Tegen zonsopgang, toen hij de heuvels aan de voet van het Allegheny Gebergte bereikte, begon George McHair moe te worden. En geen wonder, hij had zonder rusten te paard gezeten sinds de veerpont van Eden hem de vorige avond aan land had gezet.
De mens is een vreemd wezen: een week terug, op weg naar het eiland, was hij zo sterk aangetrokken geweest door de bewoonde wereld dat hij zich ook toen geen slaap had gegund; nu snakte hij ernaar om de bewoonde wereld achter zich te laten. Er was op den duur toch geen beter leven dan dat van een woudloper; hij begon pas weer tot zich zelf te komen toen hij het laatste kleine Duitse boerderijtje achter zich had gelaten en het oerwoud bereikte. Het bos, zijn thuis, was nog altijd een ongerept paradijs. Op de open plekken graasden de herten bij honderden, ook in de winter, hun afgeworpen geweien lagen zo dik in het struikgewas dat het er een wittig aanzien van had gekregen. Beren en panters zwierven in de donkere spelonken van het ondoordringbare geboomte; bevers damden de beekjes af; korhoenders roffelden op de holle stammen van gevallen woudreuzen. Hij kon er het heerlijkste wildbraad eten wanneer hij maar wilde, moten zalm, of dikke forel, in ieder jaargetijde kon hij zich overdadig voeden zonder moeite.
Zodra hij het bos binnenreed viel de moeheid van hem af. Nadat hij Betsy onder een kastanjeboom had laten rusten en ontbeten had met wilde bessen en een forelletje uit de beek, op een takkenvuurtje geroosterd, steeg hij weer te paard en reed gestadig door tot hij de eerste krolse schreeuw van een luipaard hoorde. Hij moest nu maar afstappen, zijn ogen brandden; Betsy was bekaf. Hij wist een open plek vlak bij, waar een rij beverdammen de bedding van een beek over een mijl lengte veranderd hadden in een drassige weide; daar zou hij overnachten. Als hij bij het eerste daglicht weer op weg ging kon hij voor donker thuis zijn. Hij steeg af om wat hertsmunt en schapekervel te plukken; bij de bron op de open plek kon hij tuinkers en wilde mierikswortel vinden om het gebraad te kruiden dat hij nog schieten moest.
Maar toen hij op de open plek kwam ontdekte hij dat hij eigenlijk geen honger had; misschien kwam dat omdat hij te veel piekerde. Hij was er niet in geslaagd een bruid mee te brengen; er was dus niets veranderd in de huiselijke omstandigheden die hem een week geleden de benen hadden doen nemen. Natuurlijk waren het niet de huiselijke omstandigheden; het was zijn eigen domme, dierlijke begeerte. Als Himsha zijn zuster niet was zou hij
zich geen betere, liefdevollere vrouw kunnen wensen. Dat was de ellende; niet zijn instinctieve drift, die had hij gemeen met alle mannetjesdieren die de volwassenheid bereikten, maar dat Himsha nu uitgerekend zijn zuster moest zijn. Of kon het zijn...? Als hij op dat punt nu maar zekerheid had kunnen krijgen! Als er niets anders op zat moest hij inderdaad Oom Bonny's raad maar opvolgen en zijn vader trachten te achterhalen om het hem op de man af te vragen.
Het begon te motregenen, meer avonddauw dan regen. Hij doolde rusteloos door de vallende schemering met zijn musket, maar hij was met zijn hoofd niet bij het jagen. Hij kon met de beste wil van de wereld het beeld van Himsha niet uit zijn gedachten verdrijven die hij, tot zijn schande, de laatste tijd was gaan begluren terwijl ze zich uitkleedde. Hij was, vlak voor hij wegging, zelfs zo stapelgek geworden dat hij haar klerenkast had opengemaakt om de geur van haar ondergoed op te snuiven. Nog nooit in zijn leven was hij zo in de war geweest; kón ze eigenlijk wel zijn zuster zijn als zij deze wilde begeerte in hem opwekte? Misschien had Vader haar inderdaad meer levend dan dood uit een afgebrand Shawnee-dorp gered, na een moordpartij door de Schotse puriteinen. Maar in zijn hart wist hij dat dat niet zo was, en dat maakte zijn begeerte voor haar tot een zonde, die hij niet verhelpen kon, niettegenstaande zijn wil, zijn fatsoen, zijn oprechte verlangen een goede Quaker te zijn, een goede broer, een rechtschapen mens.
Omdat hij toch geen honger had, en niets had geschoten, maakte hij geen vuur. De grondmist reikte tot aan zijn heupen toen hij op de open plek terugkeerde; Betsy scheen, zonder benen, op een platte grijze wolk te drijven. Hij roskamde haar, gaf haar een klap op de flank om haar te vertellen dat ze kon gaan grazen. Het was niet nodig om haar vast te leggen, ze kwam altijd tegen het aanbreken van de dag weer terug, hoe ver ze gedurende de nacht ook mocht zijn afgedwaald; en als ze lucht van een roofdier kreeg zou ze terug komen draven om zijn bescherming te zoeken, net als een hond. De bron murmelde in de stilte, luider dan gewoonlijk vanwege de mist.
Natuurlijk was het pure waanzin geweest om de hand van Becky te vragen, en daarna die van Abby. En ook al had hij het niet vanwege Himsha gedaan, het hele idee om met Becky te trouwen was onzinnig. Hij kon niet zonder de vrijheid van het woud, waar een man die bereid was net als de dieren te leven een goed bestaan kon vinden zolang hij de vrede met de Indianen maar bewaarde en 's nachts nooit zo vast sliep dat een roofdier hem kon besluipen. Het was het enige bestaan dat hij kende; het enige meisje dat in dat bestaan zou passen, omdat ze óók nooit anders gekend had, was Himsha. Hij kroop onder zijn paardedeken, huiverend omdat de kilte van de doorweekte grond door zijn onpraktische pronkkleren heendrong. Hij had die alleen maar aangetrokken omdat hij op vrijersvoeten ging; in het woud was dit zeemleren pak waardeloos, de beste manier om kou te vatten. En een verkouden jager was net een wilde gans in de rui: een
belachelijke, kale vogel, hulpeloos rondfladderend met zo'n hels kabaal dat hij zijn aanwezigheid mijlenver bekendmaakte, een ware etensbel voor boswolf en luipaard.
Hij ging op zijn rug liggen, sloot zijn ogen en voelde het hazeslaapje van de woudloper zijn gedachten verdoezelen. Maar hij bleef ieder geluid horen; als er een luipaard in de buurt kwam zou hij de zachte, beheerste ademhaling opvangen, het enige geluid dat het geruisloze dier niet kon onderdrukken. Betsy stond een klein eindje verderop te grazen, met een geluid als voetstappen op grind. In het woud klonk de verre, weemoedige roep van een wolf, huilend tegen de maan.
Hij droomde de hele nacht over Himsha. Bij zonsopgang kwam het nevelige woud tot leven met vogelgezang en het gekwetter van eekhoorns. In de verte klonk het geklop van een specht die aan zijn dagtaak begon. Hij stond met tegenzin op, want het vooruitzicht om deze vreedzame, primitieve wereld zonder problemen te moeten verlaten voor de troebele, verwarrende wereld van de blokhut en het dorp was weinig aantrekkelijk.
Aangezien alleen maar Betsy's hoofd boven de lage wolk van de ochtendmist uitstak liet hij haar zelf de weg maar zoeken naar het karrespoor dat naar Loudwater leidde. Toen hij het eenmaal bereikte begonnen zijn gedachten opnieuw eindeloos in de rondte te malen; hij wist dat het zo zou blijven tot hij eindelijk weer oog in oog met Himsha zou staan.
Later op de ochtend vervloekte hij opnieuw zijn zeemleren pronkpak toen hij in de regen terechtkwam. Zijn hemd en broek werden klam en ijskoud; voor het eerst die dag werd het vooruitzicht thuis te komen iets aantrekkelijker. Hij begon te verlangen naar de eerste blik op het dorp, de platte slierten rook tussen de boomkruinen, het eentonig tjuiken van de wevervogels. Het vooruitzicht werd zo aanlokkelijk dat hij Betsy aandreef en in galop de laatste heuvelrug bereikte die uitzicht gaf op het dal; het geknetter van musketvuur verraste hem volkomen. Hij hield Betsy in, met zijn hart in zijn keel - Indianen! Toen herkende hij het hartverscheurende gekrijs in het dal: biggen, geen Indianen op het oorlogspad, en hij herinnerde zich wat voor dag het was. Het monsteren van de Burgerwacht! Hoe had hij dat kunnen vergeten? In plaats van thuis te komen in het rustige dorp van zijn dromen, reed hij pardoes de kermis van Monsterdag binnen. Alle gezonde mannelijke bewoners boven de veertien werden vandaag verondersteld zich te melden voor de Burgerwacht, om voorbereid te zijn op aanvallen van Indianen, die zich nog nooit hadden voorgedaan. Het monsteren werd altijd gevolgd door schietpartijen, wedstrijden wie het hoogste kon springen of het hardste lopen; maar de voornaamste onofficiële wedstrijd ging erom wie het meeste kon drinken. Hij was gebonden door het vredesbeginsel van de Vrienden, daarom had hij er tot dusver steeds voor gezorgd uit de buurt te blijven op Monsterdag teneinde te vermijden dat hij
door dronken feestvierders werd lastig gevallen of op de meent burgemeester gemaakt.
Toen hij het steile spoor naar het dorp afreed, maakte het door het bos weerkaatste geweervuur Betsy schichtig. Hij praatte tegen haar en klopte haar op de hals, die nat was van zweet na de inspanning van de draf tegen de helling op. Het lawaai was oorverdovend; ze moesten aan het prijsschieten zijn. Hij verliet het karrespoor en reed verder langs de rand van het bos; op de meent in de diepte ving hij zo nu en dan, tussen de kruinen van de lindebomen, een glimp op van de toeschouwers, de scherpschutters en de schietschijven: levende kalkoenen, aan palen gebonden, wanhopig klapwiekend en krijsend van doodsangst. Het waren geen geboren jagers, deze mensen, maar boeren die strikkenzetters waren geworden; ze waren nog altijd bezeten door de vijandschap van de boer tegen ieder dier dat schade toebracht aan de oogst.
Aan de rand van het dorp, bij het oude Vergaderingsgebouw, joelde een groep herrieschoppers: hij steeg af, nam Betsy bij de teugel en maakte een omweg over het kerkhof. Ondanks hun stoerheid waren de puriteinen bijgelovig, ze waagden zich na zonsondergang nooit op een begraafplaats. De spoken van de brave mensen die onder de bescheiden, gelijkvormige Quaker-zerkjes sluimerden zouden niemand lastig vallen: allemaal McHairs, Martins, Tuckers; er was geen enkele boze geest onder. Ze hadden hun leven lang geduldig gezwoegd op de akkers die ze aan de wildernis hadden ontworsteld, zonder haat of vijandigheid jegens wie dan ook; eenvoudige mensen, die een zekere grootheid hadden bereikt door de levenslange uitoefening van hun vreedzaam geloof. Hij herinnerde zich enkelen van hen uit zijn jongensjaren: zijn moeder, altijd moe en afgemat; Oudtante Mary, streng en onverbiddelijk, die op negentigjarige leeftijd stierf en die, toen bij het afleggen haar Quaker-muts werd afgenomen, prachtig lang, kastanjebruin haar bleek te hebben, met nauwelijks een draadje grijs erin. Hoe zouden zij zich hebben gehouden onder de hoon, de vijandschap van die nu in de straten gillende en brallende nieuwlichters, die de avondschemering in lichterlaaie zetten met vuren op de meent? Ze moesten bezig zijn wilde zwijnen te roosteren, misschien zelfs een os of een eland; hun musketten en pistolen bleven maar doorknallen, terwijl de hulpeloze vogels aan de doelpalen in doodsangst krijsten en klapwiekten.
Hij bleef in de schaduw van de bomen op het kerkhof staan luisteren naar het lawaai in de verte, het gelal en gefluit van de feestvierders vlak bij. Betsy was erg rusteloos, hij kon haar het beste maar hier onder de bomen laten staan, uit het zicht van de straat. ‘Stil Betsy,’ fluisterde hij, en klopte haar op de hals. ‘Stil maar, beesje, stil, alles is goed, ik kom je aanstonds halen.’ Hij bond haar achter het graf van John McHair aan de boom die zijn grootvader als stekje geplant had, gaf haar wat haver uit zijn zadeltas om haar stil te houden en liet haar, smakkend, alleen.
Hij waadde door het beekje en sloop aan de overkant langs het bos. De huizen van de buren waren donker; hij maakte een paar hanen wakker,
maar gelukkig waren er geen honden, ze moesten allemaal op de meent zijn, bedelend bij braadspitten. Bij hun achtertuin gekomen waadde hij opnieuw door de beek en sloop tussen de bonestaken naar hun blokhut. Die zag er ook verlaten uit; een ogenblik dacht hij dat Himsha haar schuchterheid opzij had gezet en het dorp was ingegaan om op een afstand toe te kijken; maar toen hun eigen haan bij zijn nadering begon te kraaien en de eenden het op een kwaken zetten zag hij het schijnsel van een kaars achter een van de ramen. Ze moest thuis zijn, natuurlijk, om een oogje op Grootvader te houden, die altijd opgewonden raakte van schieten. Hij vond, op de tast, de grendel van de achterdeur en fronste afkeurend toen de deur grif openging. Hoe vaak had hij haar niet gezegd dat ze die deur op slot moest houden als hij er niet was? Niet alleen met het oog op de tweelingen van Paisley, op een avond als deze waren de doelloos rondslenterende troepjes dronken losbollen net zo gevaarlijk.
Toen hij naar binnen ging zag hij haar aanvankelijk niet. De lage, smalle kamer was donker, op het schimmetje kaarslicht na, achter de tafel, bij de haard. ‘Himsha?’ riep hij. Ze dook op achter de tafel; ze moest op de vloer geknield hebben gelegen. Ze had haar Indiaanse herteleren hemd aan; het kaarslicht glinsterde op de twee zwarte vlechten die over haar schouders hingen. Zijn mond werd droog van begeerte en hij voelde de lafhartige aandrang zich om te draaien en weg te vluchten, de nacht weer in. ‘Ik ben thuis,’ zei hij, nodeloos. Zijn stem was schor.
‘Kom 's hier,’ fluisterde ze. ‘Wat denk jij dat er met hem aan de hand is?’
‘Met wie?’
Ze gaf geen antwoord, maar verdween weer achter de tafel. Hij voegde zich bij haar en zag dat ze bij een mandje geknield zat. Er stond een kom water naast met een paar lappen erin en een schoteltje melk met een lepeltje; in het mandje lag Casey, de kat, een ordinair zwart-en-wit mormel dat ze aanbad met overdreven tederheid. ‘Wat heeft-ie?’ vroeg hij. ‘Is-ie ziek?’
‘Er moet iets met hem gebeurd zijn...’ Haar stem was kalm en onaangedaan, evenals de blik in haar ogen.
‘Wanneer?’
‘Ik vond hem een uur of wat geleden, buiten, onder de klapbessestruik. Ik had hem al een poosje geroepen, maar hij kwam niet; toen hoorde ik iets in het struikgewas en daar lag hij, onder de modder. Toen ik hem oppakte kermde hij, net - net als een kind. Kijk - kijk 's hoe wit z'n tongetje ziet, en de binnenkant van z'n mond. Ik geloof dat hij gekneusd is, ergens...’
‘Laat 's kijken.’ Hij knielde naast haar en bekeek de kat. Het kopje van het dier rustte op de rand van de mand, zijn ogen waren gesloten, hij leek te slapen. Zijn bekje was open, hij ademde met korte stoten. ‘Een andere kater, misschien?’
‘Nee,’ zei ze, ‘ik denk wel dat ik het weet...’ Ze wierp hem de eigenaardige blik toe die typisch voor haar was, een zijdelingse blik, zonder
haar hoofd te bewegen. Hij had dat nooit iemand anders zien doen. ‘Ik geloof dat hij een trap van een paard heeft gekregen,’ vervolgde ze.
Hij had de blik gezien en geloofde haar niet. Wat verzweeg ze? Hij strekte zijn hand naar de kat uit, maar ze hield hem tegen. Bij haar aanraking slikte hij. ‘Niet doen!’ fluisterde ze, dringend. ‘Anders gaat hij weer kermen.’
Alsof de kat geluisterd had, slaakte hij een hoge, klaaglijke kreet, sidderde, kokhalsde en er droop slijm uit zijn bek. Himsha doopte haar vinger in de melk en liet hem een paar druppels oplikken. Het dier deed het gretig, zonder zijn ogen te openen of zijn kop te bewegen. ‘Gnusha, gnusha,’ fluisterdeze. ‘Gnusha kashni, gnusha, gnusha...’ Ze gaf voor geen Algonkiaans meer te spreken, maar als Eenzame Adelaar iets in die taal tegen haar zei, gehoorzaamde ze hem altijd. De enige levende wezens tegen wie ze in haar moedertaal sprak waren de kat en Grootvader. Waar was Grootvader eigenlijk? Doorgaans verwelkomde hij hem met gekraai en gegiechel. George tuurde in de duisternis naar de slaapbank in de hoek, maar kon niet zien of er iemand op lag.
‘Waar is Grootvader?’ vroeg hij.
Opnieuw wierp ze hem die zijdelingse blik toe. ‘O - die is al een tijdje weg.’
‘Een tijdje? Hoe lang is dat?’ Het was echt iets voor haar: volledig opgaan in haar zorg voor een zieke kat en haar kindse grootvader met een schouderophalen afdoen, alsof hij er niet toe deed. ‘Sinds wanneer is hij weg?’
‘Ik geloof sinds gisteravond...’
‘Gisteravond?! Maar, Himsha! Hij is kinds! Hij weet niet wat hij doet! Met al dit geschiet in het dorp, kan hij het bos ingelopen zijn en verdwaald!’ Hij legde zijn handen op haar schouders. ‘Kijk me aan! Wanneer heb je hem het laatst gezien? Kijk me aan!’
Ze hief met een snelle beweging haar gezicht naar hem op, haar zwarte ogen blonken. ‘Ik weet het niet!’ zei ze uitdagend. ‘Oom Adelaar zal wel op hem passen! Als alles weer rustig is brengt die hem wel weer terug.’
Hij liet haar los. Ze had gelijk, de oude Indiaan waakte altijd over Grootvader als die weer eens wegliep.
Ze boog zich weer over de kat. Bij het zien van haar lenige, slanke lichaam sprong hij overeind. ‘Nou, ik weet niet wat jij doet, maar ik ga hem zoeken!’ riep hij uit met een dwaas vertoon van gezag. Hij liep naar de deur, in de verwachting dat ze hem na zou roepen, maar ze deed het niet. In de deuropening zei hij dramatisch: ‘We moeten hem gaan zoeken! Ik ga de sheriff vragen of hij een patrouille uit wil sturen!’ Het was klinkklare onzin. Om te beginnen was het waanzin om zich onder die dronken troep op het dorpsplein te vertonen; en zelfs al waren ze nuchter, niemand zou het in zijn hoofd halen om na donker in het oerwoud te gaan zoeken. Maar ze zei niets en hij kon haar achter die tafel niet zien. ‘Ik moet zeggen, je bent wél een liefhebbende kleindochter!’ riep hij theatraal uit, en ging
woedend naar buiten, de nacht in.
Terwijl hij stilstond om zijn ogen aan de duisternis te laten wennen, werd hij zich ervan bewust hoezeer haar nabijheid hem had opgewonden. Wat moest hij beginnen? Lieve God, wat moest hij beginnen? Als hij vannacht naar de hut terugging, zou hij haar misschien niet met rust kunnen laten; en hij was er nu zeker van, absoluut zeker, dat ze zijn zuster was. Zijn vader was er de man niet naar om Indiaanse oorlogsweesjes mee naar huis te nemen. Hij zou dat nooit hebben gedaan als ze niet zijn eigen vlees en bloed was. Ze was zijn zuster, en hij begeerde haar, ieder ogenblik van de dag en de nacht, steeds heftiger, steeds hongeriger. ‘O God, wat moet ik doen, waar kan ik heen?’ bad hij, maar er kwam geen antwoord; er was niets anders te horen in het donker dan het geritsel van een rat onder de stal, het geschraap van een slapeloze haan in het kippenhok. Hij moest iets verzinnen, een excuus om buiten te blijven tot morgenochtend. Het had geen zin om naar de sheriff te gaan en hem te vragen een patrouille uit te sturen; waar kon hij anders naar toe? Iedereen was op de meent, zich bezattend aan bier en appelwijn uit de vaten die door de herbergier speciaal voor de gelegenheid naar buiten waren gerold - iedereen behalve dominee Paisley.
Dominee Paisley! Voor hij besefte hoe roekeloos het was om een beroep te doen op zijn aartsvijand was hij al op weg naar de pastorie; het leek alsof zijn lichaam de leiding van zijn verstand had overgenomen. Dominee Paisley, dat bleek wel uit zijn preken tegen de Quakers, was vastbesloten ze het dorp uit te jagen. Maar geen enkele man Gods, zelfs geen stokebrand als de dominee, zou kunnen weigeren een expeditie op touw te zetten om een seniele oude man te zoeken die in de wildernis was verdwaald.
De pastorie was het grootste huis in het dorp, en het enige dat uit baksteen was opgetrokken. Het was het eerste wat de nieuwlichters hadden gedaan: een pastorie bouwen en een kerk, in die volgorde. Eerst moest hun herder worden gehuisvest, daarna God. Er scheen licht door een benedenraam; er moest iemand thuis zijn. Dat kon alleen maar de dominee zijn; zijn zoons waren vast en zeker op de meent. George aarzelde bij het hek; toen liep hij brutaalweg het pad op dat naar de portiek voerde. Hij klopte op de deur; een norse stem riep: ‘Binnen!’ Een hond begon woedend te blaffen. ‘Bek dicht!’ riep de stem, en de hond werd stil. George opende de deur en kwam in een donkere gang. ‘Waar bent u, Dominee?’ riep hij; hij betrapte zich erop dat hij in het onderdanige ‘u’ was vervallen.
‘Hier! Eerste deur links!’
Hij deed die open. Een zwarte schim kwam op hem afgesprongen, grommend. De stem riep: ‘Caesar, ga liggen! Ga liggen, zeg ik!’
Het was de dominee: grijsharig, bijziend, achter een schrijftafel gezeten in een schemerig verlichte kamer vol boeken, naar zijn bezoeker turend over de rand van zijn bril. ‘Wie ben je? Wat wil je?’
‘Ik ben het, dominee Paisley,’ zei George, geïntimideerd door de vreemde omgeving en de hond. ‘George McHair.’
‘McHair?’ Het klonk of de oude man zijn oren niet kon geloven. Hij
probeerde door zijn bril te kijken, maar het scheen geen verschil te maken. ‘Kom 's hier,’ zei hij, ‘laat me je 's nader bekijken.’
George gehoorzaamde, de hoed in de hand; het bleek te veel voor zijn Quaker-geweten, hij zette de hoed weer op.
Alsof dat gebaar zijn gastheer eindelijk van zijn identiteit overtuigde, zei deze: ‘Juist, jawel. En wat brengt je hier, jongmens, zo laat op de avond?’
‘Ik kom om hulp vragen,’ zei George, stuurs van zenuwachtigheid. ‘Ik kom net terug van Eden - Philadelphia - en Grootvader is verdwenen. Mijn zus zegt dat hij gisteravond het huis is uitgelopen, misschien nog wel eerder; dat betekent dan dat dit zijn tweede nacht in het bos zou zijn...’ Zowel de hond als de oude man sloeg hem vijandig gade. ‘Het spijt me dat te horen,’ zei de dominee ten slotte, op een toon die niet strookte met de woorden. ‘Maar wat gaat mij dat aan?’
Er was iets van voldoening in zijn stem; George verfoeide zichzelf dat hij hier naar toe was gegaan. ‘Ik - ik dacht dat u misschien zou willen helpen om een expeditie te organiseren,’ mompelde hij. Hij voelde zich gevangen in een situatie die hij niet langer beheerste; het gevoel werd sterker toen hij een sluwe blik in de ogen van de oude man zag.
‘Ik ben blij dat je jezelf eindelijk als lid van mijn kudde beschouwt, nu het water je tot de lippen is gekomen,’ zei de dominee. ‘Natuurlijk zal ik graag helpen je grootvader op te sporen. Als herder heb ik de plicht ook over mijn zwarte schapen te waken.’
George besefte dat zijn verzoek de oude man op de een of andere manier van pas moest komen. ‘Dank je,’ zei hij, weer in de Quaker-taal vervallend. ‘Zou het mogelijk zijn nu meteen op pad te gaan, Vriend? Of wou je eerst nog een nachtje slapen?’ Dit moest de dominee wel in het harnas jagen, dacht hij, het zou zijn verraad misschien goed kunnen maken.
Maar de dominee scheen het zich niet aan te trekken. Hij zat glimlachend in het kaarslicht als een oude kater die net een malse, mollige muis had gevangen. ‘Je weet best dat dit niet mogelijk is,’ zei hij met vaderlijk geduld. ‘Ik kan je ongerustheid begrijpen, en die siert je; maar het heeft geen zin te gaan zoeken voor het dag is. Heb je enig idee waar je grootvader zou kunnen zijn? Heeft hij een plek in het bos waar hij al eens eerder naar toe getrokken is? Hij heeft dit toch zeker al eerder gedaan?’
Dat had hij; maar het zou meer dan dwaas zijn om de man over Oom Adelaar te vertellen, Grootvaders Indiaanse beschermer. George was erzeker van dat geen van de dorpelingen ooit Eenzame Adelaar gezien had; als ze achter zijn nachtelijke bezoeken zouden komen, zouden ze vast en zeker op de loer gaan liggen om hem te vangen en voor verspieder uit te maken. ‘Nee,’ zei hij. ‘Hij zwerft gewoon rond, zonder benul waar hij is en zonder doel. Het zou misschien beter zijn de zaak maar op zijn beloop te laten. Ik ga zelf maar eens rondkijken, aanstonds.’
De oude man wuifde dit denkbeeld verachtelijk weg. ‘Praat geen onzin,’ zei hij, ‘niemand kan een hand voor ogen zien vóór het dag is. Kom morgenochtend vroeg terug. Laat me nu met rust. Ik heb werk te doen.
Welterusten.’
Hij pakte zijn pen op en begon weer te schrijven, alsof zijn gast al vertrokken was. Zelfs de hond hield op naar George te staren; het dier zuchtte, legde zijn kop op de voorpoten en deed alsof het sliep.
George weifelde een ogenblik; toen draaide hij zich om en liep de kamer uit. Er zat niets anders op: hij zou bij het aanbreken van de dag terugkomen, dan zou er een ploeg jagers en strikkenzetters klaarstaan; ze zouden eropuit trekken om Grootvader te zoeken en dominee Paisley zou een geheimzinnige overwinning behaald hebben die George niet kon doorzien. Hoe je het ook wendde of keerde, het beloofde weinig goeds voor Himsha en hemzelf, om van Grootvader maar niet te spreken.
Toen hij weer buiten stond en het dronken gelal van de feestvierders op de meent hoorde, wist hij niet wat nu te doen. Wat kon hij nog verder verzinnen om van huis weg te blijven? Betsy, natuurlijk; hij moest haar niet langer vastgebonden op dat kerkhof laten staan; zelfs zo vlak bij het dorp was ze niet veilig voor beren of luipaarden en de geur van gebraden ossevlees op de meent zou die zeker aantrekken. Hij ging op weg naar het oude Vergaderingsgebouw, ditmaal door de dorpsstraat met de zware, donkere bomen die in schaduwpoelen in het maanlicht stonden. Er was geen levende ziel te zien, zelfs de kwajongens van het dorp niet, die anders grif op de loer zouden liggen om met z'n allen een eenzame man in het donker te overvallen, louter uit baldadigheid. Toen hij bij het kerkhof kwam, viel het hem in dat hij best de nacht in het oude Vergaderingsgebouw zou kunnen doorbrengen. Het was leeg op wat oude banken en stapels hoepels na; het was aan de kuiper verhuurd als pakhuis door de gemeenteraad, die het zich had toegeëigend zodra ze ontdekten dat alles wat er aan Quakers was overgebleven de oude Jim McHair, zijn kleinzoontje en een halfbloed-dreumes waren. Toen hij de krakende galerij van het gebouwtje betrad, schrok hij op van een uil die met schril gekras onder het laagoverhangende dak uitvloog. Hij hoorde Betsy snuiven in het donker onder de bomen, liep naar het geluid toe, en bleef stokstijf staan toen vlak voor hem een spookachtige gedaante oprees, die hem de weg versperde.
‘Goedenavond, Oom,’ zei hij eerbiedig. Het was de houding die hij instinctief aannam tegenover de oude Indiaan, voor wie hij van kind af aan een diep ontzag had gehad.
Eenzame Adelaar stapte in het maanlicht. De zwarte ogen leken gaten in het gegroefde oude gezicht; de korte Delaware-haarlok stond als een hanekam op zijn schedel. Een pijlkoker hing op zijn rug; zijn boog had hij niet bij zich, die moest hij bij zijn paard hebben achtergelaten, aan de rand van het bos. George had zijn paard nooit gezien; het dier was al net zo geheimzinnig en ongrijpbaar als hij; zoals alle Indiaanse mustangs moest het zijn afgericht niet te hinniken als het alleen werd gelaten.
‘Met je grootvader is alles goed,’ zei de oude Indiaan met de toonloze stem die hij alleen maar bezigde als hij Engels sprak; de enkele keren dat George hem Algonkiaans tegen Himsha had horen spreken had die stem heel
anders geklonken: levendig en vol verrassende muzikaliteit.
‘Dank je, Oom. We maakten ons erg ongerust over hem.’
‘Wees niet bezorgd,’ zei de starre stem. ‘Laat hem begaan, of je richt grote schade aan.’
Het was een vreemde uitlating. ‘Wat bedoel je, Oom?’ vroeg hij. ‘Ik heb al om een expeditie gevraagd die morgenochtend gaat vertrekken ... En als ik nu ga zeggen dat het niet nodig is...’
Er gebeurde iets wonderlijks. De oude man keek hem een ogenblik hevig geschrokken aan, toen verdween hij, zonder een woord, als een geestverschijning.
George bleef verbijsterd en verontrust achter. Het was voor het eerst in zijn leven dat hij Oom Adelaar had zien schrikken. Wat had hij gedaan? Kon hij zijn verzoek om een expeditie nog ongedaan maken, zonder over de oude Indiaan te reppen?
Hij ging Betsy halen, waadde met haar door de beek en leidde haar stapvoets langs het tuinpad naar de hut. Wat ter wereld kon er met Oom Adelaar aan de hand zijn? Hij moest de expeditie afgelasten, maar wat kon hij dominee Paisley vertellen? Dat zijn grootvader gevonden was? Dat alles goed met hem was? Hoe kon hij dat weten? Hij mocht nooit bekennen dat een Indiaan hem dat verteld had. Nee, nu hij deze stommiteit eenmaal had uitgehaald, scheen er geen andere oplossing te zijn dan dóór te gaan.
Hij zette Betsy bij de kippen onder het afdak. Het kabaal dat haar binnenkomst onder de malle beesten veroorzaakte was genoeg om de doden op te wekken. In de hut vond hij Himsha nog steeds op de grond naast het mandje, bezig de kat te verplegen. Het dier zag er nog net zo uit als toen hij wegging: roerloos, de ogen gesloten, de kop op de rand van het mandje. Hij zei haar dat ze naar bed moest gaan; de kat zou het wel redden, er was in ieder geval niets wat ze voor het dier zou kunnen doen. Maar ze antwoordde dat hij zelf maar naar bed moest gaan, zij was van plan op te blijven.
Somber ging hij in de hoek van de kamer op de stapel pelzen liggen die hem tot bed diende. De muffe geur van stof en regen, die de oude bizon in de loop der jaren moest hebben vergaard terwijl hij over de prairie zwierf alvorens door een schot uit het geweer van zijn vader te worden geveld, deed hem aan Vader denken. Reusachtig, ruw, met zijn troep woestelingen over de prairie galopperend achter een op hol geslagen kudde bizons aan die de grond mijlen in de omtrek deden trillen ... Hij viel in een onrustige sluimering.
Bij het eerste ochtendgloren werd hij wakker en trof alles aan zoals het de avond tevoren geweest was: Himsha ineengedoken op de grond, de kat in de mand, het kopje op de rand. Hij had het gevoel alsof hij helemaal niet geslapen had; toch was daar het blauw van de dageraad, dat de vensterruiten kleurde. Hij trok zijn beenkappen aan en ging door het kippenhok naar buiten, om de voordeur gegrendeld te laten.
Het leek onwaarschijnlijk dat de dominee na deze dronken nacht van
feestvieren ook maar iemand kon hebben opgetrommeld; maar toen George bij de pastorie kwam trof hij daar een twaalftal mannen aan met hun paarden, gekleed voor een gewapende expeditie. Dekens, beenkappen, kruithorens, kogelzakjes; hun geweren waren in ingevette leren kokers dwars voor hun zadels gesjord. Toen hij aankwam, waren ze bezig het berevet rond te geven en zich er het gezicht mee in te wrijven; klaarblijkelijk rekenden ze erop langer dan een dag onderweg te zullen zijn. Polly Paisley was de eerste die hem in het oog kreeg. ‘Daar is ie, hoor!’ riep hij, en zijn makkers draaiden hun vetbesmeurde, grijnzende koppen naar hem toe. ‘Je had heus niet hoeven te komen, Quaker-drol!’ riep de zoon van de sheriff, een eersteklas vechtersbaas. ‘Wij zullen je opa wel voor je vinden! Waarom blijf je niet thuis, je squaw vingeren?’ Er werd gegrinnikt en gelachen, toen riep de stentorstem van de dominee: ‘Hou op met die praatjes! We doen hier een daad van menslievendheid!’ Zijn gezag, het enige gezag in het dorp, had het gebruikelijke resultaat; er werd nog wat gegromd, maar ze gehoorzaamden. Ze keerden George de rug toe alsof ze hem hadden vergeten. ‘Iedereen klaar? Te paard!’ Ze stegen in het zadel. ‘Volg mij!’ De oude man, in zijn zwarte predikantspak en met zijn pieken wit haar zag eruit als een gelaarsde kat te paard. Het geroffel van hun hoeven deed de vensterruiten rinkelen, zette de hanen aan het kraaien en hitste de honden op, die achter hen aan kwamen rennen en tegen de paarden blaffen tot ze de holle brug over bolderden en het steile karrespoor naar het woud op begonnen te zwoegen.
George, in de achterhoede, maakte zich zorgen over Himsha. Ze was wel eerder alleen thuisgebleven, maar altijd met Grootvader. De Paisleytweelingen reden pal voor hem, dus er was geen werkelijke reden om zich zorgen te maken. En Grootvader zelf? Misschien was hij dood, misschien was hij door de Indianen ontvoerd. Als hij ontvoerd was, zou hem helemaal niets gebeuren; niet alleen omdat hij een Quaker was, maar kindse oude mannen werden door de Indianen als wijsgeren geëerbiedigd. Zijn vader had gezegd, al maanden geleden: ‘Waarom hou je die ouwe man opgesloten in die stinkende hut? Zet hem ergens in de prairie neer en laat hem lopen. Dan pikken de Shawnees hem op en hij zal voor de rest van zijn leven als een orakel worden behandeld. Gezien de eindeloze preken die hij tijdens de samenkomst placht af te steken is dat nét wat hij graag zou willen, als hij 't voor het kiezen had - zichzelf dood preken, terwijl iedereen vol bewondering naar hem zit te gapen. Moet je hem nu zien: in een hok, bazelend en kwijlend als een ouwe vos die van eenden droomt. Je moest je schamen, schijnheilige kleine kwezel!’ Toen was hij weggereden over de bergen, een gevoel van woede en eenzaamheid achterlatend.
Ze reden nu Paisley-gebied binnen waar George zich nog nooit gewaagd had, net zoals de Paisleys nooit voet hadden gezet op het terrein dat volgens traditie aan de McHairs toebehoorde. Ze mochten elkaar dan in het dorp verfoeien, maar net als de panters, bergleeuwen en de sluwe luipaard eerbiedigden ze elkaars jachtgronden. Alleen de Quakers echter eerbiedigden
de jachtgronden van de Indianen.
George nam het spoor goed in zich op. Dit was onbekend terrein voor hem; als hij om welke reden dan ook overhaast terug zou moeten keren zonder de anderen, moest hij de weg kunnen vinden. Ze zwierven de hele dag door het woud, zonder een spoor van de oude man te vinden. Ze riepen zijn naam, telkens en telkens weer; hun stemmen en hun echo's weergalmden in de spelonken van het bos: ‘Jim McHai-ai-r...! Ouwe Jim...! Waar zit je?’ Maar er kwam geen antwoord, hij moest in een kloof zijn gevallen of door Indianen ontvoerd. Bij het vallen van de avond was de expeditie te ver van het dorp om nog vóór donker terug te kunnen zijn; ze sloegen hun bivak op in een bergweide, schoten een hert en een paar kalkoenen en verdeelden de stukken onder elkaar, zodat iedere man zijn eigen portie rauw vlees kreeg om het naar eigen verkiezing te roosteren boven het kampvuur. Ze vertelden verhalen, wisselden moppen uit, gaven elkaar de waterzak door; hurkend rondom het kampvuur, eenzaam in het donkere oerwoud, voelden ze zich vriendschappelijk gestemd, zelfs jegens George, die vanonder zijn Quaker-hoed roerloos in het vuur staarde. Na de maaltijd rolden ze zich in hun dekens en strekten zich op de grond uit met hun voeten naar het vuur, als de spaken van een wiel. Ze hadden strootjes getrokken; Polly Paisley was de eerste die de wacht moest houden.
De nacht was rustig. De maan stond helder aan de wolkeloze hemel; de sterren fonkelden; George lag ernaar te staren. Er was niemand in het dorp achtergebleven die Himsha kwaad zou kunnen doen, behalve de straatjongens, en die zou ze aankunnen. Waarom voelde hij zich dan zo rusteloos? Die verdomde Oom Adelaar! Waarom had hij niet alles verteld? Grootvader - een stervende oude man, verdwaald in het bos, zo groot als de zee ... Plotseling wist hij zeker dat Grootvader dood was. Hij wist het met dezelfde zekerheid waarmee hij soms wist welke richting hij moest inslaan in de mist, ook al kon hij niet verder zien dan de oren van zijn paard. Om de een of andere reden blies dit besef zijn ongerustheid over Himsha nieuw leven in. Hij rees op zijn ellebogen overeind om naar Petrus Paisley te kijken en zag tot zijn opluchting dat hij in diepe slaap lag, zijn hoed over zijn gezicht.
George viel in het hazeslaapje van de jager, menigmaal wakend en luisterend. Tegen de ochtend zag hij dat Charley McAdoo opstond en dat Jake Devlin op zijn plaats ging liggen. Polly lag te slapen, in zijn deken gerold. Petrus' hoed was van zijn gezicht gevallen en lag nu naast de donkere vlek van zijn hoofd. Er was iets raars aan dat hoofd; het glansde dof in het zwakke schijnsel van het dovende vuur. George spande zich in om te kijken. Met een schok zag hij dat het geen hoofd was, maar een waterzak. Petrus Paisley had de benen genomen.
***
Natuurlijk wist Himsha wat er met Casey de kat gebeurd was, maar ze had het voor zich gehouden. George was de laatste tijd zo prikkelbaar, zo gauw
woedend, hij werd net zijn vader. Als ze zich had laten ontglippen dat Casey was doodgeschopt door Petrus Paisley, die de vorige avond om de hut had gezworven, zou George hem te lijf zijn gegaan. Ze had zich nooit veel van de Paisley-tweelingen aangetrokken, maar de afgelopen weken hingen ze op ieder uur van de dag en de nacht hier rond, net als mannetjeshonden om een huis waar een loopse teef was. Ze gaven haar het gevoel alsof ze geen mens was maar een ding, dat ze wilden grijpen en vernielen; hun opgezweepte begeerte was boosaardig en vijandig. Een squaw verkrachten was een daad die Gode welgevallig zou zijn, deel van Zijn bestraffing van de Filistijnen, tegen wie hun vader iedere zondag in de kerk tekeerging. Ze hadden geen moeder meer, hun enige voorbeeld was die razende man op de kansel, die iedere zondag schuimbekkend bulderde dat God hun had opgedragen alle Indianen van de aardbodem weg te vagen. Tot dusverre had nog niemand de daad bij het woord gevoegd, want het onvermijdelijke gevolg van een strooptocht zou zijn dat de Indianen zich bij duizenden op het dorp zouden storten, krijsend boven het gedonder van de hoeven van hun paarden uit terwijl ze in steeds nauwer wordende kringen de huizen in het dal omcirkelden; wat er zou gebeuren zodra ze het dorp eenmaal overweldigd hadden en wraak namen, kon geen enkele blanke zich voorstellen. Ze had het één keer meegemaakt en hoewel het lang geleden gebeurd was, waren de taferelen van geweld en moord in haar geheugen gegrift: het gillen van vrouwen, het waanzinnige gebrul van tot razernij gebrachte mannen die erop los hakten en ronddansten met druipende scalpen die ze van de gruwelijk roze schedels van hun slachtoffers hadden gerukt, de brandende wigwams, de kinderen die huilend in het vuur werden geslingerd. Sindsdien scheen haar hele leven doordrenkt te zijn van bloed en geweld; ze had de vredige tussenpoze met Grootvader en George in de blokhut nooit vertrouwd; ze had zich nooit tot de zwakte van genegenheid laten verleiden, uit vrees daardoor des te erger te zullen worden gekwetst door de pijn en de gruwel van het bloedbad dat onvermijdelijk was. Een instinct, ouder dan zijzelf, had haar gewaarschuwd dat het haar dood zou betekenen als ze, wanneer het bloedbad kwam, door liefde aan een ander menselijk wezen gebonden zou zijn, ook al mocht ze, lichamelijk, aan het geweld ontsnappen, net als die vorige keer.
Maar dat sloeg niet op dieren - en nu was de kleine Casey stervende. Er was aan de kat niets te zien; alleen was zijn pels vuil, iets dat een kat nooit zou toelaten tenzij hij doodziek was. Zijn tong en tandvlees waren bijna wit en iedere keer als hij zich bewoog bleef hij hartverscheurend kermen.
Voor de tweede nacht zat ze bij Casey op, machteloos toekijkend hoe hij leed, tot het dier eindelijk, in de vroege ochtend, zijn goudkleurige ogen wijd opensperde en probeerde zijn kop op te heffen alsof hij naar haar zocht; daarna veranderde er iets: een licht in de donkere pupillen flakkerde en doofde uit. Uiterlijk was er niets veranderd. De ogen bleven star staren, maar ze waren anders, een licht was verdwenen; Casey, haar vrolijke, speelse vriendje, was dood.
Ze voelde geen verdriet. Evenals de glazen ogen die nu voor zich uit staarden zonder iets te zien scheen ze van alle gevoel gespeend terwijl ze daar zat, roerloos, de handen in haar schoot. Een herinnering aan lang geleden kwam haar voor de geest. Ze had al eens eerder zo gezeten, met hetzelfde gevoel van los te zijn van alles, zelfs van haar eigen lichaam, alleen nog ermee verbonden door een zwakke draad die scheen te rukken en te trekken als het touw van een vlieger. Iedereen was dood, zelfs haar hondje; alle wigwams stonden in lichterlaaie, het geknetter van het vuur was een daverend geluid. Terwijl ze daar roerloos zat, haar handen in haar schoot, doodstil voor zich uit starend, kwamen laarzen nadergeknerpt door de gloeiende sintels. Ze stapten over de lijken die om haar heen lagen en bleven voor haar stilstaan. Ze werd opgetild; de herinnering beangstigde haar; het leek weer alsof alles wat sindsdien gebeurd was een illusie was geweest en dat dit de ware werkelijkheid was: hier zo te zitten, haar handen in haar schoot, voor zich uit starend, wachtend tot de draad zou breken - zonder gedachte, zonder hoop, alleen maar wachtend op iets, iets donkers. Toen hoorde ze een geluid. Iemand morrelde aan de grendel.
Ze keek niet naar de deur. Ze voelde geen angst, zelfs geen nieuwsgierigheid. Zoals ze daar zat, alleen nog maar vastgehouden door die draad, deed niets er meer toe. Ze wachtte niet tot de deur openging, maar tot de draad zou breken. De draad trok en rukte, net zoals die andere keer, toen ze klein was. De deur bleef dicht; ze was zich ervan bewust dat iemand door het raam naar haar gluurde, maar het deed haar niets.
Ze bleef daar zitten, roerloos, haar handen in haar schoot, tot de dageraad. Pas toen de kamer licht werd en de rechthoek van het raam in Caseys ogen weerspiegeld werd, kwam ze in beweging. Behoedzaam nam ze het mandje met Caseys verstijfde lijkje op en droeg het naar de deur. Ze duwde de klink met haar elleboog omhoog en merkte dat de deur gegrendeld was; George moest door het luik van het kippenhok naar buiten zijn gegaan. Ze maakte de deur open en droeg het mandje naar de plek die ze in gedachten had: voor de zonnebloemen, die al flink hoog waren en weldra in bloei zouden staan; van onderen gezien zouden ze een hemel vol vrolijk schommelende zonnen lijken, precies iets waar jonge katjes en zuigelingen urenlang in betovering naar konden kijken. Ze zette de mand voorzichtig in het gras, haalde de spa en begon Caseys grafje te graven. Toen ze haar voet voor de tweede keer op de schop zette, werd ze van achteren gegrepen.
Dat was het ogenblik waarop de draad knapte. Plotseling was het alsof de hemel op haar neerstortte; ze werd losgesneden en tuimelde draaiend omlaag in een leegte vol gruwel. Ze vocht, gilde, beet, klauwde, maar de armen die haar omstrengelden waren sterker dan zij. Ze werd op haar rug gesmeten, haar armen werden onder haar vastgeklemd, een hand scheurde haar jak open, een zwaar gewicht viel boven op haar. Ze probeerde verwoed het gewicht van zich af te gooien; toen een knie haar dijen uiteendwong sperde ze haar ogen wijd open en herkende Petrus Paisley.
‘Nee, alsjeblieft, nee...’ smeekte ze wanhopig; maar hij lachte en mompelde: ‘Lekker, je zal zien dat het lekker is, lekker...’ Ze voelde zich naakt, weerloos; haar kracht begaf het, ze stond op het punt te zwichten toen hij plotseling een kreet slaakte. Hij sperde zijn ogen wijd open, gaapte haar in stomme verbazing aan, probeerde iets te zeggen, maar in plaats van woorden gutste er bloed uit zijn mond, alsof hij het gedronken had en zich erin verslikt. Zijn verbijsterde ogen staarden haar ongelovig aan; toen zag ze het voor de tweede keer die dag gebeuren: er verdween iets uit die ogen, een licht, een geheim in de diepte van de donkere pupillen; hij zakte voorover, viel boven op haar, en bleef roerloos liggen.
Een ogenblik was ze als verlamd, toen worstelde ze zich woest onder het levenloze lichaam uit; het plofte zijdelings in het gras. Ze krabbelde overeind; terwijl ze er met onuitsprekelijk afgrijzen naar stond te kijken viel het lichaam langzaam om, met het gezicht op de grond. Tussen de schouderbladen stak een pijl met drie gekleurde veren. Ze rende de hut in, en braakte ergens in een hoek.
***
Zodra George McHair zag dat Petrus Paisley weg was, wist hij dat er iets met Himsha was gebeurd. Hij sprong op zijn paard en stoof door het bos, het pad volgend dat hij zich, in omgekeerde richting, in het geheugen had geprent. Hij stormde het slapende dorp binnen, daverde door de verlaten straten en gleed uit het zadel nog vóór Betsy voor de blokhut tot stilstand was gekomen. Hij rende naar de voordeur, vond die ongegrendeld, strompelde naar binnen en riep: ‘Himsha! Himsha?’ Toen zag hij haar.
Ze zat in een hoek, op de grond, haar handen in haar schoot, haar ogen wijd open en star, haar jak gescheurd en vol met bloed. ‘Himsha!’ Hij knielde bij haar neer en streelde haar wang. Ze bewoog zich niet, ze bleef hem met die grote zwarte ogen star zitten aanstaren. Hij nam haar in zijn armen, wiegde haar als een kind, fluisterde: ‘Stil, stil, alles is goed, alles is goed.’ Opeens begon ze te praten, op een toonloze, onsamenhangende manier, over een lijk in de tuin. Hij suste haar, droeg haar naar het bed, stopte haar in; toen ging hij naar buiten.
Hij kon niets vinden, alleen een spa en het begin van een grafje; het mandje met de dode kat stond ernaast. Er waren sporen van een worsteling; hij knielde neer, zocht in het gras en vond bloed.
Hij stond op, verbijsterd. Wat moest hij doen? Hij had de kinderlijke opwelling om weer in het zadel te springen, naar het kamp terug te galopperen, te doen alsof er niets was gebeurd, door te gaan met het zoeken naar Grootvader. Kon het Grootvader zijn geweest? Hij hoorde een krakend geluid achter zich, draaide zich met een ruk om en zag Betsy bezig bonen van de struiken te grissen. Hij bond haar aan de paal van het afdak.
Binnen vond hij Himsha precies zo als hij haar had achtergelaten. Het leek alsof ze sliep, maar toen hij binnenkwam staarden haar grote, donkere
ogen hem aan in een stomme smeekbede om hulp. Hij voelde zich misselijk, een pijn onder zijn middenrif; hij wachtte tot de pijn verdween, ging toen op de rand van het bed zitten en legde zijn hand voorzichtig op de hare. Haar hand voelde koud aan. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg hij zachtjes. ‘Kan je me vertellen wat er gebeurd is?’
Ze schudde haar hoofd en sloot haar ogen.
‘Het is goed,’ fluisterde hij, terwijl hij haar hand streelde. ‘Vertel 't me maar, Himsha, vertel 't me...’
Ze schudde haar hoofd; tranen welden onder haar oogleden op.
Wat moest hij doen? Hij bleef haar koude hand aaien, met een groeiend gevoel van onwezenlijkheid, wachtend tot hij uit deze nachtmerrie wakker zou worden.
Opeens fluisterde ze: ‘Is hij ... Is hij nog steeds buiten?’
‘Nee, er is niemand. Ik heb overal gezocht. Wat is er gebeurd, Himsha?’
Hij zag in haar ogen iets als hoop, alsof ze een ogenblik dacht dat ze het zich allemaal had ingebeeld. Toen tilde ze de deken op en keek naar het bloed op haar jak en liet haar deken weer vallen.
‘Ja,’ zei hij, ‘er lag bloed, buiten. Was 't Petrus?’
Ze sloot haar ogen, en knikte.
‘Doodgeschoten?’
Ze knikte.
‘Hoe? Een pijl?’
Ze knikte.
Er was nu geen twijfel meer aan; het was Oom Adelaar geweest, hun beschermengel, die van hun kindertijd af over hen had gewaakt. Hij moest Petrus' lijk hebben weggesleept om het ergens in de wildernis te begraven, of het in een boom te hangen op de loopweg van een luipaard, zodat als het ten slotte gevonden werd de mensen zouden denken dat Petrus op die manier aan zijn einde was gekomen.
Hij stond op en ging de tuin weer in. Hij begroef Casey in zijn mandje en wiste alle bloedsporen uit met losse aarde. De bezigheid van het graven verhelderde zijn gedachten. Hij moest zo gauw mogelijk naar de expeditie terug, en proberen een goed excuus te bedenken voor zijn afwezigheid. Het betekende dat hij Himsha weer alleen moest laten, maar er was geen andere mogelijkheid. Hij zette de schop in de schuur en haastte zich naar binnen.
‘Himsha, je moet die kleren onmiddellijk uitdoen, begraaf ze in de tuin, verbrand ze; wat je ook doet, zorg ervoor dat niemand ze meer kan vinden. Kom, wees flink, sta op, laat je in het dorp zien; maar wat er ook gebeurt, wat er ook gebeurt, vertel aan niemand iets over vanochtend! Beloof het me!’ Hij schudde haar bij de arm, in een poging om lief en zacht te zijn en tegelijk tot haar door te dringen. ‘Beloof me, Himsha, beloof me dat je het aan niemand zult vertellen!’ Ze knikte alleen; tot zijn wanhoop en ellende zag hij weer tranen langs haar wangen rollen. Het was onmenselijk haar nu alleen te laten, maar hij had geen keus. Hij wendde zich af, rende zonder omkijken het huis uit, sprong in het zadel en stoof weg in galop. Hij voelde
de wind op zijn gezicht en hoopte dat die zijn tranen tegen zou houden. Hij dwong Betsy met halsbrekende vaart de helling op; toen hij de bocht om stoof, trok hij met een ruk de teugels in en kon met een schreeuw: ‘Ho!’ ternauwernood een botsing vermijden met een ruiter die het pad afkwam met een pakmuilezel achter zich aan. Betsy steigerde, hinnikend; terwijl ze rechtovereind stond met haar voorbenen in de lucht, zei de ruiter met een droge vrouwenstem: ‘Goeie genade! George! Waar is de brand?’
Pas toen zag hij wie het was. ‘Tante Gulie! God zij dank! Ga alsjeblieft naar Himsha toe! Alsjeblieft, Tante! Ze - ze zit in moeilijkheden!’
De lichtgrijze ogen in het leren gezicht onder de verfomfaaide Quakerhoed namen hem onderzoekend op. ‘Wat voor moeilijkheden? Waar is ze?’
‘Ze is thuis, Tante Gulie, thuis! In de hut! De deur is open! Ze is ziek! Verschrikkelijk ziek, ze is ... ze is ... van streek...’ Hij wist niet wat hij zei. Hij moest niets loslaten, dat mocht niet. Zelfs Tante Gulie mocht niet weten wat er gebeurd was.
‘Van streek? Hoe komt dat?’
Hij kalmeerde Betsy, die eindelijk weer met vier benen op de grond stond en nu de komedie van een paniek opvoerde. ‘Haar kat is dood...’
‘Haar kat?’ De alziende ogen, bijna wit in het verweerde gezicht, keken hem verbijsterd aan.
‘Ja, Tante Gulie, ja - ik moet nu weg! Ik moet terug naar de expeditie; Grootvader is verdwaald. Maar ga naar haar toe, Tante, ze heeft je echt nodig, Tante Gulie...’
‘Goed, ik ga er wel even heen en zal wachten tot je terugkomt. Maak je niet ongerust.’
‘Dank je, Tante Gulie,’ zei hij, zijn tranen verbijtend. ‘God zegen je, Tante...’ Hij gaf Betsy de sporen, en galoppeerde het oerwoud in.
***
Gulielma Woodhouse volgde, nog een beetje beverig van de schrik, langzaam haar weg heuvelafwaarts naar het dorp, terwijl ze haar oude merrie, Annie, kalmerend op de hals klopte. Gelukkig had het muildier geen zenuwen, je kon een donderbus onder die ezel afsteken en hij zou alleen maar opzijstappen.
De jonge George had Annie met haar tere ouwe-vrijstersziel echt aan het schrikken gemaakt; haarzelf trouwens ook, ze had nu een heftige aanval van maagzuur. Interessant; ze had die symptomen de laatste tijd opgemerkt na zware lichamelijke inspanning, nog nooit na een emotionele schok zoals deze. Enfin, ze werd een dagje ouder; het was een wonder dat ze niet al veel eerder door maagzuur geplaagd was, gezien het dieet waar ze bijna veertig jaar lang op geleefd had. Een mens kon zijn inwendige organen niet alles aandoen; keiharde biltong, ongare prairiehaas en, in de woestijn, een portie ratelslang of buizerdborst. Eet smakelijk! Ze zou in ieder geval niet sterven aan vetzucht en wat daar allemaal bijkwam, zoals met de meesten
van haar Quaker-verwanten het geval zou zijn. Na vrome afzwering van alle vleselijke ondeugden zoals dansen, ontucht en sterke drank, waren de Philadelphiase Vrienden hun graf met hun tanden gaan delven. Vanuit zuiver medisch standpunt gezien moest men eigenlijk de voorkeur geven aan de eerste twee ondeugden, omdat die althans enige lichaamsoefening meebrachten. Vooruit, ze moest maar proberen haar maagsappen in toom te houden, als zo iets mogelijk was, want er scheen haar weer een nieuwe crisis te wachten. De kleine Himsha, ‘in moeilijkheden’ omdat haar kat gestorven was. Wat kon er in vredesnaam met het kind aan de hand zijn?
Toen ze op een drafje het dorp binnenreed begonnen de straatjongens haar uit te jouwen om haar vreemdsoortige uiterlijk. In de loop van de negen maanden sinds haar laatste bezoek moesten er heel wat nieuwe bewoners bij zijn gekomen; voor een kind dat een poosje hier gewoond had was de aanblik van een bizonjager in zijn leren pak met zijn met berevet ingesmeerde notebruine gezicht iets normaals; zelfs het feit dat zij een vrouw was wekte doorgaans geen bijzondere belangstelling. Maar nu werd ze van alle kanten omstuwd, niet alleen door kwajongens maar door een deinende menigte idioten die haar aangaapten en voor wie ze de grap van de eeuw scheen te zijn. De drom kijkers die ze trok vertraagde haar gang; aanvankelijk gaven ze alleen uiting aan uitbundige nieuwsgierigheid, maar toen die verdomde straatjongens dat liedje over ‘Quakers en Roodhuiden, vuil verraderstuig’ begonnen te zingen, werden er een paar heel vervelend. Iemand begon aan haar beenwindsels te peuteren in een poging erachter te komen of ze een eend of een woerd was; ten slotte zag ze zich gedwongen zich van het prehistorische musket dat ze van haar geliefde Hunis had gekregen te bedienen. Ze trok het wapen dreigend uit zijn leren koker die aan haar zadel bungelde: het was een volkomen zinloos gebaar, als ze ooit een schot uit dit aftandse ding zou lossen zou dat gelijkstaan met een barokke vorm van zelfmoord. Maar de antieke donderbus zag er intimiderend uit, vooral toen ze de haan ter grootte van een deurknop overhaalde, de trompetvormige loop op de dichtstbijzijnde beunhaas richtte en hem dreigend aankeek. Het hielp, zoals ze vooruit geweten had. Misschien was haar bedaarde vastberadenheid het werkelijke afweermiddel, en niet het kanon; hoe dan ook, de menigte deinsde achteruit en gaf haar een kans om verder te gaan. Dat was maar goed ook, want haar arme oude Annie, die het al van de plotseling opduikende George op haar zenuwen had gekregen, begon tekenen te vertonen van menopausale hysterie. De drom vergezelde haar naar de blokhut van de McHairs, sloeg haar gefascineerd gade terwijl ze afsteeg, en maakte geen aanstalten zich te verspreiden toen ze naar de deur liep; ze waren kennelijk van plan te wachten tot ze er weer uitkwam. De hemel wist waarom; misschien dachten ze dat ze een bezemsteel ging halen om daarop haar reis te vervolgen.
Ze klopte op de deur; er kwam geen antwoord. Dat had ze ook niet verwacht; het was om zo te zeggen een diagnostisch klopje geweest: was er een antwoord gekomen, dan zou dat hebben betekend dat de crisis voorbij
was. Ze opende de deur en vond het Indiaanse meisje in bed, in een bedompt, donker kamertje. Ze was nauwelijks bij bewustzijn en kennelijk in schok, maar ze leefde tenminste nog. Ze trok de dekens weg en zag bloed. Neusbloeding? Geen spoor van bloed in de neusgaten, geen anemie van de slijmvliezen; andermans bloed. Haar jak was gescheurd, haar haren waren in de war en er zaten grassprietjes in. Verkrachting? Een vluchtig onderzoek bewees dat, zo dat het geval geweest mocht zijn, het bij een mislukte poging gebleven was. Een knappe jonge Indiaanse die moederziel alleen onder dit rapalje leefde zou het niet lang kunnen redden zonder dat de een of andere oudtestamentische krachtpatser haar probeerde te bespringen. Of was het soms haar broer geweest? Deze twee kinderen, de enige Quakers in een dorp vol vijandige puriteinen, moesten voor wederzijdse steun op elkaar aangewezen zijn geweest net als twee kwartels onder de vossen. Maar waar was dat bloed dan vandaan gekomen? Ze probeerde zich het beeld van George voor de geest te halen zoals hij op zijn steigerend paard voor haar had getorend en daarna het bos ingestormd was als het Hijgend Hert. Ze kon zich geen krabben op zijn gezicht herinneren, en geen andere sporen van een handgemeen. Er was maar één verklaring: wie haar ook maar mocht hebben aangevallen, was door George voor zijn moeite afgetuigd. Gezien het postuur van de jongen en de lichaamskracht die hij van zijn vader had geërfd, bestond er alle kans dat hij de onverlaat de hersenpan had ingeslagen en Himsha met 's mans bloed bespat.
Als dat zo zijn mocht, waar was het lijk? Begraven, waarschijnlijk. Het was niet het goede moment om naar buiten te gaan en onder de ogen van al die mensen in de tuin naar een lijk te gaan zoeken; ze kon zich dus maar beter eerst met het arme kind gaan bemoeien; als slachtoffer van een aanranding zou ze in ieder geval door welke rechtbank dan ook onschuldig worden verklaard, zelfs door het veemgericht van de Schotse immigranten.
Goed, aan het werk dan maar. Ze trok de pijl uit haar Quaker-hoed die ze samen met haar leren wambuis op een stoel wierp en begon met theewater op te zetten. Met een flinke scheut rum en een dot peper zou het brouwsel alles wat niet dood was tot bewustzijn brengen. Terwijl het water opstond kon ze het kind uit die met bloed doordrenkte kleren helpen en haar wassen en opknappen. Tijdens het uitkleden scheen Himsha in haar halfbewusteloosheid te protesteren; toen het arme kind ten slotte naakt op het smerige laken lag, bekeek Gulielma het meisje, ondanks haar klinische objectiviteit, onwillekeurig vol bewondering. Ze had het figuurtje van een Grieks beeld; geen wonder dat ze moord en doodslag had veroorzaakt in deze konijnenbult vol bronstige kerels. Had zij er als jong meisje maar zo uitgezien! Wat zou ze achternagelopen zijn door Quaker-vrijers! Ze zou misschien zelfs haar medische loopbaan eraan hebben gegeven en een gezin gesticht, waarschijnlijk met iemand van buiten, één van die knappe Hugenoten-jongens, bijvoorbeeld. Het zou een beetje meer ellende voor een paar duizend Indianen hebben betekend, wat, verdeeld over een periode van veertig jaar, niet bepaald wereldschokkend was. Ze zuchtte, dekte het meisje
weer toe en ging naar het water kijken, dat bijzonder lang nodig scheen te hebben om aan de kook te komen. Misschien kon ze het kind beter een iets lichter geneesmiddel geven dan haar explosieve brouwsel, dat meer geëigend was voor bizonjagers met delirium tremens dan voor deze broze Indiaanse Venus. Maar de menigte stond nog steeds voor het hek; ze kon het geroezemoes van hun stemmen horen. Nu ja, er zat niets anders op. Ze deed de deur open en stapte kordaat naar haar muilezel met de apotheek. In de plotselinge, van verwachting gespannen stilte gespte ze de omvangrijke ladenkast los die het beest torste en liet het gevaarte op de grond zakken. Ze ontzadelde haar oude paard en stuurde beide dieren met een klap op hun schonkige flanken de moestuin in. De twee gingen onmiddellijk op de bonen af en begonnen ze geestdriftig af te rukken. George zou er iets van krijgen als hij thuiskwam en geen boontje meer in de tuin vond, hij moest dat dan maar als het honorarium voor haar medische hulp beschouwen.
Ze stond op het punt één van de laatjes open te trekken en wat laudanum te voorschijn te halen toen een groep ruiters met donderende hoeven en rauwe kreten door de straat kwam daveren, zodat de drom toeschouwers als mussen uiteenstoof. Ze joegen voorbij met rondvliegende modderkluiten en brachten hun steigerende paarden voor de pastorie tot staan. George was er ook bij; het moest de expeditie naar zijn grootvader zijn die thuiskwam, met lege handen, zo te zien.
De aantrekkingskracht van de thuiskomende expeditie bleek sterker dan de hare; als een kudde holde de drom in de richting van de pastorie. Ze was op de terugweg naar de hut toen George kwam opdagen; niettegenstaande zijn gebruinde trapperskop zag hij er bleek en afgemat uit. Hij klom van zijn paard en liet het naar de andere twee draven die bezig waren zijn tuin kaal te vreten; hij was kennelijk helemaal van de kook.
‘Heb je Grootvader gevonden?’ vroeg ze, met therapeutische terloopsheid.
‘Petrus wordt vermist,’ antwoordde hij nerveus.
‘Welke Petrus?’
‘De zoon van de dominee.’
‘Was hij bij jullie expeditie?’
‘Ja ... Hij - hij is vannacht opeens verdwenen. Na gisteravond heeft niemand hem meer gezien.’
Zijn gemis aan talent tot veinzen was dusdanig dat ze hem haastig het huis binnenduwde, bang dat zijn slechte geweten vanuit de pastorie te zien zou zijn, driehonderd voet ver. Hij gehoorzaamde; toen hij Himsha zag, vroeg hij bezorgd: ‘Hoe gaat 't met haar? Wordt ze weer beter?’
‘Natuurlijk,’ antwoordde ze. ‘Maar ik vind dat het tijd wordt dat je me eens eerlijk vertelt wat er gebeurd is. Als je tenminste wilt dat ik jullie help.’
‘Gebeurd...?’
‘Kom nou! Probeer je ouwe tante nou niks wijs te maken. Was het Petrus die je zuster heeft aangerand?’
Het was een schot in het duister, maar kennelijk trof het doel. Hij staarde haar met open mond aan, toen hakkelde hij: ‘Hoe - wat - ik weet niet
waar je het over hebt...’
‘Kom,’ zei ze. ‘Doe niet of je twee jaar oud bent, vertel me de waarheid. En gauw ook, want als ik me niet vergis, kunnen de heren puriteinen er ieder ogenblik achter komen, en dan hebben we de poppen aan 't dansen. Misschien kan ik jullie helpen, misschien niet, maar ik kan je zeker niet helpen voor ik weet wat er gebeurd is, hoe ze in deze toestand is geraakt en waarom je me nu staat aan te kijken alsof ik een spook was.’ Hij scheen nog een duwtje nodig te hebben, daarom voegde ze eraan toe: ‘Vooruit! Het gaat om háár, niet om jou. Jij bent groot genoeg om voor jezelf te zorgen.’
‘Ja, Tante Gulie, ja - het was Petrus Paisley. Petrus moet haar vanmorgen hebben overvallen, terwijl ze bezig was haar kat te begraven, en iemand, ik weet niet wie, heeft hem gedood...’ Het hele verhaal kwam eruit, onsamenhangend als gevolg van zijn uitgeputte zenuwen. Ze probeerde erachter te komen of zijn afwezigheid de argwaan van de leden van de expeditie had opgewekt, toen een kerkklok luidruchtig begon te beieren. Het was een dringend, alarmerend geluid dat weinig met religie te maken scheen te hebben; het klonk als de waarschuwing voor een naderende overval. ‘Wat betekent dat?’ vroeg ze.
Hij ging zo in zich zelf op dat het even duurde voor hij wakker werd en antwoordde: ‘Ik - ik weet het niet, maar ik weet wel zeker dat de dominee niet veel goeds in de zin heeft. Ik weet niet wat hem bezielt, Tante Gulie; ik geloof dat hij gek is.’
‘Hoe dat zo?’
‘Hij doet niks anders dan het dorp alsmaar tegen de Indianen en Quakers opstoken ... Ik weet niet wat hij nu weer in zijn schild voert, maar hij maakt het alleen nog maar erger, wat hij ook doet.’
Ze pakte haar hoed en haar wambuis. ‘Daar moet ik het mijne van hebben.’ Ze wilde de pijl door haar hoed steken, maar besloot bij nader inzien dat niet te doen; hoe minder opvallend ze eruitzag, hoe beter.
‘O, maar je moet er niet naar toe gaan!’ riep George uit, nog steeds in de toestand waarin alles een bedreiging leek. ‘Als ze woedend zijn of opgehitst, keren ze zich het eerst tegen Quakers!’
‘Wees maar niet bang,’ zei ze, en klopte hem op zijn schouder, een el boven de hare. Zo op het gevoel leek hij op een angstig paard. ‘Ik kan wel op mezelf passen. Maak jij intussen een kop thee voor je zuster, doe er wat peper in en een scheutje rum. Het water kookt al.’ Ze liep naar de deur, terwijl ze haar wambuis dichtreeg; daar draaide ze zich om en voegde eraan toe: ‘Eerlijk gezegd zou het geen slecht idee zijn als je zelf óók een kop nam. Doe er, in jouw geval, twee scheuten rum in.’ Hij keek haar aan met grote, verschrikte ogen; hij hield zich klaarblijkelijk met religieuze ijver aan het beginsel der geheelonthouding. De rum die ze gevonden had moest een nalatenschap van zijn fuivende vader zijn. Buiten kwamen van alle kanten mensen aangehold, op weg naar de kerk. Haar aanwezigheid scheen niemand te storen, ofschoon ze haar wel degelijk opmerkten; ze verkeerden blijkbaar
in een te opgewonden toestand om aandacht aan haar te besteden. Het portaal van de kerk was al stampvol; ze had moeite om binnen te komen. Toen het haar eindelijk lukte, samen met een groep rauwe en uitermate onaangename kinkels, zag ze dat de kerk tot de ramen toe gevuld was met mensen die opeengepakt zaten als haringen in een ton. De sfeer was eerder die van een menigte die wachtte op een hanengevecht dan op een godsdienstoefening. Een oude man in het zwart, met twee witte haarpieken als oren op zijn schedel, beklom de kansel en brulde: ‘Laat ons bidden!’ In de stilte die volgde maande hij de Heer der Heerscharen aan tot uitlevering aan Zijn volk van alle Hettieten, Filistijnen, afgodendienaars en heidens geboefte, ter verminking, vierendeling, verplettering en algehele verdelging. Hij gebood de Here Zijn uitverkorenen moed, vastberadenheid en heilig vuur te schenken, opdat zij Zijn werk mochten volbrengen. Wat de oude schavuit ook mocht zijn, hij was volleerd dierentemmer; al na zijn eerste woorden had hij zijn gehoor kennelijk in de palm van zijn hand.
George had gelijk: er was geen zweem van godsdienstigheid in wat hij zei; met dreigend gebalde vuisten en een stem die iedere zwijnendrij verswedstrijd zou kunnen winnen, bulderde hij dat zowel zijn geliefde zoon Petrus als James McHair de Quaker door plunderende Indianen was ontvoerd en dat nu eindelijk het ogenblik gekomen was om het werk des Heren uit te voeren, zijnde de slachting van iedere Indiaan, man, vrouw of kind, die ze maar te pakken konden krijgen. Hij wees van de kansel degenen aan die met de overvalgroep moesten meegaan en degenen die thuis moesten blijven om de vrouwen en kinderen te beschermen; hij vertelde de overvallers hoe ze moesten toeslaan, de Indiaanse dorpen omsingelen, net als Jericho, en de vrouwen hoe ze zich op alle boze mogelijkheden moesten voorbereiden. De preek werd een leergang in roofmoorden, in bijbelse termen gevat. ‘Hettieten,’ ‘Filistijnen’, ‘godloze heidenen’, ‘vuuraanbiddend uitvaagsel’ - het waren allemaal synoniemen voor ‘Indianen’. Bij iedere nieuwe benaming joelde en juichte de gemeente als het publiek bij een worstelwedstrijd, met nu en dan een ‘Amen’ als enig teken van besef dat dit een Godshuis was.
Het was zo'n schandelijke vertoning dat Gulielma in de verleiding kwam George Fox te imiteren en het godslasterlijke gebral te onderbreken, maar ze was, helaas, gebonden aan het beginsel van ‘de benadering van een conflict op de manier van de Vrienden’, niet alleen uit principe maar uit eigen ervaring. De agressieve benadering van George Fox maakte de zaak alleen maar erger, terwijl Margaret Fells geduldige begrip voor het standpunt van de vijand, dat nu de geijkte overredingsvorm van de Vrienden was, het gevolg had dat zelfs de meest gespannen situatie tot bedaren kwam, in plaats van het conflict te verscherpen. Ze luisterde naar het geschetter van de oude demagoog met een toenemend gevoel van wanhoop; toen hij ten slotte zijn gemeente liet gaan in een toestand van opwinding die aan razernij grensde, en uit zijn kansel klom, baande ze zich een weg tegen de stroom van stuwende lichamen in naar de achterdeur waardoor ze hem had zien verdwijnen. Ze nam aan dat die deur naar de consistoriekamer leidde; toen
ze hem opende zag ze echter een overdekt tuinpad dat naar de pastorie voerde. Ze liep naar het huis en klopte op een glazen deur. Er kwam geen antwoord, afgezien van het dreigende geblaf van een hond, daarom ging ze maar naar binnen, zonder uitgenodigd te zijn. De hond kwam uit de duisternis op haar toespringen; ze sprak vriendelijk tegen hem in het Algonkiaans, om hem te vertellen dat ze zijn staart zou afhakken en in zijn strot zou duwen als hij zijn brutale bek niet hield; het was niet bepaald de benadering van een conflict op de manier van de Vrienden, maar in het geval van honden werkte het probaat. De ruige bluffer bond onmiddellijk in; niet echter zijn baas, die in een deuropening aan het eind van de donkere gang verscheen en nijdig riep: ‘Wie is daar? Weet je niet dat ik zonder afspraak niemand van de gemeente ontvang?’
‘Goedemorgen, Vriend,’ zei ze met de schijnheiligheid die, helaas, het doeltreffendst was gebleken als ze opgewonden krankzinnigen of vurige profeten wilde kalmeren, tussen welke het verschil minder scheen te worden naarmate ze ouder werd, ‘ik zou graag eens met je willen praten over je preek, als dat mag.’
Hij brieste: ‘Wie bent u? Wat betekent dit, zo maar mijn huis binnen te dringen?’ Maar zijn zelfverzekerdheid had plaats gemaakt voor de behoedzaamheid van zijn waakhond.
Ze stapte in het licht, gunde hem een stralend lachje en zei minzaam: ‘Doctor Gulielma Woodhouse, arts. Ik kom net uit de prairie en ben op weg naar Philadelphia. Ik heb toevallig je preek gehoord, en ik zou graag mijn diensten willen aanbieden.’
Als iemand háár op deze kwezelachtige manier had aangesproken zou ze hem onmiddellijk hebben gewantrouwd; maar de gevoeligheden van de oude man waren kennelijk door al die rauwe emoties afgestompt. Hij probeerde haar scherper te zien, met en zonder behulp van een bril die op het puntje van zijn neus hing; hij had blijkbaar een nieuwe nodig, want geen van beide pogingen leek succesvol. Ten slotte liet hij haar zijn studeerkamer binnen, zij het met tegenzin.
Het was een kleine kamer met boeken, een schrijftafel, twee gammele paardeharen stoelen en een witte kwispedoor waarin hij, toen hij ging zitten, een straal tabakssap mikte. Hij moest jaren van oefening achter de rug hebben, want ondanks zijn gebrekkig gezichtsvermogen raakte hij de roos. ‘Wat bedoelt u, juffrouw - eh, dokter,’ gromde hij, ontoeschietelijk. ‘Wat voor soort “diensten” had u in uw hoofd?’
‘Och, ik weet het niet,’ antwoordde ze luchtig terwijl ze in de andere paardeharen stoel tegenover hem ging zitten, die scheen te janken toen ze dat deed. Het moest de hond zijn, die onderdanig naast de stoel van zijn baas was gaan liggen. Ze fluisterde hem, met een huichelachtig lachje, iets toe in het Algonkiaans.
‘Wat zegt u?’
‘Ik praatte tegen je hond, Vriend Paisley. Ik stelde hem gerust met de verzekering dat ik zijn vriend ben, en ik hoop dat ik jou daar eveneens mee
gerust kan stellen.’
Maar zo gemakkelijk liet hij zich niet paaien; per slot van rekening was ze nu bezig in zijn vak te liefhebberen. ‘Laten we er geen doekjes om winden, juffrouw,’ zei hij, zonder een zweem van vriendelijkheid. ‘Als het uw bedoeling is de mensen van dit dorp ervan af te brengen hun doden te wreken, laat ik u dan meteen vertellen dat u zich de moeite kunt besparen. Dus ik zou uw kritiek maar achterwege laten.’
‘Doden?’ echode ze met slechtgespeelde verbazing. ‘Ik wist niet dat er lijken waren gevonden.’
‘Zoals u heel goed weet, juffrouw, hoeven we geen lijken te vinden om te weten wat er met mijn arme zoon gebeurd is. Als u bent wie ik denk dat u bent, dan zou u moeten weten dat Indianen geen jonge mannen ontvoeren om een losgeld, maar om ze dood te martelen.’
‘Ik bedoelde het niet als kritiek, ik wilde alleen maar volledig ingelicht zijn.’
‘Waarom?’
Het was een goede vraag. Een goede vraag verdiende een goed antwoord. Gedragslijn nummer een: ‘Gebruik een medemens nooit als middel, alleen maar als doel.’ Met andere woorden: vereenzelvig je met je tegenstander. Ze zei, met het gevoel van plotseling gezag dat de eerste Vrienden optimistisch omschreven hadden met de term ‘in de kracht Gods te zijn’: ‘Vriend, ik geloof dat ik, van alle mensen die vanmorgen bij je in de kerk zaten, waarschijnlijk degene ben geweest die je het best heeft begrepen. Je bent de herder van een bevolking die niet uit je Schots-Ierse gemeente bestaat maar uit vrijgemaakte galeiboeven, souteneurs, hoeren, rovers, moordenaars, het uitvaagsel van de mensheid. Geen enkele man Gods zou een ondankbaarder kudde onder zijn hoede kunnen krijgen.’ Zoals ontelbale malen eerder was gebeurd, voelde ze, ondanks haar cynisme, het begin van dat geheimzinnige identificatieproces dat de voorwaarde was voor het opwekken van de geest van wederzijds begrip, de enige geest waarin een conflict kon worden opgelost.
De oude man moest iets anders hebben gevoeld dan de haat waarmee de kamer gevuld was. Hij leunde achterover in zijn stoel en keek, onwillig gefascineerd, maar de vage schim die zij voor zijn bijziende ogen moest vormen. ‘Bedankt voor uw bezorgdheid, juffrouw, maar laten wij ter zake komen. Zoals u moet weten, zijn we nu bezig expedities uit te sturen om de slachtoffers te zoeken...’
‘Als dat inderdaad het oogmerk is, Vriend,’ viel ze hem in de rede, ‘dan zal ik graag meegaan, met welke taak ook die je me zou willen opleggen. Maar in de kerk had ik het gevoel dat je woorden, wat je bedoeling ook mag zijn geweest, door je gemeente werden uitgelegd als een oproep tot een massale slachtpartij, met onbeperkte vergunning vrouwen en kinderen te vermoorden.’ Dit was gedragslijn nummer twee van de benadering van een conflict op de manier van de Vrienden: ‘na je met je tegenstander te hebben vereenzelvigd, spreek de waarheid, ook tegen de machthebbers’. Het feit dat
ze wist wat er met zijn zoon was gebeurd, gaf haar een gevoel van schuld - een ogenblik stond ze op het punt het hem te vertellen. Maar ze verwierp de gedachte; op dit moment zou de onthulling alles alleen maar erger maken. ‘Ik betreur het diep dat je zoon...’
‘Of het mijn zoon of andermans zoon betreft is van geen belang,’ zei hij onaangedaan. ‘Wilt u ter zake komen, óf me met rust laten?’.
‘Vriend,’ zei ze, ‘ik zou een grote ezel zijn als ik hier was gekomen om je te vertellen wat je moet doen, of je met mijn privé-mening te vervelen. Maar misschien kan het zin hebben te luisteren naar een buitenstaander, die net uit de prairie komt, en die praktisch gesproken onder de Indianen leeft? Mag ik, op die basis, een paar minuten van je tijd vragen?’
De oude man zuchtte en zakte onderuit in zijn stoel. Zijn hond, alsof hij zijn evenbeeld in de dierenwereld was, zuchtte ook en legde zijn kop op de voorpoten. De dominee nam zijn nutteloze bril van zijn neus, wreef zijn ogen uit en zei: ‘Dokter, of juffrouw, wat dan ook, u bent de volleerdste leugenaar die ooit in die stoel heeft gezeten.’
‘Leugenaar, Vriend? Hoezo?’
‘Omdat al dit vrome gebabbel alleen maar dient om, net als een vos, uw spoor met uw staart uit te wissen. Waarom bekent u niet eerlijk: “Zelfs al moet ik er voor kruipen en flikflooien, ik zal proberen die oude man ervan te weerhouden mijn Indianen kwaad te doen, wat ze ook op hun geweten mogen hebben.”?’
Ze glimlachte. Het faalde nooit: daar zat hij, na al deze jaren zowaar bezig zich met iemand anders te vereenzelvigen, in een geest van begrip. Ze vroeg zich af hoe lang geleden hem dit voor het laatst was overkomen. ‘Vriend,’ zei ze, ‘natuurlijk was dat mijn eerste gedachte toen ik hier binnenkwam. Maar er bestaat zo iets als onder de invloed komen van de kracht Gods. Om daar absoluut zeker van te zijn, zou ik willen voorstellen een paar minuten in stilte bij elkaar te zitten, want waar twee of drie vergaderd zijn in Zijnen naam, daar is Hij in het midden van hen.’ Ze sloot haar ogen, vouwde haar handen in haar schoot en boog haar hoofd; gedragslijn nummer drie: ‘Tracht je tegenstander ertoe te brengen om samenkomst met je te gaan houden.’ Onmiddellijk voelde ze hoe zich de stilte tussen hen verdiepte. Het was niet langer de negatieve afwezigheid van enig geluid; er was een plotselinge Tegenwoordigheid tussen hen, een geestelijke kracht. Ze wilde woorden formuleren, een gebed, maar de Tegenwoordigheid was van een zo overweldigende werkelijkheid dat de behoefte haar verliet. Het enige dat ze wilde, terwijl ze daar zat, omringd door de oneindige oceaan van licht en liefde, was zich als een vaartuig over te geven aan de zachte drang van de stroming.
Ze bleven minutenlang zo zitten; toen, als bij het einde van iedere samenkomst, reikte zij hem de hand. Hij drukte die, behoedzaam; daarna vluchtte hij in een verlegen vertoon: bril afnemen, glazen beademen, ze met de punt van zijn jas oppoetsen, bril weer opzetten. Inmiddels had hij zijn houding ten dele hervonden.
‘Afgezien van dit alles, wat hebt u me te zeggen, dokter?’ vroeg hij. Het klonk nog altijd agressief, maar was het niet meer. Door het geheimzinnige proces waren alle geweld en eigengerechtigheid uit de atmosfeer weggezuiverd; zij benaderden elkaar nu, hoe kort ook, in een geest van verdraagzaamheid.
‘De Indianen sturen op een oorlog aan,’ zei ze. ‘Ze wachten alleen nog maar op een vonk die de tondel zal ontsteken. Alleen de Delawares aarzelen nog, dat is de stam met wie William Penn zijn eerste verdrag sloot, na tweeënzeventig jaar zijn ze nog altijd onwillig het te verbreken. Naar mijn overtuiging is er maar één kans dat oorlog kan worden vermeden, en dat is wanneer iedereen aan onze kant zich gedraagt met uiterste zelfbeheersing en verantwoordelijkheid.’
‘Dat klinkt allemaal heel mooi...’ begon de oude man, maar ze viel hem in de rede.
‘Laat me alsjeblieft uitspreken, Vriend. Ik ben niet gekomen om je over te halen, ook niet om samen met jou naar een oplossing te zoeken, maar om te zeggen wat ik te zeggen heb en het dan aan jou over te laten om je door het Licht te laten leiden. Het kan Gods wil zijn dat er oorlog komt; het is niet aan mij om te zeggen wat Zijn wil is en wat niet. Op een ogenblik zoals dit is de enige verantwoordelijke houding die een christen kan innemen volledige overgave aan het Licht. Wat zouden de consequenties zijn als jouw gemeente, op jouw aandringen, een Indiaans dorp zou aanvallen? Zeventien stammen, met oorlogskleuren beschilderd, met pijlenin hun kokers en stampvoetende paarden, staan klaar om bij duizenden over de bergen te komen aanstormen en ieder bleekgezicht, man, vrouw en kind te doden en te scalperen. Wat voor gewelddadigheid je mannen ook zouden kunnen ontketenen, dit dorp zou onmogelijk de vloedgolf van dood en vernietiging kunnen weerstaan die daar binnen enkele uren het gevolg van zou zijn. Als Vriend mag ik geen eed afleggen, maar je moet me geloven als ik je bevestig dat je preek van vanochtend, tenzij je onmiddellijk tegenmaatregelen neemt, de rechtstreekse oorzaak zal zijn van de marteldood van iedere levende ziel die er in je kerk naar je zat te luisteren. Wat jij die mensen hebt voorgehouden, Vriend, mag dan de wil van God zijn, maar die kan in dat geval alleen maar worden uitgelegd als Gods vaste besluit om Loudwater het lot van Sodom en Gomorra te laten delen. Als het inderdaad je overtuiging is dat je zondige kudde verdient te worden uitgeroeid, zo zij het.’ Ze stond op. ‘Ik zal er geen oordeel over uitspreken, Vriend,’ besloot ze, ‘want het is een kwestie tussen jou en God. Goedendag.’ Ze draaide zich om naar de deur, bereid om zonder verdere discussie te vertrekken.
Maar hij hield haar staande. ‘Wat wilt u dat ik doe?’ riep hij boos uit, alsof hij haar voor zijn benarde positie verantwoordelijk stelde. ‘Twee van mijn dorpelingen zijn verdwenen, spoorloos! Natuurlijk hebben de Indianen hen ontvoerd! Moet ik soms in hun verdwijning berusten?’
Weer voelde ze zich een ogenblik lang schuldig. Moest ze hem vertellen wat ze wist? Intuïtie, of het Licht, gebood haar het niet te doen. ‘Vriend,’
zei ze, ‘het is duidelijk wat je moet doen. Roep je mensen bij elkaar en laat ze net zolang blijven zoeken naar de vermisten tot die gevonden zijn, dood of levend. Maar waarschuw hen geen Indiaan een haar te krenken.’ Ze voegde eraan toe: ‘Ik zal graag een expeditie leiden om naar de oude James McHair te gaan zoeken, ik geloof dat ik een idee heb waar hij is; organiseer jij de groep die naar je zoon gaat zoeken. Laten we ons vierentwintig uur de tijd gunnen; als daarna geen van beiden gevonden zijn, praten we verder. Wat vind je daarvan?’
Hij keek haar somber aan, net als zijn hond. ‘En hoe word ik geacht dit tegenover mijn gemeente te rechtvaardigen?’ vroeg hij, niet in staat de deemoed in zijn vraag te versluieren.
‘Vriend,’ zei ze met een stalen gezicht, ‘ik ben niet hier gekomen om je te vleien, maar je bent een meester in het hanteren van je gemeente. Geef wéér een preek, maar ditmaal uit het Nieuwe Testament.’ Daarna, zonder op zijn antwoord te wachten, liet zij hem alleen met zijn hond en zijn God.
Toen ze buitenkwam en de woedende menigte rond de mannen en paarden van de moord-expeditie zag wemelen, vreesde ze dat de oude dominee weleens boze krachten kon hebben ontketend die zelfs hij niet meer kon intomen. De opgewonden, opgezweepte menigte wilde kennelijk bloed zien; de massale waanzin van de mens was weer eens ontketend, de vloek van de enige diersoort ter wereld die zijn soortgenoten verslond. Maar zelfs als dominee Paisley in staat zou blijken hen in bedwang te houden, zou ze een groepje bereid vinden om naar een kindse oude Quaker te gaan zoeken, gezien de toestand waarin de mensen nu verkeerden? De enige kans die ze had was wanneer ze hun kon vertellen wáár ze naar de oude Jim moesten gaan zoeken; maar daar had ze zelf geen notie van. Misschien hadden zijn kleinkinderen enig idee.
Ze ging terug naar de blokhut, waar ze Himsha zittend in bed aantrof, met een kroes thee. George was zó giechelend onbekommerd dat ze tot de conclusie kwam dat hij haar recept inderdaad had toegepast. ‘Hallo daar, Tante Gulie!’ riep hij, leutig, alsof het de eerste keer was dat ze elkaar die dag ontmoetten en het hem deugd deed haar te zien. ‘Kom binnen! Wil je een mokje donder en bliksem thee?’
‘Nee, dank je,’ antwoordde ze. ‘Hoe is het met onze patiënte?’
‘Zoals je ziet: zo monter als een veulen!’
Dat was overdreven; Himsha zag er bleek en nog altijd geschokt uit. Gulielma ging naar haar toe en nam haar hand. ‘Blij te zien dat je een beetje tot jezelf komt, Himsha,’ zei ze vriendelijk.
‘Tot zichzelf komt?’ riep de jonge stier achter haar, zijn stem een echo van de oorverdovende bek die zijn vader kon opzetten, ‘straks holt ze de wei in om een gat in het hek te zoeken!’
‘Stil jij,’ vermaande ze hem, en duwde zijn kolossale lichaam naar de enige stoel in de kamer. ‘Ik moet eens met je praten.’
‘Met me praten, Tante Gulie? Ik zou liever een horlepiep met je dansen!’ Zijn beschonkenheid zou roerend van onschuld zijn als hij niet zo groot
was. Zodra dat osselijf in beweging kwam, werd het gevaarlijk.
‘Stil,’ zei ze, en ze slaagde erin hem in de stoel te drukken, ‘ik moet je iets vragen. Het is belangrijk.’
‘Belangrijk,’ herhaalde hij, ernstig.
‘Ik probeer een nieuwe expeditie op touw te zetten om naar je grootvader te gaan zoeken, maar daar krijg ik niemand voor tenzij ik ze kan vertellen dat ik wéét waar ze hem kunnen vinden.’
Hij knikte; zijn ogen stonden troebel. Hij kon ook weleens slachtoffer zijn van een vertraagde schok; zijn jeugd was vreedzaam geweest, dank zij de Pax Amicorum waarin hij was opgegroeid. Zijn zenuwen waren kennelijk minder taai dan die van zijn vader.
‘Luister nu eens goed, George. Kindse mensen hebben de neiging om naar hun kindertijd terug te keren; er is kans dat je grootvader ergens heen is gedwaald waar hij als kind gespeeld heeft. Is er nog iemand in leven met wie hij als jongetje speelde? Die zou de enige zijn die me zou kunnen vertellen waar ik zoeken moet. Begrijp je?’
‘Ja, Tante Gulie, ja, ja...’ Hij knikte lodderig en staarde naar haar mond; hij had helemaal niet geluisterd, maar was geboeid door het bewegen van haar lippen.
Ze schudde hem bij de schouders. ‘George! Luister! Leeft er nog iemand die met je grootvader speelde toen hij een kleine jongen was? Is er zo iemand hier in het dorp? Denk na!’
Hij wilde haar dat plezier dolgraag doen, maar kon zich niet concentreren. ‘Ik - ik weet het niet...’ bazelde hij.
‘Denk na, broze zuiplap die je bent!’ Ze hoopte dat het Quaker-woord ‘broos’ meer uitwerking op hem zou hebben dan ‘verdomd’. Maar hij was, helaas, niet meer bij de tijd. ‘Denk na...’ zei hij met dikke tong, sloot zijn ogen en leunde achterover in zijn stoel. ‘Denk na...’ En dat was alles. Zijn alcoholische kleutertijd had maar even geduurd; nu was hij terug in de moederschoot. Hij zou onderuitgezakt in die stoel blijven liggen, een reusachtige, gelukzalige foetus, tot hij zijn roes had uitgeslapen en weer in de angstaanjagende wereld wakker werd.
Ze stond op hem neer te kijken, en krabde haar hoofd. Ze kon de gedachte om de oude Jim te gaan zoeken nu wel opgeven. Wat nu? Dat het dorp zou worden aangevallen leek nu onvermijdelijk; ze moest die twee hier weg zien te werken, zo gauw mogelijk. Maar hoe kon ze de massa wezenloos vlees die in de stoel lag te snurken overeind krijgen? Ze wendde zich tot het meisje. ‘Liefje, we moeten onze spullen gaan pakken, het ogenblik is gekomen om hier weg te gaan.’
‘En Grootvader dan?’ vroeg het meisje.
‘Ik vrees dat we hem moeten vergeten.’
‘O...’
‘Je hebt gehoord wat ik tegen je broer zei: het heeft geen zin om te proberen een nieuwe groep bij elkaar te trommelen als ik niet weet waar ik zoeken moet, en ik heb er geen flauw benul van.’
‘O...’
‘Onder ons gezegd, hij zal hoogstwaarschijnlijk wel dood zijn. Als hij niet uit zichzelf bezweken is, bestaat er alle kans dat een luipaard hem te pakken heeft gekregen. Hoe dan ook: ik moet nu voor de levenden zorgen en hen proberen in leven te houden.’
‘Oom Adelaar zal wel weten waar hij is,’ zei het meisje zacht.
‘Wie is dat? O, Eenzame Adelaar, ja. Waarom zou hij het weten?’
‘Hij past altijd op Grootvader als die wegloopt. En ze kennen elkaar al heel lang. Ze hebben samen gespeeld toen ze klein waren.’
‘Waar vind ik hem?’
‘Je vindt hem nooit. Hij vindt jou.’
‘Waar?’
Het meisje keek haar aan met haar grote zwarte ogen. Het was duidelijk dat ze geen halfbloed was; alleen Indianen keken zo. Zoals ze daar zat, haar fijne arendsgezichtje omlijst door die zware vlechten, was ze een wezen uit een andere wereld. Ze zei kalm: ‘Ga naar het oude Vergaderingsgebouw.’
‘Wat bedoel je? Gewoon daar naar toe gaan, en op hem wachten?’
‘Ja.’
‘Hoe kan hij weten dat ik daar ben?’
‘Hij zal het weten.’
Die Indianen! ‘Ik begrijp 't,’ zei ze. ‘Jij zult het hem vertellen.’
Het meisje schudde haar hoofd en er begonnen onverhoeds weer tranen langs haar wangen te rollen. ‘Goed, kindje, goed,’ zei Gulielma, en streelde haar haren. ‘Ik ga naar het Vergaderingsgebouw.’ Ze liep naar de deur. ‘Je moet de deur maar op de grendel doen. Als ik terugkom, zal ik me wel bij dat raam daar laten zien.’ Ze wachtte niet op een antwoord; ze had opeens genoeg van hen allebei.
Buiten lag de straat verlaten in het zonlicht. Het was maar gelukkig dat iedereen in het dorp voor de pastorie stond te delibereren; dit was niet het ogenblik voor een Indiaan om zich te vertonen. Het was een opluchting langs de straat te lopen zonder door een joelende menigte te worden gevolgd; het deed haar aan vroeger denken, toen de hele bevolking uit Vrienden had bestaan. Wat was dat een goede tijd geweest! De Quakergezinnen van Loudwater hadden generaties lang ongewapend te midden van Indianen geleefd. De Indianen hadden hen in de strenge winters aan voedsel geholpen en de blanke jongens de kunst van het jagen geleerd; de Indiaanse kinderen hadden de dorpsschool bezocht en als de Vrienden naar de Jaarvergadering gingen lieten ze hun kleuters achter onder de hoede van de Indianen. Het resultaat was mensen als Bizon McHair, die door de Indianen werden behandeld als hun eigen stamgenoten, in die mate zelfs dat een van hen nog altijd als een beschermengel over dit gezin waakte.
Het oude Vergaderingsgebouw stond op de begraafplaats, weggedoken in de schaduw van zacht suizelende lindebomen. Het was zo rustig, zo stil daar aan de rand van het bos, dat ze duidelijk het melodieuze geklater kon horen
van de kleine waterval die het dorp zijn naam had gegeven. De laatste keer dat ze in het gebouw was geweest was als jonge vrouw, die haar eerste tocht naar de wildernis maakte en haar hele leven nog voor zich had. Ze had deelgenomen aan de samenkomst; ze herinnerde zich hoe ze te midden van het kleine, stille groepje bejaarde Quakers had zitten denken aan de legendarische John McHair, die dit primitieve huis eigenhandig gebouwd had. Hij moest het samen met zijn geheimzinnige stomme jonge vrouw hebben gedaan, alleen het bos zijn ingegaan om de zware stronken aan te slepen, moeizaam en zwaar werk dat eindeloos moest hebben geduurd. Maar het resultaat had nu bijna een eeuw gestaan en het zag er nog steeds niet uit alsof het in zou storten. Het was overwoekerd met kamperfoelie; wilde wingerd had zich om de zuiltjes van de voorgalerij gewonden, waar ze, zo herinnerde ze zich, na de samenkomst met de vrouwen had staan praten. Ze beklom het wrakke trapje en bekeek de zuiltjes die de oude stroper uit ontschorste boomstammen moest hebben gesneden. Ze had ze die vorige keer niet goed bekeken, omdat ze toen uitsluitend met zichzelf bezig was geweest. Ze waren verrassend sierlijk en zuiver van vorm voor een man met maar één hand.
Ondanks de onbruik en vervallenheid, ademde het gebouwtje een sfeer van vrede en onthevenheid; het was nog altijd een Godshuis. De deur met de gebarsten leren scharnieren hing op een kier; toen ze hem opentrok ging dat gepaard met een luid gekraak in de stilte.
Binnen was het donker. Woekerplanten hadden de ramen overdekt en een groene schemering geschapen als van een wereld onder water. De vloer was bedekt met stof en bezaaid met oude flessen, vodden en de uitwerpselen van generaties vleermuizen; het enige dat ze in de duisternis kon onderscheiden waren de schimmen van een stapel vaten die de vensters ten dele maskeerden en een stapel tegen de muren opgetaste kerkbanken. Twee stonden er nog overeind, tegenover elkaar; ze ging op een ervan zitten en sloot haar ogen. De God van haar meisjestijd scheen overal om haar heen te zijn terwijl ze daar zat, bij de zonsondergang van haar leven, op dezelfde plek waar ze bij de zonsopgang gezeten had. Ach, de dromen, de illusies! Alles in haar was gericht geweest op de gezichtloze minnaar die had schenen te wenken aan het eind van het spoor dat de wildernis invoerde. Nu, veertig jaar later, zat ze hier weer: een verweerde oude vrouw die het eerste heimelijke knagen van de dood in haar maag voelde, en nog altijd volgde ze dat spoor. Wie zou hij blijken te zijn, die minnaar? God? De dood? Het deed er niet toe. Sub specie aeternitatis, deed niets ertoe wat op de planeet gebeurde die Aarde heette, dat kluitje stof met zijn vluchtige schepselen in de onvoorstelbare uitgestrektheid van de ruimte tussen de sterren. Maar terwijl de doodsangst haar bekroop vanuit de schaduwen vol geesten uit het verleden, hield ze zichzelf voor dat dit het misverstand was dat ze haar hele volwassen leven bestreden had: het naar menselijke maatstaven afmeten van de waarden van het heelal. Het enige brein dat de betekenis daarvan kon bevatten was het brein van God. Waarom deze angst van de mens voor het
onbekende einddoel, terwijl hij er nooit aan dacht zich met dezelfde angst af te vragen waar hij vandaan kwam? Was ze niet op weg naar dezelfde duisternis, of hetzelfde licht, waaruit ze vierenzestig jaar geleden ontstaan was? Dezelfde oceaan van licht en liefde, die eens het vonkje leven dat Gulielma Woodhouse werd gedoopt had vo