terug  begin  verder
[p. 347]

[Deel 2, deel eerste hoofdstuk]

Hiermee eindigt het eerste deel van Jan de Hartogs romancyclus Het Koninkrijk van de Vrede. Het volgende deel speelt in Pennsylvanië in Amerika, ongeveer een eeuw later, van 1754 tot 1755.

Hieronder volgt een deel van het eerste hoofdstuk.

Een

De rivier de Delaware lag glinsterend in het licht van de opkomende zon, in de eindeloze uitgestrektheid van het oerbos. Het was een heldere ochtend, maar zoals meestal om deze tijd van de dag werd de glinstering van het water in een van de bochten door mist aan het oog onttrokken, vierentwintig kilometer beneden de stad Philadelphia. De mist daar werd veroorzaakt door een ring van warme bronnen in de rivierbedding, om een eiland heen dat ‘Eden’ werd genoemd. De naam was toepasselijk: de warme bronnen gaven het eiland een veel milder klimaat dan het omringende landschap; zelfs 's winters was het er één uitbundige, bijna subtropisch weelderige plantengroei. De Indianen, naar wie de rivier door de eerste blanke kolonisten genoemd was, hadden een bijgelovig ontzag gekoesterd voor het door nevel omhulde kleine oerwoud midden in de rivier, vooral voor een kolossale, grillig gevormde rots halverwege tussen het eiland en de kust van Pennsylvanië. De rots werd in het eerste verdrag tussen William Penn en de Unami-stam van de Delawares tot Indiaans heiligdom verklaard dat voor altijd ongeschonden zou blijven. Maar dat was tweeënzeventig jaar geleden geweest; de Delawares hadden zich sindsdien allang onder de steeds toenemende druk van de blanke kolonisatie naar het noorden teruggetrokken. Al wat er nu nog van de rots als godsdienstige heugenis restte was de naam op de kaarten van de rivier: ‘Altaar Rots.’

Voor de gezagvoerders van de koopvaardijschepen die de rivier geregeld van en naar Philadelphia bevoeren, was Altaar Rots allesbehalve een heiligdom. De eeuwige ochtend- en avondmist in de nauwe vaargeul langs het eiland maakte de rots het voornaamste gevaar voor de scheepvaart tussen Kaap May en de stad; het ‘Altaar-gat’ was in het verleden het toneel van

[p. 348]

vele schipbreuken en botsingen geweest. De ergste tragedie had zich voorgedaan toen in 1703 de veerboot naar het eiland door de barkentijn Margaret Fell overvaren werd. Bij die ramp waren de jeugdige Moses en Melanie Baker omgekomen, wier zoontje Bonifacius, twee jaar oud, achterbleef onder de hoede van zijn grootmoeder van vaderskant, Ann Baker-Traylor.

Gedurende de tien volgende jaren bleven de oude dame en het kind de enige blanke bewoners van het eiland waar ze met een bediendenstaf van zeventien slaven het grote huis bewoonden dat kort voor de ramp was voltooid. Toen werd er een huisonderwijzer van het vasteland naar het eiland gehaald, en uiteindelijk een bruid voor de jonge Bonifacius: Beulah Best, kleindochter van William Best de scheepsbouwer. Er kwamen snel achter elkaar drie kinderen; zij waren het die met hun hoge schrille stemmen en hun wilde spelletjes in het oeverriet ten slotte het laatste overblijfsel van het Indiaanse heiligdom verjoegen: de eerbiedige rust die zolang Bonifacius zich kon herinneren op het eiland had geheerst en die zijn kindertijd gemaakt had tot jaren van beslotenheid, stilte en eenzaamheid.

Nu, op deze ochtend, in de lente van 1754, was het alsof hij opnieuw die eigenaardige, geheimzinnige stilte ervoer terwijl hij, jongensachtig languit liggend, in de oude werkboot langs de New-Jerseykant van het eiland door de mist dreef en toekeek hoe de nevel blauw en goud gekleurd werd door de zon die boven het oerwoud opkwam. Als kind had hij het altijd heerlijk gevonden om zich vroeg in de ochtend langs het hele eilandje te laten drijven, dobberen, helemaal alleen in een wolk, luisterend naar het geklots van het water in het riet, het luide gerinkel van een emmer in de mist, het geluid van stemmen en het blaffen van honden, terwijl hij ongezien langs het slavenkwartier dreef, tot hij, elke keer weer, verrast werd door het onverhoedse machtige gebruis van Altaar Rots dat pas hoorbaar werd zodra zijn boot voorbij de wildernis op de zuidelijke punt van het eiland dreef. Tenzij de rivier gezwollen was, door regen of gesmolten sneeuw van de bergen, deed de stroming er tien minuten over om hem langs de hele lengte van het eiland te dragen.

Deze ochtend had hij, zodra hij in de boot was gaan liggen, het gevoel alsof hij terugdreef in de wereld van zijn jongenstijd. Plotseling was hij niet langer een welgedane, kaal wordende man van vijftig die opeens zin had gekregen met de werkboot de rivier op te gaan na een rusteloze nacht in de eerste hitte van de lente, maar weer de stille, eenzelvige jongen die het huis was uitgeslopen voordat grootmoeder wakker werd, om in het blauwe ochtendgloren de helling van het gazon af te hollen, in de zwarte boot te klauteren die aan de rand van de leegte op hem lag te wachten, en, voorzichtig om niemand in het slapende huis wakker te maken met het gebonk van riemen of het geplas van water, de geheimzinnige wereld van damp binnen te roeien die het eiland omringde als een op een bergtop rustende wolk. En daar dreef hij, schijnbaar mijlenver van grootmoeder en Peregrin Moremen, de huisonderwijzer, en dikke Mammy, de huisslavin. De rivier

[p. 349]

en het oerwoud behoorden hém, heel de toekomst, het leven...

Bonifacius probeerde zich die jongen voor de geest te halen, tenger, mager, rap als een eekhoorn. Maar als hij naar zijn met kostbaar zwart laken beklede dikke dijen keek, zijn stevige kuiten in hun witte kousen, was het moeilijk zichzelf weer als dat zwervertje te zien, blootsvoets, lui languit liggend, handen achter zijn hoofd, Quaker-hoed op zijn neus, in wat toen de omvangrijke ruimte van de boot was geweest, en nu maar een krap badkuipje bleek te zijn. Maar zodra hij eenmaal op zijn rug lag en zijn met zilveren gespen gesierde schoenen had uitgeschopt om met zijn tenen te wriemelen zoals die jongen met zijn blote voeten had gedaan, kwam de betovering over hem. Plotseling proefde hij weer de jeugd: de oneindigheid van de toekomst, de volheid van onuitgesproken beloften - beloften van avontuur, godsvrucht, liefde - een vloed van halfverbeelde hunkeringen naar alles wat het leven maar zou kunnen bieden, behalve, raadselachtig genoeg, rijkdom. Op geen enkel moment in zijn jeugddromen had hij zichzelf in de toekomst voorgesteld als de man die hij geworden was: een rijke, dikke planter door ingetogen Quaker-weelde omringd in hetzelfde huis waar hij achtenveertig jaar tevoren als een jammerend weesje was binnengedragen om door grootmoeder aan de borst gedrukt te worden.

Opeens voelde hij intense heimwee naar grootmoeder, het onmannelijke verlangen om door een toverstaf te worden aangeraakt en, één keertje maar, het slapende huis in de gouden nevel van de zonsopgang opnieuw te betreden, op de deur van haar kamer te kloppen en als antwoord op haar roep weer over dat als een hondevacht zo ruige karpet naar het hemelbed te lopen waarin ze, tegen kussens geleund, rechtop zat met het ontbijtblad op schoot en tegen Mammy praatte over de dagelijkse werkzaamheden. ‘Zo, zo!’ zou ze streng zeggen. ‘Sinds wanneer komen we op blote voeten grootmoeders kamer binnen? Moet je die tenen zien! Vertel me niet dat je weer met die oude boot aan de haal bent geweest!’ Maar ondanks de strenge stem en de onderzoekende blik in die groene ogen wist hij dat ze niet echt boos op hem was; dat was ze nooit - wat hij ook mocht hebben gedaan, er was altijd een heimelijke tederheid in de diepten van die onverbiddelijke ogen. Dit heimelijke, geamuseerde begrip had de kern gevormd van zijn besef van geborgenheid, het overheersende element van zijn jeugd. Was het liefde geweest? Of alleen maar de heimelijke geamuseerdheid van iemand, die gevangenschap en marteling en verbanning had gekend, om de onschuld van zijn kinderlijke zonden?

Wat het ook geweest mocht zijn, ze was nu vast trots op hem. De zuivere winst van de plantage was nu het dubbele van wat het in haar beste dagen was geweest. Het aantal slaven was nu tot tweehonderd uitgegroeid; zijn dochters naderden de volwassenheid in een sfeer van rustige welstand; zijn zoon werd opgeleid om de plantage over te nemen als hij meerderjarig was; misschien zou dat het moment zijn om terug te keren naar die dromen van zijn jongenstijd: een leven van avontuurlijke vroomheid zoals dat van nicht

[p. 350]

Gulielma Woodhouse, dokter onder de Indianen in de wildernis, of als hoofd van een krankzinnigengesticht, of...

De vrede waarin hij dreef werd opeens verstoord door kijvende stemmen, verrassend dichtbij. Ze moesten uit het grote huis komen, want hij herkende de stemmen van zijn dochters; hoewel hij geen woord kon verstaan was het duidelijk dat ze weer eens ruzie hadden. Wat ter wereld kon er nu weer aan de hand zijn? Wat bracht een achttienjarig meisje ertoe bij de geringste aanleiding als een furie tegen haar zusje tekeer te gaan, alsof ze zelf nog tien jaar oud was?

Hij roeide met de zekerheid van veertig jaren ervaring in de mist terug naar de steiger aan de voet van het gazon, legde de boot vast, trok zijn schoenen weer aan, en liep naar het huis met de witte zuilen dat in de nevel opdoemde, gehuld in slierten van mist die door de hitte van de ochtendzon vervluchtigd werden. Hij liep het trapje naar de veranda op, opende de glazen deuren naar de vestibule, en ging de warme duisternis van het naar slaap geurende huis binnen. Het geluid van de ruzie kwam uit Becky's kamer; geluidloos beklom hij de trap, deed de deur open, en bracht de plotseling luide stemmen tot zwijgen door te roepen: ‘Kinderen! Wat is er nú weer aan de hand?!’

De meisjes, nog in hun nachtjaponnen, hun haren in papillotten, stonden bij de notehouten secretaire die Becky van grootmoeder geërfd had; een zijpaneel van het meubel scheen eraf te zijn gevallen. Abby hield een stapel schriften in haar handen.

Zodra ze hem zag, riep Becky: ‘Kijk nu eens wat ze gedaan heeft! Kijk nu eens wat ze met mijn bureautje heeft gedaan!’

‘Het is jouw bureautje niet!’ gilde Abby, ‘je hebt het aan mij gegeven, dus nou is het van mij!’

‘Dat betekent nog niet dat je het kapot kunt maken! Hier, kijk, Papa, kijk nu eens wat ze gedaan heeft! De hele zijkant is eraf! Ze heeft het gewoon verruïneerd!’

‘Nietes! Die zijkant was bedoeld om eraf te kunnen! Hoe komen die schriften er anders in?’

‘Abigail?’ vroeg hij rustig, in een poging hun stemmen te dempen. ‘Waarom heb je dat bureautje uit elkaar gehaald?’

‘Waarom haalt ze alles uit elkaar!’ riep Becky. ‘Ze is geen kind, ze is een aap! Alles wat je haar geeft, letterlijk alles, sloopt ze om te zien wat erin zit!’

‘Nou, deze keer zat er iets in!’ Abby hield triomfantelijk de stapel schoolschriften omhoog, vergeeld en vol ezelsoren.

‘Van wie zijn die?’ vroeg hij.

‘Van mij!’ riep Abby.

‘Dat lieg je!’ Becky probeerde ze af te pakken; ze begonnen weer als katten te vechten.

‘Kinderen! Kinderen!’ Hij legde zijn handen op hun schouders om ze te

[p. 351]

scheiden. Het was lang geleden dat hij ze voor het laatst had aangeraakt; hun fijngebouwde schouders voelden niet veel anders dan toen ze nog klein waren. Dit hernieuwde gevoel was bijzonder roerend; hoe kwetsbaar waren ze, ondanks hun opvliegend temperament; hoe broos en vrouwelijk! ‘Wat zijn dat voor schriften?’ vroeg hij.

‘Dagboeken!’ riep Abby.

‘Als het Becky's dagboeken zijn, dan moet je ze teruggeven. Ze mag je dan dat bureautje gegeven hebben, maar wat iemand schrijft blijft zijn of haar eigendom.’

‘Maar ze zijn niet van haar! Ze hebben niets met haar te maken! Ze zijn minstens dertig jaar oud!’

‘Van wie zijn ze dan?’

‘Weet ik veel? Ik heb geen kans gehad om ze te bekijken omdat zij ineens kwam binnenstormen.’

‘Binnenstormen!’ riep Becky, diep verontwaardigd, ‘dit is mijn kamer! Dit is mijn bureautje!’

‘Het is jouw bureautje niet! Je hebt het aan mij gegeven omdat je zou gaan trouwen!’

‘Hou je mond!’ krijste Becky, buiten zich zelf, ‘hou je mond! Hou je mond!’ en ze rende de kamer uit.

‘Abigail!’ zei hij, bestraffend, ‘zo gedragen Quakers zich niet.’

‘Ik kan het niet helpen dat Joe Woodhouse haar de bons heeft gegeven! Eens gegeven blijft gegeven!’

‘Wat een onzin! De jongen zit op dit moment beneden!’

Ze trok haar schouders op. ‘Vraag het haar zelf maar.’

Hij zuchtte. Ze mochten dan kwetsbaar zijn en bescherming nodig hebben, maar er waren ogenblikken dat hij eenvoudig niet wist wat hij met ze aan moest. Hij stak zijn hand uit en zei: ‘Ik geloof dat je mij die schriften maar beter kunt toevertrouwen, Abigail.’

Ze keek hem uitdagend aan. ‘Als het is om ze aan haar terug te geven...’

Voor hij kon antwoorden, schreeuwde Becky's stem uit de aangrenzende kamer: ‘Hou ze maar, mispunt! Ik wil ze niet eens meer hebben! Ze zijn trouwens stomvervelend!’

‘Vervelend? Vind jij het vervelend om te ontdekken dat Grootvader Best niet de zoon was van de rechter die voor George Fox heeft borg gestaan?’

Becky verscheen, haars ondanks, in de deuropening. ‘Wat?’

‘Hij was zijn zoon niet!’ riep Abby trots uit. ‘Hij was een vondeling.’

‘Onzin,’ zei Bonifacius. ‘Hoe kom je daar bij?’

‘Lees het zelf! Het staat hier allemaal in! En nog veel meer!’

Becky had zich hersteld. ‘Ik geloof er geen woord van!’ Ze draaide zich om.

‘Ik zal je nog meer vertellen!’ riep Abby haar na. ‘Hij was een dwerg!’ Nadat ze het eruit geflapt had scheen het kind er zelf ontsteld van te zijn.

[p. 352]

‘Ik verzeker je dat het waar is, Papa. Er staat nog veel meer in, over Grootvader Best, en Overgrootmoeder, en een massa andere mensen.’

‘Geef mij die schriften maar,’ zei hij streng. ‘Dank je.’ Abby overhandigde ze zonder protest, ofschoon hij aan de manier waarop zij ze met haar ogen volgde kon zien dat ze bij de eerste de beste gelegenheid zou proberen ze weer in handen te krijgen.

‘En laten we ons nu gaan aankleden voor het ontbijt en de ochtendsamenkomst,’ besloot hij. ‘Ik hoop dat jullie meisjes in een passender stemming onder Gods ogen zult verschijnen.’ Hij sloot de deur achter zich.

Hij vond zijn vrouw in de keuken, bezig eieren te bakken op het fornuis. Ondanks het vroege uur zaten haar haren al in de war en zweette ze als een grondwerker; haarpieken plakten op haar voorhoofd, haar wangen waren hoogrood. Hij had het allang opgegeven te proberen haar ervan te overtuigen dat er geen enkele reden voor haar was om zelf te koken; Medea, de oude negermeid, zat naast het fornuis niets te doen.

‘Heb je de meisjes daarnet gehoord?’ vroeg hij, te laat beseffend hoe onvriendelijk die vraag was; ze had de laatste tijd veel last van haar doofheid en vond het pijnlijk eraan te worden herinnerd.

‘Nee, die is nog niet wakker.’ Ze brak een nieuw aantal eieren in de koekepan, die sisten en sputterden.

‘Zijn er soms moeilijkheden tussen Becky en Joseph geweest?’ riep hij.

Ze keek op. ‘Hoezo? Heeft ze jou er iets van gezegd?’

Hij vertelde haar wat er gebeurd was en liet haar de dagboeken zien.

Ze wierp er niet meer dan een vluchtige blik op. ‘Die meisjes toch...’ Ze zuchtte. ‘Waarom maken ze hun leven toch zo ingewikkeld? Op hun leeftijd was ik heel anders!’

‘Je eieren, lieve,’ waarschuwde hij.

 

Dit was het begin van Het Heilig Experiment, het volgende deel in Jan de Hartogs weidse romancyclus over de Quakers. Voor Het Heilig Experiment kunt u, na verschijnen, terecht in elke goede boekhandel.

terug  begin  verder