terug  begin  verder
[p. schutblad voor]


illustratie

[p. schutblad voor]


illustratie

[p. I]

[Deel 2] Het heilig experiment

[p. t.o. II]


illustratie

[p. V]

Pennsylvanië, Amerika
1754

[p. 1]

Een

De rivier de Delaware lag glinsterend in het licht van de opkomende zon, in de eindeloze uitgestrektheid van het oerbos. Het was een heldere ochtend, maar zoals meestal om deze tijd van de dag werd de glinstering van het water in een van de bochten door mist aan het oog onttrokken, vierentwintig kilometer beneden de stad Philadelphia. De mist werd daar veroorzaakt door een ring van warme bronnen in de rivierbedding, om een eiland heen dat ‘Eden’ werd genoemd. De naam was toepasselijk; de warme bronnen gaven het eiland een veel milder klimaat dan het omringende landschap; zelfs 's winters was het er één uitbundige, bijna subtropisch weelderige plantengroei. De Indianen, naar wie de rivier door de eerste blanke kolonisten genoemd was, hadden een bijgelovig ontzag gekoesterd voor het door nevel omhulde kleine oerwoud midden in de rivier, vooral voor een kolossale, grillig gevormde rots halverwege tussen het eiland en de kust van Pennsylvanië. De rots werd in het eerste verdrag tussen William Penn en de Unami-stam van de Delawares tot Indiaans heiligdom verklaard dat voor altijd ongeschonden zou blijven. Maar dat was tweeënzeventig jaar geleden; de Delawares hadden zich sindsdien allang onder de steeds toenemende druk van de blanke kolonisatie naar het noorden teruggetrokken. Al wat er nu nog van de rots als godsdienstige heugenis restte was de naam op de kaarten van de rivier: ‘Altaar Rots’.

Voor de gezagvoerders van de koopvaardijschepen die de rivier geregeld van en naar Philadelphia bevoeren, was Altaar Rots allesbehalve een heiligdom. De eeuwige ochtend- en avondmist in de nauwe vaargeul langs het eiland maakte de rots het voornaamste gevaar voor de scheepvaart tussen Kaap May en de stad; het ‘Altaar-gat’ was in het verleden het toneel van vele schipbreuken en aanvaringen geweest. De ergste tragedie had zich voorgedaan toen in 1703 de veerboot naar het eiland door de barkentijn Margaret Fell overvaren werd. Bij die ramp waren de jeugdige Mozes en Melanie Baker omgekomen, wier zoontje Bonifacius, twee jaar oud, achterbleef onder de hoede van zijn grootmoeder van vaderskant, Ann Baker-Traylor. Gedurende de tien volgende jaren bleven de oude dame en het kind de enige blanke bewoners van het eiland waar ze met een bediendenstaf van zeventien slaven het grote huis bewoonden dat kort voor de ramp was voltooid. Toen werd er een huisonderwijzer van het vasteland naar het eiland gehaald, en uiteindelijk een bruid voor de jonge Bonifacius: Beula Best, kleindochter van William Best de scheepsbouwer. Er kwamen snel achter elkaar drie kinderen; zij waren het die met hun hoge schrille stemmen en

[p. 2]

hun wilde spelletjes in het oeverriet ten slotte het laatste overblijfsel van het Indiaanse heiligdom verjoegen: de eerbiedige rust die zolang Bonifacius zich kon herinneren op het eiland had geheerst en die zijn kindertijd gemaakt had tot jaren van beslotenheid, stilte en eenzaamheid.

Nu, op deze ochtend, in de lente van 1754, was het alsof hij opnieuw die eigenaardige, geheimzinnige stilte ervoer terwijl hij, jongensachtig languit liggend, in de oude werkboot langs de New-Jerseykant van het eiland door de mist dreef en toekeek hoe de nevel blauw en goud gekleurd werd door de zon die boven het oerwoud opkwam. Als kind had hij het altijd heerlijk gevonden om zich vroeg in de ochtend langs het hele eilandje te laten drijven, te dobberen, helemaal alleen in een wolk, luisterend naar het geklots van het water in het riet, het luide gerinkel van een emmer in de mist, het geluid van stemmen en het blaffen van honden, terwijl hij ongezien langs het slavenkwartier dreef, tot hij, elke keer weer, verrast werd door het onverhoedse machtige gebruis van Altaar Rots dat pas hoorbaar werd zodra zijn boot voorbij de wildernis op de zuidelijke punt van het eiland dreef. Tenzij de rivier gezwollen was, door regen of gesmolten sneeuw van de bergen, deed de stroming er tien minuten over om hem langs de hele lengte van het eiland te dragen.

Deze ochtend had hij, zodra hij in de boot was gaan liggen, het gevoel alsof hij terugdreef in de wereld van zijn jongenstijd. Plotseling was hij niet langer een welgedane, kaalwordende man van drieënvijftig die opeens zin had gekregen met de werkboot de rivier op te gaan na een rusteloze nacht in de eerste hitte van de lente, maar weer de stille, eenzelvige jongen die het huis was uitgeslopen voordat Grootmoeder wakker werd, om in het blauwe ochtendgloren de helling van het gazon af te hollen, in de zwarte boot te klauteren die aan de rand van de leegte op hem lag te wachten, en, voorzichtig om niemand in het slapende huis wakker te maken met het gebonk van riemen of het geplas van water, de geheimzinnige wereld van damp binnen te roeien die het eiland omringde als een op een bergtop rustende wolk. En daar dreef hij, schijnbaar mijlenver van Grootmoeder en Peregrin Moremen, de huisonderwijzer, en dikke Mammy, de huisslavin. De rivier en het oerwoud behoorden hém toe, heel de toekomst, het leven...

Bonifacius probeerde zich die jongen voor de geest te halen, tenger, mager, rap als een eekhoorn. Maar als hij naar zijn met kostbaar zwart laken beklede dikke dijen keek, zijn stevige kuiten in hun witte kousen, was het moeilijk zichzelf weer als dat zwervertje te zien, blootsvoets, lui languit liggend, handen achter zijn hoofd, Quaker-hoed op zijn neus, in wat toen de omvangrijke ruimte van de boot was geweest, en nu maar een krap badkuipje bleek te zijn. Maar zodra hij eenmaal op zijn rug lag en zijn met zilveren gespen gesierde schoenen had uitgeschopt om met zijn tenen te wriemelen zoals die blootsvoetse jongen had gedaan, kwam de betovering over hem. Plotseling proefde hij weer de jeugd: de oneindigheid van de toekomst, de volheid van onuitgesproken beloften - beloften van avontuur, godsvrucht, liefde - een vloed van halfverbeelde hunkeringen naar

[p. 3]

alles wat het leven maar zou kunnen bieden, behalve, raadselachtig genoeg, rijkdom. Op geen enkel moment in zijn jeugddromen had hij zichzelf in de toekomst voorgesteld als de man die hij geworden was: een rijke, dikke planter door ingetogen Quaker-weelde omringd in hetzelfde huis waar hij éénen vijftig jaar te voren als een jammerend weesje was binnengedragen om door Grootmoeder aan de borst gedrukt te worden.

Opeens voelde hij intens heimwee naar Grootmoeder, het onmannelijke verlangen om door een toverstaf te worden aangeraakt en, één keertje maar, het slapende huis in de gouden nevel van de zonsopgang opnieuw te betreden, op de deur van haar kamer te kloppen en als antwoord op haar roep weer over dat als een hondevacht zo ruige karpet naar het hemelbed te lopen waarin ze, tegen kussens geleund, rechtop zat met het ontbijtblad op schoot en tegen Medea praatte over de dagelijkse werkzaamheden. ‘Zo, zo!’ zou ze streng zeggen. ‘Sinds wanneer komen we op blote voeten grootmoeders kamer binnen? Moet je die tenen zien! Vertel me niet dat je weer met die oude boot aan de haal bent geweest!’ Maar ondanks de strenge stem en de onderzoekende blik in die groene ogen, wist hij dat ze niet echt boos op hem was; dat was ze nooit - wat hij ook mocht hebben gedaan, er was altijd een heimelijke tederheid in de diepten van die onverbiddelijke ogen. Dit heimelijke, geamuseerde begrip had de kern gevormd van zijn besef van geborgenheid, het overheersende element van zijn jeugd. Was het liefde geweest? Of alleen maar de heimelijke geamuseerdheid van iemand, die gevangenschap en marteling en verbanning had gekend, om de onschuld van zijn kinderlijke zonden?

Wat het ook geweest mocht zijn, ze zou nu trots op hem zijn geweest. De zuivere winst van de plantage was nu het dubbele van wat die in haar beste dagen was geweest. Het aantal slaven was nu tot tweehonderd uitgegroeid; zijn dochters naderden de volwassenheid in een sfeer van rustige welstand; zijn zoon werd opgeleid om de plantage over te nemen als hij meerderjarig was; misschien zou dat het moment zijn om terug te keren naar die dromen van zijn jongenstijd: een leven van avontuurlijke vroomheid zoals dat van Nicht Gulielma Woodhouse, dokter onder de Indianen in de wildernis, of als hoofd van een krankzinnigengesticht, of...

De vrede waarin hij dreef werd opeens verstoord door kijvende stemmen, verrassend dichtbij. Ze moesten uit het grote huis komen, want hij herkende de stemmen van zijn dochters; hoewel hij geen woord kon verstaan was het duidelijk dat ze weer eens ruzie hadden. Wat ter wereld kon er nu weer aan de hand zijn? Wat bracht een achttienjarig meisje ertoe bij de geringste aanleiding als een furie tegen haar zusje tekeer te gaan, alsof ze zelf nog tien jaar oud was?

Hij roeide met de zekerheid van veertig jaren ervaring in de mist terug naar de steiger aan de voet van het gazon, legde de boot vast, trok zijn schoenen weer aan, en liep naar het huis met de witte zuilen dat in de nevel opdoemde, gehuld in slierten van mist die door de hitte van de ochtendzon vervluchtigd werden. Hij liep het trapje naar de veranda op, opende de

[p. 4]

glazen deuren naar de vestibule, en ging de warme duisternis van het naar slaap geurende huis binnen. Het geluid van de ruzie kwam uit Becky's kamer; geluidloos beklom hij de trap, deed de deur open, en bracht de plotseling luide stemmen tot zwijgen door te roepen: ‘Kinderen! Wat is er nú weer aan de hand?’

De meisjes, nog in hun nachtjaponnen, hun haren in papillotten, stonden bij de notehouten secretaire die Becky van Grootmoeder geërfd had; een zijpaneel van het meubel scheen eraf te zijn gevallen. Abby had een stapel schriften in haar handen.

Zodra ze hem zag, riep Becky: ‘Kijk nu eens wat ze gedaan heeft! Kijk nu eens wat ze met mijn bureautje heeft gedaan!’

‘Het is jouw bureautje niet!’ gilde Abby, ‘je hebt het aan mij gegeven, dus nou is het van mij!’

‘Dat betekent nog niet dat je het kapot kunt maken! Hier, kijk, Papa, kijk nu eens wat ze gedaan heeft! De hele zijkant is eraf! Ze heeft het gewoon geruïneerd!’

‘Nietes! De zijkant was bedoeld om eraf te kunnen! Hoe komen die schriften er anders in?’

‘Abigail?’ vroeg hij rustig, in een poging hun stemmen te dempen. ‘Waarom, heb je dat bureautje uit elkaar gehaald?’

‘Waarom haalt ze alles uit elkaar!’ riep Becky. ‘Ze is geen kind, ze is een aap! Alles wat je haar geeft, letterlijk alles, sloopt ze om te zien wat erin zit!’

‘Nou, deze keer zat er iets in!’ Abby hield triomfantelijk de stapel schoolschriften omhoog, vergeeld en vol ezelsoren.

‘Van wie zijn die?’ vroeg hij.

‘Van mij!’ riep Abby.

‘Dat lieg je!’ Becky probeerde ze af te pakken; ze begonnen weer als katten te vechten.

‘Kinderen! Kinderen!’ Hij legde zijn handen op hun schouders om ze te scheiden. Het was lang geleden dat hij ze voor het laatst had aangeraakt; hun fijngebouwde schouders voelden niet veel anders dan toen ze nog klein waren. Dit hernieuwde gevoel was bijzonder roerend; hoe kwetsbaar waren ze, ondanks hun opvliegend temperament; hoe broos en vrouwelijk! ‘Wat zijn dat voor schriften?’ vroeg hij.

‘Dagboeken!’ riep Abby.

‘Als het Becky's dagboeken zijn, dan moet je ze teruggeven. Ze mag je dan dat bureautje gegeven hebben, maar wat iemand schrijft blijft zijn of haar eigendom.’

‘Maar ze zijn niet van haar! Ze hebben niets met haar te maken! Ze zijn minstens dertig jaar oud!’

‘Van wie zijn ze dan?’

‘Weet ik veel? Ik heb geen kans gehad om ze te bekijken omdat zij ineens kwam binnenstormen.’

‘Binnenstormen!’ riep Becky verontwaardigd, ‘dit is mijn kamer! Dit is

[p. 5]

mijn bureautje!’

‘Het is jouw bureautje niet! Je hebt het aan mij gegeven omdat je zou gaan trouwen!’

‘Hou je mond!’ krijste Becky, buiten zich zelf. ‘Hou je mond! Hou je mond!’ en ze rende de kamer uit.

‘Abigail!’ zei hij, bestraffend, ‘zo gedragen Quakers zich niet.’

‘Ik kan het niet helpen dat Joe Woodhouse haar de bons heeft gegeven! Eens gegeven blijft gegeven!’

‘Wat een onzin! De jongen zit op dit moment beneden.’

Ze trok haar schouders op. ‘Vraag het haar zelf maar.’

Hij zuchtte. Ze mochten dan kwetsbaar zijn en bescherming nodig hebben, maar er waren ogenblikken dat hij eenvoudig niet wist wat hij met ze aan moest. Hij stak zijn hand uit en zei: ‘Ik geloof dat je mij die schriften maar beter kunt toevertrouwen, Abigail.’

Ze keek hem uitdagend aan. ‘Als het is om ze aan haar terug te geven...’

Voor hij kon antwoorden, schreeuwde Becky's stem uit de aangrenzende kamer: ‘Hou ze maar, mispunt! Ik wil ze niet eens meer hebben! Ze zijn trouwens stomvervelend!’

‘Vervelend? Vind jij het vervelend om te ontdekken dat Grootvader Best niet de zoon was van de rechter die voor George Fox heeft borg gestaan?’

Becky verscheen, haars ondanks, in de deuropening. ‘Wat?’

‘Hij was zijn zoon niet!’ riep Abby trots uit. ‘Hij was een vondeling.’

‘Onzin!’ zei Bonifacius. ‘Hoe kom je daar bij?’

‘Lees het zelf! Het staat hier allemaal in! En nog veel meer!’

Becky had zich hersteld. ‘Ik geloof er geen woord van!’ Ze draaide zich om.

‘Ik zal je nog meer vertellen!’ riep Abby haar na. ‘Hij was een dwerg!’ Nadat ze het eruit geflapt had scheen het kind er zelf ontsteld van te zijn. ‘Ik verzeker je dat het waar is, Papa. Er staat nog veel meer in, over Grootvader Best, en Overgrootmoeder, en een massa andere mensen.’

‘Geef mij die schriften maar,’ zei hij streng. ‘Dank je.’ Abby overhandigde ze zonder protest, ofschoon hij aan de manier waarop zij ze met haar ogen volgde kon zien dat ze bij de eerste de beste gelegenheid zou proberen ze weer in handen te krijgen.

‘En laten we ons nu gaan aankleden voor het ontbijt en de ochtendsamenkomst,’ besloot hij. ‘Ik hoop dat jullie meisjes in een passender stemming onder Gods ogen zult verschijnen.’ Hij sloot de deur achter zich.

Hij vond zijn vrouw in de keuken, bezig eieren te bakken op het fornuis. Ondanks het vroege uur zaten haar haren al in de war en zweette ze als een grondwerker; haarpieken plakten op haar voorhoofd, haar wangen waren hoogrood. Hij had het allang opgegeven te proberen haar ervan te overtuigen dat er geen enkele reden voor haar was om zelf te koken; Medea, de oude negermeid, zat naast het fornuis niets te doen.

‘Heb je de meisjes daarnet gehoord?’ vroeg hij, te laat beseffend hoe

[p. 6]

onvriendelijk die vraag was; ze had de laatste tijd veel last van haar doofheid en vond het pijnlijk eraan te worden herinnerd.

‘Nee, die is nog niet wakker.’ Ze brak een nieuw aantal eieren in de koekepan, die sisten en sputterden.

‘Zijn er soms moeilijkheden tussen Becky en Joseph geweest?’ riep hij.

Ze keek op. ‘Hoezo? Heeft ze jou er iets van gezegd?’

Hij vertelde haar wat er gebeurd was en liet haar de dagboeken zien.

Ze wierp er niet meer dan een vluchtige blik op. ‘Die meisjes toch...’ Ze zuchtte. ‘Waarom maken ze hun leven toch zo ingewikkeld? Op hun leeftijd was ik heel anders!’

‘Je eieren, lieve,’ waarschuwde hij.

 

***

 

Toen ze hoorde dat de dagboeken van haar oude kwelgeest waren gevonden, was de eerste gedachte van Beula Baker: ‘In Godsnaam, dát niet!’ Dwaze gedachte; het mens was al twintig jaar dood en begraven; toch bezorgde de mededeling haar de opwelling om zich in de dichtstbijzijnde stoel te laten vallen, de ogen gesloten, het hoofd achterover, de benen uitgestrekt, met de verzuchting: ‘Ik geef het op! Neem het maar, neem het allemaal maar, en het heilige kruis na, Ann Traylor!’

De inzinking duurde niet langer dan een seconde; ze vermande zich onmiddellijk, boos op zich zelf omdat ze zich aan zulke fantasieën overgaf. Ze moest doodop zijn, en geen wonder. Het leek wel alsof het werk in huis en op de plantage de laatste jaren zwaarder in plaats van lichter was geworden. Toezicht houden op de slaven, koken, wassen, garen spinnen, van het garen stof weven voor kleding voor de hele familie, kousen breien, bouffantes, wollenhemden, bedsokken, wanten, oorwarmers, tot ze dronken was van duizeligheid en van uitputting in slaap viel tijdens de samenkomst, of erger nog, terwijl haar man 's avonds voorlas uit William Penns Geen Kruis, geen Kroon of Besse's Ontberingen van de Vrienden tijdens de Grote Vervolging. Het was wel gebeurd dat ze opzij zakte, alsof ze door een sneeuwbal tegen de slaap was getroffen, en op het nippertje wakker schoot om te voorkomen dat ze tegen de grond sloeg. Wat was er gebeurd met het vrolijke, gevoelige, zelfverzekerde jonge meisje dat bij iedereen zo geliefd was geweest en van wie haar vriendinnen met afgunst hadden gezegd: ‘Beula? O, die slaat het neusje van de zalm aan de haak!’ De jonge Bonifacius Baker met zijn appelwangen, jassen met mouwen die te kort waren en een hoedje dat te klein was, was niet bepaald het neusje van de zalm geweest, maar desondanks hadden haar vriendinnen haar toch met afgunst bekeken. Het was vlak na de depressie van de jaren twintig geweest, er werden maar weinig nieuwe schepen gebouwd; onder die omstandigheden had het aanzoek van de toekomstige eigenaar van het eiland Eden, met de winstgevende plantage en het indrukwekkend grote huis, een buitenkansje geleken. Waar ze niet op gerekend had was de aanwezigheid in dat grote

[p. 7]

huis van de heerszuchtige oude vrouw die, als een koningin, haar van het ogenblik van haar aankomst af beschouwd had als een onnozel, warhoofdig stukje speelgoed voor haar kleinzoon. Onder de minachtende blik van die groene ogen had Beula zichzelf voelen veranderen in precies datgene waar ze voor werd aangezien: een onmondige idioot met twee linkerhanden, die geen pot op het vuur kon houden zonder dat het ding boosaardig te pletter sprong op de tegels voor het fornuis, die geen hemd kon strijken zonder het te verbranden, die beddelakens in de stijfsel zette, lampen met azijn vulde en de kat in de oven opsloot. Het was dat laatste incident geweest dat haar verzet had gebroken. Ze had voor het naar bed gaan de oven open laten staan om de keuken te verwarmen, het vuur was afgezwakt, de kat had de warmte van het kleine, donkere holletje opgezocht; de volgende morgen had ze de ovendeur dichtgedaan en het vuur opgestookt; natuurlijk was het Grootmoeder geweest die het zwakke gemiauw in de oven hoorde en die, toen ze het deurtje opendeed, omvergesmeten werd door de krijsende kanonskogel die te voorschijn barstte. De kat had het overleefd en bleef nog negen jaar door het huis hinken om van iedere ontmoeting een stilzwijgende herinnering te maken; na die dag had Grootmoeder, zonder iets te zeggen, rondgelopen met het woord ‘kat’ vrijwel zichtbaar op haar voorhoofd geschreven, zelfs nog toen ze op haar sterfbed lag.

En nu, twintig jaar later, was ze daar weer: als wijlen de kat te voorschijn barstend uit een geheim vak in haar schrijfbureau. Beula zag het al voor zich: eindeloze avonden gedurende welke haar man, met de eerbiedige stem die hij alleen bij religieuze gelegenheden bezigde, zou voorlezen uit de vrome geschriften van de onverdraaglijke oude tang, die ongetwijfeld iedere levende ziel die ooit haar pad gekruist had zou afmaken met de doodsteek van lauwe lof, uitgezonderd, natuurlijk, de arme doodgemartelde Bonny Baker de Eerste, heilig, heilig, heilig, omgebracht in de kerkers van Slot Lancaster, wiens laatste snik in de armen van zijn wenende jonge bruid een gebed was geweest voor de zielen van zijn beulen. Beula wist dat ze door bitterheid vergiftigd was, maar ze haatte het kwezelige paar, dat elkaar in het stro van Engelands donkerste gevangenis volgens de verhalen met een dergelijke reinheid omhelsd had dat de enige oplossing voor het raadsel van het kind dat de jonge weduwe na de marteldood van haar echtgenoot ter wereld had gebracht een herhaling van de Onbevlekte Ontvangenis kon zijn.

Het vooruitzicht om maandenlang iedere avond naar de schijnheilige woorden van haar herrezen kwelgeest te moeten luisteren vervulde haar met zo'n laaiende woede dat de eieren het moesten ontgelden. Haar man en de dikke oude Mammy, de keukenslavin, sloegen haar verbijsterd en met zwijgende afkeuring gade.

[p. 8]

***

 

De stemming aan het ontbijt was gespannen; het leed geen twijfel dat Becky en Joe Woodhouse ruzie hadden gehad. Becky deed alsof hij lucht voor haar was; zijn onhandige pogingen om een gesprek gaande te houden waren pijnlijk. Abby sloeg hen met onverholen leedvermaak gade; het was een opluchting toen ze eindelijk de verlossende stilte van de ochtendsamenkomst binnengingen.

Bonifacius kon zich niet concentreren; hij bleef maar aan die dagboeken denken. Na de samenkomst ging hij met de schriften onder zijn arm naar zijn studeerkamer, uitziend naar een ongestoord half uur alvorens zich aan de dagelijkse beslommeringen van de plantage te gaan wijden. Maar Beula hield hem op de trap staande, om er met harde stem op aan te dringen dat hij met Joe Woodhouse moest praten en horen wat diens bedoelingen nu eigenlijk waren. Hij trof de jongeman aan bij de deur van zijn studeerkamer, waar hij hem kennelijk stond op te wachten, een rol papier onder zijn arm.

‘Oom Bonny - zou ik je even kunnen spreken?’

‘Maar natuurlijk.’ Hij opende de deur. ‘Ga zitten Joe. Maak het je gemakkelijk.’ Het was echter duidelijk dat de zenuwachtige jongeman het zich op dat ogenblik onmogelijk gemakkelijk zou kunnen maken. ‘Hoe is het met je vader?’

‘Heel goed, dank je, Oom.’ Toen, alsof hij wakker schrok: ‘O, dat is waar ook! Ik heb een brief...’ Hij haalde hem uit de binnenzak van zijn jas, die sober was van snit maar van kostbare stof gemaakt. ‘Dit zal je de bedoeling van mijn, eh, boodschap duidelijk maken, Oom.’ Hij overhandigde de brief, ongezegeld als teken van vertrouwen tussen vader en zoon.

‘Vriend Bonifacius. Ik vraag me af of jij toevallig onder je slaven een volwassen vrouw beschikbaar hebt, bij voorkeur zonder minderjarige kinderen, geschikt als huisbediende. Zo ja, dan zou Joseph haar misschien even kunnen bekijken, en mocht er meer dan één beschikbaar zijn, een keuze doen. Wat de tweede reden van zijn bezoek betreft, lijkt het me het beste dat hij dit zelf uiteenzet. Hij heeft de nodige documenten en kaarten bij zich en is voldoende ter zake kundig om je een duidelijke toelichting te kunnen geven. Met hartelijke groeten voor allen en in de hoop dat we elkaar spoedig weer eens zullen zien, je neef Isaac Woodhouse.’

Het leek simpel en recht door zee; Bonifacius vroeg zich af waarom hij de indruk kreeg van achterbaksheid. ‘Ik geloof niet dat we kinderloze vrouwen beschikbaar hebben,’ zei hij, ‘maar ik kan me vergissen. Je zult het Caleb Martin moeten vragen.’

Er viel een onbehaaglijke stilte.

‘En Joe, wat heb je me nog meer te vertellen?’

De jongen, die naar zijn vingernagels had zitten staren, keek op. ‘Het - eh - het gaat om de Altaar Rots, Oom.’

[p. 9]

‘Wat bedoel je?’

‘Zoals je weet wordt dat ding meer en meer een belemmering voor de groei van onze stad. Vanwege die rots is de diepgang van de schepen die tot aan Philadelphia kunnen varen beperkt. Intussen komen er tegenwoordig steeds grotere schepen in de vaart...’

‘Ja, ja,’ zei Bonifacius ongeduldig. ‘Dat weet ik allemaal wel. Zijn ze soms van plan dat oude voorstel voor een kanaal weer op te rakelen?’

‘Nee, nee, Oom!’ riep de jongen uit, met een jeugdige opwinding die hij tot dusver had ingehouden. ‘We zijn op een heel nieuw idee gekomen! Wij - dat wil zeggen mijn broer Abe en Ben Franklin en ik - geloven dat we een manier hebben gevonden om de rots op te blazen.’

‘Hè?’

‘Te laten springen, met buskruit. Kijk!’ Joe sprong zo haastig overeind dat hij bijna zijn stoel omverstiet. ‘Hier zijn de plannen...’ Hij ontrolde de papieren die hij onder zijn arm had en spreidde ze over het bureau uit. Het eerste was een gedetailleerde kaart van de bocht in de rivier, met dwarsdoorsnede. ‘Dit is de vaargeul, met de Altaar Rots,’ zei hij, overbodig.

‘En wat heeft dat te betekenen?’

‘Kijk ... hier...’ Het volgende vel was een tekening van de rots, vanuit verschillende gezichtshoeken gezien, compleet met afmetingen.

‘Wie heeft deze tekening gemaakt?’ vroeg Bonifacius, met een begin van ergernis, want deze schetsen waren kennelijk gebaseerd op een grondige studie. ‘Wanneer is dit gedaan?’

‘Ik zou het niet kunnen zeggen, Oom ... maar kijk!’ Joe haalde een derde vel te voorschijn. Op deze tekening was de voet van de rots omringd door duikerklokken, die door schoorstenen met het oppervlak van de rivier verbonden waren. Het hele geval had iets fantastisch, zoals de tekeningen van zeemonsters door ontdekkingsreizigers met veel verbeeldingskracht gemaakt.

‘Wat zijn dit?’ vroeg Bonifacius, op de voorwerpen wijzend.

‘Die zijn voor het buskruit bedoeld. Dank zij deze schoorstenen zullen de lonten blijven branden tot ze de lading bereiken. Als alle twaalf explosies tegelijk plaatsvinden, zal de rots worden verbrijzeld.’

‘Zo, zo.’ Bonifacius leunde achterover in zijn stoel. ‘Een vindingrijke oplossing, moet ik zeggen.’

‘Ja, is het niet?’ Joe vervolgde trots: ‘Vader heeft me gemachtigd te vragen wat je prijs voor de Altaar Rots zou zijn.’ Toen Bonifacius niet antwoordde, voegde hij er slim aan toe: ‘Ook al heeft de rots zelf geen enkele waarde en zou verwijdering van het obstakel alle schepen ten goede komen, Vader is bereid een hoog bedrag te betalen voor je toestemming hem op te ruimen.’ Toen zijn oom bleef zwijgen, zei hij, een beetje onzeker: ‘Ik neem aan dat je dit op je gemak zult willen overdenken, Oom. Ik zal de plannen hier laten.’ Hij liep naar de deur.

‘Dat hoeft niet, Joe,’ zei Bonifacius vriendelijk. ‘Ik kan dit voorstel

[p. 10]

onmogelijk in overweging nemen.’

‘Waarom niet?’

‘Om te beginnen ben ik er niet zeker van dat ik de aangewezen man ben, omdat in het verdrag dat Will Penn met de Delawares sloot overeengekomen werd dat de rots voor eens en altijd als een Indiaans heiligdom zou worden beschouwd. Het lijkt me juister dat je vader zijn voorstel aan de Delawares voorlegt.’

‘Maar, Oom! De Delawares zijn hier al vijftig jaar geleden weggetrokken!’

‘Dat weet ik. Maar voor dat iemand het voorstel overweegt moeten we er zeker van zijn dat zij geen bezwaar hebben.’

‘En als de Delawares je de vrije hand zouden laten, Oom?’

‘Dat zien we dan wel als het zover is.’

Het bleef even stil; daarop zei de jongen, met iets van het bekende Woodhouse-staal in zijn stem: ‘Ik geloof dat Vader graag zekerheid hierover zou willen hebben voor - voor we andere besluiten nemen.’

De jongen had het in de kunst van de diplomatie nog niet zo ver gebracht als de oude Isaac. ‘Is dat de reden waarom je je verloving met Rebekka hebt afgebroken?’ vroeg Bonifacius.

‘Nee, nee, Oom! Helemaal niet, stel je voor...’ Hij rolde haastig zijn tekeningen op. ‘Nu, Oom, als het je schikt zou ik graag die slaven even willen bekijken...’

‘Goed. Vraag de staljongen de brik voor je in te spannen. Caleb Martin is in veld A, aan de zuidpunt.’

‘Dank je, Oom.’ Joe aarzelde, alsof hij nog iets wilde zeggen; toen maakte hij zich uit de voeten.

Nadat de jongen de kamer uit was, liet Bonifacius zijn woede de vrije loop. Dat stuk onbenul! Hoe durfde hij Becky gebruiken als een pion in een zakelijke transactie! De laffe vlegel! Plotseling leek de hele zaak vuig en gemeen. Een menselijk wezen zó te gebruiken, met totale minachting voor haar onschuld, haar jeugdige, kwetsbare liefde voor deze kwal van een jongen! Zijn woede maakte hem zo van streek dat hij een van de schoolschriften oppakte om te ontkomen aan gedachten die niet des Quakers waren.

De eerste dagboeknotitie was gedateerd oktober 1652. Grootmoeder was kennelijk de schrijfster; de methodische manier waarop deze losse aantekeningen uit een heel leven in een alfabetisch register waren gerangschikt en gerubriceerd, was typisch iets voor haar. Het register vermeldde de namen van alle vooraanstaande Quaker-families van Pennsylvanië en Rhode Island. Ze was, eerst als gouvernante van de familie Fell en later als een van de eerste immigranten in Amerika ooggetuige geweest van de ontwikkeling van de Quaker-kolonisatie. Er moest veel persoonlijke informatie over vooraanstaande Vrienden in staan: ‘Ik hoop dat ze eindelijk in slaap valt, het arme mens. Hoe is het mogelijk dat iemand een ander zó kan laten lijden zonder het zelf te merken? En dat terwijl hij alsmaar oreert over “liefde” en

[p. 11]

“tederheid” en “gehoor geven aan het goddelijke in ons”...’

Hij keek op. Hij had plotseling het gevoel dat het niet Grootmoeders bedoeling was geweest dat hij dit zou lezen. Vreemd dat ze geen instructies had achtergelaten wat er met deze schriften moest gebeuren; het was niets voor haar.

Hij zocht in het register naar: ‘Baker, Bonifacius.’ De eerste verwijzing naar die naam gold de eerste bladzijde.

‘Na de manier waarop hij Bonny en Margaret Fell heeft behandeld kan ik alleen maar zeggen - nu ja, laat maar. De enige die hem aankan, zoals vandaag bleek, is mevrouw Best...’

Hij herinnerde zich wat Abby over Grootvader Best gezegd had. Als deze legendarische figuur inderdaad een vondeling en een dwerg was geweest, dan kon deze informatie zijn afstammelingen alleen maar in verlegenheid brengen. De enige die deze schriften zou mogen lezen moest een objectief historicus zijn; maar na tweeënzeventig jaar van onderlinge huwelijken was er in heel Philadelphia geen objectief persoon meer over. Jeremia, de broer van Beula, kwam er nog het dichtste bij; als klerk van de Philadelphiase Maandvergadering moest hij wel gewend zijn aan explosieve onthullingen en zou wel weten hoe ze met diplomatieke discretie te behandelen.

Hij draaide zijn stoel naar het raam en keek naar het brede, rustige panorama van de rivier en het woud, vrij van mist nu de zon was opgekomen. Een barkentijn, haar zeilen goud en vol scherpe slagschaduwen in het licht van de lage zon, zwoegde door de vaargeul stroomopwaarts, geboegseerd door drie met slaven bemande sloepen van de firma Woodhouse. Zoals steeds op dit uur blonk Altaar Rots, nat van schuim, als zwart marmer. De rots deed hem weer aan Becky en die ellendige jongen denken. Het zou verreweg het beste zijn als ze van hem af was; maar helaas, ze was kennelijk smoorverliefd op de pummel. Als hij nu eens zijn toestemming tot het opblazen van de rots gaf? Waarom zou hij dat brok steen niet tegen een redelijke prijs verkopen en Becky haar droom gunnen? De oude Isaac zou zich nooit de kosten van het vooronderzoek en die tekeningen op de hals hebben gehaald als hij zich er niet eerst van vergewist had dat de Baker-familie permissie moest geven, en niet de Indianen.

Hij staarde naar de kolossale rots, zwart en glanzend in zijn schuimbed in het hart van het groen en blauwe landschap. Als jongen had hij geluisterd naar talloze verhalen over de spoken die erin huisden. De oude Hadrianus, Grootmoeders huisslaaf, nu allang begraven onder de kastanjebomen op het kerkhof aan de oostkant van het eiland, had hem verteld over nimfen, gevleugelde slangen, een reusachtige pad met ogen zo groot als schotels die in een grot onder de rots woonde; de spookverhalen, hoe fantastisch ook, hadden hem vervuld met ontzag voor dat zwarte, schuimbespatte monster dat gorgelde en siste in de stilte van de nacht, een geluid van kolkend water dat nu zijn kindertijd symboliseerde. Was dat de reden waarom hij die weerstand had gevoeld tegen het vernietigen van de rots? In één opzicht had Joe gelijk gehad: de Unami-stam van de Delawares met wie William

[p. 12]

Penn zijn verdrag gesloten had, was allang uit het gebied weggetrokken. Ze woonden nu aan de bovenloop van de rivier, honderd mijlen ver.

De barkentijn had zich moeizaam een weg langs de rots gebaand en stond nu op het punt aan haar eerste rak naar de Jersey-oever te beginnen. De sloepen waren losgegooid en roeiden nu naar het achterschip voor een nieuwe vanglijn om zich naar Philadelphia terug te laten slepen. Weer gingen zijn gedachten terug naar Becky. Doodzonde dat ze verliefd was geworden op die slappe lamzak, volkomen afhankelijk van zijn vader en zijn broer Abe. Ter wille van Becky zou hij Joe eigenlijk de een of andere verantwoordelijkheid moeten geven, buiten zijn vader of zijn broer om. Als hij hem nu eens vroeg Grootmoeders dagboeken aan Jeremia te bezorgen? Hij had geen zin er verder in te lezen.

Met een kinderachtig gevoel van schuld pakte hij de schriften zorgvuldig in. Vaarwel, Grootmoeder. Over de doden niets dan goeds. Het had geen zin hun slaap te verstoren - noch die van de levenden.

 

***

 

Joe Woodhouse keek smalend naar de gammele brik en het X-benige, doorgezakte, oude paard, dat de stalslaaf bezig was voor hem in te spannen zodat hij met Caleb Martin kon gaan onderhandelen over de negerin op wie Moeder haar zinnen gezet had. Hij was van plan langs de akkers te rijden om meteen even de indigo-oogst eens van nabij te bekijken; maar net toen hij op het punt stond in het vehikel te klauteren, riep een meisjesstem: ‘Wacht even!’ Becky kwam over het gazon aanhollen.

Zijn eerste reactie was ergernis. Na hun pijnlijke gesprek was dit wel het allerlaatste wat hij wenste; maar toen ze, buiten adem, vroeg of hij haar bij de ziekenbarak kon afzetten, zei hij hoffelijk: ‘Vanzelf, Becky. Met genoegen. Sta me toe...’ Hij reikte haar de hand om haar in de brik te helpen.

Abby zou die hand verontwaardigd hebben afgewezen; Becky voerde een hele komedie van vrouwelijke hulpeloosheid op. Ze ging zitten, opende haar parasolletje om haar teint te beschermen en ordende een paar krulletjes die onder het hollen aan haar Quaker-muts waren ontsnapt. Die hoogrode kleur en zwoegende boezem stonden haar goed, dacht hij, cynisch, terwijl hij in de brik klom; hij zou best weer verliefd op haar kunnen worden, niettegenstaande haar valse, geniepige karakter.

Terwijl het brikje het erf afhotste naar het karrespoor door de velden, vroeg hij zich af hoe hij de indigo-oogst kon taxeren zonder het meisje naast hem te laten merken waar hij op uit was.

‘Ik moet je mijn verontschuldigingen aanbieden, Becky,’ zei hij minzaam. ‘Ik geloof dat ik mijn houding niet goed duidelijk heb gemaakt. Ik bedoel...’

‘Dat is helemaal niet nodig, hoor,’ zei ze glimlachend. ‘Je hebt je houding heel duidelijk gemaakt, daar kun je gerust op zijn.’

[p. 13]

Zo te horen stuurde ze weer op een ruzie aan. ‘Toch zou ik het op prijs stellen als je me de kans wilde geven erover te praten. Als we eens een eindje omreden?’

‘Omreden?’ Ze staarde hem in de roze schaduw van haar parasol aan alsof ze het woord nog nooit gehoord had. ‘Vreemd voorstel voor iemand die me gisteravond vertelde dat we voortaan weer gewoon goede vrienden moeten zijn en meer niet.’

‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij, spits. ‘Het was een dwaas voorstel.’

‘Dwaas? Ik moet zeggen, je woordkeus is bijzonder ongelukkig, vandaag.’

Hij zou haar het liefst een rake schop tegen haar schenen hebben gegeven, zoals vroeger toen hij hier iedere zomer een maand lang naar toe werd gestuurd ‘om met de meisjes te spelen’. In die tijd was er nog geen indigocultuur geweest. Hij had haar achternagezeten langs de lange, kaarsrechte paden tussen de erwte- en bonestruiken tot in een boom op de begraafplaats, waar hij haar eindelijk inhaalde op een van de zware over het water hangende takken, met bonzend hart, opeens heel dicht bij elkaar. Haar ogen waren groot en blauw geweest, vol ondoorgrondelijk mysterie.

Het eerste slordige indigoveld zag er gezond maar volkomen verwaarloosd uit. De wortels waren overwoekerd met onkruid, toch waren de planten meer dan manshoog; in het gezegende klimaat van dit eiland kon je alles kweken, ondanks de laksheid waarmee Oom Bonifacius en die zuiplap Caleb Martin de plantage beheerden. Abe had gelijk: blanke Indianen waren ze.

Zijn vader had hem gevraagd erop te letten welke soort plant Oom Bonifacius kweekte: Indigofera tinctoria of Indigofera anil. De eerste produceerde meer bladeren, de tweede was kleiner maar sterker. Als het een tinctoria-cultuur bleek te zijn was het eiland een potentiële goudmijn, want de planten konden, mits goed verzorgd, vier bladoogsten per jaar opleveren. Het verschil was alleen maar aan de peulen te zien; aangezien het nog te vroeg in het seizoen was voor de peulen, zou hij een monster van bloesem en blad moeten meenemen.

De velden waar ze in de krakende brik doorreden stonden in volle bloei. De zilverige takken van de struiken glinsterden in het zonlicht; elke tak was beladen met lichtroze bloemtrossen, dezelfde kleur als haar gezicht in de schaduw van de parasol. Hij vroeg zich af hoe hij een monster te pakken kon krijgen; hij kon zonder uitleg de koets niet stilzetten om een tak te plukken. Becky interesseerde zich alleen voor dingen die haar rechtstreeks aangingen; desondanks zou ze beslist vragen stellen.

Het hotsende wagentje kwam op een gedeelte waar het karrespoor vol kuilen zat; hij moest het paard met een ruk naar rechts trekken. Becky, bang eruit te worden geslingerd, sloeg haar arm om zijn middel; de takken van de struiken schraapten langs de zijkant van de brik; hij slaagde erin een takje met twee bloemtrossen af te breken. Hij reikte haar de bloemen en zei: ‘Het spijt me. Neem me niet kwalijk.’

Ze zat even verstomd, haar arm om zijn middel, haar parasol scheef; haar ogen vol verbazing. Zo had ze er vorig jaar uitgezien toen ze op het graf

[p. 14]

van haar overgrootmoeder elkaar plotseling voor het eerst hadden gekust. Vlak voor de kus had ze hem net zo aangekeken.

Ze ging rechtop zitten, trok haar arm weg en nam het takje aan alsof het een boeket rozen was. ‘Lieve Joe,’ zei ze, ‘wat allerliefst van je! Wat mooi...,’ alsof ze niet omringd waren door hectaren van die bloemen.

Of het nu kwam door de manier waarop ze hem had aangekeken, of door de tederheid van haar woorden, opeens voelde hij zich beschaamd. Waarom kon hij die rots de rots niet laten, zichzelf zijn, hand in hand met haar door het lange gras langs de oever van de rivier slenteren, naar de bomen van de begraafplaats, waar ze vroeger door de takken naar de overdrijvende wolken hadden liggen kijken? Hij wilde haar de bloemen afpakken, ze weggooien, haar vertellen dat hij door zijn vader tot dit bedrog was aangezet; maar hij herinnerde zich bijtijds hoe ze vroeger, wanneer ze op het punt had gestaan een spelletje te verliezen, hem steeds gesard had met een of andere bekentenis die hij zo stom was geweest te doen, om hem van zijn stuk te brengen. Ze zouden een uurtje vol tederheid beleven, maar straks zou ze met haar blauwe ogen vol verbazing vragen: ‘Me kussen? Heb je je vader wel om toestemming gevraagd?’ Het enige dat hij veilig kon doen was zijn hand op de hare te leggen, maar ze had geen hand vrij. Met de ene hield ze haar parasol vast, met de andere de bloemen; ze zat nog steeds dromerig de geur op te snuiven. Dat irriteerde hem; het leek onwaarachtig; indigobloemen roken onmiskenbaar naar kattepies. Abe had eens met effen gezicht opgemerkt: ‘Die indigo maakt dat heel Eden ruikt alsof Onze Lieve Heer in een ogenblik van verstrooidheid meer katers had geschapen dan hij van plan was geweest.’ Het was het soort grapje dat Vader afkeurde.

Plotseling wilde Joe dat het ritje maar afgelopen was. Becky wekte, niettegenstaande haar aanstellerij, een verontrustende hunkering in hem op. Gisteravond had hij alle gedachten aan haar uit zijn hoofd gezet; hoe kwam het dat hij er nu ineens weer naar hunkerde om haar te kussen, haar tegen zich aan te drukken? Hij wierp een zijdelingse blik op haar; ze zat naar de velden te staren, het Judas-ruikertje in haar hand. Wat was het makkelijk geweest om haar te misleiden! Toen ze het slavenkwartier bereikten, was hij somber van wroeging en zelfverwijt.

Ze stopten voor de ziekenbarak, de eerste van een rij eendere krotten, allemaal verveloos en vervallen. Ze draaide zich om en keek hem teder aan.

‘Lieve Joe, ik wacht hier op je; kom me afhalen als je met Caleb klaar bent.’

‘Goed, goed,’ zei hij met een schorre stem die haar aan het lachen maakte. Terwijl hij haar hielp uitstappen voelde hij weer dat verlangen opkomen haar een schop tegen haar schenen te geven.

‘Dag lieverd.’ Ze liep naar het gebouwtje, waar twee negerinnen gehurkt op de veranda zaten, één met een naakt kindje dat ze aan een touw vasthield, als een jong hondje. Hij klakte met zijn tong en liet de teugels klappen; de brik hotste krakend weg.

[p. 15]

Caleb Martin was niet in zijn huisje aan het einde van de rij. Hij was ook niet in de factorij; Joe vond hem ten slotte op het veld aan de zuidelijkste punt van het eiland, waar een groep slaven bezig was de eerste bladoogst van de indigostruiken te plukken. De puber Joshua Baker, leerling-opzichter, stond toe te kijken.

Het was laat op de dag voor het snijwerk; Joe wist van zijn vader dat de planten heel vroeg in de ochtend geoogst moesten worden, vóórdat de zon de bladeren kon verleppen. Het was weer een bewijs van de slordigheid waarmee de plantage beheerd werd; de oogst zelf echter zag er sappig uit. De slaven vertoonden een zelfde contrast: hun kleren waren slonzig, hun lichamen fors en welgevoed. De meeste waren mannen; de enkele vrouwen waren bezig schoven op een platte kar te stouwen. Hun jurken waren gescheurd en versleten, van een mollige meid waren de borsten te zien, glinsterend van zweet. Hij gluurde ernaar; de brutale blik waarmee ze terugkeek maakte dat hij zijn ogen afwendde.

‘Zo, jongmens, wat kom jij hier doen?’ vroeg een onvriendelijke stem achter hem.

Het was Caleb Martin, gezeten op een scharminkelige grijze ruin. Joe had altijd een hekel aan de man gehad, hij had iets gluiperigs dat hem een onbehaaglijk gevoel gaf. Caleb was het zwarte schaap van de familie, een onverbeterlijke dronkaard; het werd van Bonifacius Baker erg godvruchtig gevonden dat hij hem deze baan had gegeven.

‘Mijn vader laat je groeten, Caleb Martin,’ zei Joe stijfjes. ‘Hij wilde graag een goed, betrouwbaar vrouwmens kopen, als huisslaaf, voor mijn moeders verjaardag. Bonifacius Baker stuurde me hier naar toe om het met jou te bepraten. Zou je me eens willen laten zien wat je aan alleenstaande jonge negerinnen beschikbaar hebt?’

Caleb keek argwanend op hem neer; de man was klaarblijkelijk ontstemd over het verzoek. ‘Je komt op een ongelegen moment, Vriend. De oogst is net begonnen. Ik heb ieder paar handen nodig.’

‘Vader wil een meid hebben. Een huismeid. En Oom Bonifacius weet ervan.’

‘Er zijn geen huismeiden op deze plantage. Er is een oud wijf op het Huis dat rondlummelt met een plumeau als een wijwaterkwast, maar die zou ik m'n ergste vijand niet toewensen.’ Hij grijnsde vals. ‘Laat staanje vader.’

‘Caleb Martin,’ zei Joe, op waardige toon, ‘de boodschap die Bonifacius Baker me voor je meegaf was dat je me een paar vrouwen moest laten zien zodat ik een keus kan maken. Hij wil geen echtparen van elkaar scheiden, hij vraagt of je me alleen maar losse vrouwen wilt laten zien - ik bedoel, alleenstaande.’

Caleb Martin grinnikte. ‘Losse vrouwen, Joseph? Kom dan maar, ik zal je een paar losse vrouwen laten zien. We hebben er hier alvast twee bij de kar. Dat is Phoebe’ - hij wees met zijn zweep - ‘die dikke met dat bonte jak aan. Ze is te oud om te jongen, maar zal dan ook geen streken meer uithalen. Dan hebben we dit rulle ding hier, Cleo - een flink jong wijf,

[p. 16]

brengt iedere vent 't hoofd op hol en zal in de stad vast wel een lastpak worden.’

Het was het meisje dat hem zo brutaal had aangekeken. Ze deed net of ze niets van hun aandacht merkte en zwiepte met lenige, pezige zwaaien de schoven op de kar. Ze had de onder zwarte vrouwen veel voorkomende spillebenen, maar die opvallend volle borsten half uit haar nauwe katoenen jak. ‘Ze is een maand terug haar vent kwijtgeraakt,’ zei Caleb achter hem, ‘en heeft sinds die tijd alleen maar onrust gestookt onder 't manvolk, dus ik zou er niet rouwig om zijn als ze wegging. Ze is wat werken betreft geen lor waard; ze is alleen maar goed om te fokken. Da's alles wat ik heb, die twee. Zeg het maar.’

Joe voelde zijn wangen rood worden van woede. Net als zijn vader was hij het niet eens met de sentimentele argumenten tegen slavernij van Vrienden die zelf geen slaven hielden, maar hij was, zoals alle Quakers, de overtuiging toegedaan dat de neger menselijk moest worden behandeld. Om in hun aanwezigheid over deze vrouwen te praten alsof het vee was, beledigde zijn aangeboren respect voor het goddelijke in ieder mens. ‘Het komt me voor dat onze belangen hier samenvallen, Caleb Martin,’ zei hij koel. ‘Jij zou blij zijn juffrouw Cleo te zien weggaan en ik ben van mening dat ze het beste beantwoordt aan de bedoelingen van mijn moeder.’

‘Ben je er zeker van,’ vroeg Caleb, ‘dat het je moeders bedoelingen zijn?’

‘Ik begrijp niet wat je daarmee wilt zeggen, Caleb Martin.’

‘Kom, kom,’ zei Caleb, en hij klopte zijn paard op de hals, ‘denk niet dat die jonge meid het niet door heeft. Die vraagt niet beter dan opgezeten te worden door een blanke meneer als jij; voor haar is dat de enige manier om vooruit te komen in de wereld.’

Niet alleen wat de man zei maakte Joe woedend, maar ook de weeë stank van het kogeltje. Caleb had, niettegenstaande het vroege uur, klaarblijkelijk al behoorlijk achter de rum aangezeten. Hij stond op het punt een scherp antwoord te geven toen Caleb plotseling opkeek. Joe keek om; er was niets te zien. Toen hoorde hij gegil in de verte, gejammer. Caleb zwenkte zijn paard, gaf het de sporen en galoppeerde weg in de richting van het kabaal. De negers hadden hun sikkels laten zakken; ze staarden allemaal die kant op, allen behalve het meisje Cleo, dat zich glimlachend naar hem omdraaide. Het was haar blik, meer dan zijn nieuwsgierigheid naar wat er aan de hand was, die hem zijn paard de zweep deed geven. De brik kraakte hotsebotsend over het stoppelveld achter Caleb Martin aan.

Joe vond hem terug op de binnenplaats van de factorij. Caleb stond te midden van een groep slaven, allemaal gekleed in haveloze hemden met blauw indigosap besmeurd. Toen Joe uit de brik sprong en naderde, gingen ze eerbiedig voor hem opzij.

Op de grond lag het lichaam van een neger. Het hoofd was verbrijzeld, het gezicht bedekt met bloed; roze en grijze hersenen puilden walgelijk uit een gat in de zwarte schedel. ‘Voor de laatste keer: wie heeft dit gedaan?’ vroeg Caleb Martin, met dreigende stem. Toen kreeg hij Joe in de gaten.

[p. 17]

‘Een ongeluk,’ zei hij. ‘Het scheprad heeft de arme donder z'n hersens ingeslagen. Iemand moet het ding op gang gebracht hebben zonder eerst te kijken of er nog iemand in de kuip zat.’

‘Moet hij niet - moet hij niet naar de ziekenbarak worden gebracht?’ vroeg Joe, zich te laat herinnerend dat Becky daar was.

Caleb Martin trok zijn schouders op. ‘Waarom? Hij is zo dood als een pier.’ Toen, misschien uit een besef dat deze grofheid weleens aan de Maandvergadering kon worden overgebracht, zei hij haastig: ‘Vooruit dan maar, pak 'm op, breng 'm naar 't lazaret. Vlug! Vlug!’

De slaven tilden het lichaam aan armen en benen op en begonnen het met bungelend hoofd over het veld te sleuren. De hersenbrij sijpelde uit de schedel. Joe kon het niet langer aanzien. ‘Ik ga vast vooruit,’ zei hij. ‘Becky is in het lazaret. Het is maar beter dat ze dit niet te zien krijgt.’

Caleb Martin keek even om, zijn voet in de stijgbeugel. ‘Natuurlijk niet. Ga jij maar vooruit. Ik hou deze lummels wel op tot ze weg is.’

‘Dank je, Caleb.’

De teugels klapten, het paard struikelde vooruit; de brik, wild zwabberend op zijn doorgezakte veren, hotste over het stoppelveld naar het negerkwartier.

Hoezeer Caleb Martin de jonge fat ook verfoeide, toch hield hij de gruwzame stoet tegen tot hij de brik uit het kwartier zag wegrijden en Rebekka's parasol verdwijnen als een grote, zwaaiende roze bloem in de zee van groen en paars. Te moeten toezien hoe Joe er met een van de kinderen vandoor ging die hij hun hele leven beschermd had, vervulde Caleb met woede; de slaven moesten het ontgelden.

Hij joeg hen op tot ze het lijk op een drafje voortsleepten. Hij liet het zonder plichtplegingen in het lazaret neersmijten; toen gaf hij zijn paard aan Scipio, de hoofddrijver, zijn rechterhand, en ging naar zijn huisje. Terwijl hij over de stoffige weg tussen de krotten voortsjokte met rinkelende sporen, moeizaam en houterig door het leren harnas voor zijn gebroken rug, dat hem in zijn bewegingen belemmerde, nam zijn woede toe. Natuurlijk was het geen ongeluk geweest! Hij wist wat er achter zat: minnenijd om die meid Cleo, die met haar tieten pronkte en met haar gat draaide als een mandril, tot iedere nikker op de plantage stapelgek werd. Er was maar één oplossing. Als Joe Woodhouse haar niet nam, zou hij haar laten dekken, met geweld desnoods, maar dan door een bul van buitenaf, anders zou er wéér een moord van komen.

Hij maakte zich zorgen over de wraak die vast en zeker op deze nieuwe doodslag zou volgen. Altijd werd er op de moordenaar een geheimzinnig stamrecht toegepast. Hij had er nooit helemaal achter kunnen komen hoe dat in z'n werk ging, evenmin als de opzichters van de naburige plantages trouwens; maar op iedere plantage was een negerrechtbank die met moordenaars afrekende: altijd door ophanging, altijd op de plek waar de moord had plaatsgevonden en altijd met het lendentouw van het slachtoffer als strop. De enige manier om het verlies van nóg een slaaf te voorkomen

[p. 18]

was de moordenaar te vinden en zo gauw mogelijk te verkopen. Caleb dacht er geen ogenblik over de moord aan Bonifacius Baker te melden; dat zou een officiële rechtszaak worden en het verlies betekenen van een goede slaaf door gevangenschap. Hij zou er maar weer een ongeluk van maken.

Hij stond zijn drijvers nooit toe binnen te komen, alle besprekingen vonden buiten plaats. Maar deze keer, wetend dat ze omringd waren door luisterende oren die een gefluisterd woord op vijftien meter afstand konden opvangen, liet hij met tegenzin de deur op de veranda voor Scipio openstaan. Zijn zitkamer, als die zo genoemd kon worden, was donker en kaal, het hok van een vrijgezel die er 's zomers nauwelijks een wakend uur doorbracht. Hij ging de deur uit zodra hij opstond; 's avonds luierde hij in zijn schommelstoel op de veranda tot de muskieten hem naar binnen joegen en ging onmiddellijk naar bed. Het meubilair bestond uit een paar rotanstoelen, een tafel en een olielamp zonder kap. De krees voor de ramen waren gesloten; aan een muur hing een plattegrond van de plantage, ieder veld onderverdeeld in een genummerde dagtaak; taak één op veld A was doorgeschrapt.

Hij gespte zijn harnas los, gooide het op de vloer, liet zich op een stoel vallen en deed zijn best de ene laars met de andere uit te trekken toen er op de deurpost werd geklopt.

‘Binnen, binnen!’

Scipio aarzelde, hij had een aansporing nodig voordat hij binnenkwam en de deur behoedzaam achter zich dichtdeed. Hij was een prachtdier in volle bloei. Hij zou goud aan fokpremies hebben kunnen opbrengen als zijn vorige eigenaar, in een ogenblik van verstandsverbijstering, hem niet als straf voor zijn vierde poging om te ontsnappen had laten castreren.

‘Vertel op,’ zei Caleb, ‘wie heeft het dit keer gedaan?’

De neger zette grote, niet-begrijpende ogen op. ‘Baas?’

‘Wie heeft Quash doodgeslagen?’

‘Quash? Hij dood door machine...’

‘Maak mij niks wijs! Hij is vermoord door iemand die achter Cleo aanzat, net als hij. Wie?’

De reusachtige neger trok zijn schouders op en spreidde zijn handen uit met een gebaar van hulpeloosheid.

‘Weet niet, Baas. Ik niks gezien, niemand niks gezegd.’

Het overdreven nikkertaaltje betekende dat hij niet van plan was iets los te laten. Er was een andere mogelijkheid om achter de waarheid te komen: Joshua vragen of hij Harry, de stalslaaf, wilde uithoren. Joshua had Harry cadeau gekregen toen zij allebei drie jaar oud waren en ze hadden tot voor kort in één bed geslapen, maar nu was Harry naar het kwartier teruggestuurd en ze trachtten zich aan te passen in hun nieuwe rollen van meester en slaaf.

Buiten klonk gejammer van vrouwenstemmen; ze waren allemaal van de velden terug. Het was een verloren dag; als hij ze weer aan het werk zou zetten zou Bonifacius Baker dat bevel ongetwijfeld herroepen. Een sterfgeval

[p. 19]

onder de slaven betekende een vrije rouwdag; reken maar dat ze ervoor zouden zorgen dat hun gejammer in het Huis te horen was. Hij kon er maar beter zelf naar toe gaan om het voorval te melden, voor Bonifacius kwam horen wat er gaande was.

Toen hij zich uit zijn stoel hees, werd hij overvallen door hevige pijn in zijn rug. Zoals altijd greep hij werktuiglijk naar de fles, maar hij stond op het punt naar het Huis te gaan, dus het was maar beter dat zijn adem niet naar rum rook. Hij zou de pijn moeten verbijten tot hij terugkwam; als de nikkers dan toch een vrije dag hadden, moest hij er ook maar eens van profiteren.

‘Help me 's in dat ding,’ zei hij, met opeengeklemde tanden.

Scipio haastte zich het harnas op te rapen, opgelucht dat hij niet verder ondervraagd zou worden. Hij hielp zijn baas met geveinsde bezorgdheid in het zware tuig.

‘Laat dat,’ zei Caleb kortaf toen de neger probeerde de riem onder zijn arm dicht te gespen. ‘Zeg tegen die krijsende wijven buiten dat ze hun bek moeten houden.’

‘Jawel, Baas.’ Scipio holde weg.

‘En laat ze dat lijk niet uit het lazaret halen!’ riep Caleb hem na. ‘Ik wil niet nog meer gejank en gejammer; laat het kisten in het lazaret en houd het daar tot de begrafenis.’

Scipio maakte een overdreven onderdanige buiging op de veranda en mompelde: ‘Ja, Baas, ik zal het ze zeggen!’ Het blauwachtige zwart van zijn schouders, nat van zweet, glinsterde in het zonlicht toen hij van de veranda sprong; toen was hij weg. Een paar seconden later begon hij te brullen en maakte een eind aan het gejammer van de vrouwen; tegen de tijd dat Caleb zelf op de veranda verscheen, was het gekrijs verzwakt tot een zacht geweeklaag. Scipio bracht hem zijn paard.

Terwijl Caleb langs de drom voor de deur van het lazaret reed, viel het hem op dat Cleo er niet bij was; hij kreeg haar in het oog toen hij langs de factorij kwam. Ze probeerde zich achter een van de kuipen te verschuilen; hij dacht er even over haar te achterhalen en de waarheid uit haar te ranselen, maar een opzichter moest slaven nooit persoonlijk kastijden, daar waren de drijvers voor. Menige opzichter was in zijn bed vermoord na een slaaf te hebben afgetuigd, want hij ging altijd te ver; er liep geen enkele blanke rond die een slaaf kon afranselen zonder door het dolle heen te raken. Als hij een kruipend, gillend zwart wijf met de zweep te lijf zou gaan, zou ook hij zijn zelfbeheersing verliezen en al zijn opgekropte woede op haar gaan botvieren tot het schuim hem op de mond stond. Niettegenstaande alle Quaker-opvattingen kon slavernij nooit iets anders zijn dan een onmenselijk, gewelddadig en verderfelijk bedrijf voor alle betrokkenen. Vrienden die eerbied voor het goddelijke in hun slaven in acht wilden nemen, gebruikten een discrete opzichter, die het vuile werk voor hen deed, net zoals zij een slager huurden om de lammetjes te slachten die hen tijdens samenkomst tot zo'n tedere prediking inspireerden. Caleb had daar niets op

[p. 20]

tegen; hij kweet zich met trots van zijn taak de familie in het Huis tegen de gruwelijke werkelijkheid te beschermen. Wat had het voor zin om tere wezentjes als Rebekka en Abigail te confronteren met de vuigheid van de slavernij? Het was niet hun taak in het leven om zich te meten met de gewelddadigheid, wreedheid en dood die hun zonovergoten wereld van schoonheid en liefde omringden. Soms, tijdens de familiesamenkomst, staarde hij vol genegenheid naar deze kinderen die alleen door zijn nimmer aflatende waakzaamheid in staat waren gesteld de droom van ieder sterfelijk mens te belichamen: een vreedzaam koninkrijk te bewonen waar de leeuw zich naast het lam ter neder legde en het luipaard naast het bokske, en waar voor altijd liefde, tederheid en medeleven heersten. In veel grotere mate dan iemand ooit zou beseffen, had Eden een paradijstuin kunnen blijven dank zij de sombere, door pijn gekwelde man, die nu langs de oprit naar het Huis draafde.

Caleb steeg af, gaf de teugels van zijn paard aan Harry de stalslaaf en strompelde met rinkelende sporen naar het Huis, in gedachten een verhaal formulerend dat aanvaardbaar zou zijn. Zijn werk bleek echter al voor hem gedaan te zijn door Joe Woodhouse, die klaarblijkelijk het gruwelijke tafereel kleurig had beschreven. Bonifacius Baker, welgedaan en sluw, kwam hem met uitgestrekte handen tegemoet, onder de uitroep: ‘Vriend Caleb! Wat tragisch, wat verdrietig! En wat pijnlijk voor jou, net op deze eerste dag van de oogst!’ Hij sloeg een arm om Calebs schouders en leidde hem naar het kantoor. ‘Ik hoop dat de slaven dit in hun onschuld niet als een slecht voorteken zullen beschouwen?’

Caleb verzekerde de bezorgde eigenaar dat daar geen sprake van was en nam de kans waar om hem op een andere mogelijkheid voor te bereiden: ‘Het enige bijgeloof waarin ze misschien zullen volharden is dat ongelukken zelden alleen komen,’ zei hij bezorgd.

Bonifacius Baker wierp een onderzoekende blik op hem en antwoordde glimlachend: ‘Laat ons bidden dat ook dit, zoals alle bijgeloof, vals moge blijken,’ en liet hem voorgaan, de kamer in.

 

De rouwdienst werd die middag gehouden onder de zachtjes ruisende kastanjebomen op de begraafplaats bij de rivier. Alle slaven waren er, zowel de plukkers als de huisbedienden, alle leden van het gezin, zelfs Joe Woodhouse, die kennelijk het liefst naar huis was gegaan maar dat niet had kunnen doen zonder ongevoelig te schijnen. De slaven hadden drie tuinbanken onder de grote boom gezet; hierop zaten, tegenover de slaven, Bonifacius en Beula Baker, Rebekka en Abigail, de jonge Joshua, Joe Woodhouse en, op het hoekje, Caleb Martin. Tussen hen en de zwijgende drom in het gras gehurkte negers rustte een eenvoudige kist op twee schragen.

Ze bleven ruim een half uur in stilte zitten; boven hen bruiste het gebladerte als de branding. Toen stond Bonifacius Baker op om te getuigen. Hij sprak over George Fox en diens lieftallige helpster, Margaret Fell, over

[p. 21]

zijn dappere grootmoeder Ann Baker-Traylor, die het eiland gekoloniseerd had en de naam ‘Eden’ gegeven, als doelstelling bedoeld. Op deze droevige dag nu ze bijeen waren gekomen om afscheid te nemen van Vriend Quash, zouden ze hem niet meer kunnen eren, noch meer zin kunnen geven aan zijn in nederige dienst besteed leven, dan door opnieuw dat doel onder woorden te brengen: vrijheid voor allen, in het besef dat werkelijke vrijheid alléén kon worden verworven door ook de nederigste taak tot een sacrament te maken. Alleen daardoor konden alle wereldse verschillen tussen meester en slaaf, ouder en kind, man en vrouw werkelijk vervallen. Dit gezegende eiland zou, op deze wijze, met Gods hulp, een lichtend baken kunnen worden voor de gehele mensheid.

De wind in de bomen spoelde de holle, ronkende volzinnen weg; de slaven zaten roerloos, de hoofden gebogen; te midden van hen bewogen zich, rusteloos en verveeld, alleen een paar kinderen. Terwijl Caleb luisterde naar de onwereldse vermaningen die niets met de werkelijkheid uitstaande hadden, voelde hij zich gerustgesteld. Er kon geen twijfel aan bestaan dat Bonifacius Baker meende wat hij zei; hij geloofde werkelijk dat zijn slaven zo tevreden waren als slaven maar konden zijn, dat hun kleine gezegende gemeenschap van mannen en vrouwen van goede wil iedere dag dichter bij het Quaker-ideaal van het Koninkrijk van de Vrede kwam.

Caleb keek naar de norse, gesloten zwarte gezichten en vroeg zich af wie de moordenaar was. Wanneer zou de geheimzinnige rechtbank hem heimelijk in de nacht veroordelen om te worden opgehangen op de plek waar hij zijn broeder gedood had? De naar de zalvende spreker opgeheven gezichten waren ondoorgrondelijk; hij zou nooit te weten komen wie de moordenaar was tot diens lichaam gevonden werd, bungelend aan een boom of aan de brug over de kuipen. Hij zou alle sporen van de terechtstelling moeten uitwissen voor er iemand uit het Huis kwam opdagen; het zou weer een ongeluk moeten worden, weer zo'n onhandige sukkel die zich door het scheprad had laten vermorzelen. Tegen de tijd dat het Huis erachter kwam zou het lijk al gekist zijn, met zijn zwarte van angst verwrongen gezicht, uitpuilende tong, gerekte, geknakte nek.

Die avond, toen de duisternis viel, zat Caleb later dan gewoonlijk in zijn schommelstoel op de veranda, ondanks de muskieten. Niets bewoog, behalve de bladeren van de bomen. Hij ging naar bed en bleef in het duister liggen luisteren naar het zachte ruisen, wachtend op ver tromgeroffel. Maar alles bleef stil; het zou vanavond niet gebeuren. Hij vroeg zich af waarom niet. Dat was het moeilijke met slaven: je kon geen touw vastknopen aan wat ze deden; ze waren volslagen onberekenbaar, zelfs voor een man wiens vader ze zestig jaar lang gefokt had, en die zelf, dag in dag uit, veertien jaar met ze had opgetrokken.

 

*

 

Zodra Joe Woodhouse in zijn sjees de zwaaiende lantaarn zag die hem

[p. 22]

beval te stoppen, wist hij dat hij in een val gelopen was. Een ogenblik dacht hij erover zijn paard de zweep te geven en het ranke voertuigje recht op de wegversperring in te jagen. Maar hij besefte op tijd dat degenen die met de lantaarn zwaaiden en nu ‘Halt!’ brulden de weg konden hebben gebarricadeerd.

De schim van een man met een musket doemde voor hem op, met een lantaarn die wit-gekousde benen belichtte. De man kwam naar hem toe, hief zijn lantaarn op om hem in het gezicht te schijnen en riep uit: ‘Asjemenou! Een Quaker! Jongens!’

Andere schimmen kwamen uit het donker; grijnzende gezichten onder driekantige steken verschenen in het lantaarnlicht; de lopen van musketten blonken. Joe bleef recht voor zich uit staren, trachtend zijn schichtig paard in toom te houden.

‘En waar is de weg naar toe, vroom pieltje?’ vroeg de man met een spottend zalvende stem. ‘Hou je soms een slaafje onder je jas verstopt, poezemens?’

Joe wist nu wat ze waren: een zogenaamde ‘slavenpatrouille’, bestaande uit vlegels van naburige plantages, erop uit om iedere neger af te ranselen die geen door zijn meester ondertekende doorlaatpas kon tonen. Deze bendes waren in de praktijk echter voornamelijk zuipclubjes; geen enkele slaaf zou bij donker de straatweg volgen.

‘Nou, knuisje?’ vroeg de man met de lantaarn, nog altijd op die spottende toon. ‘Heb je je tongetje verloren? Laat me 's kijken of je bijgeval een nikkertje in je spanbroek hebt.’ Hij strekte zijn hand uit; Joe pakte de zweep.

De hand hield in. ‘Nee toch! Een Quaker die geweld gaat plegen?’

Joe bleef recht voor zich uit staren naar het achterste van zijn paard, dat steeds zenuwachtiger begon te worden.

‘Kom! Laten we 's zien of jij soms verstekelingen bij je hebt.’

Joe verstarde toen de hand naar zijn broek greep. Hij wist wat de man van plan was: het was meer dan hij kon verdragen. Hij schreeuwde: ‘Vort!’; gaf zijn paard de zweep; de sjees sprong vooruit, hij voelde zijn broek scheuren. Verblind door het lantaarnlicht kon hij in het donker de weg niet onderscheiden; zijn paard stormde blindelings de nacht in.

Hij hoorde het getier achter zich snel afnemen; hij verwachtte ieder ogenblik door een botsing uit de sjees te worden gesmeten, maar zijn paard was klaarblijkelijk niet verblind. De wind daverde in zijn oren, zijn jas scheen een eigen leven te leiden, wapperend en rukkend achter zijn rug; nog nooit was hij met zo'n roekeloze snelheid door het donker gereden. Hij liet zijn paard de vrije teugel tot hij in de verte de vage gloed van flambouwen zag: de ingang van de ‘Roos en Kroon’ op de hoek van de Chester Straatweg.

Hij hield zijn paard in; pas toen hij ter hoogte van de walmende flambouwen was liet de verwilderde merrie zich eindelijk intomen. Hij dacht erover de nacht in de herberg door te brengen; maar bij het zien van zijn

[p. 23]

gescheurde broek in het schijnsel van de fakkels zette hij de merrie weer aan. Zijn ondergoed was zichtbaar; hij kon zich zo niet in het openbaar vertonen. Hij moest nog vier uur verder rijden in het aardedonker, zijn hart in zijn keel, zijn eigen stommiteit vervloekend.

Pas nadat hij de bocht om was en zijn sjees voortrolde in een gestadige draf werd hij zich bewust van het beven van zijn lichaam; hij bibberde van het hoofd tot de voeten. Zijn eerste reactie was woede; hij stond op het punt het uit te schreeuwen om zijn razernij te luchten, maar besefte net op tijd dat dit zijn paard opnieuw op hol kon doen slaan. Als hij een kerel was geweest had hij dat vuige zwijn de hersens ingeslagen. Misschien had hij hem, met een beetje geluk, over zijn platte poten gereden toen hij er als een kanonskogel vandoor ging. Misschien had het wiel het been van de smeerlap wel gebroken, zijn gore smoel te pletter gereden...

Hij bleef fantaseren over wat hij had moeten doen, in plaats van daar maar braafjes te blijven zitten met de hem door traditie en opvoeding opgelegde geweldloosheid. Hij probeerde zichzelf op vreedzamer gedachten te brengen maar kon de smerige lammeling die zijn broek gescheurd had niet vergeten. De bandiet had één ding op hem voor: vrijheid. Philadelphia moest wel de saaiste, zedigste stad van de wereld zijn; de straffe hand van de Maandvergadering hield alle uitingen van levensvreugde in toom. Andere steden hadden clubs, dansscholen, schouwburgen; in Philadelphia had de Maandvergadering al deze zondige uitspattingen in de kiem gesmoord. Het enige wat een jeugdige Vriend was toegestaan op het stuk van vermaak waren theevisites of rederijkersgroepjes. En er was geen ontsnappen aan het preutse keurslijf van het Genootschap der Vrienden, tenzij men een afvallige werd, zoals zijn broer Abe, met het risico uitgestoten te worden. Abe had zich brutaal aangesloten bij de kliek jonge landeigenaren die, zijnde lidmaten van de Anglicaanse Kerk, zich met paarderennen en de jacht mochten inlaten. Abe was lid geworden van de Vrijgezellenclub, een trefpunt voor jongelui die naar Europa waren geweest. De leden van de Vrijgezellenclub hadden een jaar geleden geprobeerd een schouwburg te openen, maar de eerste voorstelling was met luidkeels gebed en gezang van psalmen verstoord door invloedrijke Vrienden die dergelijke wulpse potserijen niet duldden in de stad waar zij de boventoon voerden. O! Hoe haatte Joe hun vreugdeloze onderdrukking van alles wat jong en avontuurlijk was!

Terwijl hij op een vervelend drafje voortreed om zijn paard te sparen, werd hij steeds jaloerser op de kinkels die geprobeerd hadden hem ‘burgemeester te maken’, hun geliefkoosde vernedering van ‘Quaker-kwezels’. Hij had gehoord van anderen wie het was overkomen; het was hem nog nooit gebeurd. Wat zouden die schoften doen als ze ooit echt een nikker te pakken kregen? Hem half doodslaan, zonder twijfel. En als het een nikkermeid was? Plotseling werd alles wat door de Maandvergadering onderdrukt en verboden was belichaamd in het verleidelijke slavinnetje met de uitdagende ogen, de van zweet glinsterende, naakte borsten. Wat zou hij met haar doen, als hij zelf een van die rekels was en haar op een avond als

[p. 24]

deze te pakken kreeg, in het bos? Trouwens, wat zou er gebeuren als Vader op zijn advies afging en haar als huisslaaf voor Moeders verjaardag kocht? Veel zoons van slaveneigenaars deden het, zelfs nadat ze getrouwd waren; daar had hij vaak genoeg over horen fluisteren. Zelfs als ze zelf een jonge, mooie vrouw hadden, zoals Becky...

De gedachte aan Becky ontnuchterde hem. Wat hij zich ook mocht verbeelden, hij zou zich nooit los weten te maken van de veilige teugels van de Vergadering, uit angst ten prooi te vallen aan het duivelse in zichzelf. Hij was niet zeker van het bestaan van het goddelijke, maar van het duivelse ... Hij kon het voelen terwijl hij door de nacht voortdraafde. Het vulde hem met hete, wulpse gedachten. Het was een opluchting toen hij de eerste slapende straat van Philadelphia bereikte, en genoodzaakt was te gaan denken aan wat hij zijn vader zou vertellen. Hij hoopte naar zijn kamer te kunnen sluipen zonder dat hij de oude man zijn schande behoefde te tonen; het was laat, iedereen zou wel naar bed zijn.

Maar toen hij bij de stallen achter het huis kwam, zag hij dat het raam van zijn vaders studeerkamer nog verlicht was. Verduiveld! De ouwe was weer eens laat aan het werk! Het gekletter van de hoeven en het geratel van de wielen moesten in het huis te horen zijn; hij kon beter een goed excuus hebben voor zijn gescheurde broek of anders een manier bedenken om de aandacht van zijn vader af te leiden.

Terwijl hij de riemen losmaakte waarmee het valies en de rol tekeningen op het bagagerek van de sjees waren vastgesnoerd, herinnerde hij zich het pakje dat Oom Bonifacius hem gevraagd had bij Jeremia Best af te geven. Hij zou zijn vader vragen dat voor hem te doen; wie weet, misschien zou dat zijn aandacht afleiden.

 

***

 

Isaac Woodhouse zag onmiddellijk toen zijn zoon de studeerkamer binnenkwam dat er iets mis was. Joe zag er doodsbleek en ontdaan uit, zijn broek was gescheurd, zijn ogen stonden vol ontsteltenis; Isaacs eerste gedachte was dat hij door straatrovers overvallen was. Maar het bleek dat een stel vlegels hem gemolesteerd had; bij het zien van zijn gehavende broek begreep Isaac aan welke belediging men de jongen onderworpen had; het was de laatste tijd algemeen gebruik geworden onder het toenemende aantal lieden dat zich geroepen voelde om Quakers te sarren.

‘Ik vertrouw dat je je als een Vriend gedragen hebt?’ vroeg hij.

‘Ik heb ze niet met mijn zweep afgeranseld,’ antwoordde Joe met een wrang lachje. ‘Maar ik moet je wel bekennen dat ik in de verleiding was om dat te doen.’

‘Natuurlijk. Het is niet de opwelling, die verkeerd is. Het is verkeerd er aan toe te geven.’ Isaac weerstond de neiging zijn hand vertederend op de schouder van zijn zoon te leggen. In plaats daarvan vroeg hij: ‘En? Hoe is het met Bonifacius Baker afgelopen?’

[p. 25]

De jongen haalde zijn schouders op. ‘Niet zo best, vrees ik,’ antwoordde hij, terwijl hij de rol tekeningen op het bureau legde. ‘Ik geloof niet dat hij erin zal toestemmen de rots te laten opblazen.’

‘Geld?’

‘Nee. Hij zei dat hij niet het recht had om toestemming te geven, omdat de rots in een verdrag met William Penn tot Indiaans heiligdom was verklaard.’

‘In de koopakte tussen Ann Baker-Traylor en de familie Penn wordt de rots niet als heiligdom vermeld, dus die clausule is verouderd. Heb je het huwelijk nog ter sprake gebracht?’

‘Ja. En ik kan niet zeggen dat ik daar trots op ben.’

Misschien kwam het door de manier waarop Joe daar stond, ontredderd en eenzaam, maar plotseling zag Isaac het uit het gezichtspunt van de jongen. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij. ‘Ik had je moeten uitleggen waarom ik dat voorstelde. Het is niet zo koud en berekenend als het lijkt. Het meisje in kwestie...’

‘O, ik begrijp 't,’ zei Joe met een wrang lachje. ‘Wees maar niet bang. Als ik voldoende van haar hield om haar te trouwen zou ik dat doen, zonder zakelijke overwegingen of dat al dan niet verstandig zou zijn.’

‘Natuurlijk.’ Er viel een verraste stilte. De jongen scheen plotseling volwassener te zijn geworden. Kwam dat door de aanranding van zijn mannelijkheid door die vlegels? Er was een verschil tussen de zorgeloze jongen die op weg was gegaan naar Eden en deze verbitterde, opstandige halfwas.

‘Nog iets anders wat je wilt weten, Vader? Of mag ik naar bed gaan?’

‘Nee, niets. Tenzij je nog wat wilt bepraten?’

De jongen probeerde dat nieuwe grimlachje van bittere volwassenheid nog eens uit. ‘Nee, Vader. Ik heb niets anders te zeggen. Welterusten.’

‘Welterusten, Joseph.’ Opnieuw voelde Isaac de neiging zijn hand op de schouder van zijn zoon te leggen, maar de jongen wendde zich af. Bij de deur draaide hij zich om en zei: ‘O ja! Dat had ik bijna vergeten...’ Hij kwam naar de schrijftafel terug, opende zijn valies en haalde er een in bruin papier gewikkeld pak uit te voorschijn. ‘Oom Bonny gaf me dit met het verzoek het aan Oom Jeremia door te geven, voor de Historische Bibliotheek. Ik vraag me af of jij dat voor me zou willen doen.’

‘Met plezier. Wat is het?’

‘Een pak dagboeken, gevonden in een geheim vak in een bureautje van Becky's overgrootmoeder. Ze schijnen van honderd jaar terug te dateren.’

‘Welke overgrootmoeder?’

‘Ann Traylor.’

‘Och kom? Interessant...’

‘Welterusten, Vader.’

‘Welterusten, Joe.’

Zodra Isaac alleen was maakte hij het pak open; het feit dat Bonifacius Baker deze dagboeken aan de Historische Bibliotheek geschonken had

[p. 26]

betekende dat hij wilde dat andere Vrienden ze zouden lezen.

Het eerste, een schoolschrift vol ezelsoren, bleek een inhoudsregister te zijn, vol namen en cijfers in een spichtig, ouderwets handschrift. Achter ‘Woodhouse’ stond een reeks verwijzingen naar delen en bladzijden; hij sloeg de eerste na.

‘Thomas Woodhouse begon gevallen van “geestelijke vervoering” te wantrouwen toen Mabby en Harry Martin naakt in het maanlicht ronddansten en in elkaars armen eindigden...’ Harry Martin? Dat moest de vader van de oude Peleg Martin zijn geweest!

Hij was benieuwd of het incident ergens uitvoeriger beschreven was en zocht onder ‘Martin, Harry.’ Maar dat verwees hem terug naar dezelfde pagina. Misschien onder ‘Peleg’? Dat verwees hem naar het derde deel, 1712.

‘Nadat Peleg Martins vrouw en twee van hun drie kinderen in de brand waren omgekomen, was zijn situatie zo erbarmelijk dat de Vergadering besloot hem voldoende geld te lenen om een paar slaven te kopen en opnieuw te beginnen. De duldzaamheid van de Commissie voor Zorg en Toezicht werd zwaar op de proef gesteld toen bekend werd dat hij ontucht had gepleegd met een van zijn slavinnen en dat zij als gevolg daarvan een jongetje ter wereld had gebracht. Het was de eerste keer dat wij ons tegenover een dilemma van deze aard geplaatst zagen. Ofschoon deze praktijken gebruikelijk waren onder slavenhouders van andere gezindten, hadden wij vast geloofd dat geen enkele Quaker zo laag zou kunnen zinken dat hij de ondergeschikte positie van een negerslavin zou misbruiken. De vrouwelijke leden van de Commissie waren van mening dat hij uitgestoten diende te worden; zij schenen het meest verontwaardigd over het feit dat het object van zijn zonden betaald was met het geld van de Vergadering. Ik hield een pleidooi om Pelegs misstap liefdevol te aanvaarden. Per slot van rekening, zo pleitte ik, had hij zijn vrouw en twee kinderen verloren en moest zich nog steeds eenzaam en verlaten voelen; in plaats van hem in eigengerechtigde verbolgenheid uit te stoten, dienden wij, als Quakers, te denken aan het onschuldige slachtoffer van deze tragische misstap: het kind dat de slavin ter wereld had gebracht. Wij konden toch niet toestaan dat hier zou gebeuren wat in dergelijke gevallen onder andere gezindten was gebeurd, namelijk dat het wicht op de openbare markt verkocht werd. Ik kan met blijdschap zeggen dat ik de Commissie overreedde zich over het kind te ontfermen en het bij een pleegmoeder onder te brengen tot Peleg Martin een deugdzame, liefhebbende vrouw had gevonden, die bereid zou zijn het als haar eigen kind te aanvaarden. Ik heb het vermoeden dat de vrouwen hier alleen in toestemden omdat Ezra Atkins, die het kind gezien had, rapporteerde dat het een blanke huid had; alleen zijn ogen waren donker. Had het onschuldige kleine ding dezelfde huidkleur gehad als zijn moeder, dan zou ongetwijfeld zelfs mijn vurigste smeekbede vruchteloos zijn gebleven - zo zijn nu eenmaal, ondanks onze vrome woorden, onze heidense praktijken. De mannelijke leden van de Commissie waren gemakke-

[p. 27]

lijker te overtuigen dan de vrouwen. Ezra Atkins en Uria Moremen werden afgevaardigd om het kind te gaan halen; ze kwamen, kennelijk weinig op hun gemak, terug met de zuigeling in een mandje. Ik bood aan het kleine ding in huis te nemen, eerlijk gezegd was dat van het begin af aan mijn bedoeling geweest. Nu is hij een schattig jongske, levendiger, maar net zo lief als mijn eigen kleine Mozes op die leeftijd. Het is een vreemde ervaring weer een kind in mijn armen te hebben; het schijnt dat de ouderdom onze moederlijke instincten niet dooft. Ik heb namelijk precies dezelfde beschermende en tedere gevoelens voor de kleine Caleb die ik destijds had voor mijn eigen vlees en bloed.’

Caleb Martin een halve neger! Isaac legde ontsteld het dagboek neer. Dit was niet het soort alledaagse geroddel dat hij verwacht had; dit was tragisch, verschrikkelijk. Hij was ervan overtuigd dat Caleb er zelf geen flauw vermoeden van had, niemand in de Vergadering trouwens. Hij moest het Ezra Atkins en de andere leden van die Commissie nageven dat ze nooit met een woord gezinspeeld hadden op dit duistere geheim in het verleden van Peleg Martin. Hij vroeg zich af of zelfs Hanna Martin wist dat het kind dat ze als haar eigen zoon had grootgebracht en liefgehad geen overlevende van de grote bosbrand was, zoals Grizzle, maar een bastaard die in een vlaag van wellust door haar man bij een negerslavin was verwekt.

Eén ding was duidelijk: deze dagboeken mochten niet in een historische bibliotheek worden geplaatst, waar Jan en alleman ze konden lezen. Niemand mocht ze onder ogen krijgen, behalve Jeremia Best. Hij zag nog niet goed wat Jeremia met de schriften kon doen; voor alle betrokkenen zou het 't beste zijn als ze maar meteen werden vernietigd. Maar dat kon alleen Bonifacius Baker beslissen; per slot van rekening was het zijn grootmoeder.

Verontrust, maar geboeid, las hij verder.

Isaac stapte in de ochtendkoelte de straat op, zich bij voorbaat verheugend op de wandeling van zijn huis naar de scheepswerf. Hij ging met fikse tred op weg, het pakje schriften onder zijn arm, monter zwaaiend met zijn wandelstok, een kleine, kwieke gestalte in Quaker-kledij.De daken van de nog slapende huizen werden verguld door de opkomende zon.

Toen hij de rivierkade bereikte vervulde de aanblik van de Delaware hem met trots. De loodsen op de havenhoofden, omringd door een waar bos van masten, schenen een weerbeeld van het oerwoud aan de overkant; masten en pakhuizen, zover het oog reikte. De rivier wemelde van kustvaartuigjes en lichters; aan pier zestien, de eerste van de vier die zijn eigendom waren, was net de barkentijn Gulielma Penn gemeerd, rechtstreeks uit Londen. Ze was geladen met kisten aardewerk, vaten spijkers, tonnen inktpoeder, ploegscharen, zeisen, sikkels, rollen linnen, laken, bombazijn, damast, bont katoen, Perzische en Chinese tafzijde. In het pakhuis lag haar retourlading al gereed: graan, timmerhout, huiden, gepekeld vlees, tonduigen, hoepels en spanen uit het binnenland van Pennsylvanië, vis uit Nieuw Engeland, rijst van de Carolinen, door kustvaarders naar de stad gebracht en bestemd voor Barbados. Daar zou het schip suiker, melasse, rum en wijn voor Londen

[p. 28]

innemen.

Haar ruimen waren al geopend, de kade krioelde van stuwadoors, kooplui en lopers van de kantoren die de post kwamen afhalen. Haar boegspriet hing boven de straat, het stampstag veroorzaakte een draaikolk in de mensenmassa. Hij zou eigenlijk naar kantoor moeten gaan om de gezagvoerder te verwelkomen, maar het werd tijd om de formaliteiten eens aan Abe over te laten. Bovendien moest hij Jeremia zo gauw mogelijk spreken.

Het was zo lang geleden sinds hij voor het laatst de wandeling naar de werf van Best gemaakt had, dat de afstand groter bleek te zijn dan hij zich herinnerde. Tegen de tijd dat hij de eerste van de drie lange, lage loodsen bereikte was hij warm en afgemat. De Besten deden goede zaken, zoals iedereen: ze hadden drie schepen op stapel staan in verschillende stadia van voltooiing; het grootste, een driemaster voor Stephen Atkins, was bijna klaar voor de tewaterlating; de andere twee waren voor Henderson, een sloep voor de kustvaart en een brik voor de West-Indische Eilanden. Ondanks het vroege uur waren de drie casco's bijenkorven van bedrijvigheid; het lawaai van hamers en breeuwstokken was oorverdovend.

Al deze activiteit maakte duidelijk dat Abe in Jeremia Best geen bondgenoot zou vinden in de kwestie van de Altaar Rots. Het verruimen van het vaarwater betekende grotere schepen; de werf zou gereorganiseerd moeten worden voor de bouw ervan. Jeremia zou beslist niets voelen voor een dergelijke kostbare verandering. Isaac had Abe in deze zaak steun beloofd; jammer dat het niet dadelijk tot hem doorgedrongen was dat hij er zelf tegen was. Hij had besloten Abe zijn gang te laten gaan omdat het voor de jongen een goede gelegenheid leek om eens te laten zien wat hij kon; nu zat hij met de gebakken peren.

Het kantoor was achter in de middelste loods; pas toen hij op het punt stond de deur open te doen viel het hem in dat Jeremia zich inmiddels uit de zaak had teruggetrokken en er waarschijnlijk niet zou zijn.

Hij was er inderdaad niet. De jonge Obadja zat aan het bureau van zijn vader, als een reiger op een kantoorkruk, zijn lange stakige benen wijd voor zich uit. Obadja, ondanks zijn vierendertig jaren nog altijd ‘de jonge Best’ genoemd, had het air dat Isaacs eigen zoon Abe op dit zelfde ogenblik ook moest vertonen: quasi op zijn gemak, pogend zijn zenuwachtige onzekerheid te verbergen achter een hol vertoon van nonchalance. ‘Nee, Vader is er niet, Oom Isaac. Nee, hij is ook niet op de werf; hij zal wel in de bibliotheek van het Vergaderingsgebouw zitten, daar brengt hij tegenwoordig meestal zijn tijd door. Haha!’ De jonge Obadja schraapte zijn keel na die zinloze lach. ‘En hoe gaat het met Nicht Caroline? Goed gezond, hoop ik?’ De vraag was verbijsterend onbeholpen voor een man van zijn leeftijd; Abe had gelijk, de idioot was smoorverliefd op de achttienjarige Carrie, niettegenstaande het belachelijke verschil in leeftijd. Er kon natuurlijk geen sprake van zijn. Stel je voor! Die kleine, onschuldige, blije Carrie en deze vogelverschrikker, die haar vader zou kunnen zijn ... ‘Goed, dank je, Vriend Obadja,’ zei Isaac, en hij probeerde zijn ergernis niet in zijn stem te

[p. 29]

laten doorklinken. ‘Ik zal je vader in het Vergaderingsgebouw gaan opzoeken.’

Obadja sprong overeind, daarbij als een kalf de kruk omsmijtend. ‘Mag ik je er even in het rijtuig van de zaak naar toe brengen, Oom Isaac? Het ding staat voor...’

‘Vooruit maar,’ zei Isaac, zuur glimlachend. ‘De nederlaag van de ouderdom! Alleen een dwaas is zich niet van zijn leeftijd bewust.’

Als wenk was deze nogal doorzichtig; maar het ontging de verliefde ezel die, zo onderdanig als het Quaker-gebruik maar toestond, zijn onwillige schoonvader in spe naar een faëton leidde met twee overvoede paarden, die in de schaduw naast het gebouw stonden te wachten. Na hem met irriterende bezorgdheid in het rijtuig te hebben geholpen, klom de bonestaak op de bok en peesde weg als de zonnegod, naar wie het voertuig genoemd was en die ook berucht was geweest om zijn wilde rijden. Obadja ging zich, als alle slechte koetsiers, te buiten aan onnodig zweepgeknal, kennelijk meer bedoeld om de voetgangers bang te maken dan om de paarden aan te sporen. Het duurde dan ook niet lang of een Ierse stem brulde uit de menigte: &l