terug  begin  verder
[p. 179]

Zeven

Caleb Martin was blij geweest toen Bonifacius Baker hem naar huis stuurde. Het was bij iedere Jaarvergadering weer hetzelfde: je reinste kwelling om daar maar te zitten zitten en die eindeloze beraadslagingen aan te horen, en te weten dat ondertussen de slaven op het eiland het rijk alleen hadden. Ze konden vrij door het Huis rondsnuffelen, hun neus in de slaapkamers, de klerenkasten van de meisjes steken; in zijn verbeelding zag hij ze zelfs Rebekka's bed bezoedelen door erin te slapen. Als hij thuiskwam was er van dit soort dingen natuurlijk geen spoor meer te vinden; integendeel, Mammy gebruikte die vier dagen ieder jaar om het Huis een grote schoonmaakbeurt te geven. Toch was hij er iedere keer weer van overtuigd dat de slaven tijdens zijn afwezigheid iets in het Huis hadden uitgehaald; nu had hij dan eindelijk de kans het met eigen ogen vast te stellen.

Door zijn paard voort te jagen tot het er bijna bij neerviel, lukte het hem nog voor zonsondergang bij de steiger van de veerpont te komen. Hij stond op het punt de bel voor Charon te luiden, toen het hem inviel dat het gelui hen zou waarschuwen dat hij op komst was. De jonge George McHair had de rivier overgezwommen, dus dat kon hij ook. Hij dwong zijn paard de oever af en begon naar de overkant te zwemmen, zich vastklampend aan zijn zadelknop. Het opkomend tij vertraagde de stroming; desondanks raakten zij beiden afgemat door de trek van het kolkende water. Eindelijk bereikten ze, buiten adem en bevend op hun benen, de overkant, halverwege het eiland. Toen hij probeerde zijn druipende paard te bestijgen schoten zijn krachten te kort; het gewicht van het water in zijn kleren zeulde hem omlaag. Maar ten slotte lukte het hem zich in het zadel te hijsen en de ruin ging uit zichzelf op weg naar zijn stal.

Het ijskoude water en de afmattende worsteling hadden hem zozeer ontnuchterd dat hij zijn wantrouwen ten aanzien van de slaven als een hersenschim begon te zien; toch begon hij, onverhoeds, te beven van woede. Het was een redeloze woede, misschien was hij alleen maar woedend op zichzelf. Als hij er de kracht voor had kunnen opbrengen zou hij zijn arme paard de sporen hebben gegeven, nu liet hij het langzaam voortsjokken langs de velden en de moestuin, naar het erf waar de andere paarden, hinnikend, het vanuit hun stallen verwelkomden. Het stapte naar de deur van zijn eigen stal en bleef daar staan, zwaaiend op zijn benen, een toonbeeld van uitputting. Zelf wankelde hij naar de staldeur, met het water soppend in zijn laarzen; zijn doorweekte harnas was loodzwaar en zat zo strak als een bankschroef. Hij zou het liefst meteen naar zijn huisje zijn gegaan, maar hij

[p. 180]

moest eerst het paard ontzadelen en droogwrijven. Terwijl hij daarmee bezig was, drong er een geluid tot hem door; gezang, ergens in de verte, nikkerstemmen. Daar was niets verontrustends aan, ze zongen vaak; alleen kwam het uit de richting van het Huis. Hel en duivel! Ze waren in het Huis! Ze waren aan het lolschoppen nu iedereen weg was! Hij had gelijk gehad!

Terwijl hij stond te luisteren, vlamde de woede weer in hem op. In het Huis! Hij zou ze leren! Plotseling scheen hij een lichtvoetige lenigheid te krijgen. Hij snelde langs de muur naar het voetpad over het gazon; voordat hij zich op de open ruimte waagde trok hij zijn laarzen uit; het soppende geluid zou hem misschien verraden. Hij moest hen op heterdaad betrappen, voor ze de kans kregen de sporen van hun hondenbruiloft uit te wissen. Hij was er zeker van dat niemand hem gezien had; wat ze daarbinnen ook uitvoerden, ze gingen er volledig in op. Het zou nooit bij hen opkomen dat hij weleens de rivier zou kunnen overzwemmen en als een valk uit de lucht op hen neerduiken! Hoe kon hij hen het beste overrompelen? Het balkon! Als hij ongemerkt bij het balkon wilde komen, moest hij in de boom voor Joshua's kamer klimmen, zoals dat jongmens en zijn nikkervriendje dat plachten te doen. Onder normale omstandigheden zou hij er niet aan zijn begonnen; hij wist eigenlijk niet wat hem bezielde. Hij wist alleen dat hij moest komen opdagen voordat ook maar één van die ellendelingen zich uit de voeten had kunnen maken.

Hij klom in de boom met de behendigheid van een kat en liep op zijn kousevoeten langs de tak naar het balkon; toen hij op de balustrade stond, ving hij van rechts een glimp van een beweging op en zag een schim uit Rebekka's kamer naar buiten glippen, met iets wits in de handen. Het was Harry, die hij eens over Rebekka had horen praten op een manier die hij nooit zou vergeten. Hij vergat zijn voornemen om de slaven te verrassen en riep: ‘Halt! Wat heb jij daar?!’

De jongen kromp ineen alsof hij een klap had gekregen en draaide zich om, zijn ogen wijdgesperd van schrik; vóórdat hij het op een lopen kon zetten, besprong Caleb hem als een luipaard en greep hem bij de keel.

‘Help!’ gilde de jongen. ‘Moeder, Moeder!’

‘Laat zien! Wat heb je daar? Geef op!’

De jongen was te verschrikt om te gehoorzamen; Caleb rukte het kledingstuk uit zijn hand en zag dat het een stuk meisjesondergoed was.

Een seconde stond hij verstard; toen kon hij de woede die hij in zich had voelen oplaaien niet langer in bedwang houden. Als een razende begon hij met beide vuisten op de jongen los te beuken, hem te trappen, te ranselen, terwijl hij brulde: ‘Vuile nikker! Vuile smerige rotnikker! Vuile geile mensaap!’ Toen de jongen zich louter uit angst begon te verweren, raakte Caleb zijn laatste restje gezond verstand kwijt. Hij greep de vechtende jongen bij broekriem en strot, tilde hem boven zijn hoofd en slingerde hem over de balustrade.

Hij kwam pas bij zinnen toen er iemand naast hem oprees en gilde: ‘Je

[p. 181]

broer! Je hebt je eigen broer vermoord!’

Toen de woorden tot zijn bewustzijn doordrongen, draaide hij zich langzaam om met nog maar één wens: zijn daad ongedaan te maken, alles ongedaan te maken. Maar daar stond Mammy, haar vormeloze lijf zwoegend van snikken, haar ogen vol afgrijzen, en krijste: ‘Ja! Je hebt je eigen broer vermoord, halve nikker die je bent! Neem mij nu maar! Vermoord je moeder nu óók maar!’

Een ogenblik lang leek er maar één uitweg: zelf over die balustrade springen, alles ongedaan maken door de hand aan zichzelf te slaan. Maar een gedachteloze wil om te leven hield hem tegen; hij draaide zich om en vluchtte het huis in, de trap af, de deur uit, over het gazon, naar het kwartier. Op het tegelpad lag Harry, dood.

 

***

 

Scipio ging Bonifacius Baker waarschuwen - zijn vrijheid riskerend, want er was niemand meer op het eiland om een verlofpas voor hem te tekenen. In het Vergaderingsgebouw vroeg hij naar zijn meester; toen Bonifacius Scipio in de vestibule zag staan was zijn eerste gedachte: ‘Brand, het huis is afgebrand,’

Toen vertelde Scipio dat Caleb de stalslaaf Harry vermoord had in een aanval van razernij en zich in zijn huisje gebarricadeerd, dreigend dat hij wie hem te na kwam neer zou schieten. Scipio zei: ‘Alsjeblief, Massa, kom alsjeblief naar huis: Hij zal nog meer mensen vermoorden, hij wil naar niemand luisteren, hij wil zelfs niet naar zijn eigen moeder luisteren...’

Zijn moeder! Caleb had de waarheid vernomen.

Bonifacius liet Peleg Martin uit de Vergadering halen. ‘Vriend,’ zei hij, ‘ik heb slecht nieuws.’

‘Zo?’ De oude man verstijfde.

‘Caleb heeft in een aanval van razernij een van mijn slaven omgebracht. Hij weet de waarheid over zijn afkomst.’

‘O.’

‘Ik rijd er nu meteen naar toe. Ga je mee?’

‘Ja.’

‘Ik ga het even aan mijn vrouw en kinderen zeggen. We zien elkaar dadelijk in de vestibule.’

Bonifacius liet Beula en de meisjes uit de Vrouwenvergadering roepen; toen zij hoorde wat er gebeurd was stond Beula erop dat iedereen meeging. Samen met Joshua, Peleg Martin en Scipio persten ze zich in de koets en trokken op weg naar het eiland.

Gedurende de urenlange rit zag Bonifacius voor zijn geestesoog de slaven in oproer, Caleb in het wilde weg schietend op een tierende menigte. Het was allemaal zijn schuld; hij had iets moeten doen zodra hij op de hoogte was gebracht van Calebs afkomst - de man de waarheid vertellen, hem van de plantage verwijderen. In plaats daarvan had hij alles op zijn beloop

[p. 182]

gelaten, vertrouwend op het goddelijke in alle betrokkenen. Dat had hij zijn leven lang gedaan; nu, terwijl hij met de anderen voorthotste in de krakende koets, besefte hij dat hij alleen maar aan de oppervlakte had geleefd, in de gezapige overtuiging dat een compromis de uiteindelijke oplossing was voor ieder conflict.

Tegen het vallen van de avond werden ze overgezet; nadat hij de vrouwen bij het Huis had laten uitstappen, ging Bonifacius met Peleg op weg naar het slavenkwartier. Allereerst begaven ze zich naar het lazaret, waar het lijk van de jongen lag opgebaard. Toen zij voor het gebouwtje uitstapten kwamen van alle kanten slaven aangelopen. Bonifacius was in geen jaren in het lazaret geweest; toen hij naar binnen ging werd hij getroffen door een stank van vuil en verwaarlozing. De stank scheen te logenstraffen dat Quakers hun negers behandelden zoals liefhebbende ouders hun kinderen. Het was de stank van de slavernij.

Harry's lijk lag op een bed achter in het zaaltje. Er zat een vrouw naast, biddend of snikkend; ze hield een van zijn handen vast. Het was Mammy.

‘Wat is er gebeurd, Mammy?’ vroeg Bonifacius kalm. Uit macht der gewoonte sprak hij alsof hij meester van de situatie was.

‘Hij heeft hem vermoord!’ snikte Mammy. ‘De arme jongen had niks gedaan! Hij hielp me de kamer van juffrouw Becky opruimen, ik stuurde hem naar de wasserij met een paar kleren die ze achter het bed had neergegooid, opeens hoor ik geschreeuw, en daar is Caleb, bezig hem te trappen. Ik roep: “Caleb, Caleb! Hij is je broer!” Maar Caleb gaat door met schoppen en als de arme jongen probeert zich te verdedigen grijpt hij hem bij zijn keel en...’ Ze barstte weer in snikken uit en kon geen woord meer uitbrengen.

De waarheid verraste Bonifacius niet. Toen hij had gelezen dat Caleb het kind was van een negerin, had hij al vermoed dat het Mammy was. Ze was door zijn grootmoeder altijd behandeld alsof ze geen slavin was maar een gelijke. Hij had ontroerd moeten zijn door haar olifanteverdriet, maar het enorme, kwabbige lijf en de gillende jammerkreten lieten hem onaangedaan.

‘Misschien zou ik beter eerst naar hem toe kunnen gaan,’ zei Peleg Martin, naast hem. Hij keek op; de oude man leek ongeschokt, zijn gegroefde gezicht met de gekrakeleerde huid was uitdrukkingloos. Toen drong het tot hem door dat, lang geleden, deze norse oude man het kolossale lichaam dat nu snikkend aan hun voeten zat omhelsd had.

‘Is ze inderdaad zijn moeder?’ vroeg hij.

‘Ja. Je grootmoeder nam haar in huis nadat het kind geboren was.’

‘Maar wanneer kreeg ze Harry dan...?’

‘Wie is Harry?’

Hij wees naar het lijk op het bed.

‘Dat is haar zoon niet. Te jong. Misschien heeft ze later nog kinderen gekregen, maar die niet. Te jong.’

‘Maar ze zei...’

[p. 183]

‘O, ze praat maar raak. Zolang ze maar onrust kunnen stoken zijn ze gelukkig.’

Mammy, die een ogenblik tevoren nog ontroostbaar had zitten snikken, luisterde gespannen.

‘Laten we gaan,’ zei Bonifacius.

 

***

 

Peleg Martin draaide Medea de rug toe. Het lijk op het bed deed hem niets; de dood boezemde hem geen ontzag meer in. Maar liefde nog wel, of de wellust, of wat het dan ook was dat man en vrouw ertoe dreef een paar ogenblikken omstrengeld te liggen in een illusie van eenwording, dier met twee ruggen, stuiptrekkend en kermend in de greep van de Macht die het zaad van het leven in de schoot van het heelal had uitgestort. Het leek ondenkbaar dat hij eens in extase in de armen had gelegen van de vetmassa die nu, jammerend, de hand omklemd hield van een dode jongen met wie ze, daar was hij van overtuigd, niets te maken had. Ze was niet meer dan twintig jaar jonger dan hij; hoe oud kon de jongen zijn? Zeventien? Achttien? Ze was altijd een onverbeterlijke onruststookster geweest, zelfs in de dagen toen ze bulkend haar bekken onder hem omhoog had gestoten. Ze was een prachtig zwart beest vol wilde, rauwe wellust geweest, die zijn omhelzingen met zijn vrouw zaliger ontmaskerd had als preutse pretentie, twee parende padden in het slijk van de oertijd. Hoe had die zwarte duivelin niet geprobeerd hem met wortel en tak te ontmannen! Wat had hij gebruld en gesteigerd, als een bronstige hengst! Als de oude Ann Baker er niet geweest was, zou de zwarte pudding die nu lillend aan zijn voeten lag hem van alle rede hebben beroofd, zo bezeten was hij geweest van haar prachtige lijf.

Hij draaide zich vol walging om. Haar lijf, meer was het niet geweest; dat was alles wat ze bezaten. Eén zomer lang had geen vrouw ter wereld een verleidelijker lichaam dan een jonge negerin; daarna droeg het vrucht en verwelkte en werd een vormeloze massa weerzinwekkend vet. Iedere man die tijdens de kortstondige bloei aan zo'n zwart lijf een ziel toekende, was een sentimentele dwaas. Het enige waar ze van droomden was zich te laten dekken door de halfgoden die hen overheersten, in de hoop dat hun kroost uiteindelijk menselijkheid zou verwerven, een ziel.

Terwijl hij langzaam naar het opzichtershuisje liep, vroeg Peleg zich af hoe het met Calebs ziel gesteld was. De jongen had altijd iets van een hond gehad, de neiging de handen van zijn baas te likken. Nu had de hond zich tegen een soortgenoot gekeerd. Moord? Wie kon het resultaat van een hondengevecht moord noemen? Als die bemoeials in de Vergadering, die zelf nooit slaven hadden gehouden, hun opvatting van de slavernij zouden doordrijven, zou dat een ramp zijn. Zodra de dierentemmer het wilde beest vrijliet, zou er iets in het dier losspringen, het zou zich op zijn vroegere meester werpen, gedreven door de onweerstaanbare drang om te doden, even

[p. 184]

onweerstaanbaar als de drang om te paren en leven te verwekken. Tussen die twee blinde driften werd de neger heen en weer geslingerd tot de eeuwige duisternis hem overweldigde, dezelfde duisternis waaraan hij ontsproten was. Peleg was er zeker van dat Caleb nooit gezwicht was voor de drift om leven te verwekken; nu was hij ten prooi gevallen aan die andere drift: hij had een leven vernietigd, en zichzelf veroordeeld tot zelfmoord, of executie, het maakte geen verschil. Een man die nooit leven had verwekt was niet bestand tegen de schok van de vernietiging ervan; daarom waren hoeren voor een leger even onmisbaar als kanonnen. Maar wat Caleb ook was, hij moest de jongen overreden met hem mee te gaan om zich aan het oordeel van de rechtbank te onderwerpen. Hij zou natuurlijk worden vrijgesproken; als hij hier bleef was het met hem gedaan.

De donkere massa slaven in de vallende avond maakte zwijgend ruimte voor hem, terwijl hij naar het opzichtershuisje liep. Vleermuizen fladderden tussen de donkere kruinen van de kastanjebomen. Er stonden geen negers voor Calebs huisje; er stond geen paard, het leek verlaten. De treden naar de gammele veranda kraakten onder zijn gewicht. Hij klopte op de deur.

Er kwam geen antwoord; hij klopte driemaal voor een gesmoorde stem gromde: ‘Wie is daar?’

‘Ik ben het, je vader. Doe open.’

Er kwam geen antwoord. Peleg luisterde aan de kier, met ingehouden adem. ‘Caleb! Doe open! Ik moet met je praten!’

Geen antwoord. Hij draaide aan de deurknop. Op slot. ‘Caleb? Doe open, jongen! Ik ben hier om je te helpen! Laat me binnen!’

Stilte. Dronken, waarschijnlijk; niet in staat overeind te komen. Hij moest de deur openbreken, maar dat kon hij niet alleen. Bonifacius Baker was natuurlijk nergens te zien. Ze waren allemaal waardeloos, met hun mooie preken en hun kwezelende gebeden en hun onbenul van het leven, zowel van de afgrond van de dood als de bergtoppen van de liefde. ‘Kom, zoon! Doe open!’

Plotseling klonk Calebs stem, vlak bij. ‘Is zij mijn moeder?’

Peleg aarzelde. Als hij nee zei, zou de jongen hem misschien geloven en zich mee laten lokken. Maar alleen als de jongen tegen de waarheid opgewassen was zou hij misschien nog gered kunnen worden. ‘Ja, Caleb,’ zei hij.

Nu moest de jongen beslissen, alléén, of hij met die wetenschap verder wilde leven of er een eind aan maken. Zelfs zijn vader, aan wie hij zich zijn hele leven had onderworpen, kon hem nu niet meer helpen. Alleen God - of een vrouw. Een vrouw. Hanna? Hij dacht er een ogenblik over om zijn vrouw te gaan halen, die echt van het kind hield; maar Hanna zou de leugen, die begonnen was toen ze hem voor het eerst in haar armen had gehouden en Bubchen genoemd, alleen maar erger maken.

Als hij nu maar een meisje had! Jong, vrouwelijk ... ‘Ik kom terug, Caleb,’ zei hij tegen de deur.

Hij daalde het trapje af naar de straat en liep terug naar de koets, wetend

[p. 185]

dat de jongen luisterde naar zijn voetstappen, die zich in de stilte verwijderden.

 

***

 

Becky Baker zat in de woonkamer bij het licht van de kaarsenkroon te werken aan een eindeloos kruissteek-borduursel van Job Vijf, vers zeventien: ‘Welzalig de mens die God kastijdt.’ Iedere keer als ze de naald door het linnen stak maakte dat een ploffend geluid in de drukkende stilte waarin zij bij elkaar zaten. Ze vroeg zich met stijgende ergernis af waarom George en Himsha McHair het nodig hadden gevonden hen te paard achterna te reizen. Hadden ze niet bij de Woodhouses kunnen blijven? Daar zaten ze, roerloos, loodzwaar in de stilte die steeds drukkender werd. Moeder en Abby deden niets om de somberheid te verlichten; met demonstratieve doezeligheid, die dienen moest om haar ongerustheid te verhullen, zat Moeder bij de haard te dutten, een boek op haar schoot dat Ontwaakt, Dochters van Jeruzalem! heette. Abby zat op een krukje naast haar, een slordig borduurlapje op haar schoot, op haar nagels te bijten. Becky stond op het punt haar tot de orde te roepen toen ze een rijtuig hoorde. Dat moesten Vader en Oom Peleg zijn.

Plotseling was ze aan opwinding ten prooi. Misschien hadden ze Caleb meegebracht! Ze had nog nooit oog in oog met een moordenaar gestaan. Ze was opgelucht en teleurgesteld tegelijk toen alleen Vader en Oom de kamer binnenkwamen. Ze zagen er grimmig uit.

Vader vroeg: ‘Rebekka, zou je met ons mee willen gaan naar het kwartier? We moeten Caleb Martin zien over te halen uit zijn huis te komen, vanavond nog.’

Ze keek hem stomverbaasd aan, slikte, en vroeg: ‘Waarom ik, in vredesnaam?’

Voor hij kon antwoorden blafte Moeder met haar toonloze stem: ‘Wat is er? Waar is Caleb?’ Niemand schonk er aandacht aan.

‘Hij moet ervan worden overtuigd zijn gerechte straf te aanvaarden, als een man,’ antwoordde Vader.

‘Wat is er aan de hand?’ hield Moeder aan. ‘Wat willen jullie van Becky?’ Haar stem had die van een papegaai kunnen zijn, krijsend in een kooi in een hoek van de kamer.

Becky keek Vader aan. ‘Hebben jullie hem gesproken?’

‘Nee. Hij wou ons niet binnenlaten,’ antwoordde Oom Peleg.

‘Maar waarom zou hij wél naar mij luisteren, als hij niet naar zijn eigen vader wil luisteren?’

‘Zou iemand me alsjeblieft willen vertellen wat er aan de hand is?! Becky, wat willen ze van je?’

‘Stil, Moeder!’ riep ze, hard. ‘Ik zal het je zo meteen wel vertellen!’ Ze wendde zich tot Vader. ‘Maar ik ken hem nauwelijks! Ik bedoel: niet echt.’

De twee mannen stonden erbij als schuldige jongens; wat was er met hen aan de hand?

[p. 186]

‘Wat willen ze toch van je?!’ riep haar moeder. ‘Waar is Caleb?’ Haar doofheid was 's avonds altijd erger.

‘Ik zal open kaart met je spelen, Becky,’ zei Vader. ‘Wij denken dat Caleb eerder naar jou zal luisteren dan naar ons.’

‘Maar waarom?’ herhaalde ze ongeduldig. ‘Waarom niet Joshua, die met hem gewerkt heeft?’

‘Oom Peleg is ervan overtuigd dat Caleb niet naar een man zal luisteren,’ antwoordde Vader met een ongelukkig gezicht.

‘Een man?’ vroeg haar moeder. ‘Welke man? Waar is hij?’

Becky ging naar haar toe, en riep in haar oor: ‘Caleb Martin wil niet uit zijn hut komen! Vader en Oom Peleg willen dat ik probeer hem over te halen!’

‘Jij? Hoe komen ze zo idioot?’

‘Ik weet het niet, Mama; vraag het hun zelf maar.’

Vader nam Becky's plaats in en begon luidkeels te herhalen wat hij gezegd had; Oom Peleg nam Becky terzijde. ‘Ik moet je uitleggen, kind, dat Caleb niet alleen in de war is om wat hij die jongen heeft aangedaan. Hij heeft een schok gehad met betrekking tot zijn afkomst.’

Ze voelde zijn hand op haar arm beven, ofschoon zijn stem onaangedaan klonk. ‘Wat bedoel je?’ vroeg ze.

Plotseling zei een harde kinderstem achter haar: ‘Hij bedoelt dat Calebs moeder een negerin was.’

Ze draaide zich naar Abby om. ‘Hoe weet jij dat?’

‘Ik heb het gelezen in die dagboeken.’

Een negerin? Was Oom Peleg met een negerin getrouwd geweest? Ze keek naar de vergrijsde oude man naast zich. Hij zei nors: ‘Ja, zijn moeder is Medea. Mammy.’

Vader kwam bij hen terug. ‘Nu, Becky, als je denkt het aan te kunnen, laten we dan gaan.’

Ze zag in gedachten het spookachtige huisje, de met luiken geblindeerde ramen, de sinistere sfeer van verkommering. Ze zag zichzelf in het donker, helemaal alleen, op die deur kloppen ... ‘Nee, Vader,’ zei ze, ‘het spijt me, maar ik kan het niet.’

‘Waarom niet?’ vroeg Oom Peleg. ‘Je bent toch niet bang voor hem?’

‘Ja, Oom, dat ben ik wél.’

‘Dwing haar niet als ze niet wil!’ riep Moeder naast haar. ‘Als ze niet wil, laat haar dan met rust!’

Maar Oom Peleg legde weer die bevende hand op haar arm. ‘Wat? Jij, die niet bang was om voor honderd mannen te staan, bent bang voor één doodsbange jongen?’

‘Toen ik dat deed was ik in de kracht Gods.’

Ga dan in de kracht Gods, kind! Als je dat zou doen, kun je hem misschien redden. De enige die Hij heeft ben jij.’

‘Wat zegt hij nou?’ schreeuwde Moeder. ‘Laat je niet bepraten om iets te doen wat je niet wilt!’

[p. 187]

Maar het was net als toen ze in de Vergadering gesproken had: ondanks haar vaste besluit om zich nergens mee te bemoeien was ze zich er plotseling van bewust dat ze niet meer terug kon. Hoewel ze geen woord gezegd had, drukte Oom Peleg haar arm en fluisterde: ‘Dank je, kind.’

Ze wilde roepen: ‘Maar ik heb niet gezegd dat ik zou gaan!’ Vader legde zijn handen op haar schouders, kuste haar en zei: ‘Laten we gaan.’ Moeder klampte zich aan haar vast en riep: ‘Ga toch niet, kind, als je niet wilt! Ga niet!’ Toen ze langs George McHair liep, sprong hij op en mompelde: ‘Zal ik meegaan, Becky?’

Ze slaagde erin te glimlachen. ‘Dank je, George, twee mannen zijn wel genoeg, dacht ik.’

Ze liet zich in de duisternis door Vader in het wachtende open rijtuigje helpen. Het paard kwam in beweging in het donker; de brik reed krakend weg. Ze keek naar de hemel. Er was nog geen maan, de sterren fonkelden koud als diamanten. Verder weg glimmerde de Melkweg. Was God daar? O, hoe ver, hoe onvoorstelbaar ver! Was Jezus daar, of binnenin haar, zoals haar geleerd was? O, ze wenste, vurig, dat Hij inderdaad binnenin haar was; maar ze voelde geen zekerheid, geen serene rust. Haar gedachten waren eigenlijk geen gedachten maar angstvlagen, die sterker werden naarmate het koetsje, krakend, door de donkere indigovelden voortreed naar de moordenaar. Ze stond op het punt te roepen: ‘Nee! Ik kan het niet! Breng me terug!’ Alsof hij haar angst voelde, legde Vader een hand op de hare. Er keerde een zweem van zelfvertrouwen in haar terug toen ze bedacht dat God, ofschoon ze Zijn tegenwoordigheid niet merkte, op dit moment toch bij haar moest zijn, want Hij was een God van liefde.

Maar toen ze het kwartier binnenreden was haar lichaam stijf van angst. Ze hielden stil voor de hut, die eruitzag zoals ze zich had voorgesteld. De diepe duisternis van de veranda was angstaanjagend, maar ze zag geen mogelijkheid zich aan de consequenties van haar dwaasheid te onttrekken. Toen ze de Mannenvergadering had toegesproken had ze het gevoel gehad alsof ze over de kracht beschikte die bergen verzette; nu ze uitstapte voor Caleb Martins huisje begaf het laatste greintje kracht haar. Met een nerveuze kramp in haar maag liep ze naar de veranda. Slikkend van de zenuwen beklom ze het trapje en stapte over de schaduwlijn die de duisternis van de nacht scheidde van het diepere duister van de veranda. Ze probeerde een gebed te fluisteren, maar haar lippen waren zo droog dat ze aan elkaar kleefden. Ze hield haar adem in en klopte op de deur.

Het klonk harder dan ze verwacht had. Opnieuw voelde ze de drang om te vluchten toen ze de brik hoorde wegrijden. Ze wilde hen toeschreeuwen op haar te wachten, maar kon geen geluid uitbrengen. Ze stond, misselijk van angst, te wachten op voetstappen, daarbinnen.

Maar er gebeurde niets. Het geratel van het wegrijdende koetsje vervaagde, tot alleen het gelispel van de wind in de boom boven de veranda overbleef. Er kwam geen geluid uit het huisje; plotseling viel het haar in dat hij misschien niet thuis was. Natuurlijk! Ze had zich bang gemaakt voor

[p. 188]

niets. Bemoedigd klopte ze nog eens. Het geluid weergalmde in het lege huisje. Ze stond op het punt zich om te draaien toen een stem vroeg: ‘Wie is daar?’

Ze verstijfde en antwoordde, werktuiglijk: ‘Ik ben het, Caleb. Becky.’

De stem achter de deur vroeg: ‘Rebekka?’

‘Ja, Caleb. Mag ik binnenkomen?’ Ze verbaasde zich over haar eigen kalmte; toen drong het tot haar door waarom ze zich plotseling zo zeker van zichzelf voelde: zijn stem had geklonken als die van een bange jongen, Joshua klonk soms net zo.

Het duurde lang voor hij antwoordde; maar ze had niet meer het gevoel alsof de wereld de adem inhield. De wind lispelde in het gebladerte; ergens riep een uil. Nachtgeluiden, zei ze tegen zichzelf, gewone nachtgeluiden.

‘Ben je alleen?’ vroeg de stem.

‘Ja, Caleb.’ Haar angst was ongegrond geweest. Ze wist nu hoe ze hem moest aanpakken; de stem was die van een bange jongen die hulp nodig had. ‘Nu? Ben je van plan open te doen?’

De deur kraakte langzaam open. Erachter was het stikdonker; hij moest zonder licht hebben gezeten. Ze werd opeens weer bang toen de stem fluisterde, dringend: ‘Kom binnen! Gauw!’

Zonder na te denken stapte ze naar binnen. Het gaf haar een rilling toen ze hem in het donker langs haar voelde glippen en de grendel van de deur hoorde dichtschuiven. Ze dacht, dwaas: ‘Opgesloten met een moordenaar.’ Wat een malligheid! Hij had hulp nodig. Maar zijn onzichtbare, steelse aanwezigheid die in het donker om haar heen cirkelde deed haar bibberen van angst. ‘Wat zou je zeggen van een kaars, Caleb?’ vroeg ze, met een gemaakte luchtigheid. Ze voelde dat hij ergens stilstond; toen hoorde ze een vloerplank kraken. Er werd een tondeldoos opengemaakt, een lucifer afgestreken. Tot haar verrassing flitste het vlammetje achter haar aan; ze draaide zich met een ruk om. Hij stond bij de tafel, het vlammetje in de holte van zijn gevouwen handen. Hij was gekleed in alleen zijn broek en zijn rughamas. Ze had het nog nooit gezien, alleen het heimelijke gekraak ervan gehoord tijdens samenkomst. Hij stak de kaars aan. Toen hij haar aankeek, was zijn doodsangst zo duidelijk dat ze haar zelfbeheersing herwon. Ze zei, rustig: ‘Goedenavond, Caleb.’

Hij wierp een blik naar de deur alsof hij bang was voor luisterende oren. Ze had buiten niemand gezien, geen geluid gehoord, alleen het lispelen van het gebladerte, de roep van de uil. Er was buiten niemand behalve de twee oude mannen in het koetsje, wachtend. De slaven moesten zich in hun hutten hebben verscholen, minstens net zo bang als hijzelf.

‘Caleb, ik kom je vragen mee terug te gaan. Wij zijn je vrienden, je familie. We moeten samen beslissen wat ons te doen staat.’

‘Doen?’ Ze zag een verwonderde blik in zijn gejaagde ogen. Misschien kwam het door de kaarsvlam.

‘Ja, Caleb, je hoort bij de familie. We twijfelen er niet aan dat je - dat je tot het uiterste gesard bent geworden. De rechter zal dat ook zeker

[p. 189]

inzien. Kom; we gaan voor het slapen samenkomst houden en drinken daarna nog een glaasje wijn.’

Zijn ogen stonden vreemd. Hij keek alsof hij niet luisterde naar wat ze zei. ‘Dank je, Rebekka,’ zei hij. ‘Maar zo eenvoudig is het niet.’

Zonder verder nadenken flapte ze eruit: ‘Je bedoelt het feit dat je’ - bijna had ze gezegd ‘een halve neger bent’, maar ze hield zich op tijd in - ‘dat Mammy je moeder is?’

De woorden schenen hem te striemen; toen gebeurde er iets vreemds: hij scheen zijn angst van zich af te werpen. Hij veranderde, voor haar ogen, van een bange jongen in een man.

‘Rebekka,’ zei hij zacht, ‘ik weet niet of ik het verdragen kan.’

‘Wat, Caleb?’

‘De waarheid.’

Ze wilde iets geruststellends zeggen, maar die zwarte ogen schenen haar te verlammen.

‘Het is niet dat ik me opeens anders voel; het is wat ik gedaan heb. Mijn leven lang heb ik nikkers niet als mensen beschouwd, maar als iets tussen aap en mens in. Ik had dit werk nooit kunnen doen als ik er niet zo over gedacht had.’

Zijn kalme toon belette haar er met de traditionele Quaker-frasen op te antwoorden. ‘Ik begrijp het, Caleb,’ zei ze. ‘Maar ik verzeker je dat je, wat ons betreft, niets veranderd bent. Je bent nog precies dezelfde die je gisteren was.’

Hij glimlachte. ‘Ik wou dat ik je geloven kon, Becky. Je bent nog jong, het leven heeft je nog niet aangetast. Ik ben er trots op dat ik daaraan heb meegeholpen.’

Ze begreep niet waar hij het over had, maar er was iets aan hem dat diepe indruk op haar maakte. Tot dusverre was hij een schemerige figuur geweest die met zijn aanwezigheid altijd een domper zette op de stemming in huis, een sombere afgezant uit de wereld van de slaven. Ze had hem nooit los gedacht van de negers die haar, met hun steelse blikken, soms aan gekooide dieren deden denken. Nu herkende zij in hem ineens een eenzame, gekwelde man, die nog niet was verslagen. Ze wist niet waaraan ze het te danken had, zeker niet aan ervaring, maar ze besefte plotseling dat ze hem nooit zou kunnen bewegen haar te volgen in de kracht Gods. De enige manier waarop ze hem zou kunnen overhalen was door een kus.

De gedachte was volkomen onverwacht. Opeens werd ze zich bewust van zijn mannelijkheid, haar eigen vrouwelijkheid. Gedurende enkele ogenblikken, met volledige veronachtzaming van het goddelijke in hen beiden, voelde ze de drang haar armen om zijn hals te slaan, zijn angst te verdrinken in een kus. Maar als ze hieraan toegaf zou ze met hem moeten trouwen, kinderen van hem krijgen, negerkinderen...

Toen dat laatste woord door haar gedachten flitste, scheen hij het te zien. Zijn gezicht werd een masker. Ze wilde hem redden uit de duisternis waarin hij teruggevallen was, maar niet langer als de vrouw die zij enkele ademloze

[p. 190]

ogenblikken lang tegen haar wil geweest was. Wat nu naar hem uitging was al wat goed en nobel en liefdevol in haar was, het goddelijke. Met alle liefde voor het goddelijke in hem die ze kon opbrengen, zei ze: ‘Alsjeblieft, Caleb, kom alsjeblieft met me mee! Blijf vannacht bij ons!’

‘Dank je, Rebekka, ik zit hier goed. Maak je over mij geen zorgen.’

‘Beloof me dan dat je naar de rechter zult gaan om terecht te staan.’

‘Dat zal ik,’ zei hij, maar iets in de manier waarop hij het zei gaf haar een voorgevoel van onheil.

‘Beloof je 't?’ herhaalde ze, zwakjes, en verfoeide haar eigen laffe, maagdelijke manier van doen. O! Als ze maar een echte, warmbloedige ... Nee! Dat kon niet! Het was nu trouwens te laat. Het vreemde, bandeloze ogenblik was voorbij. ‘Beloof me: “Ik zal terechtstaan en me bij het vonnis neerleggen.” Beloof het.’

‘Ik beloof het.’

Ze had het gevoel dat hij het ontwijkend zei. Ze stond op het punt hem verder onder druk te zetten, toen ze zich opeens schaamde. Wie dacht zij eigenlijk dat ze was, om van deze gekwelde man te eisen dat hij haar iets beloofde? Ze schrok toen hij langs haar liep en de deur voor haar opendeed. Hij scheen niet langer bang te zijn voor het onbekende dat daarbuiten op hem loerde.

Op de drempel weifelde zij. Ze dacht erover zijn wang te kussen maar fluisterde: ‘Welterusten, Caleb ... God zegen je.’ Ze stapte de veranda op, en hoorde dat hij de deur achter haar dichtdeed.

Ze bleef staan om haar ogen aan het donker te laten wennen; toen gaarde zij haar rokken bijeen en holde naar het rijtuigje met de twee oude mannen die op haar zaten te wachten.

 

***

 

Nadat Caleb Martin de deur achter haar had dichtgedaan, had hij een gevoel van voldoening. Er was een ogenblik geweest waarop hij gevreesd had zich niet langer goed te kunnen houden; maar hij was erin geslaagd de droom ongerept te bewaren. Ze was gekomen en gegaan, haar onschuld ongeschonden. Ze had, gedurende die droomstille ogenblikken, tegenover hem gestaan als de vleesgeworden kuisheid. Hij had haar laten gaan, ondanks zijn wanhopige hunkering haar in zijn armen te nemen, bij haar maagdelijke onschuld beschutting te zoeken tegen de demonen die hem belaagden. Nu ze weg was, vloeiden de machten der duisternis weer terug in de leegte die zij achterliet.

Zij waren overal om hem heen. Hij had het gevoel dat hij hen zou kunnen aanraken: als iets levends, tastbaars. Maar er was niets te zien in de kamer behalve schaduwen, dansend bij het flakkeren van de kaarsvlam. Kwam dat besef van omsingelende boosaardigheid voort uit hemzelf? Hij wist het niet, en het kon hem niet schelen. Toch was zijn enige hoop om in leven te blijven dat iets hem zou kunnen schelen. Maar waarom zou hij in

[p. 191]

leven blijven?

Wat was hij? Blanke of neger? Hij was zijn leven lang een leugen geweest, een man zonder identiteit. Als negers geen ziel hadden, waarom hij dan wel? Op de een of andere manier leek het begrip ‘ziel’ verbonden met mannelijkheid. De grootste angst na de ontdekking van zijn afkomst was dat hij, net als het muildier, een onvruchtbaar gedrocht was.

De leegte na haar vertrek was zo drukkend dat hij zijn besluit om niet te drinken brak. Hij vond de fles onder de matras en nam een lange, gulzige teug, het hoofd in de nek; zijn schaduw lag geknakt op het bed en de muur. Maar toen hij de fles van de mond nam en zijn lippen met de rug van zijn hand afveegde, wist hij dat het vergeefs was. Zijn lichaam zou door de rum verdoofd worden, maar zijn bewustzijn niet. De blanken zouden hem nooit meer als een van de hunnen beschouwen, dat had hij gezien in de ogen van het onschuldige meisje dat zich er zelf niet eens bewust van was geweest. Hij was verstoten uit de familie waar hij toe behoord had, zij het als afgezant van de slaven; en de negers die hij zijn hele leven vernederd had zouden hem zeker niet accepteren, het einge dat die voor hem voelden was haat. Plotseling verlangde hij er vurig naar dat een van die nikkervaarzen hem met wellust zou bekijken, als mannetjesdier. Ze hoefde niet jong te zijn, of mooi, als ze zich maar bewust was van zijn mannelijkheid.

Hij smeet de fles weg. Het ding bonkte tegen de wand, viel op de vloer, rolde en lag stil. Hij liet zich op een stoel vallen, zijn ellebogen op de tafel. Jezus, genade! Genade? Als hij een geslachtloze muilezel was kon niets de genade ontvangen, geen ziel, geen menselijkheid, niets. Hij riep hardop: ‘Nikker, blanke, kan me niet verdommen, iets! Lieve God, laat me iets zijn!’ Hij begon dronken te worden. Toen plofte er iets op de vloer.

De deur was gesloten. De ramen waren gesloten. Er was niemand. Hij was dronken. Toen zag hij op de vloer, een meter van hem af, een grijze slang liggen. Hij schudde zijn hoofd. Het was geen slang, het was een touw. Terwijl hij er met open mond naar zat te staren, klonk buiten een zacht bonzen. Trommels! Hij dacht, met kalme helderheid: ‘In mijn geval zijn ze niet van plan tot vollemaan te wachten.’

Toen besefte hij, ineens: ‘Voor hen ben ik een neger! Wat ik ook van mezelf mag denken, voor hen ben ik een neger!’ Hij raakte in een huilerige vervoering. Hij hoorde bij hen! Hij was iemand! Zijn gebed was verhoord! De vervoering duurde maar enkele ogenblikken; toen drong het tot hem door dat zijn leven in gevaar was. Het touw was een strop, voor hem bedoeld.

Hij stond op om zijn geweer te halen. Zijn benen leken gevuld te zijn met zand; hij kon ze niet bewegen. Hij besefte dat hij stond te grinniken. Hij moest die alcohol zien kwijt te raken. Hij wankelde naar de deur, trok die open, stommelde de veranda op, boog zich over de balustrade en kokhalsde; hij boog zich verder voorover en stak zijn vinger in zijn keel. Zijn maag gaf wat zuur op dat brandde in zijn neus. Hij dwong zichzelf om te braken tot alle alcohol en gal uit zijn gemartelde maag waren gewrongen; toen richtte hij zich op en ademde een teug koude nachtlucht in. Hij voelde zich ziek;

[p. 192]

maar zijn lichaam gehoorzaamde weer aan zijn wil. Hij opende zijn ogen en zag haar.

Ze stond midden op de weg: een vrouw, een zwarte vrouw. Haar gezicht was wit geverfd; op haar borst, haar armen en haar benen stonden witte strepen. Ze kwam, met langzame, hoge stappen als een reiger, naar hem toe. Moest ze een vogel voorstellen? Ze naderde tot hij haar zwarte lichaam in het sterrenlicht kon zien, en hij zag dat ze geen vogel voorstelde, maar een skelet. Hij holde zijn kamer in, smeet de deur achter zich dicht en leunde ertegen, hijgend. De trommels bonsden luider, dringend, alsof ze een bericht overbrachten. Hij luisterde met ingehouden adem en probeerde uit te maken wat het bericht was; toen bonsde iemand op de deur. Hij strompelde naar de kast en graaide tussen de kleren naar het geweer; er viel een schoen, kaarslicht flonkerde op een zilveren gesp: zijn zondagse schoenen, die hij altijd droeg als hij naar samenkomst ging. De gedachte aan samenkomst brak zijn besluit om zich gewapenderhand te verdedigen. Hij besloot als Quaker het goddelijke in de vrouw tegemoet te treden.

In de deuropening stond Cleo. Ze was naakt; het op haar huid geverfde geraamte kon de schoonheid van haar lichaam niet verhullen. Hij had nooit gedacht dat een negerin hem ooit mooi of verleidelijk zou voorkomen; nu leek zij de begeerlijkste vrouw die hij ooit gezien had. Ze glimlachte met een vreemde, starende blik, kwam langzaam op hem toe en reikte hem het touw. Hij dacht dat ze het hem wilde geven, maar zij legde het om zijn hals en trok het langzaam langs zijn nek; het voelde aan alsof het een eigen leven had, een slang.

Hij besefte dat zij trachtte hem te beheksen, dat zij zelf behekst was. Zijn enige hoop was haar wakker te schudden, de unieke, onvervangbare Cleo te bereiken die nooit eerder op aarde was geweest en er nooit weer zou terugkeren. ‘Cleo!’ riep hij. ‘Word wakker! Ik ben het, Caleb!’ Ze glimlachte met die vreemde, starende blik, hief langzaam haar armen op en legde ze om zijn hals. Maar in plaats van het touw weer langs zijn nek te trekken, maakten haar lenige vingers de bovenste gesp van zijn harnas los. Nadat ze ook de onderste had gevonden en losgemaakt stapte ze achteruit, haar armen uitgestrekt, alsof ze hem wilde meelokken, het touw in haar handen.

‘Cleo, word wakker!’ riep hij; maar hij begon in een lichthoofdige vervoering te geraken die hij niet kon weerstaan. Hij schudde het harnas af. De trommels bonsden luider, juichend, alsof zij hem gadesloegen. Hij trok de rest van zijn kleren uit, tot hij naakt voor haar stond.

Glimlachend, met geloken ogen, begon ze, als in een wulpse dans, te deinen op het ritme van de bonzende trommels. Hij strekte zijn handen naar haar uit, maar zij ontweek hem, lenig, speels, in een dans, hem uitdagend haar te volgen.

Hij besefte niet dat hij de hut verliet, de veranda afdaalde, uit de schaduw van de kastanjebomen trad. De dans had hem in zijn ban gevangen; hij beantwoordde de zinnelijke golvingen van haar lichaam.

[p. 193]

Zo dansten zij de weg af in het sterrenlicht, door de donkere indigovelden, op het bonzen van de trommels.

 

***

 

Josh Baker, verbijsterd door Harry's dood, had de hele dag rondgezworven, zinnend op wraak; nadat hij naar bed was gegaan kon hij niet slapen maar bleef liggen dagdromen hoe hij Caleb zou wurgen, martelen, ontmannen; niets leek wreed of bloederig genoeg om de moord op zijn vriend te wreken. George McHair, naast hem in bed, snurkte zo hard dat Josh het gebons van trommels pas hoorde toen het dichtbij gekomen was. Hij sloop het balkon op; toen zijn ogen aan de duisternis gewend raakten begon hij gestalten te onderscheiden in het sterrenlicht: onduidelijk, onwerkelijk, een drom dansende schimmen. Hij zag een dansend, lichtgevend geraamte dat een bleke schim naar het huis toelokte; pas toen ze onder het balkon waren herkende hij Caleb. Het geraamte klom de boom in, een touw in de hand.

Verschrikt rende Josh terug, zijn kamer in. Het leek, een ogenblik lang, alsof hij gedroomd had; George snurkte in de stilte. Toen hoorde hij een geritsel in de boom; hij rukte de deur van de klerenkast open, baande zich een weg door hangende kleren heen, rijen laarzen, vergeten speelgoed, de geuren van zijn jeugd, tot achter in het hokje. Daar was het stil, en veilig; het leek alsof het nieuws van Harry's dood er nog niet was doorgedrongen. Toen hoorde hij, in de verte, een hoge, schelle gil.

Hij drukte zijn handen op zijn oren en knielde, huilend van angst, trachtend woorden te vinden voor een gebed.

 

***

 

Abby, wakker geschrokken door de gil, rende naar buiten en vond Becky, in haar nachtjapon, bezwijmd op het balkon liggen. Boven haar hing een naakte man aan een touw, met spartelende benen, zijn handen klauwend aan zijn keel. Toen Abby hem zag slaakte ook zij een gil; ze stond, de handen op de mond, sprakeloos te staren naar de doodsstrijd van de opgehangen man. Iemand kwam naar haar toe rennen, sloeg een arm om haar heen en wendde haar af van het gruwelijke schouwspel. Het was George McHair.

Ze rukte zich los en vluchtte terug naar haar kamer. Daar wierp ze zich op het bed en huilde, gillend, in haar kussen, wachtend op Moeder; maar er kwam niemand. Ze hoorde hollende stappen, stemmen, een bons, een geluid alsof iets zwaars over het balkon werd gesleept. Toen sloegen glazen deuren dicht. Het werd stil.

Ze bleef liggen luisteren, hief haar hoofd op en staarde naar de deuren van het balkon, die openstonden. Ze was doodsbang, maar iets trok haar, een drang sterker dan de angst.

Ze stond naar de boom waar de man gehangen had te staren toen iemand haar arm aanraakte. Ze smoorde een kreet.

[p. 194]

‘Sst! Ik ben 't - Josh ... Wat is er gebeurd.?’

Haar weerstand brak. ‘O, Josh!’ riep ze. ‘Caleb Martin heeft zich opgehangen!’ Ze viel snikkend tegen hem aan; hij leidde haar terug naar haar kamer en hielp haar in bed. Daar bleef ze huilend tegen hem aanliggen, haar gezicht op zijn borst. Hij streelde haar haren en zei: ‘Niet huilen, Abby, niet huilen, het is goed, alles is goed, ik ben ben bij je.’

Zijn liefde was zo troostend dat haar snikken langzaam bedaarden, en zij in slaap viel in zijn armen.

 

***

 

Tegen de ochtend werd Bonifacius eindelijk door moeheid overmand. Sinds het gebeurde was hij kalm geweest; de hysterie waaraan zijn gezin na Calebs zelfmoord ten prooi was gevallen had hem geen andere keus gelaten. Samen met George had hij het lichaam losgesneden; na een vergeefse poging Caleb weer tot leven te brengen, hadden ze hem afgelegd in Grootmoeders kamer, die sinds haar dood nooit meer gebruikt was. Peleg hielp hen om het lijk aan te kleden en ze gingen bij het bed zitten. George, Becky, Beula en ten slotte Joshua voegden zich bij hen; hun waak ging ongemerkt in een samenkomst over.

Nu waakte alleen Peleg nog bij het lichaam van zijn zoon. Hij zou bij het aanbreken van de dag naar Philadelphia vertrekken om Hanna te gaan halen voor de begrafenis; het was besloten dat Harry naast Caleb zou worden begraven op het kerkhof aan de rivier. Uitgeput ging Bonifacius naar zijn studeerkamer. Hij liet zich in zijn stoel vallen, het hoofd achterover, de ogen gesloten, met een gevoel alsof hij op zee was. Hij voelde zich misselijk, waarschijnlijk van uitputting, of door de schok bij het zien van dat lichaam; hij moest het uit zijn gedachten zetten. Hij nam een van Grootmoeders dagboeken op en sloeg het open.

‘Ik zei tegen de cipier: “Alsjeblieft, Vriend, kijk naar haar! Ze is ziek, ze ligt te ijlen; waarom kun je haar geen deken geven? Waarom behandel je haar slechter dan een zieke hond?” Maar zijn hart was verhard door de puriteinse dominees die ons “antikristen” noemde, “etterend zaad van de duivel”, “hoeren van Babylon”. Hij spuwde door de tralies en zei: “Ik hoop dat ze verrot in de hel en jij ook, hoer, met het jong van de duivel in je buik.” Hij liep weg en nam de lantaarn mee.

Ik hoorde Henrietta Best in het donker kreunen; tot mijn schande liet het me koud. Ik was zelf ziek, ik verloor bloed, dat was begonnen toen ik in Boston aankwam. Ik kroop in een hoek van de cel en ging zitten, mijn handen op mijn oren om haar gekreun niet te horen. Het enige waar ik aan denken kon was hoe deze moordende kou te overleven; er kwam een ogenblik waarop ik mij voornam haar kleren uit te trekken zodra zij dood was, ze zelf aan te trekken over de mijne en haar jongetje tegen me aan te drukken, niet om hem te beschutten maar om hem van zijn lichaamswarmte te beroven. Ik was als een dier dat voor zijn leven vocht, zwanger door

[p. 195]

verkrachting, stervend van kou. Ik haatte haar en haar vondeling, ik haatte het kind dat schokte in mijn buik, ik haatte bovenal mijzelf. Terwijl ik daar zat, mijn hoofd op mijn knieën, wist ik dat het nog maar een kwestie van uren was voor ook ik in deze kooi zou sterven, net als de oude vrouw die in het donker lag te krep eren. Ik wist op dat ogenblik dat er nooit werkelijke liefde, werkelijk geloof in mij was geweest. Ik was op een dwaalspoor gelokt door een waanbeeld van mijzelf: de opofferende, vrome maagd die de Tegenwoordigheid uitstraalde. Ik had de moed moeten hebben mijzelf eerder naar waarheid te zien, bij het begin al, toen ik mij aanmatigde Margaret Fells plaats in te nemen in Slot Lancaster; nu was het te laat.

Wat een hebzuchtige, zelfingenomen feeks was ik geweest! Verblind door Margarets heiligheid had ik ook een heilige willen worden, ook die menselijke grootheid willen verwerven, alsof het een juweel was. Ik werd tot de heiligheid aangetrokken door hebzucht. Hier zat ik nu, bezwangerd door een bruut wiens gezicht ik nooit gezien had, in een kerker in Boston, op het punt dood te vriezen, met een stervend oud mens dat vlak bij me in het duister in het stro lag te stuiptrekken. Het enige waar de heilige Ann aan kon denken was hoe ze de oude vrouw haar kleren zou uittrekken vóór ze koud werd, en de armzalige lichaamswarmte van het kind gebruiken om de dovende sintels van haar eigen leven aan te blazen. Terwijl ik in de ijzige duisternis eindelijk de waarheid onder ogen zag, trok een handje aan mijn rok en fluisterde een angstig stemmetje: “Ann? Ann? Kom, alsjeblieft, ik geloof dat Mama...”

Tot op de dag van vandaag herinner ik mij wat ik op dat ogenblik dacht. Mijn eerste opwelling was hem weg te duwen; toen dacht ik: “Als ik dat doe, heb je kans dat hij weigert om bij mij te kruipen als het oude mens eenmaal dood is.” Dus kroop ik naar de hoek waar zij met een hoge, dwaze stem lag te kirren en te mompelen. Zij moet deerniswekkend zijn geweest, maar ik had geen deernis meer over. Zij lag te sterven als een hond; nog maar enkele ogenblikken en haar bewustzijn zou verdwijnen en oplossen in het niets. Vergeleken bij Bonny's dood leek de hare een bespotting, een zinloze wreedheid. Toch was dit beter dan het lieve passiespel van Bonny's sterven, omringd door aanbiddende bewonderaars die in hem hun eigen dromen en waandenkbeelden zagen. Nu zag ik de waarheid die ik soms had vermoed op beangstigende ogenblikken van twijfel: onze geboorte een toeval, ons leven een opeenvolging van illusies en desillusies, onze dood even zinloos als die van een konijn. Ik heb die overtuiging nooit werkelijk van mij af kunnen schudden.

Misschien is dat het geheim van mijn uiteindelijke te kort schieten. In mijn hart ben ik ervan overtuigd dat wij niets zijn, dat ons leven zinloos is. Maar terwijl ik daar zat, met de hand van de stervende Henrietta Best in de mijne, besefte ik dat, tenzij ik mij kon vastklampen aan een hoop, een geloof, ik mijn verstand zou verliezen. Ik kon de uiteindelijke waarheid slechts enkele seconden onder ogen zien. Ik kon in het luchtledig van mijn nietszijn niet in

[p. 196]

leven blijven; ik moest mij vastklampen aan het geloof dat mijn gevecht om in leven te blijven een andere zin had dan blinde, dierlijke drift alleen. Als ik een islamiet of een boeddhist ware geweest, zou ik mij aan een ander waandenkbeeld hebben vastgeklampt; aangezien het toeval van mijn geboorte mij in Engeland had geplaatst, waar een waan opgeld deed die Quakerisme heette, was het enige waaraan ik me bij dat afglijden naar de zinloosheid kon vastklampen de frase: “De enige die Hij heeft benjij.”

Waarom juist die? Ik weet het niet. Ik voelde op dat ogenblik tederheid noch erbarmen jegens het oude mens of haar dwerg. Maar ik dacht, wanhopig: “De enige door wie God haar met Zijn liefde kan bereiken, ben ik.” Ik streelde haar hand.

Zij stierf die nacht. Ik bedekte haar lichaam met stro en drukte het huilende kind tegen mij aan, niet langer om hem van zijn warmte te beroven maar om de mijne met hem te delen. Ik werd onverhoeds overweldigd door de moederlijke drang om in het duister tegen hem te fluisteren, troostende woordjes, als tegen een zuigeling, tot hij in tranen uitbarstte en zich aan mij vastklampte. Hij was een bang kind dat niemand anders op de wereld had behalve mij; voor ik wist wat er gebeurde was hij mijn zoon geworden. Het was alsof ik door hem aan te nemen tegelijkertijd de moeder van mijn eigen kind werd. Ik dacht niet langer aan het wezentje in mijn schoot als het zaad van een bruut, maar zag het als nóg zo'n hulpeloos kind, dat niemand anders op de wereld hebben zou behalve mij. Ontdaan van zalvende frasen: wat er in die nacht met me gebeurde was dat ik het moederschap aanvaardde.

Henrietta's lijk werd de volgende morgen door twee cipiers weggesleept alsof het het karkas van een koe was. Ik drukte het jongetje tegen mij aan toen ze haar bij de enkels grepen; haar rokken schoven over haar hoofd en haar gespreide armen raakten klem in de deuropening. Ze trokken haar erdoorheen met een brute kracht die iets moet hebben gebroken. Als er ooit een zinloze dood was, scheen het de hare. Maar één ding is onweerlegbaar: de moord op haar kinderen en haar verkrachting door de soldaten van kardinaal Richelieu stelden haar in staat tegen me te zeggen: “Kind, het is mij ook gebeurd”, toen ik in het ruim van het schip in haar armen ineenzeeg en haar vol afgrijzen toefluisterde dat ik verkracht was. Die woorden redden mijn leven en mijn verstand. Haar liefde en haar begrip waren de vruchten van haar eigen leed: ze kon zich zonder veinzerij met mij vereenzelvigen. Toen zij mij troostte en mij in haar armen nam, ontdekte ik dat God ons evenzo nodig heeft als wij Hem, want alleen in onze daden kan Hij zich manifesteren. Margaret Fell had gelijk: wonderen doen er niet toe. De mens wordt in zijn uiterste wanhoop niet geholpen door een Almacht die natuurwetten opheft. God is wat Johannes zei dat Hij was, wat George Fox zei dat Hij was en wat Margaret Fell bewees dat Hij was: liefde. Alle andere definities zijn pogingen van onze kant de eisen van dat besef te ontduiken.

Ik heb, helaas, niet in overeenstemming met dat besef geleefd. Zodra ik

[p. 197]

besefte dat slavernij uit den boze was en toch slaven bleef houden, keerde ik God de rug toe, geleidelijk. Eerst gaf ik onderdak aan een arme zwarte vrouw en aan haar halfbloed-kind; toen merkte ik hoe nuttig ze was in de keuken; toen werd me een zwart echtpaar aangeboden dat anders bij opbod verkocht zou worden; voor ik het wist hield ik slaven in de waan dat ik hun een gunst bewees. De plantage floreerde, ik had steeds meer slaven nodig - nu zit ik met een stal vol zwarte lastdieren, die ik misbruik, zij het liefdevol. Toch weet ik, iedere keer als ik tijdens de samenkomst de Tegenwoordigheid ervaar, dat dit in Gods ogen een gruwel is. Ik weet het, omdat Hij zich in die ogenblikken manifesteert in een herinnering: aan Margaret Fell. Als ik aan haar denk besef ik: er zijn dingen die volstrekt verdorvenzijn, waarmee een compromis onmogelijk is. Slavernij is daar één van.’

Bonifacius sloeg het cahier dicht, en ging naar de kamer van Grootmoeder. Hij tikte Peleg op de arm en nam zijn plaats in naast het bed. Calebs gezicht was blauw in het ochtendgloren; de ogen gesloten, de handen gevouwen. Als er ooit twee mensen zinloos waren gestorven, waren het Caleb en Harry. Hij wilde voor hen bidden, maar als er iets uit zijn grootmoeders zelfopenbaring was duidelijk geworden was het wel dit: dat, als men het lot van een naaste van de zinneloosheid wilde verlossen, men zélf iets moest doen - het kon niet aan God worden overgelaten. Was hij bereid iets te doen? Het minste wat hij kon doen was even eerlijk tegen zichzelf te zijn als zijn grootmoeder dat geweest was.

Hij besloot om Harry niet bij de familie te begraven. Het was huichelachtig om een kind te begraven te midden van mensen die hem tijdens zijn leven hadden uitgestoten.

 

***

 

Joshua ging schoorvoetend het lazaret binnen, klaar om te vluchten als het hem te machtig werd. Harry lag, als in slaap, op een bed onder het raam. Een schuin op het bed vallende baan zonlicht maakte het laken witter en de naakte armen zwarter. Joshua liep op zijn tenen naar het bed; de illusie dat Harry lag te slapen verdween toen hij op het lijk neerkeek. De zwarte pop, een grijns op het verwrongen gezicht, had niets te maken met de jongen die hij gekend had.

Hij bleef naar het lichaam staren. Een paardevlieg flitste door het zonlicht en botste tegen de vensterruit. Herinneringen aan kussen, fluisterwoorden ... Hij wilde de hand vasthouden die hem zo vaak geliefkoosd had, het lichaam omhelzen dat zo warm en levend was geweest, vol hartstocht, tederheid. Hij had dat lichaam beter gekend dan het zijne.

Hij mocht vooral niet huilen, want voor het lazaret stonden de slaven en hij was nu hun opzichter. Hij haastte zich naar buiten en liep, de slaven negerend, naar het opzichtershuisje. Hij smeet de deur achter zich dicht en bleef staan in de schemering van de gesloten luiken; daarna ging hij naar de kast waar Caleb zijn rum bewaarde. Hij tastte in de kast rond, vond een

[p. 198]

schoen met een gesp; het gevoel dat Caleb er was werd sterker toen zijn voet tegen het harnas stootte, de schaal van de krab. Het riep Calebs tegenwoordigheid sterker op dan zijn lijk op Oma's bed gedaan had.

De veranda kraakte, een schaduw gleed langs de luiken; de deur ging langzaam open. Het was Cleo. Toen hij haar naar binnen zag glippen was de herinnering aan hun kindertijd opeens zo sterk dat het leek alsof Harry gelijk met haar was binnengekomen.

Ze kwam naar hem toe, ging voor hem staan en keek in zijn ogen. Hij keek in de hare, en zag weer de gouden vlekjes. Toen sloeg ze haar armen om zijn hals en trok hem naar zich toe voor een kus.

Eén ogenblik leek het of ze Harry was en dit hun laatste, wanhopige afscheid. Toen wekte het gevoel van haar hongerige, warme mond op de zijne een wilde begeerte in hem op. Angst, verdriet, schaamte, eenzaamheid, alles werd weggevaagd. Ze stonden in hun omhelzing te zwaaien, tot hij zijn evenwicht verloor. Ze zakten samen op de grond; Cleo veranderde weer in de panter die hem uit het duister beslopen had. Nog nooit hadden zij met zo'n woeste gulzigheid de liefde bedreven. Op het hoogtepunt van zijn bevrediging sprong ze plotseling op en staarde naar de deur.

‘Cleo? Wat is er?’

Ze gaf geen antwoord. Hij dacht dat hij de deur zag dichtgaan, maar hij wist het niet zeker. Hij trok zijn broek aan en ging naar de veranda om te zien wie het geweest was. De weg was leeg. Pas toen hij zich had omgedraaid en weer op weg was naar binnen drong het tot hem door. De weg was leeg! Daar kon maar één verklaring voor zijn: Massa was hier. Cleo had Vader gezien.

Hij vluchtte naar binnen. Cleo was weg.

 

***

 

Bonifacius hotste in de brik langs het karrespoor door de velden; hij zweepte het paard op tot steeds snellere vaart. Zijn eerste gedachte was: ‘Verkoop haar! Verkoop die zwarte hoer! God, wat kan ik doen om hem te beschermen?’

Pas toen hij het Huis naderde herinnerde hij zich dat hij naar het kwartier was gegaan om orders te geven voor de begrafenissamenkomst. Maar hij kon op dit ogenblik niemand onder ogen komen, zeker geen slaaf.

Hij zwenkte het pad op dat naar de steiger voerde; daar bond hij het paard vast en nam de roeiboot. Toen hij wegroeide vloog een reiger, opgeschrikt door het geplas, uit het riet op en wiekte krassend weg in de mist. Hij roeide de nevel binnen en streek de riemen.

Joshua! Kleine Joshua, zijn witte, kinderlijke benen omklemd door de zwarte poten van een slavin ... Verkoop haar! Verkoop de zwarte slet! Maar dat zou de wortel van het kwaad niet uitroeien. Hij kon zich wel wijsmaken dat hij Joshua gered had van een verslaving aan negerinnen, maar binnenkort zou de jongen, onvermijdelijk, naar een andere gaan zoeken. Dat

[p. 199]

zou niet moeilijk zijn: zij waren er allemaal op uit zich van de zoon van 't Huis meester te maken. Hoe kon hij Joshua ervan overtuigen dat misbruik van een zwarte vrouw een zonde tegen haar menselijkheid was, tegen God? Becky had het in de Mannenvergadering gezegd: het enige dat kon overtuigen waren daden, niet woorden. Als hij Joshua wilde redden van de ondergang moest hij door zijn daden tonen dat de slavernij uit den boze was. Hoe? Zijn slaven hun vrijheid schenken? Het zou zin geven aan de dood van Harry en Caleb; aan de dood van Bonny Baker in de kerkers van Slot Lancaster, de verkrachting van zijn grootmoeder, de dood van Henrietta Best, van haar kinderen in dat dorp in Frankrijk - al die schijnbaar zinneloze wreedheden van het lot zouden uiteindelijk geleid hebben tot de bevrijding van de slaven van het eiland Eden.

Maar het was een onmogelijkheid, een droom. Want wat zouden de gevolgen zijn? Hij had ze John Woolman toegeschreeuwd. Als hij zijn slaven vrijliet zonder ze grond te geven leverde hij ze alleen maar uit aan de Anglicaanse Kerk, die ze voor liefdadige doeleinden zou verkopen. En als hij zijn land onder hen verdeelde, zou hij geen andere keus hebben dan opnieuw te beginnen, ergens in de wildernis waar de grond voor het grijpen lag, want hij zou geen kapitaal over hebben om een plantage in de buurt van Philadelphia te kopen. Hij was planter, het was het enige vak dat hij kende. Maar zou hij het in de wildernis redden, zonder negers die het zware werk voor hem deden? Een man die nooit een spa had vastgehouden, met een dove vrouw en twee verwende dochters? Het was duidelijk dat God hem Zijn wens had meegedeeld, maar het zou onverantwoordelijk zijn om aan die wens gehoor te geven in strijd met alle gezond verstand. Hij was lid van het Genootschap der Vrienden, niet van een fanatieke evangelische sekte die in tongen sprak en rondliep in jutezakken. Hij kon niet zonder meer uitgaan van de veronderstelling dat de Heer wel uitkomst zou geven. Het mocht Gods wil zijn, maar hij was niet voornemens één stap te verzetten voor God hem de middelen had gegeven om Hem op verantwoordelijke wijze gehoorzaam te zijn.

Hij zat een tijdlang hoopvol op een antwoord te wachten, een oplossing. Toen die uitbleef, roeide hij terug.

Terwijl hij de boot vastlegde viel hem de oplossing in. Hij zou Josh een wereldreis laten maken met een van de schepen van Isaac Woodhouse, en een andere opzichter huren.

En nu moest hij regelingen gaan treffen voor de begrafenissamenkomst.

terug  begin  verder