Die nacht liet John Sawrey zichzelf en zijn schout McInnes door de bultenaar Hathaway naar het provoostverblijf geleiden, want hij had besloten daar zijn intrek te nemen, niettegenstaande de miserabele staat waarin de vertrekjes verkeerden: twee driehoekige torenkamers met smalle raampjes, berucht onder de rechters als onbewoonbaar. 's Winters waren de kamers onmogelijk te verwarmen, 's zomers werden ze een vergaarbak voor alle stanken die uit de ingewanden van het Slot opstegen. Geen van de rechters maakte gedurende zijn ambtsperiode van het provoostverblijf gebruik; iedereen gaf er de voorkeur aan in een herberg te logeren. Maar John Sawrey had, in een opwelling, mevrouw Fell verteld dat hij op ieder tijdstip beschikbaar zou zijn; dientengevolge zat er niets anders voor hem op dan de komende maanden in die muffe torenkamertjes te verblijven. Zelfs Hathaway, geen man om zich gauw te verbazen, kon zijn verrassing niet verbergen bij het horen van rechter Sawreys wens om gebruik te maken van het bultige overhuifde bed, de gammele stoelen en de versleten, door ratten gerafelde tapijten van het provoostverblijf.
Dat McInnes deze plotselinge verslechtering in zijn logies zonder verder commentaar zou aanvaarden was een uitgemaakte zaak; hij protesteerde nooit. Maar er zou iemand moeten worden gevonden om de boel schoon te houden en voor hun maaltijden te zorgen. Mevrouw Fraley had haar handen vol, maar misschien zou schout Farraguts vrouw, die drie verdiepingen lager woonde, daartoe bereid zijn. Ook al zou ze dat niet, niets kon Sawrey afbrengen van zijn besluit om hier zijn hoofdkwartier te vestigen tot na de terechtstelling van de jongen; tot zolang zou Margaret Fell zeker in de gevangenis blijven.
Ze was werkelijk een merkwaardige vrouw, en deksels moeilijk te strikken. Nog nooit had hij voor een probleem gestaan dat zoveel behoedzame sluwheid vergde. Het zou een krachtmeting tussen hen worden, een schaakspel; deze kamers met hun sfeer van grimmige afzondering waren daar beter voor geschikt dan de lawaaiige herberg. En hij zou ter plaatse zijn, onmiddellijk beschikbaar.
Die nacht besefte hij pas goed dat hij op het punt stond zich aan de beslissendste en gevaarlijkste jacht van zijn loopbaan te wijden. Hij had niet verwacht dat mevrouw Fell zich zo volledig aan hem zou overleveren. Hij had in het begin getracht haar van die kinderen weg te houden, gepikeerd door Fells aanmatigende besluit zijn vrouw toegang tot de kerkers te
verlenen zonder hem, provoost in functie, te raadplegen. Nu zag het ernaar uit dat hij, meer door geluk dan wijsheid, precies de juiste handelingen had verricht om de vrouw ertoe te brengen zich aan zijn genade over te leveren. Door zich vrijwillig in gevangenschap te begeven had ze zichzelf in een positie gebracht waarin hij, met een minimum aan vindingrijkheid van zijn kant, zich al spoedig als haar weldoener zou kunnen voordoen.
Die nacht, in zijn donkere, driehoekige kamer, dacht hij aan John McHair, de stroper. Toentertijd had hij niet veel aandacht besteed aan de inhoud van de eindeloze monologen over hazen en herten en konijnen, looppaden en terrein en sleur; wat hij zich herinnerde was de eerste voorwaarde voor het vangen van het wild: de jager moest beginnen zich met zijn prooi te identificeren. Hij moest het wild gadeslaan, met zijn gewoonten vertrouwd raken, zich zijn karakter eigen maken alvorens iets te doen. Het was een verrassing voor hem geweest te horen hoe conventioneel dieren waren, hoe vastgeroest in hun dagelijkse sleur. Er was een overeenkomst tussen de wereld van het bos zoals John McHair die beschreven had, en de gevangenis. Beide hadden dezelfde tredgang, dezelfde nauwe belangensfeer: lijfelijk behagen, eten, slapen, macht over anderen. Net als John McHair het geweest was, was hij nu koning van het bos.
Toen de zon boven de kliffen opkwam en hij stond uit te kijken over de flonkerende baai, formuleerde hij het doel van zijn campagne: hij moest, met doorslaggevend, wettelijk bewijs, aantonen dat Margaret Fell een militante Quakeres was, eropuit de ordelijke sociale structuur omver te werpen. Maar er school meer achter zijn vastberadenheid om haar te strikken: een beheerste drift, een koude hartstocht. Had het met zijn geloof te maken? Als toegewijd Cromwelliaan beschouwde hij Quakers als ketters, rapalje. Nu ze door de staatsproclamatie officieel als staatsvijandig waren gebrandmerkt, was het zijn plicht hen op te sporen en voor het gerecht te brengen. Maar dit was niet de verklaring voor zijn nerveuze gespannenheid. Was het de passie van de jacht zelf? Wat het ook was, het bracht een gevaar mee. Als hij zijn prooi in de val wilde laten lopen, moest hij het hoofd koel houden en, vooral, zich bewust zijn van zijn eigen tekortkomingen. Alvorens de volgende stap te zetten zou hij eerst, koelbloedig, John Sawrey en diens zwakke punten moeten ontleden, met name zijn gevoel van minderwaardigheid. Daarna moest hij proberen zich met haar te vereenzelvigen, te beginnen met de beginselen, de doelstellingen en de mentaliteit van de Quakers. Uiteindelijk moest hij haar ertoe brengen dat ze zichzelf beschuldigde. Haar tot praten aan te moedigen was niet genoeg, ook al biechtte ze de afzichtelijkste misdaad op, het zou waardeloos zijn zonder een schriftelijke bekentenis of een door beëdigde getuigen bekrachtigd proces-verbaal. Hij moest een griffier ieder woord laten opschrijven, zodra ze zich begon uit te spreken; de man moest natuurlijk onzichtbaar zijn. Maar waar vond hij iemand die tot zo'n vertrouwelijke taak in staat was, en nog nauwgezet ook? Hij kon maar één man bedenken: de oude Holofernes Stowe, nu
griffier van het kantongerecht in Liverpool. Hij maakte gebruik van een kortschrift dat alleen hij kon lezen, en hij was slim en nauwgezet. Er zou een flinke beloning voor nodig zijn om hem hier te krijgen, of wel chantage. Dat laatste was het meest doeltreffend, maar welke duistere geheimen kon een boekerige oude vrijgezel als Holly Stowe verbergen? Enfin, als de man iets te verbergen had, zou McInnes er wel achter komen.
Sawrey keek naar de zonsopgang. Wat een geduld zou hij nodig hebben! Wat een inzicht in de mentaliteit van die vrouw! Hoe zou ze zich, bijvoorbeeld, voelen wanneer er aanstonds vers, schoon stro in haar cel gespreid werd? Een geur van zomer, vrijheid ... heimwee naar huis?
***
Ann Traylor ging die morgen vol wroeging naar de gevangenis. Hoe zou ze Margaret Fell aantreffen, na deze ongetwijfeld gruwelijke eerste nacht? Zelf had ze slecht geslapen, belaagd door dromen van ratten, krijsende krankzinnige vrouwen, loerende mannen in capes, met dolken. Verscheidene malen was ze overeind gevlogen, met bonzend hart; op een gegeven moment was ze zelfs opgestaan om zich aan te kleden en zich bij haar meesteres te voegen, maar één blik door het raam op de zwarte dreiging van het Slot Lancaster tussen de sterren had haar, huiverend, weer in bed doen kruipen.
Nu aarzelde ze in de poort, bang om naar binnen te gaan; toen stapte ze het kantoortje van de opzichter binnen. Schout Farragut verwelkomde haar met zijn gebruikelijke, dubbelzinnige glimlachje. ‘Zo, zo, jongedame! Waarom hebben we zo'n haast, vanmorgen?’
Ze hoorde hem nauwelijks; ze dacht aan Margaret Fell in dat smerige stro, na de verschrikkingen van de nacht. Toen ze met de cipier, die een lantaarn meedroeg, de wenteltrap afdaalde, leek de stank uit de put erger dan ooit; maar er klonk ditmaal geen gegil of gefluit uit de zwarte gangopeningen. Beneden gekomen, holde ze vooruit, langs de kooi van de krankzinnigen, de klauwen ontduikend; bij het hek van de donkere kerker van de kinderen riep ze, nog voor de man met de lantaarn haar had ingehaald: ‘Margaret Fell? Margaret Fell! Waar ben je?’
‘Goedemorgen, Ann.’ De stem was opgewekt. Toen de lantaarn het binnenste van de cel belichtte kwam Margaret naar de deur toe waden om die te ontsluiten. ‘Heb je kaarsen meegebracht? We hebben ze vannacht allemaal opgebruikt.’
‘O - kaarsen - ja, ja, natuurlijk...’ Ann rommelde zenuwachtig in haar mandje en haalde een van de kaarsen te voorschijn die ze die ochtend had ingepakt.
‘Prachtig. Mag ik die aan jouw lantaarn aansteken, brave man?’
‘Zeker, mevrouw.’ De cipier opende het ruitje om haar in staat te stellen de kaars aan de vlam te ontsteken.
‘Bedankt.’
‘Nog iets anders, mevrouw?’
‘Nee, de rest regel ik wel met juffrouw Traylor hier.’
‘Goed, mevrouw. Dag, juffrouw.’ De lantaarn verdween in de gang.
Daar stond ze, de kaars in de hand, glimlachend, alsof er niets gebeurd was. ‘Kom binnen, beste kind.’
Ann keek toe terwijl ze de kaars in de fles zette. ‘Wilt u de deur niet weer op slot doen?’
‘Nee, want je gaat zo dadelijk weer weg. Ik wil dat je een paar inkopen voor me doet, en naar de schout gaat om te regelen dat dit stro wordt ververst. Zeg hem dat rechter Sawrey het heeft goedgevonden en dat ik ervoor zal betalen, als dat nodig is. Misschien zou je beter mevrouw Fraley zelf het geld ervoor kunnen aanbieden.’
‘Mevrouw Fraley?’
‘O, jij kent haar nog niet. Ze is de huishoudster of hoe dat ook heten mag. Ze brengt het eten rond, en houdt de kerkers schoon. Laat haar door een van de cipiers de boodschap brengen; ik wil dat het stro vanmorgen nog wordt ververst. Verder heb ik de volgende dingen nodig - hier, een leitje, schrijf het op, het is een hele lijst.’
Het was alsof ze tegenover haar keukenpersoneel thuis stond: gebiedend, geen haartje gekreukt, volkomen op haar gemak, zonder aandacht voor haar omgeving of de stemming van haar gezellin.
Terwijl Ann de boodschappenlijst opschreef, moest ze vechten tegen haar tranen. Ze hunkerde ernaar terug te keren in de frisse lucht, weg van dit onmogelijke mens, deze tiran.
‘Of wat de apotheker dan ook aanbeveelt tegen schurft. Heb je dat?’
‘Ja.’
‘Ik wil ook wat zalf voor Henry's oog.’
‘Henry?’
‘De jongen daar.’
‘O - o, ja.’
‘Zalf of balsem voor de lege oogkas, en een ooglapje.’
Ann had moeite de opdrachten bij te houden: dekens, kleren, bezem, emmer, brood, worst, kaas, appelen, kammen, borstels, jachtwater, hoest-drankje, lavendel - ze zou een handkar nodig hebben, maar ze protesteerde niet; iedere tegenwerping zou haar alleen maar langer hier beneden vasthouden. Op een gegeven moment, terwijl ze stond te wachten tot Margaret Fell nog een artikel voor de wagenlading bedacht had, wierp ze een blik op de eenogige jongen in de hoek, zag hem honend naar haar grijnzen en dacht: ‘Hij verdient het om te worden opgehangen! De ellendeling!’
Die gedachte achtervolgde haar toen ze weer buiten stond, op het zonovergoten plein, en de stad inwandelde. Wat was er van haar nobele gevoelens geworden, haar hunkering om de hulpelozen bij te staan? Er was niets meer van over; wat ze nu voelde was woede, en afgunst. Ja, afgunst:
Margaret Fell had vannacht een ervaring opgedaan die zij had gemist. Maar dat was belachelijk! Ze kon niet voor eeuwig aan Margaret Fells rokken blijven hangen! Ze moest beginnen haar eigen leven te leiden! Toen drong het tot haar door waar ze naar stond te staren: een hoed, in de etalage van een modiste. Een opzichtige hoed van groen fluweel, met een pluim van fazanteveren. De hoed had iets uitdagends, iets van ‘wie doet me wat?’ - hij scheen de Ann van haar dagdromen te personifiëren: vrouw van de wereld, op handen gedragen, hooghartig, wispelturig ... Voor ze het wist stond ze in de winkel de hoed te passen voor de spiegel.
De welgedane vrouw die haar bediende, een en al glimlach, bekeek haar met sluwe oogjes. ‘Het is de allerlaatste Londense mode, juffrouw. We hebben er pas vanochtend de laatste hand aan gelegd. U bent de eerste die deze hoed oppast.’
In de spiegel gezien zag het ding er nog opzichtiger en brutaler uit dan in de etalage. Toch had die hoed iets tartends, spottends ... ‘Hoeveel kostie?’
‘Vijf shilling, juffrouw. Erg, erg voordelig, gezien het werk dat eraan zit. Beseft u wel hoeveel veertjes...’ Ze keek over de schouder van haar cliënte in de spiegel. ‘Werkelijk enig! Hij staat u snoezig, juffrouw! Uw mooie teint komt er prachtig mee uit.’
Ann stond op het punt om te zeggen: ‘Hij is niet voor mij, maar voor mijn meesteres.’ Toen dacht ze: ‘Daar ga je weer!’ Ze zette een vastberaden gezicht en zei op zelfbewuste toon: ‘Goed, ik neem 'm.’
‘O, u zult er geen spijt van hebben, juffrouw! Hij flatteert u bijzonder. Ik zal even een doos halen.’
‘Nee, dank u. Ik houd 'm op.’
‘O?’ De vrouw popelde blijkbaar om meer over haar te weten te komen. ‘Waar moet ik de rekening naartoe sturen, juffrouw?’
‘Geen rekening nodig. Ik betaal 'm nu meteen.’ Ze tastte in haar mandje naar haar beurs.
Ze was stapelgek! Een hele maand loon! Ze telde de geldstukken op de toonbank uit, met het gevoel dat ze straks wakker zou schrikken. Dit kon niet waar zijn, haar zuur verdiende geld zo maar verspillen aan dit belachelijke ... Ze liet een munt vallen. Terwijl ze zich bukte om die op te rapen viel de hoed van haar hoofd op de grond. Het leek een voorteken.
‘O, juffrouw, deze hoed heeft spelden nodig!’ De vrouw leunde over de toonbank; toen Ann zich oprichtte ving ze een vleug oranjebloesem op uit haar weelderig decolleté.
‘Nee, zo is het wel goed.’ Weg van die pinnige, gretige oogjes! Een ogenblik later stond ze weer op straat.
Het topzware gevoel van het wiebelende ding op haar hoofd bracht haar er bijna toe terug te gaan om te zeggen dat ze van gedachten veranderd was. Terwijl ze daar aarzelend stond kwam er een goedgeklede jongeman voorbij; hij keek haar taxerend aan en lichtte zijn hoed. Ze had er geen idee
van wie het was; ze ving een glimp op van haar spiegelbeeld in de ruitjes van de etalage: een betoverend visioen van modieuze vrouwelijkheid; zonlicht glinsterde op de gouden fazanteveren. Zou ze teruggaan om die hoedespelden te halen? Maar ze wist dat de dikke vrouw met de glinsteroogjes haar heimelijk stond na te gluren; de apotheek was een paar huizen verderop, ze zou daar eerst maar naartoe gaan.
Toen ze de deur opende klonk het schel gerinkel van een belletje. Het schemerduister van de winkel geurde naar reukhout en perubalsem. Ze ging naar de toonbank en wachtte tot er iemand komen zou, zenuwachtig met haar vingers trommelend. Langs de wanden stonden rijen potten; in een glazen bak op de toonbank krioelden bloedzuigers. ‘Volk!’ riep ze.
In het achterhuis klonk geschuifel en gestommel. Een muizig mannetje in een wit jak kwam te voorschijn met de dubbele glinstering van brilleglazen op zijn neus. ‘Goedemorgen, goedemorgen, neem me niet kwalijk, mevrouw, ik heb u niet gehoord. En wat mogen we voor u doen, mevrouw?’ Hij was een en al dienstbaarheid; ze was nog nooit in haar leven zo deemoedig aangesproken.
‘Even zien...’ Ze haalde het leitje uit haar mand. ‘Om te beginnen: een fles jachtwater.’
‘Wat zegt u?’
Ze wierp hem een hooghartige blik toe. ‘Jachtwater, tegen luizen. Dat hebt u toch zeker wel?’
‘O - ja - ja natuurlijk, mevrouw.’ Hij schuifelde weg en begon in een kast met flessen te rinkelen. ‘Alstublieft, mevrouw. Is een liter genoeg, denkt u?’
‘Onzin! Er zit geen liter in die fles! Wat ik nodig heb is minstens - ik weet het niet. Zegt u het maar. Zes kinderen die onder de luizen zitten; hoeveel heeft men daarvoor nodig?’
‘Zes?’ De mond van de man viel open.
‘Inderdaad: zes.’
‘Jawel, mevrouw...’ Hij trippelde weer weg; even later zette hij een grotere fles op de toonbank. ‘Dat zal wel genoeg zijn, mevrouw.’
‘Mooi.’
‘Nog iets anders?’
‘Jazeker: iets tegen schurft.’
‘Schurft?’
‘Verder nog wat zalf voor de ontstoken oogkas van een kind met één oog.’
‘Eén oog...’
‘Ik moet ook een ooglapje hebben.’
De man staarde haar verbluft aan. ‘Hoe - hoe is dat gebeurd, mevrouw?’
‘Wat bedoelt u?’
‘Dat oog ... een ongeluk?’
‘Nee,’ zei ze, luchtig. ‘Het is er door iemand uitgeslagen. Even kijken ... Verder heb ik nog lavendel nodig, een hoestdrankje ...’
‘Uitgeslagen?! Lieve hemel, door wie? Waarom?’
Ze weerstond de verleiding om te antwoorden: Omdat hij zijn pappie de hersens heeft ingeslagen met een pook. ‘O, gewoon een verschil van mening,’ zei ze. ‘Is er een speciale zalf die u kunt aanbevelen? De oogkas is ontstoken.’
De verblufte apotheker kweet zich met starende ogen van haar bestellingen. Het was een lange lijst, op rekening van Margaret Fell, De Drie Zwanen. Het resultaat was dat ze bij het verlaten van de winkel niet langer het gevoel had verkleed rond te lopen. De hoed was, wat er ook van komen mocht, haar bezit geworden.
Het gevoel van onafhankelijkheid dat de hoed haar gaf deed haar besluiten de medicijnen eerst zelf naar de gevangenis te brengen en straks iemand van de herberg mee te nemen om de rest van haar inkopen te dragen. Zoals ze nu was uitgedost kon ze niet door de stad lopen met een bezem en een emmer in haar hand. Natuurlijk zag haar japon er plotseling goedkoop uit, de hoed was een vlag op een modderschuit. Maar ze was vol zelfvertrouwen; pas in de poortgang van de gevangenis werd het schommelende gevaarte op haar hoofd weer belachelijk. Onmogelijk om zo in de kerkers af te dalen! Ze moest stapelgek zijn geweest! Opnieuw overwoog ze terug te gaan om de modiste te zeggen dat ze zich bedacht had; zou ze kunnen zeggen dat haar man ... Nee! dan zou ze opnieuw het onderspit tegen Margaret Fell delven! Die hoed was van haar. Ze kon hem alleen niet op hebben als ze de wenteltrap afging. Wat moest ze ermee doen? Aan het hek van de gevangenis hangen? Zij ook met haar idiote, impulsieve invallen! Wat moest ze er in hemelsnaam mee beginnen? Ze zou hem in het kantoortje moeten achterlaten. De schout loerde altijd nogal vuns, maar hij zou er tenminste niet tegen anderen over kletsen. Of wel? Nu ja, wat dééd 't ertoe!
Toen ze de deur van het kantoortje opende sloeg haar hart een keer over. Daar, voor het bureau van de schout, stond opperrechter Thomas Fell.
Haar eerste opwelling was de benen te nemen, maar het was te laat. Blozend maakte ze een diepe dienaar, mompelde: ‘Goedemorgen, Your Lord -’ Daar ging de hoed, plof!, op de vloer.
Ze voelde zich zo vernederd dat ze hem niet kon oprapen. Ze richtte zich op, de ogen gesloten, en wenste dat ze dood was.
‘Sta me toe.’
Ze opende haar ogen. Daar stond de rechter met een effen gezicht en reikte haar de hoed.
‘Dank u, Your Lordship.’
‘Ben je op weg naar beneden, naar mevrouw Fell?’
‘Ja, Your Lordship.’
‘Vraag haar of ik iets voor haar doen kan. Zeg maar dat ik tot haar beschikking sta.’
‘Zeker, Your Lordship.’
‘Kom dan terug om me te vertellen of er iets is, wil je?’
‘Ja, Your Lordship...’
Ze draaide zich om, ging naar de deur, liet de hoed op een stoel vallen en glipte het kantoortje uit.
De cipier begeleidde haar naar beneden. Voor de tweede keer die ochtend daalde ze de eindeloze wenteltrap af. Ze was zo vernederd dat ze er geen woorden voor vond. Het was de schuld van Margaret Fell. Zij had haar ertoe gedreven die hoed te kopen! Ze wist dat het onredelijk was, maar ze had een slapeloze nacht doorgebracht, tobbend over die arme vrouw en hoe ze haar zou aantreffen, en het ellendige mens had er uitgezien om door een ringetje te halen, ze had gewoon voor schut gestaan met haar zenuwachtige bezorgdheid.
Toen ze beneden kwam vond ze Margaret Fell, blootsvoets, haar rokken opgebonden, bezig de stenen vloer met een bezem te schrobben. Het stro was weg, de kinderen huppelden en sprongen monter om haar heen; de eenogige jongen zat somber in zijn hoek gehurkt.
‘Aha, daar ben je!’ Margaret Fell zette de bezem tegen de tralies en streek met de rug van haar hand haar haren uit haar ogen. ‘Heb je de bezem en de emmer al gekocht?’
‘Nee, het leek me beter eerst de medicijnen te bezorgen.’
‘Prachtig! Schrap ze maar, ik heb een bezem van mevrouw Fraley geleend; ze heeft me ook een emmer gegeven. Maar de po heb ik wel nodig. Kom binnen.’
Margaret Fell opende het hek, dat niet was afgesloten; de kinderen waren joelend van pret aan het hinkelen. Maar zelfs spelende kinderen konden de somberheid van de kerkers niet verjagen. ‘Laat eens zien wat je hebt meegebracht. Is dit het jachtwater?’
‘Ja. Maar ik moest u vertellen dat uw man boven is.’
‘Thomas? Wat doet die hier?’ Haar schrik schonk Ann een geniepige voldoening.
‘Dat weet ik niet. Hij vroeg me alleen u te vertellen dat hij tot uw beschikking staat. Hij wil dat ik meteen weer terugga om hem te vertellen wat hij voor u kan doen. Zou u hem misschien zelf willen spreken?’ Het was een vrijpostige opmerking; de rechter had dit niet geopperd. Ze zag met voldoening dat Margaret Fell ervan in de war raakte.
‘Hè? Nee ... ik - zeg hem maar dat ik hem zal schrijven. Hij moet vooral niet beneden komen - niet voordat ik hier opgeruimd heb.’
‘Dus wat moet ik zeggen? Dat er niets is wat hij voor u kan doen?’
‘Op het ogenblik niet. Maar vraag hem je te helpen de rest van de boodschappen te dragen. En ik heb vergeten dat dit allemaal betaald moet worden. Laat hij dat maar doen.’
‘Ik heb de rekening van de apotheek naar de herberg laten sturen.’
‘O? Uitstekend. Nu ja, regel het maar met hem. Pas op, Jody! Gooi die emmer niet om!’ Ze liep naar het kleine meisje dat uitgelaten op de harde, kale vloer rondtolde, pakte haar bij de arm, wees op de emmer en maakte een waarschuwend gebaar met haar vinger. Toen pakte ze de bezem weer. ‘Goed, kom zo gauw mogelijk terug met de rest. Ik heb je hier hard nodig.’
‘Zeker, mevrouw.’ Ze kon niet blijven staan kijken terwijl Margaret Fell als een werkmeid aan het schrobben was. ‘Kom,’ zei ze tegen de cipier die met open mond naar de cel had staan staren, en volgde hem de gang door. De krankzinnige vrouwen hadden het nog steeds niet opgegeven door de tralies naar haar te graaien, gelukkig maar dat ze die hoed niet op had. Maar niemand krijste of beukte met haar ketens.
Op weg naar boven zette ze zich schrap voor de nieuwe ontmoeting met de opperrechter. De duivel hale die hoed! Ze zou het liefst meteen maar naar buiten zijn geglipt zonder de hoed; maar na een korte aarzeling voor de deur van het kantoortje ging ze toch maar naar binnen, het hoofd in de nek.
Lord Fell zat achter het bureau van de schout. Hij stond hoffelijk op; Farragut volgde, enigszins verbaasd, zijn voorbeeld. ‘Ik kom terug om dit verder met je te bepraten, Farragut. Voorlopig zou ik erkentelijk zijn als je mevrouw Fraley namens mij voor haar vriendelijkheid wilt bedanken. Zeg haar dat ik haar later op de dag even persoonlijk wil spreken.’
‘Zeker, Your Lordship.’
Lord Fell kwam naar Ann toe. Deze keer maakte ze geen buiging. Hij nam haar hoed van de stoel. ‘Kom maar even mee.’ Hij reikte haar de hoed. ‘Alsjeblieft.’
‘Dank u.’ Ze besloot het ding in haar hand te houden, maar toen ze uit de donkere poortgang op het zonbelichte plein kwamen, zette ze hem toch op. ‘Your Lordship, mevrouw zei...’
Hij legde zijn hand op haar arm. ‘Niet hier! Er zijn massa's dingen die ik wil weten. Zou je me het genoegen willen doen met me te gaan noenmalen?’
Ze bleef stomverbaasd staan. ‘N-noenmalen?’ hakkelde ze.
‘Ik heb Will Hartford helaas met de koets naar de herberg teruggestuurd. Zou je het erg vinden te lopen? Het is maar een klein eindje.’
‘Ik - ik - graag...’
‘Goed dan. Deze kant op...’ Hij reikte haar zijn arm. Stomverwonderd, maar allengs moediger stak ze het zonnige plein over. Toen zij door de schaduw van het standbeeld van St.-Joris liepen, vloog een zwerm spreeuwen op en zwierde als een wolk het plein rond, wisselend van zwart tot zilver. Hun zwermen had iets onstuimigs, rusteloos; het was lente.
***
‘Ik moet u iets bekennen...’ Het meisje zag er, in haar charmante ernst, jong en onschuldig uit.
Tot op dat ogenblik had Thomas Fell somber in de stampvolle gelagkamer gezeten, slechts met een half oor naar haar gebabbel luisterend. Het feit dat Margaret niets anders voor hem had weten te bedenken dan dat hij de inkopen van een dienstmeid mocht helpen dragen zat hem dwars; nu werd hij zich opeens bewust van dit charmante jonge ding met haar onmogelijke hoed. Na één glas wijn stond ze al op het punt een ernstige bekentenis te doen.
‘Zo? Wat heb je voor ondeugends uitgehaald?’
Haar ogen, groen en helder, keken naar hem op, twinkelend door de weerspiegeling van de kaarsvlam.
‘Ondeugends?’ zei ze, fronsend. Ze nam zichzelf heel serieus. ‘Ik bedoelde: ik begrijp uw vrouw eigenlijk niet goed.’
Hij glimlachte. ‘Je bent de enige niet, kindlief. Soms begrijp ik haar zelf niet. Nog wijn?’
Terwijl hij haar glas vulde, staarde ze hem van onder die donderhoed verbijsterd aan.
‘Kijk niet zo geschokt,’ zei hij. ‘Je had het gezicht van die oude feeks Fraley moeten zien toen ze opdracht kreeg een emmer en bezem naar de vrouw van de opperrechter te brengen, in de kindercel. Ze keek alsof ze een spook had gezien, tot ik haar geld in de hand drukte. Toen werd alles natuurlijk meteen duidelijk: de gril van een rijke dame, met welwillende steun van haar toegevende echtgenoot.’ Hij zei het met meer verbittering dan hij bedoeld had.
‘En ... is dat dan niet zo?’
Zij moest beseft hebben dat ze te ver was gegaan, want ze bloosde. Het was een charmante blos; ze was werkelijk een aanvallig wezentje. Ze was hem nooit eerder opgevallen; thuis was ze één van de onopvallende halfwassen geweest met wie zijn vrouw zich omringde en die kwamen en gingen als duiven. ‘Vertel me eens,’ zei hij, glimlachend om haar op haar gemak te stellen, ‘ben je zelf ook Quaker?’
Ze staarde naar haar glas, het prille voorhoofd gefronst. ‘Geweest. Liever gezegd: ik dacht dat ik het was. Maar toen gebeurde...’
‘Nu?’
Ze keek hem aan, kennelijk in twijfel of ze hem in vertrouwen zou nemen dan wel aan haar plaats denken. Voor iemand die in feite een bediende was, moest het een moeilijke opgave zijn om zelfverzekerd te blijven en tegelijkertijd eerbied voor haar meester te tonen. Wie was ze eigenlijk? Hij herinnerde zich iets over een drankzuchtige vader, een familielid van de Rutledges. Ja, dat was het: de vrouw van Rutledge had haar aan een baantje op Swarthmoor Hall geholpen via het mededelingennet van kasteelvrouwen, een spinneweb van roddel en intrige dat van Lands End tot John O'Groats reikte. Het moest een van de doelmatigste communicatiesystemen
ter wereld zijn, sneller dan de Saraceense torens in Frankrijk.
‘In het begin, toen George Fox pas opdook, was ik nogal sceptisch.’ Ze had klaarblijkelijk besloten haar hart uit te storten. ‘Ik dacht eerlijk gezegd dat hij een oplichter was, en de manier waarop hij uw vrouw het leven zuur maakte...’ Daar was die blos weer. Ze wendde haar ogen af en keek verwijtend naar haar glas.
‘Ga verder. Het boeit me.’
‘Ik - ik geloof niet dat ik...’ Haar ogen waren schuw en zondeloos, als die van een ree.
Plotseling voelde hij zich ontspannen. De zorg en de ergernis die hem beklemd hadden sinds het moment dat zijn vrouw uit Windermere was teruggekomen, bleken opeens te zijn weggeëbd. Misschien was het de wijn; ze schonken hier een voortreffelijk glas. ‘Hoor eens, lieve kind,’ zei hij vriendelijk, ‘schei uit met jezelf verwijten te maken voor ieder oprecht woord dat je zegt. Ik ben twintig jaar met mijn vrouw getrouwd, en erg gelukkig bovendien, je zou zo zeggen dat ik haar zo langzamerhand beter moest kennen dan wie ook. Maar hoe beter je haar leert kennen, hoe minder je van haar begrijpt - liefde sluit echter vertrouwen in. Dus, vertrouw haar. Vertrouw haar intuïtie, bewonder haar moed, en schort je oordeel over haar daden op, ook al mogen die dan soms - nu ja - ietwat onthutsend zijn.’ Hij was verrast door zijn plotselinge ontboezeming, het was niets voor hem. Maar hij had de behoefte de loftrompet over zijn vrouw te steken; alle wrok leek vervluchtigd; hij voelde zich vol genegenheid voor die malle, lieve, impulsieve Maggie. ‘Dus, alles wat je me maar kunt vertellen over haar doen en laten zal me een beter idee geven hoe ik haar kan helpen, als dat nodig mocht zijn. Onder ons gezegd, beste kind, ze speelt hoog spel.’
‘O?’ Ze keek hem bezorgd aan.
‘Ga verder. Wat waren je gevoelens jegens George Fox toen je besefte dat hij mijn vrouw het leven zuur maakte?’
Ze staarde weer naar haar glas, dat zij met een slanke hand ronddraaide op het tafelblad. ‘Hij maakte ons allemáál het leven zuur, door ons eerst wakker te schudden en ons daarna in de steek te laten.’
‘Had je op dat moment nog het gevoel dat je mijn vrouw begreep?’
Ze keek op; haar zelfverzekerdheid was bewonderenswaardig. Ze was niet alleen een knap ding, ze had bovendien haar vijf zinnen goed bij elkaar. ‘Ja. Zij sprak ons moed in door te zeggen dat er een heleboel anderen waren, net als wij, door hem in de steek gelaten, en dat we in plaats van wanhopig te zijn die anderen te hulp moesten komen, vooral de stakkers die in de gevangenis terecht waren gekomen als gevolg van zijn hagepreken - maar dat weet u allemaal.’
‘Ga verder.’
‘Ik werd haar helpster. Ik bewonderde haar, heel erg. Dat doe ik trouwens nog. Heel erg.’
‘H'm. En toen?’
‘Toen nam u ons mee voor dat bezoek aan het Lancaster Slot om ons te tonen ... Waarom deed u dat eigenlijk?’
‘Wat?’
‘Ons die opgehangen kinderen laten zien?’
‘Om mijn vrouw ervan te doordringen wat zij riskeerde door zich met de Quakers in te laten. Je weet, neem ik aan, dat het nu een strafbaar feit is, Quaker te zijn.’ Hij nam een teugje wijn. ‘Helaas heeft mijn paardemiddel alleen in jouw geval doel getroffen.’
Ze weifelde, toen zei ze: ‘Maar voor mij is het anders! Ik bleef in onze missie geloven tot - tot ik aangerand werd.’
‘Wat werd je?’
‘Aangerand...’ Ze zei het met neergeslagen ogen.
‘God allemachtig! Wanneer? Waar?’
‘In de gevangenis, de eerste dag, toen we weer op weg waren naar boven. Een man sprong uit een van de gangen te voorschijn en...’
‘Wat? Er kwam je toch zeker wel iemand te hulp?’
‘Ja, uw vrouw. Ze ranselde met haar mandje op hem los tot hij me liet lopen.’
‘Grote God! Hebben jullie dat aan de schout verteld?’
‘Natuurlijk. De schout had ons van tevoren gewaarschuwd dat dit zou kunnen gebeuren.’
‘Maar er is toch niets gebeurd? Ik bedoel: niets ernstigs?’
‘Nee, niets ernstigs.’ Ze bloosde en wendde haar blik af.
Plotseling voelde hij zich verlegen. Hij wenkte een dienster en vroeg om meer eendebout. Toen hem een nieuwe portie was opgediend, hief hij zijn glas en zei: ‘Nu dan, op je goede geluk! Dat het je gunstig gezind mag blijven.’
‘Dank u.’
Zelf dronk ze niet. Ze was verstandiger dan hij dacht.
‘Dus na dat incident voelde je je in je ijver bekoeld?’
‘Juister gezegd, ik voelde wrok jegens uw vrouw. Ik hoop niet dat u het erg vindt dat ik u dit zeg,’ voegde ze er haastig aan toe. ‘Ik verzeker u dat ik erg veel van haar houd. Ik heb een ontzettende bewondering voor haar; het is alleen maar een kwestie van mijn eigen gevoelens...’
‘Verontschuldig je niet. Leg het eens uit.’
‘Nu ja, ziet u, die avond na de aanranding was ik erg van streek, en ze was erg vriendelijk voor me, vriendelijker dan ze ooit geweest was; ik had plotseling het gevoel ... Mijn moeder is erg jong gestorven, weet u, ik heb nooit echt een moeder gehad. Die nacht wel.’
‘Ah, juist.’
‘Toen ze me de volgende morgen vertelde dat ik weer die kerkers in moest was ik - nu ja - gekwetst. Dom, maar verschrikkelijk gekwetst.’
Op en top Margaret! Geen wonder dat het arme kind getwijfeld had aan
haar moederlijke tederheid! ‘Kijk, lieve kind, zodra mijn vrouw een doel voor ogen heeft, streeft ze dat na zonder verder aan iets anders te kunnen denken. Daardoor kwetst ze vaak anderen; ze bedoelt het niet kwaad - eigenlijk zouden we haar onkreukbaarheid moeten bewonderen, want dat is het in feite. Ze heeft een duidelijk waardebesef; zodra ze heeft besloten ongelukkige kinderen in een kerker te gaan helpen, is dat haar grootste zorg; ze laat zich daarbij niet van de wijs brengen, zelfs niet door het verdriet van iemand van wie ze oprecht houdt. Ze is een merkwaardige vrouw. Je kunt veel van haar leren. Ik ook trouwens.’
Zij keek hem ernstig aan; toen zei ze: ‘Ze mag van geluk spreken dat ze een man heeft als u. Ik vind u geweldig.’
Even twijfelde hij aan haar onschuld. Had ze meer ervaring dan hij dacht? Maar haar ogen waren argeloos, met een naïviteit die door die hoed nog geaccentueerd werd. Geen enkele ervaren vrouw zou zich met zo'n invitatie tot overspel hebben uitgedost. Hij had haar voor het noenmaal uitgenodigd uit pure eenzaamheid, alleen maar om niet opnieuw moederziel alleen te moeten zitten eten in een hoekje van dit schallende hol vol kroegjool; nu bleek het een voortreffelijk idee te zijn geweest. Als hij haar ook eens voor het avondeten uitnodigde, nadat ze hun inkopen hadden gedaan voor de keizerin in de kerker? Het zou aanleiding tot geroddel geven; het zat hier vol mensen die hem kenden. Een privé-kamer? Hij moest aan de reputatie van het kind denken. Maar als hij een oogje op zijn vrouw wilde houden moest hij weten wat er daarbeneden gaande was. Hij had een spion nodig.
‘Nu, we konden maar beter opstappen om de dingen te gaan kopen die ze nodig heeft,’ zei hij terwijl hij zijn servet neerlegde. ‘O, neem me niet kwalijk, je hebt je wijn nog niet op.’
Ze glimlachte. ‘Ik heb al meer op dan goed voor me is. Dit was heerlijk.’
‘Wederzijds, beste kind, wederzijds. We hebben deze hele kwestie nog niet voldoende doorgepraat. Mag ik je uitnodigen vanavond met me te souperen?’
***
Even voelde Ann een twijfel opkomen. Was dit wel goed? Maar zijn ogen waren zo oprecht, zijn manieren zo aristocratisch dat ze haar schuchterheid overwon. ‘Graag, Your Lordship.’
‘Mooi. Maar voor één ding moet ik je waarschuwen, en ik hoop dat je er geen aanstoot aan zult nemen.’
Ze voelde haar argwaan terugkomen. ‘Hoezo?’
‘De mensen hebben helaas de neiging het slechtste in hun naaste te veronderstellen. De enige manier om geroddel te voorkomen is dat we ons souper in een privé-kamer gebruiken. Normaal gesproken zou dit een nogal intieme onderneming zijn - ik hoef je niet te verzekeren dat mijn bedoelin-
gen volstrekt eerbaar zijn.’
‘Dat weet ik.’
‘Ik moet op de hoogte blijven van wat er in de gevangenis gebeurt; ik zou dus zeggen: laten we de eerstkomende dagen samen souperen. Afgesproken?’
Ze knikte.
‘Goed, zullen we dan maar gaan?’
Hij stond op en reikte haar de hand. Zonder de wiebelende hoed zou ze zijn hulp met gratie hebben aanvaard; nu was het een hachelijke operatie, alsof ze met een volle emmer op haar hoofd moest opstaan. Hij scheen het niet te merken; ze was hem er dankbaar voor. Van het ogenblik af dat hij haar figuur gered had in het kantoortje van de schout, had hij haar geleid met de discretie van een volleerde danseur.
De omstandigheden in aanmerking genomen, werd het winkelen een verrassend luchthartige aangelegenheid. Tegen de tijd dat ze aan de po op het lijstje toe waren, voelde ze zich voldoende met hem op haar gemak om met kinderlijke pret bij de ketellapper de grootste koperen nachtspiegel uit te kiezen die ze kon vinden. De verbijstering van de koperslager terwijl hij het hol-klinkende voorwerp inpakte bezorgde haar een onbedwingbare lachbui; lord Fell had geen moeite zijn gezicht in de plooi te houden, maar hij had kennelijk plezier in haar vrolijkheid.
Toen ze op hun terugweg naar het Slot het plein overstaken, joegen ze weer de spreeuwen op die op de schouders van de onthoofde St. Joris waren neergestreken; de zwerm vloog met een machtig zoeven van vleugels het plein rond. In het kantoortje stond schout Farragut op het punt de sleutels te overhandigen aan de bultenaar Hathaway; lord Fell waarschuwde hem dat er in de loop van de avond aankopen zouden worden bezorgd, bestemd voor mevrouw Fell, en hij verzocht Hathaway ervoor te zorgen dat ze bij haar werden afgeleverd. Toen bood hij Ann zonder verdere omslag de arm, om met hem te vertrekken. Ze had eigenlijk eerst naar beneden moeten gaan om Margaret Fell te vertellen dat de dingen die ze besteld had onderweg waren; hij raadde haar gedachten, want buiten op het plein zei hij: ‘Je zult je afvragen, waarom ik je niet eerst naar beneden heb laten gaan. Ik ga haar vanavond zelf opzoeken.’
‘O.’
‘Ik neem aan dat je je eerst wilt verkleden, voor we souperen. Mag ik je naar je herberg terugbrengen?’
‘Graag, Your Lordship.’
‘Als je wilt, wacht ik daar op je. Heb je lang nodig?’
‘O nee - een paar minuten.’ Onzin! Ze had niets om zich te verkleden.
Maar ze ging naar boven; op haar kamer barstte ze, tegen de deur geleund, in onbedaarlijk gegiechel uit. Enfin, haar reisjurk dan maar, de enige andere die ze bezat. Ze ging voor de spiegel staan om haar hoed in verschillende standen te proberen; het was haar eerste kans om hem eens
goed te bekijken. Misschien was het ding inderdaad opzichtig en brutaal, maar het had kennelijk effect. Stel je voor, souperen op een privé-kamer met lord Fell! Niet slecht, voor een volkskind uit de achterbuurt van Cardiff!
Hij stond haar op te wachten naast een draagstoel. Hij had er blijkbaar niet voor gevoeld Will Hartford bij hun afspraakje te betrekken. Het was de eerste keer van haar leven dat ze in een draagstoel zat; ze ging op de kussenbank zitten en hij klapte het portier van buiten dicht. Ze slaakte een gilletje toen de dragers het ding optilden, maar zodra ze met gestadige tred begonnen te lopen en Thomas Fell haar door het raampje toelachte terwijl hij naast de stoel liep, leunde ze achterover en snoof de dure geur op van oud parfum en fluweel. Kijk, kijk! Ann Traylor in een draagstoel! Als kind al had het haar het toppunt van rijkdom toegeschenen, iets onbereikbaars, een andere wereld. Ze had net als alle straatkinderen met draagstoelen meegehold en de inzittenden uitgejouwd tot woede van de dragers; nooit had ze gedacht dat ze zelf nog eens zo zou worden voortgetorst: achterover in de kussens, terwijl een opperrechter meetrippelde als een hondje.
Het werd een fantastische avond. Nog nooit had ze met iemand zo openhartig over intieme dingen gepraat, zeker niet met Margaret Fell. Na het tweede glas wijn vertelde ze hem over haar vader, de ellende van de armoede, de vernedering van de dienstbaarheid. Ze vertelde hem zelfs hoe zij gisteren in de cel plotseling had beseft dat het leven alleen maar uit bitterheid bestond en zich vast had voorgenomen om iedere kans te grijpen die ze kreeg om te genieten, gelukkig te zijn, plezier te hebben, of dat nu zedig en braaf was voor een kerkmuis of niet. De donkerrode gordijnen, de kristallen kandelaber, de kaarsvlammetjes flonkerend in tafelzilver, de bloemen, de wijn - het leek alsof ze gedurende die paar uur inderdaad het leven leidde van die andere Ann, de courtisane van haar dagdromen. Toen hij eindelijk opstond om haar naar de herberg terug te brengen, was ze in de verleiding een souvenir mee te pikken, maar het kwam voor een dame van de wereld niet te pas om een vork of zoutvaatje in haar coeurtje weg te moffelen.
Bij de deur van De Drie Zwanen nam Thomas Fell afscheid. Hij kuste haar de hand, bedankte haar voor een charmante avond en stelde voor dat hij haar de volgende dag op hetzelfde uur zou komen halen, om weer met haar te gaan souperen. Ze nam de uitnodiging minzaam aan, liep duur de trap naar haar kamer op alsof ze een avondjapon met sleep aanhad, en zag in de spiegel een leutige, dronken meid in een slonzige reisjurk, met een hoed op die eruitzag als een schotel fazant. Ze nam het ding af, wilde het op het bed keilen, maar bedacht zich, streelde het, mompelde: ‘Lief diertje’ en legde het behoedzaam op de kast. Toen zette ze de kaars op de tafel en haalde haar dagboek te voorschijn.
‘Vanavond, na een dag vol onverwachte gebeurtenissen, heb ik met opperrechter Fell in een privé-kamer gesoupeerd.’
Er was veel te schrijven, maar ze voelde opeens de opwelling naar het raam te gaan, het gordijn open te schuiven en naar de sterren te staren.
‘Ah! Leven, leven!’ dacht ze, bij het zien van de Melkweg vol beloften boven de donkere, dreigende kolos van het Slot. Voor het eerst die avond dacht ze aan haar meesteres, opgesloten met die afgrijselijke kinderen onder in die berg, driehonderd meter diep.
Ze sloot het raam weer, trok het gordijn dicht, nam haar pen op en schreef: ‘We hebben afgesproken dit voorlopig iedere avond te doen, zodat ik hem volledig op de hoogte kan houden van wat er in de gevangenis gebeurt. Hij is werkelijk bezorgd over zijn vrouw. Ik heb hem verteld dat ze van geluk mag spreken dat ze zo'n loyale en liefhebbende man heeft die over haar waakt. En wat een tact! Hij is de tactvolste man die ik ooit ontmoet heb. Daar zat ik, praktisch aan één stuk doorbabbelend, maar zijn aandacht verflauwde geen moment, en als dat wel zo was, liet hij het in ieder geval niet merken. Het eten...’
De pen kraste door, bladzijde na bladzijde, terwijl ze de avond minuut voor minuut vastlegde, zich ieder detail, ieder woord, iedere gedachte herinnerend. Het was net zo opwindend, ontdekte ze, als het beleven zelf.
***
Thomas Fell verheugde zich erop zijn vrouw weer te zien. Hij was vol goede wil en begrip, begroette Hathaway monter, vroeg om een lantaarn en zei dat hij gauw weer terug zou komen. De bewaker bij de poort, die eerbiedig groette toen hij zag wie het was, opende de deur om hem binnen te laten. Hij stapte naar binnen en werd bevlogen door de pestilente stank. Hij weifelde boven aan de put van de wenteltrap, mompelde iets tegen de bewaker, ging terug naar het kantoortje, leverde zijn lantaarn in en vertrok onder het voorwendsel dat hij iets vergeten had.
Op het donkere plein, omhoogkijkend naar de sterren, vroeg hij zich af waarom hij niet naar beneden was gegaan. Louter uit walging, vanwege die lijkelucht? Niet erg nobel, in aanmerking genomen dat zijn vrouw op de bodem van die put zat. Was het de onverenigbaarheid van de twee werelden: de privé-kamer met het soupertje, en de stinkende, donkere kerkers? Had hij zich geschaamd zijn vrouw onder ogen te komen? Waarom, in godsnaam? Het was allemaal doodonschuldig, het had zijn oudste dochter kunnen zijn.
Op zijn kamers in de herberg bleek hij te rusteloos om naar bed te gaan. Hij liep naar het Slot terug; in het kantoortje van de schout zei hij tegen de gebochelde, met hooghartige autoriteit, ‘Ik ga vannacht in de raadskamer zitten werken, Hathaway. Ik zou het op prijs stellen als een van je mannen me tegen de ochtend een kroes bier zou kunnen brengen.’
De schaduwen van zijn benen knipschaarden op de muur van de lange, verlaten gang en van het trappenhuis. De raadskamer op de eerste verdie-
ping was kil en troosteloos; het raam keek uit op een maanbelichte blinde muur.
Hij ging aan zijn werktafel zitten, eenzaam in het kaarslicht, en begon de verzoekschriften af te handelen die zich gedurende zijn afwezigheid hadden opgestapeld.
Pas nadat hij enkele uren lang naarstig had zitten schrijven, waarbij de schaduw van zijn ganzepen allengs tot buiten in de nacht reikte, was het welbehagen van de bon vivant op jaren vervangen door de nuchtere werkelijkheidszin van de rechter. Hij besefte nu dat hij, als hij naar zijn vrouw was toegegaan, waarschijnlijk diep ontsteld zou zijn geweest door de omstandigheden waaronder ze leefde en er onmiddellijk voor gezorgd zou hebben dat ze een voorkeursbehandeling kreeg. Dat zou verkeerd zijn geweest; ze speelde met haar leven; Cromwells proclamatie was het begin van een stelselmatige vervolging van de Quakers. Hij moest, hoe dan ook, haar ertoe zien te brengen haar pogingen op te geven en naar Swarthmoor terug te keren of ze zou zelf onherroepelijk als gevangene eindigen. Hij moest ervoor zorgen dat alles zo moeilijk mogelijk voor haar werd gemaakt, dat ze zich verlaten zou voelen, ontmoedigd worden. Maar intussen zou hij, dag en nacht, op de achtergrond over haar waken.
Hij bleef zitten schrijven tot de dageraad het licht van de kaars deed verbleken en de muur tegenover het raam blauw werd in het ochtendgloren. Een geratel van wielen klonk op het binnenplein: mevrouw Fraley, die haar wagentje naar het trapgat duwde. Hij hoorde het gepiep van de katrol toen het wagentje omlaag werd gevierd naar de eerste verdieping, waar de wegens schuld gegijzelden met hun gezinnen vegeteerden. Hij schoof zijn stoel achteruit, liep naar het raam en keek naar de kantelen van het kasteel, oranje in de opkomende zon. Terwijl hij naar de gouden windvaan op de oostertoren staarde dacht hij aan het jonge meisje dat nu in een kamertje ergens in de stad wakker werd. Ze rekte zich uit, geeuwde, zwaaide haar benen uit bed; toen trok ze haar nachtjapon over haar hoofd...
Hij draaide zich bruusk om, raapte zijn papieren bijeen, borg ze in de kast en stak de sleutel in zijn zak.
Buiten op het plein dat nog in het donker lag, zaten de spreeuwen bijeengedrongen op de schouders van St.-Joris, door Cromwells ruiterij onthoofd. In hun razernij tegen alle paapse afgoderij hadden ze de beelden in alle kerken in puin geslagen, zelfs de orgels, en daarmee niet alleen het gezicht van de afgoderij geschonden maar haar nog de tong uitgerukt bovendien.
Om de een of andere reden wekte de gedachte aan de vernielde orgels een gevoel van wrok in hem op jegens Margaret en haar wereldvreemde waandenkbeelden. Tenzij hij erin slaagde haar te redden, zou ze nooit meer in staat zijn haar dochters een madrigaal als ‘De Andalusische Koopman’ te leren. Waar haar hooghartige zelfverzekerdheid eigenlijk op neerkwam was een totale onwetendheid. Ze had geen benul van het beest in de mens,
omdat ze, dank zij zijn beschuttende liefde, nooit de kans had gekregen het te ontmoeten - zelfs niet in haar zelf.
***
Op haar tweede avond in de kerker van de kinderen, na een dag van zwoegen, overzag Margaret Fell met voldoening de brandschone cel, het frisse, geurige stro. De kinderen zagen er nog steeds smerig uit, maar ze had hun haar met jachtwater gewassen. Ze inspecteerde hun hoofden: geen luisje meer te vinden. Ze waren nu allemaal lief en aanhankelijk, behalve Henry Jones die in zijn ziekelijke vijandigheid volhardde en zelfs de zalf en het ooglapje had geweigerd. Maar ze liet zich door zijn nukkigheid niet van streek brengen; ze had een gevoel van victorie. Ze strekte zich in het geurige stro uit en viel, uitgeput, in slaap.
Een half uur later werd ze met een schok wakker. De kinderen lagen zich in hun slaap te krabben. Ze stak de kaars aan en ontdekte tot haar afgrijzen dat zij wemelden van insekten, rond, roodachtig bruin, groter dan de teken die de honden teisterden. De aanblik vervulde haar met wanhoop.
Het schoonmaken van de kerker was niet genoeg geweest. De kinderen hadden het ongedierte klaarblijkelijk in hun kleren, op hun lichaam. Morgenochtend moest ze hen in bad stoppen, stuk voor stuk, hun haar knippen, ze schone kleren aantrekken; het zou weer een dag van zwoegen betekenen, maar zelfs al moest ze schrobben en boenen tot ze erbij neerviel, ze mocht dat ongedierte niet laten rondkrioelen in haar met lavendel besprenkeld stro, haar brandschone kinderkelder.
Ze ging weer liggen, maar kon de slaap niet hervatten. Ze voelde overal jeuk en begon zich al net zo te krabben als de kinderen. Ze voelde het dwaze verlangen in zich opkomen om het uit te snikken, maar er naderde plotseling een licht door de gang.
Thomas?!
John Sawrey. Haar teleurstelling was zo hevig dat ze nauwelijks de hoffelijkheid kon opbrengen zijn groet te beantwoorden toen hij voor het hek verscheen, met een zitstok bij zich. Ze ergerde zich aan de zitstok; bijzonder onredelijk, in aanmerking genomen dat ze het verse stro aan hem te danken had. Hij maakte sierlijk en nederig een buiging en zei: ‘Goedenavond, mevrouw Fell! Hoe hebt u het gemaakt, vandaag?’
‘Dank u, meneer Sawrey, heel goed, dank zij uw hulp.’
‘Dat doet me genoegen, mevrouw. Is er verder nog iets dat ik voor u kan doen?’
‘Nee, dank u. Op het ogenblik niet.’ De teken schenen een te intiem onderwerp; ze had moeite zich niet te krabben terwijl hij stond te kijken.
‘In dat geval, mevrouw: uw gehoorzame dienaar.’ Hij maakte weer een buiging, compleet met zwaai van zijn hoed. ‘McInnes!’ Ze merkte toen pas dat hij niet alleen was, maar de schout uit Ulverston bij zich had. Hij
voelde zich klaarblijkelijk te voornaam om zijn eigen lantaarn te dragen.
Nadat hij was weggegaan, bleef ze naar de kaarsvlam zitten staren, de kinderen dicht om haar heen als kuikentjes om een kloek, ondanks het ongedierte. Wat Sawreys beweegredenen ook mochten zijn, hij was de enige die belangstelling toonde voor wat ze deed. Thomas had haar laten weten dat hij ‘voor haar klaarstond’, manmoedige term voor besluiteloos getalm; Anns tegenzin was nu zo duidelijk dat haar aanwezigheid eerder een last dan een hulp was geworden. Alleen John Sawrey bleek enig begrip te hebben van de gevangenismentaliteit, de kleine dingen die zo belangrijk waren: vers stro, vers water, reinheid, bezoek. Had ze hem eigenlijk moeten uitnodigen binnen te komen, om hem het schone stro te laten zien? Nu, morgen zou ze echt iets hebben om hem te laten zien!
De volgende morgen, zodra Ann arriveerde, begon Margaret alle kinderen een grote beurt te geven, met uitzondering van Henry Jones die als een kettinghond van zich afbeet zodra zij naar hem toekwam. Mevrouw Fraley bracht heet water, zand, zeep, een borstel en hield na ieder artikel haar hand op. Terwijl Ann de schone kleren klaarlegde die ze gekocht had, zette Margaret zelf, met opgestroopte mouwen en haar rok om haar middel opgebonden, het ene krijsende naakte kind na het andere in de emmer en schrobde het met de borstel tot de ziekelijke bleke huid ervan gloeide. Ze verzetten zich niet; alleen het meisje Jody begon te spartelen toen er zeep in haar oogjes kwam, het arme ding. Het tafereel scheen mevrouw Fraley te ontroeren, want op een bepaald ogenblik kwam ze met een emmer melk binnen, welke ze met een pollepel begon uit te delen onder de naakte kinderen die in het stro zaten te bibberen, en ditmaal hield ze haar hand niet op. Pas toen de kinderen hun nieuwe kleren mochten aantrekken kwamen ze weer tot leven, vooral de kleine Jody, uitgedost in een bombazijnen jurk die veel te groot voor haar was maar er tenminste schoon uitzag. Het kind was zo buiten zichzelf van verrukking dat ze op haar hoofd ging staan, waarbij ze van pure blijdschap blaatte als een kalfje. De jongens, hun ongeschoren kopjes brandschoon geboend, begonnen haasje-over te spelen; weldra heerste er zo'n pret in de kelder vol stoeiende kinderen dat de drie vrouwen een ogenblik vereend waren door een gevoel van vertedering. Ann zei: ‘O, ik wou dat lord Fell ze nu eens kon zien! Hij zou er anders over gaan denken dan gisteren.’
‘Gisteren? Hij heeft ze gisteren niet gezien.’
Het meisje keek haar verwonderd aan. ‘Ik dacht dat hij gisteren op bezoek was geweest.’
‘Was hij dat dan van plan?’
‘Ja...’ Het meisje leek plotseling verlegen, alsof het haar speet dat ze erover begonnen was.
Het avondeten werd binnengebracht; het bleek minder moeilijk dan de vorige keren om de uitgehongerde kinderen ertoe te brengen hun beurt af te wachten. Ze waren nu zelfs zo goedgeluimd, met uitzondering van Henry
Jones, dat ze na het eten ‘De Andalusische Koopman’ helemaal ten einde zongen, zonder een enkele zuivere noot en zo vals als krolse katten, maar met zoveel plezier dat de krankzinnige vrouwen mee begonnen te zingen en met hun ketens tegen de tralies de maat te slaan. Het was een oorverdovend kabaal, maar Margaret zat stralend te midden van haar kleine koor, vol dankbaarheid.
Ten slotte viel ze, moe en opgelucht, in slaap, haar kinderen rondom zich. Een half uur later werd ze wakker door een venijnige steek in haar nek. Ze sloeg ernaar, bevoelde de plek met haar vinger en ontdekte iets hards dat ze met een kreet van walging uit haar huid plukte. Ze bekeek het bij het licht van de kaars; het was een van die afgrijselijke rode teken. Ze staarde naar het wriemelende gedierte tussen haar vingertoppen, niet wetend wat ze ermee moest doen; plotseling hoorde ze een kinderstem zeggen: ‘Steek 'm in de kaars.’ Het was Henry Jones. Hij zat op zijn hurken naast haar, met zijn ene oog naar het insekt starend. ‘Hou 'm in de vlam,’ zei hij. ‘Kijk, zo!’ Hij stak zijn hand in zijn kleren, haalde zo'n afzichtelijk dier te voorschijn en hield dat, tot haar afgrijzen, in de kaarsvlam. Ze hoorde een kort, weerzinwekkend geknetter; hij schoot het verkoolde dingetje met vinger en duim de duisternis in en zei zelfvoldaan: ‘Zo moet je dat doen. Probeer 't maar 's. Toe dan, hou 'm in de vlam.’
Met een rilling gehoorzaamde ze. Bij het geknetter verbrandde ze de toppen van haar vingers, en trok haar hand terug.
‘Wegschieten,’ zei hij. ‘Hup! Schiet 'm weg!’
Ze deed het; pas toen drong het tot haar door dat dit de eerste keer was dat hij zich uit zijn hoek had gewaagd. Het verschil tussen de grauwende kettinghond en dit gewichtig doende jongetje was ontroerend.
‘Vang er nog 's een,’ zei hij. ‘Er zijn er zat. Het zijn wandluizen. Ze komen alleen 's nachts te voorschijn. Vooruit, vang er nog een.’
De plotselinge vertrouwelijkheid tussen hen was zo'n verrassing, dat ze hoopte inderdaad nog zo'n insekt op haar lichaam te zullen vinden. Ze tastte in haar nek, maar voelde iets kriebelen op haar enkels. Ze zag tot haar afgrijzen dat zij krioelden van het vuile gedierte; ze zou de hele nacht kunnen doorgaan ze te verbranden zonder dat het verschil zou uitmaken. Ze keek om zich heen; overal waren ze te zien in het flakkerende kaarslicht. Haar schone, naar lavendel geurende stro wemelde van ongedierte; evenals haar pas gewassen en verschoonde kinderen. Maar het feit dat de insekten Henry Jones uit zijn schuilhoek hadden gelokt maakte het een beetje goed.
Ze moedigde hem niet aan; ze voelde dat ze het initiatief aan hem moest overlaten. Ze verbrandden nog een paar spartelende wandluizen; toen draaide de jongen zich opeens om en kroop naar zijn hoek terug.
Nadat hij was weggegaan bleef ze naar de kaarsvlam staren, die omhoogrekte, begon te sputteren en uitdoofde. In de duisternis zocht zij het diep van de stilte. ‘God,’ dacht ze, ‘lieve God, dank je. Wat moet ik nu verder
doen? Zeg mij wat ik doen moet.’ Haar gebed was niet langer gericht tot een Almachtige Vader in een kantoor in de hemel, zoals George het genoemd had. Ze wist nu dat er een levende, tedere kracht in haar was, een innerlijk Licht dat door zou breken en haar gedachten leiden, als ze het daartoe de gelegenheid bood. Het was raadselachtig en toch, zodra het raadsel eenmaal als zodanig aanvaard was, simpel en werkelijk. Ook dit keer kwam het gevoel geleid te worden in haar op. Ze had verwacht het inzicht te ontvangen hoe ze zich met de jongen in de hoek zou kunnen vereenzelvigen; maar het Licht leidde haar tot de gedachte: ‘Je kunt je niet vereenzelvigen met een jongen van elf jaar, verminkt door een onvoorstelbare gewelddaad en op het punt te worden opgehangen.’ Ze begon zichzelf af te vragen: als mij eens zou worden gevraagd: wat is op het ogenblik je liefste wens? Wat zou mijn antwoord zijn? Nu, dat was gemakkelijk: de kinderen verlossen uit de gevangenis. Toen stelde ze zich voor dat ze zelf een gevangene was, geteisterd door ongedierte, snakkend naar frisse lucht, de wind, zonlicht ... Een wandeling in de zon! Dat was op het ogenblik haar liefste wens. Ook de zijne? Natuurlijk! Ze moest toestemming vragen hem mee te mogen nemen voor een wandeling in de zon! Ze zou het aan Sawrey vragen. Waar was hij, trouwens? Kwam hij vanavond niet? En waar bleef Thomas?
Het was nu wel duidelijk dat Thomas niet zou komen opdagen, ondanks Anns overtuiging dat hij op bezoek was geweest. Waarom was het meisje opeens zo verlegen geworden? Zij betrapte zich erop dat ze hartstochtelijk naar hem verlangde, en dat bracht haar tot de slotsom dat het verstandig van hem was geweest om weg te blijven. Als ze hem nu zou zien, zou ze in de verleiding komen alles erbij neer te gooien en met hem weg te vluchten uit deze hel. Want achter haar gevoel van voldoening scholen zwakheid en angst. Ze durfde niet aan de eerste zaterdag van de volgende maand te denken; als ze ook maar even stilstond bij de wetenschap dat Henry ... Ze kon de gedachte niet verdragen. Ze moest de toekomst vergeten en stap voor stap verder gaan, iedere dag een stap. In de zon wandelen. Met Henry, buiten, in de zon. Vraag het Sawrey.
Ze bleef luisterend in het donker zitten, wachtend op zijn voetstap, het schijnsel van zijn lantaarn.
***
Toen Margaret Fell hem met haar verzoek overviel, was John Sawrey een ogenblik onder de indruk. Daar stond ze, al half een tuchthuiswijf ondanks haar dure japon en haar kapsel, dat al vorm begon te verliezen. Ze moest beseffen dat het niet lang meer zou duren of ze zou er net zo uitzien als de rest: slonzig, krioelend van ongedierte, vol zweren, een schepsel uit het lichtloze diep; toch straalden haar ogen en haar stem klonk opgewekt toen ze zei: ‘Meneer Sawrey, er is tóch iets dat u voor me kunt doen! Ik zou
graag iedere dag even met Henry buiten willen wandelen, op de wallen. Zou dat mogelijk zijn?’
Hij trachtte voor haar te verbergen dat haar verzoek hem een ogenblik van zijn stuk bracht. Het was volkomen onvoorzien, en in de wedkamp waarin ze gewikkeld waren zou diegene de overwinning behalen die erin slaagde de ander een slag voor te blijven. Hij moest zich klaarblijkelijk nog dieper met haar vereenzelvigen. Waar bleven die pamfletten van de Quakers die hij besteld had? Niemand was om deze tijd van het jaar vooruit te branden, zelfs oude bokken als Fell hadden de lente in het hoofd. Hij vroeg zich af of ze vermoedde dat haar man en haar meid op dit ogenblik samen zaten te souperen in een privé-kamer in De Rode Leeuw. Hij hoopte van niet; het zou haar ertoe kunnen brengen om deze krankzinnige onderneming op te geven en haar overspelige lamzak op te eisen.
‘Ik zal uw verzoek zeker aan de regenten voorleggen, mevrouw,’ zei hij. ‘Uw zorg voor de jongen, hoe misplaatst ook, is indrukwekkend.’
Ze tuurde hem door de tralies aan; opnieuw besefte hij dat hij nog nooit zoveel intelligentie en bewustheid tegenover zich had gevonden. Zijn eigen domme schommel van een vrouw was vrijwel achterlijk van onnozelheid, vergeleken met deze vrouwelijke lynx. ‘De regenten?’ vroeg ze. ‘Is dat noodzakelijk? Waarom kunt u die toestemming niet zelf geven?’
‘In dit geval niet, mevrouw. Wijlen de vader van deze jongen was een invloedrijk man.’ Dat was inderdaad waar, maar hij vermoedde dat ze, met de kennis van gerechtelijke zaken die ze van haar man had opgedaan, lont zou ruiken. Hij moest tijd zien te winnen om na te denken. ‘Nu,’ zei hij, en nam zijn hoed af voor de buiging, ‘ik moet weer eens verder, mevrouw. Ik moet de ronde doen, voor ik mag gaan rusten.’
‘Ik begrijp nog steeds niet waarom het nodig is de regenten te raadplegen,’ hield ze aan. ‘Als u zelf het gevoel hebt dat de jongen verwend wordt door hem vijf minuten per dag wat frisse lucht te laten opsnuiven, waarom zegt u dat dan niet?’
Hij moest deze uitdaging pareren, anders zou ze er gedurende de eenzame uren van de nacht over gaan piekeren. Hij zei, op goed geluk: ‘Om u de waarheid te zeggen, mevrouw, moet ik dit eerst eens zorgvuldig overdenken. Enerzijds wil ik u als echtgenote van een geacht collega graag van dienst zijn, aan de andere kant heb ik de plicht juridisch consequent te blijven.’
‘Kom, kom, meneer Sawrey,’ zei ze op een toon die hem aan haar man deed denken, ‘als u een kind een onschuldig wandelingetje op de wallen toestaat kan dat toch geen juridische inconsequentie worden genoemd?’
‘Ik ben zo vrij daar anders over te denken, mevrouw. Voor mij bestaat er niets pijnlijkers dan een rechter die een misdadiger ter dood veroordeelt en hem daarna in de watten gaat leggen om zijn geweten te sussen.’
‘Hebt u een slecht geweten?’ Ze vroeg het schalks, maar kon de angel in haar vraag niet verbergen.
Hij glimlachte. ‘Ik zal u graag uitleggen waarom niet; morgen. Nu moet u me excuseren.’ Hij maakte zijn buiging. ‘Welterusten, mevrouw; tot uw beschikking. McInnes!’ Ze had waarschijnlijk gisteravond de aanwezigheid van de man al opgemerkt, maar hij moest er zeker van zijn. Onder geen beding mocht ze hem op een ongelegen moment later in het spel ontdekken.
‘Welterusten, meneer Sawrey. Dank u hartelijk!’ Ze zei het met stralend zelfvertrouwen, alsof zijn toestemming reeds een uitgemaakte zaak was. Diep in gedachten beklom hij de eindeloze wenteltrap, om in de poortgang te worden aangeklampt door Hathaway, die hem uit de deuropening van het kantoortje toeriep: ‘Your Lordship! Er is iemand voor u!’
Het was de oude Holly Stowe, tot aan zijn oren ingepakt, niettegenstaande de warme nacht; zijn gezicht was wit van vermoeidheid, hij had een versleten valies bij zich. Nadat hij de oude man naar het kamertje naast het zijne had gebracht, begon de kletskous een snatergesprek met McInnes, die tot dusver aan somberheid ten prooi was geweest, zonder enig gezelschap om zijn verveling te verdrijven behalve spreeuwen en spinnen. Ze kakelden maar door; de buitenmuur van de toren mocht dan een meter dik zijn, de binnenmuren waren van papier. Het zou verstandig zijn hun nu al, aan het begin, te zeggen dat ze hun mond moesten houden; maar hij wilde Holly niet tegen zich in het harnas jagen, straks moest hij op zijn loyaliteit en stilzwijgen kunnen rekenen. Hij opende de deur. ‘Als iemand me nodig mocht hebben, ben ik in de raadskamer,’ zei hij, hun gesnap onderbrekend. Holly Stowe zat met één blote voet op de rand van het bed, een kapotte laars naast zich, bezig de voor hem op zijn hurken gezeten schout zijn grote teen te laten zien, die vuurrood en gezwollen was van het pootje. De kaars stond op de vloer.
Sawrey ging de sleutel van de raadskamer halen. ‘Is rechter Fell niet komen opdagen?’ vroeg hij de bultenaar, toen hij de sleutel van hem aanpakte.
‘Vanavond niet, Your Lordship - nog niet, tenminste. Als hij komt, zal ik hem dan zeggen dat u hem verwacht?’
De duivelse bemoeial! ‘Nee, Hathaway,’ antwoordde hij koel. ‘Zeg hem alleen maar dat ik de sleutel heb.’
‘Jawel, Your Lordship. Hij zal wel opdagen, denk ik. Er is een brief uit Londen voor hem gekomen. Ik heb hem op zijn schrijftafel gelegd.’
Hij vond de brief op de tafel, zoals Hathaway gezegd had. Per staatsrijtuig verstuurd, ijlpost, het zegel van het paleis van St. James. Hij woog de brief op zijn hand. Fell was bezig zijn snaar te verleiden in De Rode Leeuw, als hij dat niet alreeds gedaan had. In ieder geval was het nog vroeg; hij had zeker nog een uur de tijd.
Hij peuterde het zegel los en ontrolde het perkament. Er viel nog een andere brief uit, in een ander handschrift. Hij las eerst het perkament; het was ondertekend ‘Margaret Fell’. ‘Geliefde vriend! Ik wend mij tot jou,
vader des volks, om te pleiten voor een van je jongste kinderen...’ Geliefde vriend? Wie was dat? Toen hij verder las ontdekte hij tot zijn verbijstering dat het een verzoekschrift aan Oliver Cromwell was, waarin gratie werd gevraagd voor de jongen Henry Jones. Het mens was stapelgek! Cromwell ‘Geliefde vriend’ te noemen, hem met ‘jij’ aan te spreken! Wat bezielde die vrouw? Hij las het begeleidende briefje. Het was ondertekend met ‘S’.
‘Amice. Ik ontving vanmorgen bijgaand epistel en achtte het raadzaam het aan u terug te sturen alvorens het over te leggen, aangezien het door uw echtgenote werd geschreven. Onder de gegeven omstandigheden zou haar verzoek waarschijnlijk een faliekante uitwerking hebben, aangezien aanhef, titulatuur en slotzin naar Quakerisme smaken, hetwelk C. op dit moment een doorn in het oog is. Mocht gij zulks echter wensen, dan zal ik het stuk na terugontvangst gaarne doorgeven. Ik vertrouw dat alles met uw gezin naar wens is; hier is sinds uw vertrek veel veranderd, en ik denk vaak met afgunst aan uw afgelegen arendsnest; gij hebt het juiste besluit genomen. Als het vuur van de onverdraagzaamheid oplaait wieke de wijze adelaar weg, buiten het bereik van de vlammen. Het ga u goed. S.’ Er stond nog een postscriptum onder. ‘Het slachtoffer van de jongen had machtige vrienden in deze contreien, die zich fel tegen een gratieverlening zouden verzetten, hoe gerechtvaardigd die ook moge zijn, gezien de leeftijd van het kind en, naar alle waarschijnlijkheid, de scabreuze aard van de provocatie. De overledene was berucht om zijn verslaving aan de zonde van Tiberius.’
Wie was ‘S’? Wat was de zonde van Tiberius? Hoe dan ook, de brief bewees dat de vrouw nog roekelozer was dan hij dacht, en dat Fell vrienden in Londen had machtig genoeg om een brief aan Cromwell te onderscheppen. Hij zou wat haar betrof driester kunnen zijn dan tot dusver, maar hij moest grondiger te werk gaan bij het documenteren van het juridische aspect van zijn zaak. Zijn bewijsmateriaal dat ze een Quaker was moest onweerlegbaar zijn; hij moest kunnen aantonen dat haar bekommernis voor de veroordeelde jongen haar ingeblazen was door haar ketterse overtuiging, en dat ze doelbewust er op uit was geweest de loop van het recht te verstoren. Teneinde een vernietigend bewijs te kunnen overleggen, moest hij eerst beschikken over een nauwgezette definitie van het Quakerisme, geformuleerd door een deskundige die niet alleen acceptabel moest zijn voor het hof, maar thuis in wetstaal bovendien. De voor de hand liggende expert was dr. Marshall, woordvoerder voor de dominees bij het proces tegen George Fox.
Na het zegel weer zorgvuldig op de brief te hebben geplakt, schreef hij een kattebelletje aan de geachte doctor Marshall, met het verzoek om een beknopte samenvatting van de ketterijen, aangehangen door de onverlaten, die zich ‘Kinderen van het Licht’ noemden, en tevens om het dossier van George Fox zoals dat voor het proces in Lancaster was samengesteld.
***
‘“Nee, Oliver,” zei ik tegen hem, heel openhartig, “verder kan ik je niet volgen. Zet hem gevangen, hoewel zelfs dat een te zware straf lijkt voor een man die, per slot van rekening, koning is. Maar hem te laten onthoofden zou jou tot een tiran maken.”’
‘Wat zei hij daarop?’
Thomas Fell keek naar het geboeid luisterende meisje, en besefte dat hij het verhaal van zijn breuk met Cromwell nog nooit eerder zo meeslepend verteld had. Hij nam een teugje bourgogne, staarde naar de vonk van het kaarslicht in het donkerrode glas, een roos in bloei. Ach! Was hij nog maar de zwierige jonge advocaat, gunsteling zowel van de koning als van Cromwell! Maar de jeugdige advocaat zou niet zo van dit ogenblik hebben kunnen genieten. Rijpheid is alles. ‘Ik vraag me af of Karel de Eerste ooit heeft beseft dat de manier waarop hij de dood inging waarschijnlijk, uiteindelijk, de monarchie heeft gered. Ondanks zijn gebreken was hij een wijs en soms zelfs een dichterlijk man.’
‘En toen?’
Hij had te veel gepraat. ‘Neem me niet kwalijk. Waar was ik gebleven?’
‘U zei tegen hem dat de moord op de koning hem tot een tiran zou maken. Hoe vatte hij dat op?’
‘Hij - eh - draaide zich om en liep weg.’ Het was niet waar; Cromwell was in heftige, rauwe woede losgebarsten, de plebejer op zijn grofst. ‘Daarna heb ik hem nooit meer gezien. Je moet moe zijn, liefje,’ voegde hij eraan toe, ofschoon hij nog nooit iemand gezien had die er minder vermoeid uitzag dan zij. ‘Nog wat wijn?’
Ze wilde weigeren, maar bedacht zich en knikte, kennelijk bij de gedachte dat meer wijn in haar glas de avond zou rekken.
Het bewoog hem ertoe met perverse opzet te zeggen: ‘Ik moet verstandig zijn en je op dit late uur niet nog meer wijn opdringen. Morgen wordt een drukke dag, voor ons allebei.’ Hij stond op; gehoorzaam volgde ze zijn voorbeeld en nam zijn arm. Hij leidde haar de donkere trap af naar de binnenplaats maar riep geen draagstoel aan. Hij vergezelde haar, te voet, naar De Drie Zwanen door de donkere straatjes onder de met sterren bezaaide hemel. Hij moedigde haar aan te praten; ze had er tijdens het diner geen woord tussen kunnen krijgen. Nu babbelde ze er monter op los, opgewonden; de avond moest haar een droom hebben toegeschenen. Ze praatte over Margaret, wat een geweldige vrouw ze was, hoe moedig het van haar was om tegen alles in bij die kinderen te blijven; bij de donkere deur van de herberg nam hij haar hand en zei: ‘Ik zou graag morgen weer met je willen souperen, maar ik vraag me af of dat wel verstandig zou zijn. Voor jou, bedoel ik.’
‘Ach?’ Hij kon haar gezicht in het duister niet zien, maar haar stem klonk ongerust. ‘Ik zou het anders heerlijk vinden - tenzij ik u verveel,
natuurlijk...’
‘Nee, nee,’ zei hij, haastig, ‘integendeel! Maar de muren hebben oren, weet je. Als we morgen weer samen eten, komt er vast geroddel van.’
Ze zweeg even, toen trok ze haar hand uit de zijne en zei: ‘Ik begrijp het. Wel, in dat geval...’
‘Ik geloof niet dat je het begrijpt, lieve,’ zei hij ernstig. ‘De enige die door geroddel geschaad zou worden, ben jij. Men is geneigd om bedaagde opperrechters hun zwakheden te vergeven; maar jij bent jong, onschuldig, en om de een of andere reden willen de mensen dat altijd bezoedelen, vertrappen.’
Ze hief trots haar hoofd, een riskant gebaar met die hoed, en zei fier: ‘Voor Margaret Fell zou ik alles opofferen, letterlijk alles.’
Hij begreep eruit dat ze met hem wilde blijven souperen. ‘Juist. In dat geval ... Morgen, op de gewone tijd. Welterusten, lieve.’
‘Welterusten, Your Lordship.’ Ze verdween in het duister van de ingang, het belletje klingelde toen ze de deur opendeed. Hij glimlachte, op weg naar het Slot. Het was een hele prestatie geweest, het aannemen van een uitnodiging voor een souper met een opperrechter als een opoffering ter wille van 's mans vrouw voor te stellen. Maar ze bezat het voorrecht van de jeugd: haar keten van logica aan de sterkste schakel te mogen laten toetsen. Ze was een charmant wezentje dat hem plezierig stemde, zoals een goede wijn dat zou doen. Wat een buitenkansje dat hij haar ontmoet had! Anders zou hij gedoemd zijn geweest alleen te eten en naar bed te gaan vol sombere zorg over zijn gezondheid. Hij stapte opgewekt het kantoortje binnen.
‘Goedenavond, Hathaway. Hoe voelen we ons vanavond?’
‘Goedenavond, Your Lordship.’ De bultenaar stond op achter zijn bureau; het maakte niet veel verschil, arme donder. Wat een vloek, om met die vioolkist door het leven te moeten gaan! Veel vrouwen moesten een eindweegs zijn omgelopen om zijn bochel aan te raken, want dat bracht geluk.
‘Een lantaarn, graag. Ik heb nog werk te doen.’
‘Het spijt me, Your Lordship, alle lantaarns zijn weg. Rechter Sawrey is boven.’
‘Wat? Waar boven?’
‘Hij kwam een uurtje geleden binnen, Your Lordship, en is nu in de raadskamer. Mag ik u een kaars geven? Zal ik de bewaker roepen om u te begeleiden?’
‘Een kaars is voldoende, dank je.’ Dat Sawrey op dit nachtelijk uur van de raadskamer gebruik maakte, leek een onduldbare brutaliteit. Dat was het natuurlijk niet; als provoost had hij er alle recht op. Maar waarom zou iemand op dit uur in de raadskamer willen gaan werken? Tenzij - tenzij hij een verhouding had met een meisje, jong genoeg om zijn dochter te kunnen zijn, waarvan hij zo opgewonden raakte dat hij de slaap niet kon vatten?
Ontnuchterd liep hij de lange donkere gang af en de trap op naar de raadskamer. Toen hij bij de deur kwam zag hij een lichtkier; hij ging naar binnen en vond Sawrey, hoed op zijn kop, onderuit gezakt in de stoel, zijn poten op de schrijftafel. De aanblik ergerde hem bovenmate. ‘En?’ zei hij strak, ‘wat geeft mij het genoegen van je gezelschap op dit uur van de nacht?’
De kleine man nam zijn benen van de tafel. ‘Goedenavond,’ zei hij. ‘Het leek me tijd dat u en ik eens samen praatten.’
‘Nu? Op dit uur?’
‘Ik ben net terug van een bezoek aan mevrouw Fell. Ze vraagt toestemming om die jongen Jones mee naar buiten te nemen voor een dagelijkse wandeling op de wallen. Ik hoef er wel niet op te wijzen dat dit verzoek eerst eens grondig besproken moet worden.’
‘Waarom, voor de duivel? En wat betekent dat: bij haar op bezoek te gaan op dit uur? Sliep ze niet?’ Het was een onnozele vraag, maar de gedachte dat dit creatuur in het holst van de nacht bij Margaret op bezoek ging vervulde hem met woede en weerzin.
‘Het is mijn gewoonte op onverwachte tijdstippen de ronde te maken. Van het moment af dat uw echtgenote hier kwam ben ik regelmatig naar haar toe gegaan om te horen of ik haar ergens mee van dienst kon zijn. In mijn plaats zou u ongetwijfeld hetzelfde hebben gedaan. Ik wil niet voorgeven dat ik goedkeur wat ze doet, maar ik ben ook getrouwd. Vrouwen hebben nu eenmaal hun grillen. In mijn geval is het de beste politiek gebleken er maar aan toe te geven.’
‘Wat is ertegen die jongen een luchtje te laten scheppen?’
‘Om te beginnen bestaat de mogelijkheid tot ontsnapping.’
‘Van de wallen?’
‘Onwaarschijnlijk, maar mogelijk. Ik kan niet toestaan dat de schout daartoe permissie geeft voor we tegen die eventualiteit gedekt zijn.’
‘Hoe? Hellebaardiers en bloedhonden, soms?’
‘Ik dacht aan een borgtocht.’
Zijn gezicht verstrakte. ‘Zoals de borgtocht die je dominee Marshall van kolonel Best liet eisen?’
Sawrey keek hem onbewogen aan. ‘Ik laat het aan u over om het bedrag van de borgtocht te bepalen. De jongen heeft, zoals u weet, een bijzonder laaghartige moord gepleegd. Onder de omstandigheden...’
‘Vijf pond?’
Sawrey hief zijn handen op. ‘U hebt het voor het zeggen. Voorts moeten we onder ogen zien dat een dagelijkse wandeling met die jongen een precedent zou kunnen scheppen.’
‘Verklaar je nader.’
‘Andere gevangenen zouden om hetzelfde privilege kunnen vragen. Tenzij er in zijn geval de mogelijkheid van een gratieverlening zou bestaan ... Maar als dat zo was zou ik ervan afweten, niet?’
‘Ja.’
‘Goed. Als dat uw wens is, zal ik erover praten met Farragut en dr. Withers en zien wat we kunnen doen om uw vrouw ter wille te zijn.’
‘Precies. En zou ik nu het bureau mogen hebben? Ik heb schrijfwerk af te handelen.’
‘Natuurlijk. Zal ik de lantaarn hier laten?’
‘Neem maar mee. Ik ga toch niet voor daglicht weg.’
‘In dat geval, goedenacht, Your Lordship.’ Sawrey nam de lantaarn op. ‘O ja, er is een brief voor u gekomen. Hij ligt op het bureau.’
‘Bedankt.’
‘Goedenacht.’
‘Goedenacht.’
Zodra de deur gesloten was nam Thomas de brief op. Iets in de manier waarop Sawrey van die brief gerept had alarmeerde hem. Staatspost, het zegel van het paleis van St. James. Hij inspecteerde het zegel; het zag er niet uit alsof ermee geknoeid was. Hij verbrak het.
Toen hij het perkament ontrolde, viel er een andere brief uit en hij herkende met een schok het handschrift van zijn vrouw. ‘Geliefde vriend! Ik wend mij tot jou, vader des volks...’
Hij las eerst haar brief, toen die van de oude Shorwell, toen nog eens de hare. Hij werd niet alleen getroffen door haar durf, maar ook door haar onmiskenbare oprechtheid. Er kon geen twijfel aan bestaan dat zij zich het lot van de jongen hartstochtelijk aantrok, haar geringschatting voor haar eigen veiligheid bij het voorstaan van zijn zaak was indrukwekkend. De kans was groot dat Cromwell haar verzoek zou hebben ingewilligd, maar haar tegelijkertijd, met typisch puriteinse genadeloosheid, als Quaker gevangen laten zetten. Shorwell had hem een grote dienst bewezen door haar brief terug te sturen; hij vroeg zich af waarom de oude vos dat gedaan had. Door het verzoekschrift niet aan Cromwell voor te leggen en er bovendien nog zelf een briefje bij te schrijven, had hij een zeker risico genomen, en dat was niets voor hem. Het van vertrouweling van wijlen de koning tot vertrouweling van Cromwell te hebben gebracht betekende een stoelvastheid die aan genialiteit grensde; iemand die dat klaarspeelde moest zo harteloos en geslepen zijn als een wezel. Klaarblijkelijk had iets in haar brief Shorwell bewogen haar tegen de gevolgen van haar dwaasheid te beschutten, ondanks het risico. Het zag ernaar uit dat hij haar op het nippertje gered had. Tenzij Sawrey toch met het zegel had geknoeid...
Hij liep naar het raam en staarde naar het reepje sterrenhemel boven de blinde muur. Als Sawrey de brief had gelezen, had hij hem gelezen; niets kon dat feit veranderen. Maar wat zou Sawrey ermee kunnen doen? Hij was slim genoeg om te begrijpen dat hij zijn eigen ondergang zou bewerkstelligen als hij Margaret als Quaker zou vervolgen, tenzij ze openlijk een daad van ketterij of rebellie pleegde. Hij behoefde haar wel niet te waarschuwen dat ze met Sawrey op haar tellen moest passen; ze zou dat onge-
twijfeld uit eigen beweging doen.
Met een zucht liep hij naar zijn bureau terug om zich met de rest van de stapel verzoekschriften bezig te houden.
***
‘Dus antwoordde ik: “Voor Margaret Fell zou ik alles opofferen, letterlijk alles” en méénde het. Ik kan niet begrijpen wat mij vroeger zo vijandig jegens haar stemde. Het is bijna alsof ik toen iemand anders was, een volkomen vreemde. Hoe was het mogelijk dat ik haar onbaatzuchtigheid niet zag, haar moed, de grootheid van haar dapper, christelijk -’ Plotseling zette een duiveltje in haar binnenste haar aan om ‘ge-ouwehoer’ te schrijven. Ze ging ontsteld rechtop zitten.
Wat betekende dit? Nu, dat was duidelijk: het betekende dat ze tevergeefs had geprobeerd zichzelf voor de gek te houden, zelfs in haar dagboek. Dit was niet de lieve, bescheiden, gevoelige, loyale Ann Traylor die ze geprobeerd had zichzelf aan te smeren. Lief? Een wolvin, een mannen-vreetster, een Salomé ... O, hou op! Dit was gewoon belachelijk.
‘... dapper, christelijk...’ Wat had ze ook al weer willen neerschrijven? Juist: ‘gedrag. Alleen al haar zuiverheid...’ Ditmaal kon ze het niet meer tegenhouden: ‘verwoede vastbeslotenheid om die misselijke kinderen met geweld in koor te laten zingen, ze schoon te schrobben alsof het tuinbeelden waren! De onuitstaanbare bazigheid waarmee ze haar man er op uit stuurde om de hele stad af te lopen om kinderkleren, emmer, bezem, pispot...’ Nee! Dit kon niet! Ze bedierf haar hele dagboek! Maar het was alsof ze van een duin naar beneden rolde; haar pen vloog over de bladzijden. Ze kon de misselijk makende pretentie niet volhouden een lief, zachtzinnig, onschuldig meisje te zijn dat er geen notie van had hoe ze bezig was welbewust een man te verleiden, die zich tijdelijk losgeslagen voelde omdat zijn vrouw geweigerd had nog iets met hem te maken te hebben terwijl ze aan de liefdadigheid was zoals een ander aan de drank. Toen kwam de vraag die haar achtervolgd had opnieuw boven: ‘Wie zegt dat wat Margaret Fell doet mooi en godvruchtig is? Wie zegt dat ik hetzelfde moet doen als zij, omderwille van mijn ziel? Als George Fox, die schijnheilige gluiper, gelijk heeft, als ik inderdaad uniek en onvervangbaar ben, nooit eerder op aarde geweest om er nooit terug te keren, heb ik dan niet het recht mezelf te zijn? De plicht zelfs? Waar het op neerkomt is de vraag: Wie ben ik? De vrome maagd, die over “kuisheid” en “zelfopoffering” zemelt? De zwakkelinge, die wegsmolt in haar omhelzing na die aanranding? Of het brutale nest dat die hoed kocht, de rechter eronder ving, en, nu ze hem gevangen heeft, niet weet wat ze met hem moet beginnen? Of is de ware Ann Traylor nog steeds niet aan het licht gekomen? Zit er nog iemand anders in me, die probeert op te duiken? Is het feit dat ik opeens deze giftige onzin zit op te schrijven een poging van de ware Ann om aan het licht te treden? Deze
bladzijden van mijn dagboek zijn nu toch bedorven, dus ik kan net zo goed doorgaan. Goed dan: Ik heb me afgevraagd: “Wat zijn de bedoelingen van T.F.?” Het wordt tijd dat ik me afvraag wat mijn bedoelingen zijn.’
Ze schrok van haar eigen openhartigheid. Zo in koelen bloede neergeschreven leek het verschrikkelijk berekenend. Toch moest ze achter de waarheid zien te komen, en gauw ook. Er was nog maar weinig tijd; over een paar weken zou de jongen worden opgehangen en dan was het afgelopen. Ze voelde in haar botten dat Margaret Fell naar huis zou gaan zodra de jongen was opgeknoopt - al was het alleen maar vanwege de schok. Want ondanks haar geboen en geschrob scheen ze nog steeds in een fantasiewereld te leven en zichzelf wijs te maken dat er niets met de jongen zou gebeuren. Maar hij zou worden opgehangen, de kinderen zouden precies zo achterblijven als zij ze aangetroffen hadden en zij zou naar haar man, haar gezin, terugkeren. Wat zou er dan van Ann Traylor worden? Was ze bereid het leven als gouvernante weer op te vatten, zedig en onderdanig te zijn, pakjes te maken voor die sufferds in de gevangenis, schijnheilige brieven te schrijven vol vroom gebazel over het Goddelijke in de mens, alsof het zo iets was als een gelardeerde haas? En haar hoed, wat moest ze daarmee doen? In een doos zeker, met motteballen, en His Lordship weer blind voor haar aanwezigheid! Nee hoor, wat er ook gebeurde, ze was niet van plan naar dat verleden terug te keren! De gedachte alleen al gaf haar een rilling.
Ze liep naar het raam, deed het open, ademde de koele nachtlucht in, tuurde naar de sterren. Ze herinnerde zich haar voorgevoel van een paar dagen geleden; wat toen een boude wens was geweest, een aanmatigende dagdroom, was werkelijkheid geworden. Maar één kus, en een rijke man behoorde haar toe. Ja, het had geen zin eromheen te draaien: ze hoefde hem maar te laten begaan en ze kon hem om haar vinger winden. Ze had in dat opzicht geen ervaring, maar vrouwelijk instinct zei het haar: de val is nog niet dichtgeslagen, maar hij snuffelt aan het aas.
Wat nu? Met duiveogen naar hem blijven knipperen, aan zijn lippen hangen, zich met wijn laten volgieten, net doen alsof ze duizelig werd? Instinct zei haar daar niet over te tobben; hij zou op een gegeven moment het initiatief wel nemen, dat dacht hij trouwens van het begin af aan te hebben gedaan, haha. En dan? Welke toekomst was er voor de wereldse vrouw met de zwierige hoed weggelegd? Een rijke oude man, die haar financiële zekerheid zou geven, en tevens de gelegenheid jonge officieren te ontvangen? Geen erg stichtelijke droom voor iemand die eens naar bekering had gestreefd. Wat was de volgende stap? Dat ze zich door Thomas Fell in een herberg liet kameren? Hier in Lancaster, of in Belfast, ook op zijn dienstroute, veilig overzee? Het leek een saai bestaan: eindeloze, stom-vervelende dagen van wachten, en bovendien nog een gevoel van verdorvenheid. Maar wat dan? Ophouden met dit spelletje, zich van Thomas Fell losmaken zolang het nog kon? Dat gaf haar een gevoel van leegte en een plotselinge, onverwachte onpasselijkheid, alsof ze op het punt stond over
te geven. Ze ging terug naar de tafel, onthutst door de heftigheid van haar reactie. Ze nam de pen weer op en schreef: ‘Wat is dit nou? Ben ik soms verliefd op hem? Zou ik me daarom plotseling zo ziek voelen bij de gedachte alléén dat het 't verstandigste zou zijn om hem op te geven?’
Bang nu, maar vastbesloten om de waarheid over haarzelf te achterhalen, bleef ze doorschrijven, bladzijden vol, om te eindigen met: ‘O, ik hou van je! Verdomde ouwe rechter! Ik tel de uren, de minuten tot morgenavond als ik je verlegen gezicht weer schuw zie lachen en je hoor zeggen: “Goedenavond, juffrouw Traylor, goedenavond.” Vervloekt, vervloekt jij, Thomas Fell! Ik dacht dat ik de spin was en jij de vlieg! Wat moet ik nu in godsnaam doen? Thomas! Tom! God, ik voel me zo ellendig! IK VOEL ME ELLENDIG!’
Ze staarde naar de driemaal onderstreepte woorden, een kreet die van de bladzijden leek op te huilen. Toen begon ze met grimmige vastberadenheid de bladzijden te verscheuren en een voor een in de kaarsvlam te verbranden.
Elke omkrullende, zwartblakerende snipper die door het vuur verteerd werd, was een marteling. Ze was wanhopig. Ze was verliefd op een onbereikbare man, en gedoemd een leven van zonde en ontucht te leiden ofwel haar jeugd te vergooien in onderdanige, keurige kuisheid - saaie, lamlendige, grauwe kuisheid. Haar wanhoop was echt, haar verdriet oprecht; toen ze eindelijk in bed lag verwachtte ze dat ze de nacht lang met brandende ogen wakker zou liggen.
Maar ze viel onmiddellijk in slaap, en droomde over een vlieger, hoog in de lucht, de wind in de bomen, de branding, die klonk als een bruisend juichen.