Pas de volgende morgen, bij het ontbijt, hoorde Becky dat Joe Woodhouse door de Vergadering in Philadelphia was afgevaardigd als hun vertegenwoordiger om mee te gaan met een officiële landmetingsexpeditie op Indiaans grondgebied om het onrecht van Thomas Penn en zijn hardlopers ongedaan te maken. Ze kon haar oren niet geloven, Joe had er in zijn brief niets over gezegd. Abby zei, boosaardig: ‘Aha, dát moet het bloedbad zijn waar ik vannacht over gedroomd heb!’ Iedereen lachte, maar het maakte Becky heimelijk zo bezorgd dat ze na tafel George McHair apart aanklampte om hem te smeken met Joe mee te gaan, om hem te beschermen - nu ja, beschermen, dat was niet nodig misschien, maar Joe sprak geen Indiaans en daarom moest er beslist iemand meegaan die de taal wel machtig was.
George, die ondanks zijn kolossale gestalte en zijn stem als een misthoorn de zwakste, goedigste man was die ze kende, bromde dat het niet aan hem lag om daarover te beslissen, maar aan de Vergadering. Daarom klampte ze, na de samenkomst in de zitkamer, Oom Jeremia aan en vroeg hem brutaalweg of hij de Vergadering voor wilde stellen George McHair te delegeren als metgezel van Joe Woodhouse. Oom Jeremia was er niet enthousiast over, en Peleg Martin die hij erbij riep ook niet; maar George sprak Algonkiaans, de taal van de Delawares, want hij was als kind aan de zorg van de Indianen overgelaten als zijn ouders eens per jaar naar de Jaarvergadering trokken, dus hij was een logische keuze. Toen ze hem polsten vertelde George dat hij Zilverwolf, het opperhoofd van de Unamis, zelf niet kende, maar zijn vader wel. Zoals ze gehoopt had, liet Oom Jeremia zich ten slotte door haar overhalen; hij kon Joe machtigen omdat zowel hij als Peleg Martin lid van de Commissie voor Indiaanse Zaken was en dit was een dringend geval. George mompelde dat hij nog belangrijke zaken in Loudwater te doen had, dat ze misschien beter iemand anders konden aanwijzen; maar Oom Jeremia begon het een goed idee te vinden. De expeditie zou pas over een week vertrekken, zei hij, dus George had nog alle tijd om eerst zijn zaken af te wikkelen.
Becky besloot George een brief voor Joe mee te geven. Toen kwam ze op het idee om twintig briefjes te schrijven, één voor iedere dag die de expeditie duren zou; ze zou ze nummeren met strenge instructies aan Joe om er niet meer dan één per dag open te maken.
Na het ontbijt maakte iedereen aanstalten om weg te gaan; haar vader naar zijn kantoor, Josh naar de oogst en de gasten naar de veerpont. Becky vond George op het stalerf, bezig zijn paard te zadelen. ‘Neef George! Zou
je het erg vinden nog even te wachten, om me gelegenheid te geven Joe een brief te schrijven?’
George staarde haar met gejaagde ogen aan; Oom Jeremia riep uit de brik die klaarstond om hen naar de pont te brengen: ‘Ach, laat hem toch, Becky! Geef de jongen de kans vóór donker thuis te komen!’
Ze stond op het punt een scherp antwoord te geven toen George zelf het beslissende woord sprak. ‘Nou ja,’ gromde hij zwak, ‘het is vollemaan vanavond, dus ik kan na donker doorrijden...’
‘Vollemaan?’ vroeg Peleg Martin met zijn krassende stem. ‘Je zegt dat het vanavond vollemaan is?’
‘Ja, Oom,’ antwoordde George. ‘Ik vind het niet erg om even te wachten, Becky, als je...’
‘Joshua!’ krijste Peleg Martin achter Josh aan, die bezig was weg te rijden. ‘Zeg tegen Caleb dat het vanavond vollemaan is!’
‘Waarom?’ riep Josh terug.
‘Doet er niet toe, waarom! Zorg jij er nou maar voor dat je 't hem vertelt!’
Josh gaf zijn paard de teugels, en de brik reed weg naar de pont.
Twintig brieven: teder, geestig, boeiend - ze zou er een dag werk aan hebben. Bij het zien van Georges arme-zondaarsgezicht trippelde ze naar hem toe, ging op haar tenen staan en kuste hem kuis op zijn wang. ‘Je bent een engel, George,’ fluisterde ze. ‘Ik zou niet weten wat ik zonder jou moest beginnen...’
Ze liet hem staan; hij staarde haar na en wreef zijn wang. Zij holde terug naar het huis, vol stralende zelfverzekerdheid.
‘Lieve, lieve Joe: daar zit je nu, je eerste nacht in de wildernis, en hier zit ik, op een eiland ver weg, aan jou te denken. Als de liefde vleugels heeft, moeten onze zielen elkaar halverwege ontmoeten, boven de wolken, ergens boven Philadelphia...’
Ze zou hem leren, te denken dat hij weg kon sluipen zonder haar erin te kennen!
***
In het nuchtere ochtendlicht scheen Grootmoeders onthulling Bonifacius minder dramatisch toe dan de avond tevoren. Aan het ontbijt kon hij niet begrijpen waarom hij zo overstuur was geraakt bij de ontdekking dat zijn grootvader geen heilige maar een verkrachter was geweest. Wat maakte het per slot van rekening voor verschil? Zelf werd hij er geen ander door, alleen was hem een illusie ontnomen en misschien was dat hoog tijd. Hij moest er eerst eens goed en nuchter over nadenken. Hij besloot de boot te nemen en, alleen op de rivier, zijn twijfel en zijn angst voor God te brengen. Maar eerst moest de dagtaak geregeld worden.
Hij ging naar zijn kantoor en begon met Calebs voorjaarsaanvraag voor kledingstoffen te bestuderen die hij op zijn bureau vond. Calebs schatting
voor de tweehonderd slaven was vijfhonderd el blauw katoen voor mannenbroeken, zeshonderd el gebleekt hemdkatoen, zeshonderd el stof voor vrouwenondergoed, zeshonderd el bont katoen voor jurken, honderd halsdoeken en honderd strooien hoeden. Hij had erbij aangetekend: ‘Ik vraag geen kousen aan, in de veronderstelling dat breien een huistaak van de aftandse slavinnen zal blijven.’ De aanvraag beliep een stevig bedrag, waaraan Calebs eigen salaris van honderd pond per jaar nog moest worden toegevoegd, plus een bonus van twee shilling voor iedere kegel indigo boven de honderdvijftig. Zoals de oogst zich nu liet aanzien zou het een goed jaar worden: driehonderd kegels was een redelijke schatting. Maar het grootste deel van de winst moest weer in de plantage worden gestoken, voor hoognodige reparaties en een nieuw scheprad, vóór er nog meer ongelukken gebeurden. Het werd ook tijd alle hutten weer eens te verplaatsen; slaven reinheid bij te brengen was een hopeloze taak, de enige manier om de ophoping van vuil en ongedierte onder de vloeren tegen te gaan was de hutten iedere twee jaar te verplaatsen en de drek die eronder werd aangetroffen te verbranden. Hij zou de aanvraag kunnen besnoeien zonder veel schade te doen; maar Caleb was een zuinige opzichter, het bedrag was zeker het minimum dat hij nodig had.
Hij was bezig alles bij elkaar op te tellen toen Josh op de deurpost klopte. ‘Vader? Zou ik je even kunnen spreken?’
Hij antwoordde, geërgerd door de storing: ‘Wat is er, Joshua?’
Josh kwam binnen en sloot de deur. ‘Het - het gaat over een van de vrouwen, Vader. Cleo, de veldslavin. Caleb is van plan haar met geweld te laten dekken door een vent van Septiva, en ik vrees dat er moeilijkheden van komen.’
‘Wat zeg je me daar?!’
De jongen herhaalde, voorzichtig: ‘Caleb wil Cleo morgenochtend laten dekken door een foknikker van Septiva, die in een roeiboot hier naar toe wordt gebracht.’
‘Wat bezielt Caleb om dit te doen?’
De jongen trok zijn schouders op. ‘Ik weet het niet. Je kunt het hem beter zelf vragen.’
‘Dat zal ik, zeker! Nu, meteen!’ Hij stond op. ‘Overigens ben ik je er dankbaar voor dat je me dit vertelt. Dit is niet de manier waarop Quakers hun slaven behandelen! De brik is onderweg naar de pont, kan ik jouw paard nemen? Ik ben zo terug.’
‘Natuurlijk, Vader.’
Hij klopte Joshua op de schouder en holde naar de stal, waar hij de merrie van de jongen getuid aan de paal vond, gezadeld en wel.
Zodra hij het pittige jonge dier besteeg, wist hij dat hij er zijn handen vol aan zou hebben. Het was precies het soort paard waar een jeugdige blaag verrukt van was; net als haar eigenaar had het dier nog noemenswaard geen ervaring en schrok van iedere windvlaag, het gefladder van iedere vogel, zelfs van een plotseling opstijgende wolk vliegen uit de pulptrog bij de
factorij. Bonifacius vond Caleb in de factorij, toezicht houdend op het afladen van een kar vol schoven. ‘Caleb! Wat is dit voor een weerzinwekkend idee om een vrouw zwanger te laten maken door een bruut die ze nog nooit gezien heeft? Wat bezielt je in vredesnaam?!’
Caleb vroeg op effen toon: ‘Wat is daar voor verkeerds aan, Bonifacius? Ik ben alleen maar van plan om een slavin te laten dekken die anders een bron van onrust onder de kerels blijft. Sinds Pompey dood is, heeft ze geweigerd een ander te nemen, omdat ze het kitteliger vindt als alle mannen om haar vechten. Op deze manier maak ik daar een eind aan. Wie heeft je dit eigenlijk verteld?’
Maar Bonifacius was niet van zins vragen te beantwoorden. ‘Het kan me niet schelen waarom je het doet! Geen enkele vrouw op mijn plantage wordt als een vaars behandeld! Het is - het is onmenselijk!’
Caleb bleef onaangedaan, een goede eigenschap in een opzichter. ‘Bonifacius, ik waardeer je belangstelling voor je slaven. Maar zoals de zaken nu staan ben ik het, die geacht wordt je negers voor je te hoeden...’
‘Kan me niet schelen! Het gebeurt niet! Niet waar ik bij ben!’
‘Je hoeft er niet bij te zijn,’ zei Caleb nuchter. ‘Het is m'n bedoeling het ergens in de wildernis te laten gebeuren, zonder getuigen die in hun fijnere gevoelens gekwetst kunnen worden.’
‘Maar ik ben er bij! Het is mijn plantage, het zijn mijn negers! Ik ben overal bij!’
‘Ik wou dat dat waar was,’ zei Caleb kalm. ‘Geen betere mest voor de velden dan de voetstappen van de eigenaar.’
‘Caleb, ik eis een duidelijk antwoord op een duidelijke vraag: Heb je goed begrepen dat dit - dit schandaal niet zal plaatsvinden?’
Caleb keek hem onderzoekend aan. ‘Waarom wordt er plotseling zo'n ophef gemaakt van iets dat we eerder hebben gedaan?’
Dat hadden ze, inderdaad. Ze hadden ook kinderen van hun moeders en vrouwen van hun mannen gescheiden, om ze openbaar te verkopen, altijd om de een of andere grondige reden. Maar plotseling trof het hem dat wat Caleb het meisje wilde laten aandoen hetzelfde was wat Ann Traylor was aangedaan. ‘Waar is dat meisje? Laten we haar eens vragen wat zij wil.’
Calebs mond zakte open. ‘Haar vragen?’ herhaalde hij.
‘Ik heb geen bezwaar tegen het principe van geselecteerd fokken; ik heb er bezwaar tegen dat een vrouw met geweld verkracht wordt. Iedere vrouw, wie ze ook is, ook al is het een slavin.’
‘Maar uit vrije wil zal ze het nooit toelaten!’ riep Caleb uit, die eindelijk woedend werd. ‘Dat zeg ik je juist! Op dit ogenblik is ze de ongekroonde koningin van al je slaven omdat ze iedere man stapelkrankzinnig maakt!’
‘Dat zal ze niet eeuwig blijven doen. Vandaag of morgen kiest ze een man, en...’
‘Dat zeker!’ riep Caleb nijdig uit. ‘Waarom denk je dat ze zo kieskeurig is? Ze wil een blanke! Ze wil je zoon!’
Een ogenblik bleef Bonifacius als door de bliksem getroffen staan. Toen
zei hij, trillend van woede: ‘Ik wens haar over een uur in mijn kantoor te zien. Jou ook.’ Hij klom weer te paard.
Het jonge dier sprong naar voren alsof het uit een katapult werd weggeschoten; Bonifacius had al zijn tegenwoordigheid van geest nodig om te voorkomen dat hij er afgeworpen werd. Het beest stoof over het ordeloze erf naar het karrespoor door de velden.
Toen Caleb, een uur later, het meisje in het kantoor bracht kwam haar verschijning als een anticlimax. Haar gezicht was uitdrukkingloos, ze stond met dom-bungelende handen voor zijn bureau; ze was goedgebouwd en jong, maar het was een raadsel waarom alle negers achter haar aan zaten.
Hij vroeg haar of er iemand was met wie ze wilde trouwen; er was een por van Caleb voor nodig om haar te laten antwoorden: ‘Nee, Massa.’
Het werd een vruchteloos onderhoud. Hij probeerde een zweem van reactie in haar op te wekken, tevergeefs. Het was een duidelijke overwinning voor Caleb; desondanks weigerde Bonifacius het verfoeilijke plan te laten doorgaan. Verder was er eigenlijk niets geregeld toen Caleb met het meisje wegging; toch had Bonifacius een gevoel van opluchting. Het was ondenkbaar dat Joshua zich ooit tot dit schepsel aangetrokken zou kunnen voelen; om te beginnen stonk ze, niet alleen ongewassen maar muskusachtig, dierlijk, als een reptiel. Voor een jongen gewend aan reinheid, de parfumzakjes en het reukwater van zijn zusjes, kon deze kaaimannenstank niet anders dan weerzinwekkend zijn. Wat die mogelijkheid betrof kon hij tenminste opgeluchter ademhalen. Hij wreef zijn ogen, stond op, liep naar de steiger, gooide de oude werkboot los en roeide de rivier op.
De vogels zongen in het riet en in de bomen van het kerkhof. Een week geleden had hij zich net als nu langs het eiland laten drijven. Hoe fortuinlijk had hij toen gedacht te zijn, hoe trots op de wijze waarop Eden zijn naam eer aandeed! Nu leek het paradijs plotseling bezoedeld. Het was zijn onschuld kwijt. Het feit dat hij het meisje het lot van zijn grootmoeder had bespaard had dat verloren gevoel van onschuld niet teruggebracht. Hij voelde zich onrein, bezoedeld. Hoe ver ging de erfelijkheid? Zijn vader was een zachtmoedige, gevoelige man geweest, maar Jahleel Yarnall, een Vriend die paarden fokte, had hem eens verteld dat karaktereigenschappen steeds een generatie oversloegen alvorens in het nageslacht van een hengst weer tot uiting te komen. Hij had altijd verondersteld dat zijn drijfveren betrouwbaar waren, dat zijn ingevingen en impulsen voortkwamen uit een overgeërfde rechtschapenheid. Nu had hij ineens het akelige gevoel dat hij niet langer op de kleine, stille stem kon vertrouwen die hem in gebed of tijdens de samenkomst soms toefluisterde. Wie zei dat het niet de stem van zijn onbekende grootvader was? De troebele mijmeringen van een bruut?
Er was maar één oplossing: de Bergrede naar de letter na te leven. Hij kon niet langer op zijn intuïtie vertrouwen wanneer het aankwam op het onderscheid maken tussen goed en kwaad.
***
Wie had het overgebriefd? Caleb kon de gedachte niet van zich afzetten: er was ergens een verklikker, en hij mocht niet rusten voor hij die had gevonden, want niets was zo schadelijk voor het gezag van een opzichter als geklets tussen het kwartier en het Huis.
In dit geval moest een nikker het aan Joshua hebben verteld. Zijn eerste opwelling was om de jongen onder druk te zetten en te dwingen op te biechten wie het was; maar al was Joshua dan officieel zijn leerling, over een jaar of wat zou hij de grote Baas zijn. Caleb besloot eerst maar eens Harry de stalslaaf aan de tand te voelen, want hij had zo'n vermoeden dat die het wel zou zijn.
Zodra de stuurse jonge slaaf voor hem stond, wist Caleb dat hij het inderdaad geweest was. Daar stond nou een goed voorbeeld van de sentimentele dwaasheid om een nikkerjong als speelgoed aan de kinderen op het Huis cadeau te geven. Harry was van zijn derde tot zijn veertiende op het Huis als gelijke behandeld; geen wonder dat hij voor de rest van zijn leven bedorven was, en niets anders kon doen dan op wraak zinnen nadat hij plotseling weer in het kwartier terug was gegooid en net als de rest werd behandeld. Caleb nam hem scherp op. Hij stond daar uitdagend: de vuisten op de rug, de dikke lippen smalend, met in zijn uitpuilende ogen de onuitgesproken gedachte: ‘Ik ben slimmer dan jij; vandaag of morgen breek ik uit.’ Typisch een slaaf die op de nominatie stond om te ontsnappen.
‘Heb jij 't Huis verteld dat ik meneer Harris heb gevraagd Cudjo hier naar toe te brengen?’
De jongen gromde iets.
‘Geef antwoord! Heb jij het Huis over Cudjo verteld?’
De jongen schudde zijn hoofd.
‘Als je geen antwoord geeft, zal ik je aan je duimen laten ophangen tot je je bek opendoet.’
‘Als je me aanraakt,’ zei de jongen dreigend, ‘zal ik het aan Becky vertellen.’
Voordat Caleb wist wat hij deed, smakte zijn vuist keihard in die zwarte smoel. Het was jaren geleden dat hij voor het laatst geweld tegen een slaaf had gebruikt; maar wat de jongen zich had laten ontglippen was te veel voor hem geweest. Verpest door jaren van vertroeteling en schijnbare gelijkheid, begeerde die geile aap nu één van de meisjes. Caleb had al zijn zelfbeheersing nodig om het zwarte loeder niet af te ranselen en rot te trappen tot de darmen uit zijn gore negerpens bungelden; met schrik voelde hij wat voor een voldoening hem dat zou geven, die ene klap al had hem een wellustig genot geschonken, een hunkering naar bevrediging in hem opgewekt. Plotseling smakte de deur naar de veranda open en een jonge neger wierp zich aan zijn voeten. ‘Baas, Baas, ik heb het niet gedaan! Laten ze 't niet doen! Alsjeblieft, maak dat ze 't niet doen!’
Het was Cuffee. Zijn gedrag was zo ongehoord dat Caleb een ogenblik met zijn mond vol tanden stond; toen liet de jammerende neger aan zijn voeten een touw zien en smeekte, met gevouwen handen: ‘Alsjeblieft, alsjeblieft, Baas! Red me, red me! Ze willen me afmaken!’
Caleb begreep wat er aan de hand was. Hier mochten vooral geen getuigen bij zijn; zeker Harry niet. ‘Hou je bek!’, blafte hij, en tegen Harry: ‘Ga naar je hut. Blijf daar tot Scipio je komt halen. Ik weet nog niet wat ik met je ga doen, maar dit kan ik je wel alvast zeggen: geen huisdienst meer voor jou; jij gaat 't veld op.’
De jongen gehoorzaamde met kruiperige haast, plotseling van uitdagende opstandeling gedegradeerd tot angstige straathond. Hij had er reden voor; naar het veld teruggeschopt te worden betekende dat iedere kans op maatschappelijke verbetering verkeken was. Zodra de jongen de benen had genomen snauwde Caleb tegen Cuffee: ‘Sta op! Wat is er aan de hand?’
Cuffee fluisterde, bazelend van angst: ‘Ze willen me doodmaken, Baas! Ze willen me doodmaken! Ze hebben dit door mijn raam naar binnen gegooid!’ Hij liet het touw zien.
‘Wat is dat?’
‘Het is van Quash! Het is 't touw van Quash! Ik heb het niet gedaan, Baas, ik zwéér dat ik het niet gedaan heb! Het was een ongeluk, maar dit betekent dat ze mij ervoor aanzien, dat ze me hieraan gaan ophangen!’
‘Doe niet zo gek! Als ze je wilden ophangen hadden ze dat al lang gedaan. Geef op dat touw, en ga terug.’
‘Nee, Baas, nee, Baas, alsjeblieft, alsjeblieft! Ze doen 't vanavond! 't Is vollemaan!’
Vader had dus inderdaad gelijk gehad. ‘Goed,’ zei hij. ‘Wacht op me, op de veranda. Je mag vannacht hier blijven. Niemand zal je ophangen zolang ik in de buurt ben.’
De slaaf greep zijn hand en bedekte die met kussen. ‘O, Baas, Baas!’ snotterde hij. ‘God zegen je, Baas, God zegen je! U bent de beste Quaker op de hele wereld! U...’
‘Genoeg!’ Hij had er nu spijt van; alleen de gedachte al om een nikker in zijn huis te hebben... ‘Eruit!’ Cuffee scharrelde haastig weg.
Caleb zag Scipio op de veranda en riep hem binnen. Toen de drijver de deur achter zich gesloten had, vroeg Caleb: ‘Is dat waar? Zijn ze van plan hem op te hangen?’
Scipio was niet op zijn gemak. ‘Nee, nee, Baas,’ antwoordde hij ontwijkend. ‘Het is de man zelf die zich ophangt. Dat kan niemand anders doen.’
‘Praat geen onzin! Je wilt me toch niet wijsmaken dat Quash zichzelf met een steen voor zijn hersens geslagen heeft?’
Scipio keek steels naar de deur. ‘Als hij de dader is,’ fluisterde hij, ‘gaat hij zichzelf ophangen. Als hij het niet is, zal niemand hem met een vinger aanraken. Hij doet het zélf, als hij schuldig is.’
Door het raam zag Caleb Joshua van zijn paard stijgen. ‘Goed, ik spreek
je straks nog wel. Zorg ervoor dat Harry met niemand van het Huis praat.’
‘Jawel, Baas, jawel!’ antwoordde Scipio opgelucht; hij vloog zo geestdriftig naar de deur dat hij tegen Joshua opbotste. Hij deinsde achteruit om de jongen binnen te laten en verdween toen, met een lenige snelheid die verbazend was voor een man van zijn omvang.
‘Joshua,’ zei Caleb, ‘ik moet eens met jou praten.’
De jongen leek weinig op zijn gemak.
‘Het is me de laatste tijd opgevallen dat Cleo een oogje op jou schijnt te hebben. Moedig jij dat soms aan?’
‘Onzin!’ protesteerde de jongen, met weinig overtuigingskracht.
‘Laat me je eens en voor al vertellen, jonge vriend, dat ronddollen met een nikkerwijf voor iemand van jouw leeftijd en in jouw positie spelen met vuur betekent.’
‘Ik moet zeggen...’
‘Je moet niks zeggen voordat ik uitgesproken ben!’ Dit was niet de toon die men tegen een toekomstige werkgever moest bezigen, maar de jongen liep inderdaad gevaar. ‘Ik kan je talloze voorbeelden noemen van blanke jongens die met een nikkerwijf naar bed zijn gegaan en eraan verslaafd geraakt. Als je er eenmaal mee begint, kun je niet meer ophouden, zelfs al zou je met een fatsoenlijk blank meisje trouwen. Je kunt er niets tegen doen, je hele verdere leven zul je, als je maar even de kans krijgt, naar het kwartier terugsluipen om de een of andere smerige teef. Je zult van jezelf walgen, maar je niet uit die stinkende beerput kunnen verlossen. Je hoeft maar één keer met een slavin naar bed te gaan, en je wordt voor eeuwig in die beerput gezogen.’
De jongen bleef nors naar de grond staan turen.
‘Vooruit,’ zei Caleb. ‘Ga naar de factorij; ze moeten zo langzamerhand aan de tweede lading toe zijn. Pas op dat ze de schoven lossnijden voor ze ze in de kuip kwakken.’
Joshua aarzelde, alsof hij iets wilde zeggen, daarna ging hij weg, opstandig in zijn gehoorzaamheid; de toespraak had kennelijk niet de minste indruk gemaakt. Opeens schenen zoveel problemen hem te belagen dat Caleb naar de kast liep om de fles te voorschijn te halen vanonder het stapeltje ondergoed.
Hij was een te ervaren drinker dan dat hij zichzelf nog voor de gek kon houden met de gedachte: ‘Eentje maar.’ Hij wist dat als hij er eenmaal aan begon hij door zou blijven drinken tot hij erbij neerviel; na een korte weifeling kwam hij tot de slotsom dat dat nog niet eens zo'n gek idee zou zijn. Het zou de problemen niet oplossen, maar ze wel tot hun ware proporties terugbrengen.
Na de eerste slokken kon het hem niet langer schelen wat er met Joshua zou gebeuren, of met Cuffee die buiten in doodsangst zat te wachten om te worden binnengelaten. Het raakte hem niet meer; hij ontwaakte uit de benauwende droom van de opzichter met de gebroken rug als de werkelijke Caleb Martin: toekomstige eigenaar van een kleine plantage op het
vasteland, met maar een stuk of tien slaven, niet meer, voldoende om de zaak rendabel te maken. Opeens kreeg hij een schitterend idee: waarom zou hij al zijn geld op één kaart zetten? Waarom zich beperken tot het kweken van groenten voor de Quaker-prinsen in Philadelphia? Hij kon zich beter een stel goede speurhonden aanschaffen en op ontsnapte slaven gaan jagen. Hij wist al hun vluchtpaden door het woud, hun pleisterplaatsen, hun wachtroep: het tjuiken van de wevervogel. Nóg een bewijs hoe stom ze waren: iedereen wist dat zodra een wevervogel begon aan te slaan hij van geen ophouden meer wist; maar de slaven gaven maar een of twee tjuiken. Ze hadden er geen benul van dat ze net zo goed met een fakkel konden zwaaien. Ha! Twee goede bloedhonden, en het goud lag voor het grijpen.
Hij dronk de fles leeg, en waarom zou hij het bij één fles laten? Nuchter blijven had geen zin; als de arme donder zich wilde ophangen kon niemand hem tegenhouden.
Hij bleef doordrinken tot hij zo ver buiten westen was dat het bonken van trommels in het holst van de nacht nauwelijks tot hem doordrong. Hij mompelde: ‘Kan er niks an doen. Niks. Niemand. Arme sodemieter. Arme Caleb.’
Hij draaide zich om met zijn gezicht naar de muur en viel weer in slaap.
***
Joshua Baker werd wakker door het bonzen van trommels in de verte en liep het balkon op om te kijken. Het was vollemaan; als Peleg Martin hem niet die raadselachtige waarschuwing voor Caleb had meegegeven, zou hij verder niet meer over die trommels hebben nagedacht. Als het vollemaan was, en het weer was goed, vierden de slaven dikwijls feest tot diep in de nacht, met trommels en violen en soms een banjo. Op andere plantages waren trommels verboden, omdat de eigenaars bang waren dat de slaven ze gebruikten om berichten mee te zenden; de meeste Quakers verboden het gebruik van trommels om hun buren van andere gezindten niet te provoceren. Maar op dit afgelegen eiland, zo had zijn vader beslist, konden de negers op hun trommels beuken naar hartelust, zonder iemand te storen.
Dit keer schenen het alleen trommels te zijn; ze bonkten dof en dreigend in de nachtelijke stilte. Wat betekenden ze? Wat had de oude Peleg Martin bedoeld? Josh was dikwijls gewaarschuwd zich nooit na donker naar het kwartier te begeven, niemand deed dat, zelfs Vader niet. Maar het bonzen van de trommels scheen hem onweerstaanbaar aan te trekken, vannacht. Hij zou gemakkelijk onopgemerkt naderbij kunnen sluipen, de slaven zouden het veel te druk hebben met dansen. Hij zou zijn merrie bij de factorij moeten achterlaten ... Voor hij het goed en wel besloten had, was hij al onderweg, op kousevoeten.
Terwijl hij over het maanbelichte erf naar de stallen sloop, hoorde hij, nog voor hij bij haar box kwam, dat zijn paard erg rusteloos was. Het zou dwaasheid zijn om te proberen haar vannacht te berijden, met al die
schaduwen en nachtuilen en hazen die door hen zouden worden opgeschrikt; ook al zou ze niet op hol slaan, ze zou hinniken van jewelste. Het was een eind weg, maar hij moest maar beter lopen.
Toen hij de velden bereikte, verliet hij het karrespoor en volgde een van de smalle paadjes tussen de struiken. De nacht was vol vreemde, lispelende geluiden; schaduwen van struiken leken op ineengedoken gestalten, zó bedrieglijk dat hij soms stil bleef staan, secondenlang, voor hij dichterbij durfde te komen; steeds weer bleek het gezichtsbedrog te zijn geweest. Hij werd steeds banger en dacht erover om terug te gaan, maar het leek wel of de trommels hem beheksten met hun eentonig bonzen: ‘Kom, jongen - kom, jongen - kom, kom -’ Hij verbeeldde zich dat hij hele zinnen begon te onderscheiden terwijl hij langs het smalle pad voortsloop. Toen hij, ten slotte, de rechthoekige zwart-en-witte kubussen van de factorijgebouwen naderde, die spookachtig als een droomlandschap in het maanlicht stonden, klonken de trommels plotseling luider. Hij gluurde tussen twee struiken door en zag een schouwspel dat hem verbijsterde.
In een kegel maanlicht tussen de gebouwen dansten twee naakte gedaanten: een reusachtige negerin beschilderd met witte strepen, en een kleine, zwarte man. Toen het vreemde paar, langzaam draaiend, nader danste herkende hij ze: Mammy en Cuffee. Ze schenen een soort slangedans uit te voeren; Mammy zwaaide met een wit touw boven haar hoofd; ze liet het langs een arm omlaagkronkelen, om haar hals, tussen haar kolossale, deinende borsten, tussen haar dijen, en langs haar rug weer omhoog tot ze het in de andere hand had en er weer mee boven haar hoofd zwaaide. Zij scheen de leidster te zijn; Cuffee volgde haar bewegingen met schichtige sprongen en pirouettes die aanvankelijk doelloos leken, maar allengs een ritueel patroon schenen te volgen dat hem werd opgelegd door de olifant van een vrouw die zich, ondanks haar gigantische omvang, bewoog met lenige gratie. Ze verdwenen achter de muilezelloods en werden op een afstand gevolgd door een menigte waarvan de omvang in het maanlicht moeilijk te schatten was, maar het leek alsof alle slaven aanwezig waren. Vier mannen bonkten met de vlakke hand op de trommels; de rest klapte met hun handen de maat. Ook zij verdwenen achter de loods uit het gezicht.
Toen de laatsten waren verdwenen, waagde Joshua het uit zijn schuilhoek te voorschijn te komen. Hij rende zo snel hij kon over het open stuk naar de loods. Hij was zich er pijnlijk van bewust dat hij in het maanlicht duidelijk zichtbaar moest zijn; toen hij de schaduw van de loods bereikte was hij buiten adem. Hij stond met zijn rug tegen de muur gedrukt uit te hijgen, luisterend, zenuwachtig om zich heen kijkend.
Niets bewoog. De muilezels stommelden aan de andere kant van de houten wand; de trommels bonkten eentonig achter de donkere loods. Het was gevaarlijk, maar hij moest zien wat er gebeurde. Behoedzaam kroop hij langs de muur naar de hoek, vanwaar hij het erf zou kunnen zien. Zijn hart klopte in zijn keel; hij had er geen idee van wat ze met hem zouden doen, maar de gedachte om ontdekt te worden was angstaanjagend. De negers, die
hij altijd als meegaand en kinderlijk had beschouwd, waren kennelijk heel anders. Dit was geen onschuldig feest van onderdanige zwartjes; hij had ze betrapt op een of andere heidense rite die niets kinderlijks had. Toen hij de hoek naderde, weifelde hij. De trommels schenen luider te daveren, een oorverdovende donder.
Hij bleef staan, nu echt bang; maar hij werd onweerstaanbaar aangetrokken door het wilde, woeste geluid. Hij moest zien wat ze daar uitspookten, hij moest. Hij hief zijn voet op, trapte tegen iets zachts, en plotseling ontplofte het met een gonzend geluid en een walgelijke stank. Een ogenblik stond hij op het punt er vandoor te gaan; toen herkende hij de stank en begreep dat hij tegen een hoop pulp had geschopt en een zwerm vliegen opgejaagd. Het moesten er duizenden zijn; het nijdige gezoem gonsde oorverdovend om hem heen, het overstemde het bonken van de trommels.
Toen het, geleidelijk aan, weer stil werd drong het tot hem door dat er iets veranderd was. Hij stond met bonzend hart tegen de muur gedrukt, voor hij besefte wat er veranderd was: de trommels bonkten niet meer. Het was doodstil, alsof de nacht de adem inhield.
Kom nou, zei hij tegen zichzelf, het is gewoon maar een stelletje nikkers! Laat je niet bang maken door hun bokkesprongen, ze zouden het hart niet hebben je iets te doen! Ze zullen wel wijzer wezen dan de zoon des huizes aan te vallen, ook al zijn ze stomdronken! Maar het hielp niet, want hij was niet bang van de nikkers; het leek of hij bang was van iets veel groters, de wildernis, de rivier, de nacht. Hij gluurde om de hoek.
Hij zag Cuffee op de rand van de kuip met het scheprad staan. Hij wrong zich in rare bochten; nu was hij het die met de witte slang zwaaide. De zwarte gedaante van Mammy stond, alleen in het midden van de menigte, aan de voet van de kuip, haar armen uitgestrekt naar de kronkelende Cuffee in het maanlicht boven haar. Het was zo'n fascinerend tafereel dat Joshua zijn waakzaamheid verloor; toen besprong iemand hem uit het donker en smeet hem tegen de grond.
De volgende seconden waren een verstikkende paniek van doodsangst; hij vocht als een beest, maar zijn aanvaller was sterker. Hij zakte overweldigd ineen, en voelde hoe zijn krachten hem verlieten. Het eerste waar hij zich van bewust werd was het gezoem van duizenden vliegen. Toen drong het tot hem door dat het lichaam dat hem tegen de grond gedrukt hield erg licht was. Het was niet Scipio, of een andere neger, het was een kind, of een vrouw. Door de paniek van de worsteling was hij niet in staat geweest het in zich op te nemen; nu besefte hij dat het een vrouw was, een naakte vrouw, glad van het zweet, die schrijlings boven op hem zat. Haar handen drukten zijn polsen tegen de grond, haar dijen hielden de zijne in een klemmende greep. Plotseling boog ze zich over hem heen, en een hete, hongerige mond vond de zijne. Het was Cleo.
De herkenning gaf hem zijn kracht terug. Hij worstelde uit alle macht terwijl de hete mond zijn adem smoorde en een tastende tong de zijne zocht; maar hij werd verraden door een rare, huilerige zwakte in hemzelf.
Alsof zij zijn overgave voelde, stond ze ineens op en trok hem met verrassende kracht aan zijn polsen overeind. Hij wilde zich verzetten, maar zijn lichaam gehoorzaamde niet langer. Ze siste: ‘Ssst!’ en trok hem mee, het maanlicht in.
Ze struikelden over het open erf naar de bosjes. In de schaduw tussen de indigostruiken viel hij neer, met een geritsel van bladeren en een gekraak van brekende twijgen. Hij keek op en zag haar wijdbeens boven zich staan tussen de sterren. Haar schouders en haar borsten, nat van zweet, blonken in het maanlicht.
***
Beula Baker werd langzaam wakker uit een afschuwelijke nachtmerrie over oorlog. Soldaten vielen met een schreeuw van pijn; jammerende vrouwen wiegden de lichamen van hun doden; een kind werd gebaard in de ruïnes van een huis, een groep soldaten stond met open mond ernaar te kijken. Eindelijk was ze helemaal wakker, ten prooi aan een gevoel van doem en rampspoed. Ze kon niet in bed blijven liggen in die benauwde kamer; ze moest opstaan. Toen ontdekte ze pas dat haar man niet naast haar lag. Misschien kwam het door die droom, maar opeens had ze een vreselijk voorgevoel: er was iets gebeurd, hij had een ongeluk gehad!
Haastig trok ze haar ochtendjapon aan, liep het balkon op en zag licht uit zijn studeerkamer komen. De deuren stonden open, met een diep gevoel van opluchting vond ze hem lezend in zijn stoel. ‘Bonny? Kom je niet naar bed?’
Hij keek op alsof hij uit een diepe slaap werd gewekt en riep: ‘O - o, ja, ik kom dadelijk. Hoe laat is het?’
‘Ik heb geen idee. Het moet na middernacht zijn. Wat heb je al die tijd zitten lezen?’ Ze herkende de dagboeken; om de een of andere reden bracht dat haar gevoel van onheil weer terug.
Hij begon te praten, maar zij kon niet horen wat hij zei. Toen plotseling, hoorde zij iets, iets heimelijks.
‘Stil!’ Ze hief haar hand op en luisterde gespannen.
‘Wat is er?’
‘Ssst!’ Ondanks haar doofheid had ze het gehoord, een ritselend geluid in de boom, als van een dier. ‘Er is iets in de boom...’ Plotseling bang om haar kinderen die met hun deuren wijd open sliepen, holde ze het balkon op, net op tijd om een schim van de balustrade te zien springen en in Joshua's kamer verdwijnen. ‘Bonny! Gauw! Ik zag iemand de kamer van Josh binnensluipen!’
Hij voegde zich bij haar op het balkon. ‘Wat?’
‘Een man! Hij is daarbinnen...’
Met een rustige moed die haar verbaasde liep hij langs het balkon naar de deuren waardoor ze de indringer had zien verdwijnen; bezorgd voor zijn veiligheid liep ze mee. Samen bereikten ze de kamer, en troffen daar Joshua
zelf aan, bezig zich bij het licht van een kaars uit te kleden.
Opgelucht vroeg ze, op boze toon: ‘Wat betekent dat? Wegsluipen in het holst van de nacht? Waar ben je geweest?’
Haar man kalmeerde haar. ‘Was jij het die daarnet over de balustrade kwam klimmen, Joshua?’
‘Dat zal wel.’ De stem van de jongen klonk stuurs, hij zag er schuldig uit, zoals altijd wanneer hij iets had uitgespookt. Ze rook een vreemde, muskusachtige geur. Waar had hij gezeten?
‘Verklaar je nader, Joshua,’ zei haar man streng.
De jongen haalde zijn schouders op. ‘Ik hoorde trommels en ik vond dat ik, als assistent-opzichter, eens moest gaan kijken wat er eigenlijk aan de hand was.’
‘En wat wás er dan wel aan de hand?’
‘Niks. Ze waren alleen maar zo'n beetje aan 't ronddansen in het licht van de maan, meer niet.’
De boosheid van haar man was verdwenen. ‘Nou, doe dat niet wéér. Je weet best dat je na donker niet naar het kwartier mag gaan.’ Hij legde zijn hand op Beula's arm. ‘Kom, lieve. Welterusten, Josh.’
‘Truste, Moeder, Vader.’
‘Slaap lekker, m'n jongen,’ zei ze. Maar ze wist: hij had iets slechts gedaan. Zijn eigen moeder kon hij niets wijsmaken. Wat was die geur? Het leek een bekende lucht, maar ze kon ze niet thuisbrengen. Misschien wist Bonny het. Toen ze bij de deur van hun slaapkamer kwamen, verwachtte ze dat hij mee naar binnen zou gaan, maar hij zei: ‘Laat me eerst even die schriften in mijn studeerkamer opbergen.’
‘Wat heeft hij uitgehaald, Bonny? Hij deed erg schuldig, vond ik.’
Hij bracht zijn mond aan haar oor. ‘Stil nou! Alles is in orde! Heus! Kom, ga naar bed!’
Ze kon zijn gezicht niet duidelijk onderscheiden in het maanlicht, maar zij voelde dat hij er meer over wist dan hij los wilde laten. Opnieuw kreeg ze dat gevoel van onheil; weer zag ze de stervende soldaten, schreeuwend van pijn, het brandende huis, het kind dat als een hond geboren werd voor de ogen van die starende mannen, bedekt met modder en bloed. ‘Ik geloof,’ zei ze, ‘dat je hem bij Abe Woodhouse in de leer zou moeten doen of bij Obadja Best. Hij is te jong en te zachtaardig om slavendrijver te zijn.’
‘Stil nou, liefste!’ riep hij haar in het oor. ‘Dit is niet het geschikte moment om erover te praten! Ga naar bed! Ik kom zó!’
Ze begreep eruit dat ze weer eens had staan schreeuwen, en ze voelde zich plotseling vermoeid en verslagen.
Hij ging terug naar zijn studeerkamer, zij naar bed. Ze overwoog of zij wat Daffy's Elixer zou nemen om haar zenuwen te kalmeren, maar het was de moeite niet meer, over een paar uur zou het ochtend zijn.
Ze lag een tijdje naar het levenloze licht van de maan op de balustrade van het balkon te staren; ten slotte viel ze in een onrustig hazeslaapje en schrok wakker door kreten buiten. Ze ging het balkon op en zag Mammy
beneden staan, spookachtig in een witte nachtjapon, in de ochtendmist die roze was gekleurd door de opgaande zon. ‘Massa! Massa, kom, Massa! Cuffee heeft zich opgehangen!’
Het bericht schokte haar, maar gaf haar tevens een groot gevoel van opluchting. Dát moest het voorgevoel zijn geweest dat haar de hele nacht bedrukt had: een slaaf, die zich ophing. Ze holde naar de slaapkamer terug. ‘Bonny! Kom gauw! Cuffee heeft zelfmoord gepleegd!’
Hij zat rechtovereind, zijn slaapmuts scheef, zijn gezicht oud en afgetobd. Opeens had ze het gevoel dat hij het had zien aankomen.
***
Het lijk was een gruwelijke pop die met gerekte nek en paarse, uitgestoken tong aan de balk boven het scheprad hing. Toen Joshua het zag, werd hem duidelijk wat er met hem gebeurd was. Hij had zich aan illusies overgegeven, jongensachtige dromen van huwelijk en liefde en tederheid. In gedachten had hij een huifkar gekocht, een ploeg, zaad, ossen, en was met Cleo de wildernis ingetrokken om in de prairie over de bergen een nieuw leven te beginnen. Hij had wakker gelegen met gloeiende ogen, nog dronken van het delirium van de vruchtbaarheidsritus waarbij hij, worstelend met een hijgend, kreunend wezen, half dier, half vrouw, in een woeste omhelzing vol razernij en tederheid de volle kracht van zijn mannelijkheid voor het eerst had voelen ontwaken. Hij had een vrouw bezeten, hij was een man! Maar hij was meer: een pionier, een baanbreker; hij zou eens laten zien dat negers menselijk waren, dat Cleo het goddelijke in zich had, net als hij, dat ze even uniek en onvervangbaar was als individu, en niet alleen maar een lastdier of een stuk vee.
Maar één blik op de gruwelijke pop met die monsterachtige paarse tong en hij wist dat ze zich niet op hem geworpen had omdat ze zich niet langer kon beheersen, maar om te voorkomen dat hij getuige zou worden van een moord.
Toen hij eenmaal over de eerste schok heen was, werd hij overweldigd door de woeste drang om zich te wreken, haar te behandelen voor wat ze was: een vuile hoer, een geil dier met de duivelse macht hem tot wellust op te zwepen, een zielloos vrouwenlijf dat hij kon bezitten wanneer het hem lustte en in een hoek trappen zodra hij er genoeg van had. Hij zou niet rusten voor ze krimpend aan zijn voeten lag, voor hij haar had laten zien wie hier de baas was, haar aan den lijve had getoond wat er met nikkerwijven gebeurde die het waagden hun eigenaar bij de neus te nemen en voor gek te zetten.
Hij ging Caleb opzoeken en vond hem op zijn slaapbank, in zijn huisje, een lege fles op de vloer naast zich. Het was de eerste keer dat hij hem echt dronken zag; gisteren zou hij nog doodsbang zijn geweest, nu keek hij met minachting op de jammerlijke zwakkeling neer.
Hij begon de dronken Caleb te vertellen dat hij Cleo werk in het Huis
moest opdragen; opeens rees de man, op zijn ellebogen, uit zijn versuffing overeind. ‘Nooit!’ riep hij schor. ‘Nooit van z'n leven! Die teef komt niet in het Huis! Versta je me? Jou die zwarte hoer laten opzitten bij je moeder thuis? Nooit! Je zusters, je moeder! Grote God!’ Hij sloeg zich kletsend tegen zijn voorhoofd en viel achterover alsof hij door zijn eigen hand was geveld. Met gesloten ogen kreunde hij, dronken: ‘Nooit! Nooit! Je zusters! Dat niet!’
‘Vriend,’ zei Joshua, met een kalm overwicht dat hem zelf verbijsterde, ‘óf je deelt Cleo bij de huisploeg in, óf ik ga mijn vader vertellen dat Cuffee geen zelfmoord heeft gepleegd maar vermoord is, dat Quash óók vermoord is, net als Hannibal en Pompey.’
Caleb sloeg zijn handen voor zijn ogen en schudde zijn hoofd in beschonken ellende: ‘Ga je gang! Vertel 't 'm maar! Maar jou die hoer, bij je zusters thuis ... Nooit! God zal me bewaren! Nooit! Versta je me?!’
Josh bleef er ijskoud onder. Hij leek een ander mens, gedurende die woeste inwijdingsnacht geschapen. ‘Ik ga hem bovendien nog vertellen dat je de slaven mishandelt.’
‘Ik?!’
Dat had blijkbaar resultaat. Het was een schot op goed geluk geweest; op weg naar het kwartier had hij Harry gezien, die eruitzag als een geslagen hond. Dus het was waar! Natuurlijk was er heimelijke mishandeling, ook op Quaker-plantages! Quaker-opzichters moesten hun opstandige slaven net zo goed in toom houden als ieder ander, alleen hadden ze er wroeging over, werden ze er menselijke wrakken onder, zoals deze zuiplap. Wat een vooruitzicht! Niets voor hem! ‘Kom,’ zei hij. ‘Kom tot jezelf. Luister goed: je stuurt die Cleo naar het Huis en ik hou mijn mond. Laten we dat afspreken.’
‘Maar hoe kom je erbij?’ vroeg Caleb, zwak en wanhopig. ‘Wat bezielt je? Wat wil je van me?’
‘Ik wil háár,’ antwoordde hij koel. ‘Wanneer ik ook maar zin in haar heb.’
‘O God, o God,’ kreunde Caleb, zijn handen weer op zijn gezicht. ‘God, wat heb ik gedaan?’
De woorden maakten Joshua opeens wild van drift. ‘Misselijke lafbek!’ riep hij. ‘Kom je nest uit! Er hangt een dooie boven de kuip, er moet een begrafenis geregeld worden! Sta op, klootzak, doe je werk, in plaats van mij de les te lezen! Ik heb niks met jou te maken! Het is mijn leven, mijn negerwijf! Sta op, lammeling!’ Hij trapte tegen de slaapbank. ‘Sta op, zeg ik!’
Ondanks zijn pasverworven zelfverzekerdheid zag hij tot zijn verbazing dat Caleb Martin inderdaad zijn benen uit bed zwaaide. ‘Alsjeblieft, Josh,’ kreunde hij. ‘Geef me alsjeblieft mijn harnas...’
Josh hoorde zichzelf tot zijn verbijstering antwoorden: ‘Pak het zelf, lamzak! Denk niet dat ik je voortaan nog verder vertroetel! Zoek maar een andere schoothond!’
Hij stapte als een man de deur uit, maar toch voelde hij een begin van paniek. Hij was zich er niet van bewust geweest, maar in zijn hart had hij erop gerekend dat Caleb hem de baas zou blijven.
Maar dat was kinderpraat! Nu Caleb niet meer meetelde, moest hij zelf het gezag in handen nemen. Het was nu aan hem om orde te scheppen in de wemelende chaos van verwilderde slaven, die rondliepen in het kwartier met gekrijs, gejammer, geweeklaag, tweehonderd sluwe beesten die hun kans schoon zagen om een dag te spijbelen. Nu, hij zou ze mores leren! Hij zou hun eens laten zien wie hier de baas was!
Met een nieuwverworven gezag dat hen evenzeer overdonderde als hemzelf en dat geen weigering duldde, stuurde hij hen terug naar het veld. Hij riep Scipio, beval hem de sikkelaars in looppas aan het werk te zetten en ervoor te zorgen dat de verloren uren ingehaald werden voordat ze die avond naar huis mochten gaan. Hij droeg twee oude slaven, die doorgaans de hele dag voor hun hut zaten te knikkebollen, op het lijk af te nemen, op een kar te leggen en naar het lazaret te brengen. ‘Vlug, vlug!’
Ze gehoorzaamden jichtig; toen hij hen op hun bleke platvoeten naar de factorij zag strompelen viel het hem in dat ze misschien te zwak waren om de muilezels te hanteren; het gaf hem een duivelse voldoening Harry te bevelen hen te helpen. Harry gehoorzaamde gedwee, net als Caleb, zonder een blik van verwijt.
Toen het erf ontruimd was, liep Joshua door de nu verlaten straat naar het opzichtershuisje. De oude vrouwen en de kinderen waren naar binnen gevlucht; hij wist dat ze door de kieren naar hem gluurden, angstig, verbaasd. Dit was de enige manier om de inboorlingen die hij de vorige avond had gadegeslagen aan zich te onderwerpen. Liefde, respect voor hun onsterfelijke zielen, menselijke behandeling zouden hen nooit kunnen onderwerpen, ze waren een andere diersoort die niets menselijks had en die nooit werkelijk getemd zou kunnen worden. Het enige dat ze begrepen was geweld. ‘Doe wat ik zeg of ik ransel je dood.’ Dat was het geheim: de wetenschap dat hij de macht had om als eerste te doden. Loop dus nooit ongewapend, wees altijd op je hoede, vertrouw ze geen seconde. Cleo had hem besprongen, volkomen overrompeld, nadat ze hem moest hebben gadegeslagen vanaf het ogenblik dat hij het Huis verliet. Ze moesten dat al die jaren hebben gedaan: iedere beweging van de mensen in het Huis bespieden, wachtend op een kans om ze te bespringen. Ze had hem een les geleerd die hij nooit zou vergeten.
Caleb was nog steeds in de hut. Hij zat nu aan de tafel, zijn hoofd in zijn handen; toen hij opkeek waren zijn ogen bloeddoorlopen en troebel.
‘En?’ vroeg Joshua. ‘Wat zeggen we?’
Caleb schraapte zijn keel en sloeg zijn ogen neer. ‘Ik kan het niet, Joshua, ik kan het niet! Ik kan het je zusters niet aandoen, je ouders niet, jou zelf niet!’
‘Goed,’ zei hij, met opeens weer die heimelijke hoop dat Caleb hem uiteindelijk toch de baas zou blijven. ‘Ik ga nu naar het Huis en zal je bij
mijn vader aanklagen wegens mishandeling en misleiding. Goeiedag.’
Caleb hield het uit tot hij bij de deur was. ‘Nee, nee!’ riep hij toen. ‘Ik heb erover nagedacht! Ik - ik zal je vanavond mijn huis, mijn bed geven, wanneer ik naar de samenkomst ga. Ik zal tegen je ouders zeggen dat we afgesproken hebben dat jij in mijn afwezigheid een oogje op de negers zal houden. Maar in Godsnaam, haal die hoer niet in huis! In Godsnaam, jongen! Ik sméék 't je!’
Met intense walging, omdat Caleb hem opnieuw in de steek had gelaten, antwoordde Joshua: ‘Goed, afgesproken, voorlopig tenminste. En doe geen moeite om mijn ouders iets uit te leggen. Het gaat je niks aan.’ Terwijl hij naar de deur liep zag hij dat Caleb zich in zijn harnas probeerde te worstelen. Hij wist dat de arme donder hulpeloos was tenzij iemand hem hielp, maar zijn pasverworven macht was nog te onzeker, hij durfde die nog niet door een daad van vriendelijkheid op de proef te stellen. Hij zei: ‘Doe maar kalm aan. Wat mij betreft kan je weer naar bed gaan om je roes uit te slapen.’ Hij trok de deur achter zich dicht.
Hij koesterde de heimelijke hoop dat zijn vader hem niet zou laten gaan, maar toen hij vertelde dat hij tijdens de samenkomst voortaan in het kwartier zou blijven, om een oogje op de slaven te houden, werd het zonder protest aanvaard. Zijn vader scheen het lofwaardig te vinden dat hij zich van geestelijke voeding onthield om zich aan zijn plicht te wijden. Zijn moeder leek bijna opgelucht; Becky keerde weer naar haar eigen besognes terug; Abby, die normaal gesproken zou hebben moeten popelen om alle griezelige details te horen, scheen zich niet veel aan te trekken van het feit dat een slaaf zich in de pletkuip had opgehangen.
Toen Josh te paard in het kwartier terugkeerde hield iedereen zich schuil. Hij reed door de verlaten straat tussen de hutten naar het huisje van de opzichter. Caleb was weg; Josh vond hem op het veld. Alle slaven waren aan het werk; het scheen hem toe dat er, zodra hij zich liet zien, opvallend harder werd gewerkt. Hij zag Cleo aan de rand van het vierde veld gehurkt naast haar wateremmer zitten. Ze keek onverschillig naar hem op toen hij zijn paard bij haar stilhield. ‘Ik wil je na de bel in het opzichtershuis zien,’ zei hij. ‘Maak dat je op tijd bent of ik trap je in je darmen,’ Hij meende een blik van schrik in haar ogen te zien, maar zij grijnsde uitdagend. ‘Goed hoor,’ zei ze, als tegen een kind. ‘Ik kom hoor, Josh.’
Ze had hem nog nooit eerder bij zijn naam genoemd. Geen enkele nikker had dat ooit gedurfd, behalve Harry. Hij wist dat hij haar nu zou moeten slaan, op haar inrijden, die emmer omverschoppen, maar hij liet zijn paard met een ruk zwenken en galoppeerde weg.
Die avond was hij klaar om haar mores te leren. Hij zat een half uur voor de bel ging al op haar te wachten. Hij kon de slaven buiten horen die zich schichtig voortrepten; ze wisten kennelijk dat hij binnen zat te luisteren. De bel klonk eindelijk; bij de tweede klep ging de deur open.
Hij had alles in gedachten zorgvuldig uitgestippeld. Hij zou beginnen met die brutale grijns van haar bek te slaan. Ze deed de deur achter zich dicht
en leunde ertegen, plotseling liet ze met een snelle schouderbeweging haar jurk op de vloer vallen.
‘Kom hier, teef,’ zei hij.
Ze kwam, lenig, met het zelfvertrouwen van een omgetemd dier. Haar geur wekte een wilde begeerte in hem op. ‘Je hebt me belazerd,’ zei hij, met een trilling in zijn stem. ‘Je hebt me gisteravond alleen maar gezoend om ervoor te zorgen dat ik niet zou zien dat Cuffee werd opgehangen.’
Ze maakte een zacht geluid dat hij nog nooit eerder gehoord had en dat hij niet begreep. Het had geen zin om te proberen het te bevatten; het was het geluid van een andere diersoort. Trouwens, haar gevoelens interesseerden hem niet; het enige dat hem interesseerde was haar lichaam. Maar eerst moest ze getemd worden.
‘Ik zal jou 's laten zien wat er gebeurt met brutale loeders zoals jij,’ zei hij, en met alle kracht die hij kon opbrengen sloeg hij haar met de vuist in het gezicht.
Ze slaakte een kreet en smakte tegen de grond. Daar bleef ze krimpend van pijn liggen. Hij stond, geschokt, op haar neer te kijken. Hij had haar harder geraakt dan hij bedoeld had. Maar wat hem schokte was de wilde opwinding die de klap in hem ontketend had.
Ze hield op met kreunen, draaide zich op haar rug, lonkte met een verwrongen grijns wellustig naar hem op, strekte haar armen naar hem uit en fluisterde: ‘Joshua, sterke Joshua. O, sterke man! Kom! Kom...’ En zij spreidde haar dijen.
Alles wat goed en rein en rechtschapen in hem was dwong hem te vluchten, zo snel hij maar kon, terug naar huis. Maar de begeerte was sterker.
***
Caleb Martin zat in de kring van de familie, in de zitkamer van het Huis in samenkomst vergaderd.
Gewoonlijk putte hij altijd enige rust of vertroosting uit de samenkomst, maar vanavond niet. Hij was wanhopig over de ramp die hij niet had kunnen voorkomen omdat hij er te zwak, te slap voor was geweest. Op dit zelfde ogenblik, terwijl ze hier in vrome stilte bijeenzaten, was de zoon des huizes bezig ontucht te plegen met een negerin, een daad van brute wellust die het web van genegenheid en liefde dat ze in de loop der jaren tussen elkaar hadden geweven aan flarden scheurde. En het was allemaal zijn schuld, hij had sterker moeten zijn, de jongen in toom houden, maar hij was, zoals iedereen hier, door Gods raadselachtig bestel gebonden aan de beperkingen van zijn aard en karakter. Iedereen in deze kamer was zwak, zondig, maar dank zij een gemeenschappelijke genade die hun geschonken was, waren ze ondanks hun individuele tekortkomingen gezegend met een gezamenlijke kracht, het geheim van iedere Vergadering, of die nu bestond uit de leden van een gemeente of van één enkel gezin, zolang ze
maar dagelijks tot de Tegenwoordigheid terugkeerden. In de stilte van de donker wordende kamer bad Caleb, met hart en ziel, dat God hen deze gezamenlijke kracht zou doen aanwenden om Joshua te redden. Alleen die kracht zou hem nu nog kunnen redden, want Cleo zou niet rusten voor ze zwanger was. Hij had nooit kunnen dromen dat hier op Eden, zoals op zoveel andere plantages, ooit een eigenaar zijn eigen nakomelingen als slaven zou moeten verkopen. Maar zover zou het natuurlijk niet komen; de Quaker-beginselen zouden de familie dwingen het kind tot zich te nemen. En wat dan?
De eerste van de onschuldigen was gevallen. Hij vroeg zich af wie de volgende zou zijn. Abby? Rebekka? De woede die deze gedachte in hem opwekte maakte zijn knokkels wit. Hij bad, wanhopig: ‘Red me, God! Red me, red me, lieve, lieve God! Red ons allemaal...’
Plotseling hoorde hij Bonny Bakers stem. De kleine man was opgestaan en had zijn hoed afgenomen, hetgeen betekende dat hij zich tot God richtte. ‘Hemelse Vader! Een man, een neger, heeft op ons eiland vannacht de hand aan zichzelf geslagen. Aangezien er geen musje valt, tenzij zo door U beschikt, aangezien Gij de haren op het hoofd van al Uw kinderen telt, moet er in dit droevige sterfgeval voor ons een verborgen bedoeling te bespeuren zijn. Kan het zijn, Vader, dat we in dit huis van de rechte weg zijn afgedwaald? Kan het zijn dat we ons met méér vuur moeten wijden aan de prediking van Uw evangelie onder hen die in duisternis en onwetendheid leven? Kan het zijn dat wij allen, ieder afzonderlijk, tot onszelf moeten inkeren, ons geweten doorvorsen, ons bewust worden in hoeverre en in welke mate wij verantwoordelijk zijn voor Cuffees wanhoopsdaad?’
De stem, plechtig en zalvend, zeurde voort; voor Caleb begonnen de woorden hun zin te verliezen. Natuurlijk waren ze allemaal verantwoordelijk; wat Cuffee omgebracht had, en ook de anderen vóór hem, was de slavernij. Er viel niet aan te ontkomen: of ze hielden slaven en hadden er vrede mee, ofwel ze maakten ze vrij, zoals de plattelands-Vrienden in de Philadelphiase Jaarvergadering sinds 1688 de Quakers ieder jaar opnieuw hadden aangespoord te doen. Maar vrijlating van de slaven zou het probleem niet oplossen; want wat hadden ze voor middelen van bestaan? Volgens de wet werden negers zonder middelen van bestaan opgepakt en door de Anglicaanse Kerk bij opbod verkocht voor liefdadige doeleinden. Het zou het toppunt van wreedheid zijn hun de vrijheid te geven, alleen maar om ze een maand later in handen te laten vallen van een andere eigenaar, ditmaal niet een Quaker, die hen waarschijnlijk nog slechter zou behandelen. Het probleem van de slavernij was onoplosbaar, net als dat van de oorlog. Iedere Quaker had de mond vol van het vredesbeginsel en het beginsel van geweldloosheid, maar stel eens dat hun eigen huizen werden aangevallen, hun vrouwen verkracht, hun kinderen afgeslacht? Zouden ze dat lijdelijk aanzien? Tijdens de Indiaanse Oorlog in Nieuw-Engeland waren de Quakers van Rhode Island voor de keus geplaatst te doden of gedood te
worden, en ze waren, ondanks de Beginselen, in oorlog geraakt. Waren sommige oorlogen soms noodzakelijk? Jezus had zelf gezegd: ‘Meent niet dat ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.’
Er was geen redelijke oplossing; zeker niet die welke de zalvende stem, door zichzelf bekoord, zangerig aanprees: ‘Liefde, vriendelijkheid, het goddelijke in ieder mens...’ Woorden, woorden. Hun enige hoop was een verlossende daad; dit vrome aanroepen van Gods tegenwoordigheid haalde niets meer uit. Door Joshua's val waren zij allen farizeeërs geworden die holle woorden spraken. Want plotseling drong het tot Caleb door: de Tegenwoordigheid in hun midden had zich teruggetrokken. De kring was leeg, het levende middelpunt van de cirkel van hun samenkomst was verdwenen.