terug  begin  verder
[p. 326]

Zes

Die avond deed John Sawrey iets wat hij in lange tijd niet gedaan had. Hij beval McInnes een fles wijn voor hem te gaan halen, toen sloot hij zich in zijn kamertje op, vastbesloten zich een stuk in zijn kraag te drinken.

Zijn nederlaag was overgegaan in een doffe wanhoop die, dat wist hij uit ervaring, niet ongedaan gemaakt kon worden tenzij hij stomdronken werd. Hij ging in zijn stoel zitten, met zijn voeten op het bed, en staarde somber naar het smalle raampje, de fles in de ene hand, het glas in de andere.

Margaret Fell was hem te slim af geweest. Daar zat hij nu, met het ongetekende document waarin ze zichzelf beschuldigde - als hij Carter Barton dat bevel niet had toegeschreeuwd zouden ze de jongen zelfs niet hebben opgehangen, en dan zou de ramp volledig zijn geweest. Ofschoon sommige notabelen hadden geklaagd, hadden hun vrouwen ditmaal klaarblijkelijk een andere sensatie beleefd die hen genoeg stof tot roddelen bood om de zomer door te komen. Zelfs mevrouw Jones, weduwe van de vermoorde, had zich op een manier die helemaal niets voor haar was van de binnenplaats weggehaast, hem ontwijkend. Wat hem nog het meest dwarszat was: hoe had Margaret Fell het klaargespeeld geharde kerels als Withers en Barton te beheksen? Had Barton verwacht dat Fell hem iets in de hand zou drukken? Nee, hoe ongelooflijk het ook mocht schijnen, de hersenloze os had zichzelf onherstelbaar nadeel berokkend alleen maar om Margaret Fell te plezieren. En Withers? Nog geen week geleden had hij beneden in het kantoor staan schuimbekken over de Quakers, zwerend dat hij, als hij ooit kon bewijzen dat de vrouw Quaker was hij haar stante pede in de boeien zou laten slaan; nu had hij met haar samengespannen om haar bewijs van schuld te verdonkeremanen. Ze was inderdaad een heks, een Quakerheks. En ze was hem door de vingers geglipt.

Hij lag onderuit gezakt in zijn stoel, in grimmig zelfbeklag, toen er geklopt werd. ‘Ja!’

Iemand probeerde de deur open te doen; hij herinnerde zich dat hij de sleutel had omgedraaid. Hij stond op om de deur open te maken; Farragut kwam binnen, hoed in de hand.

‘Ja, Farragut, wat is er?’

‘Your Lordship, ik heb nieuws voor u. Het meisje van mevrouw Fell heeft hier haar intrek genomen.’

‘Waar?’

‘Bij de kinderen, in plaats van haar meesteres.’

[p. 327]

‘En jij hebt dat toegestaan?’

‘Your Lordship, ik heb de bevoegdheid niet om haar tegen te houden. Daarom kom ik juist bij u. Wat moet ik eraan doen?’

Hij stond op het punt te schreeuwen: ‘Haar eruit smijten, natuurlijk!’ toen hem inviel: wacht even; Margaret Fell is bezig dat plan ten uitvoer te brengen. ‘Heeft het meisje soms nog gezegd hoe lang ze voornemens is te blijven?’

‘Ja, Your Lordship. Tot er iemand anders komt om haar af te lossen.’

‘Dank je. Ik zal erover nadenken.’

‘Jawel, Your Lordship.’

Toen Farragut weg was veranderde zijn stemming. Verdwenen waren de woede, de nederlaag, de mislukking. De vrouw ging anderen in 't geweer brengen! Dat betekende dat ze terug zou komen. Alleen door haar voorbeeld kon ze andere vrouwen overreden, niet door praatjes. Ze kwam terug!

De fles was voor driekwart leeg en hij was helemaal opgemonterd toen er weer geklopt werd.

‘Binnen!’

Ditmaal was het Carter Barton, kolossaal en droefgeestig. ‘Your Lordship, hier is-ie.’ Hij hield een in jute gewikkeld voorwerp omhoog.

‘Wat is dat?’

‘De kop, mijn heer.’

‘Aha - Leg daar maar neer, op het bed.’

‘Jawel, Your Lordship.’ De man legde het pak op het bed en sjokte de kamer uit.

Sawrey stond wankel op, liep naar het bed, maakte de lap los en liet de inhoud eruit rollen. Het waren twee stukken; de onderkaak was er los bij. Hij staarde naar het kleine witte doodshoofd. Henry Jones. Toen de jongen voor hem was verschenen, was zijn lot al bezegeld geweest; generaal Evans, de broer van mevrouw Jones, had hem ervan doordrongen dat het geen zin had diep op de zaak in te gaan; de reputatie van wijlen zijn zwager mocht gedurende het proces niet ter sprake komen. Het proces had niet meer dan twintig minuten geduurd: laaghartige moord, trouwbreuk, ondankbaarheid, zwarte kap, aan de nek gehangen tot de dood erop volgt, God zij uw ziel genadig.

Het kleine doodshoofd verhaastte de huilerige fase van de dronkenschap. Hij slofte terug naar zijn stoel en liet er zich in neervallen. Hij was zwak, hij was laag. Laag, gemeen; John Sawrey, je bent gemeen. Het had Christus kunnen zijn. Judas, ben je. Judas Iskariot.

Hij mijmerde over Judas Iskariot; Judas moest een man als hij zijn geweest: zwijgzaam, in zichzelf gekeerd; jammer dat er zo weinig over hem bekend was. Iedereen had duizenden jaren lang niets anders gedaan dan spuwen, alleen al bij het noemen van zijn naam. Dertig zilverstukken, laaghartig, gemeen, Judas Iskariot, je bent gemeen. Maar had Judas zijn

[p. 328]

duistere daad alleen maar gedaan voor dat handjevol geld? Wat had hem ertoe gedreven? Wat dreef John Sawrey ertoe, niet te rusten voor Margaret Fell voor hem lag zoals Henry Jones nu: een pas uitgekookte schedel? Waarom, in godsnaam? Eerzucht? Judas had zich, na zijn daad te hebben gepleegd, opgehangen; toch had hij door die daad de mensheid gered. Zonder Judas zou er geen kruisiging zijn geweest, geen zoenoffer, geen hoop voor de mensheid in lengte van dagen. Judas was belangrijker dan de andere discipelen; die waren bij de poort in slaap gevallen, en hadden toen in het wilde weg iemand een oor afgehakt, maar bij de marteldood van hun Zaligmaker waren ze nergens te zien geweest. God, die in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid beschikt had dat Zijn Zoon de kruisdood sterven moest, had Judas daarvoor nodig gehad. Als Judas gezegd had: ‘Nee! Dat kan ik niet!’ dan zou God gedwongen zijn geweest iemand anders te zoeken.

Sawrey ging overeind zitten met het dronken gevoel een groot geheim te hebben ontdekt. Judas had gehandeld op bevel van God. Dat was de duistere kracht die hem had voortgedreven: God. Gods plan voor de wereld eiste dat hij, John Sawrey, deze lage daad verrichtte: Margaret Fell in de val laten lopen om daarna, met stromende tranen, onder de menigte te staan terwijl ze naakt aan het kruis werd genageld en gillend ten hemel geheven om een langzame marteldood te sterven.

Hij barstte in tranen van dronkenschap uit. ‘O Margaret, Margaret! Waarom? Waarom moet ik je vernietigen?’

Maar ondanks zijn oprecht verdriet wist hij dat hij haar, uiteindelijk, zou krijgen.

 

***

 

In hun slaapkamer in de herberg was Thomas Fell bezig Margarets rug af te sponzen. Het was diep ontroerend haar zo te zien zitten, in het heupbad dat de meiden hadden binnengebracht. Ze leek zo breekbaar, zo uitgeput door de waanzinnige eisen die haar onbedwingbare wil haar lichaam had opgelegd.

Voorzichtig sponsde hij haar rug met de insektebeten en de zweren. Wat een zelfoverwinning moest het haar hebben gekost, met haar opvoeding en teer gestel! Hij was vol bewondering voor haar; nooit had hij zoveel tederheid voor haar gevoeld; ze moest naar zijn bescherming hebben gehunkerd. Het was alsof ze wakker geworden was uit een angstdroom.

Hij had opdracht gegeven dat hun avondmaal op hun kamer zou worden geserveerd. Kaarsen, wijn; hij had zelfs bloemen uitgekozen. De meiden klopten en vroegen of ze de tafel konden dekken; terwijl achter de gesloten deur discreet met schalen en glazen gerinkeld werd, wreef hij haar droog en haalde de witfluwelen kamermantel te voorschijn die hij voor haar gekocht had bij dezelfde gelegenheid dat hij voor Ann Traylor een rijmantel kocht. Het was een kinderlijk gebaar van wroeging geweest; nu

[p. 329]

was hij blij dat hij het gedaan had. Ze was verrukt van het kledingstuk; haar ogen, groot in het door ontbering getekende gezicht, schenen op te lichten. Hij hielp haar in de mantel.

Toen hij de gangdeur in de andere kamer hoorde dichtgaan, leidde hij haar naar binnen. Zijn hart brak toen hij zag hoe ze naar de kaarsen staarde, het zilver, het kristal, de wijn, de bloemen, een boeket rode tulpen met takjes varen.

‘Prachtig, hè?’ zei hij.

‘Dat zijn nu de kleuren die de vrouwen zouden moeten dragen.’

‘Pardon?’

‘Om te voorkomen dat ze worden aangerand.’

‘Waar heb je het over?’

‘De vrouwen die in de gevangenis gaan werken. Ik ben benieuwd hoe Ann het maakt.’

Ze ergerde hem even; toen besefte hij dat niet van haar kon worden verwacht dat ze binnen enkele uren tijds van de ene wereld in de andere kon overstappen. Hij moest erop voorbereid zijn dat ze nog een tijdlang aan de afgelopen weken zou terugdenken.

De meiden kwamen binnen om het souper op te dienen. Hij had een licht soepje uitgekozen, een soufflé, en een onschuldig wijntje om haar geleidelijk te ontspannen.

Ze roerde het eten niet aan, nipte niet van de wijn, maar zat zich toch wel te ontspannen terwijl hij over koetjes en kalfjes praatte. Ze zat naar de kaarsvlammetjes te staren toen ze plotseling zei: ‘Ik heb hem vermoord.’

‘Wat zeg je?’

‘Mijn liefde vertederde iedereen die erbij was, maar hem zelf hebben ze opgehangen: op een liefdevolle manier.’

‘Ik heb er geen idee van waar je het over hebt.’

‘Toen George Fox dat meisje in Derby redde, was er geen sprake van liefde of tederheid. Hij riep: “Stop!” en ze stopten. Ik maakte iedereen, met inbegrip van de beul, zachtaardig en beminnelijk, maar George Fox redde haar leven.’

Hij zuchtte. ‘Liefste, je zult me eerst even moeten inlichten. Wat is dit voor verhaal over George Fox in Derby?’

‘Hij voorkwam dat er een vrouw werd opgehangen, door “Stop!” te roepen juist toen ze op het punt stonden het luik...’ Ze sloot haar ogen.

Hij sloeg haar verwonderd gade. Zo'n onzin had hij van zijn leven nog niet gehoord. Die verdoemde George Fox! ‘Vertel me nog wat meer. Waren er getuigen bij? Was het een openbare terechtstelling?’

Zij opende haar ogen, ze stonden vol tranen. De arme schat, ze was totaal van streek. Moest hij haar hiermee door laten gaan, of haar in zijn armen nemen?

‘Dat meisje in Derby worstelde en vocht tot het laatste moment. Maar ik heb Henry een verdovend middel ingegeven, hij liet ze met hem doen wat

[p. 330]

ze wilden. Ik heb al zijn vechtlust, zijn wil tot leven weggenomen.’ De tranen liepen nu langs haar wangen.

Hij nam zijn glas op. ‘Ik begrijp dat je van streek bent, liefste. Maar stel nu eens dat je de terechtstelling had tegengehouden; wat zou er dan zijn gebeurd? Een nieuwe terechtstelling; en ditmaal zouden er maatregelen zijn genomen dat zo iets als vandaag zich niet nog eens zou voordoen. Zelfs als zijn doodvonnis veranderd was in levenslange gevangenschap, wat zou zijn toekomst zijn geweest? Hij zou de rest van zijn dagen in de gevangenis hebben gesleten, half blind. Geen wonder dat het kind geen wil tot leven meer had.’ Hij legde zijn hand op de hare. ‘Eerlijk, liefste: ik beschouw wat jij gedaan hebt als een groter wonder dan wat de heer Fox in Derby mag hebben gedaan. Jij hebt boosaardige en wraakgierige mannen zover gebracht dat ze een kind bijsprongen dat ze van plan waren dood te martelen. De jongen werd op een zo menselijk mogelijke manier terechtgesteld. Dat is wat ik een wonder noem. Maar ik geef toe dat ik misschien te kleingelovig ben om dat andere wonder te aanvaarden.’

Zij glimlachte verdrietig. ‘George en ik hebben daar destijds woorden over gehad. Ik zei dat ik wonderen verwierp omdat alleen uitverkoren mensen ervan konden profiteren. Ik kon niet aanvaarden dat God zich op die manier zou openbaren.’

‘Liefste,’ zei hij op milde toon, ‘dat krijgshaftige bevel van heer Fox behoort tot een andere wereld dan jouw tederheid.’

‘Maar de jongen is dood.’

‘Inderdaad. De jongen is dood. Omdat hij de wil niet had om verder te leven. De vastbeslotenheid van onze Zaligmaker om zich te laten kruisigen moet zijn logisch denkende tijdgenoten ook hebben verbijsterd.’

‘Het is lief van je,’ zei ze, ‘maar wat je ook zegt, wat iedereen ook zegt, ik ben schuld aan de dood van dat kind.’

Hij keek haar bezorgd aan. Zou ze het zich haar hele verdere leven blijven verwijten geen wonder te hebben verricht?

‘Alleen maar uit belangstelling,’ zei hij, ‘kende Fox de jongedame die hij redde? Was ze een vriendin van hem? Had hij ooit met haar gesproken?’

‘Ik weet het niet. Wat doet het ertoe?’

‘De liefde van de heer Fox voor de mensheid lijkt me nogal onpersoonlijk. Wat hij liefheeft is de liefde zelf.’

‘Dat zei Henrietta ook. Ik heb nooit begrepen wat jullie zo in hem hindert.’

Plotseling had hij er genoeg van om Fox eer aan te doen. ‘Liefste, ik ben er zeker van dat je jezelf nog een hele tijd verwijten zult blijven maken. Maar verwacht niet dat ik het met je eens zal zijn. Ik heb een binnenplein vol mensen, die op dat ogenblik niet beter waren dan beesten, zien veranderen in een menigte in gebed. Ik heb hun gezichten gezien toen ze weggingen. Ik geloof dat wat jij deed een grotere invloed op

[p. 331]

hun leven zal hebben dan welke toverkunst de heer Fox ook mag hebben uitgehaald. Ik acht het filosofisch aanvaardbaar dat er een elementaire goedheid in het heelal zou bestaan. Als dat zo is, dan was jij, in die ogenblikken op het schavot, daarvan de incarnatie. Daarmee heb je veel mensen hoop gegeven. Mij, onder anderen.’

Plotseling stond ze op, sloeg haar armen om zijn hals, riep: ‘O Tom...!’ en barstte in tranen uit.

Terwijl hij zachtjes haar haren streelde, dacht hij: wie weet is ze wel een heilige. Het gaf hem een gevoel van onbillijkheid. Waar had hij dit aan verdiend? Want of iemand zijn vrouw nu kwijtraakte aan een minnaar of aan de heiligheid, het kwam op hetzelfde neer.

‘O Tom, Tom,’ snikte ze, ‘ik hou zo van je!’

Hij kuste haar haren, ten prooi aan de oude, vertrouwde eenzaamheid.

 

***

 

‘Nee!’ riep Thomas de volgende ochtend boos. ‘Ik prakkezeer er niet over! Ik ben eindelijk op een leeftijd gekomen dat ik niets meer voel voor wispelturigheden!’

‘Het spijt me,’ zei Margaret koel, ‘maar ik ben nog niet op die leeftijd gekomen.’ Ze schonk zich nog een kop thee in, maar heimelijk schaamde ze zich. Hoe was het mogelijk? Vierentwintig uur na Henry's dood had ze alweer ruzie met haar man, hij in zijn nachthemd, zij in de mooie kamermantel die hij met zoveel zorg en genegenheid had uitgekozen. Wat afschuwelijk, wat vernederend!

‘Goed!’ zei hij met onheilspellende verbetenheid. ‘Noem me één goede reden. Eentje maar!’

‘Ik zou je er twee kunnen noemen als je me de kans gaf.’

‘O!’ riep hij getergd uit, en daar liep hij in zijn nachthemd de kamer weer op en neer, boos, belachelijk.

‘Om te beginnen heb ik het de kinderen beloofd.’

‘Juist! De kinderen! Je eigen kinderen dan, die je beloofd hebt dat je vandaag zou terugkomen! Die nu, op dit ogenblik, reikhalzend uit het raam zitten te turen!’

‘Ze zullen nog een poosje langer moeten blijven turen,’ zei ze kalm. ‘De kinderen in de gevangenis zijn hun hele leven aan hun lot overgelaten, ik kan niet zo maar bij ze weglopen, zeggen: “Ik kom zo terug”, en me dan nooit meer laten zien.’

‘O, grote genadige God!’ riep hij uit. ‘En je tweede reden?’

‘Liefste, in je stemming van dit ogenblik...’

‘De tweede reden! Méér vraag ik niet!’

‘Goed dan: Ann Traylor. Moeten we die daar laten zitten? Moederziel alleen, in die kerker, zonder iemand die zich om haar bekommert, behalve die wellustige schout?’

[p. 332]

‘Welke?’

‘Farragut. Zijn voornaam is “Hyman”. En als je mij vraagt is dat precies waar hij op loert.’

Hij schaterde het uit, nogal geforceerd, dacht ze.

‘Goed!’ zei hij. ‘Ik geef het op! Zal je gezin je ooit weerzien?’

‘Doe niet zo dwaas. Maar ik moet eerst zorgen dat iemand Anns plaats overneemt.’

‘Wie, bijvoorbeeld?’

‘Er moeten massa's vrouwen zijn als ik, die...’

‘In godsnaam, dat niet! Eén per generatie is genoeg.’

‘Begin nu niet weer opnieuw,’ zei ze. ‘Ik ben van plan het Henrietta Best te vragen.’

‘Dat verbied ik je! Toevallig mag ik die vrouw erg graag. Ik zou niet willen dat ze in de cel bij de krankzinnigen terechtkomt!’

‘Zou je de beslissing niet liever aan haar overlaten?’

Hij steunde met zijn vuisten op de tafel en boog zich naar haar over; zo zonder zijn pruik zag hij er oud en moe uit. Ze zou hem deze conflicten eigenlijk moeten besparen.

‘Lieve Margaret,’ zei hij, ‘je kunt niet doorgaan andermans levens voor hen te leiden. Je moet op een bepaald moment je eigen leven gaan leiden.’

‘Dat is precies wat ik doe: ik probeer het zo te regelen dat ik zo gauw mogelijk naar huis kan gaan.’

Hij keek haar vastbesloten aan. ‘Je gaat vandaag naar huis.’

‘Maar, liefste...’

‘Je gaat vandaag naar huis! Als er iemand hier moet blijven om een oogje op Ann Traylor te houden, zal ik het wel doen. Ik blijf hier wel tot jij de een of andere argeloze vrouw gestrikt hebt en haar als een varken aan een staak die kerkers binnen laat dragen - want zo zal het moeten gebeuren; je zult geen enkele vrouw bereid vinden dat uit eigen vrije wil te doen. Niet één!’

‘Ik weet er een.’

‘Henrietta Best! Ik heb je al gezegd, háár...’

‘Meg.’

‘Welke Meg?’

‘Onze Meg. Henrietta schreef dat ze diep teleurgesteld was omdat ik Ann Traylor had meegenomen in plaats van haar.’ Ze wist dat nu het dak van het huis zou gaan, maar eens moest hij het toch te weten komen - beter vroeger dan later.

‘Meg?!’ riep hij, het begin van de tempelverwoesting. ‘Dat kind?!

‘Ze is net zo oud als Ann, en heel wat sterker.’

‘Nooit! In geen duizend jaar! Ik...’

Een klop op de deur onderbrak hem. ‘Ja! Nee!’ Hij sloeg zijn nachthemd om zijn benen, als een vrouw die een muis zag. ‘Wie is daar?’

‘Ik, mijn heer, het meisje,’ antwoordde een stem in de gang. ‘Er is hier

[p. 333]

een dame die naar mevrouw Fell vraagt.’

‘Wat voor dame?’

‘Een mevrouw Jones, mijn heer.’

‘Jones?’ Hij draaide zich naar haar om. ‘Kennen we een mevrouw Jones?’

‘Niet in Lancaster.’ Toen drong het tot haar door. ‘Wacht eens even!’

‘Wat?’

‘Eruit!’ zei ze, terwijl ze opstond. ‘Vlug! De slaapkamer in! Vlug!’ Ze liep naar de deur.

‘Wat voor de donder...’

Zij is het!’ Ze duwde hem naar de deur van de slaapkamer. ‘De moeder van Henry!’

‘Wat...?’

‘Vlug!’ Ze sloot de deur achter hem, liep de kamer door en opende de gangdeur. Een donkere vrouw in rouwkleren kwam uit het duister te voorschijn.

‘Mevrouw Jones? Komt u binnen, alstublieft. Neem me niet kwalijk, ik ben niet gekleed om bezoek te ontvangen.’

‘Ik weet dat ik ongelegen kom,’ zei de vrouw, ‘maar ik moest u spreken.’

‘Komt u binnen.’ De vrouw kwam de kamer in; Margaret deed de deur dicht en wees naar een stoel. ‘Gaat u zitten.’

De vrouw had haar niet gehoord. Ze stond stil, haar gehandschoende handen krampachtig gevouwen.

‘Wilt u niet gaan zitten?’

Opnieuw scheen het alsof ze het niet had gehoord. Ze was knap; maar haar doodsbleek gezicht gaf blijk van een innerlijke spanning die schier ondraaglijk moest zijn.

‘Mevrouw Jones? Wilt u niet gaan zitten?’

Tranen welden op in de zwarte ogen; de vrouw zei met een gesmoorde stem: ‘Ik heb de hele nacht niet geslapen. Ik - ik moest naar u toe...’ Ze maakte haar tasje open en haalde een zakdoek te voorschijn waarmee ze haar ogen bette. Toen probeerde ze te glimlachen en zei: ‘U hield van hem, nietwaar?’

De vraag verraste Margaret, maar ze liet het niet merken. ‘Ja,’ zei ze.

‘Ik ook. U kunt me geloven of niet, ik ook.’ De zwarte ogen onderzochten de hare. ‘Gistermorgen kwam ik om te zien hoe hij doodgemarteld werd. Ik had de beul drie goudstukken beloofd als hij het zo lang mogelijk rekte.’ Ze droogde opnieuw haar ogen; haar hand beefde.

‘Kom,’ zei Margaret, en ze legde een arm om de schouders van de vrouw om haar naar een stoel te geleiden.

Maar de ander wilde van geen toegeven weten; zij bleef stokstijf staan. ‘Ik ... U weet, neem ik aan, waarom Henry werd opgehangen?’

‘U bedoelt, wat hij gedaan had?’

De vrouw knikte.

[p. 334]

‘Ik heb het nooit willen weten.’

‘U - u wilde het niet?’

‘Nee.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat het me niet interesseerde.’

‘U wist niet dat hij zijn vader heeft vermoord?’

Margaret vroeg zich af hoe ze de arme vrouw kon helpen. ‘Ik heb zo iets gehoord,’ zei ze, ‘maar ik weet de bijzonderheden niet. En ik wil ze ook niet weten.’

‘Maar daarom ben ik juist gekomen!’ riep de vrouw uit. ‘Om u de waarheid te vertellen!’

Margaret had er een idee van wat de vrouw wilde zeggen, maar achter de slaapkamerdeur stond Thomas te luisteren. Ze kon niet toestaan dat deze wanhopige ziel zichzelf beschuldigde in bijzijn van een meeluisterende rechter. ‘Mevrouw Jones,’ zei ze met besliste stem. ‘Beheers u. U moet dit niet doen. Gelooft u me.’

‘Ik moet!’ riep de ander uit. ‘Ik moet het iemand vertellen! Ik kan er niet langer mee leven!’ Ze scheen op het punt in tranen uit te barsten.

Margaret zei met klem: ‘Wat gebeurd is, is gebeurd, mevrouw Jones. Henry is dood. Nu moet u een manier vinden om zijn dood zinvol te maken; niet nog méér pijn, méér ellende teweegbrengen.’

‘Zinvol?’ Ze zuchtte. ‘Enfin - u hebt gelijk. Ze zijn allebei dood ... Mag ik een kopje thee?’

‘O - natuurlijk, laat mij het inschenken...’ Margaret vroeg zich af of Thomas inderdaad aan de deur stond te luisteren.

‘Weet u,’ zei de vrouw, die eindelijk was gaan zitten, ‘ik heb een vreemd gevoel: voor mij is hij niet dood.’ Ze glimlachte zenuwachtig. ‘Komt dat doordat ik het niet wil geloven? Het lijkt wel of ik hem voor me zie, waar ik ook ga. Gelooft u in dat soort dingen?’

‘Ik weet het niet.’

Ze nam een slokje thee, zette de kop neer en zei: ‘U had het over “zinvol” maken. Wat bedoelde u daarmee?’

Margaret had het in een opwelling gezegd, maar plotseling voelde ze zich geroepen te antwoorden: ‘Waarom proberen we daar niet achter te komen door samenkomst te houden?’

‘Samenkomst?’

‘Laten we in stilte bij elkaar zitten en God om leiding vragen.’

Zonder te wachten tot de bezoekster ermee instemde, sloot Margaret haar ogen, vouwde haar handen in haar schoot en zocht met ervaren gemak het diep van de stilte. Wat in haar opkwam was de kerker, de kinderen, Ann Traylor, alsof ze die voor zich zag. Hoe zou het met Ann zijn? Wie zou haar vervangen? Ze sloeg haar ogen op en staarde naar de vrouw tegenover zich. Onmogelijk! Nee, dat was onzin...

Alsof ze Margarets blik gevoeld had, keek de ander op. ‘En?’ vroeg ze.

[p. 335]

‘Zou u bereid zijn te doen wat ik heb gedaan?’

‘Pardon?’

‘De kinderen in de gevangenis verzorgen? Er is nu een meisje bij hen, iemand van mijn personeel. Ze is jong en onervaren. Ze kan daar niet blijven.’

‘Ik begrijp u niet...’

‘U weet wat we voor die kinderen doen, nietwaar? Henry was één van hen.’

De vrouw staarde haar ongelovig aan. ‘U ... U kunt toch niet ... Ik...?

‘Waarom niet? Wilt u niet?’

‘Maar u hebt er geen idee van wat u vraagt! Ik bedoel, u ... u kent me helemaal niet!’

‘Wat is je voornaam?’

‘Bronwen...’

‘Laten we het weer in de stilte zoeken, Bronwen. Als God in je gedachten fluistert dat je moet gaan, ga dan. Stel je open, zodat Zijn wil zich in je gedachten kan openbaren. Zet alles uit je hoofd: angst, vooroordeel, alles behalve je verlangen om Henry lief te hebben, waar hij ook mag zijn.’

Ze sloot haar ogen weer, vouwde haar handen, boog haar hoofd en bad: ‘God, Liefde, wat je ook zijn moge - help ons.’

 

***

 

Het bleef zolang stil daarbinnen dat Thomas Fell ervan overtuigd raakte dat ze de kamer hadden verlaten. Hij opende de deur en keek recht in het plechtige gezicht van zijn vrouw.

‘Pardon,’ mompelde hij, en deinsde terug. Verduiveld nog aan toe, dacht hij, de slimmerik!

Hij kleedde zich snel aan; terwijl hij bezig was zijn pruik op te zetten voor de spiegel ging de tussendeur open en Margaret stak haar hoofd naar binnen. ‘Tom?’ vroeg ze op haar visite-toon, ‘kom even kennis maken met mevrouw Jones. Ze gaat Ann Traylor aflossen.’

Onwillekeurig riep hij uit: ‘Ze gaat wat!?

Margaret keek streng en zei, nog steeds op die gemaakte toon: ‘Misschien zou je zo vriendelijk willen zijn mevrouw Jones even gezelschap te houden terwijl ik me gauw aankleed? En zou je ons dan misschien naar het Slot willen rijden, zodat ik mevrouw Jones de weg kan wijzen? We hebben de koets hier, nietwaar?’

‘Ja, eh - zeker!’ antwoordde hij, terwijl hij haar de slaapkamer in wenkte. Ze kwam binnen en deed de deur achter zich dicht. ‘Vooruit,’ fluisterde ze, ‘wees een engel, houd haar even gezelschap. Ik ben zo klaar.’

‘Je bent stapelgek, krankzinnig!’ fluisterde hij. ‘Die vrouw?! Ik verbied het je!’

[p. 336]

‘Waarom?’ Hij zag aan haar gezicht dat ze zich schrap zette.

‘Ik heb maar een deel van het gesprek gehoord,’ fluisterde hij, ‘maar genoeg om te vermoeden dat het niet de jongen was die haar man de hersens heeft ingeslagen maar zij zelf!’

‘Stil!’

‘Stil?! Die jongen werd door haar man seksueel misbruikt, zij moet ze op heterdaad betrapt hebben, en...’

Stil!’ Ze keek hem aan met fonkelende ogen. ‘Je hebt niets gehoord! Opperrechters luisteren niet aan deuren!’

‘Wel heb ik van m'n...’

‘Tenzij je bereid bent onder ede, in de rechtszaal, te verklaren dat je dat wél gedaan hebt!’

Hij keek haar ongelovig aan. ‘Mijn God,’ zei hij, verbluft, ‘en ik die dacht dat je een heilige was!’

‘En waarom niet?’ vroeg ze, met een stalen gezicht.

‘Die vrouw hoort in de gevangenis thuis!’ riep hij uit, in een laatste poging om haar bij haar verstand te brengen.

‘Daar gaat ze dan ook heen.’ Ze liep langs hem heen en begon haar kamermantel los te knopen. ‘Laat die arme vrouw daar niet alleen zitten! Ga haar over onze rozen vertellen: haar man en zij kweekten rozen. Vertel haar maar over de onze.’

Hij zette zijn pruik recht, trok zijn jas in de plooi en opende de deur.

Mevrouw Jones bleek een verrassend knappe vrouw te zijn; zijn zelfverzekerde houding werd niet geschraagd door de ontdekking dat zij en haar man nooit rozen hadden gekweekt. Die weergase Margaret en haar streken! Een heilige! Plotseling kwam hij tot de slotsom dat dit belachelijk was; hij kon, als opperrechter, een moordenares niet zo maar vrij laten rondlopen opdat ze zijn vrouw bij een van haar bevliegingen zou kunnen helpen.

‘Vertelt u me eens, mevrouw Jones,’ zei hij terloops. ‘Was u het die uw man vermoordde?’

De vrouw keek hem kalm aan met haar felle zwarte ogen; toen antwoordde ze effen: ‘Nee. Ik probeerde dat uw vrouw te vertellen, maar ze vond het niet belangrijk.’

‘Wat gebeurde er dan wel?

Ze stond op. ‘Your Lordship,’ zei ze op een toon die hem aan Margaret herinnerde, ‘ik ben het met uw vrouw eens. Ik geloof niet dat het er nog toe doet. Ik heb hem niet vermoord; voor de rest, laten we de doden hun rust gunnen.’

Hij stond ook op. ‘Mevrouw Jones, ik vrees dat uw antwoord niet bevredigend is. Ik zal u, te gelegener tijd, om een duidelijker verklaring moeten vragen.’

‘En waarom? Om het privé-leven van mijn man door de rechtszalen te sleuren? Welk doel zou daarmee gediend worden, behalve een abstract begrip van recht? Hij was een goed mens, een lieve man. Niemand van

[p. 337]

ons is volmaakt.’

Hij boog. Als de vrouw geen bekentenis wilde afleggen, kon hij haar niet daartoe dwingen. ‘Inderdaad, mevrouw. Sommigen van ons liegen, sommigen stelen, anderen laten een onschuldig kind ophangen.’

Ze vertrok geen spier. ‘Zo is het.’ Ze nam haar handschoenen en voegde eraan toe: ‘Bent u ooit aan een driftbui ten prooi geweest, Your Lordship? Zo'n woeste, satanische drift dat u niet langer wist wat u deed?’

‘Niet dat ik weet,’ antwoordde hij droog.

Ze begon haar handschoenen aan te trekken. ‘Uw echtgenote is een nobele vrouw, Your Lordship. Ze geeft iemand het geloof terug dat God een God van liefde is. Dat, als ik het goed begrijp, is niet uw opvatting. Oog om oog, tand om tand, nietwaar? Dat dacht ik ook, tot ik haar op het schavot mijn kind zag helpen om de dood...’ Plotseling liet ze zich in een stoel vallen en barstte in tranen uit.

‘Mevrouw Jones!’ ... Hij hoorde de deur achter zich opengaan en daar stond Margaret, haar japon open, de haren los. Ze snelde naar de snikkende vrouw toe, sloeg haar armen om haar heen alsof het een kind was en wierp hem een blik toe die maakte dat hij achteruit de deur uit deinsde en die behoedzaam achter zich sloot.

 

***

 

Toen Margaret schout Farragut vertelde dat mevrouw Jones de plaats van Ann Traylor zou innemen, keek de man zo verbluft dat ze, ondanks de ernst van de situatie, moeite had haar gezicht in de plooi te houden. Klaarblijkelijk zag hij het voor een grap aan; maar het gezag van Bronwen Jones was zodanig dat hij, toen ze om een lantaarn vroeg, onmiddellijk gehoorzaamde. Hij bood aan de dames zelf naar beneden te vergezellen, maar Bronwen zei: ‘Dank u, dat is niet nodig.’

Terwijl ze de wenteltrap naar de kerkers afdaalden, observeerde Margaret Bronwen Jones. Ze vroeg zich af of zij er ook zo had uitgezien toen ze voor de eerste keer naar beneden ging: doodsbleek, haar ogen vol afgrijzen. Maar wie of wat Bronwen Jones ook mocht zijn, ze was kennelijk een flinke onbevreesde vrouw die tegen iedere situatie opgewassen zou zijn. Of ze ook de liefde bezat die de kinderen voor alles nodig hadden, was minder duidelijk.

Eindelijk gingen ze de gang in en hoorden de krankzinnige vrouwen gillen en met hun ketens tegen de tralies beuken. Het gezicht van Bronwen Jones leek hard en onaangedaan terwijl ze langs de kooi liep met de trieste schepsels die hun klauwen naar hen uitstrekten; in een opwelling schudde Margaret er enkele en zei: ‘Goedemorgen, goedemorgen. Wat prettig jullie weer te zien!’ Tot haar verrassing antwoordden een paar: ‘Welkom thuis! Fijn je weer te zien, Maggie!’ Maar de anderen, buiten het bereik van menselijkheid, raakten door het dolle heen en maakten zo'n hels ka-

[p. 338]

baal met hun ketens dat er een vechtpartij uitbrak. Het was diep ontstellend te zien hoe de arme wezens elkaar te lijf gingen, aan de haren trokken, tegen de grond smeten, met hun ketens aftuigden. Ze nam Bronwen Jones bij de arm en trok haar voorbij het erbarmelijke tafereel; toen ze bij het hek van de kindercel kwamen, riep ze: ‘Ann!’ en haar mond viel open van verbazing.

Bij het licht van vier kaarsen zat een groep kinderen, paarsgewijs, met leesplankjes voor zich; Ann was bezig hun het alfabet te leren. Toen ze Margaret zag, stond ze op om het hek open te doen; vijf van de kinderen sprongen overeind en kwamen op haar toegerend. Minutenlang omstuwden ze Margaret van alle kanten, trokken aan haar japon, sloegen hun armen om haar hals, haar benen, kusten haar; zij knielde in het stro en de kleine Jody klauterde vol vreugde op haar schoot. Het kind bleef zich aan haar vastklampen toen ze zich eindelijk van de anderen had bevrijd en weer op kon staan; met Jody in haar armen, vroeg ze: ‘Wie zijn de nieuwelingen?’

‘Kinderen van andere verdiepingen,’ antwoordde Ann. Zo op het eerste gezicht scheen ze allerminst ontredderd na haar eerste nacht in de gevangenis. ‘Hun ouders zijn gegijzeld wegens schuld; ze hebben me gevraagd ze in de klas op te nemen.’

‘Prachtig!’ zei Margaret. Ze gaf de kinderen een hand, vroeg hun hoe ze heetten, en keek vol medelijden naar hun magere, vervuilde gezichtjes, het ongedierte in hun haren, hun lompen. Toen besefte ze dat ze haar nieuwe gezellin nog niet had voorgesteld. ‘Ann, dit is mevrouw Jones...’ Maar Bronwen Jones was niet in een conditie om te worden voorgesteld. Ze stond met haar handen voor haar gezicht, haar schouders schokten. Margaret had vergeten welk een indruk de kinderen maakten op iemand die ze voor het eerst zag; in haar ogen leek de kerker schoon en netjes en het stro fris, ze had eerder verwacht er een complimentje voor te zullen krijgen. Maar haar opluchting was groot: Bronwen Jones zou van de kinderen gaan houden, net als zij, en dat, wist ze nu, was de sleutel tot hun menselijkheid.

Maar na haar ontsteltenis en medelijden te boven te zijn gekomen ontpopte Bronwen Jones zich als een kordate, praktische vrouw. Ann was kennelijk opgelucht dat ze niet aan haar lot zou worden overgelaten; ze bestelde een paar dingen: leesplankjes, leitjes, kleren; Bronwen zei dat ze er voor zou zorgen, en haar later op de dag zou komen helpen met het baden en verschonen van de nieuwe kinderen.

Toen ze in het kantoortje van de schout terugkwamen, kregen ze te horen dat opperrechter Fell met rechter Sawrey in de raadskamer was, maar ze konden ieder ogenblik klaar zijn. ‘Kom,’ zei Margaret. ‘Waarom gaan we niet even in de zon wandelen? Meneer Farragut, als mijn man komt, wilt u hem dan zeggen dat hij ons kan vinden op het plein?’

‘Natuurlijk, mevrouw...’ De schout liet hen buigend uit.

Op het plein gingen ze op een bank in de zon zitten, aan de voet van het standbeeld van St.-Joris. De duiven dribbelden koerend heen en weer; de

[p. 339]

spreeuwen waren verdwenen, het was eindelijk zomer.

‘Ah!’ zei Margaret, met gesloten ogen in de zon. ‘Wat een genot om buiten te zijn! Je wordt er bijna duizelig van, na de kerkers.’

De vrouw naast haar zei, zakelijk: ‘Je ziet erg bleek, en je moet iets aan die uitslag doen. Komt dat door het eten? Ik vraag het je omdat ik wil weten wat me te wachten staat.’

‘Nee, het komt door het ongedierte.’

‘Wat voor soort?’

‘Wandluizen. Lijken op teken, groot, roodbruin; ze leven in de voegen van de muren en komen alleen 's nachts te voorschijn. Je kunt niets tegen ze doen; ik heb de cel van onder tot boven schoongeschrobt, het stro laten verversen, de kinderen met jachtwater gewassen, maar de luizen hebben het gewonnen.’

‘Ik vraag me af of er niet een zalfje is dat ze ervan afhoudt om te bijten.’

Margaret keek haar aan. Wat een evenwichtigheid! Het was een wonder, net als toen George Fox met John McHair was binnengekomen. Wat leek dat lang geleden! Wat had ze toen weinig geweten van de ware aard van God, en van haar eigen ware aard.

Plotseling greep Bronwen haar bij de arm. ‘We moeten over de kinderen praten,’ zei ze. ‘We moeten ze eruit zien te krijgen.’

‘Hoe? Je weet hoe fel mannen zich aan straf en wraak vastklampen.’

‘Niet alleen maar mannen,’ zei de ander nuchter. ‘Ik heb dat zelf ook gedaan.’

‘Maar wat kunnen we doen? Met de kinderen, bedoel ik, stel dat we ze eenmaal uit de gevangenis zouden krijgen?’

‘Ze ergens onderbrengen waar ze de zon kunnen zien en de buitenlucht inademen. Een boerderij misschien, ergens op het platteland. De mannen mogen er tralies omheen zetten als ze dat willen, maar van binnen zou het eruit moeten zien als een echt thuis: warm, veilig - een thuis voor kinderen.’

‘En geen cipiers! Maar moederlijke vrouwen...’

‘Waarom geen mannen? De kinderen moeten ook vaders hebben. Wat we moeten zien te vinden zijn echtparen, die bereid zouden zijn een aantal van die kinderen onder hun hoede te nemen en ze als hun eigen gezin op te voeden.’ Ze glimlachte. ‘Ik weet hoe je dit in de oren moet klinken, omdat ik pas vanmorgen begonnen ben. Maar mijn man en ik hebben al jaren in deze richting gedacht, over verlaten kinderen, wezen. Mijn man...’ Ze zweeg.

‘Het klinkt prachtig,’ zei Margaret luchtig. ‘Maar laten we eerst over onze volgende stap praten. We moeten beginnen met de vrouwen van de notabelen hier in Lancaster; die zouden de kinderen moeten zien; de rest komt dan vanzelf.’

‘Ik help het je wensen.’

‘Waarom niet?’

[p. 340]

‘Ik geloof niet dat je veel vrouwen bereid zult vinden te doen wat jij gedaan hebt.’

‘Voor iemand die...’

‘Mij moet je niet meerekenen. Mijn redenen zijn, God geve het, uniek.’ Het bleef even stil; toen voegde ze eraan toe: ‘Ik doe dit niet als boetedoening, hoor.’

Plotseling werd de herinnering aan Henry zo werkelijk dat Margaret de tranen in de ogen sprongen. Ze zag zijn vuile handje dat haar het boterbloempje reikte, ze hoorde hem zeggen: ‘Voor jou.’ Ze moest niet aan hem denken; hij was dood, voor altijd weg. Wat gebeurd was kon niet ongedaan gemaakt worden.

‘Nu,’ zei ze, terwijl ze opstond, ‘je moest maar liever die boodschappen gaan doen.’

‘Dat zal ik.’ Bronwen Jones reikte haar de hand. ‘Tot ziens, Margaret. Rust goed uit, kom gauw terug, maar niet te gauw. Blijf een tijdje bij je gezin. Het is een zegen om een gezin te hebben; daaraan ontleent een moeder haar kracht.’ Toen liep ze weg, zwart in haar rouwkledij tussen de duiven.

 

***

 

‘Waarom vraagt u dat?’ vroeg Sawrey.

Rustig aan nu, dacht Thomas Fell. ‘O, zo maar, uit belangstelling. Ik zou graag wat meer over haar weten, omdat ze de plaats van mijn vrouw hier gaat innemen.’

Sawreys blik verstrakte, als die van een roofvogel. ‘Dat is een verrassing,’ zei hij onbewogen.

‘Ik vond dat ik het je maar moest laten weten. Als provoost zou je aanleiding kunnen vinden hun activiteiten enigszins te beperken, anders hebben we voor we het weten een gevangenis vol vrouwen, die hun neus steken in zaken die hen niets aangaan.’

‘Dat zal wel zo'n vaart niet lopen,’ zei Sawrey koel. ‘Mevrouw Jones is een uitzonderlijk geval.’

‘Och kom?’

‘Was dat niet wat u wenste te weten?’

‘Wat zou haar reden zijn, om zich met die kinderen te gaan bemoeien?’

Sawrey taxeerde hem met een onpersoonlijke blik. ‘Bent u op de hoogte van de reputatie van burgemeester Jones?’

‘In welk opzicht?’

‘De zonde van Tiberius.’

Dus hij had Shorwells brief gelezen! ‘Ah, juist. Hoezo?’

‘Ik weet niet of u de jongen ooit gezien hebt. Bij de vechtpartij is hem een oog uitgeslagen.’

‘Ik heb hem maar één keer gezien. Toen ik mijn vrouw door de gevange-

[p. 341]

nis rondleidde.’

‘Maar u hebt mevrouw Jones gezien. Zoudt u haar in staat achten tot een uitbarsting van woede?’

‘Ik zou het niet weten. Een knappe vrouw, als het je type is.’

‘Het type dat in een vlaag van tomeloze drift geweld pleegt?’

‘Goeie hemel!’ Thomas veinsde verbazing. ‘Je wilt toch niet suggereren dat de vrouw, en niet de jongen...’

‘Haar getuigenis was dat ze een woordenwisseling hoorde; toen ze de kamer binnenkwam vond ze haar man met zijn hoofd in de open haard liggen, zijn achterhoofd verbrijzeld; de jongen stond over hem heen gebogen met een pook in zijn hand. Ik acht het niet uitgesloten dat mevrouw Jones haar man en flagrante betrapte, en haar emoties de vrije loop liet.’

Heel intelligent, dacht Thomas; maar hier moest het ophouden. ‘Sawrey,’ zei hij, ‘als dit je bevindingen zijn, verwacht ik een rapport, waarna ik een onderzoek zal instellen naar de manier waarop het proces gevoerd werd.’

‘Het was zo maar een theorie,’ zei Sawrey bedaard, maar hij had de wenk begrepen.

‘Ik zou mijn ogen niet kunnen sluiten voor de mogelijkheid dat een onschuldige ter dood werd veroordeeld uit hoofde van ... wat? Onvoldoende vooronderzoek? Druk van buitenaf? Dat soort vragen zou ik beantwoord moeten zien.’

‘Geen zorg,’ zei Sawrey met een flauw lachje. ‘Ik weet dat mevrouw Jones machtige vrienden heeft hier in de stad - en dat we geen been hebben om op te staan,’ voegde hij er handig aan toe.

‘Dat hebben we zeker niet.’

Thomas stond op. ‘Tussen haakjes: ik zou het op prijs stellen als je een oogje zou willen houden op iemand van mijn personeel die nog hier is. Een juffrouw Traylor.’

‘Met genoegen.’

‘Bedankt. Bonjour, Sawrey.’ Hij liep naar de deur.

‘Uw dienaar,’ hoorde hij Sawrey achter zich zeggen.

Terwijl hij door de gang liep, besloot hij dat, als het tij gunstig was, hij zijn buurman, Holker, zou vragen hem een paar paarden te lenen zodat Margaret en hij nog vanavond de zandvlakte zouden kunnen oversteken, in plaats van die hele omweg te moeten maken en de nacht in Kendal door te brengen. Hij snakte ernaar om weer thuis te zijn.

 

***

 

‘Nee, liefste, ik geloof niet dat het al veilig is,’ zei Thomas. ‘We moeten nog minstens twintig minuten wachten. Laten we even rusten.’

Hij hielp Margaret afstijgen. Het was een vreemde sensatie voor haar om weer uit een zadel te glijden; toch was ze maar een maand weggeweest.

[p. 342]

‘Laten we hier gaan zitten,’ zei hij, terwijl hij haar naar de rand van het klif leidde. ‘We kunnen zien wat het tij doet, en van de zonsondergang genieten.’

Ze gingen tussen de heidestruiken zitten. Achter hen begonnen de geleende paarden te knabbelen; nog een week of wat en de hei zou te taai voor ze zijn, alleen nog maar eetbaar voor schapen. Vreemd, terug te komen. Het was nog steeds onwerkelijk voor haar.

‘Jammer dat we het huis van hier uit niet kunnen zien,’ zei hij.

Ze tuurde naar het water, dat flitste en sprankelde in de lage zon. ‘Wat heerlijk dat we vanavond thuis kunnen zijn,’ zei ze. ‘Het was erg vriendelijk van jonker Holker.’

‘Ja.’ Hij liet zijn hoed naast zich vallen en strekte zich in de hei uit. ‘Ah, wat een verrukking, na de stad.’

Ze lachte.

‘Ik weet het,’ zei hij, de ogen gesloten. ‘Het contrast moet voor jou nog veel groter zijn.’

Ze legde haar hand op zijn arm; zonder zijn ogen te openen bracht hij die naar zijn lippen, drukte er een kus op en legde hem weer terug op zijn arm. Even later zei hij: ‘Ik ben benieuwd hoe Henrietta Best het maakt. Ik heb begrepen dat jullie gecorrespondeerd hebben?’

‘Ja. De kinderen schijnen haar te mogen.’

‘Ik ook.’ Hij gaapte en wreef zijn neus. Ze had hem in tijden niet zo ontspannen gezien. Ze zouden dit vaker moeten doen; gewoon ergens in de hei gaan zitten en naar de zonsondergang kijken.

‘Ik geloof dat ik nu weet hoe het gebeurd is,’ zei hij.

‘Wat?’

‘Een man met een pook de hersens inslaan is nogal wat voor een elfjarige jongen. En hij werd gevonden met zijn hoofd in de open haard, zijn achterhoofd verbrijzeld. Hij moet gestruikeld zijn en met zijn achterhoofd op een van de haardijzers terechtgekomen. Ik denk dat zij de jongen met de pook te lijf is gegaan.’

Haar blijdschap versomberde. ‘Waarom laat je de doden niet de doden begraven?’

‘Liefste,’ zei hij, ‘het is mijn beroep. Ik ben nu eenmaal bezeten door een hartstocht voor de waarheid.’

‘Weet je zeker dat het voor de waarheid is?’

Hij sloeg zijn ogen op. ‘Wat anders?’

‘Gewoon de sport. Het jongensachtige verlangen om mevrouw Jones in de staart te bijten.’

‘Daar zou ik niets op tegen hebben.’

Ze boog zich over hem heen en kuste zijn neus. Er waren rimpels om zijn ogen die er vroeger niet geweest waren; toch leek het of ze pas gisteren net zo aan het water hadden gezeten, in hun verlovingstijd. Hij had met zijn stok in het zand getekend en gezegd, op de toon die toen zoveel indruk op

[p. 343]

haar maakte: ‘Zoals de oude Aaron Cartwright eens zei: “Het heelal is niet alleen veel gecompliceerder dan je je voorstelt, het is veel gecompliceerder dan je je kúnt voorstellen.”’ Ze had daar in geen jaren meer aan gedacht.

‘Hoe staat het met het tij?’ vroeg hij, geeuwend. ‘Kun je de zandbank van Chapel Island al zien?’

Ze keek. Het water lag nog ongerept om het silhouet van het eiland en de ruïnes van het klooster. ‘Nog niet. Probeer nog even te slapen. Ik zal je wel wekken.’

‘Hmm.’

Ze keek naar zijn handen, op zijn borst gevouwen; zijn gezicht. ‘Geef me je pruik maar,’ zei ze.

‘Hmmm.’ Hij tilde zijn hoofd op, de ogen gesloten.

Ze nam hem de pruik af, en legde die in haar schoot.

‘Dat is een opluchting. Dank je, lieve.’

Ze keek glimlachend op hem neer, en voelde plotseling een koude rilling. Met zijn kortgeschoren grijze haar, zijn handen op zijn borst, zag hij eruit alsof hij net was gestorven. Wat een afgrijselijke gedachte! Ze wendde zich af en keek naar de zonsondergang, maar de gedachte aan de dood bleef haar bij. Wat was het leven kort! Het kortst van al dat van Henry. Ze hoorde in gedachten Bronwen Jones: ‘Ik heb een vreemd gevoel: voor mij is hij niet dood.’

Het leek onaanvaardbaar dat iemand, zo maar, in het niets kon verdwijnen. Het kon gewoon niet; het had geen zin. En toch zat ze daar met een gevoel van berusting dat ze nooit eerder gekend had. Nu ze de werkelijkheid van God ervaren had, kon ze Zijn mysterie aanvaarden.

Thomas ging overeind zitten en keek naar het tij. ‘We moesten maar op weg gaan,’ zei hij, ‘anders is het donker tegen de tijd dat we bij het drijfzand komen. En we zijn George Fox niet.’

Terwijl hij de paarden ging halen zat zij naar de ondergaande zon te kijken, en dacht aan George. Ze had in lange tijd niets van hem gehoord. Waar was hij? Wat deed hij? De enige die Hij heeft ben jij. Ze vroeg zich af of hij besefte hoezeer hij gelijk had gehad.

‘Liefste, hier is je paard. Mag ik mijn pruik?’

Ze daalden behoedzaam de helling af; eenmaal op het harde zand gekomen, draafden zij de uitgestrektheid van de vlakte op.

Voor een wijle wierpen zij lange schaduwen, toen verdween de zon.

 

***

terug  begin  verder