Het waren twee Duitse Vrienden uit een dorp dat Gnadenhutten heette, die aan de vooravond van de Jaarvergadering alarm sloegen: een troep Schots-Ierse puriteinen uit de bergen was bezig Indianen af te slachten, als vergelding voor de dood van een oude man uit hun dorp die door een Indiaan vermoord was. De hele streek was in oproer, zo meldden de twee Vrienden opgewonden in hun gebroken taaltje: de wegen naar Philadelphia waren vol Indiaanse vluchtelingen - zelf waren ze nauwelijks in staat geweest er met hun huifkar door te komen, daarom waren ze zo laat.
Jeremia Best, die het nieuws in het Vergaderingsgebouw hoorde, nam het met een korreltje zout. Om te beginnen waren de Duitse Vrienden niet laat maar een dag te vroeg, de eerste Vrienden van buiten de stad die onderdak kwamen vragen, Het was inderdaad wel laat in de avond, als ze dat bedoelden; ze troffen het dat hij er nog was. De laatste paar uur had hij verscheidene malen op het punt gestaan naar huis te gaan; telkens was hij weer door de een of andere pietluttigheid opgehouden. Zijn de waterkruiken al aangekomen, Vriend Jeremia? Wie wordt er geacht te zorgen voor inktpotten en pennen voor de schrijvers van de Maandvergaderingen, Vriend Jeremia? Hoe staat het met die steunbalk van de oostelijke galerij, Vriend Jeremia? Is die nu door termieten aangevreten, of niet? Na tien minuten kruipen en turen bij het licht van een kaars was hij tot de slotsom gekomen dat het houtwormen waren, maar het was toch maar beter de balk morgenochtend vroeg door een van de timmerlieden van zijn werf te laten keuren.
Al deze besognes waren een plaag voor de klerk van de Jaarvergadering, en ze doken altijd op wanneer de bijeenkomst op het punt stond te beginnen. Morgen zouden duizenden Vrienden van de afgelegen Vergaderingen, van alle rangen, standen, talen, karakters en leeftijden, als sprinkhanen op de stad neerstrijken; om nu nog, op het moment dat hij wilde weggaan, een paar hysterische boeren te zien opdagen, wauwelend over een slachtpartij, wat ze uitspraken als ‘Schlachtpartai’, was één complicatie te veel. Hij zette hun verhaal op rekening van te veel kannen bier, stuurde hen door naar een in Philadelphia wonend Duits gezin dat om ‘Vrienden van hun eigen soort’ had gevraagd en ging naar huis.
Terwijl hij door de donkere, stille straten liep, liet het verhaal van de Duitsers hem toch niet met rust. Gulielma Woodhouse, die bij haar broer Isaac was aangekomen met Bizon McHairs Indiaanse dochtertje, had een
verontrustend beeld opgehangen van de oorlogsvoorbereidingen door de Indiaanse stammen in de prairie. Hij vroeg zich af of hij haar zou gaan waarschuwen; maar toen hij hun straat inliep zag hij nergens licht in het huis van de familie Woodhouse en besloot dat het best tot de ochtend kon wachten.
Om drie uur die nacht werd hij uit een onrustige slaap opgeschrikt door gebons op zijn voordeur. Hij ging in zijn nachthemd naar beneden om te zien wie het was en stootte op de trap zijn teen; toen hij hinkend en mopperend de deur opendeed zag hij Philip Howgill op de stoep staan, de schrijver, die zich bereid had verklaard die nacht in het Vergaderingsgebouw te blijven om eventuele nieuwe gasten van buiten te ontvangen. ‘Vriend Jeremia!’ riep de man, buiten adem. ‘Kom, kom gauw! Er is een hele troep Indianen aangekomen! Vrouwen, kinderen, oude mensen - ze vragen allemaal om asiel! Ze zeggen dat ze achterna worden gezeten door een bende moordenaars uit de bergen en komen bij de Quakers bescherming zoeken! Kom alsjeblieft, kom gauw!’
Jeremia voelde dat zijn kuiten begonnen te bibberen, desondanks wist hij het hoofd koel te houden en te vragen, met een vertoon van kalme autoriteit: ‘Hebben we hier enige bevestiging van, of is het alleen maar het verhaal van die Indianen?’
‘O, God, nee!’ riep Philip Howgill uit met de dramatische overdrijving waarmee iedereen vlak voor de Jaarvergadering behept scheen te raken, ‘er zijn nog meer Duitse Vrienden aangekomen en ze vertellen allemaal hetzelfde verhaal: een troep rekels is bezig links en rechts Indianen neer te knallen om een oude man te wreken die vermoord is. Ze zijn zo door het dolle heen dat ze zelfs op de weerhaan van de Lutherse kerk in Gnadenhutten hebben geschoten! Wat moeten we doen, Jeremia Best? We kunnen die Indianen onmogelijk beschermen! Het zijn er nu al een paar honderd, en er komen er steeds meer bij! Hoe moeten we ze onderbrengen, en waar? God weet hoeveel er nog komen! Wat moeten we aan met al die mensen?’
‘Philip Howgill,’ zei Jeremia waardig, ‘beheers je. Je helpt er niemand mee door je hoofd kwijt te raken.’
‘Maar - maar ze zitten allemaal op de binnenplaats, vlak voor de deur van 't Vergaderingsgebouw! Wat moet ik tegen ze zeggen? Wat...’
‘Luister!’ Jeremia's stem was zo gezaghebbend dat Philip Howgill, onder normale omstandigheden niet gauw geneigd aan andermans lippen te hangen tenzij hij verondersteld werd een notule te maken van wat ze zeiden, de rest inslikte. ‘Ga terug, zeg tegen hun opperhoofd of leider dat iemand zich over een paar minuten met hun problemen zal bezighouden, geef ze water te drinken, nodig ze uit met je in samenkomst te gaan, doe alles om te voorkomen dat ze in paniek raken net als jij. Ik kom zo gauw ik me heb aangekleed en Gulielma Woodhouse hiernaast gewaarschuwd. Vlug!’ Zijn kordaatheid scheen de ontdane man te sterken; fladderend als een vleermuis met zijn flapperende zwarte mantel holde hij de straat af, terug naar het
rampgebied.
Grizzle riep omlaag, op de overloop: ‘Jeremia! Wat is er aan de hand?’
‘Niets, lieve,’ antwoordde hij sussend, terwijl hij de trap weer opklom, ‘alleen een stel Indianen die om asiel vragen.’
‘Asiel?! Hoezo, asiel? Zo'n onzin heb ik van mijn leven nog niet gehoord! En wie stond daar zo te bonzen en te tieren? Een van je nachtuil-vriendjes?!’
Zoals gewoonlijk gaf ze hem de schuld; ze was een opvliegende vrouw die niet verantwoordelijk kon worden gesteld voor alles wat ze in opgewonden toestand zei; de beste verdediging was haar aandacht af te leiden met een interessant nieuwtje. Daarom vertelde hij haar van de oude man die in een boom was doodgeschoten en de weerhaan van de Lutherse kerk in Gnadenhutten. Tot zijn verbazing vatte ze het ditmaal ernstig op. ‘Wie is er om die Indianen te helpen?’ vroeg ze, bazig. ‘Is er iemand in 't Vergaderingsgebouw die hun taal spreekt? Soep voor ze kookt?’
‘Ik zou het niet weten,’ zei hij, ietwat korzelig. ‘Ik heb te veel aan m'n hoofd om me op dit ogenblik zorgen te maken over soep.’
‘Ach, jij!’ riep ze, in dat ene woord haar opinie uitdrukkend over zijn doortastendheid, deernis en gezond verstand. ‘Ik ga met je mee! Het wordt tijd dat iemand die mensen ontvangt en verzorgt. Wat voor weer is het?’
Even schrok hij terug voor het vooruitzicht Grizzle, luid krijsend als een pauw, bij de chaotische verwarring te voegen die toch al op de binnenplaats moest bestaan, toen zei hij: ‘Dat lijkt me een voortreffelijk idee, liefste. Ik weet zeker dat je van groot nut zou zijn. Ik ga ook even Gulielma Woodhouse en Himsha McHair waarschuwen; die spreken allebei Algonkian of hoe die taal heten mag.’
‘Is het koud buiten? Regent het?’
‘Geen idee, liefste,’ mompelde hij. ‘Reken maar op regen.’
Hij was bezig zich aan te kleden toen hij opschrok van een hernieuwd gebons op de deur, ditmaal zo luid en gebiedend dat hij, mompelend, op kousevoeten de donkere trap afstommelde.
‘Neem licht mee! Breek nu niet tot overmaat van ramp ook nog eens een been!’ riep Grizzle hem na, maar hij was al beneden. Toen hij opendeed, zag hij de eikehouten gestalte van zijn schoonvader, Peleg Martin, staan; achter hem snoof en rinkelde een onzichtbaar paard.
‘Ben je klaar om te gaan, Jeremia?’ vroeg de oude man.
‘Ik - ja ... Maar hoe...’
‘Philip Howgill heeft me gewaarschuwd, als voorzitter van de Commissie voor Indiaanse Zaken. Waarom ben je nog niet aangekleed?’
Jeremia bedwong een onchristelijke opwelling; toen voegde Grizzle zich bij hen, geheel gekleed. ‘Heb je het koetsje buiten, paps?’ vroeg ze op de gemaakt opgewekte toon die ze altijd tegenover haar vader bezigde.
‘Ja, ik wist dat je man je op dit uur van de nacht geen rijtuig zou weten te bezorgen.’
De hatelijke opmerking was zo onbillijk dat Jeremia het liefst de deur
voor de neus van de oude lammeling had dichtgesmakt; maar hij speelde het klaar hem voor zijn goede zorgen te bedanken, terwijl hij zich in de overjas worstelde die Grizzle mee naar beneden had gebracht.
Hij stond op het punt na haar in het koetsje te stappen toen hij zich Gulielma Woodhouse herinnerde. Hij verontschuldigde zich met een gevoel van bevrijding en haastte zich naar het donkere huis van zijn buurman. Nu was het zijn beurt om op de deur te bonzen; hij hoorde wat Philip Howgill gehoord moest hebben: een geklepper van pantoffels die de trap afkwamen, een mopperende stem: ‘Ja, ja, ja...!’
De deur werd geopend. ‘Wie is daar?’ Het was Isaac, met een kaars.
‘Ik ben het. Goeiemorgen!’ In zijn verlangen om kalm te schijnen, kwam het er overdreven monter uit. Isaac reageerde dienovereenkomstig; maar zodra hij het nieuws hoorde, zag hij onmiddellijk het gevaar. ‘Wat er ook gebeurt, we moeten ervoor oppassen dat er geen paniek komt,’ zei hij kordaat. ‘Wat je ook doet, zorg dat die Indianen zich niet door de stad verspreiden, houd ze vast op de binnenplaats tot we de Gouverneur hebben gesproken.’
‘De Gouverneur?’
Voordat Isaac hier nader op kon ingaan, verschenen de vrouwen in de gang, in nachtkledij; alleen Gulielma was aangekleed, maar zij hoefde zich dan ook niet te bekommeren om een rok of een keurslijf, ze kon zó in haar leren broek springen. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze.
Jeremia vertelde haar van de Indianen en de heethoofden uit de bergen.
‘Wáár in de bergen?’
‘Pardon?’
‘Die kerels! Waar komen ze vandaan?’
‘Ik zou 't niet weten - ze willen wraak nemen vanwege een oude man in een boom, of zo iets.’
Gulielma reageerde op een, voor haar doen, opgewonden wijze. ‘Dat zijn de kerels waar ik je over verteld heb! De dode man in de boom moet Jim McHair zijn geweest! Kom! Ga mee!’ Ze stevende de deur uit, de stoep af, en liep door de donkere straat in de richting van het Vergaderingsgebouw.
Jeremia wilde dat hij het koetsje genomen had, hij was te oud om te hollen. Terwijl hij hijgend achter de onmogelijke vrouw aanholde, die met sprongen als een hert de benen nam, vroeg hij zich af wat hem bezield had om zo hardnekkig te streven naar de benoeming als klerk van de Philadelphiase Jaarvergadering.
***
Kampvuren tussen de zerken, hinnikende paarden steigerend binnen de hekken - het terrein van het Vergaderingsgebouw was veranderd in het bivak van een horde nomaden. Het gebouw zelf was er niet beter aan toe; toen ze in de verlichte vestibule kwamen, na zich een weg te hebben gebaand door groepjes Indiaanse squaws die met uitdrukkingloze gezichten bezig waren
eten te koken op die kampvuren, troffen ze Philip Howgill aan in een toestand van verstandsverbijstering, omstuwd door plattelands-Vrienden en hun gezinnen, Indiaanse vrouwen die papegaais praatten, uitgelaten Quaker-kinderen die krijgertje speelden, en een meute rondsnuffelende honden die met de Indianen mee moesten zijn gekomen. Het enige waar de arme man onder de druk van deze omstandigheden blijkbaar aan kon denken was hoe hij iedereen zo gauw mogelijk kwijt kon raken.
Gulielma ontfermde zich met groot gezag over de Indianen op de binnenplaats; Jeremia hielp binnenshuis met de nieuw aangekomen Vrienden; tegen het aanbreken van de dag was er althans enige orde in de chaos gekomen. De verspreide kampvuurtjes waren vervangen door één groot vuur in een hoek van het terrein; Gulielma, geholpen door Himsha, Becky Baker, haar zusje Abby en een aantal andere vrouwen, was daar bezig met het organiseren van een gaarkeuken. De paarden waren bijeengedreven en vastgebonden aan de spijlen van het buitenhek; de meeste Vrienden waren bij Quaker-gezinnen in de stad ondergebracht. Alles leek geleidelijk onder controle te komen, maar het leed geen twijfel dat hij de agenda van deze Jaarvergadering net zo goed zou kunnen verscheuren. Als de moordenaarsbende de Indianen tot in het hartje van Philadelphia zou achtervolgen moest de Vergadering beslissen wat er met de Indianen moest gebeuren, die zich met ontroerend maar misplaatst vertrouwen op het verdrag met William Penn beriepen.
Jeremia had niet veel tijd om erover na te denken. Gedurende de minuten waarin hij er, zo nu en dan, over nadenken kon werd het hem duidelijk dat het ogenblik gekomen was voor de Quakers om eieren voor hun geld te kiezen. De Indianen met geweld verdedigen? Onmogelijk. Wat dan? Ze op schepen stouwen en weg zien te werken voor de woestelingen de stad bereikten? Daar zou geen tijd meer voor zijn; de Quakers zouden moeten beslissen of ze tegenover de naderende vechtersbazen het beginsel van de geweldloosheid trouw zouden blijven of niet ... Ondanks zijn zenuwachtige ongerustheid was Jeremia zich ervan bewust dat hij historische uren beleefde die van blijvende invloed zouden zijn op de toekomstige Quaker-generaties.
Hij trachtte heldhaftig voor te wenden dat hij zich aan de agenda zou houden; maar hij vertelde John Woolman, die de eerste toespraak zou houden, dat dringende zaken misschien voorrang zouden moeten krijgen boven zijn voordracht. De vriendelijke man nam het filosofisch op en mompelde bescheiden dat het er niet toe deed, iedereen wist toch van tevoren wat hij zou gaan zeggen. Jeremia was bezig beleefd te protesteren toen hij werd weggehaald om met Isaac Woodhouse, Peleg Martin en Israel Henderson naar de Gouverneur te gaan voor een spoedaudiëntie; als klerk van de Philadelphiase Jaarvergadering was zijn aanwezigheid geboden. Het was een pijnlijke opgave - zij zouden zich genoopt zien de hulp van de Burgerwacht in te roepen om de Indianen te beschermen. Was gewapende bescherming die op verzoek van Quakers werd verschaft een schending van het beginsel van de geweldloosheid? Zo ja - wat was het alternatief? Ze
reden in somber stilzwijgen naar de audiëntie.
Het gerucht over de noodsituatie scheen het Gouverneurspaleis nog niet te hebben bereikt. Nadat hun koets door de galmende poort de binnenplaats was opgereden leek de voortuin van het paleis met zijn hagen en fonteinen even ver van wereldse onrust verwijderd als de tuin van Hampton Court, waarvan deze een nabootsing was. Het rijtuig hield stil voor een bordes; lakeien sloegen hun aankomst door glazen deuren gade. Terwijl ze uit de koets stapten, hoorde Jeremia duiven koeren; één van de paarden hinnikte; de duiven vlogen met een luid gefladder van vleugels op. Het contrast met de chaos op het terrein van het Vergaderingsgebouw scheen een weerspiegeling van de politieke werkelijkheid. De seculaire autoriteiten vol zelfvertrouwen in serene rust, de Quakers in een toestand van volslagen verwarring.
In het paleis zelf leek de rust nog dieper. Ze moesten een onhoffelijk lange tijd, staande in de vestibule, wachten; eindelijk ging er een deur open en de adjudant van de Gouverneur, kolonel Urquhart, kwam naar buiten om hen aan te raden het zich gemakkelijk te maken; Zijne Excellentie moest een paar dringende zaken afdoen, die, helaas, op het laatste moment onder zijn aandacht waren gebracht. Er viel niets anders te doen dan het advies van de kolonel op te volgen en erbij te gaan zitten.
Gezeten op de twee gebeeldhouwde banken in de vestibule, ging hun zwijgend wachten onwillekeurig over in een samenkomst. De lakeien, die door het paarsgetinte glas van de deuren naar de duiven in de voortuin staarden, geeuwden van verveling. Toen ze eindelijk werden binnengelaten, voelden ze zich gesterkt; als ze direct in de vorstelijke rust van de Gouverneurskamer waren binnengelaten na de chaos in het Vergaderingsgebouw, zouden ze zeker in het nadeel zijn geweest.
Gouverneur Morris was een charmante man met onberispelijke manieren. Zijn pruik, naar de laatste mode gekapt, leek meer gepast voor een officiële plechtigheid dan een spoedaudiëntie, evenals zijn karmijnrode jas en de enorme kanten manchetten die als rozen uit zijn mouwen staken. Toen Isaac Woodhouse als hun woordvoerder de reden van hun bezoek uiteenzette, legde de Gouverneur grote sympathie aan den dag. Hij zou, vanzelfsprekend, geen seconde hebben geaarzeld een compagnie van de militie te sturen om de Indiaanse vluchtelingen in de Quaker-Kerk te beschermen, als hij maar manschappen ter beschikking had gehad. Het ongeluk wilde dat de troepen die de stad Philadelphia bewaakten ernstig gedund waren: twee pelotons escorteerden een colonne huifkarren op weg naar Fort Pitt, een ander peloton begeleidde de expeditie naar de Delawares, de rest was verspreid over strategische stellingen ten westen van de stad, aangezien, zoals de heren ongetwijfeld wisten, de spanning tussen Engeland en Frankrijk sinds kort onrustbarend was toegenomen. Kolonel Urquhart stond op de achtergrond instemmend te knikken; het werd Jeremia duidelijk dat de autoriteiten eindelijk de kans schoon zagen om de weerspannige Quakers aan het verstand te brengen dat hun pacifisme onwerelds was.
Hij nam niet actief aan het gesprek deel, maar prentte zich ieder woord in
het geheugen, voornemens het bij de eerste gelegenheid allemaal op te schrijven voor toekomstige generaties. Isaac Woodhouses kalmte was bewonderenswaardig; Jeremia had nooit gedacht dat hij zijn vitterig neefje ooit nog eens zou bewonderen, maar Isaac pareerde de onoprechte en van leedvermaak druipende deelneming van de Gouverneur met onverstoorbare waardigheid. Gouverneur Morris' keurige manieren konden diens hoop niet verbergen dat de woestelingen metterdaad het terrein van ‘de Quaker-Kerk’ zouden binnendringen, ook al betekende dat de dood van een paar squaws en hun jongen.
Zij namen afscheid van de Gouverneur; hij maakte een diepe buiging, zoals het onder overheidsfunctionarissen die met Quakers te maken hadden gebruik was geworden sinds koning Karel tegen de jeugdige William Penn gezegd had toen die weigerde zijn hoed af te nemen: ‘In dat geval, meneer Penn, zal ik de mijne afnemen; het is de gewoonte dat in de aanwezigheid van de koning van Engeland slechts één persoon het hoofd niet ontbloot.’
Zwijgend klommen ze weer in het rijtuig. Ook nadat ze de galmende poortgang weer achter zich hadden gelaten en door de stampvolle straten terugreden, zei niemand iets. Er hing opwinding in de lucht; het nieuws had zich blijkbaar snel verspreid. Voor de wereldse bewoners van de stad moest de naderende confrontatie tussen de schijnheilige Quakers en een moordenaarsbende uit het gebergte een welkom verzetje zijn. Toen ze bij het Vergaderingsgebouw aankwamen, bleken er nog veel meer huifkarren buiten te staan; honderden Vrienden uit afgelegen gebieden moesten binnen staan dringen om onderdak. Jeremia kon zich niet langer inhouden. ‘En?’ vroeg hij. ‘Wat doen we?’
De stilte die volgde werd pijnlijk; toen antwoordde Isaac: ‘De Heer zal uitkomst geven.’
Het was een waardig gezegde, maar Jeremia vertaalde het als: ‘Wie weet verzin ik nog wel iets.’ Ondanks de spreekwoordelijke slimheid van zijn neef betwijfelde hij dit keer of iemand iets zou kunnen verzinnen. Toen hij het Vergaderingsgebouw binnenging, zag hij onder de menigte in de vestibule de robuuste gestalte en leeuwemanen van Stephen Atkins van Rhode Island. De aanwezigheid op dit ogenblik van de befaamde strijdbare Quaker, voorstander van wat hij ‘Heilig Geweld’ noemde, vervulde hem met mistroostigheid. Stephen Atkins' heldendaden waren legendarisch; toen zijn schip een keer door piraten werd overvallen had hij de eerste die aan boord kwam klauteren bij de nek gegrepen, gezegd: ‘Spijt me, Vriend, vandaag niet’, en de man in zee gegooid. Vroeger had Jeremia heimelijk van dit verhaal genoten, in de overtuiging dat geen piraat ooit de stad Philadelphia zou kunnen bedreigen.
Stephens schallende stem riep hem over de hoofden van de menigte toe: ‘Gegroet, Vriend Jeremia! Terug van je audiëntie met de Gouverneur? Wat zei hij?’
Hoe wist de man het? Het was in het grootste geheim geregeld; hijzelf had het aan niemand verteld behalve - natuurlijk! Het was een moment
waarop het hem moeilijk viel zijn vrouw te vergeven.
Er viel een stilte in de vestibule. Iedereen wachtte op zijn antwoord; hij moest iets zeggen, wat dan ook. ‘We zullen de kwestie in onze eerste zakenvergadering bespreken, en ik stel voor dat we daar nu toe overgaan.’
Stephen Atkins haalde diep adem alsof hij wilde antwoorden, maar een droge vrouwenstem was hem voor. ‘Ik verenig mij daarmee!’ Het was Gulielma Woodhouse. Anderen uitten hun instemming; met een zucht van verlichting baande Jeremia zich een weg naar de Vergaderzaal.
***
Terwijl de expeditie in traag tempo naar de beschaving terugkeerde, reden Joe Woodhouse en George McHair vooruit. Toen zij de buitenwijken van Philadelphia bereikten troffen zij een beroering in de straten aan die toenam naarmate ze het centrum naderden; bij het Vergaderingsgebouw werd de mensenmassa zo dicht dat ze zich met geschreeuw een doortocht moesten banen. Toen ze bij het hek kwamen zagen ze een ongelofelijk schouwspel.
Honderden squaws, kinderen en oude Indianen kampeerden op de begraafplaats; rijen paarden stonden vastgebonden aan de ijzeren omheining. In een hoek van de binnenplaats was een veldkeuken ingericht, omringd door schraagtafels en banken. Een aantal Quaker-vrouwen was bezig boven een open vuur in grote gamellen een maaltijd te bereiden; meisjes dekten de tafels met borden en kroezen. Er moesten minstens drie- of vierhonderd Indianen zijn, maar er waren geen Vrienden te zien, behalve de vrouwen die aan het koken waren; er werd dus blijkbaar vergaderd.
Joe en George gingen de zaal binnen en zagen dat de scheidingswand was neergelaten. Iemand op het spreekgestoelte deed het woord: Joe's oom Stephen Atkins. Hij was een indrukwekkende verschijning, en wat hij zei gaf hun eindelijk een idee wat er aan de hand was. Hij kapittelde de leiders omdat ze een beroep op de Gouverneur hadden gedaan troepen ter beschikking te stellen om de Indiaanse vluchtelingen tegen de ‘vigilantes’ uit Loudwater te beschermen. Hij vond het ontoelaatbaar dat Vrienden een beroep op derden deden om namens hen geweld te plegen. Beseften de Vrienden niet dat dit de basis vernietigde waarop de geestelijke kracht van het Quakerisme rustte? Zagen ze de huichelachtigheid hier niet van in? Hij had al eerder gelegenheid gehad dit in de Philadelphiase Jaarvergadering te zeggen: ‘De loop van de gebeurtenissen zal jullie onherroepelijk, als het vandaag niet is dan is het morgen, confronteren met de gewelddadige realiteit om je heen, net als ons op Rhode Island. Nu is het dan zover. Zijn jullie van plan de Indianen te verdedigen, of zijn jullie van plan hun te vertellen dat de oude verdragen niet langer van kracht zijn omdat de werkelijkheid van vandaag anders is dan die van tweeënzeventig jaar geleden? Jullie kunnen hier niet eindeloos blijven zitten praten en delibereren! De moordenaars zijn onderweg! Ieder ogenblik kunnen ze hier voor de deur staan en hun Indiaanse slachtoffers opeisen - en wat dan?!’ Hij keek
met fonkelende ogen om zich heen; de stilte in de zaal was diep, niemand bewoog. Toen zei hij: ‘Er is geen andere oplossing: jullie moeten de wapens opnemen en de weerlozen verdedigen, of de kracht des Heren zal de Quakers van Pennsylvanië ontnomen worden! In zoverre gij dit aan een van deze Mijner minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan ... Wat zal jullie antwoord zijn als Hij je in het hiernamaals ter verantwoording roept en vraagt: “Wat hebben jullie gedaan toen Ik vluchtte voor hen die Mij wilden doden en een wijkplaats zocht bij jullie, in de tempel?” Zal Hij genoegen nemen met het antwoord: “Heer, we hebben een beroep gedaan op Gouverneur Morris?” Geef antwoord op die vraag, Vrienden! Geef antwoord. Het doet er niet toe welk antwoord, maar geef een antwoord!’
Hij stapte van het spreekgestoelte; onder aan de trap zei hij: ‘Mochten er Vrienden zijn die de praktische middelen met me willen bespreken om die Indiaanse vrouwen en kinderen te beschermen, volg me dan.’ Daarna liep hij door het gangpad naar de deuren.
Na zijn vertrek zag het er een ogenblik naar uit dat niemand hem zou volgen. Niemand verroerde zich; de stilte scheen over te gaan in een samenkomst. Toen schraapte Oom Jeremia zijn keel en vroeg: ‘Zou iemand der aanwezige Vrienden naar aanleiding van deze verklaring nog iets willen zeggen?’
Er klonk een stem uit de zaal: ‘Ik wil in liefdevolle reactie op Vriend Stephens getuigenis een paar woorden spreken.’ Het was Israel Henderson. Hij ging statig op weg naar het spreekgestoelte, maar Oom Jeremia had de betovering verbroken en voorkomen dat de Vergadering tot zelfinkeer overging. Zodra Israel Henderson opstond, volgden anderen zijn voorbeeld, maar zij liepen naar de deuren. Het waren, zonder uitzondering, jeugdige Vrienden; Joe kende de meesten van hen.
Het was een dramatisch ogenblik; een duidelijke scheiding tussen de generaties. Toen George naast hem zich een weg naar de deuren begon te banen, volgde Joe zijn voorbeeld. Hij voelde niets voor Oom Stephens strijdbaar Quakerisme; hij was ervan overtuigd dat de wapens opnemen het ergste was wat zij op dit beslissende moment konden doen, maar hij zag geen andere oplossing. Hoe konden zij die arme Indianen anders beschermen dan door de gewapende bende uit Loudwater met geweren en sabels tegemoet te treden?
Toen hij op de binnenplaats kwam zag hij dat de hekken waren geopend en dat een aantal ruiters naar buiten reden, aangevoerd door Oom Stephen. Hij leek al een generaal aan het hoofd van zijn troepen; hij had alleen nog maar een paar kanonnen nodig en hij zou niet te onderscheiden zijn van iedere andere commandant van de militie. Joe zag Josh Baker voorbijdraven en riep hem na: ‘Waar gaan ze naar toe?’
‘Het nieuwe Vergaderingsgebouw!’ antwoordde Josh, en galoppeerde het hek uit, de anderen achterna.
‘Laten wij ook maar gaan,’ zei Joe, ‘dan horen we wel wat ze van plan zijn.’
‘Wat het ook is, ik doe mee!’ riep George. ‘Ik weet wie het zijn: de dominee en zijn tuig!’ Hij holde naar zijn paard.
Toen Joe hem wilde volgen, werd hij staande gehouden door een van de vrouwen die bezig waren met koken. ‘Waar gaan jullie allemaal naar toe?’ Het was zijn moeder.
‘Naar het nieuwe gebouw,’ antwoordde hij. ‘Oom Stephen wil dat we de overvallers gewapend te lijf gaan.’
‘Ik dacht het wel!’ riep zijn moeder boos uit. ‘Probeer of je ze kunt tegenhouden, Joe; ik ga de vrouwen waarschuwen!’ Zonder op zijn antwoord te wachten haastte ze zich naar de deuren.
***
De opstandige jonge Vrienden stonden bijeen in het geraamte van het nieuwe Vergaderingsgebouw, te midden van stapels planken, draineerbuizen en metselaarsschragen. Toen Joe en George binnenkwamen, was Stephen Atkins aan het woord. De oplossing was eenvoudig, zei hij, ze hoefden alleen maar naar de Gouverneur te gaan en om wapens te vragen. Er mochten dan in de stad geen soldaten beschikbaar zijn, geweren waren er genoeg.
Joe hoorde weer de laatste woorden van opperhoofd Zilverwolf: ‘Bewijs me dat maar eens!’ Het plan van zijn oom Stephen leek het enige antwoord; een paar weken geleden zou hij zich enthousiast achter hem hebben geschaard. Nu had hij het gevoel dat dit verkeerd was; het kon gewoon niet dat God de mens beval om niet te doden, zonder voor een alternatief te zorgen. Er moest een andere oplossing zijn, het moest ... Maar welke? Met de Indianen meevluchten? Te laat. Ze verbergen? Waar?
Hij keek om zich heen, naar de stapels bouwmaterialen. Konden ze ze hier ergens verstoppen, misschien? Hij staarde naar de driehoekige stapel draineerbuizen die hem in zijn sombere stemming schenen aan te staren als de lopen van kanonnen. In een hoek verderop lagen nog meer kanonnen: kachelpijpen. Nee, vierhonderd Indianen konden hier onmogelijk verborgen worden.
‘Maar, Stephen Atkins, als we naar het arsenaal gaan en om geweren vragen, zou dit ingrijpende politieke gevolgen hebben!’ Het was Israel Henderson junior, een nuchtere jongeman. ‘Ik ben het met je eens dat we iets moeten doen, maar als we doen wat jij voorstelt zitten onze vaders in de Provinciale Raad met de consequenties! Kunnen we ze dit aandoen?’ Maar zijn stem was die van een roepende in de woestijn. De anderen toonden zich geërgerd door zijn woorden, ook al konden ze het argument dan niet weerleggen.
Stephen Atkins deed het voor hen. ‘Het zal jullie besluit zijn, niet het mijne, want ik ben alleen maar een gast, hier,’ zei hij. ‘Ik ben me bewust van de politieke gevolgen voor het Genootschap der Vrienden in Pennsylvanië als jullie volgens mijn voorstel handelen. Maar wat is het alternatief? Teruggaan naar de Vergadering en het lot van de Indianen aan eindeloze
debatten overlaten? Wat de ouderen op dit moment doen is precies wat ze al vijftig jaar lang gedaan hebben: ze praten en praten tot de zaak voor hen wordt beslist door omstandigheden buiten hen om. Ze willen niet het dilemma onder ogen zien, maar tijd winnen tot hun een oplossing wordt opgedrongen, want dan kunnen ze zeggen: “We zijn de Beginselen niet ontrouw geworden, we zijn door de gebeurtenissen overrompeld, het was force majeure.” Vrienden, het zijn niet onze woorden waar het op aan komt, maar onze daden. Toekomstige generaties zullen zich niet herinneren wat de Philadelphiase Jaarvergadering in het jaar onzes Heren 1754 zei; zij zullen zich herinneren wat ze deed, of naliet te doen, toen de Indianen bescherming kwamen zoeken bij hun vrienden en bondgenoten, de Quakers!’
Het argument leek onweerlegbaar, maar toch wist Joe dat het verkeerd was; als Oom Stephen zijn zin kreeg, zou er iets ontastbaars maar essentieels worden vernietigd; dan zouden de Quakers ophouden Quakers te zijn en net zo iets worden als de Anglicanen, die ook de mond vol hadden van ‘vrede’ en ‘naastenliefde’, maar alleen op zondag. Was dat hun voorland? Ging het met ieder kerkgenootschap zo: eerst een periode van zuiverheid, offervaardigheid, geestdrift, en dan het compromis dat, uiteindelijk, onherroepelijk tot hypocrisie moest leiden? Was het ogenblik gekomen voor het Genootschap der Vrienden om zich los te maken van de idealistische maar onpraktische Beginselen, zoals andere Kerken zich gedwongen hadden gezien zich los te maken van de idealistische, onpraktische Bergrede? In wanhoop sloot hij zijn ogen, teneinde God om leiding te vragen, maar hij bleek tot niets anders in staat dan zich idioot af te vragen hoeveel Indianen er verstopt konden worden onder twaalf stapels draineerbuizen en zes stapels kachelpijpen.
‘Wat zou voor ons het doeltreffendste wapen zijn?’ vroeg iemand.
Oom Stephen antwoordde zakelijk: ‘De beste manier zou natuurlijk zijn de toegangswegen tot de stad af te snijden met een rij veldstukken dwars over de weg. Maar de commandant van de militie zal ons geen geschut geven, ook al heeft hij honderd stukken. Het enige waar we op kunnen hopen zijn musketten, sabels, lansen...’
Met een plotselinge huivering stond Joe op. ‘Vrienden,’ zei hij, ‘we hebben de oplossing bij ons, hier in deze ruimte. De wapens opnemen om die Indianen te verdedigen is de oplossing van de wereld, niet de onze. Maar we kunnen uit de materialen die we hier om ons heen zien liggen vier of vijf kanonnen bouwen die uit de verte niet van echte te onderscheiden zijn. Kijk!’ Hij wees naar de draineerbuizen. ‘Als die draineerbuizen in die kachelpijpen mochten passen, zouden ze samen precies op kanonlopen lijken. Als we ze dan op die metselaarskarretjes monteren ben ik er zeker van dat ze op een afstand net echt lijken. We kunnen gemakkelijk uitvinden langs welke weg de ruiters uit Loudwater in aantocht zijn; als we die weg blokkeren en ze vliegen erin, dan hebben we onze belofte aan de Indianen gestand gedaan zonder het beginsel van de geweldloosheid ontrouw te worden. We moeten niet moord met moord beantwoorden alleen maar
omdat we in vijf minuten geen andere oplossing kunnen bedenken; als wij geen geweld mogen gebruiken, moet God willen dat we iets anders gebruiken: onze hersens misschien? Onze slimheid? We zullen hier niet als helden of heiligen uit te voorschijn komen, maar zouden we erin slagen de overvallers af te schrikken met namaakkanonnen, dan zal de wereld allicht zeggen: “Als de mens zó slim kan zijn, waarom heeft hij dan eigenlijk nog geweld nodig?”’ Hij keek om zich heen, bibberend als een espeblad, hij begreep niet waarom.
Oom Stephens stem verbrak de stilte. ‘Tjonge,’ zei hij, met glimlachende bewondering. ‘Jij bent een echte Woodhouse, Joe. Vooruit, mensen! Laten we het proberen.’
***
Toen Gulielma Woodhouse die ochtend naar de Vrouwenvergadering ging was ze uitgeput. Ze was de hele nacht bij de Indianen gebleven, en gebrek aan nachtrust was op haar leeftijd op zichzelf al afmattend; bovendien had ze de hele nacht als een twintigjarige rondgesprongen. Toen ze dan ook eindelijk onder de vrouwen ging zitten was ze zo doodop dat iedere klik van een reticule klonk als een pistoolschot en iedere kuch als een ontploffing. Terwijl ze met een half oor zat te luisteren naar de onwereldse voorstellen van de ene spreekster na de andere betreffende de Indianen en wat ze met hen moesten beginnen, maakte ze zichzelf bittere verwijten omdat ze niet naar het lijk van de oude Jim McHair was gaan zoeken. Nu zaten al die vrouwen hier hulpeloos in kringetjes te praten terwijl de barbaren uit Loudwater hen ieder ogenblik konden overvallen. Ze had ze eigenlijk al veel eerder verwacht; klaarblijkelijk hadden zij vol zelfvertrouwen ergens hun bivak opgeslagen, zeker dat hun prooi hun niet kon ontsnappen, ook al knapten ze een uiltje. Toen kwam Mary Woodhouse binnen met de mededeling dat de jonge Vrienden onder leiding van Stephen Atkins waren uitgereden om zich gewapenderhand met de Paisley-bende te meten.
De Vrouwenvergadering, die zich tot op dat ogenblik saai en eindeloos had voortgesleept, schrok plotseling wakker; boven het opgewonden gefluister uit klonk opeens een kalme, bevende stem. Het was Hanna Martin; zo lang Gulielma zich kon herinneren had de oude vrouw nooit in een Vergadering het woord genomen; nu stond ze daar, klein en verschrompeld en erg Duits, en zei met haar zware accent: ‘Vrienden, sollten wij nu niet iets moeten tun, als Frauen, als moeters? Sollten wij niet aan de Indianische meisjes en hun Kinder daarbuiten moeten denken als aan unse eigene Kinder, unse Kleinkinder? Wat sollten wij tun als het inderdaad unse Kinder waren? Sollten wij ze niet mee naar huis nemen en ze veilig unterbrengen in de Keller, of op den zolder? Sollten wij niet in de deuroopning gaan staan om die jungens met hun geweren op te wachten? En als ze kwamen, sollten wij niet zeggen: “Als jullie de Indianer willen toten, sollen jullie eerst uns moeten toten?” Zouden we dit niet voor unse Kinder tun? Natürlich sollten
wij dat. Darum laten degenen unter uns die hier in Philadelphia wonen en die ruimte hebben, zich bereid verklaren een paar van die Indianer in huis te nemen, en laten wij dan met unse gezinnen op unse drempels gaan staan en die opgewonden jungens tegemoet treden mit Liebe. Mutterliebe.’
Haar rustige toespraak maakte diepe indruk. Minutenlang was het in de Vrouwenvergadering zo stil dat de stemmen van de mannen aan de andere kant van het tussenschot duidelijk hoorbaar waren. Gulielma voelde haar vertrouwen in de gemeenschappelijke Goddelijke leiding herleven; er kon geen twijfel aan bestaan dat Hanna Martin gesproken had in de kracht des Heren. Ze stond op en zei: ‘Daar verenig ik mij mee.’ Tot haar verrassing ging ze bevend weer zitten. Ze had toch zeker wel iets meer moeten zeggen? Maar ze had geen woorden kunnen vinden.
Een stem vroeg ergens: ‘En als die jongens zeggen: “Goed, dan doden we jullie het eerst!”?’
Daar kwam Hanna's kalme stem weer: ‘Het is een mogelijkheid, en als het zover komt, sollen wij het unter ogen moeten zien. Maar ik geloof nicht dat dit zal gebeuren. Het zijn gewoon ein groepje böse Jungens. Wij hebben allemaal weleens met böse Kinder te maken gehad, nicht? En wij hebben niet gemerkt dat Liebe, mutterliche Ruhe, altijd die oplossing was?’
Er viel een stilte terwijl elk van de vrouwen zich de consequenties trachtte voor te stellen. Toen vroeg Ruth Henderson, de presiderende klerk: ‘Is dit de leiding die de Vergadering ontvangen heeft? Dat wij ieder een aantal Indianen in onze huizen opnemen en met onze gezinnen in de deur gaan staan om de aanvallers tegemoet te treden in een geest van liefde?’
Ergens zei een stem: ‘Zo is het.’
Er kon niet aan worden getwijfeld; wonder boven wonder, de Vrouwenvergadering had zich door het Licht laten leiden. Gulielma voelde tranen in haar ogen komen.
‘In dat geval’, zei de rustige stem van Ruth Henderson op het podium, ‘zullen we een delegatie naar de Mannenvergadering sturen om ze van ons plan op de hoogte te stellen. Wil de Vergadering zo vriendelijk zijn de afgezanten aan te wijzen?’
‘Ik wil graag gaan,’ zei een stem, na een paar ogenblikken van stilte. Het was Mary Woodhouse. ‘Ik wil me niet aan de Vergadering opdringen, maar ik moet me uitspreken, vooral omdat de jonge Vrienden hun geweld schijnen te beramen onder leiding van mijn broer.’
Voordat iemand anders uit de zaal iets gezegd had, klonk achterin een jonge stem. ‘In dat geval zou ik graag met Mary Woodhouse meegaan! Ik voel me geroepen de jongeren onder ons te vertegenwoordigen. Ik weet zeker dat ik niet alleen voor mezelf spreek als ik zeg dat ik het voorstel geweldig vind. Ik ben er zeker van, absoluut zeker, dat we dit moeten doen, vooral wij jongeren. Wil de Vergadering mij alsjeblieft, alsjeblieft, met Mary Woodhouse mee laten gaan, zodat de mannen hiernaast niet alleen met hun vrouwen worden geconfronteerd, maar ook met hun dochters!’ Gulielma's mond viel open van verbazing; het was Becky Baker.
Het bleef een ogenblik stil.
‘Mag ik concluderen dat het de leiding van de Vergadering is dat Mary Woodhouse en Rebekka Baker ons zulten vertegenwoordigen?’
Uit de zaal antwoordde een stem: ‘Ik verenig mij daarmee. En de Here zij geloofd en gedankt.’
Haars ondanks antwoordde Gulielma: ‘Amen.’
***
Becky wist niet wat haar ertoe gebracht had; iets wat sterker was dan haar bedeesdheid en haar zelfzucht had haar opeens doen opspringen. Nu, met haar hart in haar keel en bevende knieën, liep ze door het gangpad van de Mannenvergadering naar het podium waar, als rechters in een rechtszaal, de ouderlingen somber op hen neerkeken, kennelijk geërgerd door deze verstoring van hun beraad; Oom Jeremia, anders altijd een vriendelijke man, zat fronsend achter zijn tafel. Goddank dat Mary Woodhouse bij haar was. Becky voelde zich plotseling ontnuchterd door de afkeurende blikken van al die mannen, terwijl ze in een ontmoedigende stilte naar het podium liep.
De stem van Mary Woodhouse klonk kalm en zelfverzekerd toen ze het woord nam, maar toch bespeurde Becky in haar dezelfde onzekerheid. ‘Namens de Vrouwenvergadering zijn Rebekka Baker en ik hier gekomen om jullie het volgende besluit mee te delen. Het was de leiding van onze Vergadering dat wij, met het oog op het geweld waar de jonge Vrienden toe over dreigen te gaan...’ Ze zette het voorstel van Hanna Martin uiteen in woorden die opeens emotioneel en onpraktisch klonken. Het werd Becky duidelijk dat hun voorstel zou worden verworpen; nog nooit in haar leven had zij zo het gevoel gehad het voorwerp te zijn van een massale, zwijgende afkeuring.
Na een onbehaaglijke stilte vroeg Oom Jeremia: ‘Is het de wens van de afgevaardigden van de Vrouwenvergadering dat zij teruggaan met het antwoord van deze Vergadering?’
‘Inderdaad,’ antwoordde Mary Woodhouse. Becky wist niet waarom, maar ze was er zeker van dat ook Mary alle hoop had opgegeven. Het was inderdaad een emotioneel en onpraktisch voorstel; maar waarom had ze dan met zo'n absolute zekerheid, zo'n laaiende vreugde gereageerd op Tante Hanna's plan? Wat had haar gedwongen met zo'n kracht, zo'n overtuiging te spreken? Het kon toch niet alleen maar een bevlieging zijn geweest...
‘Mag ik Vrienden uitnodigen hun commentaar op dit voorstel te laten horen?’ vroeg Oom Jeremia formeel.
En toen gebeurde het. Opeens, onverhoeds, laaide er iets in Becky op, iets verbijsterends, onweerstaanbaars. Voordat iemand in staat was een woord te zeggen, klauterde ze brutaalweg het podium op, een ongehoorde en hoogst onwelvoeglijke daad. Maar het kon haar niet schelen, ze moest hun het hoofd bieden, niet vanwege haarzelf maar omwille van al die vrouwen wier vreugde en bezieling ze gevoeld had toen Tante Hanna sprak. Moedig, en
toch vol vreemde tederheid keek ze naar de zee van mannengezichten. ‘Ik ben me bewust van jullie gevoelens,’ zei ze, ‘ik weet dat dit niet het ogenblik is voor emotionele opwellingen. Maar geloof me, Vrienden: alsjeblieft, alsjeblieft, geloof me! Op het spel staat niet alleen het lot van de Indianen die bij ons hulp zijn komen zoeken, niet alleen de politieke macht die wij Quakers hebben. Geloof me, Vrienden - vaders, ooms, broers - wat op het spel staat is de toekomst van ons Genootschap zelf. Ik heb, zoals alle jonge Vrienden, in vergaderingen en in samenkomst horen praten over de “toekomst van het Quakerisme”. Maar, Vrienden, die toekomst zijn wij, de komende generatie - niet ik, Becky Baker, één van een paar duizend, maar Becky Baker, uniek, onvervangbaar. Jarenlang is er tegen me gepraat: Quakerisme is dit, Quakerisme is dat ... Maar nu is het ogenblik gekomen om ons een Quakerisme te laten zien dat bestaat uit daden, niet uit woorden. Hoe vaak heb ik niet, zoals alle jonge Vrienden, het verhaal gehoord van de Quaker die een struikrover op zijn weg vond en zei: “Ik zou me voor geen van mijn stoffelijke bezittingen laten doden, Vriend, maar als het om je ziel ging, zou ik mijn leven geven om die te redden.” Wat was dat, Vrienden? De waarheid, of een vroom verhaal? Jarenlang hebben we dat soort verhalen over ons heen laten gaan: George Fox zei dit, William Penn zei dat, Margaret Fell weer wat anders ... Nu is, voor mij, het ogenblik gekomen om te zeggen: ik weet wat George Fox zei, ik weet wat Will Penn zei, wat Margaret Fell zei - maar wat zegt gij?’
Terwijl ze dit alles eruitflapte, beefde ze zó dat ze er zeker van was dat de mannen het moesten merken en daardoor ontdekken dat ze blufte, dat ze noch de kracht noch de overtuiging had die ze voorgaf te hebben, dat ze alleen maar de pion was van iets onweerstaanbaars dat haar overweldigd had.
In de stilte die volgde, stond er iemand uit de Vergadering op. Toen Becky zag wie het was, zonk de moed haar in de schoenen: zure Oudoom Peleg. Alles was verloren.
‘Vrienden,’ zei de droge oude stem. ‘Ik ben er zeker van dat ik namens deze Vergadering spreek als ik zeg dat ons hier inderdaad een kans geboden wordt om te laten zien dat wij oude Quakers bereid zijn te handelen volgens de Beginselen. Ik deel deze Vergadering mee dat mijn huis open zal staan voor zoveel Indianen als mijn kamers kunnen bevatten en dat ik en mijn vrouw in de deuropening zullen staan om de moordenaars in een geest van liefde tegemoet te treden.’ Hij ging zitten.
Geheel van streek greep Becky de tafel achter vast om steun. Ze hoorde Oom Jeremia zeggen: ‘Is het de leiding van de Vergadering dat we ons achter de vrouwen moeten scharen? Willen Vrienden die deze leiding niet hebben zo goed zijn zich kenbaar te maken?’
Er volgde een stilte gedurende welke Becky trachtte te bidden. Toen zei Oom Jeremia's stem, formeel als altijd: ‘Het is de leiding van deze Vergadering dat wij ieder een aantal Indiaanse vluchtelingen in ons huis opnemen, en de overvallers in een geest van liefde tegemoet treden. Mag ik
nu om een ogenblik stilte vragen, voordat we overeenkomstig deze leiding gaan handelen?’
Ze bleven een, naar het Becky toescheen, eindeloze tijd in roerloos stilzwijgen zitten. Ze voelde zich uitgeput, leeg. Ze had er geen idee van wat de gevolgen zouden zijn, toch wist ze dat haar in die ogenblikken iets onherroepelijks was overkomen.
Oom Jeremia zei: ‘Vrienden, moge God ons allen bijstaan in de uren die komen.’ Haar hand werd aangeraakt, ze draaide zich om, en zag dat het Oom Jeremia was. Zijn gezicht was vol tederheid en begrip.
Met een groot geschuifel brak de Vergadering op. Mary Woodhouse ging met Becky terug naar de Vrouwenvergadering, waar al deze geestelijke vervoering nu in daden moest worden omgezet. Op haar weg door de zaal zag Becky haar vader aan het einde van een rij zitten. Hij staarde haar aan met een blik die haar ontsteld deed beseffen dat hij verschrikkelijk boos was. Ze wilde naar hem toe rennen, hem om vergiffenis vragen, hem smeken haar te begrijpen, maar ze kon het niet. Terwijl ze langzaam verder liep, besefte ze voor het eerst van haar leven dat ‘met God gaan’ alléén gaan betekende.
***
Nadat Becky hem op haar weg naar de deuren voorbijgelopen was, bleef Bonifacius Baker roerloos zitten. Hij dorst zich niet te verroeren, want hij stond niet voor zich zelf in, zo woedend was hij. Er waren in het verleden een paar betreurenswaardige momenten geweest waarop hij zijn zelfbeheersing verloren had, dat zou nu weer kunnen gebeuren, tenzij hij zichzelf stevig in bedwang hield. De onbeschaamdheid van Becky, om de Vergadering zo maar mee te delen dat alles wat ze ooit over het Quakerisme te horen gekregen had alleen maar holle woorden waren! En dat, nadat hij haar ontelbare malen door zijn gedrag metterdaad had laten zien wat het inhield een Quaker te zijn! Hem, zo maar, een lippendienaar van de Beginselen te noemen! Het was schandelijk, belachelijk! Hij wilde zich niet in de vestibule vertonen, uit angst dat hij daar tegenover haar zou komen te staan.
Caleb Martin, die tijdens de vergadering naast hem had gezeten, drentelde ongeduldig in het gangpad heen en weer, kennelijk wachtend op instructies. Iedereen haastte zich naar huis, hun rijtuigen vol Indianen, om voor gek te gaan staan in hun voordeuren. Hij was een gast van Isaac Woodhouse; als hij met deze demonstratie zou meedoen, zou hij in dit geval werkelijk een lippendienaar zijn. Nu de omstreken van de stad in onrust waren leek het onverstandig de plantage aan de hoede van Scipio over te laten. Hij zou het liefst zelf naar huis zijn gegaan, maar dat kon nu eenmaal niet; Caleb moest in zijn plaats gaan. Caleb, kennelijk verheugd met de opdracht, vertrok op staande voet.
Bonifacius kon er niets aan doen, maar zijn gedachten keerden voortdurend terug naar Becky. Hij wist dat hij zijn woede en zijn diepe
gekwetstheid niet van zich af kon schudden tenzij hij een rustig hoekje zocht, waar hij tot zichzelf kon komen. Hij wierp een blik in de stampvolle vestibule, en besloot toen naar de galerij te gaan, die, net als de zaal, nu wel leeg moest zijn.
Boven klonk het rumoer van stemmen als uit de verte. Er was een smalle doorgang tussen de muur en het hoge staketsel van de laatste rij banken. Als kleine jongen was hij, tijdens Jaarvergaderingen, vaak stiekem met een paar vriendjes door dit zelfde nauwe gangetje geslopen, terwijl beneden de eentonige stem van de een of andere spreker voortzeurde, tot de kinderen van verveling niet wisten wat ze moesten doen. Hij keek naar de palen en dwarsbalken die het amfitheater schraagden; hij herinnerde zich rijen voeten en een voortdurend gekraak en het schuldig-plezierige gevoel van iets verbodens te doen. Hoe veilig had de wereld toen geschenen, hoe betrouwbaar en redelijk! Zou hij het ooit in zijn hoofd hebben gehaald om ouderen ‘lippendienaars’ te noemen? Het zou niet bij hem opgekomen zijn! Het was schandalig, het...
Stil, Bonny, zei hij tegen zichzelf, kom tot jezelf. Keer in, breng je woede en je verontwaardiging voor God. Hij vouwde zijn handen, boog zijn hoofd, en scheen onmiddellijk de balsem van de Tegenwoordigheid deelachtig te worden. De oneindige oceaan van licht en liefde doordrenkte hem met vrede; God, alomtegenwoordig, alwetend, ontfermde zich over hem. God, bad hij, God, God, Licht van mijn ziel, dank, dank. Toen, terwijl hij daar zat, verzonken in de Tegenwoordigheid, hoorde hij een stem, ver weg, maar duidelijk. ‘Hemelse Vader,’ zei de stem, ‘om de een of andere reden hebt Ge me hier gebracht om te spreken, hoewel er niemand aanwezig is behalve Gij en ik. Laat me daarom tot U spreken.’
Bonifacius opende zijn ogen en keek om zich heen; hij zag niemand.
‘Ik ben hier om de redenen uiteen te zetten voor de kleur van mijn hoed,’ zei de stem, die uit de zaal scheen te komen.
Hij tuurde door het woud van dwarsbalken naar het podium. Op het spreekgestoelte stond een kleine, tengere man, met een grijze hoed op. Hij herkende de hoed: het was John Woolman, die vandaag een toespraak had moeten houden. Klaarblijkelijk had hij besloten zijn rede uit te spreken, zij het voor een lege zaal. Hij was werkelijk niet goed wijs.
‘Voor degenen onder jullie die het nog niet weten,’ ging de dwaas verder, ‘het feit dat mijn hoed niet geverfd is, is een getuigenis. Want jullie hoeden, beste Vrienden, evenals jullie jassen en broeken, hebben hun modieuze blauwe kleur gekregen door slavenarbeid. Indigo wordt alleen maar op plantages verbouwd waar slaven zijn. Laat me eens wat dieper op dit getuigenis ingaan.’
Bonifacius kon zijn oren niet geloven. Het feit dat de dwaas daarbeneden zich, zonder het te weten, tot hem persoonlijk richtte, scheen ongelooflijk. Zelfs al was de zaal vol geweest, zou hij toch nog de enige zijn geweest op wie die woorden van toepassing waren, want dank zij de warme bronnen was zijn plantage de enige in het gebied van deze Jaarvergadering waar
indigo werd verbouwd. De dwaas begon de lege zaal te vertellen over de onmenselijke gruwel van de slavernij, en de woede die Bonifacius naar deze schuilhoek gedreven had overweldigde hem op nieuw. Dit was onverdraaglijk! Het toppunt van onbeschaamdheid! Een kleermaker, die niet eens tot deze Vergadering behoorde, die de onbeschaamdheid had hem te kapittelen omdat hij slaven hield ... Hij rende door het smalle gangetje naar de balustrade van de galerij en schreeuwde tegen de man beneden: ‘John Woolman! Hou op met die onzin! Hou op!’
De man keek geschrokken op en vroeg: ‘Wie ben je?’
‘Doet er niet toe wie ik ben!’ antwoordde Bonifacius, trillend van woede, ‘laat me volstaan met te zeggen dat ik indigo verbouw! Zou je mij eens willen vertellen, Vriend Woolman, op grond van welk gezag je je aanmatigt mij de les te lezen, zonder dat je zelf ooit één slaaf hebt gehad? Ik zou naar je luisteren als je voorbeeld je recht van spreken had gegeven!’
De kleine man beneden nam zijn hoed af en zei: ‘Vriend, dank je. Ik ben niet hier gekomen om je de les te lezen. Breng je last, het houden van slaven, voor God.’ Hij draaide zich om en wilde weggaan.
Maar Bonifacius kon dit niet op zich laten zitten. Hij riep: ‘Wacht even, Vriend Woolman! Luister naar wat ik te zeggen heb!’
De kleine man bleef staan.
‘Stel dat ik mijn slaven de vrijheid zou geven, zoals jij van me eist,’ riep Bonifacius, ‘wat voor gevolgen zou dat hebben? Ik heb een verantwoordelijkheid voor mijn slaven. Als ik zou zeggen: “Jullie zijn vrij om te gaan waarheen je wilt,” wat zou er dan met ze gebeuren, zodra ze eenmaal voet aan de overkant van de rivier hadden gezet? Aangezien ze geen middelen van bestaan zouden hebben, zou de Anglicaanse Kerk volgens de wet het recht hebben ze opnieuw in slavernij te verkopen! Voor je dus slavenhouders blijft vertellen wat ze moeten doen, zou je eerst eens moeten nadenken over de consequenties! Als ik mijn slaven hun vrijheid wil schenken, moet ik ze ook een middel van bestaan geven. Hoe, Vriend Woolman? Er is maar één manier: door mijn land onder hen te verdelen. Ik zou zelf met mijn gezin over de bergen moeten trekken, naar de prairie, waar de grond vrij is, om daar een stuk land te gaan bewerken, groot genoeg om mij en de mijnen te voeden. Dat, Vriend, is wat je van me eist! Geen enkel mens heeft het recht dat van een ander mens te eisen! Jij dient God niet, John Woolman, jij raaskalt in onwetendheid. Ga naar huis, naar je kleermakerij, en hou je bij je leest, in plaats van mij te vertellen in de wildernis nog eens van meet af aan te beginnen, zoals Adam na de zondeval!’ Hij beefde van verontwaardiging en woede.
De kleine man zei, vriendelijk: ‘Vergeef me, Vriend; het was niet ik die sprak. Het was de Tegenwoordigheid, sprekend door mij.’
‘Onzin!’ riep Bonifacius verachtelijk. ‘Wat geeft jou het recht, jij - jij broos wezen, te beweren dat God door jou zou spreken en niet door mij?’
‘Omdat,’ antwoordde John Woolman, ‘iets mij dwong de rede die ik had voorbereid voor een lege zaal uit te spreken. Ik heb je niet gezien; ik wist
niet dat er iemand was die mij horen kon; toch was ik gedwongen te spreken. Als jij inderdaad de enige in deze Jaarvergadering bent op wie mijn woorden van toepassing zijn, Wie denk je dan dat me tot spreken dwong?’
Bonifacius zocht naar woorden waarmee hij het schepsel kon vermorzelen dat nu ook nog, opperste onbeschaamdheid, beweerd had de stem van God te zijn. Maar hij beheerste zich, liep naar de deuren en daalde de trap af naar de vestibule. Toen hij beneden kwam, zag hij een laatste rijtuig voor de deur staan, dat volgeladen werd met squaws en kinderen. Hij herkende het als de koets van Isaac Woodhouse; het meisje dat de vluchtelingen hielp instappen was Becky.
***
George McHair, die over de lopen van de zes imitatiekanonnen heen de rechte, verlaten weg aftuurde, was de eerste die een beweging aan de horizon zag alsof een zwerm kevers naderde. Zijn hart bonsde; toen de snel voortschuifelende kevers dichterbij kwamen, zag hij een flits zonlicht, weerkaatst door een geweer; het was Polly Paisley en zijn bende.
‘Vrienden,’ zei hij schor, ‘daar komen ze.’
Een ogenblik stonden de jonge Quakers achter de kanonnen in twijfel; het leek onmogelijk dat volwassen mannen, vertrouwd met de werktuigen van het geweld, voor deze in elkaar geflanste dingen zouden zwichten; toen herstelde Stephen Atkins hun vertrouwen.
‘Vooruit!’ riep hij. ‘Steek de tondels aan, houd de stokken klaar! Zodra ik dat beveel, steek dan je fakkels aan zodat ze die kunnen zien. Opschieten!’
Zijn zelfvertrouwen werkte aanstekelijk. Zelfs George, die niet in Joe's plan geloofde, werd er bijna door overtuigd, maar hij kende de boosaardigheid van Polly Paisley en zijn jongens. Als ze eenmaal door het dolle heen waren zouden ze pal over hen heen rijden. Waren dit maar echte kanonnen! Ze zouden hun dodelijke lading met daverende donderslagen uitspuwen, de bommen zouden te midden van de ruiters barsten, scherven roodgloeiend ijzer zouden zich in de buiken van de paarden boren, de armen, benen, gezichten van de mannen ... Hij voelde een plotselinge, onthutsende honger naar geweld; hij wierp een snelle blik op de anderen en zag aan hun ogen en hun gebalde vuisten dat zij er net zo aan toe waren als hij. Toen zei een stem boven hem: ‘George McHair, jij kent die mannen?’ Het was Stephen Atkins op zijn paard, een getrokken sabel in zijn hand.
‘Ja, ik ken ze.’
‘Rij ze dan tegemoet zodra ze stilhouden. Zeg maar dat ze moeten omkeren, of aan flarden worden geschoten.’ Stephen Atkins leek volkomen zeker van de overwinning.
George keek langs de loop van zijn speelgoedkanon. Hij zag de groep ruiters nu duidelijk; ze reden achter elkaar, het konden er niet meer dan een stuk of twaalf zijn. Het gaf hem moed; zelfs als ze zich niet door de
kanonnen lieten misleiden, ze waren tenminste in de minderheid. Maar hij wist dat Polly Paisley zich niet door hun aantal zou laten afschrikken; als hij het op zijn heupen had was hij gek genoeg om op een heel leger af te stormen.
‘Klaar!’ riep Stephen Atkins in de gespannen stilte. ‘Steek de fakkels aan!’
De lonten op de stokken begonnen sputterend en walmend te branden.
‘Presenteer ... stokken!’
Achter de zes kanonnen werden de vlammende fakkels in het volle zicht van de naderende ruiters opgeheven. Ze lieten zich er niet door weerhouden, maar reden door.
‘Stokken ... klaar!’
De vlammen zakten tot een paar centimeter boven de lonten van het geschut: het veroorzaakte de eerste aarzeling onder de ruiters. Een van hen, het leek dominee Paisley, hield zijn paard in, maar stond niet stil.
‘Halt!’ brulde Stephen Atkins. ‘Sta, of wij schieten!’
Deze keer ontstond er een zekere verwarring onder de ruiters; de groep kwam onordelijk tot stilstand; paarden steigerden.
‘Laat je geweren zakken! Er komt een afgezant naar je toe!’ De stem van Stephen Atkins had een onmiskenbare klank van triomf. ‘George McHair! Erop af!’
Gehoorzaam stond George op en liep naar Betsy, die tussen de andere paarden aan de kant van de weg vreedzaam stond te grazen. Pas toen hij zich in het zadel hees besefte hij hoe slap zijn knieën waren. Hij gaf een zenuwachtige ruk aan de teugel; Betsy liet het sappige gras met tegenzin varen en sukkelde gedwee op de ruiters in de verte toe, rustig voortkauwend.
George hield op een paar meter afstand van de dominee in. De oude man was de enige wiens ogen nog enige zin voor de werkelijkheid schenen te vertonen; de anderen staarden hem aan met de glazige blik van dronkaards, zat van geweld.
‘Dag, dominee,’ zei hij.
De oude man keek hem minachtend aan. ‘Jim McHairs bloedeigen kleinzoon! Wat doe jij hier, lafbek? Je hoort bij ons, wij zijn bezig de moord op je grootvader te wreken!’
‘Moord?’ herhaalde George, schril. Betsy legde haar oren plat, alsof die malle stem haar pijn deed.
‘Wat dacht je anders? We hebben hem in een boom gevonden, met een pijl in zijn rug, hetzelfde soort pijl dat mijn zoon gedood heeft. Uit de weg dus, lafbek, laat ons door!’
‘Het spijt me, dominee,’ zei George met de stem van een dienstbode die weigert een onbekende binnen te laten, ‘de Quakers hebben de Indianen in bescherming genomen. Dus ik moet je, namens de Philadelphiase Jaarvergadering van het Genootschap der Vrienden, verzoeken rechtsomkeert te maken. Er zijn hier in de stad alleen maar squaws, kinderen en oude mannen - heel oude mannen.’
De dominee kneep zijn ogen samen en tuurde naar het geschut. Plotseling herinnerde George zich dat hij bijziend was; het gaf hem hoop. Misschien was dit Gods hand: dominee Paisley had zijn bril vergeten, en hij was de enige onder de bende die nuchter genoeg leek om te zien dat het namaakkanonnen waren. De oude man zei: ‘Wat vertel je me nou? Gaan de Quakers zich eindelijk als kerels gedragen?’ Hij zei het spottend, maar hij leek onder de indruk.
‘Ik - het spijt me...’ zei George, haastig. ‘We willen jullie geen kwaad doen, maar verder laten we jullie niet komen!’
‘Nu, ik ben blij dat we jullie Quakers eindelijk gedwongen hebben je als kerels te gedragen,’ herhaalde de dominee, minachtend; maar hij zwenkte zijn paard om. ‘Vooruit, jongens, we gaan!’ Polly Paisley gaapte zijn vader aan en riep: ‘Ben je besodemieterd?! Erop af, jongens!’ Maar de dominee greep het paard van zijn zoon bij de teugel; het dier steigerde. ‘Vooruit! Omkeren!’ Hij gaf zijn eigen paard de sporen, en dwong ook dat van zijn zoon rechtsomkeert te maken, hun hoeven sloegen vonken. De anderen volgden hun voorbeeld, en de bende galoppeerde weg, joelend, jodelend, zoals ze moesten hebben gedaan op hun hele bloedige weg uit de bergen.
George hoorde een woest gejuich achter zich. Het waren de Vrienden, opgetogen over hun overwinning. Hij reed naar hen terug, zich afvragend waarom hij zo'n gevoel van nederlaag had.
***
Toen de zegevierende jonge Quakers Philadelphia binnenreden, vonden zij geen drommen mensen meer die de straten versperden; integendeel, de stad leek uitgestorven. Er bleek ook niemand meer in het Vergaderingsgebouw te zijn, zelfs de Indianen waren weg; het leek alsof iedereen zich verscholen had, bang voor de komende slachting. Toen ze de Waterstraat naderden hoorden ze een gemurmel van stemmen; ze sloegen de hoek om en zagen dat de straat stampvol mensen stond, die de hals uitrekten om iets te zien, en te geboeid waren door het schouwspel om ruimte voor hen te maken. Stephen Atkins commandeerde: ‘Uit de weg! Uit de weg!’
De menigte liet hen onwillig door. Joe Woodhouse vroeg zich af wat er aan de hand was; toen zag hij hoe in de deuropeningen van alle Quaker-huizen mensen stonden, star voor zich uit starend, als op wacht; de deur van zijn eigen huis stond ook vol roerloze mensen, Becky was erbij.
‘We hebben ze teruggeslagen!’ schreeuwde Stephen Atkins triomfantelijk. ‘We hebben de weg met kanonnen geblokkeerd en ze zijn afgedropen! De Indianen zijn veilig, en jullie ook!’
‘Kanonnen?’ vroeg iemand in een deuropening, ongelovig.
‘Ja!’ schreeuwde Stephen Atkins terug. ‘Het was een idee van Joseph hier! We hebben een stel namaakkanonnen in elkaar geflanst en ze gingen ervoor door de knieën!’
Het was onbegrijpelijk dat hij nog steeds zo zelfvoldaan kon jubelen; het
begon Joe duidelijk te worden dat zij met afkeuring door hun familieleden werden begroet.
‘Was dat werkelijk jouw idee, Joe?’ riep een meisjesstem.
Joe hoorde wie het was; hij richtte zich tot haar en zei flink: ‘Ja, Becky.’ Maar hij was niet langer de zegevierende jonge soldaat des Heren.
Stephen Atkins begon te merken dat er iets mis was. ‘Wat mankeert jullie allemaal?’ riep hij. ‘We hebben ze op de vlucht gedreven! En zonder dat er een schot is gelost! Waar zijn de Indianen?’
‘In onze kelders en op de zolders,’ antwoordde Joe's vader. ‘De moordenaars zouden eerst ons hebben moeten doden.’ Het werd stil in de straat, alsof de woorden van de oude man zelfs de domste toeschouwer hadden getroffen. De Quaker-kanonnen, hoe goddelijk geïnspireerd het idee Joe ook mocht hebben toegeschenen, waren on-Quakers geweest vergeleken bij al deze ongewapende mensen in de deuropeningen, verenigd in een getuigenis van liefde. Plotseling ging er een deining door de menigte, een stem riep: ‘Daar komen ze!’ Tot Joe's schrik hoorde hij het geluid van kletterende paardehoeven, een groep ruiters stoof de hoek om en kwam op hen afgestormd, de menigte als spreeuwen uiteenjagend. Zij krijsten en jodelden in angstaanjagende triomf; ergens riep een stem: ‘Jezus Christus, help ons!’ Joe liet zich, na een ogenblik van beschamende verlamming, uit het zadel glijden, rende naar de deur van zijn vaders huis, voegde zich bij zijn familie, greep Becky's hand, met de andere die van zijn moeder, sloot zijn ogen en wachtte op de aanval. Toen hoorde hij Stephen Atkins schreeuwen: ‘Bizon McHair!’ Joe opende zijn ogen. De ruiters, die krijsend en vonkenspattend voor het huis tot stilstand kwamen, waren niet dezelfde die door de kachelpijpen waren verjaagd; het was een bende boeven op magere paardjes, aangevoerd door een baardige reus met twee kogelgordels kruiselings over zijn kolossale borst, op zijn hoofd een Quaker-hoed gekroond met een bos rode veren. ‘Wat is er gebeurd?’ schreeuwde de reus met een stem als een misthoorn. ‘Waar zijn de gewonden?’
George brulde terug: ‘Pa! Er zijn geen gewonden! Ben je de Paisley-jongens niet tegengekomen?’
‘Daarom juist! De dominee zei dat er een vuurgevecht was geweest en dat zij jullie hadden verslagen!’
Voordat iemand de kans kreeg hem op de hoogte te stellen, klonk opeens Becky's stem, hoog en verontwaardigd: ‘Hij had nog gelijk ook! We zijn verslagen! Door zogenaamde Vrienden!’
Joe besefte plotseling dat ze een geboren helleveeg was. De kanonnen waren een eerlijke poging geweest, die beter verdiende dan deze smalende afkeuring van de kant van een eigengerechtige kleine feeks.
Klaarblijkelijk dacht Oom Stephen er net zo over. ‘Jongedame! Hou jij je erbuiten! Jij was er niet bij, je hebt geen benul wat er gebeurd is!’
Maar Oom Jeremia riep, met zijn prestige als klerk van de Jaarvergadering: ‘Ik ben het met Rebekka Baker eens! Het was broos om die mannen met kanonnen, echte of geen echte, tegemoet te treden!’
Stephen Atkins draaide zich naar hem om. ‘Ik wist dat je dat woord zou kiezen, Jeremia. Ik schaam me voor je.’
Voor de tweede keer die dag verbrak een zachte oude stem met een Duits accent de stilte. Het was Hanna Martin. ‘Mag ik jou en jouw kameraden uitnodigen in mijn keuken zum Abendessen, Stephen?’
Stephen Atkins lichtte zijn hoed. ‘Tante Hanna,’ riep hij, ‘voor jouw voer zou ik honderd mijl rijden!’
Tegen Bizon McHair zei Hanna Martin, met glimlachende onschuld: ‘Büffelchen, ik kan je niet sagen hoe blij ik ben jou te zien! Glücklich ben ik, echt glücklich! Kom met je kameraden bij uns essen!’
‘Vooruit, mannen!’ brulde de reus. ‘De stallen zijn achter het huis! Ik beloof jullie het maal van je leven!’ Zijn zalmkleurige mustang zwenkte en hij draafde weg in de richting van de stallen, gevolgd door de groep joelende woestelingen. De hoeven van hun paarden sloegen vonken uit de keien.
***
Een half uur later zaten ze allemaal rondom de grote keukentafel in Peleg Martins huis verzameld: Gulielma, Isaac, Joe Woodhouse en zijn moeder Mary, Stephen Atkins, Jeremia Best en zijn vrouw Grizzle, Becky, Joshua en Abby Baker, George, Himsha en Bizon McHair, en de zeven baardige boeven uit de prairie. Gulielma had ervoor gezorgd dat ze naast Bizon kwam te zitten, want ze had hem iets te vragen. Hanna, de ogen gesloten, de handen gevouwen, bad: ‘Lieve Heer, laat er vrede en liefde en tederheid onder uns zijn, ook al krischen wir een beetje.’ Bizon bromde: ‘Amen.’
Toen het geroezemoes van stemmen luider werd en de schotels werden doorgegeven, zag Gulielma haar kans schoon. ‘Waar hebben ze je vader gevonden, Bizon?’
Hij wierp haar een snelle blik toe. Van dichtbij waren zijn ogen sluw en vol heimelijkheid. ‘Ergens in een boom, heb ik me laten vertellen.’
‘Met een pijl in zijn rug?’
Hij pakte een stuk brood en stopte het in zijn mond.
Ze wachtte tot hij uitgekauwd was. ‘En?’
‘Dat verhaal van die pijl is door de dominee verzonnen.’
‘Ik begrijp 't,’ zei ze. ‘Je zult je eerst een stuk in je kraag moeten drinken voor ik de waarheid te horen krijg.’
‘Ik zou je onder tafel kunnen drinken, Gulie, en nuchter weglopen.’
‘Laten we 't proberen.’
Hij nam nog een stuk brood en bromde: ‘Niet hier. Ik zou aanhalig worden.’
Ze keek hem vol genegenheid aan. ‘Je bent een buitengewoon tactvolle man, Bizon. Ik heb me daar al eerder over verwonderd.’
Daar kwam die snelle blik weer. ‘Wat zei je?’
‘Laat maar. Bedankt voor het compliment. Maar er klopt iets niet met je vaders dood. Ik ben van plan erachter te komen wat het is.’
Hij kauwde een tijdje in stilte; toen vroeg hij: ‘Waarom? Waarom laat je de doden niet rusten?’
‘Omdat deze dode weleens een oorlog zou kunnen ontketenen,’ antwoordde ze. ‘Bovendien was ik erbij toen Eenzame Adelaar gekruisigd werd. Ik ben hem iets verschuldigd.’
‘Je bent hem niets verschuldigd, behalve een gebed voor zijn ziel.’ Hij nam het bord aan dat hem door zijn buurman werd doorgegeven; een bord vol bonen en Schweinebraten. ‘Niemand heeft iets aan de waarheid, Gulie. Jij niet, niemand.’
‘Je vader is door Eenzame Adelaar vermoord, is 't niet? Waarom? Uit barmhartigheid?’
Hij richtte zijn aandacht op zijn bord en begon lepels vol vlees en bonen in zijn mond te schoffelen.
Ze wist dat het geen zin had dit door te drijven; ze zou de waarheid wel uit hem krijgen bij een andere gelegenheid, aan 't een of andere kampvuur in de wildernis, wanneer het gehuil van de wolven in de verte hem een gevoel van eenzaamheid zou geven onder de sterren.
***
Toen zijn schoonvaders wijn de spanning en de uitputting van die dag begon op te lossen, begon Jeremia Best een diepe dankbaarheid te voelen voor de wonderbaarlijke wijze waarop zij waren gered. Zijn neef Isaac, die tegenover hem aan de tafel zat met een gezicht als een kat die van de room heeft gesnoept, had gelijk gekregen: de Heer had uitkomst gebracht. Maar toch begon Jeremia zich af te vragen of de sluwe oude Isaac het voorstel van de vrouwen misschien zo grif had gesteund omdat hij van het plan van de Quaker-kanonnen had afgeweten. Hoe dan ook, de Quakers was opnieuw de uiteindelijke keuze bespaard, zij het op het nippertje. Maar hoe lang zouden ze hun politieke macht nog kunnen behouden zonder de Beginselen te schenden? De beslissing zou liggen bij mannen en vrouwen zoals deze, die nu om de tafel van Hanna Martin bijeenzaten, vooral de jongeren: Joe Woodhouse, Joshua Baker, Becky, Abby, George McHair, de kleine Himsha.
De gedachte bracht hem er plotseling toe op te staan. Hij tikte tegen zijn glas; het werd stil rond de tafel. Hij keek de kring rond, nam zijn hoed af en zei: ‘Hemelse Vader, dank voor de rijke zegen van vandaag. Wij weten dat onze pogingen om Uw stem te horen en Uw wil te volvoeren gebrekkig zijn, vertroebeld door onze eigen wensen en verlangens. Maar vandaag hebben we andermaal Uw stem gehoord en ieder van ons heeft, op zijn eigen wijze, getracht ernaar te handelen. Dank, Here God, omdat Gij ons andermaal verschenen bent als zuivere Liefde, zuiver Licht, de oneindige oceaan waar George Fox over sprak. Laat ons, die hier bijeen zijn, ons bewust blijven van Uw wezen en klaar om het, door ons, te laten werken voor de vrede van de mensheid.’
Hij ging zitten met een gevoel van ontoereikendheid. Zoals altijd, nadat
hij uit de grond van zijn hart getuigd had, ging hij zitten met het gevoel dat hij te veel gezegd had, of niet genoeg. De stilte om hem heen was diep, maar hij fluisterde in zijn gedachten: ‘God, vergeef me dat ik U opnieuw heb gefaald.’
***
Toen de borden opnieuw werden doorgegeven, vol met Himbeertorte, overzag Hanna Martin haar tafel en dankte de Heer dat Caleb er vandaag niet bij geweest was; geweld wond hem altijd zo op, in slechte zin.
Plotseling maakte ze zich ongerust over hem. Ze dacht eerst dat het zo maar een voorbijgaande gedachte was, zoals ze dat wel vaker had, maar opeens leek het alsof ze achter de lachende gezichten van haar gasten zijn handen smekend naar haar zag uitgestrekt. Ze werd er zo bang van dat ze de behoefte voelde een ogenblik alleen te zijn.
Ze pakte de botervloot als voorwendsel en liep naar de provisiekamer. Daar, alleen in het koude, donkere kamertje, smeekte zij God om haar Caleb te beschermen. Toen ze terugkwam aan tafel voelde ze zich geruster; maar toen zij naar haar bord keek, zag ze ineens zijn wanhopige gezicht en het leek alsof hij, geluidloos, haar naam riep.
Op dat ogenblik was zij er zeker van dat er op het eiland Eden iets verschrikkelijks aan het gebeuren was.