George McHair kwam tegen de avond in Philadelphia aan en ging meteen naar het huis van zijn oom Peleg, de enige onder zijn familieleden in de stad bij wie hij onaangekondigd voor de deur kon verschijnen.
Peleg riep de volgende ochtend een spoedbijeenkomst van de Commissie voor Indiaanse Zaken bijeen; zodra dit doorluchtige lichaam twintig minuten van woordeloze samenkomst achter de rug had bracht George zijn rapport uit en was ontzet over het gebrek aan reactie. De zwaarwichtige Vrienden van de Commissie reageerden op Tante Gulielma's wanhopige smeekbede om daden met gebeden, retorische vermaningen onderbroken door perioden van stille overpeinzing; zelfs Joe Woodhouse bleek geen benul te hebben van de ernst van de situatie onder de Indianen.
De Vergadering kon tot geen andere leiding besluiten dan dat George McHair zich bij Joseph Woodhouse en Barzellai Tucker diende te voegen als lid van de landmetingsexpeditie die de volgende ochtend zou vertrekken. Na afloop van de Vergadering gaf elk Commissielid de beide jeugdige afgevaardigden zijn vaderlijke zegen, met het vermaan ‘Het Licht te volgen’; Oom Jeremia verzekerde George, op weg naar huis, dat ‘de Quaker-molen dan misschien langzaam mag malen, maar ze maalt uitermate fijn’. In gedachten zag George hem al gescalpeerd en ontmand, net als Eenzame Adelaar, en zijn ontsteltenis ging in wanhoop over.
Het gezelschap waarmee Joe Woodhouse en hij de volgende ochtend vertrokken, beloofde wat gevoel voor werkelijkheid betrof niet veel beters. Het was een on wereldse karavaan, van jeugdige Anglicaanse fatten in stadskledij, compleet met gesteven kragen, mouwopslagen en gepoederde pruiken, vergezeld door negerslaven, een draagbare wasserij, een opvouwbare badkamer, een speciale tent om er 's avonds bezique in te spelen en een apart hokje voor het poederen van hun pruiken. Het leek meer op de hofstoet van een Turkse sultan dan op een expeditie naar de wildernis van Noord-Pennsylvanië. Wat George het meest verontrustte was het peloton Hessische huurlingen dat hen vergezelde om de expeditie te beschermen. Niemand wist precies waartegen ze beschermd moesten worden, maar één ding zou het peloton zeker doen, en dat was ergernis verwekken bij de Indianen nog voor er een woord gesproken was.
George zelf werd door de groene stadsheertjes enigszins neerbuigend behandeld, evenals de tolk, Barzellai Tucker, met wie neef Joe en hij een tent zouden delen. De tent bleek heel wat eenvoudiger te zijn dan het luxueuze bouwsel waarin de jonge snuiters de nacht en een groot deel van
de dag sluimerend doorbrachten; de expeditie ging iedere ochtend pas laat op pad, aangezien ze tot diep in de nacht zaten te kaarten, bediend door negers die rondliepen met flessen wijn en pasteitjes, in een daartoe afzonderlijk meegebrachte wagen door een banketbakker bereid. George nam aan dat hij niet door het voorname gezelschap in de speeltent werd uitgenodigd omdat hij Quaker was, maar hij ontdekte alras dat dit niet het onderscheid was dat de jeugdige Anglicaanse heren maakten. Op de allereerste dag werd zijn neef Joe Woodhouse uitgenodigd bij hen te komen zitten en tot Georges verontwaardiging nam hij de uitnodiging aan; ondanks de officiële notule van de Maandvergadering die alle muziek, dans en kaartspel als lichtzinnig veroordeelde, evenals pruiken of hupse hoofddeksels. Joe zat te midden van de feestvierders in zijn strenge Quaker-kledij, zonder pruik, maar het leek nog slechts een kwestie van tijd voor hij ook in hun wereldse kleding met de anderen zou meedoen. De manier waarop hij hen flikflooide maakte George zo woedend dat hij op hun tweede kampavond het onderwerp aanroerde ten overstaan van Barzellai Tucker die, als Vriend, al net zo onthutst over het schouwspel moest zijn als hij.
Barzellai, een sombere kleine man met een schoolmeesterachtig voorkomen, was het met hem eens, maar op een nogal ontmoedigende manier. Hij bleek een ‘steile’ Quaker te zijn, overtuigd van de totale verdorvenheid en verworpenheid van de wereld, een houding die door vele Vrienden gedeeld werd. In zijn ogen was Joe's afvalligheid een bewijs te meer dat het Genootschap der Vrienden ofwel naar George Fox' oorspronkelijke versie van Quakerisme moest terugkeren, of tot ondergang gedoemd was. Het door hem opgeroepen beeld van het toekomstige Genootschap leek akelig veel op een klein, eigengerechtig groepje Barzellai Tuckers, die met hun azijnzure vrouwen en schijnheilig kroost boze blikken op de boze wereld wierpen vanachter een heg die bedoeld was om hen ‘zuiver’ te houden.
Van verveling slenterde George naar het andere middelpunt van gemeenschappelijke activiteit in de duisternis: een groot kampvuur waar de mindere leden van de expeditie bijeenzaten, terwijl op de achtergrond soms vage flitsen zichtbaar waren van het goudborduursel en de knopen van de huurlingen, die tot een nog lagere klasse behoorden en aan de periferie van het kamp bivakkeerden, bijna als uitgestotenen. George knoopte een praatje aan met de gids, die zo onder de indruk bleek te zijn van het feit dat hij Bizon McHairs zoon was, dat hij hem aan de andere leden van de groep voorstelde en uitvoerig over zijn vader begon te vertellen, tot vermaak van de mannen en Georges toenemende woede, want het door de gids opgeroepen beeld was dat van een dronken bullebak en onverzadigbare vrouwenjager. De toehoorders brulden van het lachen bij deze beschrijving van een Quaker, maar toen George over zijn tante Gulielma begon, in een poging het beeld recht te trekken, nam de gids het gesprek opnieuw over. In zijn versie werd de vrome vrouw, die haar hele leven gewijd had aan de verzorging van de Indianen, ‘Pissende Gulie’ genoemd: een toebackpruimende, zuipende, mannen-vretende amazone, stamzuster van scalpen-
jagende wilden, drinkgenote van het boeventuig dat de prairie afschuimde tussen de bergen en de Mississippi. Hoe was het mogelijk dat iemand een heel leven lang een voorbeeld en een inspiratie kon zijn en door lieden als deze bosezel als een karikatuur kon worden getekend? Toen de man over haar amoureuze exploten begon te vertellen, en beweerde dat ze een man die haar aanstond met haar lasso ving, op zijn rug op de grond smakte en opzat, om hem na afloop hijgend en scheel van schrik in het prairiegras te laten liggen met zijn broek op zijn enkels, hield George het niet langer uit. Hij stond op, een kolos in het rusteloze schijnsel van de vlammen, en zei met dreigende basstem tegen de verteller: ‘Vriend, je bent een leugenaar en een lasteraar. Ik wens je welterusten, maar hou de volgende keer je tong in bedwang of het zal slecht met je aflopen.’ Zijn omvang en het feit dat hij een zoon van Bizon McHair en een neef van Pissende Gulie was, weerhielden de groep rondom het kampvuur van protest of spot; pas nadat hij weg was legde de gids uit dat de tante haar bijnaam te danken had aan het feit dat ze, zonder valse schaamte, bij een door mannen omringd kampvuur wegliep om in vol zicht aan de rand van het bos haar behoefte te doen. Op iemands vraag waarom ze zich niet een eindje verderweg afzonderde, had ze eens geantwoord: ‘Dankjewel, Vriend; ik laat liever een stel pummels als jullie mijn achterwerk zien dan er een ratelslang in te laten bijten.’ Haar neef was blijkbaar een waardig lid van de familie.
Zich niet bewust van de indruk die hij gemaakt had, slenterde George gemelijk in de richting van de tent. De paarden in de kraal aan de rand van het kamp hinnikten rusteloos. Hij liep erheen om poolshoogte te nemen en zag Betsy verontrust langs de omheining draven, nu en dan stilstaand om met opengesperde neusgaten de nachtlucht op te snuiven. Er was maar één ding waar de Indianen niets tegen konden doen, en dat was de lucht van hun mustangs, ook al hadden zij ze afgericht nooit een kik te geven. Toen George de tent binnenbukte, lag Barzellai Tucker, zijn slaapmuts op het hoofd, bij het schijnsel van de lantaarn te lezen in Barclays Apologie van de Beginselen der Quakers.
‘Joe Woodhouse nog niet terug?’
Barzellai Tucker plaatste nadrukkelijk zijn vinger op de plek waar hij in zijn lectuur gestoord werd en antwoordde: ‘Niet dat ik weet. Kijk achterin.’ George tilde de paardedeken op die over een touw hing om de tent in twee helften te verdelen. De twee veldbedden achterin waren leeg. Achter hem merkte Barzellai Tuckers ietwat pedante stem op: ‘Maak je niet kwaad omdat ik jullie tweeën daar heb ondergebracht; ik ben er zeker van dat je gauw het rijk alleen zult hebben.’
George trok zich somber in de kleine ruimte terug. Hij kroop in bed; toen hij zich in volle lengte uitstrekte, staken zijn voeten onder de deken uit in Barzellai Tuckers gedeelte van de tent. Hij bleef, volledig gekleed, naar het tentdak liggen staren dat langzaam in de wind opbolde alsof het ademde. Hij wist, evenals Betsy, dat de Indianen vlak bij waren. Ze moesten vol afkeuring de fratsen gadeslaan van de jongelui met hun gepoederde pruiken
en hun stadskleren, hun modekreten als ‘drommels!’ en ‘sakkerloot!’, hun codewoorden als ‘struis deerntje!’ en ‘kijk aan!’ en ‘eilieve!’, elkaar ‘mijnheer’ en ‘uw nederige dienaar’ noemend en bezique spelend tegen hoge inzetten, allemaal dingen waar de afvallige Joe Woodhouse enthousiast aan meedeed. George zuchtte; neef Joe was hard bezig een evenbeeld van zijn broer Abe te worden, een ‘natte’ Quaker van jewelste: een Vriend alleen in naam. Toch vertegenwoordigden de Woodhouses en andere Quaker-prinsen als zij de werkelijke macht in de Philadelphiase Jaarvergadering; als zij ooit kwamen te vallen, zou het hele Genootschap in Pennsylvanië met hen ondergaan. Er was, die nacht, voor zover George kon zien, geen enkele manier om te voorkomen dat dit zou gebeuren.
***
Joe Woodhouse was volslagen onder de bekoring gevallen van de sybaritische leefwijze, de hoofse manieren, de modieuze kleding en de sprankelende conversatie van zijn Anglicaanse metgezellen, en hij begon te begrijpen waarom zijn broer Abe deze geciviliseerde kornuiten verkozen had boven de kwezelachtige Quaker-knapen van zijn generatie.
Joe was voorbereid geweest op een moeizame reis waarop hij nooit uit de kleren zou komen, gedroogd vlees zou moeten eten en vies brak water drinken; zelfs in zijn wildste dromen had hij geen madeira bij zonsondergang verwacht, soupers van vijf gangen met wijn, gevogelte, wildbraad, zes verschillende groenten, gevolgd door tabak, mokka, cognac en, ten slotte, bezique, waarbij de inzetten hoog maar onbelangrijk waren. Hij werd vooral geïmponeerd door de openhartigheid van zijn reisgenoten; hij kon zijn oren niet geloven toen hij, de allereerste avond al, de meest modieuze en aristocratische van allemaal tijdens het kaartspel bedaard hoorde opmerken: ‘Natuurlijk speel ik vals, ouwe snaak; m'n grootmoeder was een Ierse lijfeigene, gedeporteerd wegens dieverij, die op de kade in Williamsburg voor een okshoofd tabak aan mijn grootvader verkocht werd.’ Vergeleken met zijn vaders pretentie dat alle Quakers in Amerika afstammelingen waren van welgestelde, door vervolging verarmde Engelse burgers, was deze oprechtheid verkwikkend. Joe had zich aanvankelijk niet op zijn gemak gevoeld vanwege zijn Quaker-kledij en zijn boerse haardracht, maar hij ontdekte dat hij zijn herkomst niet hoefde te verloochenen om geaccepteerd te worden. Hij maakte zich aanvaardbaar door zich, voor een Vriend, bijzonder ruim van opvatting te tonen. Hij dronk, hij rookte, hij genoot zelfs van het militaire vertoon: de trompetters, de trommelaars, de precisie waarmee de soldaten zich bewogen tijdens de plechtigheid van het dagelijkse appèl voor de karavaan 's morgens verder trok. Op deze manier moesten Caesar, Claudius en Hadrianus met hun legioenen door de wildernis van Europa en Brittannië getrokken zijn; de Galliërs en de Kelten waren waarschijnlijk net zo wild en onbeschaafd geweest als de Indianen nu.
Na de eerste kaartavond, toen hij doezelig van de port was en zijn ogen
brandden van de tabaksrook, bood de jongeman wiens grootmoeder op de kade in Williamsburg was verkocht en wiens naam Saul Urquhart bleek te zijn, hem een bed in hun gemeenschappelijk slaapverblijf aan. ‘Je wilt toch zeker zo laat niet meer in dat stinkende tentje van jullie kruipen?’ Joe nam het aanbod aan; hij sliep die nacht beter en met een groter gevoel van veiligheid dan onder de Quakers. De volgende ochtend, toen koffie in bed geserveerd was en iedereen beverig en enigszins katterig overeind was gekomen, volgde er een merkwaardige ceremonie. Bij hun slaapvertrek bleek een draagbaar pruikenkamertje te behoren; de jonge heerschappen zonderden zich daar om de beurt af om hun pruiken door twee slaven te laten poederen. De vorige avond, nadat ze naar bed waren gegaan, waren de pruiken opgehaald; ze moesten sinds dien opnieuw in de krul zijn gezet, want toen ze werden binnengebracht zagen ze er onberispelijk uit. Er werd een doek om de nek van de drager gelegd, zijn gezicht werd tegen de rondstuivende poeder beschermd door een glazen kegel die hijzelf vasthield, de negerkapper blies met lange, zwoegende ademstoten de poeder op het haar door een pijpje, om bij dit kennelijk afmattende werk nu en dan afgelost te worden door zijn collega. De hele colonne van ruim honderd man werd voor dit belachelijke modespel opgehouden. Toen de heren ten slotte om de tafel stonden geschaard, smetteloos gekleed, hun pruiken glanzend wit, hun kragen fris gesteven, hun fluwelen jassen en broeken geborsteld, hief Saul Urquhart het eerste glas van de dag, zei: ‘Heren, op Zijne Majesteit,’ waarna zij allemaal de toost herhaalden. Joe had niet het gevoel dat hij verraad beging toen hij zijn hoed afnam en zijn glas ophief om eveneens op 's konings gezondheid te drinken. Het was een plechtig ogenblik; opnieuw kwamen hem de oude Romeinen in gedachten. Zo moesten de generaals en hun centuriones in de wildernis hun bekers hebben geheven om te zeggen: ‘Ave Caesar!’
De tweede nacht, nadat ze tot de vroege ochtenduren hadden gekaart, ging Joe naar bed in een plezierig lichthoofdige roes van dronkenschap, en maakte de eerste van Becky's brieven open die George hem gegeven had. Hij verwachtte vroom gekeuvel; tot zijn verrassing bleek de brief geestig en opstandig werelds te zijn. Dit was geen brief van een Quaker-maagd in zedige afwachting van de echtverbintenis met haar saaie vrijer; déze Becky zou n'importe welke van de jonge kerels charmeren die nu in diverse stadia van alcoholische stupeur om hem heen lagen te snurken. Hij kwam in de verleiding alle twintig brieven achter elkaar te gaan lezen. Maar het vooruitzicht om iedere nacht op een van die verrukkelijk ondeugende monologen onthaald te worden leek te plezierig om het door gulzigheid te bederven.
Nadat hij zijn kaars had gesnoten, als laatste in de kamer, draaide hij zich om en viel onmiddellijk in slaap. Het drong niet tot hem door dat hij, voor het eerst van zijn leven, zijn gebed vergeten had.
***
Toen de colonne het dorp naderde van opperhoofd Zilverwolf van de Unamis, kwam Barzellai Tucker in zijn element. De colonne maakte halt op een heuvel, aan de rand van een groot korenveld, waarachter de wigwams van het dorp zich aftekenden tegen de glinsterende wijdte van een meer. Barzellai Tucker riep zijn twee metgezellen bij zich om hen instructies te geven voor de komende onderhandelingen; had enige moeite Joe Woodhouse te pakken te krijgen, die nu al zijn tijd bij de jeugdige dandy's doorbracht. Tot Georges verbazing duldde Barzellai geen gekheid van hem, van George zelf trouwens ook niet. ‘Geen van jullie tweeën heeft er ook maar enig benul van wat er eigenlijk gaande is,’ zei hij. ‘Het officiële doel van deze expeditie is de oorspronkelijke grenzen vast te stellen van het gebied dat bij de Hardlopers- Transactie aan de Indianen ontfutseld is. In werkelijkheid gaat het niet alleen om de Hardlopers-Transactie, maar om een nog veel groter terrein, waarop de familie Penn aanspraak wil gaan maken bij de Conferentie in Albany de volgende maand. Jullie weten niets van de Conferentie af? Dat dacht ik al. Nu dan, volgende maand wordt er in Albany een vergadering gehouden waar alle aanspraken op het gebied van de Delawares zowel van de kant van de blanken als van de Iroqui-Indianen zullen worden vastgesteld. De Penns, vertegenwoordigd door de jeugdige Urquhart, zijn van plan niet alleen het gebied van de Transactie op te eisen maar veel meer. Op die Conferentie zullen ze proberen de Delawares in verwarring te brengen door een stortvloed van technische documenten, landkaarten, opmetingen, wat de reden is waarom we al deze deskundigen bij ons hebben. Zij zijn van plan de kaarten te voorzien van kompaspeilingen, lengte- en breedtegraden, het zou me niet verbazen als er, behalve mijlen en voeten, Russische wersten en Franse kilomètres bij werden gebruikt. De Delawares bezitten het gebied van de zee tot aan de rivier de Ohio. De Iroquis, zogenaamd bondgenoten van de Delawares, zijn in werkelijkheid hun gezworen vijanden en zijn dat altijd geweest. Nu staan ze op het punt de Delawares op de Conferentie in Albany de das om te doen.’
George wilde iets zeggen, maar Barzellai bitste: ‘Val me niet in de rede! Straks zal ik antwoord geven op jullie vragen. Dus: de Iroquis zijn van plan de Delawares op te offeren voor bepaalde voorrechten die hun door de Engelsen beloofd zijn. Ze houden niet zo erg van de Fransen, omdat de Fransen hen slecht hebben behandeld, vooral generaal Champlain. Ze hebben, behalve terreinwinst ten koste van de Delawares, nog andere beloningen in het vooruitzicht als ze aan de Engelse kant blijven, maar het is hen in dit geval voornamelijk om wraak te doen. De Delawares zitten tussen hamer en aambeeld, tussen de jongeheren die we hier bij ons hebben en de Iroquis. Ze bezitten geen enkel machtsmiddel behalve het dreigement dat ze zich bij de Fransen zullen aansluiten. In werkelijkheid hebben ze daar geen kans op; de Iroquis staan klaar om hen op welk voorwendsel dan
ook af te slachten, en alle blanke kolonisten behalve de Vrienden willen hetzelfde doen. De Delawares voelen zich nu zo bedreigd dat ze op het punt staan de oorlog af te kondigen, ook al hebben ze geen schijn van kans om die te winnen. Hun laatste hoop zijn wij. Niettegenstaande de schurkenstreken van William Penns Anglicaanse zonen zijn ze in de oprechtheid van de Vrienden blijven vertrouwen. Laat ik jullie daarom, voor we aan het werk gaan, de tekst voorlezen van de eerste brief die Will Penn aan hen schreef in 1682.’ Hij haalde een stuk papier uit zijn jaszak en declameerde, op plechtige toon: ‘De Grote God, Die de kracht Zelve is die u en mij heeft geschapen, doet onze harten hunkeren naar rechtvaardigheid, liefde, en vrede. Ik zend u deze brief om u te verzekeren van mijn liefde, en van mijn verlangen naar uw liefde, mijne vrienden...’
Na de brief te hebben voorgelezen, borg Barzellai het papier weer in zijn zak, vouwde de handen in de schoot en boog het hoofd. Zonder dat er verder iets gezegd werd, verenigden zij zich in samenkomst. Buiten de huifkar klonk het gelach van soldaten, het gekletter van wapens. Een hoornsignaal schetterde en schalde terug van de bosrand. Ze bleven in samenkomst verzonken tot Barzellai hen de hand schudde en zei: ‘Laat ons Zilverwolf in deze geest tegemoettreden. Hij zal niet alleen zijn, maar twee anderen bij zich hebben. De ene met een kralen halsketting en twee veren aan zijn scalplok is de sjamaan, medicijnman en raadsman van het opperhoofd. De ander zal vermoedelijk een oudere man zijn zonder enig teken van rang, die zijn haar in twee vlechten draagt in plaats van op de manier van de Delawares. Hij is een Iroqui-opperhoofd, hij vertegenwoordigt de bezettende macht.’ Hij kroop naar de achterkant van de wagen, tilde de zeildoeken flap op, en zij klauterden naar buiten.
***
Toen de colonne het dorp binnentrok, staarden de Indianen vijandig naar de stoet wagens, karren, pakezels en negerslaven gebukt onder manden en kisten. George constateerde met schrik dat de meeste mannen met oorlogskleuren waren beschilderd.
Gelukkig had bij de arrogante jonge pauwen het gezonde verstand gezegevierd; ze hadden de soldaten achtergelaten, die nu uit het zicht van het dorp bivakkeerden in afwachting van wat er ging gebeuren. De colonne hield halt in het midden van het dorp; het werd al gauw duidelijk dat Zilverwolf de delegatie alleen zou ontvangen wanneer het hem zinde. Er zat niets anders op dan maar te wachten; George verdreef de tijd door het dorp te verkennen. Het was zijn eerste bezoek aan een permanente Indiaanse nederzetting; tot dusver had hij alleen maar de tijdelijke wigwam-kampen gekend van de nomaden die door het oerwoud zwierven. Dit was een groot dorp van honderden huizen, opgebouwd van bast en huiden, in rijen met straten ertussen, als in een blanke nederzetting. Toen hij bij de oever van het meer kwam dat hij in de verte had zien glinsteren, trof hij daar een vloot
kano's aan die in groepjes van vier voor anker lagen achter een golfbreker van boomstammen. Dat was de verklaring waarom er zoveel mannen rondliepen: ze waren het meer overgestoken en moesten dus tot andere clans behoren.
Tegen het eind van de middag werden ze eindelijk op audiëntie ontboden door een hooghartige delegatie van krijgers, beschilderd in oorlogskleuren. De heren uit Philadelphia, uitgedost in hun mooiste kleren, hun krijtwitte pruiken verblindend in de lage zon, hadden iets van hun arrogantie verloren; enkelen namen, op weg naar het opperhoofd, zenuwachtig een snuifje. George volgde, samen met Joe Woodhouse en Barzellai Tucker, in het onzichtbare kielzog van parfum dat de twaalf jonge pauwen achter zich lieten. Niemand zei iets; ten slotte vroeg George met gedempte stem aan Barzellai: ‘Heb je Zilverwolf al eens eerder ontmoet?’
‘Ja.’
‘Wat is hij voor een man?’
‘Schrander en voor rede vatbaar, zolang hij nuchter is.’
‘Laten we dat dan maar hopen.’
‘Precies!’
Ze kwamen bij een indrukwekkend bouwsel, dat kennelijk een paleis of een vergaderzaal voor de stam moest zijn; op het voorplein werden ze opgewacht door een andere delegatie Indianen, eveneens met felle oorlogskleuren beschilderd, die zich zo minachtend gedroegen dat George, bij het naar binnen gaan, het gevoel had dat hij op het punt stond berecht te worden voor een misdaad.
Binnen was het zo donker dat hij aanvankelijk alleen de gloed van walmende fakkels en een verblindend rond gat in het dak kon onderscheiden. De stank van lichaamsgeur en berevet was overweldigend, nog versterkt naar het scheen door de walm van de flambouwen aan de palen die het dak ondersteunden. Toen Georges ogen aan de schemering gewend waren zag hij dat hij zich in een langwerpige piste bevond, omringd door een amfitheater vol Indianen. Op een podium in het midden, op een met dierehuiden bedekte poef, zat een reusachtige Indiaan, zo moddervet dat hij vrouwenborsten had en zwanger leek. Hij was naakt op een lendendoek na, en droeg geen armbanden of kralen. Zijn kale schedel met de Delaware-kam, niet met veren versierd, blonk in het fakkellicht. Twee andere mannen waren aan weerskanten van hem gezeten, zoals Barzellai Tucker voorspeld had. De man links van hem, broodmager en donker van huid, was gekleed in een met borduursel versierde mantel. Hij droeg een halsketting van tanden en schelpen en had twee veren aan zijn schedellok hangen; zijn oorlellen waren doorboord en opgerekt tot ze lussen van levend vlees vormden, aan ieder oor bungelden twee uitgedroogde schedeltjes van stinkdieren of jonge dassen. In zijn rechterhand hield hij een kalebas die rammelde als hij zich bewoog. De Indiaan rechts van het opperhoofd was gekleed in een leren jagerspak en beenstukken, zijn haar hing in twee vlechten over zijn schouders.
De jongemannen uit Philadelphia stelden zich in een rij voor het podium
op en voerden een buiging uit, compleet met hoedzwaai. Saul Urquhart zei, op zelfverzekerde toon: ‘Excellentie, het is ons een eer u de complimenten over te brengen van de Provinciale Raad van de staat Pennsylvanië, en van Zijne Excellentie de Gouverneur. Als mede-onderdanen van Zijne Majesteit Koning George de Tweede: gegroet.’ Ze voltooiden opnieuw een sierlijke buiging, met zichtbare opluchting, alsof ze zich hiermee van het voornaamste deel van hun taak hadden gekweten.
De drie Indianen op het podium bleven roerloos zitten. De twee mannen aan weerskanten van het opperhoofd bleven strak voor zich uit staren; Zilverwolf zelf zat zacht te snurken, met open mond en ogen zo lusteloos dat zijn navel met méér interesse naar zijn bezoekers scheen te staren. George vroeg zich af of hij dronken was. De twaalf jongelui die voor hem stonden leken door zijn nietsziende, versufte onverschilligheid teruggebracht van een officiële delegatie tot een rij gevangenen in de beklaagdenbank.
‘Misschien mag ik Uwe Excellentie de leden van onze delegatie voorstellen,’ zei Saul Urquhart, iets minder zelfverzekerd. ‘Uiterst links van mij: de heer Philip Thurmond...’ De jongeman in kwestie maakte een buiging, maar noch het opperhoofd noch zijn twee metgezellen verwaardigden hem met een blik. Ze hielden hun ogen strak gericht op een punt boven het hoofd van Saul Urquhart terwijl de twaalf jongelui hun buigingen maakten. Toen zei een kalme stem naast George: ‘Vriend Zilverwolf, gegroet. Ik stel je mijn twee metgezellen voor, Joseph Woodhouse en George McHair. Vrede, o machtige Wolf!’
Even leek het alsof het opperhoofd ook die groet zou negeren; toen leunde het puilende lichaam langzaam opzij, hief een kolossale dij, en liet, tot Georges geschokt ongeloof, een keiharde wind. Het was een dergelijke uiting van minachting dat de twaalf jeugdige fatten verstarden in verbijstering. Barzellai Tucker echter leek onverstoord. ‘Zoals gewoonlijk, machtige Wolf,’ zei hij met een stalen gezicht, ‘heb je uiting gegeven aan grote wijsheid.’
Het opperhoofd keek hem aan; het was niet duidelijk of het een geamuseerde dan wel een boze blik was; toen zei hij met een hoge vrouwenstem die als een verrassing kwam: ‘Kom naar voren, muis, breng je snuitje dichterbij, zodat ik je zien kan.’ Voor het eerst reageerde de menigte Indianen op het amfitheater; een bizar gekakel klonk uit hun rijen op. De mannen op het podium echter vertrokken geen spier en bleven star voor zich uit staren.
Barzellai Tucker liep naar het podium toe, gevolgd door George en Joe. Het opperhoofd keek op lien neer met ogen die vreemd en onmenselijk leken, als walvisogen; zijn navel scheen het menselijkste deel van zijn lichaam. Barzellai vervolgde, nog steeds op badinerende toon: ‘De Wolf en de muis hebben altijd in harmonie geleefd, aangezien ze niet op elkaars gebied jagen. Het verheugt me dat de Wolf de muis nog altijd plaagt met zijn nietigheid en ik kan je niet zeggen hoe blij ik ben je machtige gehuil weer te horen.’ De stilte scheen opeens gespannen; het leek George toe dat
hun lot in de waagschaal lag; toen kweelde de dwaze vrouwenstem: ‘Muizen die hun plaats niet weten worden door de machtige Wolf opgehapt!’ Om de een of andere reden klonken de woorden gevaarlijker dan ze waren; misschien door die stem, zo hoog en koket dat George zich afvroeg of de borsten misschien echt waren; misschien was Zilverwolf inderdaad een vrouw.
Barzellai Tucker deed een stap dichter bij het podium. ‘Probeer me niet bang te maken, o machtige Wolf, en laat me je hartelijk groeten.’ Hij strekte zijn hand uit naar het opperhoofd dat zonder aarzeling de hand wegsloeg. Maar hij scheen het op een speelse manier te doen, als een vrouw wie het hof wordt gemaakt. ‘Je weet dat wij elkaar nooit aanraken, muis,’ trillerde de stem. ‘Aanstonds wil je nog op een van mijn wolvinnen klimmen. Stel je eens voor wat voor een monster daaruit zou voortkomen.’
Na een korte stilte begon het publiek op het amfitheater bulderend te lachen. George realiseerde zich dat een tolk de grapjes van het opperhoofd voor hen moest vertalen. Hij had nooit vermoed dat Indianen gevoel voor humor hadden; al de Delawares die hij gekend had waren ernstig geweest, op het sombere af. Door het gelach van het publiek echter werden, op de een of andere manier, de twaalf jongemannen teruggebracht tot sullige toeschouwers. Zilverwolf scheen tot de slotsom te komen dat het ogenblik was aangebroken om met hen af te rekenen. ‘Dank u, heren, voor uw complimenten,’ zei hij met beledigende onverschilligheid. ‘Ik zal uw woordvoerder ontvangen, vandaag of morgen of overmorgen, zodra ik een ogenblik kan vinden. Tot ziens!’ Hij wees ze met een handgebaar de deur en wendde zich weer tot Barzellai. ‘Vertel me eens wat meer over de twee muizewelpen die je hebt meegebracht.’
‘Dit is Joseph Woodhouse, zoon van Isaac Woodhouse uit Philadelphia, neef van je vriendin de Man-Vrouw.’
‘O, Pissende Gulie,’ zei het opperhoofd zonder geestdrift. De menigte begon, na een korte stilte, weer te lachen.
Barzellai vervolgde kalm: ‘Aan mijn andere zijde: George McHair uit Loudwater, zoon van Bizon McHair, kleinzoon van James McHair de vogelschieter, achterkleinzoon van IJzeren Hand, de bloedbroeder van je grootvader.’
Het opperhoofd scheen George met afkeer te bekijken, daarna wees hij op Joe en zei: ‘Ik zal met die daar praten, maar alleen onder vier ogen.’
Voor het eerst scheen hij de overhand op Barzellai Tucker te hebben gekregen. ‘Maar - maar de bedoeling was dat ik tegenwoordig zou zijn,’ stamelde de kleine man.
‘Wiens bedoeling, muis? De jouwe?’
‘Dit is een hoogst ingewikkelde situatie, en de Commissie voor Indiaanse Zaken van de Philadelphiase Jaarvergadering...’
‘Bah!’ Het opperhoofd scheen de woorden weg te slaan zoals hij Barzellais hand had weggeslagen.
De ander herstelde zich snel. Hij zei op dezelfde badinerende toon als
tevoren: ‘Als de Wolf huilt, maakt de muis dat hij wegkomt. Laat me weten, oppermachtige leider, wanneer je klaar bent met jonge muizen te spelen als een kat, zodat jij en ik kunnen gaan onderhandelen.’ Hij draaide zich om en trok George mee naar de uitgang.
Joe riep: ‘Maar waarom ik?’ Het was een hartekreet; hij stond daar als een toonbeeld van angst.
Barzellai fronste zijn wenkbrauwen; het opperhoofd antwoordde met hoge, verwijfde stem, ‘Omdat jij een neefje van Pissende Gulie bent. Hij’ - hij wees naar George - ‘is het kalf van een bizon.’
‘Maar men mag een man niet naar zijn vader beoordelen!’ riep Joe hartstochtelijk uit. ‘George is een man met eigen rechten, uniek, onvervangbaar, nooit eerder op aarde gezien...’ Hij hakkelde en bloosde van verlegenheid. ‘Ik bedoel - ik - het is niet billijk,’ voegde hij er zwakjes aan toe.
Het opperhoofd glimlachte. ‘Zie je nu waarom ik hem gekozen heb, muis?’ vroeg hij.
Barzellai knikte en maakte aanstalten weg te gaan, maar Joe greep hem bij zijn jas en vroeg fluisterend: ‘Wat moet ik in godsnaam doen?’
Barzellai antwoordde: ‘Volg het Licht.’ Hij nam George bij de arm en liep naar de deur.
Toen ze buitenkwamen, werden ze bestormd door de jonge heerschappen die verontwaardigd voor de ingang bijeengegroept stonden. ‘Wat betekent dit voor den drommel?’ vroeg een van hen met schelle stem. ‘Ik ben nog nooit van mijn leven zó beledigd! Wat speel jij voor een spelletje, jij, zogenaamde Indiaanse expert?’
Tot Georges verbazing duwde Barzellai hem met een mompelend ‘pardon’ opzij.
‘Maar we kunnen ons niet ongestraft als oud vuil laten behandelen!’ riep de jongeman hem na. ‘Per slot van rekening vertegenwoordigen we de Provinciale Raad! De Gouverneur! Zijne Majesteit de Koning!’
Barzellai Tucker gaf geen antwoord, maar trok George met zich mee naar de huifkar, als een kind. George vroeg geprikkeld: ‘Vanwaar de haast, Vriend?’
De kleine man bleef staan en snauwde: ‘Waarom denk je dat Zilverwolf die jongen alleen achter heeft gehouden? Je moet toch hebben begrepen dat hij geen gewone man is!’
‘Maar wat...’
‘Hij is in Londen geweest, hij is door de adel ontvangen: tien jaar geleden was hij het belangrijkste jonge opperhoofd onder de Delawares. Maar het is allemaal fout gelopen. Waarom? Ik weet het niet. Nu is hij een veelvraat, een folteraar...’
‘Folteraar?’
‘Ik weet dat ik zou moeten proberen het goddelijke in hem te bereiken, maar na vandaag...’ Hij trok zijn jeugdige metgezel driftig mee. ‘Ik heb samenkomst nodig; om mezelf van woede en verachting te zuiveren.’
Het begon tot George door te dringen dat de ogenschijnlijke grappenmakerij tussen het opperhoofd en Barzellai ernst was geweest. ‘Maar waarom wou hij Joe...’
‘Je hebt hem met je eigen ogen gezien! Gehoord! Die wind, die hij liet - nog nóóit! En die stem! Ik heb hem nog nooit met die malle vrouwenstem horen praten. En die nonsens dat hij Joe uitkoos omdat die een neef van Gulielma Woodhouse is! Hij verfoeit haar; het is de eerste keer dat ik hem haar naam heb horen noemen zonder te spuwen!’
George wist niet wat hij zeggen moest. Hij had Barzellai Tucker nog nooit zo tekeer horen gaan; het ontstelde hem.
Ze kwamen bij de huifkar. Barzellai lichtte de flap op; George klom naar binnen, de ander volgde hem en liet de flap weer achter hen neervallen. ‘Nu,’ zei hij, ‘laat ons bidden voor Joseph Woodhouse in dit hachelijke uur.’
George ging zitten en vouwde gehoorzaam de handen.
***
‘Volg het Licht!’ dacht Joe. Dat was heel mooi in een samenkomst, maar hier? Welk Licht? Zijn intuïtie? Zijn verstand?
Gezond verstand zei hem dat hij het op een lopen moest zetten vóór die enge, dikke Indiaan, die hem nu helemaal voor zichzelf had, hem onder vuur begon te nemen. Dat hij dit van plan was, was duidelijk; hij stuurde alle anderen weg, ook de twee mannen op het platform; de menigte schuifelde naar buiten en liet hen alleen achter te midden van de walmende fakkels.
Volg het Licht ... Welk licht, Grote God? Zilverwolf had hem uitgekozen vanwege Tante Gulielma, dus misschien kon hij zich beter afvragen wat zij in deze situatie zou hebben gedaan? Hij probeerde zich voor te stellen hoe zij zou reageren op de boosaardige blik van de walvisogen die nu op hem gericht waren. Maar hij kende haar niet voldoende om dat te weten; hij kende haar eigenlijk helemaal niet, alleen haar manier van doen en de woudloperstaal die ze aan tafel uitsloeg waar hij en Abe als kinderen zo om hadden moeten giechelen.
‘En, Quakertje,’ vroeg Zilverwolf, ‘wat kom je me voor nieuws brengen?’ Het klonk vriendelijk genoeg; alleen was het niet langer met die rare falsetto gesproken, maar met een normale mannenstem.
Het stelde Joe allerminst op zijn gemak; maar om de een of andere reden deed het hem besluiten het gevaar nu onder ogen te zien, en niet langer er uitsluitend op uit te zijn om de benen te nemen.
Hij moest Tante Gulie vergeten; het enige dat hij kon doen was deze dreigende man tegemoettreden volgens de gedragsregels van ‘de benadering van een conflict op de manier van de Vrienden’, die hem gedurende eindeloze uren van martelende verveling op de zondagsschool geleerd waren. ‘Tracht je tegenstander ertoe te brengen om samenkomst met je te gaan
houden...’ Hij zei, met een stem die hem dwong zijn keel te schrapen: ‘Voor we ons gesprek beginnen, Vriend Zilverwolf, stel ik voor dat we eerst leiding zoeken in een korte samenkomst.’ Hij wachtte niet op een antwoord; hij ging pardoes op de grond zitten, vouwde zijn handen in zijn schoot en sloot zijn ogen.
Hij verwachtte dat de stilte door geschater van het opperhoofd zou worden verbroken, maar er gebeurde niets; de stilte scheen zich eerder te verdiepen. Nu herinnerde hij zich dat hij had moeten beginnen met de eerste gedragsregel: ‘Vereenzelvig je met je tegenstander.’
Hoe? Kon hij zich vereenzelvigen met een Indiaan? Hij en Zilverwolf hadden totaal niets gemeen. Maar de benadering van een conflict op de manier van de Vrienden voorzag in die mogelijkheid. ‘Concentreer je op de enige waarde die de hele schepping gemeen heeft: de Waarheid.’ Destijds, op de zondagsschool, had het schijnheilig geklonken; nu had hij geen andere keus dan het te proberen. De Waarheid. Hij sloeg zijn ogen op, zag dat de dikke man daar in de hoogte hem zonder uitdrukking zat aan te staren, en zei: ‘Vriend Zilverwolf, ik moet je bekennen dat de ware opzet van deze expeditie niet het goedmaken van het onrecht van de Hardlopers-Transactie is, maar om een nog groter stuk van je land op te meten, dat dan tijdens de Conferentie in Albany, volgende maand, zal worden opgeëist.’
De kleine zwarte ogen bleven hem uitdrukkingloos aanstaren.
‘Dat, Vriend Zilverwolf, is de waarheid.’
Toen maakte het opperhoofd een geluid. Het leek diep uit het binnenste van zijn reusachtige lichaam naar boven te borrelen. Het was een boosaardig gegrinnik. ‘Ik ken de benadering van een conflict op de manier van de Vrienden: “Spreek de waarheid, ook tegen de machthebbers.” Goed zo, Quakertje. Wat volgt er nu?’
Het feit dat hij doorzien was bracht Joe een ogenblik in verwarring; toen dacht hij: dat betekent nog niet dat het geen resultaat zal hebben. ‘Het verheugt me dat je de manier waarop ik je benader herkend heb, Vriend Zilverwolf. Het is geen geheim, en geen foefje. Waarheid en oprechtheid zijn voorwaarden voor wederzijds begrip.’
De blik van het opperhoofd scheen te veranderen, maar het was moeilijk uit te maken wat het betekende. Een glimlach? Een spottende grijns? Joe wist het niet; maar hij had geen andere keus dan door te gaan. Gedragsregel nummer vier: ‘Benader nu de ander met al de liefde, tederheid en deernis die je voor hem voelen kunt.’ Niet eenvoudig. Maar ergens in die berg van vet moest toch een Innerlijk Licht schuilen: een eenzame menselijke persoonlijkheid die snakte naar herkenning. De enige manier om er dichterbij te komen was de waarheid. De waarheid. Het woord galmde in de gangen van zijn geheugen, zo vaak had hij het tijdens die zondagsschoollessen gehoord. De waarheid ... ‘Zoals je moet hebben beseft, Zilverwolf, ben ik zo groen als gras. Toen ik met deze expeditie werd meegestuurd had ik geen flauw benul waar het eigenlijk om ging. Ik heb je verteld wat ik van de opzet van de expeditie weet; maar ik wil vooral het uitbreken van een
oorlog helpen voorkomen.’ Het was een verward toespraakje; de benadering van het conflict op de manier van de Vrienden had hem geen stap verder gebracht. Wat nu?
De walvisoogjes staarden hem nog steeds uitdrukkingloos aan. Plotseling zei de stem: ‘Goed dan, Billy Penn: waarom denk je dat ik jou uit die troep gekozen heb?’
‘Om mijn tante Gulielma.’
‘Omdat je de zoon bent van een van de rijkste en machtigste Quakers in Philadelphia. De Delawares staan op het punt geplunderd en afgeslacht te worden. Mijn jonge krijgers vinden dat ze vechtend ten onder moeten gaan, niet om genade smeken als squaws. De Quakers en de Delawares hebben een verdrag van wederzijdse bijstand. Wat zijn de Quakers van plan te doen? Zijn ze van plan mijn volk te steunen, of is alles wat ze hebben aan te bieden in jouw persoon samengevat?’
Natuurlijk! Hoe had hij zo stom kunnen zijn! Dát was de reden waarom hij uitgekozen was: als de zoon van zijn vader. Als hij het opperhoofd was zou hij dezelfde keus hebben gemaakt! Maar, vreemd genoeg: in plaats dat het feit hem ontmoedigde, gaf het hem opeens een houvast. Hij kon onmogelijk weten wat Tante Gulielma zou hebben gedaan, maar hij kon zich wel voorstellen wat zijn vader zou hebben gedaan. ‘Ik kan op die vraag geen antwoord geven,’ zei hij. ‘Als ze een plan hebben, hebben ze mij er in ieder geval niets van verteld. Maar ik betwijfel of ze een plan hebben.’
‘Waarom niet? Weten ze niet wat er gaande is? Beseffen ze niet dat de Delawares uitgeroeid worden tenzij we hulp krijgen?’
‘Ik geloof niet dat ze dat beseffen. Vergeef me dat ik het ronduit zeg: ik geloof dat het ze niets kan schelen. Er zijn natuurlijk Quakers wie het wel degelijk iets kan schelen. Er zijn er die voelen dat ontrouw aan de verdragen die Will Penn met de Indianen gesloten heeft, ontrouw betekent aan de beginselen waarop het Heilig Experiment gebaseerd is, het Genootschap der Vrienden zelf. Maar dit zijn niet de Vrienden die de macht hebben in de Philadelphiase Jaarvergadering, of in de Provinciale Raad.’
‘Wil je me soms vertellen, jongen,’ baste Zilverwolf onheilspellend, ‘dat jij, als vertegenwoordiger van onze bondgenoten de Quakers, me de raad geeft vechtend te sterven of weg te trekken?’
Joe begon het te kwaad te krijgen, maar hij besefte dat het enige dat hij kon doen was de waarheid blijven spreken. ‘Ik ben geen werkelijke vertegenwoordiger van de Quakers, althans niet van de machthebbers,’ zei hij. ‘Ik heb geen andere raad meegekregen dan het Licht te volgen. Het enige Licht dat ik kan volgen is de waarheid, zoals ik die zie.’
‘O,’ zei het opperhoofd. ‘Nu, laat me die dan maar eens horen, bij gebrek aan beter.’
‘Als ik in jouw positie was, zou ik wegtrekken.’ Het was belachelijk, dat te zeggen! Hij wist niets van de politiek! Maar daar ging het niet om; Zilverwolf had om de waarheid gevraagd voor zover hij die zien kon, die moest hij de man dan maar geven.
‘En waar zou ik naar toe moeten trekken, belachelijke halfwas?’ vroeg Zilverwolf venijnig; maar iets zei Joe dat hij, niettegenstaande de belediging, voor vol werd aangezien. Het gaf een schrijnend beeld van de hopeloze situatie van de Delawares: ze klampten zich aan iedere strohalm vast. Hij zei, op goed geluk: ‘Er is in het westen toch ruimte genoeg?’
‘Daar zijn de Fransen.’
Het bracht iets in herinnering, iets wat Tante Gulie eens gezegd had, over de oneindige open vlakten achter de rug van de Fransen. ‘Volgens mijn tante Gulielma ligt er achter de Franse linies grond voor het grijpen.’
‘Jouw tante Gulielma is een onwetende squaw. Achter de Fransen staan de Wyandots, dan de Miamis, dan de Potawatomis. Er is geen stukje grond tussen de zee en de prairie dat aan niemand toebehoort.’
‘Maar zijn die stuk voor stuk sterker dan de Delawares?’ vroeg Joe. Vreemde vraag voor een Quaker; niet bepaald een uiting van het beginsel van de geweldloosheid. Hij voegde er, ten overvloede, aan toe: ‘Het zou je jonge krijgers een ander vooruitzicht geven dan de schande van de overgave.’
Hij was in zijn pasverworven zelfverzekerdheid te ver gegaan. Zilverwolf snauwde: ‘Je snatert als een gans!’
‘Dat kan wel zijn,’ antwoordde Joe, met een kalmte die hem zelf verbaasde, ‘maar je stond erop dat ik je mijn versie van de waarheid zou vertellen, Zilverwolf. Ik heb geprobeerd je vragen naar waarheid te beantwoorden. Als je tot de conclusie bent gekomen dat wat ik zeg dwaasheid is, dan neem ik hierbij de vrijheid me terug te trekken.’ Voor het eerst in zijn leven had hij het gevoel dat hij op eigen benen stond; het eigenaardige was dat hij dat gevoel had gekregen zodra hij alleen maar als de zoon van zijn vader beschouwd werd.
Het opperhoofd keek hem peinzend aan. ‘En welke hulp mogen de Delawares van hun Vrienden de Quakers verwachten, als wij zouden besluiten de grond van onze voorvaderen te verlaten en weg te trekken naar het westen?’
Joe dacht daar een ogenblik over na. Stel dat de Delawares besloten een oorlog te vermijden door weg te trekken, wat zou de reactie van zijn vader zijn? Als Quaker zou hij geïmponeerd zijn door hun trouw aan het beginsel van de geweldloosheid, als koopman zou hij naar een gelegenheid zoeken om zijn invloed bij de stam te behouden. ‘Ik zou zeggen, Vriend Zilverwolf,’ antwoordde hij ten slotte, ‘dat de Delawares, als ze daartoe zouden besluiten, op de steun van de Philadelphiase Jaarvergadering kunnen rekenen.’
‘En waar zou die steun uit bestaan? Woorden?’
‘Wel iets méér, zou ik zeggen.’
‘Wapens?’
‘Je weet beter dan dààrom te vragen. Maar het zou een bijdrage in geld en goederen kunnen zijn.’
Het opperhoofd staarde hem strak aan. Zijn gedachten waren onmogelijk te raden, maar niettegenstaande zijn enorme, kwabbige massa gaf hij de
indruk van een gespannen veer. Iets in de kleine, harde ogen deed Joe plotseling aan Abe denken; Abe zou verrukt zijn als de Delawares zouden besluiten weg te trekken en daarmee afstand te doen van Altaar Rots! De gedachte bracht hem in verwarring - was dit wat hij in wezen had zitten doen: de belangen van zijn familie dienen? Maar het was de juiste oplossing voor de belegerde Delawares! De Vergadering zou het ongetwijfeld ook zo zien, en alles doen wat in haar vermogen lag om te helpen. Maar hoe? Wat zou hun eerste voorstel zijn? ‘Ik geloof, Vriend Zilverwolf, dat de Vergadering zou beginnen met een school voor jullie kinderen te stichten.’
‘Een school!’ hoonde het opperhoofd. ‘Ik heb wapens nodig, en hij biedt mij een school aan!’ Hij kwam log overeind. ‘Als u naar Philadelphia teruggaat, jongeheer Woodhouse,’ zei hij quasi formeel, ‘wees dan zo goed mijn groeten over te brengen aan uw tante, de Man-Vrouw.’
‘Dat zal ik doen,’ antwoordde Joe onzeker.
‘Zegt u maar: “Zilverwolf, de vetzak, laat Pissende Gulie groeten.” En wees dan zo goed haar in haar schijnheilige smoel te spuwen.’
De moed zonk Joe in de schoenen. ‘Vriend Zilverwolf,’ zei hij, stijfjes, ‘dat is niet in de geest van ons gesprek.’
De zwarte oogjes keken uitdrukkingloos op hem neer. ‘En wat zou de geest van ons gesprek dan wel zijn?’ Het werd, helaas, opnieuw met die honende vrouwenstem gevraagd.
‘Dat - dat de Quakers en de Delawares nog altijd vrienden zijn.’
Zilverwolf zei schamper: ‘Bewijs me dat maar eens.’ Toen waggelde hij weg en verdween in het donker achter het podium.
Diep in gedachten liep Joe naar de uitgang. Er moest een manier zijn om hem te bewijzen dat de Quakers nog altijd de vrienden van de Indianen waren; hij zou niet rusten voor hij die manier gevonden had. Hij was vol vertrouwen dat het hem zou lukken, want enkele ogenblikken lang had hij contact gehad met de man in de walvis, de werkelijke Zilverwolf. Hij had tevens, op raadselachtige wijze, voor het eerst contact gehad met de werkelijke Joe Woodhouse.
Toen hij in het lage zonlicht naar buiten stapte was er niemand te zien; het dorp lag verlaten in de late middaghitte. Hij slenterde door de straten tussen de wigwams naar het meer, ging daar op een boomstam aan de rand van het water zitten en keek naar de netten die er te drogen hingen, de kano's, het flonkerende water. Hij dacht aan de jonge Indianen die liever bereid waren zich dood te vechten dan als squaws om genade te smeken. De menselijkheid van die in felle kleuren beschilderde jonge mannen, die zo onwerkelijk en romantisch hadden geleken, bleek verwant aan zijn eigen menselijkheid. Stel dat een van die jonge krijgers in Philadelphia zou opduiken zoals hij hier had gedaan, een gesprek onder vier ogen hebben met, zeg, Jeremia Best, waarna de Quakers zou worden verteld dat ze naar het westen moesten trekken met geen andere bagage dan wat ze zelf konden dragen? Geen Waterstraat meer, geen wandelingen meer langs de kade aan de Delaware, nooit meer staren naar de schepen en dromen van verre
landen; een afscheid voor eeuwig van alles wat hem vertrouwd was, van thuis. De kano's, de netten, het meer moesten voor die jonge krijgers hetzelfde betekenen als de Waterstraat en de Delawarekade voor hem. Of niet? Hij was, per slot van rekening, een stadsmens. Was dit dorp, ondanks de schijn van bestendigheid, voor hen wel net zo belangrijk als Philadelphia het was voor hem? Of zouden ze zonder hartzeer wegtrekken, nieuwsgierig naar de onbekende prairie achter het gebergte? Misschien hadden ze daar als kinderen van gedroomd, net zoals hij van de zee gedroomd had en van verre landen achter de horizon.
‘Aha, daar ben je!’ zei een stem vol opluchting.
Hij keek op en zag Barzellai Tucker naast zich staan.
‘Waar heb je gezeten? Waarom ben je niet meteen teruggekomen? Wat is er gebeurd?’ Voor een ervaren kenner van de Indianen leek de kleine man merkwaardig uit zijn doen.
‘O, we hebben gewoon gepraat.’
‘Wat bedoel je, gewoon gepraat? Wat wilde hij weten? Wat zei hij? Wat deed hij?’
Opeens had Joe met de man te doen. Het moest een harde slag voor hem zijn geweest bij een onderhandeling met Indianen te worden weggestuurd. Toch was al die onzin over huilende wolven en kleine muizen kennelijk spottend bedoeld geweest, alsof Zilverwolf aan 's mans opvatting van Indianen voet had gegeven om er de belachelijkheid van aan te tonen. ‘Hij vroeg welke hulp hij van de Quakers kon verwachten.’
‘En? Wat heb je gezegd?’
‘Niets.’
‘Wat bedoel je, niets?’
‘Dat was mijn antwoord: niets.’
Barzellai Tucker staarde hem ontzet aan. ‘Je bedoelt, je hebt Zilverwolf verteld dat de Quakers niets zouden doen?’
‘Zo is het toch, zeker?’
Barzellai Tucker sloeg zich op de dij en draaide zich om alsof hij het water in wilde lopen. ‘Mijn God! Wat heb ik gedaan om te worden gestraft met twee zulke stukken onbenul!’
‘Kom, Vriend Barzellai,’ zei Joe, met meer gezag dan hij zelf besefte. ‘Je verwacht toch niet dat de Quakers de Delawares daadwerkelijk zullen steunen?’
‘Natuurlijk wel!’
‘Hoe dan?’
‘Door het aan de Jaarvergadering voor te leggen!’
‘En wat zou de Jaarvergadering volgens jou besluiten?’
‘Ons verdrag gestand te doen!’
‘Hoe?’
‘Door onze Quaker-vertegenwoordigers in de Provinciale Raad op te dragen deze - deze schande ongedaan te maken!’
‘Dat kunnen we alléén als de Moraviërs met ons meestemmen. Anders
hebben we er de meerderheid niet voor.’
‘Natuurlijk zullen ze met ons meestemmen.’
‘Ben ik niet met je eens. Het is precies over de kwestie van de Indianen dat we van mening verschillen. Zij willen ze weliswaar niet terugdringen, zoals de Anglicanen, maar zij zullen ze zeker niet beletten elkaar uit te roeien. Vergeet niet: ook al staan de blanke kolonisten erachter, dit is een kwestie tussen de Delawares en de Iroquis.’
‘Dat is van ondergeschikt belang! Je had het opperhoofd moeten zeggen dat hij op de Quakers kon rekenen! Je had het recht niet over dingen te praten waar je niets vanaf weet!’
Plotseling had Joe er genoeg van. ‘Vriend Barzellai,’ zei hij kalm, ‘je hebt me de raad gegeven het Licht te volgen. Ik heb je raad opgevolgd, en mijn Innerlijk Licht spoorde me aan om Zilverwolf de waarheid te vertellen. Dat heb ik gedaan: de waarheid, zoals ik die zie. Als jij die anders ziet, vertel hem dat dan, op jouw beurt. Maar volgens mij zou je de kans op oorlog vergroten door bij de Delawares de hoop te wekken op een ingrijpen van de Quakers. Je zou de jonge krijgers aanmoedigen, die willen vechten, ook al zou dat de vernietiging van de Delawares betekenen. Ik geloof dat het onze plicht als Quakers is deze mensen voor de zelfvernietiging te behoeden.’
De kleine man staarde hem een ogenblik aan; toen vroeg hij: ‘En wat is de waarheid, volgens jou, Joseph Woodhouse?’
‘Tenzij wij de Delawares wapens leveren, zullen ze worden afgeslacht. De Jaarvergadering zal daar niet aan denken. Ik heb Zilverwolf gezegd dat als hij zijn biezen pakte en wegtrok door de Franse linies naar de prairie, hij om te beginnen zou kunnen rekenen op een school voor zijn kinderen.’
Barzellai Tucker lachte schamper. ‘Is dat wat je vader je heeft opgedragen te zeggen? Waarom heb je me dat niet van tevoren verteld?’
‘Niemand heeft me iets opgedragen,’ antwoordde Joe. ‘Dit is mijn persoonlijke opinie, meer niet.’
‘Ach zo? Jouw persoonlijke opinie?’ Barzellai Tucker gaf hem weer dat schampere lachje. ‘Ik ben er zeker van dat je gelijk zult blijken te hebben, Joseph Woodhouse,’ zei hij. ‘Jij leest de gedachten van de Quaker-prinsen blijkbaar beter dan ik.’
Joe wilde het hierbij laten; aan de andere kant was het belangrijk dat ze zich eensgezind toonden in hun advies aan de Indianen. ‘Ik geloof niet dat het iets te maken heeft met de Quaker-prinsen, Vriend Barzellai. Herinner jij je nog welk advies George Fox aan de Vrienden in Engeland gaf die door de vervolging tot de bedelstaf waren gebracht? “Verzet je niet langer, trek weg over de oceaan, zaai het Zaad in nieuwe grond.”’
‘Maar de Indianen zijn geen Quakers! Voor hen betekent dit de graven van hun voorvaderen achterlaten, de geesten die in iedere boom, iedere rots, leven!’
Daar was Altaar Rots weer, en het onmiskenbare feit dat Abe ongetwijfeld bereid zou zijn de Delawares met geld voor een school te
helpen als dat hun vrijwillige aftocht zou garanderen. ‘Maar wat zou het alternatief zijn, Barzellai Tucker?’
‘Stand houden! Politieke druk uitoefenen op de Provinciale Raad en de Gouverneur om aan deze uitbuiting van de Delawares een einde te maken!’
‘Goed. Laten we aannemen dat de Moraviërs met ons meestemmen. Wat dan? Zou dan de Conferentie in Albany niet doorgaan? Zou dat de familie Penn weerhouden van een transactie met de Iroquis ten aanzien van het grondgebied van de Delawares? Kom, Vriend Barzellai, laten we gaan zitten en een ogenblik in samenkomst tot het Licht inkeren. Ik geloof dat we dat hard nodig hebben, allebei.’
Het leek alsof de ander zich zou omdraaien; toen zwichtte hij. Hij ging naast Joe op de boomstam zitten; samen zochten zij het diep van de stilte.
Die avond ging Joe weer in de Quaker-tent slapen.