terug  begin  verder
[p. 222]

Twee

Schout Farragut was een vlezige, zwierige man die, eenmaal bevrijd van de drukkende tegenwoordigheid van opperrechter Thomas Fell, heel galant bleek te kunnen zijn. Hij ontving de twee dames met uitbundige hoffelijkheid in zijn kantoor in de poort; hij beval zijn hoofdcipier zelfs hen te ontlasten van de mandjes die ze droegen. Ann Traylor verwachtte dat hij de cipier zou vragen haar en Margaret Fell naar de kinderen te begeleiden, maar zijn gezicht betrok plotseling toen de man hem iets liet zien dat hij uit een van de mandjes had opgediept. Het was een pop.

‘Speelgoed, mevrouw?’ vroeg de schout. Zijn gezicht stond opeens vijandig.

‘Waarom niet?’ Margaret Fell scheen onthutst te zijn, net als Ann zelf.

‘Mevrouw, ik zie mij genoodzaakt mijn toestemming in te trekken. Ik kan me onmogelijk verenigen met de wijze waarop u deze kinderen benadert.’

Margaret Fell fronste haar wenkbrauwen; Ann kende haar voldoende om te weten dat de man een verrassing te wachten stond. Haar meesteres gedoogde niet dat zij onder welke omstandigheid dan ook gedwarsboomd werd; ze had zich zo vastberaden op deze expeditie naar de kinderen in de gevangenis voorbereid, dat het onwaarschijnlijk was dat ze zich op het laatste moment zou laten afschrikken.

‘En waarom niet, meneer Farragut?’ vroeg ze, koel.

De schout draaide het popje om en om en bekeek het met een somber gezicht. ‘Deze kinderen, mevrouw, zijn misdadigers. Ze zitten in de gevangenis om voor hun misdrijven te boeten. Hen te leren lezen en schrijven is nog tot daar aan toe, maar ik kan niet toestaan dat u ze gaat verwennen met speelgoed.’

‘In dat geval laten we het speelgoed hier.’

Maar de schout liet zich niet van zijn stuk brengen. ‘Nee, mevrouw. Ik zal dit eerst met mijn superieuren moeten bespreken.’

‘Uw superieuren?’ Margaret Fell glimlachte op een manier die Ann Traylor goed had leren kennen. ‘Dit bezoek werd gearrangeerd door mijn man. Die is uw superieur.’

De schout hief de handen op. ‘Ach, als het alleen maar om uw man ging, mevrouw! Maar er zijn helaas andere heren met wie ik rekening moet houden.’

‘En wie dan wel?’

[p. 223]

De schout viel terug in zijn rol van charmante gastheer. ‘Mag ik voorstellen dat u naar uw herberg teruggaat, mevrouw, en morgenochtend terugkomt? Het spijt me dat ik u deze last moet veroorzaken, maar onder de omstandigheden ben ik niet gemachtigd u toe te laten.’

‘Welke omstandigheden, man?!’

Als die schout wist wat goed voor hem was zou hij haar nu verder niets in de weg leggen. Maar hij bleef halsstarrig. ‘Het spijt me, mevrouw; ik kan de door de regenten vastgestelde voorschriften niet veranderen. Ik ben hun ondergeschikte, mevrouw.’

Margaret Fell stond op. ‘Wie zijn die regenten? Ik ga meteen naar ze toe.’

De schout, die ook was opgestaan, keek de gebiedende vrouw meewarig aan. In de ogen van Ann Traylor had zijn houding iets aanmatigends dat ze niet begreep. ‘Mevrouw, ik neem aan dat het uw bedoeling is die kinderen te helpen?’

‘Ik dacht dat ik dat wel duidelijk had gemaakt.’

‘Mag ik u dan een raad geven? Trek niet méér de aandacht dan strikt noodzakelijk is. Tot nog toe zijn alleen uw man en ik op de hoogte van uw - eh - nobele plan. Ik zou u aanraden geen slapende honden wakker te maken, als u uw doel wilt bereiken.’

Margaret Fell overwoog haar besluit. ‘Goed,’ zei ze ten slotte. ‘Ik begrijp niet waarom al die poespas nodig is, maar ik zal me er voor vandaag bij neerleggen. We komen morgenochtend terug. Ik vertrouw erop dat zich dan geen verder oponthoud zal voordoen.’

‘Ik zie niet in waarom wel, mevrouw.’ De schout maakte een buiging, niet bij machte zijn opluchting te verbergen. ‘Goedemiddag, mevrouw, jongedame. Tot morgen: veel succes.’

Zonder zijn afscheidsgroet te beantwoorden, stevende Margaret Fell het kantoor uit, waarbij ze het dragen van de mandjes aan Ann overliet. Die waren zwaar: schoolboeken, bijbels, schrijfgerei, speelgoed; de snuffelende cipier had niet diep genoeg gegraven om het snoepgoed te ontdekken.

Buiten, in de felle zon, zag Margaret Fell rood van woede. ‘Vooruit, laat mij dat dragen,’ zei ze en nam haar eigen mandje over. ‘Ik voel er veel voor om een boodschap aan mijn man te sturen. Maar het is misschien het beste er niet te veel drukte over te maken. We zullen zien wat er morgen gebeurt.’ Ze greep het mandje en beende terug naar de herberg, een stap vóór haar jeugdige gezellin uit. In de herberg, waar ze kamers hadden genomen die eenvoudiger waren dan die waar de vrouw van opperrechter Fell aan gewend was, maar waar ze op gestáán had, scheen Margaret haar boze bui te hebben bedwongen. ‘Wat een onzin, toch,’ zei ze, terwijl ze haar mand op de tafel zette. ‘Net als alle ondergeschikten vindt hij het nodig om gewichtig te doen, uit angst dat we zijn belangrijkheid onderschatten. Nu, wat doen we vandaag?’

[p. 224]

‘We zouden de Vrienden hier in de stad kunnen gaan opzoeken,’ opperde Ann.

Margaret Fell keek bedenkelijk. ‘Nee. Na vanmorgen lijkt me dat geen goed idee. Ik weet niet precies wat, maar iets bevalt me niet, in de manier waarop die schout daar zat te pronken.’ Ze nam haar sjaal weer op. ‘Laten we een eindje gaan wandelen,’ zei ze. ‘We zijn in geen dagen in de buitenlucht geweest.’

Dat was nonsens; ze hadden drie dagen lang door de stad gesjouwd om dingen te kopen die leerzaam werden geacht voor analfabetische kinderen. Maar Ann kende haar meesteres voldoende om niet te protesteren. Gehoorzaam volgde ze haar de smalle trap af naar de binnenplaats, de straat op. Ze was liever boven gebleven om haar dagboek bij te werken, maar ze vergezelde haar meesteres op een wandeling door de stad naar het klif. Daar gingen ze zitten om uit te kijken over de zonbelichte baai. Het was een warme dag, de vogels zongen, er hing een geur van bloeiende hei. Margaret Fell praatte honderd uit; Ann luisterde maar half. Ze hunkerde ernaar om verder te gaan met haar dagboek.

Pas laat die avond na hun sobere avondmaal, nadat ze elkaar eindelijk welterusten hadden gewenst en ieder naar haar kamer was gegaan, kreeg Ann de kans haar tegenstrijdige gevoelens voor zich zelf te formuleren in haar dagboek. Ze moest voorzichtig zijn; Margaret Fell kon ieder ogenblik onaangekondigd binnenkomen. Ze stak een kaars aan, zette de kandelaar op tafel, haalde inktpot, ganzepen en het schoolschrift te voorschijn en ging met haar gezicht naar de deur aan tafel zitten. Ze hield haar linkerhand tussen de bladzijden, klaar om bij het geringste geluid Bonny Bakers oefeningen op te slaan.

‘Vandaag heb ik ontdekt dat ik een bedriegster ben,’ schreef ze. ‘Een week geleden was ik tot tranen toe geroerd bij het zien van die kinderen, bijeengekropen in het stro in het lantaarnlicht; nu betrap ik me erop dat ik me zit af te vragen hoe ik me hieraan kan onttrekken. Waarom ben ik zo bang, zodra ik maar aan de kerkers denk? Aan die krankzinnige mensen? Die handen, die naar me graaien? De stank, het gillen, dat hele gruwelijke oord? Mijn verstand zegt me dat er voor mij persoonlijk geen gevaar is. Maar iets, een soort voorgevoel, maakt dat ik in paniek raak zodra ik in de-buurt van het Slot kom. Vanmorgen, toen de schout ons de toegang weigerde, kon ik de man wel omhelzen. Later, tijdens de wandeling, schaamde ik me natuurlijk diep. Vanavond...’ Ze sloeg de bladzijden terug en staarde naar de deur. Het was loos alarm geweest; maar ze voelde zich niet langer op haar gemak. Ze sloeg het schrift dicht en borg de inktpot en de ganzepen op. Ze zette de kandelaar op het nachtkastje en begon zich uit te kleden. Voordat ze in bed stapte knielde ze neer, haar handen gevouwen op de sprei. Ze probeerde God te smeken haar te vergeven, haar kracht en vastberadenheid te schenken. Maar ze zag die donkere poort voor zich, en dat beeld vervulde haar met een angst die ze nog nooit had gekend.

[p. 225]

***

 

De volgende ochtend ontving schout Farragut hen opnieuw met veel strijkages; maar Margaret Fell wist op het eerste gezicht al dat hij hen wéér niet zou toelaten. Inderdaad: met overmatige hoffelijkheid deelde hij mevrouw Fell mee dat, tot zijn leedwezen, de regenten het niet verstandig achtten dames van haar stand in haar kostbare kledij toe te laten bij de gevangenen, die allemaal van nederige afkomst waren en nodeloos getart zouden worden zodra iemand als zij zich tussen hen begaf. Dus moest hij hun, helaas, opnieuw de toegang weigeren.

Margaret zei, met een stalen gezicht, ‘In dat geval kan mijn gezellin tenminste naar beneden gaan. Niemand kan haar een vertegenwoordigster van de welgestelde klasse noemen.’

De arme Ann werd doodsbleek en smeekte, met ogen vol afgrijzen, ‘O, ik bid u, mevrouw! Alstublieft, doe dat niet! Ik zou het niet kunnen! Alstublieft! Ik zou onmogelijk alleen naar binnen kunnen gaan!’

‘Goed, goed.’ De reactie van het meisje verbaasde haar. Ze had er geen idee van gehad dat de gevangenis haar zulk een afschuw inboezemde. ‘Mag ik vragen wie deze beslissing genomen heeft, meneer Farragut?’

‘Pardon, mevrouw?’ De schout keek haar bijna aandoenlijk van onschuld aan.

‘Kom, kom,’ zei ze, met haar innemendste glimlachje. ‘Ik begrijp dat u zich aan uw orders moet houden, maar ik weet dat u dit heel pijnlijk vindt.’

De man slaakte een zucht van opluchting. ‘Ik ben blij dat u het zo opvat, mevrouw Fell. Het doet me werkelijk leed dat door deze willekeurige -’ Hij hield verschrikt op, maar hij had al te veel gezegd.

‘Ik denk dat u het makkelijker zou maken voor ons allebei wanneer u me vertelt wie hier achter zit,’ vervolgde ze. ‘Zoals u weet heeft mijn man opdracht gegeven dat we moeten worden toegelaten; het zou nuttig zijn, voor u, als ik hem zou kunnen bewijzen dat deze chicanes niet van u uitgaan.’

Hij keek haar onderzoekend aan. ‘Dat kan ik onmogelijk doen, mevrouw,’ zei hij, met een weifeling die haar hoop gaf. ‘Laat uw man het maar met rechter Sawrey opnemen. Die is provoost, dit kwartaal. Ik zit hier ook maar op een jaarwedde.’

De kleine John Sawrey! Die was het dus. ‘Nu ja,’ zei ze, opgewekt. ‘We zullen dan nog maar een dagje wachten. Ik zal morgenochtend in de allernederigste kleding verschijnen. Goedemorgen, meneer de schout.’ Ze stond op. ‘Ik hoop u morgenochtend in goede gezondheid aan te treffen. Kom, Ann.’ Ze nam het meisje bij de arm en liep het kantoortje uit met een vertoon van opgewekte meegaandheid.

Gedurende hun wandeling terug naar de herberg namen gedachten aan Sawrey haar in beslag; pas toen ze weer op hun kamers waren herinnerde

[p. 226]

ze zich de angst van het arme meisje.

‘Het spijt me dat ik opperde, lieve Ann, om je alleen naar binnen te laten gaan. Ik zei het alleen maar om hem in verlegenheid te brengen.’

Ann had kans gehad zich te herstellen. ‘O, dat deed er niet toe, mevrouw,’ zei ze. ‘Het leek me alleen maar niet goed ons van elkaar te laten scheiden.’

‘Dat is zo.’ Klaarblijkelijk wilde het meisje er niet over praten. Ze schaamde zich voor haar angst. Maar waarom zou ze? Per slot van rekening was ze pas achttien; dat eerste bezoek aan de gevangenis moest een diepe indruk op haar hebben gemaakt. ‘Ik ben benieuwd wat rechter Sawrey nu zal bedenken,’ zei Margaret. ‘Ik ben van plan net zo lang toe te geven tot hij geen voorwendsels meer weet te vinden.’

Ze ging die middag winkelen, op zoek naar een japon die ‘nederig’ genoeg zou zijn. Pas de derde kleermaakster die ze bezocht had iets te bieden: een zedig, nogal nauw donkerbruin keurslijf en rok met bijpassend mutsje, bedoeld als een eerste vervanging voor de rouwdracht van een weduwe. Het paste haar niet, maar het kon ermee door, ofschoon de rok haar voeten vrijliet. In deze zedige, nederige vermomming daagde ze de volgende ochtend op voor een derde poging om het bolwerk van Slot Lancaster binnen te dringen.

Wederom was de schout de hoffelijkheid zelf. Deze keer scheen hij het zelfs pijnlijk te vinden dat hij hen ook deze dag niet kon toelaten, aangezien er in de afgelopen nacht in het Slot een paar aanrandingen hadden plaatsgevonden. Ze hadden de schuldige nog niet kunnen grijpen; het zou een van de gevangenen kunnen zijn, mogelijk uit de afdeling gegijzelden wegens schuld. Er waren twee aanvallen op vrouwen gedaan; hij kon niet riskeren dat ook zij gemolesteerd zouden worden.

Het was een redelijk excuus, maar Margaret was ervan overtuigd dat het een verzinsel was. ‘Dank u voor uw bezorgdheid, meneer Farragut,’ zei ze. ‘Ik zal uw wens eerbiedigen. Ik neem aan dat u de onverlaat vóór morgenochtend wel te pakken zult hebben.’

‘Ah!’ De schout hief de handen op. ‘We doen ons best, mevrouw. Maar we hebben hier meer dan tweehonderd gevangenen...’

‘Mocht u intussen bezocht worden door rechter Sawrey, zou u dan zo vriendelijk willen zijn hem een boodschap over te brengen?’

‘O ... Hm ... ik weet niet zeker of ik hem vandaag...’

‘We hebben een wederzijdse vriend die John McHair heet,’ zei ze luchtig, ‘die wilde graag dat ik zijn groeten aan de rechter overbracht. Zou u zo vriendelijk willen zijn dat namens mij te doen? John McHair. Geen moeilijke naam om te onthouden, wel?’

‘Nee, inderdaad...’ De schout keek haar argwanend aan. ‘Met genoegen, mevrouw.’

‘Hartelijk dank. Ik hoop u morgen in goede gezondheid weer te zien, sans aanrander. Ja?’ Zonder op een antwoord te wachten, nam ze Ann

[p. 227]

Traylor bij de arm en ging de kamer uit.

Later, in de herberg, kreeg ze spijt. Dit was niet de manier waarop een Kind van het Licht geacht werd zich te gedragen. Sawrey met een verhuld dreigement te intimideren was het omgekeerde van wat George zou hebben gewild dat ze deed. Ze had op het Goddelijke in de kleine rechter moeten afgaan - wat dat dan ook betekende. Enfin, het was nu te laat. Sawrey had waarschijnlijk achter de deur gestaan en hun gesprek afgeluisterd.

Die avond, voordat ze in slaap viel, kwam het bij haar op dat het verhaal van die aanrandingen wel eens waar kon zijn geweest. Ze moest oppassen zich niet door haar fantasie te laten meeslepen.

Fantasie of niet: de volgende ochtend werden ze toegelaten.

 

***

 

Zodra de schout zei: ‘Ja, dames - ditmaal is de weg vrij,’ voelde Ann Traylor, die erop gerekend had dat ze opnieuw zouden worden afgewezen, zich opeens verlamd van angst. Ze deed haar best net zo flink te doen als Margaret Fell terwijl ze door de poort naar de deur liepen die toegang tot de kerkers gaf. Ze probeerde net zo kalm te lopen als zij, met dezelfde rustige vastberadenheid; maar toen de cipier de sleutel omdraaide, de zware deur opentrok, en een lijkachtige stank hen toegolfde, greep ze Margaret Fells arm.

Ze volgden de cipier met zijn lantaarn naar binnen, de muffe, klamme kelderlucht in. Omlaag starend in het donkere trapgat, begon Ann te beven. Ze kon er niets aan doen; ze sidderde als een espeblad. Margaret Fell legde haar hand op de hare en zei: ‘Voorzichtig! Ik herinner me dat deze treden erg glibberig zijn.’ De manier waarop ze het zei hielp Ann de eerste treden af te dalen. De griezelige zwarte put van de wenteltrap met de vochtige stenen muur, koud en slijmerig, scheen gevuld met de angst, de pijn en de waanzin van twee eeuwen marteling. Of waren het drie eeuwen? De schout had hun bij hun eerste bezoek de geschiedenis van het Slot verteld; ze herinnerde zich dat de onderaardse gangen de resten waren van een zilvermijn uit de Romeinse tijd, en dat de diepste kerkers op driehonderd meter onder de grond lagen. Daar zaten de kinderen.

Het lantaarnlicht wierp dansende glimmerlichten op de muur. Ze had het gevoel alsof ze afdaalde in een massagraf vol levend begraven mensen. Naarmate ze lager kwamen werd de stank weerzinwekkender, een stank van schimmel, rottende dingen, uitwerpselen, braaksel...

Een geloei van vele stemmen, door echo's versterkt, overrompelde de beide vrouwen volkomen. Ze hadden een overloop bereikt waarop een aantal donkere gangen uitkwamen; het afgrijselijke gehuil scheen daaruit te komen. De cipier schreeuwde: ‘Kop dicht! Bek dicht, smerige zwijnen!’ Toen herinnerde hij zich dat hij de gids was van de vrouw van de opperrechter en mompelde: ‘Neem me niet kwalijk, mevrouw, maar da's de enige taal

[p. 228]

die ze begrijpen. Beesten zijn het, vuile, smerige beesten.’

Margaret Fell zei niets. Toen ze de wenteltrap verder afdaalden, de donkere put in, greep ze Ann stevig bij de arm, als om haar steun te geven. Maar ditmaal beefde haar hand ook.

Op de volgende verdieping gebeurde hetzelfde: gekrijs, gebrul, gefluit, door de echo's van de gangen dooreengemengd tot een geloei alsof in de ingewanden van de aarde een kolossaal monster huisde. Maar Ann voelde niet langer de misselijkmakende angst dat iets uit die zwarte, gapende openingen op hen zou losstormen; hoe angstaanjagend het gehuil ook mocht zijn, het was kennelijk een uiting van machteloze haat, gekooid en geketend.

Het werd kouder naarmate ze verder afdaalden, de stank benauwender. Het tochtte in de put. Ann herinnerde zich dat de schout iets verteld had over luchtkanalen. Ze begon duizelig te worden en klampte zich aan Margaret Fells arm vast. Plotseling kwam, met een heksachtig gegier, een groot zwart voorwerp van boven op hen neersuizen; Ann slaakte een gil en deinsde tegen de muur; Margaret Fell drukte haar tegen zich aan. Het zwarte voorwerp zoefde omlaag in de put; het enige wat Ann had kunnen onderscheiden waren wieltjes. Een touw, dat er daarnet niet geweest was, stond nu strak omlaag de put in.

‘O,’ zei de cipier, onverstoord, ‘dat was de kar van mevrouw Fraley. Zij en haar man zijn bezig het stro op 5 te verversen. Ze halen het ding aan een katrol op en neer.’

‘Ach,’ zei Margaret Fell, ‘interessant. Zullen we verder gaan?’

Op de volgende verdieping loeide hen geen gebrul meer tegemoet uit de donkere gangen, maar het gevoel van tegen hen gerichte haat scheen sterker. Het was alsof het beest dat in die diepere holen leefde te afgemat was om uiting aan zijn woede te geven. Met een gevoel van opluchting hoorde Ann een schril gejammer uit de diepte. Het werd sterker naarmate ze verder afdaalden; toen ze eindelijk op de onderste verdieping waren gekomen en achter de cipier een gang inliepen, herinnerde ze zich de krankzinnigen. Het gegil en gevloek werd oorverdovend, en daar waren weer die spookachtige klauwen, die naar hen graaiden terwijl ze voorbijliepen. In het duister van de kooi gilden en kreten de krankzinnige vrouwen, braakten vloeken uit, beukten hun ketens tegen de tralies. Toen eindelijk, na gerammel van sleutels en een geknars van roestige scharnieren, de cel van de kinderen openging vluchtte Ann naar binnen. Terwijl de cipier Margaret Fell uitlegde hoe het slot werkte, keek Ann naar de kinderen in het lantaarnlicht. Het waren er zes, dicht op elkaar gedrongen; hun ogen in hun smerige gezichtjes glinsterden met een ratachtige felheid. Ze walgde van hun lompen, hun drekkigheid, de korsten vuil op hun gezichten, hun zwakzinnig openhangende monden. Hoe was het mogelijk? Nog geen week geleden had de aanblik van deze zelfde kinderen haar tot tranen toe geroerd, nu voelde ze alleen maar walging. Het leek ongerijmd, een afschuwe-

[p. 229]

lijke vergissing.

Margaret Fell liep naar de kinderen toe. ‘Zo, kinderen, ik ben Margaret, mijn vriendin hier is Ann, en we zijn gekomen om voor jullie te zorgen. Nu, laten we eens zien. Wie hebben we hier? Hoe heet jij, lieve kind?’

Het meisje dat ze aansprak staarde haar achterlijk aan, snot glom op haar bovenlip, ze krabde zich door haar lompen heen traag de borst. Tot Anns ontsteltenis begon haar bewondering voor haar meesteres te wankelen. Kon het zijn dat dit niet meer was dan de gril van een rijke dame? Hoe hadden ze ooit kunnen denken dat ze door vriendelijkheid, bezorgdheid, liefde, nader tot deze kinderen zouden komen? Ze waren niet beter dan dieren, wat begrip betrof; slechts één scheen een schimmetje intelligentie te hebben: een eenogige jongen in een smerige groene overjas die hem veel te groot was. Hij stond tegen de muur geleund en staarde hen aan met een honende grijns. Zijn enkels waren aan elkaar geketend.

Margaret Fell begon haar mandje uit te pakken. Ze haalde bijbels, leesplankjes, leitjes, griffels, krijt te voorschijn, en stalde alles voor de met open mond toekijkende wezens op het stro uit. Ann wist dat haar hart ineen zou moeten krimpen van meelij bij het zien van de achterlijke stakkers, maar ze stonden zo ver af van alle kinderen die ze ooit gekend had, dat ze er niet toe kon komen ze als zodanig te beschouwen. Ze kon ze zelfs niet uit elkaar houden; behalve dan dat ene meisje en die eenogige jongen. Ze kwamen pas tot leven toen Margaret Fell het snoepgoed uitpakte. Zodra ze het meisje een versnapering reikte, vlogen ze er allemaal met angstaanjagend geweld op af. Binnen de seconde waren ze aan het vechten, gillen, klauwen, bijten, worstelend in het stro om elkaar de lekkernij afhandig te maken. Het meisje dook krijsend in een hoek; de eenogige jongen in de groene overjas keek honend toe; Margaret Fell greep de lantaarn toen die door de rollende massa armen en benen omver gesmeten werd; als het stro vlam vatte zouden ze allemaal levend verbranden. Ann smeekte haar meesteres de kinderen te laten grijpen wat ze wilden hebben, de deur te openen zodat ze zich uit de voeten zouden kunnen maken.

Maar mevrouw Fell was niet van plan het zo snel al op te geven. Met een gevoel van wanhoop sloeg Ann haar gade terwijl zij trachtte de kinderen tot orde te brengen. Geen wonder dat de schout zijn best gedaan had hen van hun voornemen af te brengen; dit was een ramp. Maar op de een of andere manier lukte het Margaret Fell de wilde beesten ervan te weerhouden elkaar aan stukken te scheuren. Ze zette de kinderen op een rijtje, gaf hun allemaal een leesplankje, een lei en een griffel en begon haar eerste les.

‘A-appel. Zien jullie dat, kinderen? Laten we eens proberen dat op onze leitjes te schrijven. A-appel...’

Ann sloot haar ogen. Het was duidelijk dat de kinderen niet van plan waren te gehoorzamen. Ze luisterden niet eens. Ze staarden allemaal met die ratachtige ogen naar de mandjes. Ieder ogenblik konden ze erop af springen, erin graaien tot ze het snoepgoed hadden gevonden en opnieuw

[p. 230]

vechtend in het stro rollen tot het lekkers zoekgeraakt of opgegeten was. De krankzinnige vrouwen in de kerker naast hen joelden, schaterden, koerden: ‘Schatje? Schatje? Schatje, schatje?’ Een van hen krijste iets schunnigs; de waanzinnigen gilden het uit van het lachen. Ann kromp ineen bij de gedachte aan wat haar zou kunnen gebeuren als ze ooit binnen het bereik van die klauwen kwam; ze was er zeker van dat het obscene gejoel tegen haar gericht was. Maar Margaret Fell begon nu notabene te proberen die rampzalige kinderen ‘De Andalusische Koopman’ te leren, een zesstemmig madrigaal, zo ingewikkeld dat haar eigen dochters er drie weken voor nodig hadden gehad om het in te studeren. Toen ze met haar verfijnde salon-sopraan begon te zingen, zette ze de krankzinnige vrouwen aan tot een verdubbeld gekrijs. Ze rammelden met hun kooi, beukten hun ketens tegen de tralies; het kabaal overstemde haar delicaat gezang volkomen.

Ann zat gehurkt in het stro, dat naar uitwerpselen en urine stonk, doof van het gehuil, aangestaard door die honend grijnzende jongen in de hoek, tot Margaret Fell het eindelijk opgaf. Ze zamelde de leitjes, griffels, krijtjes, leesplankjes en bijbels weer bijeen en borg alles in de mandjes.

‘Mooi, kinderen,’ zei ze met opgeruimde stem, ‘voor zo'n eerste dag is dit uitstekend gegaan. We komen morgen terug, en ik weet zeker dat we heel gauw aan elkaar gewend zullen zijn en kunnen beginnen iets te leren. Want door leren zullen jullie je weg terug naar de wereld vinden, kinderen! Zodra jullie kunnen lezen...’

‘Gelul!’ De jongen in de hoek grijnsde voldaan.

‘Dat was niet erg netjes,’ zei Margaret Fell kalm.

‘Lulpraat, lulpraat! Stinkende rothoer!’ zei de jongen.

Het maakte geen indruk op de meesteres van Swarthmoor Hall. ‘Dat is heel lelijke taal, jonge vriend,’ zei ze rustig. ‘Ik hoop dat we je gauw een paar andere woorden kunnen bijbrengen.’

‘Lul maar!’ zei de jongen. ‘Schijt an je, vuile teef.’

Margaret Fell draaide zich om. Haar gezicht was strak, zoals altijd wanneer een van haar kinderen of bedienden haar ongenoegen opwekte. ‘Laten we gaan, Ann,’ zei ze. ‘Houd even de lantaarn bij, dan kan ik de deur openmaken.’

‘Lulwijf!’ zei de jongen achter hen. ‘Hoop stront!’

Margaret Fell haalde de sleutel uit haar keurslijf te voorschijn, stak haar hand door de tralies en zocht op de tast naar het slot. Ann vroeg zich af of haar meesteres zich van het gevaar bewust was; terwijl ze haar met de lantaarn bijlichtte, hield ze de kinderen scherp in het oog, in de verwachting hen naar de vrijheid te zien springen zodra de deur openging. Maar tot haar verbazing reageerden ze er geen van allen op toen het hek naar binnen zwaaide; het leek alsof het opengaan van de deur geen vrijheid meer voor hen betekende. Het was het enige ogenblik waarop deernis in haar opwelde voor de vreemde wezens die daar in het stro gehurkt zaten en haar aangaapten terwijl ze uit hun wereld de gang inglipte. Margaret Fell draaide

[p. 231]

de sleutel om, stopte die weer in haar keurs en ging op weg naar het trapportaal.

Het was een moment vol onzegbare opluchting; Ann vond zelfs het gekrijs niet meer zo erg dat de krankzinnige vrouwen aanhieven, als verdoemde zielen in de hel. Toen ze langs de donkere opening liep van de eerste zijgang, gebeurde het.

Een man in een cape, een hoed over zijn ogen getrokken, sprong in het lichtschijnsel van de lantaarn. Ann was door zijn plotselinge verschijnen zo verbluft dat ze nauwelijks bevatte wat er gebeurde; de man greep haar beet en trok haar met ruwe kracht naar zich toe. Ze schreeuwde toen ze voelde hoe zijn handen aan haar keurslijfje rukten, het openscheurden, naar haar borst graaiden. Ze liet de lantaarn vallen; in de plotselinge duisternis vocht, krabde, beet, trapte zij; ze voelde zijn handen op haar naakte lijf, ze wist wat hij wilde doen, gillend van doodsangst probeerde ze zich uit zijn greep los te rukken; vergeefs. Toen ze in weerloze overgave ineenzeeg, op de rand van bewusteloosheid, verslapte zijn greep plotseling. Ze voelde zijn adem niet meer; ze zag vaag een gestalte achter hem die met een groot voorwerp op zijn hoofd en rug beukte, tot hij losliet en wegvluchtte. Ze hoorde Margaret Fells stem: ‘Ann! Lieverd, Ann!’ Toen viel ze flauw.

 

***

 

Nadat ze de aanvaller met haar mandje van het meisje had losgeslagen, raakte Margaret Fell in paniek. Ze gilde, gilde; na lange tijd snelde een cipier met een lantaarn haar te hulp. Toen het meisje bijkwam, droeg hij haar naar boven. Het arme kind zag er deerniswekkend uit; lichamelijk was haar, goddank, niets onherstelbaars overkomen, maar emotioneel? En het was háár schuld!

Toen ze het kantoortje van de schout naderden, zag Margaret een mannengedaante in een cape en met een zwarte hoed op naar buiten komen en de benen nemen zodra hij hen in het oog kreeg. Even vond ze dat vreemd; in het kantoor van de schout, terwijl ze Ann met vereende krachten in een stoel hielpen, viel haar blik op iets dat voor het schrijfbureau op de grond lag: een rood stukje suikergoed. Toen ze met haar mandje op de man had losgeranseld was de hele inhoud over hem uitgestort; dit stukje suikergoed moest uit de kraag van zijn cape gevallen zijn.

Het gaf haar onmiddellijk haar zelfvertrouwen terug. Het feit dat de overval kennelijk deel van Sawreys campagne uitmaakte herstelde haar vastberadenheid. Ze moest Ann zo gauw mogelijk naar de herberg brengen, maar het was belangrijk dat ze eerst even met de schout praatte. Ze zei tegen hem: ‘Ik zou u graag even onder vier ogen willen spreken, meneer Farragut.’

Verbaasd verzocht hij zijn cipier hen een ogenblik alleen te laten; toen de man de kamer uit was zei ze: ‘Vriend, dit kind werd door een van jouw

[p. 232]

mensen aangerand. Ik zal hier verder geen werk van maken, maar ik ben diep begaan met haar, met de kinderen, maar vooral met jou, vriend Farragut.’

‘Maar mevrouw...’

‘Ik moet je waarschuwen dat je op het punt staat je aan de macht van den boze uit te leveren. Het is een keuze, beste vriend; de keuze is aan jou.’

‘Mevrouw,’ zei de schout manhaftig, ‘ik heb mijn orders.’

Ze keek naar zijn zwakke, vlezige gezicht. Hij was omkoopbaar, en dus te benaderen. Sawrey zelf was buiten haar bereik, verschanst achter de muren van zijn haat. ‘Wees zo goed je superieuren te vertellen dat we morgen terugkomen.’

De schout zuchtte. ‘Mevrouw,’ zei hij met gedempte stem, ‘hebt u nu nóg niet begrepen dat uw aanwezigheid in deze gevangenis niet gewenst is? Ik bewonder uw vasthoudendheid, maar u kunt dit niet winnen. Uw man mag dan de hoogste autoriteit van de rechterlijke macht zijn, hij komt maar zelden in deze gevangenis. Er zijn anderen, die hier wél komen, vastbesloten u te beletten zich met de kinderen te bemoeien.’

Ze aarzelde; toen vroeg ze: ‘Hoe heet je?’

‘Pardon?’

‘Je voornaam.’

Verbijsterd antwoordde hij: ‘Hyman.’

‘Vriend Hyman,’ zei ze, met het gevoel alsof ze George Fox imiteerde, ‘je hebt, net als wij allemaal, God binnenin je. Als Hij je zegt dat iets slecht is, kun je het niet goedmaken door te denken: “Ik ben het niet die het doet, maar de schout van de gevangenis van Lancaster.” Jij kunt je voor God net zo min achter je functie verschuilen als ik. Ik ben de vrouw van een hoge ambtenaar, ik zou mijn man niet in verlegenheid moeten brengen, niet moeten handelen tegen de wensen van de regenten...’

‘Of van de Kerk?’

Ze keek hem aan, verbaasd.

Hij wierp een blik op de deur en fluisterde: ‘Mevrouw, ik moet u waarschuwen. Spreek tegen niemand in deze gevangenis zoals u daarnet tegen mij hebt gesproken. De positie van uw man zal u niet beschermen. Integendeel.’

Impulsief zei ze: ‘Dank je, vriend Hyman. Of heb je liever dat ik zeg: “Dank u, meneer de schout”?’

Hij glimlachte verlegen. ‘Onder vier ogen, mevrouw, zal het me een eer zijn als u me als Hyman zou willen aanspreken.’

‘Dank je, vriend Hyman.’

Ze liep naar Ann toe, die wit als een doek in de stoel gezakt hing. ‘Kom, liefje.’

Ze hielp het meisje overeind; de schout hielp mee haar de poort uit te geleiden. Ze wilde een draagstoel laten komen om hen naar de herberg te brengen, maar de frisse lucht scheen het meisje goed te doen. Toen ze na

[p. 233]

een langzame wandeling bij hun logies kwamen, was Ann opgeknapt, maar klampte zich nog steeds angstig aan haar vast.

Zelfs in hun kamers wilde het arme kind niet dat ze haar alleen liet. Sussende woorden richtten niets uit; het enige dat het meisje gerust scheen te stellen was haar nabijheid. Zodoende besloot ze maar naar bed te gaan, hoewel het nog vroeg was, en het kind bij zich te nemen, zoals ze dat ook met een van haar eigen zou hebben gedaan. Pas toen ze in bed lag, het meisje tegen zich aangedrukt, merkte ze hoe uitgeput ze zelf was. Zodra haar hoofd op het kussen lag, doezelde ze weg.

Op de rand van de slaap dacht ze aan de kinderen. Ze had klaarblijkelijk hun vertrouwen nog niet kunnen winnen. Die eenogige jongen bracht haar niet van haar stuk met zijn vuile taal; ondanks zijn pogingen volwassen en cynisch te lijken, was hij kennelijk niet meer dan een doodsbang kind. De grote woorden waren louter bravour geweest, net als het hysterisch gegiechel waarin haar eigen meisjes uitbarstten, toen ze nog klein waren, bij het woord ‘bil’. Arme jongen, kon ze hem maar bereiken! Maar om dat te kunnen zou ze eerst liefde voor hem moeten voelen.

De gedachte wekte haar even uit haar sluimering op. Zou ze zich kunnen dwingen liefde op te brengen voor die zielige, eenogige stakker, zo smerig, zo ziek, zo vol haat?

‘Stil maar, kindje, stil maar,’ mompelde ze tegen het meisje in haar armen. Toen het kind eindelijk sliep, viel ze zelf ook in slaap.

 

***

 

De nacht die Ann Traylor bij Margaret Fell in bed doorbracht, was er een van pure gelukzaligheid. Ze werd achtervolgd door nachtmerries, maar iedere keer als ze met bonzend hart wakker werd, was er het warme, zachte lichaam van haar meesteres, het vredige ritme van haar ademhaling. Half in slaap voelde Ann zich gelukkig en veilig; ondanks de nachtmerries verloor ze nooit helemaal het besef dat ze wakker zou worden in volstrekte geborgenheid. Het was nu allemaal voorbij. Hierna zou er geen sprake meer van kunnen zijn dat ze hun pogingen voortzetten.

Maar ze ontdekte de volgende ochtend tot haar verbijstering dat haar meesteres weer naar de gevangenis terugging. Het betekende natuurlijk dat zij met haar zou moeten meegaan. Het vervulde haar met een gevoel van verraad. De genegenheid en de liefde die ze voor de vrouw voelde moesten volkomen onbeantwoord zijn; het enige waaraan Margaret Fell dacht waren die vervloekte kinderen. Of haar gezellin als gevolg daarvan door de verschrikkingen van de hel moest gaan, interesseerde haar niet.

Maar het bleek dat Margaret Fell niet van Ann verwachtte dat ze haar zou vergezellen. Ze verwachtte dat ze in de herberg zou blijven om tot rust te komen; het was belachelijk om een dergelijke ervaring een tweede keer te riskeren. Maar inmiddels was Anns gevoel van verraad gegroeid tot

[p. 234]

vijandigheid. ‘Natuurlijk ga ik mee. Als jij kunt gaan, kan ik dat ook.’

Ze kon niet begrijpen waarom ze dit dwaze voorstel deed. Ze werd verlamd van angst bij de gedachte weer in die duisternis te moeten afdalen. Pas toen ze met hun opnieuw gevulde mandjes weer op weg gingen naar het Slot Lancaster drong het tot haar door wat haar dwong zich aan haar meesteres vast te klampen. Het was zwakheid; ze kon niet zonder het gevoel van geborgenheid dat de vrouw haar gaf. Het was een soort verslaving: ze wilde thuisblijven, maar ontdekte dat ze het niet kon. Als ze nu maar uit nobele overwegingen was meegegaan! Het was beschamend; en het resultaat was een toenemende vijandigheid jegens Margaret Fell en alles wat ze vertegenwoordigde: Quakerisme, onbaatzuchtigheid, kinderen die, zoals ieder verstandig mens kon zien, niet meer te redden waren.

Ze werden bij de poort begroet door een cipier, die op hen moest hebben staan wachten. Hij zei dat hij opdracht had hen naar de cel van de kinderen te begeleiden; als ze klaar waren om weer weg te gaan, moesten de dames op een fluitje blazen dat hij hun gaf en dan zou hij komen om hen terug te brengen. Ann, vol haat tegen iedereen en zichzelf verfoeiend, daalde opnieuw af in de onderwereld van het Slot Lancaster. Ondanks de aanwezigheid van de bewaker was ze er zeker van dat het opnieuw zou gebeuren. Eindelijk knarste de sleutel in het slot, de roestige scharnieren piepten en weer stond ze tegenover die demonische kinderen. Ze kon er niets aan doen, ze haatte hen. Ze ging, met haar rug tegen de tralies, in het stro zitten en sloeg Margaret Fells hopeloze pogingen die kleine rioolratten in menselijke wezens te veranderen gade. Toen de salon-sopraan ‘De Andalusische Koopman’ aanhief, sloot Ann haar ogen. Opnieuw bereikte de arrogante vrouw er niets anders mee dan dat de krankzinnigen het weer op een krijsen zetten. Plotseling viel er een stilte. De stilte was zo onheilspellend dat Ann, nog voor ze zich omdraaide, wist dat er iemand gekomen was voor wie iedereen bang was, zelfs die gekken. In het licht van een lantaarn, onderdanig door de schout omhoog gehouden, stond rechter John Sawrey.

‘Goedemorgen, mevrouw Fell,’ zei hij met zijn hoge, verwijfde stem. ‘Ik kom eens kijken hoe u vordert. Maak open.’ De laatste woorden werden de schout toegesnauwd, die haastig gehoorzaamde. Het hek zwaaide open op knarsende scharnieren.

Margaret Fell, onder normale omstandigheden niet gauw geneigd tot gebaren van nederigheid, stond op. ‘O, wat ik u bidden mag,’ zei de kleine man met een lachje. ‘Laat ik u niet storen. Gaat u alstublieft rustig door.’

Margaret Fell negeerde zijn verzoek. ‘Ja, meneer Sawrey? Wat wenst u?’

‘Ik wilde me er persoonlijk van overtuigen dat alles naar uw wens gaat, mevrouw,’ zei Sawrey. ‘Is er iets dat ik doen kan om uw taak te vergemakkelijken?’

‘Nee, dank u.’ Haar beleefdheid was, op de een of andere manier, vernietigend.

[p. 235]

‘In ieder geval zal uw taak van de eerste zaterdag van de volgende maand af lichter worden,’ zei de kleine man op dezelfde minzame toon. ‘Op die dag zult u een kind minder hebben om u over te bekommeren.’ Hij wees op de eenogige jongen. ‘Die ochtend wordt hij opgehangen.’

Margaret Fells mond viel open. Ann begreep meteen dat Margaret Fells bemoeizuchtige interventie het lot van de jongen verhaast had. In plaats van de kinderen te redden zoals ze zich had voorgenomen, had ze bereikt dat de executiedatum voor één van hen vervroegd was.

Rechter Sawrey maakte een buiging, beschreef een brede zwaai met zijn hoed en ging weg. De jongen bleef roerloos tegen de muur geleund staan, zijn gezicht verstard in een grijns.

Margaret Fell draaide zich naar hem om. ‘Kind...’

‘Stront, allemaal stront!’ zei hij. ‘Ik schijt op jou.’

Maar Margaret weigerde de waarschuwing ter harte te nemen. Ze waadde door het stro naar hem toe en strekte haar armen uit, in de verwachting dat hij zich tegen haar schouder zou laten vallen om uit te huilen. Bij haar nadering siste hij: ‘Ik pis op je! Stinkende rothoer!’

Hoe ze hem ook verfoeide, toch voelde Ann iets van sympathie in zich opwellen.

‘Arme, arme jongen...’ zei Margaret Fell, dwaas. Ann wist wat er zou gebeuren, en het kwam uit: een scherp, smakkend geluid. De jongen had haar een klap in het gezicht gegeven.

Een ogenblik lang zei niemand iets; Ann wachtte op het gesnerp van het fluitje.

Maar ze vergiste zich. ‘Goed, kinderen,’ zei Margaret Fell, zich afwendend, alsof er niets gebeurd was. ‘Laten we het nog eens proberen. “De Andalusische Koopman, uit Cathay terug, beladen met porselein en cochenille...”’ Daar klonk haar salon-sopraan weer, gevolgd door het gehuil van de krankzinnige vrouwen in de aangrenzende cel. De hele gang weergalmde van gejammer en gejoel, het rammelen van hekken, het beuken van ketens tegen de tralies. Het was alsof Sawrey er niet geweest was; alleen was Margarets linkerwang rood.

De eigenwijze vrouw bleef de hele dag in de kerker. Ze bereikte niets anders dan dat ze zichzelf tot het mikpunt van spotternij in de hele gevangenis maakte. Want toen ze ten slotte door de cipier uitgeleide werden gedaan en de eindeloze wenteltrap beklommen, begroette hen op iedere verdieping een gejoel uit de donkere gangopeningen: ‘De Andalusische Koopman! ... De Andalusische Koopman!...’ Het leek alsof alle verdoemde zielen in de hel gierend de spot dreven met de vrouw die de trap opvluchtte.

Buiten, in het daglicht, zag Margaret Fell doodsbleek. Ann voelde een onuitsprekelijke opluchting: dit was het einde, geen weldenkend mens zou hierna nog een voet in die gevangenis zetten, zelfs zij niet.

Zwijgend zaten ze aan de avonddis. Margaret Fell at niets. Al gauw trok

[p. 236]

Ann zich in haar kamer terug. Ze hield de deur in het oog, haar linkerhand in het schrift, terwijl ze schreef: ‘Nu, vandaag kwam dan het eind van de beproeving. De eenogige jongen wordt opgehangen.’ Ze schreef niet verder. Rusteloosheid dreef haar naar het raam om de frisse lucht in te ademen.

De nacht was vol sterren; het zwarte silhouet van het Slot lag log onder het geflonker. Het was alsof ze in de Melkweg een gezicht, een gedaante begon te onderscheiden. Een ogenblik zag ze een man langzaam op haar toekomen. Ze ving een vluchtige zweem op van toekomstig geluk, liefde, rijkdom ... Toch, ondanks dat voorgevoel van geluk, voelde ze een gemis. Ze was zo graag een heilige geweest.

 

***

 

Margaret Fell liep in de aangrenzende kamer heen en weer, ten prooi aan een gevoel van schuld, van twijfel. Had John Sawrey besloten die arme jongen op te hangen alleen maar om haar te dwarsbomen? Dat kon niet waar zijn! Sawrey was een boosaardig mens, maar er waren grenzen aan wat een rechter kon doen! Had het echter nog enige zin dat ze doorging met haar pogingen om het vertrouwen van die kinderen te winnen? Alles wat zwak en wankelmoedig in haar was riep om soelaas, om verlossing. Terwijl ze heen en weer liep, vechtend tegen haar tranen, kreeg ze plotseling zo'n gevoel van opgesloten te zijn dat ze het venster opende.

De stralende grenzeloosheid van de sterrennacht was aanvankelijk een troost; toen herinnerde ze zich dat ze de avond na Georges komst op Swarthmoor Hall net zo voor het raam gestaan had, tot een besef van nietigheid haar ertoe had gebracht te fluisteren: ‘God? Kijk naar me: ik ben het, Maggie...’ Ze herinnerde zich de droom; de deur die aan het voeteneinde van haar bed openging, de jonge God die uit de oceaan van licht en liefde naar haar toe geschreden kwam.

Was het alleen maar de sentimentele bevlieging van een ouder wordende vrouw geweest? ‘O God,’ fluisterde ze, haar ogen sluitend; ‘God, God...’ Plotseling was er weer die uitdaging. ‘De enige die Hij heeft ben jij!’

Ze staarde naar de Melkweg. Was het geen hoogmoedswaanzin om te veronderstellen dat zij, vliegespatje op een planeet te midden van miljoenen sterren, een vertegenwoordigster zou zijn van de God die de Melkweg geschapen had in de duisternis van de oneindigheid? ‘De enige die Hij heeft ben jij,’ wat een aanmatiging! Ketterij! Wie was deze ongeletterde weverszoon, om te durven beweren dat niet de mens God nodig had, maar God de mens? De enige die Hij heeft ben jij. Godslasterlijk! Nog nooit had ze zo gesnakt naar de zekerheid van het dogma, de beschuttende armen van de Kerk. Maar, helaas, al die overwegingen liepen er alleen maar op uit dat ze de jongen die op het punt stond te worden opgehangen in de steek zou laten. Ze begreep waarom hij haar een klap had gegeven, maar ook al kon ze het niet begrijpen, iets bond haar aan dat eenzame kind, alléén tegen-

[p. 237]

over de dood. Ze moest naar hem terug, ze moest...

Die nacht sliep ze nauwelijks. Telkens als ze op het punt stond in slaap te vallen, zag ze dat kind voor zich, tegen de muur gedrukt, wit als een doek. ‘O God, God, God van Liefde, Jezus, Zijn liefhebbende Zoon: genade, genade!’ Ze fluisterde het gebed iedere keer als ze uit haar onrustige slaap wakker schrok, maar er kwam geen antwoord. Ze was alleen met haar eigen, persoonlijke gevoeligheid.

Vroeger dan anders stond ze de volgende ochtend met Ann voor het schrijfbureau van schout Farragut. Hij hoorde haar aan met een strak gezicht. ‘Mevrouw Fell,’ zei hij ten slotte, ‘de jongen wordt opgehangen, of u nu in uw pogingen volhardt of niet. Hij werd, na een uitvoerig proces, door rechter Sawrey ter dood veroordeeld. De kwestie van gratie is nooit ter sprake gekomen, omdat in zijn geval een verzoek om clementie onherroepelijk zou worden verworpen.’

‘Waarom? Wat heeft hij gedaan?’

‘Hij is een moordenaar,’ zei de schout, ‘en een bijzonder gemene ook. Hij was een wees, geadopteerd door Ebenezer Jones, burgemeester van Cark. U hebt wellicht over het geval gehoord. Burgemeester Jones was een gerespecteerd zakenman die bekendstond om zijn menslievendheid. Hij koos de jongen uit om zijn intelligentie, en werd als dank vermoord. In Zijn wijsheid die alle begrip te boven gaat, had God hem een monster laten uitkiezen.’

‘Onzin!’ riep ze uit. ‘Geen enkel kind is een monster! Er moet iets gebeurd zijn. Heeft de jongen niet gezegd waarom hij het deed? Welk bewijs was er trouwens dát hij het gedaan heeft?’

‘O, hij heeft het gedaan,’ zei de schout. ‘Hij heeft nooit de moeite genomen het te ontkennen. Hij heeft zijn stiefvader met een pook de schedel ingeslagen, in 's mans studeerkamer, op een avond na het eten.’

‘Maar waarom? Er moet een reden voor zijn geweest!’

De schout keek haar vermoeid aan. ‘Mevrouw, er lopen in deze wereld wezens rond die de naam “mens” niet verdienen. De jongen is een boosaardig en ontaard monster, en ik ben het van ganser harte met het vonnis van rechter Sawrey eens.’

‘Maar zijn oog? Wat is er met zijn oog gebeurd?’

‘Dat oog, mevrouw, werd er tijdens de vechtpartij uitgeslagen.’ De schout nam zijn pen weer op.

‘Dus mijn verzoek om gratie zou geen verschil uitmaken?’

‘Nee, mevrouw.’ Hij aarzelde, toen voegde hij eraan toe: ‘Maar wel voor u, mevrouw.’

‘Hoe bedoelt u?’

Hij keek steels naar de deur. ‘Burgemeester Jones had veel vrienden. Mevrouw Jones ook, en zij is een zeer temperamentvolle dame. Uw tussenkomst heeft haar al ontstemd. Ze is er, begrijpelijk genoeg, op gebrand dat de jongen zijn verdiende loon krijgt. U, die zelf echtgenote bent, zult dat

[p. 238]

kunnen begrijpen.’

‘Beslist niet!’ zei ze boos; maar toch - hoe kon ze weten wat een vrouw voelde die de man van wie ze hield vermoord zag?

‘Geloof me, mevrouw, een officieel verzoek om gratie zou niet alleen niets uithalen, het zou hoogst onverstandig zijn.’

‘Dank je voor je bezorgdheid, Vriend Hyman.’ Ze wachtte niet tot hij opstond en een buiging maakte; ze draaide zich om en liep de kamer uit.

De cipier begeleidde hen naar beneden en liet hen in de cel van de kinderen binnen. De jongen sprong onmiddellijk op en liep weer naar de muur. Ze hernam haar pogingen om de kinderen te laten zingen; zodra ze haar stem liet horen, begonnen de krankzinnige vrouwen weer te joelen. Maar ze hield vol, terwijl de jongen haar bleef aankijken; zodra ze maar even in zijn richting keek, begon hij vuile taal uit te slaan. Dit kind was geen monster; er moest een reden zijn geweest voor zijn aanval op zijn pleegvader. Maar zijn schuld of onschuld was onbelangrijk. Hoe zou ze hem kunnen troosten?

Hoe troost men iemand die weet dat hij zal worden opgehangen, en dan nog wel een jongen van elf jaar oud? De wetenschap dat je er over minder dan een maand niet meer zou zijn was onvoorstelbaar. Hoe kon ze door zijn afweer heen dringen? Hij was kennelijk ongevoelig voor medelijden, maar ze wilde hem geen medelijden schenken, ze wilde hem in haar armen nemen, zoals ze dat met een van haar eigen kinderen deed...

Maar ze kon het niet van zichzelf gedaan krijgen. Voordat ze op haar fluitje blies om de cipier te roepen, ging ze naar de jongen toe en zei: ‘Ik zal bij je zijn als - als het gebeurt.’

Hij keek haar met haat aan. ‘Krijg de tering, rothoer.’

Ze wendde zich af.

Op weg naar de herberg viel het haar in dat het niet genoeg was een kind te zeggen dat ze ‘erbij zou zijn’ alsof haar aanwezigheid een kostbaar geschenk was. Ze moest proberen zijn leven te redden. Ze wist genoeg van de gerechtelijke gang van zaken om te beseffen dat, als ze bij het Hoog Gerechtshof in Londen een verzoek om gratie zou indienen, haar rekest pas na maanden in behandeling zou worden genomen, en tegen die tijd was de jongen allang dood. Ze zou aan Cromwell zelf schrijven.

Die avond, na het eten, zette ze de brief op. Ze besloot een beroep op God in Cromwell te doen, zonder verdere omhaal. ‘Geliefde Vriend! Ik wend me tot jou, vader des volks, om te pleiten voor een van je jongste kinderen...’

Het werd een lang epistel; het probleem was nu hoe ervoor te zorgen dat Cromwell de brief op tijd zou krijgen. Misschien zou schout Farragut hem voor haar willen versturen, als hij dat kon doen zonder zich te compromitteren.

Ze knielde naast haar bed. ‘Lieve God, alsjeblieft, sta dat kind alsjeblieft vannacht bij, geef hem troost...’

[p. 239]

Ze bad met volkomen oprechtheid, maar het enige wat ze ermee bereikte was dat ze zichzelf geruststelde. Er was maar één antwoord op dat gebed: ‘De enige die Hij heeft ben jij.’ Als ze wilde dat God die jongen bijstond, moest ze hem zelf bijstaan. Er was maar één oplossing: ze moest bij de kinderen intrekken.

 

***

 

De volgende ochtend was Ann Traylors eerste reactie: Nee! genoeg is genoeg! Laat haar maar alleen bij die kinderen intrekken! Ze probeerde een excuus te bedenken om niet aan deze laatste buitensporigheid mee te hoeven doen; Margaret Fell was haar voor door te zeggen dat ze de nachten in de gevangenis alleen wilde doorbrengen. Toen Ann protesteerde, beval ze haar in de herberg te blijven.

Zodoende vergezelde Ann haar naar de gevangenis met het lokkende vooruitzicht aan het einde van de dag de kamers in de herberg helemaal voor zich alleen te hebben. Ze zou alleen het avondmaal gebruiken, ongestoord in haar dagboek kunnen schrijven, vrij zijn om te doen en te laten wat ze maar wilde. De dag verstreek traag; de kinderen waren apatisch; de eenogige jongen, tegen de muur geleund, keek hen honend aan en gromde obsceniteiten; haar meesteres ging hardnekkig voort met haar pogingen om de kinderen het madrigaal te laten zingen dat haar tot de risee van de gevangenis had gemaakt. Op het moment dat Margaret Fell haar sopraan liet klinken om de kinderen voor te gaan in ‘De Andalusische Koopman’, brulden alle onzichtbare gevangenen het uit van het lachen, een geschater dat door het trapgat als door een kolossale spreektrompet versterkt werd. Iedereen kende het lied nu; de vuilste varianten van de tekst werden hen uit de gangen toegeschreeuwd zodra ze zich op de portalen vertoonden. De enigen in de hele gevangenis die de wijs maar niet te pakken konden krijgen waren de kinderen zelf; met open mond en ogen zo dof als tin gaapten ze de elegante dame aan die in het stro zat te kwelen: ‘Dit zijn wonderbaarlijkheden, maar nog wonderbaarlijker ben ik, die, ijskoud van angst, van liefde brand.’ In een hoek had een kind een aanval van diarree, een ander lag ziek in een van de in de muur uitgehouwen nissen, de jongen stond op het punt te worden opgehangen, maar Margaret scheen zich niet van iets ongerijmds bewust te zijn. Haar vastberadenheid leek deel van de mateloze arrogantie van de Engelse aristocratie: de echtgenote van Lord Chief Justice Fell was nog nooit in enige gril die haar inviel gedwarsboomd, het was ondenkbaar dat haar bijstand aan deze arme schaapjes tot mislukking zou zijn gedoemd.

Voor Ann, tegen de tralies van de cel geleund, waren Margaret Fells pogingen om de eenogige jongen op te monteren walgelijk en pijnlijk. Daar stond hij, een vervuild menselijk beest op het punt geslacht te worden, opgesloten onder in een put, ketens meesleurend die de huid van zijn

[p. 240]

enkels hadden geschaafd en etterende wonden veroorzaakt; en daar zat een mevrouw die in de waan verkeerde deel van zijn wereld te zijn geworden omdat ze haar sieraden had afgelegd. Het leek zondig zich aan deze jongen, die martelingen van angst en verschrikking moest doormaken, op te dringen met een madrigaal over zijn wonderbaarlijke hart dat afwisselend bevroor en in brand stond. Over een paar weken zou zijn lichaam omlaagvallen, zijn nek gebroken worden, zijn hart voor altijd bevriezen na een gruwelijke worsteling met de dood aan het eind van een touw. Telkens als Ann naar hem keek zag ze dat vallende lichaam, de wanhopige worsteling, de slingerende strop die langzaam tot rust kwam als de slinger van een klok die stilstond. Het gaf haar het gevoel dat ze een indringster was. Het enige wat ze kon doen was zich zo onopvallend mogelijk te maken terwijl ze wachtte tot haar meesteres eindelijk de nederlaag zou aanvaarden.

Terwijl ze daar tegen de tralies geleund zat, had ze alle tijd om na te denken. De waarheid, concludeerde ze, was eenvoudig. Het leven, zoals het zich om haar heen openbaarde, was een nachtmerrie. De enige uitkomst was iedere kans op kortstondig geluk te grijpen die zich voordeed. Deze kelder vol verdoemden was de werkelijkheid; wat haar in de toekomst ook mocht overkomen, ze zou deze gevangenis nooit kunnen vergeten. Ze ontsnapte aan de werkelijkheid door te dromen over hemelbedden, ingelegde marmeren vloeren, wanden bedekt met verguld leer, kaarsen in kristallen luchters, fluwelen japonnen, bedienden, hazewindhonden. Zodra ze vrij was zou ze op zoek gaan naar een rijke oude koopman die aan al haar grillen zou toegeven, haar rijkdom en luxe geven en haar de vrijheid laten zich te amuseren met wie ze maar wilde: jonge lords, officieren...

Nog nooit had ze in die termen aan de toekomst gedacht. Haar leven lang had ze gestreefd naar deugdzaamheid, kuisheid, rechtschapenheid. Door het Slot Lancaster binnen te gaan had ze gemeend Christus' voorbeeld te volgen; het was niet bij haar opgekomen dat ze binnen enkele dagen, beroofd van al haar vrome voornemens en meisjesachtige idealen, cynisch zou overwegen op jacht te gaan naar een rijke oude man zodra ze de kans kreeg. Wat was er met de heilige geestdrift gebeurd, die ze gevoeld had toen Margaret Fell voor het eerst over het leed van gevangen Quakers was gaan praten? Ze hunkerde ernaar om terug te keren naar de herberg; alleen door alles op te schrijven kon ze het antwoord op die vraag vinden.

Eindelijk zei Margaret Fell: ‘Nu, Ann, ik geloof dat het tijd is om te gaan.’ Ze sprong gretig overeind; maar de moed zonk haar in de schoenen toen haar meesteres eraan toevoegde: ‘En nu braaf zijn, kinderen! Ik kom gauw terug!’

Ze bleef niet overnachten! Ze had zich bedacht, de bazige koningin! Ann ziedde van hulpeloze woede terwijl ze wachtten tot de cipier kwam opdagen in antwoord op het fluitje. Hij scheen er de tijd voor te nemen; toen eindelijk het schommelende licht van zijn lantaarn naderde in de gang en de krankzinnige vrouwen naast hen hun gekrijt en gegil aanhieven, stonden

[p. 241]

tranen van teleurstelling in Anns ogen. Waarom was het ellendige mens van gedachten veranderd? Waarom?

Er kon maar één verklaring zijn: ze was bang. Op het laatste ogenblik was haar bij de gedachte de nacht in de kerker te moeten doorbrengen de schrik om het hart geslagen. Maar waarom had ze de kinderen dan hoop gegeven? Waarom had ze zo'n toestand gemaakt over ‘haar plicht om hun wereld met hen te delen’? Het was niet meer dan een gril van een rijke mevrouw; het masker van onbaatzuchtigheid was eindelijk van haar afgerukt. O, hoe haatte ze het walgelijke mens! Hoe verfoeide ze haar eigenzinnige wispelturigheid!

Het kwam Ann voor dat zelfs de cipier geringschattend meesmuilde. Margaret Fell had die ochtend met veel vertoon haar besluit aangekondigd om de nacht in de cel door te brengen; nu ze er smadelijk vandoorging kon dat haar aanzien bij het gevangenispersoneel geen goed doen. Toen ze bij de trap aankwamen, brulde een rauwe stem uit een van de gangen: ‘Hee daar, hoe gaat 't met je brandende hartje, Fogo?!’ De cipier schreeuwde: ‘Bek dicht of ik zal je 's een keertje fogo-en, vuile dondersteen!’ Ditmaal verontschuldigde hij zich niet voor zijn taal.

Buiten was de zonsondergang begonnen; de muren van het Slot waren rood; in de steegjes van de stad was de schemering al gevallen. De twee vrouwen spraken niet terwijl ze naar De Drie Zwanen wandelden; toen ze de gelagkamer binnenkwamen, verstomde het geluid van roezemoezende stemmen. In een drukkende stilte haalde Margaret Fell de sleutel en bestelde hun avondmaal.

Anders babbelden ze altijd als ze hun donkere kamers betraden en de kaarsen aanstaken; deze keer werd er geen woord gezegd. Margaret Fell scheen diep in gedachten; het moest een nieuwe ervaring voor haar zijn om iets op te moeten geven. Het maal werd opgediend; de meid ging met het blad de kamer uit; ze reikten elkaar de handen voor het gebed.

Zodra ze de handen van haar meesteres in de hare hield voelde Ann wroeging. Margarets handen beefden; plotseling had ze met de vrouw te doen. Ze had ten slotte iets moedigs gedaan door met een boodschap van genade in die kerkers af te dalen. Ann opende haar ogen; het gezicht tegenover haar was een masker van diep verdriet; ze stond op het punt te vragen: ‘Margaret Fell? Wat is er?’ toen haar meesteres de ogen opsloeg en glimlachte.

‘Ach,’ zei Margaret, ‘ik geloof dat ik te moe ben om te eten. Ik ga maar liever, voor het te laat wordt.’ Ze stond op. ‘Ik pak alleen even een paar dingen in een valies. Dom van me, om daar vanmorgen niet aan te denken.’

Ann kon van wroeging en verwarring geen woord uitbrengen. Ze hielp haar pakken, probeerde iets te bedenken dat ze zeggen kon; toen ze bij de deur stonden flapte ze eruit: ‘Laat me met je meegaan! Alsjeblieft! Je kunt er niet alleen naartoe gaan, het is te laat om alleen op straat te lopen!’

Margaret Fell schudde haar hoofd. ‘Nee, liefje, dit is mijn gevecht, niet

[p. 242]

het jouwe. Rust goed uit en breng me morgenochtend wat brood en honing voor de kinderen. Welterusten, God zegen je; ik zal de waard een draagstoel laten bestellen.’

‘God zegen je...’

Ann had haar achterna moeten rennen, maar ze bleef in de deuropening staan, luisterend hoe Margarets snelle voetstappen de gang door liepen en de trap af. De stemmen uit de gelagkamer werden luider toen de benedendeur geopend werd, om onmiddellijk te verstommen. Ann hoorde de buitendeur dichtgaan; de stemmen begonnen weer te gonzen.

Ze draaide zich om en ging de kamer binnen. Ze voelde zich verlaten en weinig op haar gemak in de plotselinge eenzaamheid. Het eten op haar eentje, waarvan ze de hele dag gedroomd had als iets feestelijks, bleek saai en triest. Waarom was Margaret van gedachten veranderd? Had ze inderdaad vergeten een valies te pakken? Dat leek dwaasheid: was ze soms van plan in haar nachtjapon in dat smerige stro te gaan liggen? Ze had een deken moeten meenemen.

Even dacht Ann erover haar met een deken achterna te gaan, al was het alleen maar tot het kantoortje van de schout. Maar tegen de tijd dat ze daar aankwam zou Margaret Fell al beneden zijn.

Toen ze, ten slotte, met haar dagboek voor zich zat kon ze haar niet uit haar gedachten zetten. Steeds weer zag ze haar voor zich in die smerige, stinkende cel, tussen die vuile, van ongedierte wemelende kinderen.

Het enige wat ze ten slotte neerschreef was: ‘Vanavond is M.F. ingetrokken bij de kinderen in het Slot Lancaster.’

Zouden daar beneden ratten zijn, die 's nachts te voorschijn kwamen? ‘O mijn God,’ dacht ze, ‘help haar! Ontferm U over haar! Ontferm U over mij!

 

***

 

Margaret Fell was in een ogenblik van wankelmoedigheid naar De Drie Zwanen teruggegaan. Het was een uitputtende dag geweest; ze had het gevoel dat ze niettegenstaande haar wanhopige pogingen hen te bereiken hoegenaamd geen indruk op de kinderen maakte. Toen ze Anns handen in de hare nam voor het gebed, had ze gemerkt dat die van het meisje beefden; om de een of andere reden had haar dat plotseling doen besluiten om terug te gaan.

Op weg naar het Slot slaagde ze erin zichzelf moed in te spreken; toen ze echter het kantoorkamertje binnenging, trof ze daar een onbekende achter het bureau van de schout aan. Misschien was het de duisternis die maakte dat hij er onguur uitzag; het licht van de kaarsen op het bureau verscherpte zijn haviksgezicht en scheen zijn ogen een boosaardige schittering te geven. Pas toen hij opstond bemerkte ze dat hij een bultenaar was.

‘Goedenavond, mevrouw. Henry Hathaway, nachtschout.’ Hij maakte een buiginkje, misschien kon hij het niet helpen dat het spottend uitviel.

[p. 243]

‘Goedenavond,’ zei ze, minzaam. ‘Ik ben de vrouw van opperrechter Fell. Zoals u wel gehoord zult hebben, heb ik toestemming om de nacht bij de kinderen door te brengen.’

‘Ja, ik weet er alles van.’ De bultenaar scheen het komisch te vinden. ‘Dr. Withers weet er ook alles van. U zult hem beneden wel tegenkomen.’

‘Is hij een chirurgijn?’

‘Nee, hij is de geestelijke herder van de gevangenen. Hij heeft de taak om de jongen in uw cel op de dood voor te bereiden. Hij vertelde me vanavond dat hij bij u op bezoek denkt te komen, als er tijd is.’

‘O...’ Ze werd zich ervan bewust dat iemand bezig was haar valies te visiteren, een man die ze nog niet eerder had gezien, klaarblijkelijk een cipier van de nachtploeg. ‘Schout Farragut inspecteert mijn bagage niet meer,’ zei ze scherp.

De man, bleek en uitgemergeld als een gevangene, scheen haar niet te hebben gehoord. Ze keek vol verlegenheid toe, terwijl zijn benige handen de inhoud van haar valies overhoop haalden, tastend tussen de intimiteiten van haar nachtgerei.

‘Het is spijtig, mevrouw,’ zei Hathaway, nog steeds met dat geamuseerde lachje, ‘maar 's nachts moeten we extra voorzichtig zijn. Iemand zou uw valies kunnen kapen en de inhoud voor eigen doeleinden gebruiken. Zit er iets in?’ Zijn stem was, toen hij zich tot de cipier richtte, allerminst vrolijk.

‘Nee meneer, alleen maar kaarsen. Zijn die toegestaan?’

De bultenaar keek haar aan, met opnieuw dat onaangename lachje. ‘In uw geval, mevrouw,’ zei hij, ‘zullen we u de kaarsen maar laten houden. Onder normale omstandigheden nemen we die in beslag: brandgevaar, begrijpt u. Maar omdat u van plan bent de nacht in de cel door te brengen, zullen we u het comfort van een beetje licht gunnen. U zult het nodig hebben.’

Het klonk onheilspellend. ‘Hoe dat zo?’ vroeg ze, fronsend.

‘Ratten, mevrouw.’ Zijn glimlach werd breder.

‘Ik - ik zou nu graag naar beneden willen gaan.’ Ze probeerde onbezorgd te klinken, maar het idee van ratten ontstelde haar. De kerel had het waarschijnlijk alleen maar gezegd om haar bang te maken; zijn vijandigheid bleek duidelijk.

‘Welterusten, mevrouw. Droomt u prettig.’

‘Gaat - gaat deze man met me mee?’

‘Helaas, mevrouw, we hebben 's nachts niet voldoende personeel om u een begeleider mee te geven. Maar u zult nu toch de weg wel kennen?’

‘Zou ik dan een lantaarn mogen hebben?’

Hij hief vol meewaren zijn handen op. ‘Ach, ik wou dat ik u van dienst kon zijn, mevrouw! Maar dr. Withers heeft de enige reservelantaarn meegenomen die we hebben. U hebt kaarsen, niet? Parsons! Steek er een voor mevrouw aan.’

De magere man nam een van de kaarsen uit haar valies, zonder haar

[p. 244]

toestemming te vragen, stak die aan, aan de kaars op het schrijfbureau, en reikte hem haar zonder een woord toe.

Even werd haar vastbeslotenheid aan het wankelen gebracht. Ze moest tegelijkertijd de kaars vasthouden, de vlam tegen de tocht beschutten en het valies dragen; het zou moeilijk worden, op de wenteltrap.

‘Parsons, maak de deur open! Goedenacht, mevrouw, tot morgenochtend. Of bent u van plan voorgoed bij ons te blijven?’

Ze verwaardigde zich niet daar antwoord op te geven. ‘Goedenacht, meneer Hathaway,’ zei ze koel, knikte tegen de cipier die de deur voor haar openhield en stapte naar buiten, het donkere poortgewelf in. De tocht blies onmiddellijk haar kaars uit; gelukkig hing er een lantaarn bij de toegang tot de kerkers, ze kon zien waar ze liep. Toen ze de deur naderde, zag ze dat er een bewaker op wacht stond; overdag hadden de cipiers hun eigen sleutel. De bewaker nam de lantaarn van de haak en hief die omhoog zodat het licht haar bescheen.

‘Goedenavond,’ zei ze.

Zonder iets te antwoorden stak hij de sleutel in het slot van de ijzerbeslagen deur, trok die open en ze stapte naar binnen. De stank uit de put van de wenteltrap scheen nog weerzinwekkender dan overdag; alleen al de gedachte om de nacht op de bodem van die zwarte, stinkende mijnschacht te moeten doorbrengen deed haar huiveren. Boven aan de trap bleef ze even talmen, aan angst ten prooi. Toen stak ze de kaars aan met de tondeldoos die ze, wijselijk, in haar mantelzak had gestopt toen ze uit de herberg wegging. Het zwakke, flakkerende licht reikte nauwelijks tot haar voeten; ze zou heel voorzichtig moeten afdalen.

Ze was nog nooit zo ontzettend bang geweest; ze kon de ratten niet uit haar gedachten bannen. Ze had al de onbedwingbare opwelling om op een stoel te springen en om hulp te schreeuwen zodra iemand alleen maar over een muis práátte; de gedachte dat ze in dat stro zou moeten gaan liggen om te slapen, terwijl er misschien overal om haar heen ratten krioelden, maakte haar ziek van angst. ‘O God, God,’ prevelde ze, ‘help me, help me alsjeblieft...’ Maar haar onmiddellijke reactie was: ‘Welke God? Waar?’ Plotseling werd ze overweldigd door woede jegens George Fox en zijn ideeën. Als haar God nu maar in de hemel had mogen blijven zitten, op haar neerblikkend met vaderlijke bezorgdheid, zou ze als Daniël in de leeuwekuil zijn afgedaald. Maar nu ... welke troost kon ze putten uit de machteloze stem in haar binnenste die aandrong: ‘Ga, Maggie, ga...’? De stem van haar angst was veel sterker; alles was sterker dan het gefluister dat haar smeekte naar de kinderen te gaan. Waarom zou ze eigenlijk? Wat gingen ze haar uiteindelijk aan? Ze had haar best gedaan, maar ze waren kennelijk buiten ieder menselijk bereik. En dan die afschuwelijke jongen, die almaar vuige taal uitbraakte, nu al dagenlang, zonder ophouden...

‘De enige die Hij heeft ben jij.’

Die jongen was jonger dan haar eigen zoon Charles. Als hij haar zoontje

[p. 245]

was geweest, zou ze dan naar beneden gaan? Natuurlijk! Nu dan: hij was een kind van God, en de enige manier waarop zijn Vader hem kon bereiken was door haar. ‘Goed, God,’ dacht ze. ‘Tanden op elkaar: daar gaan we dan. Samen uit, samen thuis.’ Maar God, als Hij inderdaad binnenin haar woonde, scheen al even doodsbenauwd als zij. Zodra ze weer in de wereld terug was zou ze eens een hartig woordje met George Fox praten en hem vertellen dat ze zijn fraaie idee beproefd had en waardeloos bevonden, waardeloos. ‘Vooruit, Maggie,’ mompelde ze, ‘zanik niet langer: vooruit!’

Ze vermande zich en tastte met haar voet naar de eerste tree. Die bleek de moeilijkste te zijn; zodra ze eenmaal had ontdekt dat de kaarsvlam bleef branden, ook al kon ze hem niet met de hand beschutten vanwege het valies, vatte ze moed. Zolang ze maar aan niets anders dacht dan aan die treden ging het best. Geleidelijk keerde haar zelfvertrouwen terug, tot, op de eerste verdieping, een storm van geloei, gefluit, boe-geroep en gegilde, schunnige schimpscheuten haar begroette. Ze had dit al eerder meegemaakt, maar altijd in aanwezigheid van een cipier; deze keer, of het nu door een verschrikte beweging van haarzelf kwam of door de tocht uit de gangen, ging plotseling de kaars uit, en ze stond moederziel alleen in het aardedonker. Het gelach dat hierdoor ontketend werd was oorverdovend; het leek alsof de hele gevangenis schudde van het geschater. Een stem gilde, als uit een put: ‘Hé! Lekkere mol! Hoe staat 't met je brandende fogo?’

Het geschater verdubbelde; ze stond op het punt in tranen uit te barsten en weg te vluchten toen de gedachte door haar heen flitste: ‘Doe een beroep op God in die mensen!’ Tegen de muur gedrukt, riep ze, haar stem schriel en nietig in het gedaver van hun gelach: ‘Vrienden! Vrienden, om Godswil, ik ben hier om die kinderen te helpen! Ik smeek jullie, helpen jullie mij, alsjeblieft!’

Ze wist nauwelijks wat ze zei, maar het scheen de belangstelling van de onzichtbare menigte te wekken. Het werd stil; de stilte gaf haar de moed te roepen: ‘Daarbeneden zit een jongen die over drie weken wordt opgehangen! Hij is pas elf jaar oud! We kunnen hem dat niet alléén laten doormaken, iemand moet naar hem toe gaan! Iemand moet bij hem blijven! Alsjeblieft, alsjeblieft lieve Vrienden, help me! Ik ben zo ontzettend bang!’ Ach, dat had ze niet moeten zeggen; ze had die mensen niet moeten vertellen hoe bang ze was.

Een stem brulde uit een van de gangen: ‘Die jongen is een moordenaar!’

Zonder na te denken riep ze terug: ‘Het doet er niet toe wat hij gedaan heeft! Het doet er niet toe wat jullie allemáál gedaan hebben! God is liefde, en Zijn liefde kan die jongen alleen maar bereiken door mij, door - door ons allemaal!’ Ze zette zich schrap tegen het honend geschater dat hierop zou volgen; maar het kwam niet. Ze deden er verder het zwijgen toe.

Ondanks het beven van haar handen slaagde ze erin de kaars weer aan te steken. Toen het vlammetje helder genoeg was ging ze verder, zich vermannend tegen de stormaanval op de volgende verdieping. Maar ze lieten haar

[p. 246]

ongestoord voorbijgaan; bevend vervolgde ze haar weg naar de bodem van de put, zich voorbereidend op het gillen van de waanzinnige vrouwen.

Maar of het door de duisternis kwam of doordat de meesten al sliepen, er stond maar één van die tragische wezens bij de tralies en strekte een klauw naar haar uit toen ze met haar kaars langsliep. ‘Schatje,’ fluisterde een stem. ‘Schatje! Geef me je liefde! Geef mij ook iets van je liefde...’ Ze snelde verder, kippevel op haar armen.

Eindelijk: daar was de kerker van de kinderen, thuis. Terwijl ze de sleutel in het slot stak, vroeg ze zich af hoe een oord dat haar eens met zoveel afkeer had vervuld plotseling een thuis kon schijnen. Bij het openen van het traliehek zag ze het licht van haar kaars glinsteren in de ogen van een kind. Het was het kleine meisje; het kwam door het stro naar haar toekruipen. De anderen lagen in het midden van de cel, dicht opeengedrongen om zich aan elkaar te warmen. Ze hoorde het gerinkel van een ketting, hief de kaars omhoog en zag de eenogige jongen weer naar de muur strompelen, waar hij altijd stond. ‘Zo, kinderen,’ zei ze opgewekt, ‘hier ben ik. Ik heb jullie gezegd dat ik terug zou komen.’ Ze zette haar valies neer, stak haar hand door de tralies van de deur en deed die van de buitenkant op slot. Ze stopte de sleutel in haar keurslijf, bukte zich om haar valies op te rapen en sprong met een gil achteruit, toen ze iets zwarts zag opspringen en in het stro wegroetsen. ‘O God...’ fluisterde ze, haar hand op haar hart, tegen de tralies geleund, ‘o God, lieve God - ik kan het niet! Ik kan het niet...’ Ze hoorde een hoog, hinnekend geluid, en zag de jongen honend naar haar grijnzen. Ze zei kalm: ‘Nu, ik ben blij dat je tenminste lachen kunt.’ Het was een dwaze opmerking, maar ze had al haar zelfbeheersing nodig om niet te vluchten. Wat onnozel, wat dom als alles teniet zou worden gedaan door haar idiote angst voor muizen! Het móést een muis zijn geweest. Ratten waren groter, en beslist niet zo schuw. Een onschuldig, nieuwsgierig muisje, minstens zo bang als zijzelf. Ze liep naar het midden van de cel en ging, na haar rok stevig om haar enkels te hebben gewikkeld, bij de kinderen in het stro zitten, ondanks de zekerheid dat zodra ze dat deed de ratten op haar af zouden komen en proberen in haar rokken te kruipen. Ze maakte haar valies open, haalde er een lege fles uit die ze had meegebracht, zette die in het stro en stak de kaars erin. ‘Ziezo, kinderen,’ zei ze monter, ‘hier zijn we dan. Nu, wat zullen we eerst gaan doen?’

Te oordelen naar hun reacties lagen ze allemaal in diepe slaap; alleen het meisje met haar wezenloze ogen, haar vuile gezichtje bedekt met korsten, gaapte haar aan, snurkend met open mond. Het arme ding; hoe lang had ze al in deze kelder gezeten, ver van licht en lucht, van het leven? ‘Laten we samen een spelletje gaan spelen,’ zei ze. ‘Ken je “Ik zie, ik zie wat jij niet ziet”?’ Het kind zei niets, staarde haar alleen maar wezenloos aan, snurkend met open mond.

‘Ik zal je laten zien hoe het gaat.’ Ze keek naar de kaars en zei vrolijk: ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet, en het begint met een “K”...’

[p. 247]

‘Kloten!’

De jongen. O, hemeltje. Maar teergevoeligheid was onder deze omstandigheden belachelijk. ‘Kaars,’ zei ze tegen het meisje. ‘Kaars. Zou jij het 's willen proberen? “Ik zie ik zie wat jij niet ziet en het begint met...” Nu, zeg het maar?’

‘Ze is doofstom,’ zei de jongen.

‘Ach...’

Er bewoog iets te midden van de opeengedrongen kinderen in het stro. Een van de kleine jongens hief zijn hoofd luisterend op. Hij krabbelde overeind, de anderen volgden zijn voorbeeld; ze holden allemaal naar de tralies en probeerden naar buiten te turen. Het kleine meisje kroop op handen en knieën naar het hek om ook te proberen iets in de donkere gang te onderscheiden. Er klonk een geluid van stemmen en een luid geratel, alsof er een kar door de gang werd gereden. Een lichtschijnsel naderde, toen verscheen het hoekige silhouet van een bakkerskar, voortgeduwd door een man in lompen en vergezeld door een kleine, slonzige vrouw van onbepaalde leeftijd die een lantaarn bij zich had. De kinderen drukten zich tegen de tralies en strekten hun handen naar de kar uit; de vrouw hing de lantaarn aan een haak, opende het deksel en begon iets uit een ton in een kom te lepelen. Ze reikte de kom aan een van de kinderen, die allemaal met hun handen zwaaiden in een poging om de kom te grijpen; ze sloeg hen met haar pollepel en gaf de kom aan de eerste jongen. Ze wendde zich af om een volgende kom te gaan vullen; de kinderen besprongen de jongen, die gilde en trapte om zijn kom te verdedigen, waarbij hij in het stro morste. De vrouw riep: ‘Hier, tuig dat jullie zijn!’ Ze reikte een andere kom naar binnen; de uitgehongerde meute holde terug naar de tralies. Margaret keek vol ontsteltenis naar hun wilde, wrede gevecht; er kwam pas een eind aan toen ze allemaal een kom hadden, maar het merendeel van de inhoud was door hun zinloze gewelddadigheid in het stro verspild. Het was zo'n deerniswekkend schouwspel dat ze nauwelijks oog had voor de vrouw, die haar door de tralies opnam en zei: ‘Als u ook wil eten, zal u moeten betalen, dame.’

‘Betalen?’

‘U verwacht toch zeker niet voor niks te eten, wel?’

‘O, ik - ik heb geen trek, dank u.’

De vrouw trok haar schouders op en wendde zich af. ‘Vooruit!’ schreeuwde ze; de man in lompen draaide zich tussen de lamoenstokken om en begon de kar terug te trekken, de gang af. De krankzinnige vrouwen beukten met hun kettingen en slaakten rauwe kreten; het was een geluid van uitgehongerde, verscheurende dieren.

Margaret sloot haar ogen, ze had nooit helemaal bevat hoe afgrijselijk dit oord was, hoe nietig haar poging om iets van dat afschuwelijke weg te nemen. Niet angst zou haar de nederlaag doen lijden, maar hopeloosheid, de overtuiging dat ze nooit in staat zou zijn dit oord te veranderen, dat het

[p. 248]

alleen maar háár zou veranderen. Ze behoorde in haar eigen huis, bij haar eigen kinderen, haar eigen man ... een wanhopige hunkering naar Thomas overviel haar, naar de baby, de frisse geur van schone beddelakens ... Iets dwong haar op te kijken. Achter de tralies stond een grijsharige man in het zwart.

‘Ik ben dr. Withers,’ zei hij streng. ‘U hebt de sleutel, geloof ik?’

‘Ja...’

‘Ik kom hier voor de jongen, Henry Jones.’

Ze maakte de traliedeur bereidwillig voor hem open, want hij was een afgezant van haar eigen wereld. Hij stapte naar binnen, een lange man met een enigszins gebogen rug. Hij zou er onder alle omstandigheden onverbiddelijk hebben uitgezien; in het spookachtige licht van zijn lantaarn leek hij het toonbeeld van gramschap. Zijn fanatieke ogen staarden haar zo vijandig aan dat ze achteruitdeinsde.

‘Waar bemoeit u zich eigenlijk mee, mevrouw?’ vroeg hij, fel.

‘Pardon?’

Hij sloot zijn ogen van ergernis en zei met geforceerde zelfbeheersing: ‘Ik heb gehoord wat u op de trap zei. U hebt mijn antwoord gehoord: deze jongen is een moordenaar. Weet u welke straf er op godslastering staat, mevrouw?’

‘Godslastering?’

‘Wat u zei was godslasterlijk! Alléén het geloof in het verlossende bloed van Christus Jezus biedt de mens redding, anders niets. Christus is de enige die Gods liefde aan de wereld kan doorgeven; niemand anders mag zich dat aanmatigen.’

‘Maar het enige wat ik wou zeggen...’

‘Probeer u niet te verdedigen, vrouw!’ riep hij. ‘Ik zal deze keer lankmoedig zijn! Ik zal het vergeten! Probeer me niet te vertellen dat u niet bedoelde wat ik u heb horen zeggen! Of wist u niet dat de hele gevangenis ieder woord kan horen dat op die trap gezegd wordt?’

‘Nee, dat wist ik niet! Mijn kaars ging uit...’

‘Verdedig u niet!’ riep hij uit. Zijn woede was zo dreigend dat ze haar poging om hem te overtuigen opgaf.

‘Zoals ik zei: deze keer zal ik lankmoedig zijn. Maar sla niet nogmaals godslasterlijke taal uit, of ik zal me gedwongen zien u aan te geven!’ Hij keek haar met koude afkeer aan. ‘Ik zal lankmoedig zijn op voorwaarde dat u berouw toont. Hebt u berouw?’

Haar eerste opwelling was: benader God in hem. Maar iets in zijn ogen zei haar dat dit hopeloos was. ‘Waarover zou ik berouw moeten hebben, Vriend?’ vroeg ze.

‘Over uw bewering dat u zou zijn uitverkoren om Gods liefde door te geven!’

‘Ik zou berouw hebben als ik dat gezegd had, Vriend.’

‘Dat is wat ik u heb horen zeggen!’

[p. 249]

‘Ik heb niet gezegd dat ik uitverkoren was. Ik heb dat zelf besloten, en alleen in verband met deze kinderen.’

‘Als ik u was zou ik me niet aan woordenspelletjes wagen,’ zei hij, plotseling zonder felheid. ‘Hier valt verder niet over te praten. Of u toont berouw, óf ik geef u aan als godslasteraarster.’

‘Het spijt me als ik u aanstoot heb gegeven...’

‘Niet mij! God!’

Ze wist dat het roekeloos was, maar ze kon het niet voor zich houden. ‘Vriend! God is liefde! Hoe zou Zijn liefde zich over deze kinderen kunnen ontfermen, behalve door u of mij?’

Hij staarde haar dreigend aan, toen waadde hij zonder een woord door het stro naar de jongen, die met zijn rug tegen de muur uitdagend op hem wachtte.

‘Henry Jones,’ zei de predikant met zalvende stem, ‘gij zijt veroordeeld op de eerste zaterdag van de volgende maand, bij zonsopgang, bij de nek te worden opgehangen. Ik ben hier om u daarop voor te bereiden, mijn zoon. Gij weet dat zonder geloof in Christus Jezus en Zijn vergeving van al uwe zonden, uw ziel voor eeuwig verdoemd is.’

‘Barst maar, klootzak,’ zei de jongen.

De oude man scheen het niet te hebben gehoord. ‘Tenzij gij uzelven overgeeft aan de genade van onze Verlosser die alle verstand te boven gaat, zult gij voor eeuwig branden in de hel. Weet ge dat? Gelooft ge dat?’

‘Lul maar raak, bonestaak,’ zei de jongen.

Deze keer drong het tot de dominee door. ‘Wil jij naar de hel gaan, jongen?’

‘Zal me een zorg zijn, als ik jou maar niet tegenkom!’ De stem van de jongen was hoog en kinderlijk, ontroerend in zijn eenzaam verzet.

Wat zeg je daar?’

‘Ik wil niet naar de hemel als ik de kans loop jou daar tegen te komen, rotzak!’ schreeuwde de jongen. De dominee gaf hem met volle vuist een stomp in het gezicht; het kind slaakte een kreet en tuimelde opzij in het stro. Margaret zag dat de oude man zijn voet ophief om hem te trappen. ‘Nee, nee!’ Ze wierp zich tussen hen in, de jongen met haar lichaam beschermend. Het was spontaan, volkomen oprecht, toch voelde ze zich alsof het toneelspel was. Het leek niet echt, niets leek echt.

De oude man keek haar aan met onpersoonlijke vijandigheid. Ze wachtte tot hij zijn vervloeking over haar zou uitspreken, maar hij zei niets. Hij draaide zich om, waadde door het stro naar het hek, trok het open, ging naar buiten, draaide de sleutel om en gooide die naar binnen, in het stro.

Ze keek neer op de ineengekrompen jongen. Hij verroerde zich niet; ze dacht dat de dominee hem bewusteloos had geslagen, toen besefte zij dat hij op de plek in slaap was gevallen.

Plotseling voelde ze zich al haar kracht ontglippen. Een ogenblik tolde de kerker om haar heen; met haar hoofd tegen de muur prevelde ze: ‘O

[p. 250]

God, lieve God...’ Maar ze maakte het gebed niet af. Ze was volkomen gedemoraliseerd door zoveel harteloosheid, deze wreedheid, dit leed. Ze had nooit geweten dat menselijke wezens zo iets kon worden aangedaan, zelfs niet na het lezen van honderden brieven van gevangen Vrienden. Het leek alsof alle hoop, alle geloof, goedheid, schoonheid, alle zachtmoedige dingen waardoor ze haar hele leven beschut was geweest niets anders waren dan een droom. Niet deze kerker was de droom, maar Swarthmoor Hall.

Ze keek naar de slapende jongen. Ze wilde hem strelen, maar kon zich er niet toe brengen dat te doen. Hier zat ze nu, voorgevend Gods liefde te personifiëren, en de gedachte om hem aan te raken vervulde haar met weerzin. De kinderen waren symbolen voor haar geweest, geen werkelijke menselijke wezens. Ze was zelf een symbool van genade geweest, afdalend in de kerkers vol symbolen van leed met een symbolische boodschap van liefde. Ze was alleen maar een rijke dame die op liefdadigheid belust was geweest, niet omwille van anderen, maar van haar zelf.

Ze ging op zoek naar de sleutel in het stro en kroop naar de andere kinderen toe. Toen ze naast hen hurkte, herinnerde ze zich de ratten, maar haar angst was vervaagd. Vermoeidheid overmande haar; ze sloot haar ogen. Het was allemaal een uitwas van haar eigen verbeelding geweest. De door de dominee gepersonifieerde God van rechtvaardigheid en de God van liefde die ze zich had ingebeeld waren onverenigbaar. Het kon niet, dat de Heer der Heerscharen die de Israëlieten gedwongen had alle vrouwen en kinderen in Jericho af te slachten iets gemeen had met de liefhebbende Vader waar Christus over sprak. Eindelijk dan had ze haar doel bereikt: ze was vrij. Vrij van conventie, traditie, overgeërfd geloof, vrij om de waarheid onder ogen te zien. En de waarheid luidde: alle tederheid, medelijden, liefde, zachtmoedigheid, hoop - alles wat eens het leven de moeite waard gemaakt had, was fantasie, een droom. Dit was de werkelijkheid; ze hoefde alleen maar haar ogen te openen en om zich heen te kijken. Maar wat was de zin van een bestaan als dit? Wat was de zin van het menselijk leven? Ze bedekte haar gezicht met haar handen. Er was maar één woord om het menselijke leven samen te vatten zoals het haar ten slotte duidelijk was geworden: absurd. Het was absurd; dat was de waarheid. ‘Gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.’ Nu, ze was vrij. Vrij om zich op te hangen.

Plotseling vloog ze van angst overeind toen iets haar hand aanraakte. Het was het doofstomme meisje, dat haar aanstaarde met doffe, wezenloze ogen.

Ze probeerde te glimlachen. Ze wilde iets tegen haar zeggen, maar herinnerde zich dat het kind haar niet kon horen. Het was trouwens toch bedrog, want in haar hart deinsde ze voor het afgrijselijke wezentje terug. Als ze haar maar niet opnieuw zou aanraken! Het kind stonk weerzinwekkend, in het zwakke licht van de kaars kon ze de luizen in haar haren zien.

[p. 251]

Als hun lichamen elkaar ooit zouden raken ... Toen vlijde het kind zich tegen haar aan.

Vol walging wilde ze het kind wegduwen; maar na een ogenblik ontspande ze zich en liet het begaan. Als ze dit arme, idiote schaap een kortstondige illusie van moederlijke tederheid kon geven die haar beschutte, waarom niet? Wat viel er nog te verdedigen? Zelfs als het niet meer was dan een instinctief zoeken van een diertje naar warmte, waarom zou ze die niet geven? Met een gevoel van afscheid sloeg ze haar armen om het kind heen en drukte het hoofdje tegen haar borst. Ze zat naar de luizen te kijken tot de kaarsvlam flakkerde, sputterde en doofde en de kerker donker werd.

Ze wist niet hoe lang ze daar zo zat, haar armen om het meisje geslagen, wachtend op het eerste gekriebel van luizen op haar schedel; ze moesten nu over haar japon krioelen, op zoek naar haar haren. Plotseling begon een van de waanzinnige vrouwen in de aangrenzende cel te jammeren; toen ze opkeek zag ze een lichtschijnsel glimmeren op de tralies. Het werd helderder, wierp dansende schaduwen op de muur van de gang; het hield stil vóór ze de lantaarn kon zien; er verscheen iemand voor het hek.

‘Goedenavond, mevrouw Fell. Ik hoop dat ik u niet heb wakker gemaakt?’

Het was John Sawrey, gelukkig niet de dominee of de vrouw met de soepkar. Hij stond, klein en elegant met zijn bepluimde hoed en rode mantel, voor het hek als voor een spiegel; het lamplicht flonkerde op de gespen van zijn schoenen. ‘Is er iets dat ik voor u doen kan? Een deken? Wat fris water?’

‘Nee, dank u, meneer Sawrey. Erg vriendelijk van u.’

Hij keek haar aan, zijn gezicht nietszeggend. ‘Ik kan niet gedogen dat u in die vuiligheid moet leven. Ik zal mevrouw Fraley opdragen morgen het stro te verversen.’

‘O - dank u.’ Deze plotselinge bezorgdheid leek verdacht; hij moest iets in zijn schild voeren.

Alsof hij haar gedachten gelezen had, glimlachte hij haar bleekjes toe en zei: ‘U zult zich afvragen: vanwaar mijn bezorgdheid?’

‘Inderdaad.’ Het had geen zin om te huichelen.

‘Gedurende dit kwartaal ben ik verantwoordelijk voor deze gevangenis, en in zekere zin vertegenwoordig ik uw man.’

‘Erg vriendelijk van u.’

‘Kan ik hem nog een boodschap van u overbrengen? Ik sta geheel te uwer beschikking.’

‘Dank u, ik heb alles wat ik nodig heb.’

‘Goed dan.’ Hij trok zijn handschoenen aan. ‘Ik zal iedere dag omstreeks dit tijdstip even bij u op bezoek komen, als u dat schikt.’

‘O - o, graag.’

‘Mochten er problemen zijn, aarzel dan alstublieft niet mij te laten roepen, op welk uur van dag of nacht dan ook. Ik woon tijdens mijn ambts-

[p. 252]

periode hier in het Slot. Beide schouten weten me te allen tijde te vinden.’

‘Dank u.’ Ze wist niet wat ze ervan denken moest.

‘Welterusten, mevrouw. Uw onderdanige dienaar.’ Hij maakte een buiging, compleet met zwaai. Zijn schaduw op de muur aapte hem na. Ze hoorde hem mompelen: ‘Vooruit!’ Iemand hief de lantaarn omhoog; even later was hij weg. De arme schepsels in de cel naast haar gilden even terwijl hij langsging; het licht verdween en alles was weer donker. Het kind in haar armen had zich niet bewogen, de anderen evenmin.

Zijn hoffelijke bezorgdheid, hoe berekend ook, had haar verlichting gegeven; er scheen nu weer een straaltje hoop te bestaan. Ze dacht er over na en realiseerde zich dat het te maken had met zijn belofte het stro te zullen laten verversen. Dat zo iets zo'n verschil kon maken! Waarom had ze daar zelf niet aan gedacht? Om de een of andere reden had ze alles in de kerker als permanent en onveranderlijk beschouwd, net als de rots waaruit hij gehouwen was. Het was niet tot haar doorgedrongen dat het stro ververst zou kunnen worden; natuurlijk was dat het eerste waar ze voor had moeten zorgen! Ze had mevrouw Fraley er waarschijnlijk voor moeten betalen, maar dat had ze er graag voor over.

Terwijl ze daar in het donker zat, met het kind in haar armen, voelde ze opeens de behoefte op haar eentje een samenkomst te houden. Ze ontspande haar lichaam, bande alle gedachten uit, zelfs de kleine, nietszeggende, tot ze, open en passief, wachtte tot het Goddelijke in haar boven zou komen.

Wat boven kwam was de gedachte: ‘En wat is er voor Goddelijks aan, om hun vervuiling te delen?’

Het stelde haar teleur; ze had iets nobels verwacht, iets troostends. Nuchter bekeken was er inderdaad niets Goddelijks aan om hier te zitten wachten op het gekriebel van de eerste luizen op haar hoofd. In plaats van hun vervuiling te delen, zou ze er op uit moeten zijn hen haar properheid te doen delen.

God manifesteerde Zich in haar door het besluit deze varkensstal morgenochtend eens een goede beurt te geven. Ze was er zeker van dat Christus, als die een vrouw was geweest, hetzelfde zou hebben gedaan. Bidden kwam later wel.