terug  begin  verder
[p. 300]

Vijf

‘Zing 's,’ fluisterde de jongen in het donker.

‘Maar dan worden de anderen wakker.’

‘Zing dan zachtjes.’

Margaret begon zachtjes te zingen, zoals iedere avond. Twee weken lang hadden ze iedere avond zo gelegen, naast elkaar op haar smalle veldbed, zijn hoofd op haar schouder. Terwijl ze zachtjes ‘De Andalusische Koopman’ zong, hoopte ze dat hij zoals gewoonlijk in slaap zou vallen. Maar tegen het einde van het lied dacht ze dat hij nog wakker was, en ze zette zich schrap voor de vraag: ‘Zal het pijn doen?’ Of: ‘Ga ik naar de hemel?’

Ze had die vragen al veel eerder verwacht; hij had nog met geen woord gerept over wat er morgenochtend ging gebeuren. Hij was een intelligente jongen; het leek onnatuurlijk dat hij het gewoon negeerde en zich gedroeg alsof hij een heel leven voor zich had, dat ze samen zouden doorbrengen. Dat bekommerde haar nog het meest: de hartstochtelijke manier waarop hij zich, na die wandeling op de wallen, aan haar had vastgeklampt.

Ze wachtte op de eerste vraag, ertegen opziend en er tegelijkertijd naar snakkend, als naar een bevrijding. Ze konden deze laatste uren niet doorbrengen zonder er iets over te zeggen. Ze had zich voorgenomen hem niet te sussen door te zeggen dat Jezus op hem wachtte, maar in plaats daarvan iemand die hij gekend had, iemand van wie hij had gehouden. Zo iemand moest er toch zijn? Ze zou hem vragen een plaats voor haar te bereiden, tot ze bij hem kwam. Ze moest proberen zijn angst voor het donker weg te nemen. Maar nee hoor, hij sliep toch: ontspannen, vredig. Besefte hij dan niet dat over een paar uur...?

Zelfs nu kon ze het niet opbrengen het onder ogen te zien. Zodra ze het op zich af voelde komen dacht ze aan het wonder dat God zou verrichten, de kracht die Hij haar zou schenken om deze misdaad te voorkomen. Ze dwong zich te denken: ‘Vertrouw, geloof! Geloof in Hem, geloof!’ Ze moest gaan slapen, kracht opdoen voor de beproeving die op komst was, de uren overbruggen die haar scheidden van het ogenblik ... o, God!

Plotseling werd ze overweldigd door een verdriet, zo diep, dat ze wist dat het haar radeloos zou maken als ze eraan toegaf. Het leek alsof een lawine van leed op het punt stond haar te verpletteren. Ze moest hier niet aan toegeven! Niet zo blijven liggen, starend in het donker, zijn hoofd op haar schouder! Ze moest opstaan en iets doen - bidden! In godsnaam, bid, bid!

[p. 301]

Ze probeerde uit zijn omhelzing te glippen zonder hem wakker te maken, maar hij greep haar vast; een paar minuten later probeerde ze het opnieuw, ditmaal liet hij haar begaan. Ze stond op; de duisternis was zo diep dat ze het bed niet kon zien; op de tast vond ze het scherm, de tralies, en trok zich ertegen op. ‘God,’ bad ze, ‘God, genade, God, geef me de kracht, God, God, genade, om Jezus' wil, genade, genade...’ Ze schrok, want plotseling fluisterde een stem: ‘Mevrouw?’

De stem klonk vlakbij, in de gang; wie het ook was moest in het donker zijn weg hebben gevonden.

‘Wie is daar?’

‘Ssst! De cipier, die van de wallen, weet u nog? Ik heb 'm voor u gedragen...’

‘Ach, ja ... Wat is er?’

‘Sssst,’ drong de stem aan. ‘Ik ben gekomen om u dit te geven ... Waar is uw hand? Steek uw hand door de tralies.’

Ze gehoorzaamde; iets kouds raakte haar vingers.

‘Hebt u het? Voorzichtig! Het is een flesje...’

‘Wat moet ik ermee?’ fluisterde ze.

‘Geef hem dat morgenochtend, bij zijn ontbijt. Als mevrouw Fraley vraagt wat hij wil drinken, zeg dan limonade; als niemand kijkt, giet 't er dan in.’

‘Wat is het?’

‘Ssst! Hij wordt er doezelig van, mevrouw; hij zal niet weten wat er met hem gebeurt.’

‘O...’

‘Echt doen hoor, mevrouw!’ fluisterde de stem, dringend. ‘Het helpt echt, vooral bij kinderen. Maar zeg tegen niemand dat ik het u gegeven heb; het zou slecht met me aflopen als ze 't te weten kwamen.’

‘Dank u,’ zei ze, en probeerde kalm en beheerst te klinken. ‘U bent erg vriendelijk.’

‘Er is nog iets, mevrouw,’ vervolgde de stem na een ogenblik, alsof hij even de gang ingekeken had om te zien of er iemand aankwam. ‘Als Carter Barton komt om hem te wegen, vraag dan of hij er de lange val van wil maken. Hebt u dat gehoord, mevrouw? De lange val.’

‘Ja-ja,’ fluisterde ze.

‘Het is belangrijk, mevrouw. Echt vragen, hoor!’

‘Maar wat is het?’

‘Doet er niet toe, Carter weet wat u bedoelt. Vraag hem de jongen de lange val te geven, en hij zal het doen.’

‘Maar - maar wat is het?’

‘Ssst!’ Het bleef even stil; toen fluisterde de stem: ‘Veel geluk...’

‘Dank ... dank u.’

Ze stond, het flesje in haar hand, met haar hoofd tegen de tralies geleund. Ze probeerde te bidden, maar ze kon niet ordelijk denken; ze voelde

[p. 302]

een onuitsprekelijk, overstelpend verdriet, niet alleen om Henry, om hen allemaal, om iedereen. ‘God,’ bad ze, ‘God, genade, genade, help ons met uw liefde...’

Maar het was alsof de enige liefde in het heelal de hare was, een flakkerend kaarsvlammetje onder de sterren.

 

***

 

Rechter John Sawrey sliep die nacht niet. Hij bleef op om een document op te stellen dat Margaret Fell moest ondertekenen; tegen de tijd dat hij naar bed ging was het bijna dageraad.

Bij het eerste ochtendgloren liep hij naar het raam om naar het weer te kijken. De vorige avond had Holly Stowe, wiens pootje het weer voorspelde, gezegd dat het zou gaan regenen. Tot zijn opluchting zag hij de sterren aan de hemel flonkeren. Hij verwachtte een groot publiek; het was een beruchte moord geweest en het ophangen van een kind trok altijd meer mensen dan een gewone terechtstelling.

Hij stak een kaars aan en kleedde zich voor de gelegenheid. De voorgeschreven kledij voor de rechter die het doodsoordeel had uitgesproken was een zwarte hoed met veren, zwarte mantel, zwarte handschoenen, geen plooikraag of mouwopslagen, maar zwarte boord en manchetten, en hoge zwarte laarzen. Het was een kostuum dat de bewegingen belemmerde en hij zou het pas op het allerlaatste moment hebben aangetrokken, als hij er op had kunnen rekenen daartoe nog de gelegenheid te zullen krijgen. Maar er werden veel hoogwaardigheidsbekleders verwacht, met hun dames; hij moest ze verwelkomen en naar hun plaatsen op de tribune geleiden. Het gepeupel zou moeten staan, de beste plaatsen waren voor degenen die het vroegst kwamen.

Toen hij naar buiten keek hoorde hij het geroezemoes van de wachtende menigte buiten het hek; de eerste toeschouwers hadden zich al de vorige avond voor de poort verzameld. Tegen de tijd dat de jongen op het schavot verscheen zouden de kijkers op de binnenplaats opeengepakt staan als haringen in een ton, zelfs in de poort en daarbuiten.

Toen McInnes hem kwam roepen, was hij al gekleed. ‘Ik zou zeggen dat jij en Holly maar vast naar beneden moesten gaan en de schout vragen of hij hulp nodig heeft. Het hek zal zo dadelijk wel opengaan.’

‘Holly is ziek,’ zei McInnes. ‘Zijn teen doet vreselijk pijn. Hij heeft de hele nacht liggen jammeren.’

‘Laat hem dan maar hier, en ga zelf. Ik wil de namen weten van iedereen uit Ulverston, begrepen?’

McInnes gromde, en gehoorzaamde.

Bij het licht van zijn kaars daalde John Sawrey zelf de trap af naar het kantoortje. Toen hij de deur opendeed vond hij, ondanks het vroege uur, Farragut en de gebochelde met hun cipiers, allen in het zwart gekleed,

[p. 303]

Farragut getooid met het embleem van zijn rang. Dr. Withers was bezig zijn koorhemd aan te trekken toen Sawrey binnenkwam. Hij praatte met zijn hoofd in het kledingstuk; de anderen maakten een buiging, de cipiers een dienaar.

‘Mummelemummele,’ mompelde dr. Withers; toen kwam zijn hoofd te voorschijn. Hij zag wie er binnen was gekomen. ‘Goedemorgen!’ bromde hij, terwijl hij met een hupse heupbeweging het hemd omlaag schudde. ‘Zoals ik net zei, waarom moeten deze terechtstellingen altijd op zo'n ongelegen tijd plaatsvinden? Is er een bijzondere reden voor, waarom het steeds bij zonsopgang moet zijn?’

‘Ik heb altijd gedacht dat het iets met religie te maken had,’ merkte Sawrey koel op.

‘O? Ik ben maar een eenvoudige dominee, hoor; maar als de reden voor dit goddeloze uur van kerkse oorsprong is, dan zou ik het moeten weten. Persoonlijk...’

‘Wanneer gaat het hek open?’ vroeg Sawrey aan Farragut.

‘Een uur van tevoren.’

‘We verwachten veel toeschouwers; zou het niet verstandig zijn het dit keer wat vroeger te doen?’

‘Zoals u wilt, Your Lordship. Maar we moeten wachten tot Carter Barton klaar is.’

‘Is hij er al?’

‘Hij is bezig de galg te inspecteren. Hij is hier al een uur.’

‘Zoals de meesten van ons!’ interrumpeerde dr. Withers. ‘Voor deze vermaledijde hangpartijen moet een christenmens om middernacht zijn bed uit! Als ik de ziel van mijn gevangene wil voorbereiden...’

‘Ik moet hem nog even spreken,’ zei Sawrey, en hij liep naar de deur.

‘Wacht! Gaat u naar beneden? Ik ga mee!’ Dr. Withers trok zijn rokken op.

‘Liever niet,’ antwoordde Sawrey. ‘Ik moet ook nog even met mevrouw Fell praten voor jullie daarbeneden door elkaar beginnen te rennen. Geef me een kwartier.’

‘Maar hoe bereid ik de ziel van de jongen dan voor?’ riep dr. Withers uit. ‘Moeten we ons dáár niet om bekommeren, in plaats van onze tijd te verbeuzelen met...’

‘U hebt een maand de tijd gehad om hem voor te bereiden; als u dat nu nóg niet gelukt is, zal een kwartier meer of minder geen verschil maken.’ Sawrey opende de deur en ging de donkere poort in. De menigte achter het hek werd stil. Hij negeerde hen en liep naar de binnenplaats, zijn voetstappen weergalmden in het poortgewelf. Het schavot met de galg tekende zich zwart af tegen de hemel, waar de dageraad begonnen was: een blauw, doorzichtig duister. Terwijl hij omhoogkeek sprong plotseling een vierkant van licht open in het schavot; met een krakende ruk viel iets zwaars, zwaaiend aan een touw dat strak in de hemel reikte. Geërgerd klom

[p. 304]

Sawrey de ladder op. ‘Waarschuw de volgende keer even, voor je die zandzak laat vallen!’ riep hij tegen een gedaante aan de voet van de galg. ‘Ik werd bijna tegen de grond geslagen!’

‘Neem me niet kwalijk, Your Lordship,’ antwoordde de beul. ‘Het is de korte val; de zandzak hangt drie meter van de grond.’

‘Kon ik dat weten?’ vroeg Sawrey, terwijl hij op het platform klauterde; maar de man had gelijk. ‘En geen extra gewichten!’

Als er veel publiek was, was het 't beste hun waar voor hun geld te geven. Het zou niet goed zijn als de executie in een flits was afgelopen. De mensen zouden zich tekort gedaan voelen, vooral mevrouw Jones. Anderen zouden hun teleurstelling het mom van gerechtvaardigde verontwaardiging geven, als de jongen niet minstens vijf minuten kokhalzend bleef worstelen alvorens de geest te geven.

‘Geen nood, Your Lordship, ik zal ervoor zorgen dat het goed gebeurt,’ antwoordde de beul, op zijn gebruikelijke graftoon.

‘Ik reken op je.’ Carter Barton was, ondanks zijn osachtige gestalte, begiftigd met een grote spitsvondigheid; hij kon de doodsstrijd van een slachtoffer tot op enkele seconden nauwkeurig berekenen.

‘Heb je de jongen al gewogen?’

‘Nog niet, Your Lordship. Ik stond net op het punt naar beneden te gaan. De timmerman staat al te wachten.’

‘Zo? Ik heb hem niet gezien.’

‘Hij is ergens onder het schavot. U moet hem in het donker voorbijgelopen zijn.’

‘Luister, Carter: ik moet met mevrouw Fell praten voordat er iemand anders benedenkomt; ik wil dat ze de gang van zaken goed begrijpt zodat er geen oponthoud komt. Geef me een paar minuten; ik ga nu naar beneden.’

‘Jawel, Your Lordship.’

‘Nogmaals: ik reken op je. Een voorbeeld, dat is wat we nodig hebben.’

‘Komt goed, Your Lordship. Ik zal ervoor zorgen.’

‘Mooi zo, Carter. Je bent een brave kerel; je werk zal worden beloond. De weduwe zal aanwezig zijn; ze zal zeker niet nalaten van haar waardering blijk te geven.’

De os moest zelf ook tot die conclusie zijn gekomen, anders zou hij niet zo vroeg zijn komen opdagen. Het was gebruik dat de naaste familie van het slachtoffer de beul beloonde naarmate hij hun voldoening kon verschaffen; een goede beul kon veel doen door het soort strop, de lengte van het touw, het gewicht aan de benen van het slachtoffer; sommige beulen werden sentimenteel als het om kinderen ging en maakten het touw zo lang, en het kleine lichaam met extra gewichten zo zwaar, dat het hoofd door de val werd afgerukt. In het geval van Carter Barton hoefde hij daar niet bang voor te zijn; de man had geen menselijke gevoelens.

Toen Sawrey weer in de poort verscheen, werd de menigte achter het hek opnieuw stil. Het was nog te vroeg; er kon nog niets dramatisch

[p. 305]

gebeuren, maar na een lange nacht van wachten hield het feit dat hij de deur naar de kerkers binnenging het begin van de sensatie in. De bewaker bij de deur was ook voor de gelegenheid uitgedost met een zwarte kap met oogspleten en een zwarte pelerine. De deurwacht had als taak vlak achter de gevangene te lopen om hem met zijn hellebaard aan te porren als hij bij het beklimmen van het schavot mocht weifelen.

‘Is mevrouw Fraley nog beneden?’

‘Ik heb haar nog niet gezien, Your Lordship, ik sta hier maar net.’

‘Als ze langskomt zeg haar dan dat ze op de overloop moet wachten tot ik in de cel klaar ben. Ik roep haar wel als het zover is.’

‘Jawel, Your Lordship.’ De man opende de deur voor hem en overhandigde hem een lantaarn. ‘Die zult u beneden wel nodig hebben, Your Lordship.’

‘Bedankt.’

De stank was benauwend; hij voelde een vreemde spanning in de atmosfeer zodra hij binnenkwam; op de dag van een terechtstelling was de opwinding onder de onzichtbare onverlaten in hun kooien vrijwel tastbaar. Onwillekeurig huiverde hij; op weg naar beneden vroeg hij zich af wat zijn lot zou zijn als iemand op dit ogenblik eens alle deuren zou opengooien en ze eruit laten. Waarschijnlijk zouden ze hem aan stukken scheuren, zijn hart uit zijn lichaam rukken en het opeten, zoals in de Brixton-gevangenis te Londen scheen te zijn gebeurd. Plotseling kwam met een schel gesnerp van piepende katrollen een zwart voorwerp met een menselijke gedaante erop vlak langs hem omlaagzoeven: het karretje van mevrouw Fraley. Ze moest op een van de verdiepingen bezig zijn geweest toen de bewaker op post kwam. Hij haastte zich om haar in te halen voor ze met haar kar de gang in zou gaan waar de krankzinnigen al gilden en bonsden.

‘O, Your Lordship! U maakt me aan 't schrikken!’ riep ze toen hij haar op de schouder tikte.

‘Doe me het genoegen de volgende keer wat meer waardigheid in acht te nemen,’ zei hij streng. ‘Getuig van een behoorlijk respect, in plaats van als een heks op een bezemsteel uit de lucht te komen vallen.’

‘O - jawel, Your Lordship.’

‘Ik wens de eerstkomende tien minuten niet gestoord te worden.’ Zonder haar antwoord af te wachten liep hij de gang in. De krankzinnige vrouwen werden razend toen ze hem in het oog kregen; ze gilden, spuwden, beukten met hun ketens tegen de tralies; hij verwaardigde hen met geen blik maar zorgde ervoor buiten bereik van hun graaiende klauwen te blijven. Hun bezetenheid was typerend voor de stemming in de gevangenis op de dag van een executie; hij kon hun haat letterlijk voelen.

Zodra hij bij het hek verscheen, waadde Margaret Fell door het stro naar hem toe om open te maken. Het hek zwaaide naar binnen, het geknars van de scharnieren onhoorbaar door het oorverdovende lawaai van de vrouwen naast hen. ‘Ach, meneer Sawrey, goedemorgen! Wat vriendelijk van u om zo vroeg te komen!’ Ze riep het hem bijna vrolijk toe.

[p. 306]

Hij zou door haar welkom zijn verbijsterd als hij zich de laatste weken niet verdiept had in de studie van de Quakers. Haar mentaliteit had geen geheimen meer voor hem; hij kende nu de betekenis van ieder gebaar, ieder woord. Ze zou niet zo kalm en beheerst zijn als ze er niet van overtuigd was dat de executie niet zou doorgaan, dat God de ophanging van de jongen zou verhinderen. Het kind zat ineengedoken op de rand van het veldbed en staarde hem met zijn ene oog angstig aan.

Zij zag hem naar de jongen kijken en vroeg, fluisterend: ‘Meneer Sawrey, zou het mogelijk zijn dat ik met hem meega?’

‘Natuurlijk.’

‘U bent erg vriendelijk.’

‘Helemaal niet, mevrouw. Alleen denk ik niet dat ik u kan toestaan op het schavot zelf te komen. Dat mag alleen zijn geestelijke raadsman.’

‘O - maar dr. Withers is beslist zijn geestelijke raadsman niet! Hij heeft het kind nauwelijks gezien!’

‘Dat weet ik, mevrouw. Maar helaas...’

‘Kan ik dat niet zijn? Mag ik hem niet geestelijk bijstaan?’

Hij verried niet dat dit precies was waar hij op uit was geweest. ‘Alleen een geestelijke is daartoe bevoegd, mevrouw.’

Ze aarzelde; toen zei ze met een zenuwachtig lachje: ‘Meneer Sawrey, volgens mijn godsdienstige overtuiging ben ik een geestelijke.’

‘Pardon?’

‘Kom, meneer Sawrey, u weet dat ik een Quaker ben, en ik neem aan dat u weet dat voor ons iedere Vriend een priester is. Op die basis wens ik bij Henry te blijven.’

‘U beseft, mevrouw, dat dit officieel erkend zal moeten worden?’ vroeg hij effen.

‘Hoe bedoelt u?’

‘Ik kan hiertoe geen toestemming verlenen tenzij ik beschik over een document volgens hetwelk u, Margaret Fell, echtgenote van opperrechter Fell van Swarthmoor Hall, plechtig verklaart dat u lid bent van de godsdienstige sekte bekend staande als de Kinderen van het Licht, en uzelf beschouwt als een bevoegd priester van genoemde religieuze beweging. Ik moet ook bewijs kunnen overleggen dat de gevangene Henry Jones een erkend lid van genoemde religieuze beweging is, en de wens heeft uitgesproken dat een priester van zijn geloof hem in zijn laatste ogenblikken zal bijstaan.’

Zij keek hem onderzoekend aan. ‘Hebt u toevallig dat document bij u?’

Hij stak zijn hand in zijn mouw en haalde het perkament te voorschijn dat hij in de loop van de nacht had gereedgemaakt. ‘U zult dit moeten ondertekenen; lees het op uw gemak en geef het aan dr. Withers als hij komt; ik zal zorgen voor de handtekeningen van de getuigen.’

Ze nam het perkament aan; hij merkte dat haar hand trilde. Het was een ogenblik waar hij lange tijd naartoe had gestreefd; toch kwam het om de

[p. 307]

een of andere reden als een anti-climax.

‘Laat me u even een samenvatting geven van de gang van zaken vanochtend,’ zei hij.

Ze legde haar hand op zijn arm, een merkwaardig vriendelijk gebaar. ‘Laat maar, meneer Sawrey. Ik weet het allemaal.’

‘U weet dat Carter Barton en de timmerman over enkele ogenblikken komen? Dat mevrouw Fraley een speciale maaltijd zal opdienen?’

‘Ja, ik - ik weet het.’ Niettegenstaande haar uiterlijke kalmte zag zij er afgetobd uit, en geen wonder: ze stond op het punt haar eigen lot te bezegelen door de terechtstelling te saboteren in volle openbaarheid, onder het oog van iedereen op het binnenplein. ‘Ik hoef u wel niet te waarschuwen, mevrouw, dat een inmenging in de gang van zaken van uw kant een strafbaar feit zou zijn.’

‘Ik weet het,’ zei ze, met een lachje. Ze was ondanks alles een bewonderenswaardige vrouw.

Met een geratel van wielen, vergezeld door het gillen van de waanzinnigen, kwam het mens Fraley opdagen, zonder dat hij haar geroepen had.

‘Mevrouw, ik wens u succes,’ zei hij, en maakte een buiging. Hij wierp Fraley een vernietigende blik toe; terwijl hij wegliep hoorde hij, ondanks het gekrijs van de krankzinnigen, de oude feeks vragen: ‘En wat zal 't wezen, vanmorgen, voor de jongen: Bier? Aal? Cider?’ Margaret Fell antwoordde: ‘Limonade, graag, mevrouw Fraley.’ Ze zei het alsof ze iets in een taveerne bestelde; hij bewonderde haar geestkracht. Nu hij de overwinning had behaald kon hij grootmoedig zijn.

 

***

 

Het maal dat mevrouw Fraley voor Henry opdiende was anders dan wat Margaret ooit eerder in de gevangenis had gekregen: roereieren, warme worstjes, gebakken bokking, vers tarwebrood, eierkoeken, aardbeienjam en een schaaltje vol boter. Het was veel te veel voor één persoon, laat staan voor een kleine jongen; maar ze nam het met dankbaarheid in ontvangst en maakte de huishoudster een compliment voor haar vriendelijke zorg. Toen mevrouw Fraley weg was zei Margaret: ‘Nu, lieverd, wat zou je van al dit lekkers het eerst willen hebben?’

Hij slikte, keek naar de heerlijkheden die voor hem waren uitgestald, en schudde zijn hoofd.

Ze sloot even haar ogen, dacht: ‘Hou vol, hou vol!’ glimlachte en vroeg: ‘Weet je het zeker? Kijk eens! Zien die worstjes er niet heerlijk uit? Jody! Handje weg!’ De andere kinderen verdrongen zich rond de verrukkelijke etenswaren en konden nauwelijks de verleiding weerstaan ernaar te grijpen. Maar ze moest er eerst zeker van zijn dat Henry niets wilde hebben. ‘Weet je het zeker, liefje?’ hield ze aan.

Hij keek haar aan met een blik die haar door hart en ziel ging.

[p. 308]

‘Zullen we het dan maar aan de anderen geven?’

Hij knikte.

‘Goed, kinderen. We beginnen met de koeken ... Robert ... Harry ... Nee, Jody! Nergens aankomen voor ik het je geef!’ Ze vergat altijd dat het kind haar niet kon horen; ze duwde het graaiende handje weg.

De uitdeling van het galgemaal onder de anderen gaf haar een kort respijt. Ze had er de hele nacht over liggen tobben of ze Henry het drankje van de cipier moest geven of niet. Ze probeerde nog steeds tot een besluit te komen toen opeens twee mannen voor het hek verschenen. De een, groot en zwaar, was gekleed in een zwart tricot en een kap met een zwarte pelerine; de ander, klein en bejaard, was in gewone arbeiderskleren. ‘Ja?’ vroeg ze, bevend; ze dacht dat ze hem al kwamen halen.

‘We wilden die jongen even bekijken, mevrouw,’ zei de zware man. Zijn stem was somber.

‘O - bent u Carter Barton?’

‘Ja, mevrouw. Dit is Saul MacDougal, de timmerman. Zou u ons even willen binnenlaten?’

‘O - ja...’ Ze zocht zenuwachtig naar haar sleutel, en trok in haar haast een knoop van haar japon. Ze probeerde door de tralies heen de sleutel in het slot te steken, maar haar hand trilde zo dat het haar niet lukte. De timmerman nam de sleutel van haar over en ontsloot het hek. De scharnieren knarsten; de grote man bukte zich toen hij binnenstapte. ‘We zijn zo klaar, mevrouw,’ zei hij. ‘Is dit 'm?’

Ze knikte en keek toe, haar handen stijf gevouwen, hoe de man naar Henry liep, zijn schouder aanraakte en zei: ‘Ga 's even staan, manneke. Ik zal je niks doen, ga alleen maar even staan.’

Henry gehoorzaamde, angstig; plotseling bukte de man zich, pakte hem in zijn armen op en tilde hem van de grond. Margaret riep: ‘Nee!’ en vloog op hem af, maar de man zette hem alweer neer.

‘Ik weet het al, mevrouw,’ zei hij. ‘Ik wou alleen maar even zien hoeveel hij woog.’

‘O God...!’ Ze wist dat ze kalm moest zijn en niets laten blijken, maar ze sloeg haar armen om Henry heen en drukte hem tegen zich aan. Hij verborg zijn gezicht tegen haar borst. Terwijl ze daar zo stonden, verlamd van angst, kwam de timmerman naar hen toe, haalde een eindje dun touw uit zijn zak, mat Henry achter diens rug en legde een knoop in het touw. ‘Da's alles, mevrouw,’ zei hij. ‘Gaat u maar rustig eten, hoor, er is nog tijd zat.’

De mannen draaiden zich om en wilden weggaan; ze riep: ‘Meneer Barton!’

Hij bleef staan en draaide zich om.

‘Zou ik u even kunnen spreken? Onder vier ogen...’

Hij keek haar dom aan.

‘Henry, kom, lieve jongen; blijf hier even zitten, ik ben zo terug.’ Ze

[p. 309]

bracht het kind naar het bed, zette hem neer, toen wendde ze zich tot de timmerman. ‘Meneer MacDougal - mag het even? Een ogenblikje maar...’

‘Ja hoor, mevrouw,’ zei de timmerman. ‘Ik wacht buiten wel, Carter.’

Toen hij weg was, nam ze de beul bij de arm en leidde hem zo ver ze kon bij Henry vandaan. Zijn arm voelde aan als een lichaamsdeel van een groot dier. Bij de muur, dicht bij hem, fluisterde ze: ‘Meneer Barton, in godsnaam, wilt u...’ Ze kon er niets aan doen, de tranen stroomden langs haar gezicht.

‘Ja, mevrouw?’

Het Goddelijke in hem, dacht ze, doe een beroep op het Goddelijke in hem. ‘Carter Barton, Vriend,’ fluisterde ze, ‘ik wou je een grote dienst vragen, niet voor mijzelf, maar ter wille van - van Christus. Geef Henry de - de lange val, alstublieft.’ Ofschoon ze alleen maar naar de betekenis van de woorden kon gissen, was ze nauwelijks in staat ze uit te brengen. Aan wanhoop ten prooi wachtte ze op zijn antwoord.

Het duurde lang; zij besefte dat hij in tweestrijd stond. Zij smeekte, fluisterend: ‘Vriend Carter, o, alsjeblieft, alsjeblieft, hij is zo klein, en zo bang...’ Ze kon zich niet langer goed houden en viel tegen hem aan, haar hoofd tegen zijn borst, en snikte het uit. Zij voelde zich al haar kracht en zekerheid ontzinken, toen raakte een hand haar schouder en de zware stem gromde: ‘Goed, mevrouw, ik zal ervoor zorgen. Kop op nou, mevrouw. U moet proberen monter te zijn. Daar help je ze het meeste mee, weet u.’

‘Ja - ja, meneer Carter, Vriend, ja...’

Ze tastte naar haar zakdoek in haar schort, droogde haar ogen en zei: ‘Nu, dat is aardig, erg aardig van u, meneer Carter. Tot - tot straks dan...’ Het was dwaas gebabbel, een poging om haar tranen ongedaan te maken, want Henry moest gezien hebben dat ze huilde.

‘Da's goed hoor, mevrouw,’ gromde de trieste stem.

‘Rustig an maar, er is alle tijd. Dag, manneke.’

‘Dag, sinjeur...’ Henry's stem was hoog en bang. Hij zat, de knieën tegen elkaar geklemd, op de rand van het bed.

De timmerman sloot de deur en gaf haar de sleutel terug. Ze zei opgewekt: ‘Dag, heren! Goedemorgen en hartelijk dank!’ Ze keek hen na tot ze waren verdwenen, toen draaide ze zich om; nu moest ze kalm en monter zijn. Maar ze kon het niet; ze snelde naar de kan limonade. Tot haar ontzetting merkte ze dat die leeg was. ‘Wie heeft dit opgedronken? Wie van jullie heeft de limonade opgedronken?’ Haar stem klonk schril.

De kinderen verstarden; ze had nog nooit eerder zo tegen hen gesproken. Zij staarden haar aan, met open mond, koek en worstjes in hun handen.

Robert mompelde: ‘Zij,’ en knikte naar Jody. Het kleine doofstomme meisje zat, zich van niets bewust, vol genot uit de beker te drinken. Margaret rende naar haar toe. ‘Geef hier!’ Ze slaagde erin zich te beheersen en de beker niet uit de handjes van het kind te slaan. Het arme stakkertje kon

[p. 310]

het niet helpen. ‘Jody, dit is van Henry; Henry,’ zei ze langzaam en duidelijk. Toen kuste ze het kind op het voorhoofd en nam haar de halflege beker af. Ze liep naar de nis waar ze het flesje verstopt had en goot de inhoud in de limonade. Ze had niets om mee te roeren, dus gebruikte ze haar vinger terwijl ze de beker naar Henry bracht, die haar angstig gadesloeg. ‘Hier, liefje, dit is voor jou.’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Henry, toe, alsjeblieft! Drink dit op! Je moet het opdrinken, je moet, alsjeblieft!’

Hij keek haar strak aan.

‘Doe het voor mij,’ fluisterde ze. Hij keek naar de beker en nam die aan. Met haar hand op haar borst sloeg ze hem gade terwijl hij dronk; toen hij het op had, sloot ze haar ogen. Ze voelde dat haar benen het begaven. Opgewekt, monter! Ze glimlachte door haar tranen heen en vroeg: ‘Nu? Hoe smaakte dat?’ Haar stem klonk schril en onnatuurlijk.

Hij keek haar aan met een uitdrukking van berusting op zijn gezicht die haar verkilde. ‘God,’ dacht ze, ‘God, genade!’ Toen zei ze, kalm en flink: ‘Kom, wij gaan samen bidden. We hebben God hard nodig.’ Ze knielde naast het bed met haar rug naar de anderen, vouwde haar handen, sloot haar ogen; na een ogenblik voelde ze dat hij naast haar knielde. ‘God,’ dacht ze, aan het eind van haar krachten, ‘help ons, help ons, we kunnen niet meer.’

Ze wachtte tot het Goddelijke in haar op zou rijzen en haar zegenen met dat onbeschrijflijke gevoel van vrede en hoop, maar het was alsof God al evenzeer in kracht te kort schoot als zij. Ze kwam langzaam tot het besef dat ze geen kracht bezat; het enige wat ze kon opbrengen was machteloze liefde, het kaarsvlammetje onder de sterren, tot ook dat flakkerde en doofde. Ze zat in volslagen duisternis, volslagen wanhoop, toen iets haar hand raakte.

Het was Henry. Hij legde zijn handje op de hare. ‘God,’ dacht ze, ‘genade, genade! Om de wille van Uw Zoon, Uw Kind dat huilde om Zijn Vader.’ En, plotseling, daar was het: stilte, vrede, hoop.

Maar het kwam niet uit haar binnenste. De hoop werd haar overgebracht door de kleine hand die op de hare rustte. Was dat mogelijk? Kon het zijn dat God Henry vrede had geschonken? Ze keek naar hem; hij zat naast haar met gebogen hoofd; een lok van zijn blonde haar, dat ze de vorige avond gewassen had, hing over zijn voorhoofd.

Ze vroeg zich af of hij het wist, zoals hij het geweten had toen hij haar die bloem had gegeven. Wie van hen beiden, in de schaduw van de dood, steunde de ander?

 

***

 

Toen Ann Traylor de herberg uitkwam vond ze, tot haar opluchting, Tho-

[p. 311]

mas Fell op haar wachten; ze had al haar zelfbeheersing nodig om niet naar hem toe te hollen en hem te omhelzen. Ze was de hele nacht achtervolgd door gedachten aan de jongen en Margaret Fell; haar opluchting was zo groot dat ze hem begroette met een kreet: ‘Thomas!’ die over de binnenplaats schalde.

Hij bood haar zijn arm en zei: ‘Ik dacht: ik zal je maar komen halen. Er zal wel een hele menigte voor de poort staan. Je zou je er alléén nooit doorheen kunnen worstelen.’

‘Een menigte? Zo vroeg al?’

‘O ja. Sommigen staan er al van gisteravond af. Kom, laten we gaan.’

Ze liepen arm in arm door de lege straten naar het Slot.

‘Laten we de zijingang nemen,’ zei hij toen ze het sombere gebouw naderden. ‘Ik heb de sleutel.’

‘Kan ik van daaruit beneden komen?’

‘Weet je zeker dat je dat wilt?’

‘Het is het minste wat ik voor haar doen kan. Ze moet het ontzettend te kwaad hebben, nu.’

‘Het kan zijn dat het makkelijker voor haar is om met de kinderen alleen te zijn. Jouw aanwezigheid kan het moeilijker voor haar maken haar gevoelens meester te blijven, terwijl de jongen boven wordt terechtgesteld.’

‘Maar ze kan beneden toch niet horen wat er op de binnenplaats gebeurt?’

‘O ja. Alle gevangenen weten het, precies. Misschien wordt het van cel naar cel gefluisterd; misschien horen ze het geroezemoes van de menigte. De schacht van de wenteltrap fungeert als een soort spreekbuis, het oor en de stem van de gevangenis. Vaak schreeuwen ze, vloeken en zo; op het ogenblik van de terechtstelling raken ze doorgaans door het dolle heen.’

Ze durfde hem niet bekennen hoezeer zijn beschrijving haar met afgrijzen vervulde.

Ze staken het plein over; aan de voet van de muren van het Slot stond een enorme mensenmassa in het halfduister bij de poort opeengepakt.

‘Deze kant op, als we ze willen ontlopen.’

Ze liepen, heimelijk, om het plein heen.

‘Ik wou dat je er nog eens goed over nadacht, Ann,’ zei hij toen ze een donker portiek binnengingen. ‘Geloof me, laat haar vanmorgen met rust.’

‘O! Maak me niet nog onzekerder! Ik moet naar haar toe - ik moet.’

‘Zoals je wilt.’ Hij liet haar arm los; er klonk een klik, een deur piepte open.

Ze gingen een schemerige gang in, vaag verlicht door een rij vensters, blauw van het ochtendgloren. Aan het einde van de gang was licht; een deur, die op een kier stond. De deur gaf toegang tot het kantoortje van de schout, verlicht met kaarsen en lantaarns en vol mensen: Farragut, Hathaway, dr. Withers, cipiers. Een kleine man stond met zijn rug naar de deur; toen hij zich omdraaide, herkende Ann rechter Sawrey.

[p. 312]

Bij hun binnenkomst viel er een stilte. Buiten roezemoesde de wachtende menigte.

‘Goedemorgen,’ zei Sawrey glimlachend. ‘U bent net op tijd, we staan op het punt het publiek binnen te laten. Mag ik u uitnodigen naast me op de tribune te komen zitten?’

Thomas antwoordde: ‘Nee, dank je, Sawrey. Juffrouw Traylor wil naar mijn vrouw toe. Is er iemand die haar beneden zou kunnen brengen voordat de hekken opengaan?’

Sawrey wisselde een blik met de schout die hoffelijk zei: ‘Het spijt me, juffrouw Traylor, maar onder de gegeven omstandigheden is dat niet raadzaam. Waarom zou u niet wachten? Over een uurtje is alles voorbij.’

‘O, ik moet naar haar toe!’ riep ze uit, heftig door de beschamende opluchting die ze bij zijn weigering voelde.

Rechter Sawrey zei: ‘Jongedame, de beslissing is aan de schout. De stoet zal over enkele ogenblikken op weg gaan. U wilt ze toch niet tegenkomen, wel?’

Thomas nam Anns arm en zei: ‘Als meneer Sawrey geen toestemming kan geven, valt er verder niets aan te doen. Hij is de provoost. Kom, laat me je naar de raadskamer brengen.’

‘U zult van daaruit niets kunnen zien,’ zei Sawrey.

‘Dat is niet onze bedoeling,’ antwoordde Thomas droog. Zonder op Sawreys commentaar te wachten, nam hij Ann bij de arm en leidde haar de gang weer in.

Toen ze buiten gehoorsafstand waren, fluisterde ze: ‘Ik voel me vreselijk! Alsjeblieft! Is er geen andere weg...?’

‘Geloof me, dit is het beste. Je hebt geen idee van de stemming in de gevangenis. We wachten boven tot het voorbij is; daarna kun je naar haar toegaan.’

Ze protesteerde niet langer.

 

***

 

Margaret hoorde, tot haar schrik, een woedend rumoer van vele stemmen in de verte dat gaandeweg luider werd; toen begonnen de vrouwen in de cel naast haar te krijsen en te gillen en met hun ketens tegen de tralies te beuken. Voor het hek verscheen een processie van mannen in het zwart, dr. Withers voorop, een gebedenboek in zijn handen. Ze zag schout Farragut, de bultenaar Hathaway, vier cipiers, elk met een hellebaard; de kinderen, die tot op dat moment in het stro hadden gespeeld zonder zich bewust te zijn van wat er ging gebeuren, deinsden achteruit.

‘Doe open alstublieft,’ zei dr. Withers.

Margaret keek naar Henry; hij lag op het bed, in slaap. Ze waadde naar het hek en overhandigde de sleutel aan de dominee. Terwijl hij bezig was de deur te ontsluiten, ging ze beschermend voor Henry staan. Een sidde-

[p. 313]

ring beving haar; ze probeerde zich ertegen te verzetten door in haar gedachten te bidden: ‘God, help ons, God, help ons, help...’ De dominee en de schouten kwamen binnen.

‘Is - is dit...?’ vroeg ze, fluisterend, om Henry niet wakker te maken.

‘Ja, mevrouw.’ Schout Farraguts stem klonk vriendelijk, maar hij zag er in zijn zwarte kleren onheilspellend uit. ‘Ik ben bang dat u hem wakker zult moeten maken, mevrouw.’

Ze sloot haar ogen, probeerde kracht te putten uit haar binnenste, uit God. Toen schudde ze het kind zachtjes bij de schouder en zei: ‘Henry? Henry, word wakker ... Henry, het is - het is tijd...’ Hij bewoog zich, maar hij opende zijn oog niet.

‘Henry? Henry, het is - het is tijd...’

Hij werd maar niet wakker; het drankje moest sterker zijn geweest dan ze dacht. Had ze hem niet het hele flesje moeten geven? In haar vertwijfeling keek ze naar de cipiers met de hellebaarden, zoekend naar degene die haar de drank gebracht had; maar in hun zwarte kappen kon ze de man niet herkennen.

‘Heeft men dit kind soms een verdovend middel ingegeven?’ vroeg dr. Withers verbolgen.

Plotseling raakte ze in paniek; ze kon alleen maar knikken.

‘Mevrouw!’ riep de oude man uit. ‘Weet u niet dat dat een strafbaar feit is? Een belemmering van de rechtspleging?’

‘O, om godswil!’ riep ze, viel voor hem op haar knieën en sloeg, in haar paniek, haar armen om zijn benen heen. Zo bleef ze een ogenblik liggen, niet wetend wat te doen. Maar ze mocht hier niet aan toegeven! Ze moest bij Henry blijven, hem helpen! ‘God,’ fluisterde ze, ‘help me, help me...’

‘Hij moet bij kennis zijn ter wille van zijn zieleheil!’ riep de boze stem boven haar. ‘Als hij wil openstaan voor de genade van Christus moet hij eerst berouw tonen! En hoe kan hij berouw tonen als hij bewusteloos is?’

‘O, alstublieft, alstublieft!’ smeekte ze. ‘Hij heeft berouw, dat wéét ik, hij heeft het me zelf verteld, hij heeft het me gisteravond nog verteld, hij heeft berouw, hij heeft ontzettend berouw; kunnen we hem nu niet verder met rust laten?’

‘Ik kan de Heilige Communie niet toedienen als hij niet in staat is de antwoorden te geven!’

‘Dat is niet nodig,’ zei ze, ‘hij - ik - hier, kijk...’ Ze stond op, pakte de rol perkament en gaf hem die. ‘Ik heb toestemming van rechter Sawrey om Henry geestelijke bijstand te verlenen,’ zei ze. ‘Kijkt u maar - het staat in dit document.’

Dr. Withers staarde haar stomverwonderd aan; toen las hij het document. Al lezend schudde hij zijn hoofd. De moed begaf haar. Hij rolde het perkament weer op en vroeg: ‘Bent u zich bewust van de consequenties? Voor u, persoonlijk?’

Ze knikte.

[p. 314]

‘Wat bezielde u om dit te doen?’

Ze was erop voorbereid geweest hem te moeten smeken; nu ze werd aangevallen was dat meer dan ze kon verdragen. ‘Kijk dan, zelf!’ riep ze in wanhoop. ‘Kijk naar hem!’

De oude man keek naar het slapende kind. Niemand verroerde zich. In de verte klonk een geroezemoes van vele stemmen.

‘Ik kan niet toestaan dat u mijn plaats inneemt,’ zei hij. ‘Ik moet mijn plicht jegens hem nakomen, maar na het laatste Onze Vader kunt u uw gang gaan - wat u dan ook van plan moge zijn. In dat geval zult u het teken moeten geven.’

‘Teken?’

‘Als u klaar bent, hoeft u alleen maar tegen de beul te knikken, dan weet hij dat hij zijn gang kan gaan.’

Ze staarde hem met ontzetting aan. ‘Dat kan ik niet!’ Toen besefte ze dat het niet nodig zou zijn; voor die tijd zou ze ‘stop!’ hebben geroepen, het Goddelijke in haar zou - het Goddelijke in - in - zou ... Het duizelde haar. Ze sloot haar ogen en dacht: ‘God, God, laat me niet vallen, God, ik smeek u...’

‘Nu, laten we hem op zijn benen zetten, en weg met hem,’ hoorde ze dr. Withers zeggen. Een hand raakte haar schouder; het was schout Farragut. ‘Zou u hem wakker willen maken, mevrouw?’ vroeg hij vriendelijk. ‘Het lijkt me beter dat u dat doet.’ Dr. Withers had zich omgedraaid; ze zag hem door het hek naar buiten bukken.

‘Moet dat?’ fluisterde ze.

‘Pardon?’

‘Moeten we hem wakker maken? Ik kan hem dragen. Hij is erg licht...’

Schout Farragut stond een ogenblik in twijfel, toen vroeg hij: ‘Waarom blijft u niet hier beneden, mevrouw? Dat zou beter zijn, voor iedereen.’

‘O alstublieft!’ Weer maakte paniek zich van haar meester. ‘Dwing me niet dat te doen! Ik - ik zal hem wakker maken.’

Ze boog zich over Henry heen, maar de schout hield haar tegen. ‘Laat mij dat maar doen, mevrouw.’ Hij bukte zich over Henry; ze wendde zich af want ze wilde het niet zien; toen zei de stem van de schout: ‘Hier, mevrouw.’

Henry lag, slapend, in zijn armen; hij reikte hem haar, zodat ze hem kon overnemen. ‘O, dank u! Dank u...’ Ze nam het tengere, slapende jongetje in haar armen, legde zijn hoofd op haar schouder en fluisterde: ‘Alles goed, Henry, alles goed, ik ben het.’ Toen knikte ze de schout toe.

Hij ging haar voor, het hek uit. De ketting, bungelend van de enkels van het slapende kind, rinkelde toen ze hem volgde.

In de deuropening draaide ze zich om en zei tegen de kinderen die tegen de muur bijeengedrongen zaten, zo opgewekt als ze maar kon: ‘Nu zoet zijn, kinderen! Ik ben zó terug.’ Hun gezichtjes waren zo vol begrip dat ze

[p. 315]

zich afwendde.

De processie had zich weer opgesteld in de gang: dr. Withers voorop. Tussen schout Farragut en Hathaway de bultenaar was een ruimte opengelaten; ze begreep dat die voor haar bedoeld was. Ze voegde zich in de rij; ze gingen op weg. Dr. Withers begon luidkeels uit zijn bijbel te lezen: ‘De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken...’

Hij werd overstemd door het gekrijs van de krankzinnigen. ‘Daaag!’ gilden ze. ‘Daag, Henry! Daag!’

Hun gegil was zo luid dat zij dacht dat hij er wakker van zou worden, maar hij bewoog zich niet. Hij begon zwaar te worden; ze vroeg zich af of haar kracht toereikend zou zijn om hem die eindeloze wenteltrap op te dragen. Opnieuw bad ze om hulp; maar ze had het die ochtend al zo vaak gedaan dat haar smeekbede overtuigingskracht begon te verliezen. Ze moest zich nu volledig op de almacht Gods concentreren, opdat ze die zou kunnen aanroepen als het ogenblik gekomen was. Ze wist dat Hij haar zou bijstaan, dat had Hij George ook gedaan.

Het gegil van de krankzinnigen werd zwakker naarmate ze verder liepen in de richting van de trap; toen ze daar aankwamen werd dr. Withers opnieuw overstemd, ditmaal door een klaaglijk geroep van vele stemmen. ‘Daag! Daag!’ Het kwam uit de gangen; nog nooit hadden ze zo dichtbij geklonken.

Zij beklom, wankel, de eerste trede; achter haar vroeg schout Farragut fluisterend: ‘Zal ik hem dragen?’

‘Nee, nee, dank u,’ antwoordde ze, ‘het gaat wel.’

Toen scheen Henry opeens lichter te worden. Het duurde even voor ze begreep dat Hathaway, die voor haar uitliep, de ketting had opgepakt.

Langzaam beklom de stoet de trap. Op de volgende verdieping voegden zich nieuwe stemmen bij het koor van onzichtbare gevangenen. ‘Daag, Henry! Daag! Daag!’

 

***

 

‘Wat is dat?’ vroeg Ann Traylor, voor het raam van de raadskamer. Het geroezemoes van de menigte op de binnenplaats was plotseling verstomd en er werd een onderaards geluid hoorbaar dat dichterbij scheen te komen.

‘Dat zijn de andere gevangenen, die de jongen vaarwel zeggen,’ antwoordde Thomas naast haar. ‘Dat doen ze altijd. Het betekent dat hij op weg naar boven is.’

Ze konden van waar ze stonden het schavot niet zien, maar hij wist uit ervaring dat de geluiden duidelijk genoeg zouden zijn. Het geroep van de stemmen uit de kerkers wekte een welbekende emotie bij hem op, een mengeling van melancholie en zinnelijke opwinding, die hem altijd bij een terechtstelling overviel. Evenals bij vorige keren reageerde zijn vlees op de naderende dood met een koortsachtige levensdrift. Als hij zich dit eerder

[p. 316]

herinnerd had, zou hij niet hebben voorgesteld dat zij hier zouden wachten; nu richtte de plotselinge levensdrift zich op het meisje aan zijn zijde.

‘O mijn God!’ fluisterde ze, toen het geroep uit de diepte zo luid werd dat het op de binnenplaats scheen te weergalmen. ‘Ik weet niet of ik dit kan uithouden...’

Hij legde zijn arm beschermend om haar schouders. ‘Als je dat wilt, doen we het raam dicht. Maar ik geloof dat het beter is van niet.’ Hij trachtte zichzelf wijs te maken dat zijn behoefte om haar zachte, jonge lichaam tegen zich aan te voelen hem door bezorgdheid voor haar was ingegeven.

Het kleine slachtoffer stond op het punt te voorschijn te komen; de menigte begon te grommen; toen klonk er plotseling een angstaanjagend getier.

‘Daar komen ze aan,’ zei hij.

 

***

 

Toen Margaret Fell de deur naar de poort uitkwam raakte ze een ogenblik in verwarring. De processie werd begroet door honderden joelende stemmen die van alle kanten schenen te komen; de poortgang was stampvol mensen. De schreeuwende gezichten, verwrongen van haat, die haar omringden ontstelden haar; plotseling wist ze: ik kan het niet, ik kan dit niet doorstaan. Alsof hij haar weifeling voelde, ondersteunde schout Farragut haar. Zijn gezicht leek het enige menselijke in deze angstdroom van gillende maskers. Toen de menigte op de binnenplaats hen zag verschijnen verdubbelde het geschreeuw en gejoel. Ze zag een hoge stellage met een ladder, aan de voet waarvan Carter Barton op hen stond te wachten; daarachter een tribune vol mensen, die als dolzinnigen stonden te krijsen, vuisten schudden, vloeken.

Zij strompelde, ademloos onder de onbegrijpelijke haat van de menigte voor het kind in haar armen, naar de ladder; Carter Barton leek, net als schout Farragut, een vriendelijke, bezorgde mens onder de gillende, spuwende bezetenen in de poort en op de tribune. Aan de voet van de ladder keek zij omhoog en zag een platform, met een galg. Zij klauterde de ladder op, onhandig vanwege haar rokken; toen ze halverwege was verschenen boven haar het hoofd en de schouders van Carter Barton. Hij reikte haar de hand en hielp haar het schavot op; ze keek over de rand en zag Farragut omhoog klimmen met Henry op de arm. Zij knielde om hem over te nemen en werd overeind geholpen door Barton, die haar naar een plek onder de galg geleidde.

Het gekrijs, gegil en gevloek van de woedende menigte waren onbegrijpelijk voor haar; onder het geweld van die razernij leken de mannen op het schavot vrienden: Barton, dr. Withers, de twee schouten, zelfs de gemaskerde hellebaardiers. Ze keek smekend van de een naar de ander, terwijl

[p. 317]

het razen en tieren in woede toenamen; een rauwe stem vlakbij brulde eentonig: ‘Laat 'm dansen, Barton! Laat 'm dansen, Barton! Laat 'm dansen, Barton!’

‘Hij zal moeten knielen, mevrouw,’ zei een stem in haar oor. Het was Carter Barton.

‘Dat kan hij niet!’ riep ze uit. ‘Meneer Barton, dat kan hij niet!’ Toen bewoog de jongen in haar armen. Hij hief zijn hoofd op en keek om zich heen, zijn arm om haar hals; zij knielde neer om hem neer te zetten. Een zwartgehandschoende hand kwam haar te hulp en tilde de ketting op om te voorkomen dat de jongen erover zou struikelen; het was Hathaway.

Zodra het kind overeind stond, begon de menigte als waanzinnigen te tieren en te joelen. De stem van dr. Withers galmde plechtig: ‘Henry Jones, ik ben hier om u de Heilige Communie toe te dienen, opdat gij deel moogt hebben aan het bloed en het lichaam van Christus, die stierf aan het kruis om u in uw laatste ogenblikken vrede te schenken en de zekerheid van het eeuwige leven.’

Ze fluisterde: ‘Alles is goed, Henry, alles is goed, lieve jongen; kniel, hartje, kniel, alles is goed. Christus is bij je.’

Ze zei het zonder nadenken, maar toen Henry neerknielde en zij haar arm om zijn schouders legde, was het alsof inderdaad een mysterieuze Tegenwoordigheid zich bij hen had gevoegd. Het besef vervulde haar met een onuitsprekelijke tederheid, niet alleen voor Henry, de mannen op het schavot, zelfs jegens de brullende beesten op de binnenplaats. Het deed haar hoop op het wonder herleven, tot ze besefte dat de tederheid haar totaal ontwapende. Ze kon onmogelijk in de kracht des Heren opstaan en ‘Stop!’ roepen.

‘God,’ bad ze, terwijl dr. Withers Henry uit een wijnkelk Christus' bloed liet drinken; ‘God, red hem, red hem...’

De stem van dr. Withers galmde: ‘Laat ons bidden! Onze Vader, die in de hemelen zijt...’

Het werd stil op de binnenplaats.

 

***

 

‘Wat gebeurt er?’ vroeg Ann, ontsteld door de stilte, die onheilspellender leek dan het gebrul van een ogenblik tevoren.

‘De dominee is met het Onze Vader begonnen,’ antwoordde Thomas. ‘Kijk, sommigen daarbeneden bidden met hem mee. Grotesk, niet? Het ene ogenblik krijsen ze: “Laat hem dansen,” en een seconde later mompelen ze: “Gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.”’

‘En dan...?’

‘Dan worden de jongen zijn ketens afgenomen, om hem lichter te maken. De dominee zal hem vragen of hij nog een laatste wens heeft voor hij God onder ogen komt, en dan begint het spel.’

[p. 318]

‘Spel?’

‘Ik vrees dat het een langgerekte geschiedenis wordt.’

‘Ik dacht dat het gauw voorbij zou zijn!’

‘In dit geval helaas niet. Er zijn allerlei variaties mogelijk, en je kunt het aan de beul overlaten om de mensen daarbeneden ter wille te zijn. Vooral de weduwe van de vermoorde man. Die wil, ongetwijfeld, waar voor haar geld zien. Het is namelijk traditie dat zij de beul beloont voor iedere minuut dat de doodsstrijd langer duurt. Dat alles natuurlijk onder het motto: “Wij willen dat er recht gedaan wordt.”’

Een onzegbaar kwaad scheen op te stijgen uit de bloeddorstige menigte daarbeneden; het scheen een plotselinge menselijkheid te verlenen aan haar zondige liefde voor de man naast haar. Ze voelde een overweldigende behoefte aan zijn beschuttende armen. ‘Thomas,’ fluisterde ze, ‘ik ... ik geloof dat ik flauwval...’ Het was de enige manier; hij zou het nooit uit zichzelf hebben gedaan.

Ze wankelde, hoorde hem zeggen: ‘Ann ... Ann!’ en daar waren zijn armen.

Buiten het raam begon de menigte weer te gillen.

 

***

 

Toen de beul de strop om Henry's halsje legde, begaven Margarets krachten het. Dit was het ogenblik om de kracht des Heren te ontketenen, maar toen ze haar mond opende liet haar stem haar in de steek. Haar laatste weerstand zonk weg toen ze zag hoe Barton, na de strop te hebben aangetrokken, Henry op de schouder klopte.

‘God!’ dacht ze, uit alle macht, met haar hele ziel: ‘God! Gebruik me als uw werktuig! Gebruik me!’

Maar wat in haar oprees was die tederheid, die zich verspilde door uit te gaan naar iedereen zonder onderscheid: de schouten, de hellebaardiers, dr. Withers, Barton, de tierende menigte. Opnieuw probeerde ze te roepen: ‘Stop!’ Maar haar stem liet haar in de steek. Ze dacht wanhopig: ‘Neem mij, God, neem mij, neem mij in plaats van hem, neem mij, alsjeblieft, neem mij...’ De tederheid bleef uit haar vloeien naar de menigte, en maakte haar machteloos.

‘Henry Jones,’ galmde dr. Withers' stem boven het gebrul: ‘Hebt gij, voor gij heengaat om voor Gods rechterstoel te verschijnen, nog een laatste wens die gij aan mij, uw herder, wilt overbrengen?’

Even bedaarde het tumult, stemmen riepen: ‘Laatste wens! Laat zijn laatste wens horen!’

‘God!’ dacht ze, op haar knieën naast het kind, haar gezicht in de handen, ‘God, Christus, Jezus, genade! Genade...!’

De stem van dr. Withers vroeg: ‘Wat zei je, Henry?’

Henry's ijle stemmetje antwoordde zacht: ‘Zing 't 's.’

[p. 319]

Haar hart stond stil. Nee, dit niet...

‘Zing wat, Henry?’ vroeg dr. Withers.

Ze vond de kracht om te zeggen: ‘Ik weet wat hij bedoelt.’

Het werd stil op het binnenplein; iedereen spitste de oren om te horen wat op het schavot gezegd werd. Margaret merkte het niet. Ze vroeg: ‘Mag ik?’

Dr. Withers knikte.

Als instrument van God had ze gefaald; ze mocht het stervende kind niet te kort schieten. Ze haalde adem en zong: ‘De Andalusische Koopman, uit Cathay terug...’ De stilte op de binnenplaats werd dieper. ‘Beladen met porselein en co-cochenille...’ Haar keel kneep dicht; ze kon geen geluid meer uitbrengen; ze had zelfs hierin gefaald.

Plotseling zong een stem ver weg: ‘Vertelt in Spanje hoe de vuurberg Fogo brandt.’ Het kwam uit de kerkers; andere stemmen in de diepte vielen in: ‘In een zee vol vliegende vissen. Dit zijn wonderbaarlijkheden...’

Het geluid van de zingende stemmen nam toe in kracht, en Margaret scheen te worden vervuld met licht. Iets ontzaglijks, onuitsprekelijks onthulde zich voor haar, met overweldigende werkelijkheid.

‘Maar nog wonderbaarlijker ben ik,’ zongen de stemmen uit de diepte, die, ijskoud van angst, van liefde brand...’

Iemand op de binnenplaats schreeuwde: ‘Barton! Nu!’

Een smak, alsof er een deur werd dichtgeslagen; een windvlaag. Ze opende haar ogen en zag dat ze geknield lag naast een vierkant gat waarin een strak touw hing te zwaaien. Zij wilde het uitschreeuwen van ondraaglijk verdriet, maar het Licht richtte haar op. Zij strekte haar armen naar de hemel uit. ‘Henry...’ Het was alsof ze hem aan God toereikte.

Zo werkelijk was de Tegenwoordigheid, terwijl zij daar stond, haar armen naar de hemel uitgestrekt, dat iedereen op de binnenplaats roerloos bleef, in doodse stilte. Zelfs in de poort en op het plein bewoog niemand, behalve de spreeuwen.

 

***

 

Op de tribune zat John Sawrey, als door de bliksem getroffen. Het was ongelooflijk, maar op de een of andere manier had de vrouw het klaargespeeld de bloeddorstige menigte te veranderen in een Quakersamenkomst. Hij zelf kon de betovering niet van zich afschudden, tot ze haar armen liet zakken, de beul de hand reikte, en daarna dr. Withers. Sawrey wist wat dat betekende: het einde van de samenkomst.

Terwijl de menigte, met een geroezemoes van stemmen, uit de ban ontwaakte, baande Sawrey zich een weg naar het schavot. Het was allemaal zo snel gegaan dat het niet tot hem doorgedrongen was wat er precies gebeurde; het ene ogenblik lag de jongen geknield op het luik, het volgende was hij verdwenen in de duisternis onder het schavot.

Hij wist wat er gebeurd was toen hij het stoffelijk overschot zag. De

[p. 320]

jongen was, opzettelijk en deskundig, onthoofd. Dr. Withers kwam de ladder af, voegde zich bij hem en gaf hem, tot zijn verbazing, de rol perkament terug. ‘Ik heb hier verder niets aan, Sawrey.’

‘Nie - niets aan?’ hakkelde hij. ‘Wat bedoelt u? Het is haar bekentenis!’

‘Dat zou het zijn als ze het ondertekend had,’ bitste dr. Withers. ‘Timmerman! Sluit die kist voor mevrouw Fell beneden komt! We zijn geen barbaren!’

Er was geen twijfel aan: Withers had geweigerd de vrouw haar verklaring te laten ondertekenen!

Hathaway de bultenaar kwam de ladder af; Sawrey stapte op hem toe. ‘Wat betekent dit? Waarom heeft Barton hem zijn ketens niet afgenomen? Waarom heeft hij hem de lange val gegeven?’

‘Ik zou het u niet kunnen zeggen, Your Lordship,’ zei Hathaway, ‘vraagt u het hem zelf maar.’

Toen Barton eindelijk beneden kwam, was Sawrey buiten zichzelf. ‘Dat was een schandaal!’ schreeuwde hij. ‘Wat bezielde je, om tegen mijn instructies in te gaan?!’

De reus, halverwege de ladder, keek mistroostig op hem neer.

‘Besef je wel dat dit je je baan zal kosten?’

Barton haalde zijn schouders op en klom verder omlaag.

‘Gods toorn!’ riep Sawrey. ‘Ik zal ervoor zorgen dat je hiervoor zult boeten! Ik zal me bij de regenten beklagen! Ik zal...’ Barton wandelde weg; hij had net zo goed een weglopende os iets na kunnen schreeuwen.

De volgende die beneden kwam was de schout zelf. ‘Farragut! Ik eis een uitleg! Wat is daarboven gebeurd? Wie heeft Barton gezegd tegen mijn instructies te handelen? Waarom moest ik het bevel zelf geven, van de tribune af?!’

De schout, die onder normale omstandigheden nooit zijn eigen belang uit het oog verloor, keek hem brutaal aan en zei: ‘U hebt het zelf kunnen zien, Your Lordship.’

‘Wat ik gezien heb was een insubordinatie!’ riep hij. ‘Sabotage! Ik eis een uitleg! Wat bezielde jullie?’

De schout keek alsof hij een antwoord overwoog; toen zei hij: ‘Your Lordship, als u het niet begrijpt na het met uw eigen ogen te hebben gezien, kan niemand het u uitleggen.’ Hij liep weg, en liet hem voor schut staan.

‘Ik wil de kop van die jongen!’ krijste Sawrey. ‘Ik wil hem vanavond nog op mijn bureau!’ Hij wendde zich tot de timmerman en zag dat de kist al gesloten was. ‘Wat betekent dat, die kist te sluiten voor ik opdracht gegeven heb?’

De oude man keek met slecht gespeelde onschuld op. ‘Wat zegt u, Your Lordship?’

‘Open die kist, en stuur het hoofd naar de keuken! Begrepen?’ Hij werd zich bewust van mensen die toekeken, besefte dat hij zichzelf te kijk zette

[p. 321]

en wendde zich af, net op tijd om te zien dat iemand de ladder opklom: het roodharige dienstmeisje.

Waarom alleen die meid, niet Thomas Fell met wie ze in de raadskamer opgesloten had gezeten? Hij baande zich een doortocht door de menigte, naar de poort.

 

***

 

Zodra de vrouwenstem op het binnenplein was gaan zingen, had Thomas Fell die herkend. Hij had zich uit Anns omhelzing losgemaakt en was naar de aangrenzende kamer gerend, vanwaar hij, verbijsterd, het gebeuren op het schavot had gadegeslagen. Ann was hem gevolgd; hij werd zich pas van haar tegenwoordigheid bewust toen ze wegholde, op het moment dat Margaret de beul de hand drukte.

Hij zou zelf zijn vrouw te hulp hebben moeten komen, maar hij was naar de raadskamer teruggegaan en had zich daar in de stoel achter het bureau laten vallen. Daar zat hij, met het hoofd in de handen, toen de deur openging.

Het was Sawrey. Even dacht hij dat er iets met Margaret was gebeurd, want de man was zo wit als een doek; maar zijn stem klonk pedant toen hij zei: ‘Nu, ik neem aan dat u nu wel zo vriendelijk wilt zijn mevrouw mee naar huis te nemen?’

Het was geen vraag om aan een meerdere te stellen, zeker niet op die toon. ‘Sawrey,’ zei Thomas, ‘beheers je.’

Zijn autoriteit had uitwerking. Sawrey vroeg op redelijker toon: ‘U hebt hier zeker wel kunnen horen wat er gebeurd is?’

‘Ik heb het hiernaast gezien. Waar is ze nu?’

‘Op het schavot!’ riep Sawrey uit. ‘Ze moet naar beneden komen! Ik kan dit niet toelaten!’

's Mans razernij gaf Thomas een gevoel van verwantschap. Wat de voldoening ook mocht zijn die Sawrey uit terechtstellingen putte, dit keer had Margaret hem ervan beroofd. Haar onbedwingbare wilskracht had hen ieder beroofd van het uiteindelijk genot van een heimelijke hartstocht. ‘Nu,’ zei hij, terwijl hij opstond, ‘laten we maar eens gaan kijken wat er beneden aan de hand is.’

‘Kunt u me de verzekering geven dat mevrouw Fell nu uit de gevangenis weggaat?’ vroeg Sawrey.

Thomas lag een scherp antwoord op de lippen; toen ontspande hij zich en zei: ‘Natuurlijk gaat ze weg. Haar leven lang is ze alleen maar vriendelijkheid en zachtheid gewend geweest; ze moet hier kapot van zijn. Kom, we gaan kijken.’

 

***

[p. 322]

Toen Ann Traylor op het schavot klauterde, zat Margaret Fell aan de voet van de galg, haar handen in haar schoot, haar ogen gesloten. Haar gezicht zag er in het zonlicht valer uit dan in de schemering van de kerker; haar wasachtige kleur gaf aan de zweren die haar gezicht ontsierden een afzichtelijk voorkomen. Haar haren, dof door het ontluizingsmiddel, zagen eruit als die van iedere vrouwelijke gevangene; er was niets meer over van de rijke dame die hooghartig geweigerd had haar nederlaag te aanvaarden. Ze was verslagen.

Ann ging naast haar zitten en legde een arm om haar schouders. Margaret Fell opende haar ogen en fluisterde: ‘Ann! Ik heb gefaald. Hij is dood.’

‘Sst,’ zei Ann, als tegen een kind. ‘Je bent doodmoe, Margaret. Je hebt het onmogelijke gedaan. Nu moet je naar huis, rusten.’

‘Maar dat kan ik niet! Ik kan de kinderen niet in de steek laten!’

‘Sst. Ik zal wel naar ze toe gaan en bij ze blijven tot er iemand anders komt om me af te lossen.’

Het leek alsof de uitgeputte vrouw wilde protesteren; toen sloot ze haar ogen en zakte ineen tegen haar aan. Zo zaten ze toen Thomas Fell op het schavot verscheen.

‘Kom, liefste,’ zei hij, een hand op Margarets schouder. ‘We gaan.’

‘Nog niet,’ fluisterde Margaret. ‘Ik wil erbij zijn als ze hem afnemen.’

‘Hij is al afgenomen,’ zei Thomas. ‘De kist is weggebracht. Het is voorbij.’

Ze stond op; hij hielp haar de ladder af. Ann keek op hen neer terwijl ze langzaam naar de poortgang liepen; hij had zijn arm om haar schouders.

Daar ging hij dan. Ze vroeg zich af waarom ze geen pijn voelde, geen verdriet bij de gedachte dat ze hem waarschijnlijk nooit meer terug zou zien. Ze probeerde droefheid te voelen, maar er was geen gevoel. Het eerste wat ze zich op dat ogenblik herinnerde was Thomas, tegenover haar aan tafel in de herberg, die eerste dag: ‘In die dagen dacht je nog dat je mijn vrouw begreep?’ Haar dagboek! God! Als iemand dat vond! Ze moest zo gauw mogelijk terug om het te halen.

‘Juffrouw Traylor? Bent u daar?’

Het was schout Farragut, aan de voet van de ladder. Hij had zijn rouwkostuum vervangen door zijn gebruikelijke kledij; zijn hoed met witte veren zag er, van boven gezien, zwierig uit.

‘Ja, meneer Farragut?’

‘Is er iets mis? Kunt u alleen beneden komen?’

‘Zeker.’ Ze draaide zich om en wilde de ladder afdalen; toen bedacht ze zich en riep: ‘Zou u alstublieft even de andere kant op willen kijken?’

‘Ach. Natuurlijk, neem me niet kwalijk.’ Hij draaide zich om.

Ze klauterde omlaag; het afdalen was griezeliger dan het naar boven gaan. Ze stond op het punt hem te hulp te roepen toen ze zijn handen om haar middel voelde. Hij zei, verrassend dichtbij: ‘Juffrouw Traylor, u bent er.’

[p. 323]

Ze keerde zich glimlachend naar hem om. ‘Dank u.’

‘Uw dienaar. Mag ik een draagstoel voor u bestellen?’

‘Ik maak me bezorgd over die kinderen. Ik moet eerst maar even naar beneden gaan, voor ik mijn spullen ga halen.’

‘Uw spullen?’ Hij bleef staan.

Ze glimlachte, triomfantelijk. ‘Ik ga mevrouw Fells plaats innemen.’

‘Maar, mijn beste jongedame...!’

Ze had genoeg van vaderlijke toespraken. ‘Waar ziet u ons voor aan?’ vroeg ze. ‘Voor sentimentele kletskousen?’

‘Maar, mijn beste juffrouw Traylor...’

‘Wat zou u willen dat we deden? Ons eerst een maand met die arme stakkertjes bezighouden, om ze dan weer te laten terugvallen in de ellende en vervuiling? Toen we hier mee begonnen, wisten we dat we ermee zouden moeten doorgaan.’

‘Maar hoe lang dan, in 's hemelsnaam?! Die kinderen zitten hier voor jaren, sommigen levenslang!’

‘Onzin,’ zei ze met groeiend zelfvertrouwen. ‘U kunt kinderen niet voor hun hele leven opsluiten!’

‘Maar dat heb ik niet gedaan! Ze zijn door een rechtbank gevonnist!’

‘Nu, en? Vonnissen kunnen herzien worden, niet? Wij gaan door ze als kinderen te behandelen tot jullie mannen ze als zodanig erkennen. Hebt u zelf kinderen?’

‘Ja, maar...’

‘Als ze stout zijn, sluit u ze dan in een donkere kast op?’

‘Wel wis en drie! Maar dat heeft niets...’

‘Voor de rest van hun leven?’

Hij keek haar aan. Zijn ergernis veranderde in berusting. ‘Zoals u wilt. Zal ik een bewaker roepen om u naar beneden te begeleiden?’

‘Wij behandelen ze zoals u uw eigen kinderen behandelt, als ze iets stouts hebben gedaan.’

‘Zoals moord? Roof? Inbraak? Mishandeling?’

Ze keek hem aan met dat nieuwe zelfvertrouwen. ‘We moesten ons allemaal schamen dat we ze zo diep hebben laten zinken,’ zei ze.

‘Goed, juffrouw Traylor, laten we dit gesprek een andere keer voortzetten. Vanavond bijvoorbeeld? Als ik eens bij u kwam na mijn dienst, voor het geval u hulp nodig mocht hebben?’

Ze herinnerde zich de schout van de gevangenis in Derby die bij George Fox was ingetrokken. Hij had dat zeker niet gedaan met hetzelfde oogmerk als meneer Farragut. Maar wat zou hij kunnen uithalen in een cel met zes kinderen? Vijf, nu. Ze voelde een eerste verdriet. ‘Graag, meneer Farragut, erg vriendelijk van u.’ Ze nam haar rokken op om de deur naar de kerkers binnen te gaan. ‘Ik zou het op prijs stellen als u zo goed zou willen zijn om de meid in De Drie Zwanen te vragen mijn valies te pakken en hierheen te brengen.’ Die meid zou ze het dagboek wel kunnen toevertrou-

[p. 324]

wen; ze kon niet lezen. Zou hij erin snuffelen voor hij ermee beneden kwam? Ze moest het erop wagen.

‘Het zal me een waar voorrecht zijn,’ zei hij schelms. ‘Hoe lang verwacht u bij ons te blijven, juffrouw Traylor?’

‘Tot er een ander komt om me af te lossen.’

‘Een ander?

Ze liet hem staan.

Boven aan de wenteltrap overviel haar een twijfel. De stank en de duisternis gaven haar plotseling hetzelfde akelige voorgevoel als toen ze voor het eerst haar beneden was gegaan. Opnieuw wist ze zeker dat daarbeneden een onheil op haar wachtte, dat ze, als ze dit deed, de eerste stap zou zetten op een lijdensweg waar geen terugkeer mogelijk was. Toen zei een stem achter haar: ‘Wilt u geen lantaarn hebben, juffrouw?’ Het was een bewaker.

‘Dank u,’ zei ze, nam de lantaarn aan en daalde af.

Haar angst was verdwenen. Ze voelde zich vol vertrouwen terwijl ze de stenen treden afdaalde. Er was namelijk een verschil met die vorige keer: ditmaal ging ze uit vrije verkiezing.

Op de vijfde verdieping hield een stem uit een van de donkere gangen haar staande. ‘Juffrouw? Quakerjuffrouw?’

Ze slikte. ‘Ja?’

‘Gaat u terug naar die kinderen, juffrouw?’

‘Ja...’

‘Zou u nog een paar anderen les willen geven?’

‘Welke anderen?’

‘Die van ons,’ zei de stem. ‘Hier komen ze, hoor.’

Er klonk een schuifelend geluid in het duister. Ann probeerde haar lantaarn in de donkere opening van de gang te laten schijnen; in het zwakke licht kwamen drie, vier, zes kinderen te voorschijn, gekleed in lompen, hun ogen ratachtig glinsterend, net als die anderen, de eerste keer dat ze hen bij het licht van haar lantaarn gezien had. Het moesten kinderen van de gegijzelden wegens schuld zijn, die vrij mochten rondlopen.

‘Dag kinderen,’ zei ze met onvaste stem.

De kinderen, dicht tegen elkaar gedrongen, keken haar aan, en opeens werd ze vervuld door een gevoel van tederheid dat ze nooit eerder gekend had. Ze liep naar de trieste figuurtjes in het lantaarnlicht toe, knielde bij hen neer en zei: ‘Nou, dát is een verrassing! Jullie zullen eens zien hoe blij de anderen zijn! We gaan fijn leren lezen, en schrijven, en rekenen, en liedjes zingen. Wat zeggen jullie daarvan?’

Ze gaven geen antwoord; ze bleven haar aanstaren, net zoals die anderen gestaard hadden; ze herinnerde zich hoe lang het geduurd had voor die haar vertrouwden. ‘Ik heet Ann,’ zei ze. ‘Jullie moeten me beneden maar eens vertellen hoe jullie heten. Zullen we gaan? Kom, laat ik jou dragen.’ Ze tilde het kleinste meisje op en voelde hoe licht ze was voor haar grootte.

[p. 325]

‘Hier,’ zei ze, de langste jongen de lantaarn toereikend. ‘Licht jij maar eens voor ons bij. We gaan helemaal naar beneden, tot je niet verder kunt.’

De jongen nam, na een ogenblik van aarzeling, de lantaarn over en begon behoedzaam af te dalen.

‘God zegene je, juffrouw!’ riep de stem uit de duisternis. Voor ze had kunnen antwoorden, vielen andere stemmen van alle kanten in: ‘God zegene je! God zegene je, Quakerjuffrouw! God zegene je!’

Ze wist niet wat stemmen waren, wat hun echo's.

terug  begin  verder