Het geschil tussen Isaac Woodhouse en Bonifacius Baker aangaande Altaar Rots werd de volgende middag voorgelegd aan de alleen door de mannen bijgewoonde zakenvergadering van de Philadelphiase Maandvergadering. Jeremia Best las, in zijn functie van klerk, Isaacs verzoek voor om twee Vrienden te delegeren die moesten trachten met Bonifacius Baker en hemzelf, in een geest van liefde, tot de beslissing te komen of het verdrag tussen William Penn en de Delaware-Indianen nog steeds bindend was, gezien het feit dat de Delawares het gebied ruim vijftig jaar geleden hadden verlaten. Daar het hier om het delicate verschil ging tussen de letter en de geest van het betrokken document, achtte Jeremia de kwestie een gewettigd onderwerp voor arbitrage door de Vergadering.
De ruim tweehonderd in de zaal vergaderde mannen overpeinsden de zaak in slaperig zwijgen. Spreeuwen kwetterden op de vensterbanken van de openstaande ramen; schoven zonlicht vol dansend stof vielen schuin de zaal binnen en vormden gouden ruiten op de banken. Het tussenschot was neergehaald om de vrouwen in staat te stellen hun eigen zakenvergadering te houden; erachter klonk het monotone gemurmel van een vrouwenstem. Jeremia wachtte op een passend ogenblik om voor te stellen dat hij zelf met Bonny Baker zou gaan praten. De dagboeken moesten naar Eden worden teruggebracht; als hij dit onder het mom van een officiële opdracht kon doen zou het Grizzles nieuwsgierigheid misschien niet opwekken. Die ochtend vroeg was hij na uren lezen in zijn stoel in de studeerkamer ingedommeld; hij schrok wakker toen hij merkte dat zijn vrouw in haar nachtjapon een van de schriften stond door te bladeren. Ze had met alle geweld willen weten wat hij had zitten lezen; het was hem gelukt haar af te leiden door te mompelen over ‘historische documenten’, maar nu vroeg hij zich af hoeveel ze van de inhoud gezien had. Ze werd door een feilloos instinct naar schandalen toegetrokken, als een postduif naar haar til.
Eindelijk oordeelde hij dat het ogenblik gekomen was, en zei: ‘Als de Vergadering zich daarmee kan verenigen, bied ik mijn diensten aan, aangezien beide partijen familie van me zijn.’
‘Akkoord.’ Dat was Isaac Woodhouse.
Hij keek om zich heen naar verdere tekenen van instemming.
‘Ik verenig me daarmee,’ zei Israel Henderson. ‘Ik stel voor dat Peleg Martin wordt uitgenodigd je te vergezellen.’
Het was een verstandige keus. Peleg was zo ongeveer de enige wiens gezag de jeugdige Abe Woodhouse, waar het hier klaarblijkelijk om ging,
schoorvoetend zou aanvaarden.
‘Peleg Martin, zou je hiermee kunnen instemmen?’
‘Ja.’ De stem van de oude man bracht, zoals gewoonlijk, een diepere stilte teweeg.
‘Philip Howgill, als je zo vriendelijk zou willen zijn...’
De schrijver begon het besluit vast te leggen in een notule. De Vergadering wachtte zwijgend tot hij daarmee klaar was. Hij las het geschrevene voor; het werd zonder discussie goedgekeurd.
Het volgende punt op de agenda was een officieel verzoek van het Gouverneurspaleis. Het Indianenopperhoofd Zilverwolf van de Unamis had een verzoek ingediend om een expeditie van landmeters te sturen die opnieuw de grenzen moesten vaststellen van een stuk land door zijn grootvader aan de familie Penn verkocht, en hij vroeg of er, behalve Barzellai Tucker, de Indiaanse agent, minstens één Quaker bij kon zijn. Het Gouverneurspaleis nodigde de Vergadering uit een van haar leden te delegeren; het was de bedoeling dat de expeditie over een week zou vertrekken.
Dit was een delicate taak. In 1686 hadden de Delawares aan William Penn een perceel grond verkocht ‘met als omtrek de afstand die een man in anderhalve dag te voet in het woud kan afleggen.’ Will Penns onbetrouwbare zoon Thomas, die, tot overmaat van ramp, het ook nog nodig had gevonden lidmaat van de Anglicaanse Kerk te worden, had deze ‘omtrek’ in 1737 opnieuw laten afwandelen, ditmaal op een van tevoren gekapt pad en met gebruikmaking van beroepshardlopers. De zaak was sindsdien altijd een twistappel geweest; het was zeker in het belang van de vrede dat deze onrechtvaardigheid goedgemaakt werd. Voor de opdracht zou een jonge, gezonde Vriend nodig zijn, gezien de ontberingen van de wildernis; na langdurige discussie werd de jeugdige Joseph Woodhouse aangewezen. Hij had met de andere jongelui op de achterste rij gezeten zonder veel belangstelling in de gang van zaken en was zo verrast dat zijn stem, toen hij de opdracht aanvaardde, eerst te hoog was, hij sprak verder met een basstem en ging zitten, blozend van verlegenheid.
Terwijl de schrijver de notule opmaakte, werd er uit de zaal een briefje aan Jeremia doorgegeven. Hij vouwde het open en fronste de wenkbrauwen. Het kwam van Isaac Woodhouse en luidde: ‘Er is door Joe een klacht tegen Caleb M. ingediend wegens dronkenschap. Ik stel voor dat jij zelf naar hem toe gaat om het in bijzijn van zijn vader met hem op te nemen.’ Er viel niets aan te doen; zodra er een klacht tegen een Vriend was ingediend moest die aan de Vergadering worden voorgelegd, ook al werd zijn identiteit geheim gehouden.
‘Er is een klacht tegen een Vriend ingediend wegens overmatig drinken,’ zei Jeremia. ‘Mag ik de Vergadering verzoeken twee Vrienden af te vaardigen om met de Vriend in kwestie te arbeiden?’ Hij keek rond en voegde eraan toe: ‘Ik ben mij ervan bewust dat de delegaties van vandaag een last op deze Vergadering hebben gelegd; ik stel voor dat Peleg Martin
en ik deze taak op ons nemen, aangezien we toch in de buurt zijn als we naar Bonifacius Baker gaan. Peleg Martin? Zou je bereid zijn dit samen met mij te doen?’ De oude man knikte, maar bleef strak voor zich uit staren. ‘Mag ik om leiding van de Vergadering verzoeken?’
‘Ik verenig mij,’ zei Israel Henderson formeel. Anderen mompelden hun goedkeuring. Philip Howgill begon weer naarstig te schrijven. In de stilte hoorde Jeremia een bekende stem achter het tussenschot. Hij kon de woorden wel niet onderscheiden, maar het was duidelijk dat zijn vrouw zich geroepen had gevoeld haar zusters in de Heer iets mee te delen op haar gebruikelijke forse toon.
***
De zakenvergadering van de vrouwen had zich een uur lang voortgesleept, toen Hanna Martin-Strumpf wakker schrok door het vitterig stemgeluid van haar dochter Grizzle.
Tot op dat moment hadden de besprekingen het nauwelijks gewettigd dat er ook maar iemand wakker bleef, laat staan een tachtigjarige vrouw die, net als een zuigeling van acht maanden, zestien uur slaap per dag nodig had. Na de eentonige voorlezing van de notulen van de vorige maand door de schrijfster, Millie Clutterbuck, waren de voorbereidingen voor de komende Jaarvergadering eindeloos besproken: wie voor het logies van Vrienden van buiten de stad zouden zorgen, wie het warme avondmaal op zondag zouden klaarmaken, wie spelletjes voor de kinderen zouden organiseren, enzovoort, enzovoort - Hanna had het allemaal al wel veertig keer eerder gehoord. Ze had zich op de traag kabbelende woordenstroom laten voortdrijven tot Grizzles stem krijste: ‘Het kan me niet schelen hoe de Vergadering de kwestie afhandelt, maar ik ben ervan overtuigd dat ik namens alle aanwezigen spreek als ik verklaar dat ik niet van plan ben de weerzinwekkende grollen van die smerige oude man nog één keer te verdragen! Ik stel voor een afgezante naar de mannen toe te sturen om hen te vertellen dat wij erop staan dat Benjamin Lay belet wordt tijdens de Jaarvergadering het woord te nemen!’
Hanna kende haar dochter goed genoeg om onmiddellijk te begrijpen dat de arme Benjamin Lay niet de ware oorzaak van haar woede was. Grizzle had deze krijgslist van kind af aan toegepast: een dwaas verzoek te laten afwijzen om dan, als de ander eenmaal uit zijn of haar evenwicht was gebracht, met de eis op de proppen te komen waar het haar in werkelijkheid om ging. Natuurlijk was haar bezwaar tegen Benjamin Lays malle kunsten niet onredelijk; hij was een niets kwaads bedoelende oude zonderling die, na zijn kattekwaad tijdens de vorige Jaarvergadering, geen kans zou zien om de vrouwen opnieuw de stuipen op het lijf te jagen. Vorig jaar had hij een met bloed gevulde varkensblaas onder zijn jas verborgen gehouden en toen de notule tegen de slavernij andermaal was afgekeurd, omdat haar dierbare echtgenoot Peleg weigerde zich ermee te verenigen, was hij opgesprongen
met de kreet: ‘Zo zal God het bloed vergieten van degenen die hun medemensen in slavernij houden!’ Hij had een dolk door zijn jas gestoken, bloed was langs de voorkant van zijn broek gegutst, de vrouwen hadden gekrijst, sommigen waren flauwgevallen, het resultaat was een heksenketel geweest.
Grizzles verzoek werd tactvol opzijgelegd door de klerk, Mary Woodhouse, die daarop door Grizzle rijp werd geacht de werkelijke harpoen in de gekorsetteerde massa van haar massieve heupen te ontvangen.
‘Er is nog iets, Vriendinnen, dat ik me verplicht voel onder jullie aandacht te brengen,’ ging Grizzle voort, nu eensklaps op een toon van zoete redelijkheid. ‘Ik ben te weten gekomen dat de jonge Rebekka Baker een belangrijke en hoogst pijnlijke ontdekking heeft gedaan.’
De stilte was plotseling vol aandacht. ‘Ze ontdekte’, vervolgde Grizzle, ‘een stapel dagboeken in een secretaire die ze geërfd heeft van haar overgrootmoeder Ann Traylor, die we ons allemaal met zoveel genegenheid herinneren. Door een samenloop van omstandigheden heb ik een vluchtige blik op de inhoud kunnen slaan, en laat me jullie vertellen, Vriendinnen,’ - ze keek om zich heen met een onheilspellende blik in haar uitpuilende ogen, alsof ze door gassen werd gekweld - ‘één blik was voldoende om me te doen inzien dat wijlen onze Vriendin Ann intimiteiten over haar tijdgenoten heeft neergeschreven die zó onthutsend zijn, zó schandalig...’ Opnieuw zweeg ze om rond te kijken, de spanning opdrijvend met de geslepenheid van een marktkoopman. ‘Het is mij ter ore gekomen dat de mannen overwegen deze dagboeken in de Historische Bibliotheek van mijn man onder te brengen. Ik wil niet al te preuts lijken, maar de paar dingen die ik heb gelezen, Vriendinnen, zijn van een zó schokkende, zó pijnlijke aard, dat ik vind dat wij vrouwen in deze zaak de stem van het verstand moeten laten horen. Ik stel voor dat we een commissie benoemen om de dagboeken te onderzoeken en advies uit te brengen of ze aan de openbaarheid mogen worden prijsgegeven.’ Ze ging met een dramatisch, abrupt gebaar zitten.
Voor haar moeder, die haar onbewogen aanstaarde, was haar opzet duidelijk: ze had in die dagboeken gesnuffeld en ontdekt dat ze een goudmijn van roddel vormden; haar enige kans om ze weer in handen te krijgen was als lid van die commissie. Wat kon die wraakgierige oude Ann hebben geschreven? Dat Isaac Woodhouse zich in 't geheim had laten uitschilderen en het portret op zijn zolder verborgen hield? Dat Jeremia Best een verzameling Chinese afgodsbeeldjes had? Dat haar man, Peleg, in zijn tijd ... Plotseling verstarde ze. Caleb. Ann Baker had misschien iets over Caleb geschreven.
Ze bad tot God, met bonzend hart, dat Hij haar kind zou beschermen, beschermen, beschermen; lieve, lieve God, bescherm hem ter wille van Je eigen Zoon...
Plotseling klonk de Nieuw-Engelandse stem van Mary Woodhouse in de stilte met het volle gezag van de vooraanstaande positie van haar man en haar eigen vorstelijke gewichtigheid. Er kon geen twijfel aan bestaan dat, op
deze kalme enigszins geaffecteerde toon, de werkelijke macht in Philadelphia zich liet horen. Het toeval wilde, zei Mary, dat ook zij van die dagboeken afwist. Zij had zelf geen gelegenheid gehad ze te lezen, maar haar man wel. Zij was het met Vriendin Grizzle eens dat de dagboeken informaties over het privé-leven van verschillende mensen, de meesten inmiddels overleden, bevatten die pijnlijk voor hun afstammelingen zouden kunnen zijn; daarom was ze blij Vriendin Grizzle te kunnen verzekeren dat haar bezorgdheid voor de reputatie van anderen gedeeld werd door de Mannen-Vergadering, die besloten had de dagboeken aan Bonifacius Baker terug te bezorgen, met de raad ze achter slot en grendel te houden tot de daarin vermelde gegevens niemand meer zouden kunnen deren.
Het was een waardig antwoord, maar Grizzle was er niet de vrouw naar om iets op te geven. Daar sprong ze al overeind om te zeggen: ‘Ik geloof niet dat de mannen de enigen mogen zijn die hierover beslissen, niet na de gedeelten die ik heb gelezen! Ik blijf bij mijn voorstel dat er uit deze Vergadering een commissie wordt benoemd om samen met de mannen die dagboeken te onderzoeken en uit te maken wat ermee moet gebeuren teneinde de onschuldigen te beschermen.’
Weer voelde Hanna Martin dat haar hart begon te bonzen. Ze drukte haar hand tegen haar borst. ‘Kalm,’ zei ze tegen zichzelf, ‘kalm, kalm, het zal haar niet lukken, Caleb zal niets gebeuren...’
Mary Woodhouse staarde Grizzle minzaam aan en zei: ‘Ik geloof niet dat ik je precies begrijp, Vriendin Grizzle. Je voorstel was dat we zouden moeten trachten die dagboeken aan de openbaarheid te onttrekken. Nu, dat is gebeurd. Nu schijn je voor te stellen dat, wat de mannen ook mogen hebben besloten, we ons er eerst van vergewissen welke pijnlijke informaties ze precies bevatten, voordat Bonifacius Baker ze weer opbergt. Ik zal met genoegen om leiding van de Vergadering over je gewijzigde voorstel verzoeken, maar dan moet je me toch eerst eens uitleggen hoe een verdere bestudering van de dagboeken door jou en de andere leden van die commissie zou kunnen bijdragen tot bescherming van de onschuldigen.’ Met innemende aandacht wachtte ze op het antwoord.
Grizzle staarde de vrouw met haat in haar uitpuilende ogen aan. Toen antwoordde ze, beheerst: ‘Al met al, Mary Woodhouse, zou ik toch graag om leiding van de Vergadering hierover willen verzoeken. Misschien is in jouw geval een volledig vertrouwen in de discretie van je man gerechtvaardigd; volgens mijn eigen ervaring, en ik neem aan die van de meeste aanwezigen, is kletszucht, hoewel gemeenlijk als een vrouwelijke eigenschap beschouwd, typisch mannelijk.’
Het was een handige poging. Haar onverstoorbare tegenstandster liet de vrouwen eerst uitgiechelen alvorens te antwoorden: ‘Ik zal je voorstel met genoegen aan de Vergadering voorleggen, Grizzle Best. Wil de Vergadering zo goed zijn mij leiding te geven aangaande het voorstel dat Grizzle Best zich persoonlijk van de inhoud van de privé-dagboeken van Ann Baker-Traylor op de hoogte stelt, ter bescherming van de onschuldigen?’
Ruth Henderson vroeg: ‘Gezien de intieme kennis die sommige leden van deze Vergadering schijnen te hebben over hetgeen hiernaast plaatsvindt, weet iemand misschien wie de mannen hebben aangewezen om die dagboeken naar Bonifacius Baker terug te brengen?’
Niemand wist het, niemand zei althans iets.
‘In dat geval stel ik voor dat we een afgezante naar hiernaast sturen om ernaar te vragen,’ vervolgde Ruth Henderson, met een stalen gezicht. ‘Onze inmenging in hun besluit zal ervan afhangen of deze Vergadering vertrouwen in de betrokken mannen heeft.’
‘Is het de leiding van de Vergadering,’ vroeg Mary Woodhouse liefjes, ‘dat er een afgezante naar hiernaast zal worden gestuurd om te informeren welke mannen zijn aangewezen om de dagboeken aan Bonifacius Baker terug te brengen?’
Het ogenblik was gekomen voor Grizzle om de vlag te strijken. ‘Ik geloof niet dat dit nodig is,’ bekende ze met enige moeite. ‘Ik ben ervan overtuigd dat het betrouwbare Vrienden zullen zijn. Ik voor mij ben bereid me bij de beslissing van de mannen neer te leggen, althans voor zover het hun keuze van vertegenwoordigers betreft.’
‘Ik begrijp het niet helemaal,’ zei Mary Woodhouse. ‘Willen we de mannen in verlegenheid brengen, willen we dat Vriendin Grizzle Best die dagboeken leest, hoe zit het nu eigenlijk?’
Ruth Hendersons mannelijke stem baste: ‘Vriendinnen, laten we er niet langer omheen draaien. We komen allemaal voor schut te staan tenzij we onze nieuwsgierigheid bedwingen en deze kans voorbij laten gaan, hoe spijtig dat ook mag zijn. Ik stel voor dat we de hele zaak vergeten en er geen melding van maken in de notulen, laat staan het te verheffen tot een onderwerp voor een officiële leiding van de Vergadering. Ik neem aan dat we allemaal een zucht van verlichting zullen slaken. God weet wat er over mij in die dagboeken staat!’
Ze schaterden het allemaal uit, uitbundiger dan gewettigd was; Mary Woodhouse greep bliksemsnel de gelegenheid aan om op het volgende punt over te gaan: ‘Naar de toezichthouders vernemen is er de laatste tijd een neiging onder onze jongere mensen waarneembaar tot wereldsheid. Voorgesteld wordt dat de Vergadering een waarschuwend woord uitspreekt tegen spelen, parken, bals, feesten, liederen, muziek, liefdesgedichten en dergelijke, als zijnde verderfelijk in het licht van de Waarheid. Het voorstel is ingediend door Bathsheba Moremen.’
Terwijl de vrouwen met de ijver van de opluchting dit onderwerp te lijf gingen, bleef Hanna Martin zich zorgen maken over haar zoon Caleb. Niemand zou ooit begrijpen hoe een vrouw kon houden van andermans kind alsof het haar eigen vlees en bloed was. Misschien had het te maken met de verwantschap die ze met het arme, angstige kindje gevoeld had toen het bij haar kwam, want ze waren allebei buitenstaanders geweest in een gemeenschap die zo hecht en gesloten was als een stam van Indianen. Voor ze met Peleg Martin kon trouwen, was Hanna gedwongen geweest alle verbonden-
heid met haar familie, haar kerk en haar geboortestad af te zweren. Te midden van de argwanende vreemden was de kleine Caleb haar enige bondgenoot geweest, de steen die de bouwers hadden verworpen. Ze had zich geen ogenblik iets van het gerucht aangetrokken dat hij, in tegenstelling met Grizzle, niet het kind van Pelegs overleden vrouw zou zijn maar het resultaat van een Seitensprung van zijn kant met een negerslavin, want waar zij vandaan kwam waren geen slaven en veroordeelde niemand een kind om zijn afkomst. De stad van haar jeugd had haar eigen taal, tradities, muziek; het was er gezellig en warm en aards geweest. Ze had uit volle borst meegezongen in het koor van de Lutherse Kerk, iedereen bij haar thuis deed altijd alles uit volle borst. Nog steeds, na al deze jaren, miste ze het luisteren naar cantates en oratoria door volledig orkest en koor, zoals ze dat zo dikwijls in de kerk had gedaan. Ze hield van haar man, ze was ervan overtuigd geraakt dat de Quaker-manier waarschijnlijk de beschaafdste manier was waarop mannen en vrouwen in een gemeenschap konden samenleven, maar er waren dingen waar ze naar zou blijven snakken, en muziek was daar één van. Toen ze haar laatste wil neerschreef, zoals Vrienden werd vermaand te doen terwijl ze nog in goede gezondheid verkeerden, had ze er het verzoek aan willen toevoegen dat er tijdens haar begrafenissamenkomst een paar musici uit Nazareth, Bethlehem of Lititz zouden spelen, maar gezond verstand had haar ervan weerhouden. In plaats daarvan had ze een brief aan Caleb geschreven, te openen na haar dood.
‘Jij bent de enige die zult kunnen begrijpen waarom ik overwoog deze wens in mijn testament op te nemen en waarom ik uiteindelijk besloot dit niet te doen. Ik weet dat we elkaar heel erg zullen missen, ook al hebben we elkaar de laatste jaren niet vaak gezien. Iedere keer wanneer, van nu af aan, de herinnering aan mij bij je mocht opkomen, neurie dan: “Schlafe, mein Prinzchen, schlaf ein,” het wiegeliedje dat ik altijd voor je zong toen je klein was, en mijn geest zal zich in liefde met de jouwe verenigen. Het ga je goed, lieve jongen; dank voor de overvloed aan geluk, tederheid en vreugde die je me gegeven hebt; wees voor altijd gezegend op je levenspad, tot we elkaar weer ontmoeten. Heb een gelukkig leven, Caleb, mijn lieve kind, en wees voorzichtig met je rug.’
Na de Vergadering ontdekte ze dat haar echtgenoot door de mannen afgevaardigd was om de volgende dag naar Eden te gaan. Ze had de vermetelheid te opperen dat zij misschien wel met hem mee zou kunnen gaan om hun zoon op te zoeken. Pas toen hoorde ze dat Peleg aangewezen was om Caleb voor de zoveelste maal te gaan kapittelen wegens dronkenschap.
Het vervulde haar met zoveel verdriet dat ze de hele nacht niet kon slapen; ze trachtte een manier te bedenken om hem te beschermen, niet tegen de toorn van zijn vader maar tegen zijn eigen gevoelige geweten, het minderwaardigheidsbesef van alle zachtgeaarde mannen.
Het enige dat ze kon bedenken was een paar Mandelkuchen en een Himbeertorte voor hem te bakken; ze deed het in de vroege ochtenduren. Ze
pakte ze zorgvuldig in voor de lange reis, ofschoon ze wist dat haar man ze onderweg zou opeten, omdat hij het uit den boze achtte om een zoon die gezondigd had te verwennen.
***
Jeremia Best en Peleg Martin zaten in ernstig gesprek met Bonifacius Baker in diens studeerkamer.
De balkondeuren stonden open; Jeremia's woorden werden overstemd door het jubelende gezang van vogels in de bomen. De bijen waren volop in actie; één kwam de kamer binnenzoemen om neer te strijken op de bloemen die Becky Baker die ochtend vroeg op het schrijfbureau van haar vader had gezet. Een driftige meikever bromde naar binnen, botste tegen de spiegel boven de schoorsteen en bleef even op zijn rug liggen spartelen alvorens weer naar buiten te snorren. Jeremia's peroratie werd steeds luider en geprikkelder; de vogels, de bijen, de meikever, ze waren allemaal typerend voor Eden, dat volslagen onverschillig reageerde op het netelige probleem van Altaar Rots, sleutel tot de toekomst van Philadelphia. Bonny Baker weigerde naar de tekeningen voor het opblazen van de rots te kijken, zeggend dat hij ze al gezien had. Toen hem werd uitgelegd dat Altaar Rots juridisch niet langer als een Indiaans heiligdom kon worden aangemerkt, zei hij met een uitgestreken gezicht: ‘Het feit dat Abe Woodhouse de kwestie aan de Vergadering heeft voorgelegd wijst erop dat hij niet zeker van zijn zaak is.’
‘Neem me niet kwalijk, maar dat begrijp ik niet,’ zei Jeremia bits.
‘Klaarblijkelijk is ook hij van mening dat de enigen die deze beslissing kunnen nemen de Delawares zijn.’
‘Maar de Delawares zijn ruim vijftig jaar geleden hier weggetrokken!’
‘Dat kan zijn, maar ik doe niets voordat ik hun schriftelijke machtiging heb.’
‘Goed,’ zei Jeremia, ‘als dat je standpunt is, zal ik het aan de Vergadering overbrengen. Ben je bereid je bij de leiding van de Vergadering over deze affaire neer te leggen?’
Bonifacius Bakers ietwat bolle ogen keken hem peinzend aan; het was alsof hij werd aangestaard door een kikker. ‘Laten we het daarover hebben als het zover is,’ zei hij.
Jeremia zuchtte. ‘Peleg Martin, heb jij hier nog iets aan toe te voegen?’
De oude man bromde: ‘Ik kan met hem meevoelen. Het is één van onze beginselen dat we de schepping met eerbied moeten gebruiken. Als we Ben Franklin toestaan rotsen te gaan opblazen is dat een schending van dat beginsel, of het nu Indiaanse heiligdommen betreft of niet.’
Jeremia zuchtte. ‘Laat ik in dat geval de Commissie voor Indiaanse Zaken voorstellen dat Joe Woodhouse het opperhoofd Zilverwolf vraagt hoe hij over deze kwestie denkt. Zou dat met je wensen overeenkomen?’
De oude man gromde. Bonifacius Baker zei met voldoening: ‘Dat lijkt me
inderdaad de logische volgende stap.’
‘Goed dan,’ zei Jeremia, ‘dit brengt ons bij het tweede doel van ons bezoek...’ Hij opende zijn valies en haalde er het pak met Ann Traylors dagboeken uit. ‘Deze schriften werden me bezorgd ter opneming in de Historische Bibliotheek. Isaac Woodhouse, ikzelf en, daar ben ik zeker van, Peleg Martin achten dit een gevaarlijk plan.’
Bonifacius Baker trok zijn wenkbrauwen op, waardoor hij nog meer op een kikker leek. ‘Hoe dat zo?’
‘Omdat ze strikt persoonlijke informaties over leden van de Vergadering bevatten die naar ons gevoel niet openbaar dienen te worden gemaakt.’
‘Bijvoorbeeld?’
Even overwoog Jeremia te onthullen wat hij uit de dagboeken over Bonny's antecedenten te weten was gekomen; maar hij bedwong de opwelling. ‘Vergeef me, Peleg, dat ik dit aanroer, maar de dagboeken onthullen bijvoorbeeld dat Caleb Martin negerbloed heeft.’
Dat scheen eindelijk indruk op Bonifacius te maken. Zijn bolle ogen leken te verstarren.
‘Dank je, Jerry. Ik moest die dagboeken dan maar eens goed doorlezen. Maar kom, als jullie voor het avondeten nog bij Caleb op bezoek willen gaan, is het misschien beter niet langer te talmen. Ik zal de staljongen vragen de brik voor jullie in te spannen.’
Jeremia stond op. ‘Ik zou graag even met Beula gaan praten.’ Zonder het antwoord af te wachten verliet hij het vertrek.
Terwijl hij in het schemerduister van de overloop en de trap op zoek ging naar zijn zuster, viel Jeremia ten prooi aan een vreemde melancholie. De sfeer van het huis, hem bekend van vorige bezoeken, maakte zich weer van hem meester. Alles scheen die sfeer te ademen: de meubelen, de muren, het huis zelf. De Bakers leefden in wat je vorstelijke slonzigheid zou kunnen noemen. Hij had nooit zijn eerste bezoek aan Beula na haar huwelijk vergeten, toen hij in audiëntie was ontvangen door Grootmoeder Traylor, die als een keizerin in een schommelstoel voor het fornuis in de keuken had getroond, waar ze haar dagen doorbracht met toekijken hoe haar aangetrouwde kleindochter stond te knoeien bij het koken. Beula had nauwelijks met hem kunnen praten, zo druk had ze het gehad: water opzetten voor de thee, soep roeren in een pan die groot genoeg was om er een leger uit te voeden, de vloer van de keuken aanvegen; gedurende hun moeizame gesprek had de oude vrouw het ene hardgekookte ei na het andere verorberd en de schalen in het holletje van haar hand gepropt terwijl zij ze pelde, om alles over haar schouder op de vloer te gooien zodra ze een ei op had. Het had een teken van minachting geleken; er bleek uit hoezeer ze haar aangetrouwde kleindochter verfoeide. Pas later, nadat hij wat meer vertrouwd met de huishouding was geworden, had Jeremia ontdekt dat ze alles wat ze kwijt wilde over haar schouder gooide, ongeacht of Beula erbij was of niet; dat deed iedereen hier in huis. Baby's kropen over de vloer van de zitkamer rond, gevolgd door jonge hondjes, of katten, of tamme kraaien, of ganzen,
die allemaal vrij hun gang konden gaan; zelfs als er bezoekers waren nam niemand de moeite de billetjes van de kinderen te bedekken of ze met een dweil achterna te lopen. Te zien hoe de lieve, onschuldige Beula, die haar hele leven lang beschermd en aanbeden was, deze chaos het hoofd trachtte te bieden, was hartverscheurend geweest.
Hij vond zijn zuster voor het keukenfornuis, rammelend en kletterend met dezelfde potten en pannen waarmee ze ook tijdens dat eerste bezoek aan het vechten was geweest. Het enige dat veranderd scheen te zijn was dat nu, in plaats van Grootmoeder, de dikke negerin Medea, in de wandeling ‘Mammy’ genoemd, haar werk zat gade te slaan. Het enige dat ontbrak was een schaal vol gekookte eieren aan haar zijde, waardoor ze iets zou hebben om over haar schouder te gooien en haar meesteres bezig te houden. Hij kende de dikke Mammy al jaren; iedere keer als hij haar weer zag scheen ze een paar kilo zwaarder te zijn geworden en overvloediger te zweten, met donkere vochtplekken onder de zwarte hammen van armen, haar gezicht eeuwig glinsterend van zweet.
‘Hallo, Mammy,’ zei hij, met tegenzin; zijn zuster stond met haar rug naar hem toe en zou hem zelfs als hij geschreeuwd had niet hebben gehoord. De negerin draaide de bovenste helft van haar enorme lichaam als een scheepskanon naar zijn kant, spuwde een zonnebloemzaadje uit en liet een flitsende grijns zien.
‘Dag, Massa Jerry.’ Haar stem was meisjesachtig en charmant, als die van een fee die door een toverheks in een zeug veranderd was. Ze stak een been van het formaat van een boegspriet uit en duwde met haar voet tegen het achterwerk van haar meesteres. ‘Kijk es wie er is, schatje!’ Beula liet het deksel van een pan vallen, daarmee een kat opschrikkend die op de tafel lag te slapen.
‘Jerry!’ riep ze en wilde naar hem toehollen, maar een onzichtbare navelstreng trok haar naar het fornuis terug, waar ze het deksel weer op de pan legde en een andere pan schudde voor ze eindelijk haar broer begroeten kon.
Terwijl hij haar in zijn armen hield en haar haren kuste, voelde hij dat ze nog magerder was dan de laatste keer. ‘Ik ben zo blij je te zien, Beula,’ zei hij. ‘Wat zie je er goed uit!’
Ze keek hem met een hulpeloze, gejaagde blik aan, alsof ze de onoprechtheid in zijn woorden bespeurde; toen drong het tot hem door dat ze hem eenvoudig niet verstaan had.
‘Je ziet er goed uit!’ schreeuwde hij. ‘Ik hou van je!’
‘O, Jerry,’ zei ze met een zucht van opluchting en blijdschap, ‘Ik heb je zo gemist...’
Hij drukte haar weer tegen zich aan, plotseling overweldigd door de kortheid van hun leven, de tijdelijkheid van alle liefde. Gisteren nog hadden ze zich samen verkleed, voor de spiegel in de slaapkamer van hun ouders in het oude huis aan de Voorstraat, giechelend en opgewonden fluisterend; morgen zouden ze voorgoed zijn heengegaan, hun gebeente tot stof vergaan,
hun lach vergeten, hun liefde teruggekeerd tot God. ‘Hoe gaat het met je, liefje?’ gilde hij, zich ervan bewust dat hij met zijn luid geschreeuw onmogelijk zijn gevoelens kon uitdrukken.
Maar ze zag in zijn ogen wat ze niet kon horen, en de blijdschap en de tederheid waarmee het haar vervulde waren ondraaglijk om aan te zien. ‘Ik maak het goed, Jerry, echt heel goed...’ Ze zei het op de schelle toon van dove mensen en hij wist dat de woorden niets betekenden; wat ze hem vertelde, met haar ogen, was dat ze zich net zo voelde als hij. Hij was altijd beschermend jegens haar geweest, had altijd geweten dat zij niet bestemd was alléén de winter van het leven te worden ingestuurd; hij had vaak gedacht dat ze allebei beter af zouden zijn geweest als ze nooit waren getrouwd, maar samen in het huis van hun ouders waren blijven wonen. Dan zouden er geen Obadja, geen Melanie, geen Becky, Abby of Joshua zijn gekomen; ze zouden het leven hebben opgepot, giechelend en fluisterend voor die spiegel, de jaren verspillend in werkeloos geluk. Hij werd gewaar dat hij, hoe hij ook probeerde, het geen slecht idee kon vinden.
‘Wacht! Ik heb soep voor je!’ riep ze uit. Ze keerde zich om naar het fornuis, haar handen aan haar schort afvegend. Hij wist dat ze haar gevoelens probeerde te uiten met het enige middel dat haar ter beschikking stond; hij haatte de grijnzende dikke negerin die al haar bewegingen gadesloeg, hun woorden afluisterde. Hij draaide zich om en zei: ‘Kom, Mammy, laat ons even alleen.’
‘O, 'tuurlijk, 'tuurlijk,’ zei de jeugdige melodieuze stem, terwijl de monsterlijke kolos waarin de stem gevangen werd gehouden zich moeizaam uit de stoel overeind hees en de keuken uitslofte, met een uitsluitend decoratieve bezem in haar hand, als een vorstin met haar scepter. Hij ging op de stoel zitten; toen Beula zich omdraaide en hem zijn soep reikte, genoot hij van haar blijdschap bij de ontdekking dat haar zwarte schaduw verdwenen was.
‘Dank je, Beula,’ zei hij en stak zijn handen uit om de kom in ontvangst te nemen.
‘Voorzichtig! Hij is heet!’ klakte haar dode stem.
‘Kom toch, Beula!’ riep hij geruststellend. ‘Hou toch op je over iedereen zorgen te maken! Kom bij me zitten!’
Ze trok een krukje naderbij, ging naast hem zitten en keek toe terwijl hij zijn soep slorpte. Plotseling had hij het vreemde gevoel alsof alles wat er gedurende de tussenliggende jaren gebeurd was een droom was geweest, dat ze zo dadelijk voor die spiegel wakker zouden worden. Het duurde maar even, als een flits weerspiegeld zonlicht bij het openen van een glazen deur. Hij at zijn soep, die gloeiend en smaakloos was, zette de kom met een voldane zucht neer en zei: ‘Hè, dat was lekker!’
Ze zat hem aan te kijken met een uitdrukking van liefde en droefheid, alsof ze door dezelfde gedachteflits getroffen was als hij. Hij legde zijn hand op de hare. Een ogenblik bleven ze elkaar in de ogen staren; toen bogen ze in een gemeenschappelijke opwelling hun hoofd en maakten van
hun hereniging voor het fornuis een samenkomst.
Terwijl Jeremia en Peleg Martin in de schommelende brik naar het negerkwartier reden, spraken ze geen woord tegen elkaar. De reden voor dit stilzwijgen lag in het doel van hun rit: met Caleb te gaan ‘arbeiden’ omdat hij probeerde troost te vinden bij de rum. Wat gaf hun eigenlijk het recht, dacht Jeremia, zich zo hoog te verheffen ten overstaan van die gemartelde man, gekweld door ondraaglijke pijn, en tegen hem te oreren over de schade door zijn drankzucht toegebracht aan het goddelijke in hem? Jeremia wist niet hoe Caleb zijn rug gebroken had; het moest gebeurd zijn toen hij nog een kind was; hij had hem nooit gekend zonder dat harnas van leer en ijzer dat hij dragen moest. Eén ding stond vast: Caleb had het grootste deel van zijn leven op de pijnbank doorgebracht.
Het was een tijd geleden sinds Jeremia de slavenverblijven op het eiland bezocht had. Toen ze in de buurt kwamen werd hij zich ervan bewust dat er iets veranderd was. Het paradijs was op een of andere manier besmet met een geur, zo weerzinwekkend dat hij zich afvroeg wat het in 's hemelsnaam kon zijn; het rook alsof er ergens in deze velden vol bloeiende struiken een lijk lag te rotten. ‘Wat is die stank in vredesnaam?’ vroeg hij.
Peleg antwoordde zonder om te kijken: ‘Indigo.’
‘Maar het zijn de bloesems toch niet, die zo afgrijselijk stinken?’
De oude man schudde zijn hoofd. ‘Het is het fermenteren van de bladeren in die kuipen daarginds. Daar komen ook de vliegen vandaan.’
Er zwermden inderdaad veel vliegen rond, het paard werd er danig door geplaagd. ‘Wat afschuwelijk om in zo'n stank te moeten leven!’
Peleg gromde. ‘Vandaar dat alleen maar nikkers geschikt zijn om met indigo te werken. Hun reukzin is veel minder ontwikkeld dan de onze.’
Ze reden langs een reeks grote kuipen op verschillende niveaus, verbonden door een houten aquaduct met aan het eind een pomp, bediend door twee sloom bewegende negerslaven. Een platte, door ossen getrokken kar, beladen met bundels bladerrijke takken, was net aangekomen; slaven waren bezig de bundels in de hoogst gelegen kuip te gooien, anderen zwoegden op een krakende tredmolen die een scheprad draaiende hield in de volgende kuip. Aan de rand van het veld stond een grote, open loods met een reeks lattenvloeren, als een droogschuur voor tabak. ‘Drogen ze daar de planten?’ vroeg Jeremia, om het gesprek gaande te houden.
‘Nee, het bezinksel. Eerst rotten de bladeren in de hoogste kuip tot ze gaan gisten; in de volgende slaan ze er met dat scheprad het sap uit, tappen het af en verwarmen het in de derde tot zich kristallen vormen. Dan scheppen ze het bezinksel eruit, gieten het in vormen en zetten die in die open loods, om te drogen. Zo wordt de indigo verkocht, in de vorm van kegels, net als suiker.’
De slaven zagen er goed gevoed en redelijk onbekommerd uit, ondanks de stank en de vliegen die bij miljoenen rond de kuipen zwermden. ‘Het is een zwaar leven,’ zei Jeremia.
‘Onzin,’ gromde Peleg. ‘Een matroos op zee heeft een veel harder leven.
Als ik moest kiezen tussen geronseld worden voor een reis rond de Kaap of slaaf zijn op een Quaker-plantage, geef mij dan die tredmolen maar.’ Hij spuwde. ‘De adder in het gras is John Woolman, met zijn preken tegen de slavernij. De man weet niet waarover hij praat; hij heeft nooit slaven gehad, het enige waar hij weet van heeft is kleren maken. Nergens in de geschriften van George Fox of Will Penn zul je een woord tegen het houden van slaven vinden, zolang ze maar op Quaker-manier worden behandeld. Laat Woolman over jassen en broeken praten, niet over slavernij of hoe je een plantage moet beheren; zonder nikkers kan geen enkele plantage rendabel gemaakt worden. Toch krijgt die man iedere Jaarvergadering weer opnieuw kostbare tijd om ons te vertellen hoe zondig we zijn, hoe gevoelig en teer de ziel van onze zwarte broeder is, hoe kwalijk het voor een Quaker is om hem als een beest gevangen te houden. Broeder? Ze zijn niet beter dan apen, en valser op de koop toe.’
Jeremia wist niet wat hij moest zeggen. Nu hij het geheim in Pelegs verleden en de waarheid over Caleb had ontdekt, begreep hij niet hoe de oude man zo kon praten. Als dit zijn opvatting van de neger was, dan was zijn verhouding met die slavin een vuige zonde geweest: geen wanhopige man die troost voor zijn verlies en zijn eenzaamheid zocht in de armen van een vrouw, maar een geile boer die zich vergreep aan een van zijn beesten. Dat maakte van Caleb niet het resultaat van een verboden liefde, maar van een bezoek aan het privaat.
De oude man moest iets van zijn walging hebben gemerkt, want plotseling hoorde hij hem stroef zeggen: ‘Het spijt me als ik je gekwetst heb. De waarheid is dikwijls onplezierig.’
Jeremia keek hem aan. De zwarte ogen staarden uitdrukkingloos in de zijne; het gegroefde oude gezicht, als uit steen gehouwen, was verstard in een trek van eigengerechtigdheid. Wat kon hij zeggen? Met een standbeeld viel niet te redetwisten. En toch - wie was het ook al weer die gezegd had dat de meeste mannen nooit boven de leeftijd van zeven jaar uitgroeien? Gulielma Woodhouse, natuurlijk. Alleen een oude vrijster kon met zo'n verklaring uit de bus komen. Even kwam zij hem voor de geest zoals hij haar het laatste gezien had, in Indiaanse kledij, een Quaker-mannenhoed diep over haar ogen, een geweer dwars over haar rug, wegdravend op haar oude merrie, een muilezel meezeulend die vrijwel ingebouwd zat in haar apothekerskast met die tientallen laatjes, allemaal voorzien van een etiket met haar mannelijk handschrift. Hij vroeg zich af waar ze was; waarschijnlijk ergens op de prairie, waar de enige blanke mensen bandieten waren en de Indianen kleine groepjes jagende nomaden. Hij benijdde haar om haar kracht en haar verdraagzaamheid, en was dankbaar dat ze honderden mijlen ver weg zat, zodat hij haar kon bewonderen zonder door haar tegenwoordigheid te worden verontrust. Heiligen konden alleen maar in absentia geduld worden, vooral ondeugende heiligen met lichtgrijze ogen, die het zevenjarige jongetje zagen dat verborgen zat in de klerk van de Philadelphiase Maandvergadering.
‘Foei!’ riep hij uit, ‘die vliegen!’ Hij concentreerde zich op het verjagen van de vliegen en de glimlachende ogen van Gulielma Woodhouse.
***
Tijdens de rit zag Peleg Martin onmiddellijk wat er aan het beheer van de plantage mankeerde. Hier was nu een typisch voorbeeld van de weifeling, Vrienden eigen, tussen idealisering van de slaven en harde zakelijkheid. Tegen geen van beide had hij bezwaar, als ze consequent werden doorgevoerd. Hij respecteerde de man die zijn slaven uit eerlijke overtuiging de vrijheid gaf, zoals Benjamin Lay, ook al vond hij hem een dwaas. En aan de andere kant kon hij volkomen begrijpen wat een slavenhouder ertoe bracht de neger niet als mens te beschouwen. Hij kon erover meepraten, hij had lang genoeg in slaven gehandeld. Het was maar goed dat hij zich uit die nering had teruggetrokken vóór de tegenwoordige mode begon om de invoer van slaven te veroordelen, alsof dat erger was dan ze te fokken. Natuurlijk, al zouden de blaaskaken in de Vergadering daar nooit op komen, was er voor dat laatste veel te zeggen. De enige hoop voor de nikker om ooit menselijk te worden was veredeling van het ras door selectieve voortplanting. Kijk maar naar Caleb; hij mocht een zwakkeling en een zuiplap zijn, hij was beter dan de rest van het kroost van zijn moeder. Als het huwelijk en de ouderdom hem niet impotent hadden gemaakt, hoeveel Calebs en super-Calebs had hij in de jaren van zijn mannelijkheid niet kunnen voortbrengen! Hoeveel ondermenselijke schepsels veredelen door ze zijn zaad te schenken! Maar hij had het nagelaten, niet uit deugdzaamheid, maar uit lafheid: angst voor de gevolgen, angst voor zijn vrouw, angst voor de hel. Als het waar was dat een ieder die een vrouw aanziet om haar te begeren in zijn hart reeds echtbreuk met haar heeft gepleegd, was hij wel duizendmaal schuldig, niet alleen voor hij met Hanna trouwde, maar ook daarna, toen het duivelse in hem begon te gedijen op vrouwelijke preutsheid, echtelijke afkeer. Hij had in gedachten duizend bastaarden verwekt en in de open markt verkocht, en waarom niet? Kijk die arme donders nu eens, daar op die tredmolen! Er zouden generaties van veredeld fokmateriaal nodig zijn voor ze als menselijke wezens konden worden beschouwd. Het zou best kunnen zijn dat eerst het laatste spoor van hun zwarte huidkleur weggefokt moest worden. Dat was de enige manier om ze uit hun dierlijke duisternis op te heffen. Dat zou het enige eerlijke, waarlijk godvruchtige werk zijn voor Quakers als Bonifacius Baker die wauwelden over ‘eerbied voor het goddelijke in onze negerbroeders’ en ze tegelijkertijd op stal hielden. Wat had het voor zin iedere zondag in samenkomst met hen bijeen te zitten, hun zieken te verplegen, hun kinderen lezen en schrijven te leren, als je ze alleen maar als lastdieren gebruikte? Wat een huichelarij, om tegen hen aan te preken, hun te vertellen hoe voor God alle mensen gelijk zijn, en ze dan als ezels in de stank van rottende pulp te laten zwoegen onder de marteling van miljoenen vliegen! Dat was veel eerder een zonde voor God dan hun
toekomstige generaties menselijkheid te schenken door hun wijven te dekken. Kijk nou eens naar die slaven daar: lui, stug, vuns. Kijk naar die vuile troep: de velden ongewied, de planten overwoekerd met onkruid, de schoven in de kuip gesmeten zonder eerst het bindtouw door te snijden! En die tredmolen zou tweemaal zo snel draaien als het ding door chimpansees op gang werd gehouden in plaats van die zwarte lummels, die er slag van moesten hebben gekregen het ding zo te laten draaien dat het nèt niet stilstond. En waar waren de drijvers? Moest dat stuk onbenul met zijn ene oor dat daar bij de pomp in zijn neus zat te peuteren er soms een voorstellen? Waarschijnlijk wel, want hij had een zweep bij zich. Daar had je het weer: iedere slaaf, hoe onnozel ook, wist dat zwepen op een Quaker-plantage wel te zien waren maar nooit werden gebruikt. Weer zo iets halfzachts, huichelachtigs. En waar was Caleb? Hoe wil je opzichter van een plantage zijn als je nooit je facie laat zien? Geen wonder dat er met die slaven geen land te bezeilen was. Het lazaret moest een clubhuis voor simulanten zijn.
Toen de brik, krakend en hotsend over het karrespoor vol gaten en kuilen, het slavenkwartier binnenreed, merkte Peleg iets anders op. Er was uiterlijk geen verschil met wat hij al gezien had: luie slaven, onordelijke groepen luidruchtige kinderen, door vlooien geplaagde honden die zich op de gammele veranda's van krotten zaten te schurken; maar een intuïtie die hij in de loop van zijn jaren in de slavenhandel ontwikkeld had, waarschuwde hem. Er hing een sfeer van heimelijkheid, van verholen opwinding; hij kon het gevoel niet van zich afschudden dat hier onrust broeide. Toen ze stilhielden voor het huisje van de opzichter en verwelkomd werden door zijn zoon die, klaarblijkelijk van hun komst op de hoogte, hen op de veranda opwachtte, begroette hij hem afwezig. Binnen, in het vieze kamertje, terwijl Jeremia Best de jongen over zijn drankzucht kapittelde, werd die indruk van broeiende onrust sterker. Wat kon het zijn? Beraamden ze een oproer? De sfeer van samenzwering was nu onmiskenbaar, de heimelijke opwinding van het verzet die altijd aan nikkergemeenschappen een felle kortstondige saamhorigheid gaf. De geest van oproer herstelde altijd het stamgevoel; alle onderlinge haat en nijd, de afgunst tussen huis- en veldslaven, tussen querulanten en kruipers verdween altijd, al was het maar even, in de valse dageraad van de oproerigheid.
Hij staarde naar Caleb, luisterend naar Jeremia Bests verzekering van de liefdevolle bezorgdheid van de Vergadering over zijn struikeling in verband met het beginsel betreffende alcoholische dranken. De afgemeten stem van zijn zoon antwoordde: ‘Het spijt me als ik aanstoot heb gegeven door naar rum te ruiken bij het bezoek van Joe Woodhouse. Die dag had ik veel last van pijn in mijn rug, en daar bestaat nu eenmaal geen andere remedie tegen.’ Het leek alsof de donkere ogen van de jongen een stilzwijgende beschuldiging uitdrukten toen hij terloops van Jeremia naar zijn vader keek. Maar dat moest gezichtsbedrog zijn, of misschien zijn eigen slechte geweten. De jongen kon zich onmogelijk herinneren hoe het gebeurd was. Niemand wist wat er die ochtend, lang geleden, gebeurd was toen het kindje het huis
was komen binnenkruipen waar zijn gemartelde, dronken vader woonde die, louter door het zien van het schaapje ondraaglijk getergd, het met zijn zware laars eruit getrapt had alsof het een hond uit het negerkwartier was. Niemand wist ervan, het kind was te jong geweest om het zich te kunnen herinneren. De enige die het zich herinnerde was de man die het gedaan had, die vergeefs geprobeerd had boete te doen door het kind dag en nacht te verplegen, door een harnasje te maken om zijn gebroken ruggetje te steunen dat maar niet wilde genezen, door de alcohol af te zweren, zijn driftige aard met inspanning van al zijn krachten te bedwingen tot hij een man van steen geworden was, die zelfs niet door een knippering van een ooglid verried of iets hem aanstond of ergerde. Terwijl hij naar zijn zoon zat te staren die God, in Zijn raadselachtige almacht, geschapen had toen zijn zaad de schoot van dat kronkelende, ogen-rollende zwarte wijfjesdier binnensprong, besefte hij dat de tederheid die hij eens voor het gewonde kind gevoeld had nog altijd levend in hem was. Hij wilde dat hij hem nog eens mocht optillen, voorzichtig om dat ruggetje geen pijn te doen, het ongelooflijk zachte wangetje tegen de zijne voelen, de kindergeur van dat vlossige haar opsnuiven, het broze, trillende wonder van het leven in dat kinderlichaampje ervaren. Geen wonder dat Hanna nooit vermoed had dat Caleb een bastaard was; hij had van dat kind gehouden zoals Adam van Abel gehouden moest hebben. Soms vroeg hij zich af hoe die oervader van de mensheid zich gevoeld moest hebben toen hij naast het eerste mensengraf gehurkt zat. Misschien had ook hij dit besef van gemis gehad, dit gevoel van leegte en verdriet, verlicht door hoop dat er aan gene zijde van de dood een land was waar hij Abel weer in zijn armen zou kunnen houden en fluisteren: ‘Ik hou van je, kereltje; ik hou van je, kleine man...’
‘Als je er geen bezwaar tegen hebt, Vriend Jeremia,’ zei hij, ‘zou ik graag even met mijn zoon alleen willen zijn.’
Uit de aarzeling waarmee hij opstond bleek duidelijk dat Jeremia veronderstelde dat hij Caleb nog eens onder vier ogen de les wilde lezen. Hoe weinig kenden de mensen elkaar! Hoe donker is de spiegel waarin wij ons eigen gezicht ontwaren!
***
Tijdens Jeremia Bests schijnheilige vermaningen had Caleb inwendig zitten trillen van woede; zodra hij met zijn vader alleen was, bedaarde hij. Zoals gewoonlijk raakte hij ten prooi aan de weemoed die de aanwezigheid van de oude man altijd in hem te weegbracht, de plotselinge, overstelpende hunkering naar de goedheid, rechtschapenheid, kracht van de majestueuze oude Quaker. Als zijn werk hem er soms toe bracht het menselijke ras te beschouwen als een ziekte van de aardbol, hoefde hij alleen maar aan zijn vader te denken om de zwarte afgrond van wanhoop de rug toe te kunnen keren. De mensheid kon niet door en door slecht zijn zolang er nog nobele mannen als Peleg Martin waren. Kon hij de oude man maar trots op zijn zoon laten
zijn! Tijdens het luisteren naar Jeremia Bests zalvende berispingen had hij het gevoel gehad Joe Woodhouse wel te kunnen wurgen, omdat die hem tegenover zijn vader vernederd had. Hij was van plan geweest de oude man te vertellen dat het hele verhaal van de rum en zijn zogenaamde dronkenschap die dag alleen maar een laffe wraakneming van de kant van de jongen geweest was, maar zodra ze alleen waren, gaven zijn vaders ogen hem opeens de dwaze opwelling om met zijn hoofd op zijn schoot alles uit te snikken: pijn, eenzaamheid, wanhoop. Want ofschoon de uitdrukking op het gezicht van de oude man niet veranderde, de ogen keken hem zo vol liefde aan dat een wanhopige verwachting in Caleb daagde: misschien zou het deze keer gebeuren, misschien zou zijn vader deze keer zijn armen voor hem openen en kon hij eindelijk alle schijn laten varen en de eenzame, bange jongen worden die hij in werkelijkheid was. Gedurende die ogenblikken vol belofte vond hij bijna de moed op zijn knieën te vallen en zijn hoofd in de schoot van zijn vader te verbergen, maar hij liet, in zijn besluiteloze lafheid, het ogenblik voorbijgaan. Zijn vader draaide zich om en pakte een in een handdoek gewikkelde schaal die hij had meegebracht. ‘Je moeder heeft een taart voor je gebakken,’ zei hij, met schorre stem.
‘Dank je, Vader.’ Hij nam de schaal aan en liep ermee naar de tafel.
Toen vroeg de oude man: ‘Wat is er met je slaven aan de hand?’
‘Wat bedoel je?’
De oude man staarde hem aan. Zijn ogen schenen niet alleen alles te zien, maar alles bij voorbaat te vergeven. ‘Je weet best wat ik bedoel. Ik voelde de spanning toen we hierheen reden. Wat is er gebeurd?’
Caleb aarzelde. Hij had zich de kans om zijn hart uit te storten laten ontglippen, en nu was er opeens wéér een mogelijkheid. Kon hij hem vertellen van de moord, de op handen zijnde executie? Vader moest net zo goed als hij weten dat de zogenaamde onderdanigheid van de slaven een illusie was, kunstmatig door de slaven in stand gehouden; dat ze een heimelijk eigen leven leidden en dat daarin de bron van hun onafhankelijkheid lag. Zijn vader moest óók weten dat de namen die hun meesters de negers hadden gegeven alleen maar in schijn waren geaccepteerd, dat ze, zodra ze buiten gehoorsafstand van de blanken waren, elkaar bij andere namen noemden. Soms had hij, luisterend naar het geruis en geritsel in het donker, gegist naar wat die ware namen zouden zijn: Scipio werd Grote Leeuw of Koning; Cleo, Snelle Panter; Cuffee, Kruipende Slang; maar terwijl hij ze lag te verzinnen wist hij dat dit de fantasieën waren van een bange blanke die probeerde zich met hen te vereenzelvigen, teneinde ze te kunnen overheersen. Soms had hij het nachtmerrieachtige idee dat zij de eigenlijke meesters waren, dat zij het gezonde verstand bezaten, dat de werkelijkheid hun meesters, hemzelf inbegrepen, uit de handen was geglipt. Maar dit waren nachtgedachten, overpeinzingen van een opzichter die in het donker lag te luisteren naar het gekraak, gefluister, gegiechel buiten dat niets anders was dan de wind in de bomen, de golfslag lispelend in het riet. ‘Och,’ zei hij, ‘we hebben wat moeilijkheden gehad toen er een paar dagen
geleden eentje bij een ongeluk is omgekomen.’
‘Wat voor een ongeluk?’
Hij vermeed Vaders ogen, uit vrees dat hij de leugen zou ontdekken. ‘We zijn net met de oogst begonnen, ze moesten weer aan de machinerie gewend raken; iemand in de grote kuip werd door het scheprad geraakt en zijn hoofd werd verbrijzeld.’
‘Het scheprad? Op de manier waarop jouw slaven het ding ronddraaien kunnen ze nog geen vlieg verbrijzelen.’
Caleb gaf het op; hij keerde zich naar zijn vader toe. ‘Iemand heeft hem met een steen de hersens ingeslagen. Ik weet niet wie. Maar ik weet wel waarom: een jonge meid. Weduwe. Iedere vent die haar ziet droomt ervan haar te grijpen en voor zichzelf te houden. Ik wilde voorkomen dat het Huis het te weten kwam.’
Zoals altijd, was er geen verwijt in de ogen van zijn vader; alleen begrip. ‘Is haar man ook vermoord?’
‘Nee, die stierf aan een slangebeet.’
‘Slangebeten zijn niet te vertrouwen als het op slaven aankomt.’
‘Ik ben geneigd 't in dit geval te geloven, want er volgde geen terechtstelling op.’
‘Zo?’ De oude man fronste de wenkbrauwen. ‘Is er een negerrechtbank op deze plantage?’
‘Ja,’ zei hij, niet op zijn gemak. ‘Is dat niet overal zo?’
‘Ik zou zo zeggen van niet.’ Vaders afkeuring was duidelijk. ‘Op welke manier stellen ze ze terecht?’
Caleb begon zenuwachtig te worden. ‘Nou, het begint ermee dat ze elkaar een hele nacht lang opzwepen...’
‘Hoe? Door zingen?’
‘Zingen, trommels, dansen, weet ik veel. De volgende ochtend wordt de man die ze gevonnist hebben, opgehangen aan een boom gevonden, ergens op het veld. Altijd op de plek waar de moord gebeurde. Altijd met het lendentouw van het slachtoffer als strop.’
‘Hoe vaak is dit gebeurd?’
‘O, een paar keer maar. Vier, vijf ... Je weet nooit precies wanneer; soms wordt het slachtoffer de ochtend na de moord gevonden, andere keren duurt het dagen, weken zelfs. Dat maakt het zo moeilijk om er iets tegen te doen.’
‘Dat is eenvoudig. Ze voeren hun executies alleen uit bij vollemaan.’
Hij staarde zijn vader aan met een gevoel van ontzag. Natuurlijk! Iedere keer als hij op zijn bed naar die trommels had liggen luisteren was de kamer verlicht geweest door maneschijn; als hij opstond om uit het raam naar de verlaten weg en de krotten te turen, had het klaarlichte dag geleken. ‘Dom van me,’ zei hij. ‘Ik had het kunnen weten.’
‘Er is maar één manier om aan die executies een eind te maken. Neem de dag voor vollemaan hun trommels in beslag en zeg dat alle mannen verkocht worden als er iets gebeurt.’
‘Ik neem aan dat dit de oplossing zou zijn,’ zei hij met een wrang lachje.
‘Maar Bonifacius Baker zou dat nooit toestaan. Ik heb al eerder geprobeerd hun trommels in beslag te nemen, maar kreeg te horen dat op een Quakerplantage slaven de vrijheid moesten hebben om muziek te maken en te zingen en op trommels te bonken, behalve tijdens de werkuren.’
‘In dat geval, verkoop de meid die de moeilijkheden veroorzaakt.’
‘Ik dacht dat Joe Woodhouse haar wou hebben, maar ik hoor dat Jeremia een briefje van Isaac Woodhouse heeft meegebracht waarin hij zegt dat hij van gedachten veranderd is en toch liever geen huisslavin wil hebben. Bonifacius Baker zal het zeker niet goed vinden dat we haar openbaar verkopen. Het enige dat erop zit is haar te laten dekken, misschien dat dat haar kalmeert. Maar niet door een van de mannen hier, natuurlijk; dat zou de zaak alleen maar erger maken.’
De oude man zei niets.
‘De opzichter van een plantage om de zuid heeft me de diensten aangeboden van een foknikker die hij verhuurt. Hij wil me hem voor een ochtend afstaan, vanwege een dienst die ik hem heb bewezen.’
‘Zou Bonifacius daar wel mee instemmen?’
‘Als ik de man in de vroege ochtend met een roeiboot aan wal laat zetten, ver weg van het Huis, hoeft niemand het te weten.’
Vader stond plotseling op. ‘Laat je harnas 's kijken, voor ik wegga.’
Caleb trok gehoorzaam jas en hemd uit en liet het harnas zien.
‘Zit het goed?’ vroeg de stem achter zijn rug, terwijl de koude, droge handen van zijn vader de riem om zijn middel snoerden.
‘Het gaat...’
De riem werd strakker aangetrokken en knelde.
‘Is dat te strak?’
‘Nee, nee ... Het geeft meer steun.’
‘Dat dacht ik al. Je hebt het niet nauw genoeg gedragen. Als dit je geen verlichting geeft, zal ik je opnieuw de maat nemen en een ander maken.’
‘Dat zal voorlopig niet nodig zijn, Vader. Het zit prima.’
‘Goed.’ Er volgde een ogenblik van zwijgen en wachten. Toen voelde hij de koude handen op zijn naakte schouders. De stem zei: ‘God zegene en behoede je, mijn zoon.’
Hij sloot de ogen. Hij had nooit woorden kunnen vinden om uiting te geven aan wat hij op dat ogenblik voelde; het was een ogenblik van puur licht.
‘Kom, Jeremia Best zal niet weten waar ik blijf.’
Hij draaide zich om, het licht nog steeds met hem. ‘Ja, Vader.’
De oude man strekte een hand uit; hij nam die voorzichtig in de zijne. Het verbaasde hem altijd hoe broos die hand aanvoelde, na de kracht in die ogen.
‘Ik zal je moeder namens jou bedanken voor de taart.’ Toen was hij weg.
Caleb, die zijn harnas niet aan vreemde ogen wilde laten zien, ging niet naar buiten om hem naar de brik te brengen. Hij zou Scipio een paar
ochtenden de riem wat strakker aan laten halen, als een soort band met de oude man, tot de pijn hem zou dwingen hem een gaatje ruimer te zetten.
Hij hoorde de stem buiten zeggen: ‘Nu, Vriend Jeremia, laten we gaan.’ De brik rolde weg met piepend gekraak en het ploffend geluid van hoeven in het zand.
Hij liep naar de tafel, maakte de keukenhanddoek los en haalde de taart te voorschijn. Taart met thee leek ruim genoeg voor een avondmaal. Hij zette water op, daarna ging hij zitten om een briefje te schrijven aan zijn collega op de Septiva Plantage. ‘Waarde Vriend, naar aanleiding van uw aanbod me gebruik te laten maken van de diensten van uw dekneger Cudjo...’
Terwijl de ganzepen kraste, begon het water op het fornuis te zingen.
***
Die avond, net toen hij op het punt stond naar bed te gaan, hoorde Joshua Baker de roep van een wevervogel in de boom voor zijn raam. Het was zo lang geleden sinds hij die voor het laatst gehoord had, dat hij dacht dat het inderdaad een vogel was. Toen werd de roep herhaald, langzaam, dringend. Het was Harry.
Zoals hij vroeger zo dikwijls had gedaan, trok Joshua zijn schoenen uit, sloop het donkere balkon op, klauterde op de balustrade, greep een tak van de kastanjeboom en slingerde zich erop omhoog. Toen hij er schrijlings op belandde was hij opeens bang, zo lang was het geleden dat hij dit voor het laatst gedaan had. Wat wilde Harry in godsnaam? Het kon maar beter iets heel belangrijks zijn, want de tijd van jongensstreken was voorbij; nu was hun geheime vriendschapsroep opeens veranderd in een brutaliteit van een verwaande nikker. Maar toen hij, na langs de tak te zijn gehupt, Harry's schim diep in de donkere kruin van de boom onderscheidde, leek het alsof hij terugkeerde in zijn jongenstijd.
Harry en hij waren onafscheidelijk geweest nadat zijn vader hem het jongetje als speelkameraadje cadeau gegeven had voor zijn vierde verjaardag. Ze hadden in één bed geslapen, gegrinnikt om dezelfde grapjes, in het duister gebeefd voor reuzen en spoken, en de fascinerende geheimen van elkaars lichaam onderzocht. Onderzoek was overgegaan in zonde; op een ochtend, toen zij hun bed opmaakte, had Mammy hen met boze stem naar hun kamer teruggeroepen en was luid tegen hen uitgevaren. Zondige kleine smeerlappen waren ze, ze moesten zich schamen! Zij zou Massa eens goed vertellen wat ze hadden uitgehaald! Die zelfde avond nog was Harry naar het negerkwartier teruggestuurd, waar hij trouwens thuishoorde.
Nog nooit voordien had Joshua zo'n troosteloze eenzaamheid gevoeld als de daaropvolgende week; toen, op de zevende avond, had de wevervogel geroepen in de kastanjeboom voor zijn raam en hij was het balkon opgeglipt, ademloos van vreugde. Het huis en het gazon lagen in het licht van de vollemaan, maar diep in het gebladerte van de oude kastanjeboom
was het stikdonker; pas op het laatste ogenblik zag hij, terwijl hij met kleine sprongetjes langs de tak hupte, Harry's schim. Hij strekte zijn handen naar hem uit, Harry greep ze in het donker, en de ontroering bij het voelen van dat warme, tengere lichaam tegen het zijne was zo overweldigend dat de enige manier waarop hij uit kon drukken wat hij voelde een kus was. Harry moest hetzelfde hebben gevoeld; zodra hun monden elkaar in het donker vonden, drukte hij zich tegen hem aan en greep gretig zijn hoofd met beide handen alsof het een kalebas was waar hij niet genoeg uit kon drinken om zijn dorst te lessen.
Zij maakten die nacht wilde plannen om samen te vluchten, zich op een vlot stroomafwaarts te laten drijven en aan te monsteren op een walvisvaarder in Newcastle. Maar ze konden het besef niet van zich afschudden dat Harry nu een slaaf was en dat altijd zou blijven, dat er in de toekomst geen andere verhouding tussen hen mogelijk was dan die tussen meester en slaaf.
In de maanden die volgden ontmoetten zij elkaar nog een paar keer in het holst van de nacht in die boom; maar tegen de tijd dat Joshua leerling-opzichter werd was de overgang volledig. Nu had Josh het griezelige gevoel het verleden nog eens te beleven toen hij Harry weer in het duister van de boomkruin hoorde fluisteren. Harry vertelde hem waarom hij hem, na een jaar, opnieuw met de kreet van de wevervogel naar buiten had geroepen. ‘Scipio moet voor Baas Caleb een briefje naar de Septiva Plantage brengen,’ fluisterde hij. ‘Scipio kan niet lezen, daarom gaf hij mij dat briefje, hij wilde niet op weg gaan zonder eerst te weten wat erin stond, want op zijn vorige plantage had de opzichter hem eens een verlofpas gegeven en toen een patrouille hem aanhield bleek erin te staan: “Sla deze nikker op zijn donder,” en dat deden ze dan ook. Het briefje’, fluisterde Harry, ‘vraagt aan Baas Harris van Septiva, om overmorgen in een bootje langs te komen met een grote neger die Cudjo heet, een foknikker die hij verhuurt. Ik weet waarom, Josh - voor Cleo! Maar jij zult toch niet willen dat dit gebeurt? Jij wilt toch zeker niet dat Cleo verkracht wordt door een man die ze nog nooit van haar leven gezien heeft, alleen maar omdat ze niet opnieuw wil trouwen? In godsnaam, Josh! Je vader zal dit toch zeker niet toelaten? Vertel het hem, Josh - vertel het hem! Laat hem Baas Caleb tegenhouden voor het te laat is!’
De stem in het donker was dringend, wanhopig. Een ogenblik zaten ze daar weer als in het verleden. ‘Ik zal het Vader vertellen,’ zei Joshua, met een gevoel van macht. ‘Vanavond nog. Ik zal zeggen dat jij haar wilt trouwen.’
‘Nee, nee!’ riep Harry verschrikt uit. ‘Ik wil niet met haar trouwen! Ik wil haar alleen maar tegen die dekstier beschermen!’
‘Ze is je zuster toch niet?’
‘Nee, nee! De anderen zouden me om zeep helpen, net als Quash! Alsjeblieft, zeg dat niet tegen je vader!’
Het was voor het eerst dat Joshua het hoorde. De dood van Quash was
dus géén ongeluk geweest! En Pompeys dood? Was hij ook vermoord, soms? Maar hoe? Door wie? ‘Wat is er dan met Quash gebeurd?’ vroeg hij.
Maar Harry was niet van plan om meer los te laten. ‘Haal haar in het Huis, Josh. Doe 't voor mij, om al die jaren dat we vrienden zijn geweest! Laat je vader haar als huisslavin nemen! Je zult er geen spijt van hebben, ik beloof het je. Ze zal alles voor je doen, alles, alles, dat weet ik zeker!’
Die woorden stuitten Josh tegen de borst, want Harry hield van het meisje, dat wist hij. ‘Ik zal zien wat ik doen kan,’ zei hij. ‘Is dat briefje al onderweg?’
‘Scipio moest wel; Baas Caleb zou erachter zijn gekomen als hij niet was gegaan!’
‘Ik ga nu meteen met Vader praten.’ Hij keerde zich voorzichtig om op de tak. Op het punt weg te huppen bracht iets hem ertoe zich nog éénmaal om te draaien en te fluisteren: ‘Dag jò...’ Het was niet wat hij had willen zeggen, maar hij wist niet hoe hij onder woorden moest brengen wat hij voelde.
Op het balkon bleef hij een ogenblik stilstaan om te luisteren. In de tuin was geen geluid te horen; Harry was al lang de boom uit en weggeglipt over het gazon met de geruisloze steelsheid die Josh vroeger zo bewonderd had. Hij liep naar de glazen deuren van de studeerkamer. Zijn vader zat in zijn gemakkelijke stoel, met zijn rug naar hem toe, te lezen bij kaarslicht, zó verdiept in wat hij las dat hij hem niet opmerkte.
Terwijl hij daar stond, zijn hand op de deurknop, weifelde Josh opeens. Was het wel het goede ogenblik om hem over Cleo en Caleb te vertellen? Morgenochtend zou misschien beter zijn, en dan was er nog tijd genoeg om Calebs plan te verhinderen.
Hij sloop op zijn tenen naar zijn kamer terug, stapte naar binnen en begon zich uit te kleden, zoals hij bezig was geweest te doen toen de roep van de wevervogel hem naar buiten had gelokt. Terwijl hij zijn hemd uit zijn broek trok, keek hij naar zichzelf in de spiegel. Waarom had hij het Vader niet willen vertellen, vanavond?
Hij trok zijn hemd over zijn hoofd, wierp het op een stoel, deed zijn schoenen uit en begon zijn broek los te knopen. Waarom had hij het Vader niet verteld? Wilde hij soms dat Cleo verkracht werd? Jaren geleden, als kinderen, toen ze Indiaantje speelden in de wildernis op de zuidpunt van het eiland, hadden Harry en hij het met Cleo gedaan, als een spelletje. Hij had er eerst niet aan gewild, maar ten slotte had hij het toch gedaan, omdat ze hem plaagde nadat Harry het wél gedurfd had. Het had niets betekend; hij was gewoon maar een poosje op haar gaan liggen, waarbij hij had opgemerkt dat ze gouden vlekjes in haar ogen had, net als Harry. Toen was hij weer opgestaan en ze hadden haar verder alléén laten spelen terwijl hij en Harry in de rivier gingen zwemmen. Hij had in geen jaren aan die episode gedacht. Nu herinnerde hij zich alles weer.
Hij kleedde zich uit tot hij naakt voor de spiegel stond. ‘Koekoek!’ zei hij. ‘Hallo, daar! Meneer Baker? Hup, hup!’ Hij danste mal op en neer en
trok gezichten tegen zijn spiegelbeeld, toen hoorde hij opeens een geluid op het balkon. Zijn zusje! Hij greep snel zijn hemd van de stoel, sloeg het om zijn middel, sloop, met bonzend hart, naar zijn bed, blies de kaars op het nachtkastje uit, kroop snel onder de dekens en bleef liggen luisteren. Hij had als kind dikwijls precies zo gelegen, nadat hij iets gedaan had wat voor niemands ogen bestemd was: kwijlend als een vampier door zijn kamer wankelen bijvoorbeeld, en op zijn kussen springen om er zijn tanden in te slaan. Wat was dat onschuldig geweest!
Opeens had hij een raar gevoel, een gevoel van naderend gevaar. Het maakte dat hij op zijn knieën onder de dekens ging liggen, zijn handen vouwde en fluisterend een kindergebedje deed. Maar terwijl hij de vertrouwde woorden mompelde bleef hij zich afvragen: waarom wilde ik het niet aan Vader vertellen, daarstraks? Schaamde ik me soms! Waarvoor, in vredesnaam?
***
Het was een teleurstelling voor Abby toen haar broer ineens in zijn bed sprong en de kaars uitblies, want zijn malle kunsten voor de spiegel waren leuk geweest om naar te kijken, stiekem. Wat haar nog het meest interesseerde was dat hij in z'n eentje spelletjes kon spelen, want daartoe was zij zelf helemaal niet in staat. Zodra ze alleen was verveelde ze zich stierlijk, tenzij ze iets te doen vond, maar handwerken of zo interesseerde haar al gauw niet meer en ze mocht niet doen wat ze het liefste deed: dingen uit elkaar halen. Klokken, een oude koffiemolen, een roestig oud pistool dat ze op zolder gevonden had. Dat pistool had haar in moeilijkheden gebracht, want ze was er op een ochtend de slaapkamer van haar ouders mee binnengestormd om het hun te laten zien; haar vader had in bed gezeten, zijn slaapmuts op zijn hoofd, een blad met een boterhammenbordje en een glas melk op zijn schoot; zodra hij het wapen zag, had hij, met een gil van schrik, het blad hardhandig op het nachtkastje gezet, zodat de melk eroverheen klotste, en was onder de dekens gedoken waar hij met een gesmoorde stem riep: ‘Weg! Doe dat weg! Wil je ons doodschieten?’ Ze had geantwoord: ‘Maar, paps! Het is helemaal verroest, het kan niet eens afgaan!’ Hij had geroepen, nog steeds onder de dekens: ‘Als God het wil gaat een paraplu ook af!’ Haar moeder had het pistool afgepakt en in de rivier gegooid; die avond had Vader tijdens de samenkomst gepreekt over het beginsel van de geweldloosheid. Daarna had ze een poosje niets meer uit elkaar durven halen, tot Becky haar dat bureautje cadeau gaf; en dat had de poppen weer aan het dansen gebracht.
Het oneerlijke was dat ze het bureautje niet alleen maar uit nieuwsgierigheid uit elkaar had gehaald, maar omdat ze een bergplaats voor haar eigen dagboek had gezocht. Voorlopig had ze alleen nog maar de titel: ‘De Geheime Dagboeken van Abigail Baker van het Eiland Eden, een lichtekooi van 10 jaar oud.’ Ze had de ‘0’ van ‘10’ dun geschreven, om hem na haar
verjaardag in een ‘11’ te kunnen veranderen. Het woord ‘lichtekooi’ zou Becky vast razend maken als ze het ooit te zien kreeg; ze wist niet precies wat het betekende, maar één ding was zeker, het was een stuk interessanter dan ‘bruid’, wat Becky op het etiket van háár dagboek had staan. En als Becky zou vragen: ‘Hoe kom je erbij om te denken dat je een lichtekooi bent?’ zou ze antwoorden: ‘Hoe kom jij erbij te denken dat je een bruid bent?’ Waarschijnlijk zou Becky ten slotte wel met Joe Woodhouse trouwen, maar er zouden vast en zeker nog heel wat krijsende ruzies aan voorafgaan, en Abby was gek op ruzies. Ze was er ook gek op om mensen te bespieden die in zichzelf praatten, gezichten trokken voor de spiegel of hun borsten opduwden, zoals Becky. Ze had iedereen al jarenlang begluurd en afgeluisterd; zodra ze genoeg kreeg van haar borduurlap en er viel niets uit elkaar te peuteren, sloop ze het balkon op om door de glasgordijnen in de kamers van de anderen te gluren.
Ze wist meer over haar familieleden dan wie dan ook in huis; ze wist ook dingen die, vreemd genoeg, nog niet waren gebeurd. Geen grote gebeurtenissen, voorvalletjes van niets; Harry die in het zonlicht het gazon stond te harken, bijvoorbeeld, terwijl Mammy hijgend en puffend met een mandje langs hem liep op weg naar de groentetuin, en hem in het voorbijgaan aan zijn oor trok. Dat had ze, toen het werkelijk gebeurde, beslist al eens eerder gezien, alleen kon ze zich niet meer herinneren wanneer, of hoe. Op een andere keer had ze een Chinees afgodsbeeldje op het latafeltje in de vestibule zien staan, haar hand ernaar uitgestrekt om het te pakken, en gemerkt dat het er helemaal niet stond; een week later had haar vader het uit Philadelphia meegebracht; hij en Moeder hadden een poos geredetwist over de plaats waar het ding moest staan; en ja hoor, ten slotte kwam het op het latafeltje in de vestibule terecht. Eens, op een ochtend, toen ze met Harry in de brik op weg was naar het lazaret met een mandje versnaperingen van Moeder voor Messalina, die net een kindje had gekregen, waren ze langs het kerkhof gereden en ze had aan Harry gevraagd wie er in die kist lag die er op schragen onder een boom stond. Harry had stomverbaasd geantwoord dat er helemaal geen kist was, waarop zij hem boos had toegebeten om te keren en zélf te kijken; toen ze weer bij de boom kwamen was de kist verdwenen. Vier dagen geleden had de kist er wél gestaan, onder de boom, precies zoals ze hem had gezien, met Quash erin, en alle slaven op hun hurken eromheen; de vogels zongen en de bladeren ruisten en Vader jammerde over de Mens wiens dagen zijn gelijk het gras.
Ze was op weg geweest naar Vaders studeerkamer toen ze werd afgeleid door Joshua's bokkesprongen voor de spiegel. Ze wilde Vader gaan vragen of ze die dagboeken nog eens mocht inkijken omdat ze zo in Overgrootmoeder geïnteresseerd was. In werkelijkheid was ze geïnteresseerd in iets wat ze bezig was geweest te lezen net op het moment dat de schriften haar werden afgepakt: ‘Ik geloof dat Willie Best misschien van een reizend circus afkomstig is, of een zigeunerkind is, want hij kan de toekomst voorspellen.’
Willie was de dwerg, de grootvader van haar moeder, dus misschien had ze haar helderziendheid van hem geërfd. Ze wilde er erg graag meer over weten.
Maar toen ze op het punt stond aan Vaders deur te kloppen, stampte Becky met het gedreun van een span muilezels haar kamer uit, zodat zij zich snel in de schaduw terug moest trekken. Natuurlijk merkte Becky haar niet op; die merkte nooit iets wat niet rechtstreeks met haarzelf te maken had. Ze ging Vaders kamer binnen, in haar nachtjapon. Als zij hem nu maar niet om die dagboeken ging vragen!
Zodra Becky binnen was, sloop de lichtekooi van tieneneenhalf jaar heimelijk naar de deur om af te luisteren wat er gezegd werd.
***
Bonifacius Baker was urenlang onder de betovering geraakt van de dagboeken van zijn grootmoeder. Hij had zich zo volkomen vereenzelvigd met het jonge meisje dat een eeuw geleden deze bladzijden geschreven had dat het was alsof ze bij hem in de kamer zat. Afgeleid door een vage beweging die hij opving op het balkon keek hij op en zag haar in de deuropening staan, als een geestverschijning; toen drong het tot hem door dat het Becky was, in een nachtjapon.
Het was vreemd ontroerend haar daar te zien staan, op dit ogenblik. De Ann Traylor van de eerste dagboeken moest haar evenbeeld zijn geweest: achttien jaar oud, met die zelfde doorschijnende, tere schoonheid. Hij had nooit aan Grootmoeder gedacht als mooi of jong; voor hem was ze altijd een strenge oude vrouw geweest. Nu had hij kennis gemaakt met een verrukkelijk wezentje dat zichzelf had opgeofferd voor een staljongen door hem in gevangenschap te trouwen. Hij was net bij die episode in het verhaal gekomen en voelde zich nog omringd door mensen die hij zo intiem had leren kennen dat zij levend voor hem waren geworden: Margaret Fell, Henderson de huishoudster, Thomas Woodhouse de opzichter, Henrietta Best, Bonny Baker met zijn kreupele been, John McHair de stroper, de boosaardige rechter Sawrey. Het was alsof hij uit hun midden tegen zijn dochter zei: ‘Warm, is 't niet, liefje? Kun je niet slapen?’
Becky glimlachte, het aanvallige lachje dat nooit naliet hem te ontwapenen. ‘Mag ik binnenkomen, Paps?’
‘Natuurlijk. Ga zitten...’ Hij trok een stoel voor haar bij.
‘Ik stoor echt niet?’
‘Nee, nee, ik vind het heerlijk om even met je te praten.’
Ze ging gracieus zitten. Hoe had hij ooit kunnen denken dat ze alleen maar een uit haar kracht gegroeid kind was? Opeens leek ze volwassen, vrouwelijk. Misschien waren het de geesten uit het verleden die hem tot de gedachte brachten: ‘Ik ken het jonge meisje dat haar overgrootmoeder eens was nu beter dan mijn eigen kind.’
‘Deze dagboeken zijn bijzonder interessant,’ begon hij. ‘Ik zou je er
graag wat van vertellen.’
Ze keek hem aan en glimlachte weer.
‘Goed,’ zei hij, gelaten. ‘Waar wil jij over praten?’
Ze stond op het punt om antwoord te geven, toen aarzelde ze en sloeg de ogen neer.
‘Kom, ik ben je vader. Er is geen reden om terughoudend tegenover mij te zijn.’
Ze keek op; haar ogen waren als maanstenen: doorschijnend, vol raadsel. ‘Ik heb een brief van Joe gehad. Oom Jeremia heeft 'm meegebracht. Er staat iets in dat ik niet begrijp. Misschien kun jij me helpen.’
‘Wat is dat?’
‘“Ik hoop dat je vader tot een redelijke beslissing komt inzake Altaar Rots. Zodra hij dat doet, zal ik graag met je trouwen.”’
De lammeling! Na zijn laatste bezoek was hij uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat de vlegel alleen maar onder invloed van zijn vader had gesproken; nu was er geen twijfel meer aan: hij gebruikte zijn zogenaamde verloofde bewust voor een poging tot chantage. De ellendeling! Het zou veel beter voor haar zijn om van de kwal af te raken.
Ze keek hem onderzoekend aan; toen zei ze rustig: ‘Ik wil me niet met je zaken bemoeien, Vader. Het enige dat ik van je vraag is: denk aan mij, voor je beslist wat er met de rots gaat gebeuren.’
Zijn eerste opwelling was haar gerust te stellen en te zeggen: ‘Goed, lieveling, laten ze het lamme ding maar opblazen,’ zoals hij zo dikwijls in het verleden had gedaan in antwoord op verzoeken die heel wat veeleisender waren; nu echter kwam Ann Traylor tussenbeide. Ze was even oud geweest als Becky toen ze het besluit nam haar lot te verbinden aan Bonifacius Baker; ze was uit deernis getrouwd, in de liefde Gods. Als hij toegaf, enkel en alleen om Becky het leven gemakkelijk te maken, betekende dat een afstand doen van zijn plicht als vader. Ze stond op het punt een besluit te nemen dat beslissend zou zijn voor de rest van haar leven; hij moest haar niet langer als een kind behandelen, maar alsof zij Ann Traylor was.
‘Ik wil je graag vertellen waar het over gaat,’ zei hij. ‘Maar laat me je eerst eens iets vragen. Wil je hem trouwen?’
‘Ja, Vader,’ zei ze, met die volwassen rust.
‘Ik hoef je niet te vertellen dat het huwelijk iets is waar een onervaren vrouw toe over kan gaan omdat het haar op zichzelf aanlokt, als een kind een stuk speelgoed of een meisje een mooie japon. Het is een verbintenis voor het leven, een manifestatie van Gods liefde in de mens, zoals je overgrootmoeder het in haar dagboek schreef toen ze met je overgrootvader trouwde, in vrijwillige gevangenschap.’ Hij keek haar ernstig aan. ‘Kun je oprecht, naar waarheid zeggen dat je genoeg van Joe Woodhouse houdt om de rest van je leven met hem te slijten?’
Dat was klaarblijkelijk de vraag waarop ze gewacht had. ‘Ja, o ja!’ riep ze hartstochtelijk uit. ‘Ik zweer - ik bedoel, dat bevestig ik je! Echt waar, echt!’
‘Hoezo ben je daar zo zeker van?’
‘Nu ja, ik - ik weet het gewoon. Ik merk het aan alles: als ik aan hem denk word ik koud, of warm; ik kan aan niemand of niets anders denken; ik snak ernaar om bij hem te zijn als hij er niet is en als hij komt doe ik koel en gereserveerd. Ik heb minstens vijftig brieven aan hem geschreven en weer verscheurd ... Is dat geen liefde?’
Zijn hart zonk hem in de schoenen. Ann Traylor had hem ertoe verleid haar als een vrouw te behandelen; dit waren niet de woorden van een vrouw maar van een verwend kind. Toen herinnerde hij zich dat Ann Traylor achtentwintig jaar was geweest toen ze trouwde, tien jaar ouder. ‘En waarom hou je zoveel van hem?’ vroeg hij. ‘Wat zie je eigenlijk in hem?’
Haar gezicht straalde. ‘O, ik hou van hem om wel duizend redenen. Hij is knap, hij is enig, hij is enorm flink, je kunt ontzettend met hem lachen, hij - hij houdt van mij. Ik kan nog wel duizend redenen noemen. Ik hou gewoon van hem. Dat weet ik heel zeker.’
‘Wat vind je van zijn karakter?’
De vraag scheen haar blijkbaar onbelangrijk toe. ‘O, hij is een schat. Hij heeft wel veel praatjes, maar als het erop aankomt zó'n hartje. Hij ... hoe dat zo?’
Hij wist niet precies hoe hij dit moest aanpakken. ‘Laat ik je vóór we verder gaan vertellen wat die beslissing is. Abe Woodhouse en andere jonge Quaker-kooplieden in Philadelphia willen de Altaar Rots laten springen om de doorvaart voor grotere schepen mogelijk te maken. Ik ben daartegen, omdat ik vind dat we ons moeten houden aan Will Penns verdrag met de Delaware-Indianen, waarin de rots als een heiligdom wordt beschreven dat tot in lengte van dagen geëerbiedigd zal worden. Er zijn nog andere redenen waarom het volgens mij verkeerd zou zijn om de rots te vernietigen. Zoals Peleg Martin al zei, het zou een schending zijn van het Quakerbeginsel dat we de schepping met eerbied moeten gebruiken.’
Ze keek hem argwanend aan. ‘Geloof je echt dat de Delawares die rots nog steeds als een heiligdom beschouwen?’
‘Nee,’ bekende hij.
‘Als de hele stad wil dat de rots verwijderd wordt, waarom wil je dan niet toegeven?’
Ze keek hem aan met dezelfde aanvallige afwachting die ze in het verleden zo vaak had getoond terwijl hij een beslissing overwoog waarvan ze van tevoren wist dat die in haar voordeel zou uitvallen. Hij zei, ontwijkend: ‘Voor we daarop ingaan, vertel me eerst eens, niet om mijnentwille maar voor jezelf: wat vind je van een man die zijn verloofde gebruikt om een materieel voordeel voor zijn vader af te persen? Ik behandel je nu als volwassene, niet als kind.’
Ze keek hem een ogenblik peinzend aan, toen glimlachte ze en zei: ‘Laat me jou een tegenvraag stellen, als volwassene. Wat vind je van een vader die blijft talmen nadat hij inwendig al lang een besluit heeft genomen, terwijl hij weet dat zijn dochter als gevolg daarvan haar verloofde kan kwijtraken?’
Hij staarde haar schuldbewust aan.
‘Ik heb je dit al eerder willen vragen,’ vervolgde ze. ‘Waarom treuzel je altijd zo wanneer iemand je om een rechtstreeks antwoord vraagt? Wat bereik je daarmee? Ik wil je niet in het nauw drijven, ik probeer je alleen maar te begrijpen.’
Het was alsof ze een masker had afgeworpen. Ze moest hun vader-kindverhouding al net zo beu zijn als hij. ‘Het is meestal verstandig’, antwoordde hij zwakjes, ‘om geen besluit te nemen, hoe voor de hand liggend ook, vóór je er tijdens de samenkomst klaarheid over hebt gekregen.’
‘Is dit een algemeen Quaker-gebruik?’
‘Nee. Een persoonlijke voorkeur.’
‘Je zou hetzelfde kunnen zeggen over Joe, waar het zijn afhankelijkheid van zijn vader betreft: een persoonlijke voorkeur. Hij is misschien in dat opzicht nog niet helemaal volwassen, maar dat verandert wel zodra we eenmaal getrouwd zijn.’
‘Maar die afhankelijkheid van zijn vader maakt dat hij jou met ongevoelige hondsheid behandelt. Alsof je geen levend mens was, maar - een abstractie!’
Ze glimlachte. ‘Dat komt misschien omdat hij een man is. Hij wil waarschijnlijk bewijzen dat hij niet langer aan de leiband loopt door het te doen voorkomen alsof hij en zijn vader deze beslissing samen hadden genomen. Daar komt nog bij dat hij waarschijnlijk mij een tijdje aan de leiband wil houden, smachtend naar een aanzoek. Waar hij typisch geen idee van heeft is dat losbreken van zijn vader en met mij trouwen alleen maar de verwisseling van de ene leiband voor een andere betekent.’
Was dit zijn lieve, verwende dochtertje? Dit klonk meer als een vrouw die klaarstond een man in de hand te nemen zoals Margaret Fell dat met George Fox had gedaan en Ann Traylor met Bonny Baker. Wat gaf Quakervrouwen die ingeboren kracht? ‘Hoe kun je van hem houden, als je dit weet?’ vroeg hij. ‘Je beschrijft een zwakkeling.’
‘Misschien zijn alle fijngevoelige mannen zo, als ze nog jong zijn.’
‘En als hij eens werkelijk een zwakkeling zou blijken te zijn? Dan is het te laat.’
Ze haalde haar schouders op. ‘Dat zal ik dan moeten aanvaarden. Ik kan niet blijven wachten tot hij volwassen is. Dat zou waarschijnlijk betekenen dat ik mijn leven lang een oude vrijster blijf, net als Tante Gulielma.’
‘Tante Gulielma heeft meer goed gedaan dan de meeste getrouwde vrouwen.’
‘Dat kan wel zijn,’ zei ze, met een eerste zweem van ergernis, ‘maar we kunnen niet allemaal een leren pak aantrekken en eropuit trekken met een medicijnkast om zieke Indianen te gaan verplegen. Sommige vrouwen zullen kinderen ter wereld moeten brengen, of er zijn straks geen Quakers meer over die de naam waardig zijn.’
‘Het was niet mijn bedoeling je te irriteren,’ zei hij. ‘Ik wilde je alleen
maar helpen door je duivelsadvocaat te zijn...’
Ze stond op en kuste het kale plekje op zijn kruin. ‘Ik weet het, Paps’, zei ze, en hij voelde de warmte van haar adem op zijn schedel. ‘Alleen mijn geduld raakt op. Ik hou van hem, ik wil hem hebben en ik ben razend op hem, razend, omdat hij niet sterk en onafhankelijk is en op een wit paard komt aangalopperen om me te schaken, en de duivel hale onze ouders!’
Hij pakte haar hand. ‘Kind, ik sta te kijken van je wijsheid,’ zei hij met een raar gevoel van eenzaamheid.
Haar ogen schenen, ondanks hun nabijheid, de zijne vanuit de verte te beschouwen. ‘Hou het nog even vol, duivelsadvocaat,’ zei ze. ‘Hij heeft me nog geen aanzoek gedaan.’
Hij liet haar hand los. Ze liep naar de deur, daar draaide ze zich om, wierp hem een kus toe en verdween.
Hij nam het dagboek op waarin hij had zitten lezen.
‘Toen ik opstond om te vragen of ik met de gevangene mocht trouwen voor hij werd opgesloten keek rechter Sawrey me welwillend aan. “Nee maar! Het Quaker-jong schijnt dan toch zijn mannetje te hebben gestaan,” riep hij uit. “Zeker, jongedame, ge moogt de vrucht van uw schoot een wettige vader geven voor hij zijn straf gaat uitzitten”.
Toen ik zei dat ik niet zwanger was maar hem alleen maar in gevangenschap wilde vergezellen, keek de rechter mij aan zoals geen enkele man mij ooit eerder had aangekeken. Het was alsof ik hem iets onvergeeflijks had aangedaan. Toen zei hij, met de ijzige stem die ik soms nog meen te horen: “Ik denk er niet aan om ontucht te legaliseren. Ik veroordeel je hierbij tot twee jaar wegens godslastering, onzedelijk gedrag en weigering om tienden te betalen. Als jullie een bespotting willen maken van het heilige huwelijk, trouw jullie zelf dan maar, wat naar ik hoor gewoonte van de Quakers is”.
Zo gebeurde het dat, op onze eerste avond in Slot Lancaster, Bonny Baker en ik opstonden ten overstaan van het bedrukte groepje Vrienden dat die dag was opgepakt. Hij nam mij bij de hand en sprak: “In de tegenwoordigheid van God en deze Vergadering neem ik mijn Vriendin Ann Traylor tot wettige echtgenote en ik beloof, met Gods hulp, een liefhebbende en trouwe man voor haar te zijn tot de dood ons scheidt.” Ik zei: “In de tegenwoordigheid van God en deze Vergadering neem ik mijn Vriend Bonifacius tot wettige echtgenoot en ik beloof, met Gods hulp, een liefhebbende en trouwe vrouw voor hem te zijn tot de dood ons scheidt.” Toen gingen we weer in het stro zitten, en het leek alsof er een licht om ons heen was en een grote stilte, en zo werden we in de echt verbonden.
Maar helaas, het werd weldra duidelijk dat hij ernstig ziek was. De cel was een vochtige kerker zoals die waarin eens de kinderen waren opgesloten; de wanden dropen van het water; nissen, uit de rots gehouwen, dienden als slaapplaatsen. Andere gevangenen bleven daar slechts tot ze mevrouw Fraley strooigeld hadden betaald en kregen dan beter onderdak, maar in ons ge-
val had rechter Sawrey opdracht gegeven dat ons geen enkel voorrecht mocht worden toegestaan, ook al betaalden wij strooigeld. Zelfs lichtere ketens waren ons niet toegestaan, die zelfs de laagste schurk voor strooigeld kocht. We kropen wat rond of zaten ineengedoken bij elkaar, niet in staat rechtop te staan omdat onze polsen aan onze enkels waren vastgeketend, misselijk van de stank van onze eigen uitwerpselen en van de hoofden van de gehangenen die in de kelder onder onze kerker werden uitgekookt.
Ofschoon hij verreweg de opgewektste onder ons was, werd Bonny snel zwakker; op kerstavond van het jaar onzes Heren 1663 stierf hij. Hij was tot het einde bij kennis en fluisterde ons toe dat hij geen pijn of angst voelde, dat hij wist dat de Heer dit alles in Zijn oneindige liefde en genade zo beschikt had. Ik, sterfelijk als ik ben, riep uit: “Waarom? Wat kan Gods bedoeling zijn dat Hij jou zo jong al van ons wegneemt?” Hij keek me aan alsof hij al ver weg was; ik dacht dat het kwam omdat het licht in zijn ogen scheen en vroeg Thomas Woodhouse de kaars weg te nemen. Ik hoorde hem fluisteren: “Ik ben het zaad van de toekomst”.
Ik wilde zijn laatste ogenblikken niet verstoren, maar ik vroeg: “Bonny, wat bedoel je?”
Hij bleef zo lang zwijgen dat ik dacht dat hij de geest had gegeven. Maar toen klonk zijn stem, zacht en kalm, met een vreemde blijdschap die me op dat ogenblik waanzinnig toescheen: “Blijf aan me denken, en rust niet tot...”
“Tot wat, Bonny? Wat?”
“Tot, dank zij jou, het zaad een oogst van Licht en Liefde heeft opgeleverd.”
De woorden leken zinloos. Ik vroeg: “Hoe dan? Wat voor een oogst?”
Weer duurde het lang voor hij antwoordde, ik begreep eruit dat hij kracht moest vergaren om te spreken. Toen zei hij: “Zodra je kunt zeggen: Als Bonny niet zo jong in de gevangenis gestorven was.”
“Ja?” drong ik aan. “Als Bonny niet ... wat dan?”
Er kwam geen antwoord. Hij was naar huis gegaan, naar God.’
***
‘In de tegenwoordigheid van God en van deze Vergadering...’ dacht Becky terwijl ze aan het schrijfbureautje van haar overgrootmoeder zat te dagdromen, een onbeschreven vel papier voor zich. Maar toen schudde ze vastberaden dit meisjesachtig gemijmer af en schreef de eerste regel van haar brief aan Joe. ‘Ik hou van je, van jou alléén - niet jou en je vader.’
Het had geestig geleken toen ze de zin bedacht had op de terugweg van haar vaders studeervertrek; nu was ze opeens bang dat het hem zo woedend zou maken dat hij zou besluiten eerst zijn Europese tournee te gaan maken of een ander excuus zou trachten te vinden voor uitstel. Ze was verrast geweest over haar eigen volwassenheid toen ze haar vader Joe's karakter beschreven had. Wat een onzin! Dat was zoals ze zou willen zijn! Was het
maar waar! Kon ze maar werkelijk zo voelen, zo denken, zich zo gedragen, niet alleen maar voor een paar minuten tegenover haar vader, maar als Joe en zij bij elkaar waren, of nu, terwijl ze hier zat, op het punt hem te schrijven dat het tijd werd de hand van zijn vader los te laten en op eigen benen te staan. En waarom niet? Waarom zou ze het niet precies zo neerschrijven als ze van plan was geweest? De hemel wist dat het niet de eerste brief zou zijn die ze verscheurd had.
‘Lieve Joe, ik hou van je, van jou alleen, niet jou en je vader.’