancaster huiswaarts reed. Margaret had haar armen om het meisje Traylor geslagen, dat nog steeds van streek was; haar gezicht stond kalm, vredig bijna; haar ogen drukte geen afgrijzen, geen ontsteltenis uit. Zijn pogingen om een gesprek te beginnen wekten geen reactie. Gedurende de lange uren van hun thuisreis bleef hij uit het raampje van de koets naar het voorbijhotsende landschap staren. Toen de paarden werden gewisseld, stapte ze niet uit de koets, maar wachtte tot de reis hervat werd, het meisje in haar armen.

Toen ze eindelijk Ulverston naderden en het meisje ten langen leste in slaap was gevallen, kon hij het niet langer uithouden. ‘Liefste,’ zei hij met een wanhoop die hij niet trachtte te verbloemen, ‘je moet mij niet persoonlijk verantwoordelijk stellen voor beslissingen die ik gedwongen ben als rechter te nemen.’

Ze keek hem aan met een uitdrukking die hij nooit eerder had gezien en zei: ‘Het spijt me. Dat onderscheid kan ik niet maken.’

‘Maar je moet!’ drong hij aan. ‘Ik heb gezworen de wet toe te passen! Denk je dat ik het een genoegen vind om kinderen ter dood te veroordelen? Maar dat is mijn plicht!’

‘Dat zal wel,’ zei ze, rustig.

Er viel niets meer te zeggen. Zwijgend kwamen ze thuis. Ze at niet met het gezin mee, maar trok zich meteen terug in haar slaapkamer. Hij wilde haar volgen, met haar praten, een wanhopige poging doen om haar tot rede te brengen. Maar hij wist dat enkel de tijd hen, misschien, weer bij elkaar zou kunnen brengen. Alleen in zijn studeerkamer probeerde hij onder woorden te brengen wat er gebeurd was. Tot welke beslissingen was ze gekomen, achter die kalme façade?

Die avond ging hij hun slaapkamer binnen, op zijn tenen om haar niet wakker te maken, en vond het hemelbed leeg. Een ogenblik dacht hij nog dat ze de tuin was ingegaan, dat hij haar in het donker op de bank bij de rozen zou vinden, biddend, of huilend. Maar toen hij op het trapportaal kwam, werd hij daar opgewacht door Thomas Woodhouse. ‘Margaret Fell vroeg me je te zeggen, Thomas Fell, dat ze weg moest. Ze hoopt morgen terug te zijn.’

De schok was zo hevig dat hij op het punt stond nadere vragen te stellen; maar hij beheerste zich. Met een bediende over het doen en laten van zijn vrouw te praten was meer dan zijn trots kon verdragen.

‘Dank je, Woodhouse. Welterusten.’

[p. 211]

Hij keerde de man zijn rug toe en liet zijn gevoelens pas de vrije loop toen hij naar het lege bed stond te staren. Waar was ze? Waar Fox was, natuurlijk. Mijn God! Waar had hij haar toe gedreven?

Hij kleedde zich in het kaarslicht uit. Toen hij op zijn rug lag, starend naar het baldakijn, drong het tot hem door dat het de eerste nacht in twintig jaar was die hij alleen in dit bed doorbracht. Hij vroeg zich af waarom hij zijn paard niet had laten zadelen en haar achterna was gegaan.

Het was een zinloze vraag. Zelfs als hij in het holst van de nacht te paard was weggestoven, zelfs als hij geweten had waar ze naar toe ging, geen sterveling zou haar van haar besluit af kunnen brengen.

 

***

 

De koets van Swarthmoor kwam tegen de dageraad in Windermere aan, na een reis van een hele nacht over de steile, kronkelende bergwegen. Het kon Ann Traylor, misselijk door het schokken en schommelen van het voertuig, niet meer schelen. Bij het begin van de reis had ze zich bezorgd gemaakt over haar meesteres, die tegenover haar zat, met een gezicht als een masker, starend naar het donkere landschap; maar allengs begon deze onbesuisde vlucht naar George Fox zinloos te lijken. Niemand kon ongedaan maken wat ze gezien hadden. Geen woorden zouden hen kunnen verlossen van die gruwel, van de wanhoop die erdoor was teweeggebracht. Zeker niet George Fox met zijn vrome praatjes; het was tragisch hoe die arme Margaret Fell op hem toeholde om troost te zoeken in haar verschrikkelijke verdriet. Nog nooit had Ann haar in een dergelijke verstarde toestand van troosteloosheid meegemaakt; haar hart ging naar de vrouw uit.

Maar naarmate de nacht verstreek en ze moe en misselijk werd, trok Ann zich in zich zelf terug. Wat haar bijbleef, meer nog dan het gruwelijke tafereel van die gehangen kinderen, waren de gezichten van die opgesloten kleuters in de kelder aan het eind van de gang met de gillende krankzinnigen. Wat moest er van die kinderen worden? Werden zij ook opgehangen? O God! Hoe was het mogelijk dat mensen zo wreed konden zijn? Was er dan niemand die zich over die arme schapen ontfermde? Wat was er met hun ouders gebeurd, hun moeders? Onder die verontwaardigde vragen ging een twijfel schuil die ze nauwelijks onder ogen durfde zien: hoe kon God de gruwel toelaten die ze gezien hadden, als Hij een God van liefde was? Had ze haar hele leven in een sprookje geloofd? Sinds haar kinderjaren iedere avond tot een schijnfiguur gebeden, een verzinsel van de geestelijken? Tegen de tijd dat de koets vaart minderde en de hoefslag van de paarden en het geratel van de wielen door de huizen van een slapend dorp werden weerkaatst, hunkerde ze alleen nog maar naar een kamer in de herberg, een bed, de vergetelheid van de slaap. Het bleke ochtendgloren had de raampjes van de koets veranderd in grauwe rechthoeken. ‘Is dit de herberg?’ vroeg ze.

[p. 212]

Margaret Fell gaf geen antwoord. Will Hartford klom van de bok en opende het portier, huiverend in het vroege licht. ‘Laat George Fox roepen. Zeg dat hij meteen beneden moet komen. Zeg dat het dringend is.’

‘Jawel, mevrouw,’ mompelde Will Hartford, en klapte het portier weer dicht.

‘Blijven we hier slapen?’ vroeg Ann.

Margaret Fell keek haar als vanuit de verte aan. ‘Ik denk van niet. Ik wil even met George Fox praten; daarna gaan we terug naar Swarthmoor.’

‘O.’

Ze bleven in zwijgen zitten, elk in haar eigen gedachten verdiept, tot er door de poort van de herberg haastige voetstappen op hen toekwamen. Het portier van de koets werd geopend en daar stond, met leren broek, mantel en witte hoed, George Fox. Nog voor hij iets had kunnen zeggen, zei Margaret Fell: ‘Stap in, alsjeblieft,’ en tegen Will Hartford: ‘Rijd naar het meer. Ergens waar geen huizen zijn. Laat ons daar een poosje alleen.’

Will Hartford zei: ‘Jawel, mevrouw,’ en sloot het portier.

George Fox zat groot en donker in het kleine hokje van de koets. Er scheen rust van hem uit te stralen terwijl ze door de verlaten straten reden. Bij de oever van het meer, dat glinsterde in de dageraad, hield de koets stil. ‘Laat ons alleen, Ann,’ zei Margaret Fell.

Bijna zei ze ‘Jawel, mevrouw’, net als Will Hartford; al haar dromen van vrijheid waren voorbij. ‘Goed hoor,’ zei ze vermoeid; George Fox maakte het portier voor haar open.

Buiten vond ze Will Hartford. De paarden stonden in de koele ochtendlucht te dampen. Van het oppervlak van het meer, glad en dof als ijs, krinkelden nevelspiralen omhoog. Ze drentelden een pad af langs de rand van het water; hun voetstappen schenen te worden gesmoord door de nevel. Ze liepen door tot ze bij een houten bank kwamen; daar gingen ze naast elkaar zitten en keken naar het silhouet van de koets met de blinkende raampjes. Het voertuig stond in de nevel alsof het dreef; de damp steeg van de paarden op als rook.

‘Ze had me een kans moeten geven ze te drogen,’ zei Will Hartford, ‘al was het maar met een bos gras.’

‘Ja,’ zei ze.

 

***

 

Misschien kwam het door het feit dat hij op zo'n onmogelijk uur gewekt was, maar terwijl George Fox in de dageraad naar de wanhopige vrouw tegenover hem zat te luisteren, werd hij plotseling kwaad. Jarenlang had hij mensen van haar klasse bekeerd, ogenschijnlijk met succes; nu doorzag hij dat alles wat zijn boodschap, zijn wonderen voor hen hadden betekend een gril was, een nieuwe remedie tegen de verveling van het plattelandsleven. Zie haar daar eens zitten! Ze had pakjes en brieven gestuurd naar mensen

[p. 213]

in gevangenissen overal in het land; ze had de beweging die hij begonnen was georganiseerd en geprobeerd er een officiële kerk van te maken; nu bleek het allemaal niet meer dan een tijdverdrijf te zijn geweest, een gril. Bij haar eerste confrontatie met de werkelijkheid in de vorm van drie opgehangen kinderen, haar eerste glimp van wat mensen als haar echtgenoot en diens vriend Best bij de zogenaamde ‘uitoefening van hun plicht’ hadden gedaan, stortte haar zogenaamde geloof ineen. Daar zat ze, smekend of hij haar alsjeblieft haar God wilde teruggeven; in plaats van met deernis vervulde ze hem met woede. Ze had hem met geweld uit bed laten halen, eisend dat hij de gruwel die ze had gezien onmiddellijk zou verjagen, de oneindige oceaan van duisternis en dood bezweren met zijn nieuwe uitvinding: de oceaan van licht en liefde. Waarom? Zodat ze, gerustgesteld, terug kon keren naar haar kamer vol pakjes, als een kind naar een poppenhuis? Nu, het werd hoog tijd dat hij haar ogen opende voor de werkelijkheid van haar kinderspel: de wereld van de in hun kooien huilende waanzinnigen, de wereld waarin de hoofden van de gehangenen werden uitgekookt in de kelder om Oxford en Cambridge van schedels te voorzien. ‘Wat wil je, Margaret?’ vroeg hij, haar in de rede vallend toen hij zich niet langer kon beheersen. ‘Mijn hulp om naar je behaaglijke wereldje te kunnen terugkeren? Je behaaglijke God?’

Ze keek hem verbijsterd aan; ze begreep niets van zijn ruwe uitval.

‘Je eigen man en zijn kornuiten hebben die kinderen opgehangen, Margaret! En dóór hen heb jij dat gedaan. Jij bent net zo schuldig aan de dood van die kinderen als aan het lot van de koe waarvan je het vlees eet. Stilzwijgend goedvinden betekent medeplichtigheid.’

‘George!’

Haar ontsteltenis was deerniswekkend, maar hij moest nu doorzetten, zowel ter wille van haar als van zich zelf. ‘Het spijt me, Margaret, ik kan je je onschuld niet teruggeven. Je zult de waarheid onder ogen moeten zien, alleen. Dit is jouw beslissend ogenblik, niet het mijne.’

‘O nee?’ Haar ontsteltenis sloeg om in woede; maar haar gezicht was hartverscheurend om te zien.

Hij onderdrukte de opwelling haar nu verder te ontzien. ‘Val mij niet aan, Margaret. Het heeft geen zin om anderen de schuld te geven van jouw confrontatie met de waarheid. Je moet het onder ogen zien, nu, of je zult je leven lang een schijnchristen blijven.’

‘Schijnchristen?!’ Ze had haar zelfverzekerdheid hervonden en zat nu tegenover hem als de vrouw die hij een jaar geleden in de tuin ontmoet had. ‘Het ogenblik is gekomen, George, om je eens precies te vertellen wat er gebeurde toen jij mijn beschutte wereld binnendrong met jouw versie van het christendom.’

‘Margaret, geloof me: anderen de schuld geven...’

‘Ik geef je nergens de schuld van, George! Maar ook voor jou is het ogenblik gekomen om de werkelijkheid onder ogen te zien! Je hebt inder-

[p. 214]

daad mijn leven veranderd met je boodschap van het goddelijke in me, je definitie van God als “een oceaan van licht en liefde”, maar je hebt mijn leven niet door je woorden veranderd!’

‘Doet dat er toe? Zolang...’

‘Ik heb die oceaan van liefde ervaren, George. Ik ben erdoor overweldigd, erin ondergedompeld, ermee vervuld. In de maanden die volgden straalde ik blijdschap en geluk en vervulling uit! Ik dacht dat het God was, een éénwording met de geest van liefde, met God. En het wás liefde, maar zinnelijke liefde. Liefde voor een man. Voor jou.’

‘Dat was niet mijn bedoeling.’ Hij zei het onbewogen, maar hij wilde dat hun gesprek afgelopen was.

‘Natuurlijk niet!’ riep ze uit. ‘Jij wist niet wat je deed! Het was mijn lichaam, mijn oudwordende vrouwenlichaam, dat nog één keer naar hartstocht hunkerde vóór mijn dood! Ik werd verliefd op - op alles: je jeugd, je haar, je ogen, je mond, je handen, je mannelijkheid, zelfs je geestelijke extase, of wat dan ook, maakte me gek van begeerte, niet om bekeerd te worden - naar jou! Begrijp je? Als ik die eerste dag jouw waarheid onder ogen had gezien, zou ik hebben moeten denken: hier is nu eens een man naar wie ik verlang! Ik verlang dat hij me in zijn armen neemt, me tot extase brengt, me een kind geeft!’

Haar felheid ontstelde hem; dit had hij niet voorzien toen hij haar dwong de werkelijkheid te zien; dit was gevaarlijk. Hij begon te beseffen, met schrik, dat haar woedende openhartigheid een heftige vleselijke lust bij hem opwekte.

‘Maar ik ben niet gekomen om je te smeken mijn minnaar te worden!’ riep ze uit. ‘Ik ben gekomen om een antwoord van je! Kijk: drie opgehangen kinderen. Kijk: zes andere, in een kooi, die wachten om gehangen te worden. Wat heeft die God van jou hierop te zeggen? Bewijs me, nu, het bestaan van jouw God van liefde, of wees vervloekt voor al het verdriet, de pijn, de verwarring, de wanhoop die je mij en duizenden anderen zoals ik hebt aangedaan!’

‘Maar, mijn beste Margaret...’

‘Nee! Geen “beste Margaret!” Hier: zes kinderen, in een kooi, die wachten om te worden opgehangen. Geef me je antwoord, zonder er omheen te draaien, zonder mooie woorden: waar is de liefde van God?

‘Vraag het Hem,’ antwoordde hij ontwijkend. ‘Laten we een samenkomst houden.’

‘Nee! Jij zult me antwoord geven, niet je zelfgemaakte Innerlijke Licht!’ Ze straalde zo'n kracht, zo'n elementaire vrouwelijkheid uit, dat hij ernaar hunkerde haar in zijn armen te nemen, haar tot de zijne te maken, hier in deze koets, haar twijfel en de zijne in hartstocht te verdrinken. Hij sloot zijn ogen en bad: ‘God, help ons!’

Terwijl hij die woorden fluisterde kwam er een stilheid over hem, een vrede die de verleiding zelf uit hem scheen weg te vagen. Hij opende zijn

[p. 215]

ogen en keek haar aan. ‘Margaret,’ zei hij, ‘ik kan het bestaan van de God van liefde niet bewijzen. Niemand kan dat, voor een ander. Dat kun je alleen zelf doen - jij, zelf.’

Ze wilde opnieuw uitvallen, maar hij zei, in de kracht des Heren: ‘Houd op te proberen om mij het bewijs van Gods liefde af te dwingen! Bewijs het zelf! Hoe denk je dat Hij Zijn liefde aan ons kenbaar kan maken? Door de natuur? De bomen, de wolken, de dieren, de sterren? Nee: door onszelf! In het geval van die kinderen in de kooi ben jij door Hem aangeraakt! De enige die Hij heeft, om die kinderen te bereiken, ben jij!

Een ogenblik bleef ze roerloos zitten. Toen viel ze voorover, haar gezicht in haar handen, en snikte het uit.

 

***

 

De koets kwam laat in de middag op Swarthmoor terug, opgewacht door Thomas, streng en ongenaakbaar maar kennelijk doodongerust. Zodra ze uitstapte, snelde hij op haar toe. ‘Waar ben je in godsnaam gewéést?!’

Ze gaf hem een vluchtige kus. ‘Niet hier, Thomas. Boven. Ik ga me verkleden; ik voel me alsof ik in deze japon geslapen heb.’

‘Niet, soms?’ vroeg hij, venijnig.

Ze ging er niet op in, maar omhelsde de kinderen die in de vestibule stonden, zei dat ze zó terug zou zijn en vloog de trap op naar haar slaapkamer. Mongol, op de donzen deken van het hemelbed, verwelkomde haar met een schor gekef. Ze joeg hem van het bed af en hoorde de deur achter haar. Het was Thomas, wit van woede.

‘Ik weet het, ik weet het!’ zei ze. ‘Ik had je moeten zeggen dat ik wegging. Je vindt het niet erg dat ik me verkleed terwijl we praten?’

‘Waar ben je geweest?’

Ze keek naar zijn krijtwitte gezicht. ‘George Fox, in Windermere,’ antwoordde ze. ‘Toe, help me even...’ Ze draaide hem de rug toe; zijn onhandige vingers begonnen de rij knoopjes achter op haar jurk los te maken.

‘Waarom hij, in godsnaam?’ riep hij dom uit.

‘Ik wilde hem iets vragen.’

‘Over die opgehangen kinderen?’

‘Over de kinderen in de kooi naast de krankzinnigen. Die nog niet opgehangen zijn.’ Ze draaide zich om. ‘Ik kan het beter maar meteen eerlijk zeggen: ik ga morgen naar Lancaster terug, om die kinderen in bescherming te nemen.’

Hij staarde haar zo onthutst en zo smartelijk aan dat ze zich afwendde en naar haar toilettafel ging. Ze stapte uit haar japon, ging zitten en begon de kammen uit haar haren te nemen.

‘Je bent stapelgek.’ Hij zei het nuchter, als een feit.

‘Mogelijk.’ Ze schudde haar haren los; het was een heerlijk gevoel. Kon

[p. 216]

ze het nu allemaal maar vergeten en een paar uur slapen; morgen zou ze wel verder zien.

‘Wat dacht je in vredesnaam dat je zou kunnen bereiken?’

Ze zag hem in de spiegel naar haar staren. ‘Ik heb het nog niet doorgedacht. Ik weet alleen dat ik dit doen moet.’

‘Onzin.’

‘Wat het ook is, het is oprecht.’

‘Goed.’ Hij zuchtte. ‘Laten we het eens nuchter bekijken, als dat kan. Mag ik je een paar vragen stellen?’

‘Als Lord Chief Justice?’

‘Als duivelsadvocaat. Je beseft, neem ik aan, dat je met vuur speelt als je je met die kinderen gaat bemoeien?’

Ze draaide zich om. ‘Lieve Tom!’ zei ze, opeens. ‘Het spijt me zo...’

‘Daarover later,’ antwoordde hij fel. ‘Laten we eerst de consequenties overzien.’

Ze besefte dat het ogenblik gekomen was om hem de waarheid te vertellen. Ze nam haar borstel, keerde hem de rug toe en zei: ‘Ik weet niet of ik hiermee door wil gaan.’ Ze begon haar haren te borstelen, maar verloor hem niet uit het oog.

‘Wanneer besloot je naar Lancaster terug te gaan?’

‘Vanmorgen.’

‘Waar?’

‘In de koets, in Windermere.’

‘Was er iemand bij?’

‘George Fox.’

‘Waren jullie alleen?’

‘Ja.’

‘Waar waren Will Hartford en dat meisje?’

Ze legde de borstel neer. ‘Weet je zeker dat je dit wilt?’

‘We hadden hier al veel eerder over moeten praten.’

Ze besloot de waarheid te zeggen. ‘Ik had de anderen weggestuurd.’

‘Waarom?’

‘Ik wou alléén met George Fox praten.’

‘Waarover?’

‘Ik wou ... Ik...’

‘Nu?’

Ze keek hem aan. Achter de onbewogen stem, de schijn van objectiviteit ging een woede schuil die ze nog nooit in hem had gezien; het gaf haar ineens de drang hem tegen zich zelf te beschermen. ‘Tom, liefste...’

‘Margaret! Ik eis de waarheid!’

Ze begreep dat de opwelling om hem te beschermen voortkwam uit haar wens een confrontatie te vermijden. Ze nam haar borstel op, en ging weer haar haren borstelen.

‘Wat is er in die koets gebeurd?’

[p. 217]

‘Ik vroeg hem hoe een God van liefde kon toelaten wat ik gezien had. Die kinderen.’

‘En?’

‘Geloof 't of niet: hij gaf me het antwoord.’

‘En daarna?’

Ze keek hem weer aan, in de spiegel. ‘Zijn antwoord interesseert je niet?’

‘Wat is er gebeurd?

Ze ging verder haar haren te borstelen. Dit werd moeilijk. ‘Zijn antwoord ontroerde me diep, en ik - ik barstte in tranen uit, en - O, in godsnaam!’ Ze smeet de borstel neer. ‘Kun je het dan niet begrijpen?’ Ze bedekte haar gezicht met haar handen. Ze wist dat het een theatraal gebaar was, en hoopte dat hij het zou doorzien.

 

***

 

Zoals ze daar zat, haar lange blonde haar om haar naakte schouders, haar borsten half bedekt door het laag uitgesneden keurslijf, was ze de begeerlijkste vrouw die Thomas ooit gezien had. ‘Hoor 's,’ zei hij, ‘ik vind dit net zo pijnlijk als jij. Ik zou ook liever mijn gevoeligheden ontzien en mijn gemoedsrust bewaren. Maar als jij naar Lancaster teruggaat om je met die kinderen te bemoeien, betekent het dat je vroeg of laat zelf in die kerkers terechtkomt, niet als een engel van barmhartigheid, maar als gevangene. Je enige hoop is absolute eerlijkheid tegenover jezelf. Ik zal je laten gaan, maar alleen als je je eigen beweegredenen eerlijk onder ogen ziet.’

‘Wat doen mijn beweegredenen ertoe, als ik die kinderen maar help?!’ riep ze uit. ‘Wat kan het hun schelen of ze door een heilige of door een aanstelster van de strop worden gered?’

‘Margaret, probeer niet je eruit te draaien.’

Even staarde ze hem aan. Toen zei ze met een zucht: ‘Vooruit dan maar. Vráág het me maar.’

‘Wát?’

Ze schudde haar haren en nam haar borstel weer op. ‘Ik ben niet zijn maîtresse,’ zei ze tegen de spiegel.

‘Dat doet me genoegen.’

‘Maar niet omdat ik er geen moeite voor heb gedaan.’

Hij verstarde. Alles wat zwak en kwetsbaar in hem was kromp ineen. Maar hij moest het weten. ‘Je zou het worden als je de kans kreeg?’

‘Ik had de kans, vanmorgen in de koets. Op een gegeven ogenblik voelde ik, dat hij op het punt stond me in zijn armen te nemen. Als hij dat had gedaan - nee, dat is niet waar. 't Was iets in mezelf. Dat hield me tegen.’

Het lag hem op de lippen om te vragen, ‘De gedachte aan mij soms?’ Maar hij beheerste zich. ‘Wat hield je tegen?’

‘Het antwoord dat hij op mijn vraag gegeven had: “Houd op te proberen

[p. 218]

om mij het bewijs van Gods liefde af te dwingen! Alleen door jou kan Hij Zijn liefde aan die kinderen overbrengen. Hij heeft jou aangeraakt. De enige die Hij heeft, om die kinderen te bereiken, ben jij.”’

‘Nogal simplistisch, moet ik zeggen. Wéér zo'n sentimentele dooddoener waar hij...’

‘Kan me niet schelen!’ riep ze met plotselinge heftigheid uit. ‘Voor mij betekende het, op dat ogenblik ... Ach, wat doet het ertoe.’

‘Was het die zalvende gemeenplaats, waarom je je niet in zijn armen wierp?’

‘Ik weet dat het jou niets zegt! Maar toen hij dat zei, begon ik te huilen. Ik riep Ann Traylor en Will Hartford, en we reden terug naar zijn herberg, en dat was alles. We wisselden paarden en gingen naar huis. De hele terugweg heb ik zitten denken, het hoofd van het slapende meisje op schoot; ik kon niet voor mezelf beschrijven wat er nu precies met me gebeurd was, laat staan voor jou, die er niet in gelooft. Maar waar het op neerkomt is dat ik naar die kinderen terug moet.’

‘Om wat hij zei?’

‘Omdat wat hij zei wáár is. In het geval van die kinderen ben ik de enige die God heeft. Zonder mij kan Hij hen niet bereiken met Zijn liefde. Dat mag dan een zalvende gemeenplaats zijn, maar ik geloof het. Daarom moet ik gaan.’

‘En als het hele geval een hersenschim blijkt te zijn?’

‘Dat risico moet ik nemen.’ Zij keerde zich weer naar de spiegel, begon haar haren met een lint bijeen te binden. Het was rood fluweel; het scheen de wereldvreemdheid van haar dwaze besluit te onderstrepen.

‘Grote God!’ riep hij uit. ‘Hoe kan ik je aan je verstand brengen dat je je leven in de waagschaal stelt met dit spelletje?!’ Ze ging het doen, ze ging het werkelijk doen, en ze had er geen notie van wat dat betekende. Ze zou het pas beseffen als het te laat was.

‘Tom,’ zei ze ernstig, ‘wat ik ook doe, ik speel geen spelletje.’ Ze stond op en liep naar de kast. In haar zijden onderrok was ze de personificatie van haar beschutte leven; ze had totaal geen weet van onmenselijkheid, ontuchtigheid, wreedheid - alles wat Slot Lancaster belichaamde.

‘Besef je wel dat die kinderen in de diepste kerkers zitten, driehonderd meter onder de grond? Dat ze hun behoeften doen in het stro waar ze in slapen? Dat ze luizen hebben, scheurbuik, schurft? Dat het moordenaars zijn, ondieren?!’

‘Daarom moet ik naar ze toe,’ zei ze, terwijl ze peinzend naar de rij japonnen keek, ‘om ze van ondieren in kinderen te veranderen.’

‘En je eigen kinderen dan?’ riep hij uit. ‘Wie zorgt er voor hen, terwijl hun moeder in de gevangenis rondhangt?’

Ze wierp hem een onderzoekende blik toe; daarna haalde ze de blauwe japon uit de kast die hij haar na de geboorte van de baby gegeven had. Ze legde de japon op het bed en stapte uit haar onderrok. ‘Er is personeel

[p. 219]

genoeg hier om een tijdje voor de kinderen te zorgen,’ zei ze.

Hij wilde haar bij de schouders pakken, haar door elkaar rammelen, haar in zijn armen nemen zoals hij gedaan had bij zijn terugkeer uit Gleaston uit jaloezie op die verdoemde Fox. Maar hij mocht haar niet in de steek laten op het moment dat ze hem het meeste nodig had. Of overdreef hij het hele geval? Was dit alleen maar weer zo'n opwelling, die ze in een week of wat zou uitleven zolang hij haar maar niets in de weg legde?

In een laatste poging om haar tegen zich zelf te beschermen liep hij naar haar toe, greep haar bij de schouders en zei: ‘Liefste, natuurlijk heb je gelijk: dat die kinderen daar opgesloten zitten is monsterachtig! Maar we leven nog niet in de ideale maatschappij! We proberen die tot stand te brengen voor onze kinderen en kindskinderen: een maatschappij waarin Slot Lancaster niet langer nodig zal zijn, waarin de mensen naar de galgen op de binnenplaats zullen kijken en zeggen: “Hoe was dat mogelijk?” Maar vóór dat ogenblik gekomen is...’

Ze keek hem aan met een vreemde tederheid. ‘Tom, liefste, begrijp je het dan niet? Dat ogenblik is nu gekomen.’

‘Maar, lieveling...’

‘Het ogenblik waarop je geweten je zegt dat er iets niet deugt, is het ogenblik om ermee op te houden.’

‘O, Margaret toch!’

Hij probeerde zich los te maken; maar ze hield hem vast. ‘Daarom moet ik gaan!’

‘Om wat te doen?

‘Om met die kinderen te verduren wat zij te verduren hebben. Om ze het besef te geven dat iemand zich om hen bekommert. Om, door het feit van mijn aanwezigheid, hun lot onder de aandacht te brengen van de machthebbers. Het is de enige manier om ze te redden.’

‘Maar, liefste!’ riep hij uit. ‘Je kunt ze niet redden! Begrijp dat dan toch!’

‘Waarom niet?’

‘Omdat ze het niet zullen toestaan!’

‘Wie niet?’

‘De autoriteiten! De regenten, de schout, de cipiers - iedereen!’

‘Jij bent de hoogste juridische autoriteit in het district. Zelfs al zouden de regenten en de rest niet begrijpen wat ik probeer te doen, ze zouden me ter wille van jou behulpzaam zijn. Zo is het toch?’

Hij werd overstelpt door moeheid. Hij maakte zich los, liep naar het bed en liet zich erop neervallen. ‘Vooruit dan maar.’ Hij zuchtte. ‘Wat precies ben je van plan voor die kinderen te doen?’

Terwijl ze het hem uitvoerig en geestdriftig vertelde, lag hij naar het baldakijn te staren. Hij luisterde niet naar haar woorden, maar naar het geruis van haar japon, terwijl ze door de kamer liep. Dat geluid, op dat ogenblik, was diep droevig, hartbrekend. Geleidelijk begon hij naar haar

[p. 220]

onaardse droom te luisteren. Schoolboeken, speelgoed, zangles, de kinderen uit hun dierlijkheid opheffen tot menselijkheid - ze had er hoegenaamd geen idee van wat voor kinderen het waren; ze kon zich niet indenken dat kinderen, zelfs kleine kinderen, monsters van wreedheid en bloeddorst konden zijn. Eén van de kinderen was dat vuilbekkende kleine monster, erger dan een hondsdolle das, dat zijn stiefvader met een pook de schedel had ingeslagen. Elf jaar oud, had de schout gezegd.

‘Goed, goed,’ zei hij, haar in de rede vallend. ‘Dit klinkt allemaal erg nobel; maar je zou er voor minstens een jaar heen moeten gaan als het enig effect zou willen sorteren. Hoelang ben je eigenlijk van plan in Lancaster te blijven?’

‘O, ik weet het niet.’ Hij kon horen dat ze daar nog niet over had nagedacht. ‘De Heer zal uitkomst geven.’

‘In dat geval,’ antwoordde hij, ‘zal de Heer dat binnen de maand moeten doen. Dat is wat ik bereid ben je te geven: één maand. Dertig dagen. Daarna, wat de toestand van die kinderen ook moge zijn, eis ik dat je in je gezin terugkeert.’

‘Tom! Luister nou 's...’

‘Het spijt me, maar daarmee is de kous af! Eén maand, en daarmee basta!’ Hij vertelde haar niet dat dit de uiterste termijn was gedurende welke hij zich van zijn werk kon losmaken en achter de schermen een oogje op haar houden. Hij kon haar onmogelijk alléén de onderwereld van de kerkers van Lancaster laten betreden. ‘Je zult iemand nodig hebben om je te vergezellen. Een bediende, een dame de compagnie...’

Ze glimlachte. ‘Ann Traylor dan maar. Dat is tenminste een stevige praktische meid.’

Op dat ogenblik verfoeide hij stevige, praktische meiden. ‘En wie zorgt er voor de huishouding terwijl jij weg bent?’

‘Henderson.’

‘Ik ben óók niet thuis, liefste. Ik ben niet voornemens onze huishouding aan Henderson over te laten.’

‘Mevrouw Best dan?’

‘Die heeft zelf een huishouden!’

‘Ik weet zeker dat ze het graag zal doen, zodra ze de reden te horen krijgt. Kan zij uw goedkeuring wegdragen, Sire?’

Hij negeerde de spot. ‘Er zijn een paar dingen die je over Slot Lancaster moet weten. De gevangenis staat onder leiding van twee schouten: Farragut, die je kent, en zijn assistent, die 's nachts dienst doet. Onder hen staan de cipiers. Dan is er nog de huishoudster, een wijf dat Farley heet of Fraley, die voor het eten zorgt en samen met haar man de kerkers schoonhoudt; althans ze wordt verondersteld dat te doen. Ze betaalt de gevangenis voor dat voorrecht, dus ik hoef je niet te vertellen dat ze de gevangenen iedere cent afhandig maakt die ze maar los kan krijgen. Het is een barbaars systeem, maar dat is nu eenmaal de traditie. Gevangenen die het zoge-

[p. 221]

naamde “strooigeld” niet kunnen betalen lijden honger en worden in het slechtste deel van de gevangenis ondergebracht; vandaar dat de kinderen in de diepste kerkers zitten: ze hebben geen strooigeld. De krankzinnigen hebben zelfs het benul niet dat ze dat zouden moeten betalen.’

‘Hebben ze geen familie die voor hen zorgt?’

‘Nee. Als ze familie hadden zouden ze daar niet zitten. Titulair hoofd van de hele bedoening is de provoost, geen permanente functie, maar een ambt dat bij toerbeurt door de rechters van het district wordt vervuld, voor drie maanden. Ze worden verondersteld tijdens hun ambtsperiode in het Slot te wonen, maar dat is een wassen neus. Het hangt ervan af wie er provoost is dit kwartaal of het gevangenispersoneel met je zal samenwerken of niet.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat, liefste, iedereen in de gevangenis corrupt is. God mag weten wat er in de kerkers gebeurt, 's nachts. Cipier zijn in Lancaster is een afgrijselijke baan, die maar heel weinig betaalt. Waarom doen ze het dan? Ik heb me nooit in die vraag verdiept, maar ik vrees dat het antwoord is: omdat ze ergens, op de een of andere manier, bevrediging vinden. Hoe, daar komt niemand achter omdat niemand er ooit naar binnen gaat. Het is een wereld die aan de cipiers en aan die griezelige huishoudster toebehoort; zelfs de schout, die in zijn kantoortje in de poort zit en zelden beneden komt, heeft er geen weet van wat er 's nachts voorvalt. Dat is het hellegat dat je van plan bent binnen te dringen.’

Ze luisterde, kennelijk alleen om hem een plezier te doen. Haar besluit stond vast; niemand zou haar daarvan af kunnen brengen, hij zeker niet. Haar dwaze plan zou gewoon uit moeten zieken, net als de vorige; het enige wat hij kon doen was in de buurt blijven om bij de hand te zijn, mocht de noodzaak zich voordoen. ‘Nu,’ zei hij, ‘ik geloof dat ik voor het eten nog even naar mijn kamer ga. Voel je iets voor een glas wijn?’

‘Nee, liefste. Ik kan me beter met de kinderen bezighouden. Ik heb ze gezegd dat ik zó terug zou zijn; dat was een uur geleden.’

‘Goed dan. Tot straks.’

Hij ging naar zijn studeerkamer en schonk zich een dubbele Drambuie in, waarin hij zich verslikte. Hij liet zich in de stoel achter zijn bureau vallen, zag Sam Pruitts agenda open voor zich liggen, stond op het punt het boek met een vloek opzij te schuiven; toen bedacht hij zich en begon erin te bladeren. Sam hield niet alleen aantekening van zijn eigen afspraken, maar ook van de toerbeurten van de rechters in zijn district.

De provoost van de gevangenis in Lancaster, dit kwartaal, was John Sawrey.

terug  begin  verder