Zorgvuldig en met een fanatieke aandacht voor details bereidde John Sawrey Margaret Fells val voor. Hij deed haar aan zijn nachtelijke bezoeken wennen tot hij wist dat ze er nu net zo reikhalzend naar uitkeek als destijds de stroper. Hij zorgde ervoor dat ze altijd op een plek ging staan waar Holly Stowe haar kon horen zonder zelf te worden gezien; hij bereikte dit door op zijn zitstok plaats te nemen tegen de muur tegenover haar cel. Hij remde alle gekeuvel van haar kant af en herinnerde haar er steeds weer aan dat hij tot haar beschikking stond. Ze begon het nu, merkte hij, jammer te vinden dat hij telkens maar zo kort bleef; in dat opzicht had haar man meegewerkt door haar aan haar lot over te laten. Ze had niemand anders bij wie ze haar hart eens kon uitstorten; het meisje was er alleen maar overdag, en dan had ze het te druk met de kinderen om te praten. Er scheen geen reden nog langer te dralen; toen arriveerden de documenten van dr. Marshall. Zij bleken teleurstellend te zijn.
Hij zat, in zijn torenkamer van het Slot Lancaster, somber naar de brief van de doctor te staren. In het aangrenzende vertrek begonnen McInnes en Holly Stowe aan minstens hun vijftiende spelletje triktrak op die avond; net als hij waren ze eraan gewoon geraakt overdag te slapen en pas op te staan als de vleermuizen om de toren begonnen te fladderen. Maar terwijl de vleermuizen volop te doen hadden waren de twee mannen gedwongen de tijd zoet te brengen en ze vonden geen andere bezigheid dan triktrak te spelen en elkaar als een bejaard echtpaar te bevitten. Het werd tijd dat Holly Stowe iets om handen kreeg; maar nu ging het ernaar uitzien dat hun hele plan een hersenschim was.
‘In antwoord op uw verzoek om een samenvatting van de ketterijen van de zogenaamde “Kinderen van het Licht”, sluit ik hierbij de kerkelijke vloek in die de Presbyteriaanse geestelijkheid van Schotland over de Quakers heeft uitgeroepen toen George Fox daar zijn eerste bezoek bracht. Het stuk biedt een voor de leek begrijpelijke definitie van het groteske gedrag alsmede de godslasteringen van de ketter Fox cum suibus.’
Het ingesloten paperas bevatte een reeks van hoogdravende banvloeken: ‘Eén - vervloekt zijn al degenen die beweren dat genade vrij is, en laat ons daarop Amen zeggen. Twee - vervloekt zijn zij die beweren dat de Schrift niet Gods heilig woord is, en laat ons daarop Amen zeggen. Drie - vervloekt zijn allen die beweren dat de mens ooit zonder zonde zijn kan, en laat ons daarop Amen zeggen.’ Zo ging het door, de ene vervloeking na de
andere, om te eindigen met: ‘Zeven - vervloekt zijn zij die beweren dat ieder mens een “Licht” in zich heeft dat voldoende is om hem naar Christus te leiden, en laat ons daarop Amen zeggen.’
Het zou wel doeltreffend zijn als het op toornige orgeltoon in de kerk werd uitgebazuind, maar in een rechtszaal zou het van de tafel worden gelachen.
Het dossier over George Fox bleek al even teleurstellend te zijn. Het was omvangrijk genoeg; het vermeldde alles wat de jongeman de afgelopen twee jaar gedaan en georeerd had; maar het leek in hoge mate vooringenomen, klaarblijkelijk samengesteld door wraakzuchtige dominees wier kerkdiensten hij verstoord had. Niets van dit alles kon tegen Margaret Fell worden gebruikt, zeker niet ten overstaan van His Lordship en zijn kornuiten. Haar brief aan Cromwell had hem hoop gegeven, maar ze had sindsdien niets gedaan dat er ook in de verste verte maar op leek dat ze voornemens was op roekeloze wijze de loop van het recht te stuiten.
Wat haar verdediger zonder twijfel zou poneren was dat ze in feite niets anders had gedaan dan gehoor geven aan Christus' vermaning: ‘Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert hen niet.’ Ze had, binnen de week, de kerker in een kinderkamer herschapen. Ze had voor bedjes, een tafel, stoeltjes, serviesgoed en lepels gezorgd; zij en het meisje hadden gordijnen genaaid voor de nissen in de muur die nu als kasten werden gebruikt. Zelf sliep ze op een veldbed in een hoek van de cel; ze kon zich afzonderen door er een kamerscherm omheen te zetten, ook al geleverd door haar man die ze als boodschappenjongen gebruikte. Ze las de kinderen voor het slapen gaan uit de bijbel voor en had ze zover gekregen dat ze naast hun bedjes knielden om als een stel kraaien een gebedje te krassen; als dit alles door getuigen beschreven werd, zou het een hartverheffend beeld van bekeerde zondaartjes oproepen, wier voze zieltjes door haar zelfopofferende arbeid te elfder ure waren gered.
Hoe meer hij erover nadacht, hoe minder zin het scheen te hebben om zijn pogingen voort te zetten. Hij dacht erover het maar op te geven en Holly naar huis te sturen; maar hij besloot nog diezelfde avond een paar uitspraken van mevrouw Fell vast te leggen. Er was een heftige ruzie tussen de twee verveelde mannen in het aangrenzende ontstaan, er werd geschreeuwd, gevloekt, met meubelen gebonsd; toen hij in de deuropening verscheen zag hij Holly Stowe bij het raam staan, een toonbeeld van verontwaardiging; McInnes stond kennelijk op het punt hem naar de keel te vliegen.
‘Wat is hier aan de hand?’ riep hij.
‘Weet u wat-ie gedaan heeft?’ jammerde Holly Stowe, op het open raam wijzend. ‘Hij kan niet tegen zijn verlies, nou heeft-ie de dobbelstenen in zijn mond gestopt en uit het raam gespogen!’
Onder normale omstandigheden zou Sawrey geamuseerd zijn geweest, nu was hij er na aan toe hen de huid vol te schelden over hun kinderachtig
gedoe. ‘Vooruit!’ zei hij. ‘Het wordt hoog tijd dat jullie wat te doen krijgen. Stowe, pak je schrijfgerei. McInnes, steek de lantaarn aan. We gaan naar beneden.’
Onderweg herhaalde hij nogmaals de instructies die ze inmiddels wel uit hun hoofd moesten kennen. ‘Holly, jij gaat voor de cel met de gekke vrouwen staan. Blijf zo dicht mogelijk bij de tralies, maar pas op dat ze je leitje niet weggrissen of je bij je kladden grijpen; zorg er onder alle omstandigheden voor uit het zicht van mevrouw Fell te blijven. McInnes, licht jij hem bij, en let op de gekken, om hem te waarschuwen zodra ze iets in hun schild voeren. Zeg alleen niets, stoot hem maar aan; mevrouw Fell moet niet merken dat jullie met z'n tweeën zijn. Holly, schrijf alles op wat zij zegt, verbatim; mijn vragen hoef je niet letterlijk te noteren, die schrijf ik er later zelf wel bij...’
Ze staken de poort over en daalden de wenteltrap af, waarbij McInnes hen bijlichtte. Toen ze op de onderste verdieping kwamen en de gang ingingen voelde John Sawrey een opwinding, die heel plezierig was. Hij had iets dergelijks nog nooit gevoeld; de stroper had erover gerept: ‘Je besluipt een hert, iedere dag een klein eindje dichterbij, en op een gegeven moment krijg je een gevoel dat met niets te vergelijken is, met niets...’ Nu ontdekte hij dat het waar was; de omsingeling van Margaret Fell bracht een opwinding die bijna sensueel was. Hij zou er vannacht eens over moeten nadenken om uit te maken of die emotie hem op het beslissende moment noodlottig zou kunnen worden.
Margaret Fells cel was, zoals iedere avond, donker. Hij kwam altijd pas als de kinderen sliepen, behalve de eenogige jongen, die te allen tijde wakker scheen te zijn en hem uit zijn hoek fixeerde met zijn star starende oog. Hij trok zijn handschoenen uit, tikte met zijn zegelring op de tralies, en riep hoffelijk: ‘Mevrouw Fell?’
Sinds ze dat scherm om haar veldbed had gezet, sliep ze meestal als hij kwam; voordien had ze daar alleen maar zitten dommelen, de kinderen als een nest jonge katjes om haar heen.
‘Een ogenblikje, meneer Sawrey.’
‘Haast u niet, mevrouw Fell! Het was niet mijn bedoeling u wakker te maken.’ Dat was de traditionele aanhef geworden.
Hij hoorde geritsel achter het scherm; de kinderen waren vast in slaap, die jongen zat in zijn hoekje ineengedoken, zijn oog glinsterde in het lantaarnlicht. Holly Stowe, die ondanks zijn oude-mannetjespietluttigheid schrander en beslist was als het erop aankwam, nam zijn positie in; McInnes, met minder intelligentie begiftigd, moest als een muilezel op zijn plaats worden gezet. Holly Stowe stond met zijn griffel in aanslag boven zijn lei, toen Margaret Fell van achter haar scherm te voorschijn kwam. Zo op het eerste gezicht leek ze minder door het gevangenisleven getekend dan de laatste keer.
‘Mevrouw, geheel de uwe...’ Hij maakte zijn gebruikelijke buiging. ‘Ik
hoop dat u het goed maakt?’
‘Inderdaad, dank u, meneer Sawrey.’
‘Het is me een genoegen, mevrouw, u mee te delen dat de regenten u toestemming hebben verleend voor een dagelijkse wandeling op de wallen met de jongen Henry Jones. U krijgt vijftien minuten per dag, berekend van het ogenblik af dat u bovengronds komt. Een bewaker zal u vergezellen.’
Hij had verwacht dat dit haar in de stemming zou brengen om te praten; maar de uitbundigheid waarmee ze reageerde kwam als een verrassing. ‘O, meneer Sawrey! Wat een zegen!’ riep ze uit. ‘Dank u, dank u wel, dank u wel!’ Ze stak, net als de krankzinnige vrouwen, haar handen door de tralies naar hem uit.
Hij drukte haar de hand en zei: ‘Mevrouw, het is niets! Het was me een voorrecht dit voor u te mogen regelen.’
‘Henry!’ riep ze naar de jongen in de hoek. ‘Heb je dat gehoord? Is het niet heerlijk? O, meneer Sawrey, ik kan u niet zeggen hoe blij we hiermee zijn, hoe - o, dit is geweldig! Echt geweldig!’
Hij nam plaats op zijn zitstok, tegen de overliggende muur. Haar enthousiasme vervulde hem met de opwinding van de jager. Dit was beter dan hij had durven hopen; hij moest nu uiterst voorzichtig te werk gaan. ‘Mevrouw, ik ben blij dat ik u dit plezier heb kunnen doen. Ik wilde dat er meer was waarmee ik u van dienst zou kunnen zijn.’
‘O, u hebt al zoveel gedaan! Echt waar, ik kan u niet zeggen hoe - eh - dankbaar ik ben!’ Hij had de indruk dat ze had willen zegen ‘hoe verrast’.
‘Ik ben gevleid, mevrouw. Kom, is er echt niets anders wat ik voor u kan doen? Aarzelt u niet, ik sta tot uw beschikking.’
‘Ik weet echt niet wat u nog meer zou kunnen doen. Ik denk niet dat u beseft wat een verschil het maakt als iemand...’ Ze zweeg; maar het was duidelijk dat ze had willen zeggen: ‘enige belangstelling voor me toont.’
‘Ik vraag me af,’ zei hij, ‘hoe u met dit soort verzorging kunt doorgaan, helemaal alleen, zonder hulp.’
Ze hapte toe. ‘Daar heb ik natuurlijk over nagedacht! Ziet u, er is niets bijzonders in wat ik gedaan heb, alleen was ik de eerste. Ik ben ervan overtuigd dat er veel christelijke vrouwen zijn hier in de stad die, net als ik, graag een week of wat bij deze kinderen willen doorbrengen.’
‘Mevrouw Fell, ik geloof niet dat u ook maar één dame bereid zult vinden te doen wat u doet. Ik vrees dat hier wel een heel bijzonder soort iemand voor nodig is.’
Holly Stowe stond verwoed te krabbelen. Nu was het ogenblik gekomen dat ze zich zou blootgeven, als hij geluk had.
Maar, ondanks haar uitbundigheid, ze had alle vijf bij elkaar. ‘Ik geloof dat u zich vergist, meneer Sawrey,’ zei ze, glimlachend. ‘U onderschat de christelijke naastenliefde van de vrouwen in deze stad.’ De oude achter-
docht blonk weer in haar ogen; ze was kennelijk niet voornemens zich in de kaart te laten kijken.
Niettemin voelde hij hoop. Hij vroeg zich af waarom. Niets in wat ze gezegd of gedaan had rechtvaardigde deze plotselinge ommekeer. Was het haar emotionele binding aan die jongen? Hij was de centrale figuur. Ze had zich klaarblijkelijk nog niet gerealiseerd wat hem wachtte. Zou hij daarop zinspelen?
Hij stond op, klapte zijn zitstok dicht en liep naar haar toe, terwijl hij zijn handschoenen aantrok. Vlak bij haar zei hij zacht: ‘Mevrouw, ik moet u ergens voor waarschuwen, als u mij dat wilt toestaan.’
‘Ja?’ Haar argwaan was, om de een of andere reden, uitermate opwindend.
‘Ik wil geen domper op uw blijdschap zetten, maar door met die jongen op de wallen te gaan wandelen, zoudt u het wel eens moeilijker voor hem kunnen maken.’
‘Hoezo?’
‘Laat u niet misleiden door de manier waarop hij zich nu gedraagt. Het zijn juist de vechtersbazen, de opstandigen, die op het laatste moment, wanneer de strop ... Enfin. Maakt u het niet moeilijker voor hem dan nodig is.’
‘Ik begrijp niet wat u bedoelt.’ Ze zei het koel, maar hij voelde haar nerveuze spanning.
‘Mevrouw, vergeeft u mij dat ik het ter sprake bracht. Ik ben ervan overtuigd dat u de kracht zult vinden om die situatie aan te kunnen, wanneer het zover is.’
‘Het is mijn kracht niet, meneer Sawrey,’ zei ze op vaste toon. ‘Het is die van God.’
‘Natuurlijk.’
‘Ik ben ervan overtuigd dat, als het ogenblik komt, God mij bij zal staan.’
‘U, mevrouw. Maar hém?’
‘God zal ons beiden bijstaan.’
Hij was zover gegaan als hij gaan kon. Hij maakte een buiging. ‘Mevrouw, uw dienaar. Vergeef me dat ik u gestoord heb.’
‘Helemaal niet, meneer Sawrey. Welterusten.’
‘Welterusten, mevrouw. McInnes!’
Hij liep weg, zonder Holly Stowes aanwezigheid te verraden. Pas toen ze op het portaal kwamen vroeg hij de oude man: ‘Heb je kans gezien het allemaal op te schrijven?’
‘Ik geloof 't wel - het meeste, tenminste,’ zei Holly volijverig.
‘Nu, werk het zo gauw mogelijk uit. Vooral die kwestie met God, aan het eind.’
‘Ik zal er meteen aan gaan werken. Ik heb niet lang nodig, een uur of zo.’
‘Goed zo.’
Maar terwijl ze de wenteltrap beklommen vervloog zijn gevoel van zekerheid; toen ze op hun kamers kwamen was de korte illusie van zelfvertrouwen voorbij. In zijn stoel, met zijn voeten op het bed, somber starend naar het raam met het langwerpige stukje sterrennacht, smaalde hij verbitterd over zijn optimisme van een ogenblik geleden. Zelfs als de ophanging van de jongen haar volledig zou ontredderen, wat schoot hij daarmee op? Hij had een ogenblik gehoopt dat ze tijdens de terechtstelling iets impulsiefs zou doen, ingrijpen, proberen de beul tegen te houden. Maar kon dat worden uitgelegd als ‘belemmering van het recht’? Ze zou domweg een overgevoelige vrouw zijn die radeloos om genade smeekte, eerder sympathiek dan omgekeerd.
Achter de papieren wand begon McInnes het vervloekte madrigaal te neuriën dat ze die kinderen geleerd had. Hij stond op het punt hem tot zwijgen te brengen toen hij Holly hoorde zeggen: ‘O, schei toch uit! Zie je niet dat ik aan het werk ben?’ McInnes gromde: ‘Neem me vooral niet kwalijk, mijn heer Stowe, Your Lordship.’
Het had geen zin om al naar bed te gaan; hij moest maar blijven rondhangen tot Holly hem het resultaat kon laten zien. Hij nam het dossier op dat dr. Marshall hem toegestuurd had. ‘De zaak tegen George Fox, godslasteraar, kantongerecht Lancaster, derde Zitting, 1652.’ Het was, voor een dominee, niet slecht gedaan: compleet met index van onderwerpen en namen. Hij zocht naar ‘ophangingen’ zonder te verwachten iets van dien aard te vinden, maar daar stond: ‘Ophanging, verstoord door G.F., gevangenis te Derby. Een vrouw, Hazel Hawthorne genaamd, wegens diefstal tot de strop veroordeeld, werd op 15 juli 1651 op de binnenplaats van de gevangenis te Derby naar het schavot gebracht. George Fox, in hechtenis aldaar, had aan de rechter en de schout der gevangenis geschreven in een poging haar vonnis verzacht te krijgen op grond van het gebod “Gij zult niet doden”. Op het ogenblik van de executie werden de scherprechters verlamd door een schreeuw uit het raam van de cel waar de godslasteraar zat ingesloten, volgens diverse lezingen: “Stop!” “God!” of “Nee!” Het gevolg was dat de mannen behekst werden, en de terechtstelling niet ten uitvoer konden brengen. De vrouw werd naar haar cel teruggebracht en de zaak voorgelegd aan Sir Gervase Bennett, provoost. Fox werd veroordeeld tot drie extra maanden gevangenschap na uitzitting van zijn straf, wegens belemmering van de loop van het recht. De vrouw in kwestie is tot op dit moment niet terechtgesteld; de schout van de gevangenis te Derby nam zijn intrek in de cel van de gevangene George Fox en werd vervolgens uit zijn ambt ontslagen, aangezien hij zich had aangesloten bij de Quakers.’
Niet te geloven! Maar zou iets dergelijks hier in Lancaster gebeurd zijn, dan zou Fox een veel strengere straf hebben gekregen dan drie maanden. Zou Margaret Fell ertoe gebracht kunnen worden zo iets te doen? Had de man die beulen inderdaad behekst? Het leek een fantastisch verhaal.
Het rook naar een wonder. Dat was waarschijnlijk de reden waarom alle betrokkenen zo onder de indruk waren geraakt van de voorzichtige reactie van Gervase Bennett op het vreemde incident. Carter Barton, de beul hier ter plaatse, zou zich niet laten intimideren door iemand die tijdens een ophanging ‘Stop!’ riep...
Hij stond op, liep naar het raam en staarde naar de sterren, nevelig achter een dun, vliedend wolkendek.
***
Margaret was zo opgetogen over de toestemming om Henry mee naar buiten te nemen, dat ze nauwelijks kon slapen. Ze snakte naar een teug frisse lucht, niet alleen voor Henry, voor zichzelf. Ze had nog maar drie weken in de kerker doorgebracht, maar het leek alsof ze in geen jaren de zon gezien had. Ze was nu blij dat ze niet had toegegeven aan de verleiding om een uurtje naar buiten te glippen, en Ann bij de kinderen te laten. De enige manier om tot Henry door te dringen was dat ze zijn wereld deelde.
Zodra Sawrey weg was ging ze naar de jongen toe, sloeg haar armen om hem heen en zei: ‘Henry, Henry, is het niet geweldig? Morgen! Morgen mogen we naar buiten!’
Hij deelde haar opwinding niet, er bestond nog altijd argwaan tussen hen, van zijn kant. Maar het deerde haar niet; in haar opgetogenheid knielde ze naast haar veldbed neer en dankte God uit de grond van haar hart voor deze zegen. Het schraagde haar overtuiging dat Oliver Cromwell op haar smeekbede zou antwoorden en de jongen gratie verlenen.
Ze had een rusteloze nacht en was vroeger op dan gewoonlijk. Sinds haar kindertijd had ze nooit meer zo vol spanning naar iets uitgekeken. Ze dacht dat de bewaker hen ieder ogenblik kon komen halen; pas toen ze de kinderen ging wekken werd ze zich bewust dat het belachelijk was om te verwachten naar buiten te worden gebracht voor een wandeling op de wallen om vier uur 's morgens - het moest nog donker zijn.
Met het verstrijken van de ochtend werd ze ongeduldiger. Ann kwam met het wasgoed; ze verschoonden de kinderen; begonnen met de les van die ochtend; bij het geringste geluid daarbuiten holde ze naar de tralies en probeerde de gang in te turen.
De ochtend kroop voorbij, zonder dat iemand hen kwam halen. Het werd middag; Ann maakte aanstalten om weg te gaan; nog altijd was de bewaker niet gekomen. Toen Ann vertrok, vroeg Margaret of ze boven eens navraag wilde doen, misschien hadden ze hen vergeten. Ann beloofde het.
Drie uur. Vier uur ... Nog altijd was de bewaker niet gekomen. Ze stond op het punt op haar fluitje te blazen, iets dat ze in lange tijd niet gedaan had, toen hij plotseling voor het traliehek verscheen.
‘Mevrouw Fell? Ik kom u en de jongen halen om een wandelingetje
buiten te maken. Bent u klaar?’
‘O, ja, ja, natuurlijk! Henry, vlug! Henry!’
De jongen bleef in zijn hoek zitten.
‘Kom, Henry, kom! We gaan een wandeling maken! Kom, kind!’ Ze sloeg haar arm om zijn schouders; tot haar verbazing stribbelde hij tegen.
‘Wat is er? Wil je niet?’
Hij keek haar met zijn ene oog fel aan, zijn gezicht verstard in een honende grijns.
Ze knielde naast hem neer en smeekte: ‘O Henry, doe me dat niet aan! Toe! Ik heb er zó naar uitgekeken om met je naar buiten te gaan, toe, wees niet zo koppig! Kom, al was het alleen maar om mij het plezier te doen...’
De uitdrukking op zijn gezicht veranderde. Hij zei geen woord, maar het leek een overgave.
‘Kom, Henry, kom! Je zult het zien, als we eenmaal buiten zijn zul je het verrukkelijk vinden, ik weet het!’ Ze leidde hem naar de open deur; zij volgden de bewaker, de gang in. Ze had haar arm om zijn schouders; hij liet zich meetrekken, maar hij strompelde omdat hij zijn ketens moest voortslepen. Het leek alsof hij van plan was zich om te draaien en terug te vluchten, naar hun cel. Het was vreemd, maar ze had dezelfde neiging. Buiten die kooi, waar ze nog maar zo kort verbleven had, voelde ze zich onzeker. Het vooruitzicht van een wandeling in de zon leek plotseling niet aantrekkelijk meer. Wat had haar in vredesnaam bezield erom te vragen? Ze had de kinderen niet alleen mogen laten; ze had Ann moeten vragen om te blijven...
Terwijl ze de wenteltrap opklommen, ontdekte ze dat ze veel gauwer moe werd. Vroeger had ze hem beklommen zonder stil te staan om op adem te komen; nu moest ze op iedere overloop ‘Alstublieft!’ roepen tegen de bewaker om even op adem te komen. Ze leunde tegen de muur, de ogen gesloten, met bonzend hart; de arme Henry kon zijn voeten met die ketens nauwelijks meer optillen. Haar eigen benen schenen loodzwaar te zijn; toen ze de bovenste verdieping naderden moest ze halverwege blijven staan. Eindelijk kwamen ze bij de deur naar de poort, en zij zag het eerste daglicht na drie weken.
Maar ze gingen de poort niet in; er was een smal deurtje in de muur dat de bewaker opende. Zij zag, tot haar wanhoop, alwéér een wenteltrap. ‘Moeten we heus?’ hijgde ze.
De bewaker draaide zich om. ‘Wat zegt u, mevrouw?’
‘Moeten we nóg een trap op?’
‘Ik heb opdracht u naar de wallen te brengen.’
‘Hoeveel treden nog?’
‘Ik weet het niet precies, mevrouw. Maar van nu af zijn er geen verdiepingen meer.’
‘O. Laten we dan maar gaan. Zolang u het niet erg vindt af en toe even te blijven staan. We zijn hier niet meer aan gewend.’
‘Zeker, mevrouw. We zullen het langzaam aan doen, mevrouw.’
Het werd een lange klim. De arme Henry ging op een gegeven moment zitten, kreunend van uitputting. Maar boven hen zag ze licht. ‘Kijk, Henry,’ zei ze, ‘daar is het licht, vlak boven ons! Zie je? We zijn er bijna! Kom, jongen; kom...’
Ze klommen verder, als twee zieken, tot ze eindelijk bij de bron van het licht kwamen. Het bleek een schietsleuf te zijn waardoor een bundel zonlicht schuins in het trapgat viel. Ze snakte naar frisse lucht maar was zo bezorgd dat Henry het niet zou halen dat ze hem met haar laatste krachten optilde om hem door de smalle opening te laten kijken. Zijn ketens maakten hem zwaar en zij was uitgeput door de lange klim; ze zette hem weer neer en leunde tegen de muur. ‘Heb je de zon gezien?’ vroeg ze.
Hij gaf geen antwoord; hij zat aan haar voeten met zijn hoofd in de handen. Arme jongen; door die kettingen moest hij volkomen uitgeput zijn, ze had er geen notie van gehad hoe zwaar die dingen waren. Ze bleven minutenlang rusten; de bewaker wachtte geduldig een paar treden boven hen. Het was stil in de toren; zodra haar hart niet meer zo bonsde, drongen geluiden van de buitenwereld tot haar door die net zo kostbaar waren als frisse lucht: stemmen, gehamer, het rommelen van planken; geluiden van vrijheid.
Ze keek naar de bewaker boven zich en vroeg: ‘Is het nog ver?’
‘Nog drie wentelingen, mevrouw. Denkt u dat u het kunt halen?’
‘Ja, ja...’ Ze legde haar hand op haar borst; zelfs praten was vermoeiend. ‘Hij is erg zwak.’
‘Doe maar rustig-an, mevrouw. Ik heb geen haast.’ Hij leek een vriendelijke man; ze zou wat meer aandacht aan hem moeten besteden, in plaats van hem te beschouwen als middel tot een doel.
‘Kom, Henry,’ zei ze, ‘we zijn er bijna.’ Ze trok hem overeind, nam zijn ketens op en droeg ze verder voor hem.
Toen ze eindelijk naar buiten wankelde, in de heldere, winderige middag, werd ze door duizeligheid overvallen. De zuivere zeelucht maakte haar bijna dronken; ze klampte zich aan Henry vast om steun. Gedurende enkele ogenblikken stond ze met gesloten ogen in de onmetelijke ruimte van zonlicht en wind; toen hoorde ze de bewaker zeggen: ‘Mevrouw? Als u wilt gaan wandelen, moet u dat nu doen. We hebben niet veel tijd.’
‘Ja ... ja, dank u ... Kom, Henry.’
Ze begon langs de kantelen te wandelen. Bij de borstwering bleef ze staan, verblind door het daglicht. Ze hief haar gezicht op naar de zon, het huiverende kind tegen zich aangedrukt. Het gehamer klonk nu luider, het gebons van planken. Geluiden van timmerlieden en metselaars, van een huis in aanbouw. Ze keek omlaag naar het binnenplein; zonlicht glinsterde op daken, torens; beneden, in de schaduw, waren timmerlieden aan het hameren. Toen zag ze wat ze aan het bouwen waren: een schavot, met een galg.
‘Nee!’ Ze greep Henry's hoofd en drukte het tegen zich aan opdat hij het niet zou zien. Haar eerste gedachte was: ‘Met opzet! Ze hebben ons met opzet zolang laten wachten!’
Ze strompelde, Henry met zich meesleurend, naar de borstwering aan de andere kant; daar stond ze, overstelpt door afgrijzen, terwijl de tranen langs haar wangen liepen. Ze waren voor Henry aan het bouwen! Nee! Ze kon het niet onder ogen zien. Ze probeerde naar de hemel te kijken, de zee; het enige wat ze door haar tranen heen zag waren drie boterbloempjes in een voeg tussen de granietblokken van de borstwering. Die in de wind trillende bloempjes braken haar laatste verweer; met haar hoofd op haar armen snikte zij het uit. Zij wist dat het verkeerd was, dat ze dit Henry niet mocht aandoen; maar ze kon het niet helpen; al haar kracht, haar geloof, haar hoop waren ineengestort. ‘O God, God!’ Maar de woorden waren nutteloos; er was niets of niemand tot wie ze kon bidden, geen bron van genade in het heelal, geen God van liefde. Toen raakte iemand haar arm aan. Ze keek op; het was Henry. Hij stak haar iets toe: een geel bloempje, een van de boterbloemen, en zei: ‘Hier.’
‘Voor - voor mij?’
Hij knikte.
‘O ... Henry...’ Ze nam het bloempje aan en drukte zijn tengere lichaam tegen het hare. ‘O lieve, lieve jongen - o mijn God...’ Ze kuste zijn haar, in hulpeloze liefde. Ten slotte lukte het haar te zeggen: ‘Wie had dát kunnen denken dat mij op de wallen van Slot Lancaster nog eens een ruiker zou worden aangeboden?’
Terwijl ze het zei, zag ze dat hij de galg gezien had. ‘O God,’ fluisterde ze, terwijl ze hem weer in haar armen sloot. ‘Wat kan ik doen, wat kan ik doen?!’ Het was een kreet, geen vraag.
Toen zei hij, zijn stem gesmoord door haar omhelzing: ‘Blijf bij me.’
Ze wist wat hij bedoelde. Ondanks haar wanhoop verstarde ze. De zekerheid dat Cromwell gratie zou verlenen was verdwenen. Het vooruitzicht dat ze bij Henry's dood aanwezig zou moeten zijn, was ondraaglijk. Maar het bloempje deed haar beseffen dat hij, ondanks zijn bravour en zijn eenzame rebellie, een angstig kind was. Ze mocht hem niet in de steek laten. ‘Ja, hoor,’ zei ze. ‘Natuurlijk.’
‘Waar ik je kan zien als ze hem om mijn nek doen,’ zei hij zakelijk.
‘Ja ... Ik - ik beloof 't je.’ Ze kuste zijn haar. ‘Kom, we gaan terug.’ Samen liepen ze naar de bewaker die in de deuropening stond.
‘We zijn klaar,’ zei ze.
Het gezicht van de man was onbewogen, maar hij zei: ‘Neemt u de lantaarn, mevrouw. Ik zal hem wel dragen.’ Hij tilde Henry op, met bungelende ketens; ze ging voor hen uit de trap af, zich afvragend wat de bewaker ertoe gebracht had. Hij moest hebben gezien hoe Henry haar dat bloempje gaf; het moest hem hebben ontroerd. Als een man als hij voor mededogen vatbaar was, waarom Cromwell dan niet? Even herleefde haar
hoop. Er zou iets gebeuren, iets zou deze misdaad voorkomen, op het nippertje. God zou uitkomst geven.
Bij het begin van hun gang zei de bewaker: ‘Nou, mevrouw, verder weet u de weg wel. Zal ik u hier maar alleen laten?’
‘Dank u, dank u heel erg.’
‘Niets te danken, mevrouw.’
Hij zette de jongen op de grond, nam zijn lantaarn op en klom de trap weer op.
‘Kom, Henry.’ Met haar arm om de schouder van het kind ging ze op weg naar hun kerker. Toen ze langs de cel van de krankzinnige vrouwen liepen, fluisterde een stem: ‘Juffrouw!’
Bij de tralies stond een vrouwmens dat er vreselijk en erbarmelijk uitzag, maar haar gezicht was ondanks de zweren verrassend gevoelig en beschaafd. ‘Alstublieft,’ fluisterde ze, ‘help ons óók! Niet alleen de kinderen, ons ook! Alstublieft, help ons, in godsnaam...’
‘Maar ... maar hoe?’ vroeg Margaret terwijl ze naar de kooi vol heksen staarde.
‘Kom met ons praten!’ fluisterde de vrouw. ‘Kom praten, zingen, de bijbel lezen ... we zijn niet altijd gek, weet u, alleen maar af en toe. Soms begrijpen we het - dat is 't ergste.’ Plotseling voegde ze eraan toe, bijna onhoorbaar: ‘Pas op voor die man die iedere avond bij u komt! Er is iemand bij die ieder woord opschrijft!’
‘Wat zegt u?’
Maar de vrouw barstte in een gekrijs uit dat haar de haren te berge deed rijzen en begon haar ketens tegen de tralies te slaan, waarmee ze alle andere vrouwen in de kooi aanstak, die onmiddellijk mee gingen doen met dat angstaanjagende kabaal. Haastig liep ze met Henry naar hun cel, diep ontzet; de uitgelatenheid waarmee de kinderen op haar toesprongen en allemaal tegelijk omhelsd wilden worden maakte dat ze alles even vergat.
Nadat ze de kinderen had gevoed en gebaad, hun gebedjes laten zeggen, in bed gestopt, en hun ieder afzonderlijk een verhaaltje had toegefluisterd, zoals haar eigen kinderen dat ook altijd wilden, ging ze op haar veldbed achter het scherm liggen, en kon eindelijk na gaan denken.
Dus daarom was Sawrey iedere avond bij haar gekomen! Daarom had hij haar steeds weer zijn diensten aangeboden. Een uitzinnige dwanggedachte dreef hem ertoe dit ingewikkelde web van intrige te weven. Hij moest zijn vergunning voor hun wandeling op de wallen hebben uitgesteld tot de bouw van het schavot begonnen was. Waarom? Een mentaliteit als de zijne was haar volslagen vreemd. Het was duidelijk dat alles wat hij deed, alles wat hij zei, deel uitmaakte van een plan in zijn zieke brein. Had George hem niet genoemd als een voorbeeld van degenen wier zielen niet meer verlost konden worden? Wier uiteindelijke straf hij in zijn ‘Boek van voorbeelden’ noteerde?
Hij zou zeker die avond opdagen om te zien hoe het uitstapje haar was
bekomen. Nu, ze zou het hem vertellen! Ze zou hem op de man af zeggen ... Ze kon er geen woorden voor vinden. Als ze ooit een mens veracht had, was hij het.
Het duurde uren voor ze eindelijk voetstappen hoorde en het licht van een lantaarn zag naderen in de gang. Ze wachtte tot hij op de tralies tikte; toen stapte ze achter het scherm vandaan.
‘Goedenavond, mevrouw Fell. Hoe voelen we ons vanavond?’
Ze stond op het punt te zeggen: ‘Jij duivelse...’ maar kon het niet. Zijn gezicht met de dode, toegeknepen ogen was een masker dat niets te maken had met de werkelijkheid, met het leven; plotseling leek die hele onzin om een griffier mee te brengen die ieder woord moest opschrijven zo krankzinnig, dat haar besluit om hem te tarten vervloog.
‘Ik ben een beetje moe vanavond, meneer Sawrey. Het was vriendelijk van u om die wandeling mogelijk te maken, maar het bleek vermoeiender te zijn dan ik had verwacht.’
‘Zo?’ Hij nam haar op met die vreemde, ziekelijke intensiteit.
‘Het was niet erg aardig van u, dat schavot.’
Hij bleef haar onbewogen aanstaren. ‘Het was betreurenswaardig,’ zei hij. ‘Maar het wordt tijd dat u het onvermijdelijke onder ogen gaat zien. Ik moet u helaas meedelen dat er geen hoop op gratie is. Ik vertrouw dat u verstandig zult zijn; ik zou u afraden te proberen wat George Fox in de gevangenis van Derby deed.’
Ze wist zich te beheersen. ‘U hebt de Quakers blijkbaar goed bestudeerd, meneer Sawrey,’ zei ze rustig.
‘Mocht u in de verleiding komen, dan moet ik u waarschuwen dat Carter Barton van een ander slag is dan de heren in Derby, zoals u zich zonder twijfel bewust bent.’
‘En wie is Carter Barton?’
‘De beul, mevrouw.’
‘O,’ zei ze, en liet de tralies los.
‘Welterusten, mevrouw.’ Hij maakte zijn buiging en verdween.
Achter het scherm liet ze zich uitgeput op haar bed vallen, maar Sawrey had haar het antwoord gegeven. Ze zou doen wat George gedaan had: appelleren aan het Goddelijke in de beulen. Hij had het gekund, dus zou zij het ook kunnen, wat ze ook van zijn wonderen mocht denken. Hij had zelf gezegd: het was niet hij die de kracht had, het was de kracht Gods die zich van hem bediende. Vermoeid stond ze weer op om nog even naar de kinderen te kijken voor ze ging slapen. Ze liep van bedje naar bedje, stopte hen in, zette de kleine Jody op de pot, waarbij het kind vast in slaap tegen haar aanleunde. Ze vond maar een paar wandluizen op het hoofdje van het meisje en hield die geroutineerd in de kaarsvlam; toen legde ze Jody weer in haar bedje en ging naar Henry kijken, die opgerold als een hond tegen de muur lag, ofschoon er ook voor hem een bed klaarstond. Ze bleef staan kijken naar zijn trieste, ouwelijke gezichtje, en kwam opeens tot een besluit.
Ze zette de fles met de kaars neer, tilde het slapende jongetje op en droeg hem naar haar bed. Daar stopte ze hem in, ketens en al. Ze ging terug om de kaars en maakte aanstalten om te gaan slapen, zittend in het stro, tegen het bed geleund. Morgen zou hij waarschijnlijk wel zover zijn dat hij in zijn eigen bed kon kruipen; ze zou het achter het scherm naast het hare zetten.
Plotseling werd ze overmand door een golf van paniek. De galg ... Maar ze vermande zich. Ze moest vertrouwen hebben, het onder ogen zien, zich erop voorbereiden het Goddelijke in haar op te roepen met één woord: ‘Stop!’ Het zou als een pijl over de binnenplaats flitsen en het Goddelijke in de beulen raken zoals in de gevangenis van Derby, en de beulen zouden de kracht niet hebben om Henry op te hangen. Ze vouwde haar handen, boog haar hoofd, en zocht het diep van de stilte.
***
‘Zijn dit de normale verschijnselen van gevangenschap?’ las Henrietta Best. ‘Dit gevoel dat je je niet buiten je cel durft wagen? Ik weet dat jij ervaring bezit en heb dringend behoefte aan geruststelling. Heb jij tijdens je gevangenschap ook die uitersten doorgemaakt, van overmatig zelfvertrouwen tot aan het verlies van alle geloof in jezelf, soms zelfs in de kracht van God?’
Henrietta Best liet de brief zakken en keek uit het raam naar de avondtuin. Een nachtegaal zong in de oude bomen; de geur van rozen dreef naar haar toe op de warme lucht die in de koelte van de schemering opsteeg. De kerkers van het Slot Lancaster leken een andere wereld, onverenigbaar met deze zomeravond. Ze sloot haar ogen en luisterde naar de nachtegaal. Hoe was het mogelijk dat mensen zulke gruwelijke dingen konden doen, in het donker, ondergronds, hun jammerende slachtoffers aan hun haren wegsleuren, hen - nee, nee! Dat niet.
Wat kon ze de arme vrouw antwoorden? ‘Ja, ma chère, dat is heel normaal; en dat is nog niet alles. Er zijn brandijzers, en in de grond geslagen pennen waar ze naakte vrouwen wijdbeens aan vastbinden. Wacht niet tot de cipiers je verkrachten; laat je door de schout verleiden nu je nog de kans hebt.’
Ze liet de brief vallen en sloeg haar handen voor haar gezicht. Ze hoorde de deur niet, noch de zachte voetstappen van het kind dat de kamer binnensloop. Ze sprong bijna op van schrik toen haar pols door een koud handje werd aangeraakt. Het was Mary, in haar nachtjapon.
‘Wat is er, ma chouchoute? Kun je niet slapen?’
Het kind schudde haar hoofdje. Het kwam door de lange avonden; het werd 's zomers nog later donker dan in Frankrijk. Tonton had ook altijd moeite gehad om in slaap te vallen, 's zomers.
‘Kom,’ zei ze, ‘ik zal je terugbrengen naar je bedje. Als je zoet bent, zal ik je een verhaaltje vertellen.’ Ze bukte zich om het kind op te tillen.
‘Wanneer komt moeder terug?’
‘Dat zal niet lang meer duren. Nog een weekje of twee.’
‘Ik wil dat moeder terugkomt.’
‘Natuurlijk, dat willen we allemaal. Maar ze is iets aan het doen waarop jullie allemaal eens op een dag erg trots zullen zijn.’
Een scherpe, vijandige stem vroeg: ‘Is dat nou heus zo?’ Meg, het oudste meisje, stond in de deuropening, haar jonge, nog ongevormde gezicht verwrongen van boosheid.
‘Kom je haar halen?’ vroeg Henrietta.
‘Ja. Kom, Mary.’ Meg kwam bruusk de kamer binnen.
‘Nee!’ riep Henrietta haars ondanks uit. Ze kon op dat ogenblik geen onvriendelijkheid verdragen. ‘Laat mij haar dragen, ik stond net op het punt dat te doen.’
‘Waarom zou u, nu ik er ben?’
‘Omdat ik met je wil praten. Wacht hier even, ik ben zo terug.’
Haastig nam Henrietta het kind in haar armen en droeg haar naar haar kamer. ‘Ik weet dat ik je een verhaaltje beloofd heb, Mary,’ fluisterde ze onder het lopen, ‘maar ik moet met Meg praten. Wil je het me vergeven? Morgen vertel ik je een láng verhaal.’
‘Goed.’ Het klonk berustend. Triest, dat men zo vroeg al moest leren dat het leven vol teleurstellingen en eenzaamheid was. Ze legde het kind in haar bedje, boog zich over haar heen om haar een kus te geven en liep naar het raam om de gordijnen te sluiten; maar daglicht scheen toch door.
Meg stond bij het raam op haar te wachten. Ze keek nukkig, maar het was een goed teken dat ze er nog was. Margaret had op haar moederslijst geschreven: ‘Meg: Is op de leeftijd waarop ze probeert op eigen benen te staan en dat alleen maar kan doen door overal boos om te zijn.’
‘Vertel me 's, Meg,’ vroeg ze, ‘waarom ben je boos op je moeder?’
Het meisje staarde haar somber aan, of probeerde dat; het was moeilijk, met dat fijne gezichtje.
‘Ben je niet trots op wat ze doet?’
Meg wendde zich om naar het raam. ‘Voor zover ik het kan zien, heeft ze haar eigen gezin in de steek gelaten omwille van - wat? Een stelletje boefjes, in de gevangenis. Wat dacht ze te kunnen bereiken? Hun straf ongedaan te maken? Niet erg bewonderenswaardig, zou ik zo zeggen!’
‘Ze vecht tegen onmenselijkheid, waar ze die is tegengekomen. We komen allemaal in ons leven onmenselijkheid tegen; de wereld is er vol van. Maar weinigen hebben de moed er iets aan te doen; zij wel. Geloof me, er is moed voor nodig.’
‘Ik kan er niets moedigs aan zien,’ zei het meisje stroef. ‘Is er moed voor nodig om in de gevangenis te gaan zitten als je man daar de hoogste autoriteit is? Ze heeft zelfs een chaperonne meegenomen.’
‘Die meteen de eerste dag al werd verkracht.’
‘Wat?’ Meg draaide zich met een ruk om en staarde haar aan, diep geschokt.
‘Vergeef me, dat was indiscreet van me. Ze werd de eerste dag door een man, nu ja, aangevallen. Gelukkig werd het ergste voorkomen. Maar houd dit voor je, alsjeblieft.’
‘Maar dat - dat is verschrikkelijk! Wat deed vader eraan?’
Wat had Thomas Fell gedaan? Wat kon hij doen? ‘Ik weet het niet, liefje. Het hoort bij de gevangenis: vrouwen zonder geleide worden aangerand. Daar kan hij niets aan veranderen.’
‘Maar het hele gevangeniswezen staat onder hem! Hij kan er toch zeker wel iets aan doen!’
‘Liefje, zelfs een man in de hoogste positie kan niet verhelpen wat er driehonderd meter onder de grond gebeurt, tenzij hij zelf de kerkers dagelijks binnengaat. Dat is precies wat je moeder probeert ons te laten zien: het heeft geen zin een misstand te veroordelen en dan te verwachten dat anderen die bevechten. Tenzij we bereid zijn het zelf te doen, kunnen we het kwade beter de rug toedraaien en verder onze mond houden. Dat is wat de meeste mensen doen.’
‘Waarom moest moeder Ann Traylor meenemen?’ riep Meg plotseling uit. ‘Waarom mij niet? We zijn even oud!’
Henrietta weifelde, toen raapte ze de brief op. ‘Laat me je 's iets voorlezen.’ Het meisje ging op de vensterbank zitten met haar rug naar de tuin. De nachtegaal zong achter haar. Henrietta liet haar lorgnon openknippen. ‘Er staan dingen in die ze niet voor de oren van haar kinderen bedoeld heeft, maar jij bent nu oud genoeg.’
‘Beminde vriendin. Ik zit hier in het stro, naast het bed van een elfjarige jongen, die over negen dagen wordt opgehangen. Ik heb hem beloofd dat ik hem in zijn laatste ogenblikken bij zal staan, maar ik ben bang dat ik, als het ogenblik komt, de kracht daarvoor niet zal kunnen opbrengen...’
De nachtegaal tjuikte terwijl ze de brieften einde las. Ze keek niet naar het meisje tot ze de laatste regel had voorgelezen: ‘Dus, ofschoon jij en ik aan de waarachtigheid van wonderen hebben getwijfeld, hier zit ik met geen andere hoop meer behalve dat, op het allerlaatste ogenblik, God in Zijn oneindige liefde dit kind mag redden, ter wille van Zijn eigen gemartelde Zoon, Wiens tegenwoordigheid vanavond om ons heen is.’
Het bleef stil, toen vroeg het meisje: ‘Zal Hij dat doen?’
‘Wat?’
‘Die jongen redden?’
‘Ik betwijfel het.’ Ze vouwde de brief op.
‘Wat heeft ze dan bereikt? Als ze weggaat, is het enige wat die kinderen weten, degenen die dan nog leven tenminste, dat een dame hen een maand verwend heeft en toen weer verdween. Ik betwijfel of ik, als ik in hun schoenen stond, daar dankbaar voor zou zijn.’
Henrietta Best zuchtte. Misschien was dit de reden waarom de mensheid zo weinig voortgang had gemaakt, ondanks de voorbeelden van profeten en heiligen, van Christus zelf. Iedere generatie moest dezelfde wijsheid op-
nieuw bevechten. Plotseling voelde ze zich doodmoe.
‘En Ann Traylor? Is die ook bij de executie?’ Het klonk klein en naar; misschien kwam het door de nachtegaal.
‘Ik zou het niet weten,’ antwoordde Henrietta. ‘Voor zover ik weet zal Ann Traylor wel haar eigen leven leiden, en haar eigen strijd te voeren hebben.’
‘Precies,’ zei het meisje bruusk. ‘Voor zover ik zien kan, voert moeder alleen maar haar eigen strijd.’
‘Als dat zo is, liefje, dan doet ze het voor ons allemaal.’
‘Dat,’ zei het meisje bits, ‘staat te bezien. Welterusten.’ Ze ging naar de deur.
‘Welterusten, Meg. Ga nog even bij Mary kijken als je wilt. Als ze nog wakker is, heb ik haar een verhaaltje beloofd.’
‘Goed hoor,’ zei het meisje. ‘Ik zal haar wel een sprookje vertellen.’ Ze sloot de deur en was weg.
De nachtegaal jubelde in de tuin, bekoord door de avond of door zijn eigen gezang. Had de preek die ze het kind gegeven had alleen gediend om haar eigen hart te luchten, net als het lied van de nachtegaal?
Ze stond op en tuurde naar de nu donkere tuin. Margarets brief was acht dagen geleden verstuurd. Dat betekende dat de jongen van elf morgen zou worden opgehangen. Ze vroeg zich af of ze hier dezelfde barbaarse gewoonte hadden als in Frankrijk, waar men een ter dood veroordeelde op de morgen van de terechtstelling een maaltijd van drie gangen opdiende, met wijn. Gebruikten ze hier een valluik, of zouden ze hem van een bankje duwen? Hoe kon iemand verder leven alsof er niets gebeurd was na een kind te hebben opgehangen? Hoe kon zo'n man zijn eigen kinderen nog onder ogen komen? Ach, de soldaten die haar eigen kinderen hadden omgebracht zouden ook wel zonder schaamte of schuld naar hun gezinnen zijn teruggegaan, want ze hadden het niet in het gewone leven gedaan, maar in oorlogstijd. God, ze moest ophouden met die gedachten.
Kom, denk aan iets anders. Denk aan het meisje. Andere dochters zouden bewondering hebben gehad voor hun moeder; het enige waar het dwaze wicht aandacht voor had was wat Ann Traylor aan het doen was.
Ja, wat deed Ann? Er werd in de brief alleen maar terloops over haar gerept. ‘Ann en mijn man proberen mijn dagelijkse bestellingen af te handelen...’ Een eenzame intellectueel van middelbare leeftijd, een brutaal, handig volksmeisje...
‘Ça alors! Tout de même!’ Ze deed het raam dicht, en sloot het gezang van de nachtegaal buiten. Ze zou nooit een goede Quaker worden.