terug  begin  verder
[p. 200]

Acht

Tijdens de samenkomst op het kerkhof zat Beula Baker tussen haar familie en Calebs verwanten op de banken tegenover de slaven, gehurkt in de felle zon. De familie werd tegen de hitte van de zomermiddag beschut door het lover.

Zoals gewoonlijk tijdens samenkomst dwaalden Beula's gedachten zo maar een beetje rond. Als er gepreekt werd zou ze er toch geen woord van verstaan; nog een jaar of wat en ze zou zo doof zijn als een pot, en alle contact met de mensen om zich heen verliezen. Zou het een opluchting blijken, of zou ze zo leeg blijken als een leeggelopen vat? Ze had hoegenaamd geen innerlijk leven; na een dag werken in de huishouding was ze te moe om te mediteren over iets verheffenders dan komende verjaardagen, of gordijnen, of het menu voor morgen. Maar de stilte waarin ze nu leefde had iets vredigs. Vanaf hun prille jeugd hadden de kinderen geschreeuwd, met deuren geslagen, tegen het meubilair getrapt als ze hun zin niet kregen. Bonny had zich er niets van aangetrokken, niets scheen zijn kalmte te kunnen verstoren; maar zijzelf had er echt onder geleden, al was het alleen maar door de voortdurende hoofdpijn die het tumult haar bezorgd had. Ze vroeg zich weleens af...

Haar kabbelende gedachten werden verstoord door een beweging naast haar. Hanna Martin was opgestaan; haar ogen gericht op de twee doodkisten op schragen in de zon begon ze te preken. Of zong ze? Het kwam weleens voor dat een Vriend, in een onbewaakt ogenblik, tijdens de samenkomst een psalm begon te zingen. Het geneerde iedereen, natuurlijk. Ja hoor, Hanna Martin stond te zingen. In haar geval was het eigenlijk wel roerend. Toen zag Beula dat Bonny, aan het einde van de rij rouwenden, de oude vrouw aanstaarde op een manier alsof haar gezang een afschuwelijk beeld voor hem opriep. Plotseling werd zij overrompeld door hetzelfde voorgevoel van onheil dat haar bevangen had op de ochtend dat Cuffee zich had opgehangen. Nu voelde ze het weer, sterker dan toen: een naderende ramp. Ze zag Bonny naar de slaven kijken alsof hij iemand zocht; toen sloot hij dodelijk vermoeid zijn ogen, maar hij stond op en begon te preken. Zijn gezicht was zo bedroefd dat haar hart naar hem uitging, hoewel ze er geen idee van had wat hij zei. Ze werd zich bewust van een toenemende spanning om zich heen, niet alleen onder de familie maar ook onder de slaven, die anders nooit luisterden. Plotseling greep een hand de hare. Het was Jeremia; wat Bonny zei had hem hevig ontsteld. Hij legde een arm om haar schouders en drukte haar tegen zich aan. Wat was er in vredesnaam

[p. 201]

gebeurd? Ze keek naar haar kinderen: die zaten als door de bliksem getroffen.

Opeens begon Becky's gezicht te stralen. Van blijdschap? Trots? Wat zei Bonny toch?!

Bonny ging zitten, lijkbleek. Ze kon zich niet meer inhouden en fluisterde tegen haar broer: ‘Wat heeft hij gezegd?! Jerry, wat heeft hij gezegd?’

Jeremia zei in haar oor: ‘Hij heeft jullie slaven de vrijheid gegeven! Hij gaat de plantage onder hen verdelen!’

Ze staarde hem ontzet aan; hij drukte haar weer tegen zich aan en zei: ‘Wees maar niet bang, ik zal met hem praten, wees niet bang...’

Maar hij kon niet weten hoe vaak de oude vrouw gezegd had: ‘Als ik de naam Quaker waardig was, zou ik de slaven hun vrijheid geven en het land onder hen verdelen.’ Ze hoorde de stem zo duidelijk alsof de oude vrouw er werkelijk was. Ze zag Becky in vervoering naar haar vader staren, tranen rolden langs haar wangen; plotseling overviel haar een afschuwelijke onmacht, alsof Ann Traylor teruggekomen was om Bonny te halen.

 

***

 

Zijn arm beschermend om zijn zuster geslagen, dacht Jeremia: ‘Schandelijk! Dat iemand zo iets onverantwoordelijks, zo iets krankzinnigs kan doen! Denkt de man dan niet aan zijn gezin, zijn vrouw?’ Hij zou de idioot zo gauw mogelijk ter verantwoording roepen, maar eerst moest hij voor zijn arme zuster zorgen, haar verzekeren dat ze op hem kon rekenen.

Grizzle hielp hem, zowaar. Hij had altijd geweten dat ze in haar hart een toegedane vrouw was; na afloop van de samenkomst stond ze erop de zorg voor Beula over te nemen. Beula liet zich, zwakjes, meetronen; Grizzle leidde haar naar het koetsje dat stond te wachten om hen naar het Huis terug te brengen, waar een begrafenismaal zou worden opgediend. De negers zaten, met stomheid geslagen, nog steeds op hun hurken tussen de zerken; ofschoon hij altijd medelijden met hen gevoeld had maakte de aanblik van die stomme zwarte gezichten Jeremia dit keer woedend. Maar hij mocht de verontwaardiging die zijn zwager in hem gewekt had niet op de arme schepsels koelen.

Sommige familieleden trachtten hem, opgewonden, in een gesprek te betrekken; hij ontweek hen, klom naast de negerkoetsier op de bok van de sjees, liet zich naar het Huis rijden en haastte zich naar het kantoor. Daar trof hij Bonifacius aan. Becky was er ook; zo te zien was ze al net zo gek als haar vader. Zij straalde; Bonny zag eruit als een man die net gehoord heeft dat hij opgehangen zal worden.

Jeremia viel met de deur in huis. ‘Mag ik vragen, waarde Vriend, waar je van plan bent met je vrouw en kinderen naar toe te trekken, nu je al hun bezittingen aan je slaven hebt weggeven?’ Hij wist dat hij kalm moest blijven, maar hij beefde.

Bonny zag er ziek uit. Misschien was dat het antwoord: een dokter zou

[p. 202]

hem moeten onderzoeken, Gulielma; hij was niet toerekeningsvatbaar.

‘Ik ben van plan een nieuwe plantage te beginnen,’ zei Bonny vermoeid.

‘Waar, als ik vragen mag?’

‘Ergens in de wildernis; ik weet nog niet waar.’

‘In de wildernis? Krankzinnig! Met een stokdove vrouw? Een kind van tien? Hoe kan je zo iets krankzinnigs in je hoofd halen?’

Becky ging naast haar vader staan en legde een hand op zijn arm. ‘Oom, laten we er straks over praten. Geef Vader de tijd om bij te komen.’

‘Bij te komen van wat?!’ riep Jeremia uit. Het gezicht van de arme Beula liet hem niet los; hij zou haar beschermen, ook al moest hij deze krankzinnige en zijn hysterische dochter in een dwangbuis laten sluiten.

‘Ik begrijp je bezorgdheid, Jerry,’ zei Bonifacius, ‘maar ik moet het Licht volgen.’

‘Welk Licht? Alleen door je aan de gemeenschappelijke leiding van de Vergadering te onderwerpen kun je uitmaken of je Licht van God komt of een dwaallicht is!’

Becky nam de verdediging over. ‘Onderwierp George Fox zich aan de leiding van een Vergadering? Deed Margaret Fell dat?’

‘Mijn beste kind!’ riep hij. ‘Hij is George Fox niet! Hij is Bonny Baker!’

‘Precies! En jij bent Oom Jeremia! Zijn zwager, niet zijn geweten!’

‘Zijn zwager, ja! Laten we het daar eens over hebben! Wat gebeurt er met mijn zuster, als je deze waanzin door zou drijven?’

‘Jerry, alsjeblieft,’ smeekte Bonny vermoeid. ‘Denk je dat ik door een opwelling tot dit besluit gekomen ben? Neem van me aan dat ik vóór alles het welzijn van mijn gezin heb overwogen!’

‘Goed!’ riep Jeremia. ‘Wat is het welzijn van je vrouw? Waar wordt zij verondersteld te gaan wonen, als jij je slaven eenmaal in vrijheid hebt gesteld?’

‘Ze zijn in vrijheid gesteld.’

‘Waar moet zij héén? Haar met je meenemen is uitgesloten. In het Huis blijven wonen, nadat je het hele eiland aan je negers hebt gegeven? Onmogelijk! Waar moet ze van leven, als je alles hebt weggegeven? Van de liefdadigheid? Moet ze intrekken bij familie, bij mij...’ Midden in zijn tirade viel het hem in dat Beula en hij hierdoor herenigd zouden worden. Het was zo'n verrassende wending dat hij stamelde: ‘Wat - wat vindt ze hier zélf van?’

‘Geen idee,’ antwoordde Bonny.

‘Je hebt er niet eerst met haar over gesproken?’ Hoe gerechtvaardigd zijn verontwaardiging ook was, hij miste opeens overtuigingskracht.

‘Het overviel me opeens, tijdens de samenkomst. Toen Hanna Martin dat wiegeliedje zong zag ik opeens de weg.’

‘Er komt niets van in!’ riep Jeremia uit. ‘Er zijn bij dit besluit te veel andere mensen betrokken. Je mag niet alleen beslissen!’ Hij stapte met een vertoon van verontwaardiging het kantoor uit, maar zijn zelfverzekerdheid was ondermijnd. Beula zou niets liever doen dan bij hen intrekken, maar

[p. 203]

Grizzle zou er wel anders over denken. Niettemin ging hij op zoek naar haar.

Hij vond haar in de keuken, in gezelschap van Beula en Hanna Martin, die, ondanks haar verdriet, meehielp met de bereiding van het begrafenismaal. Hij weifelde in de deuropening; er waren minstens vijftien vrouwen bezig; het kabaal van potten en pannen was oorverdovend. Grizzles stem klonk boven het lawaai: ‘Laat hem eerst maar wat tot kalmte komen!’ riep ze, terwijl ze een klomp deeg bekletste. ‘Laat hem zelf met het voorstel komen! Je moet een man nooit onder druk zetten!’ Tot zijn verbijstering sloeg Beula haar armen om Grizzles hals en riep: ‘O, lieverd! Je hebt er geen idee van hoe heerlijk het is eindelijk een vriendin te hebben die ik kan verstaan!’ Grizzles ogen schoten vol tranen. ‘Beula, je hebt er geen idee van hoe eenzaam ik geweest ben sinds Melanie het huis is uitgegaan!’ gilde ze. ‘Niemand om mee te praten, niemand die het zich aantrekt of ik leef of dood ben! Waarom zeggen we niet dat je bij ons komt inwonen tot je man een kans heeft gehad een blokhut te bouwen?’

Jeremia draaide zich om en liep de tuin in.

 

***

 

Isaac Woodhouse klampte Jeremia aan toen hij hem zag verschijnen en vroeg: ‘Is hij inderdaad vastbesloten?’ Toen Jeremia somber knikte voelde Isaac even een soort naijver naar Bonny's stralende rechtschapenheid. Maar dat nam niet weg dat 's mans krankzinnige daad een bedreiging inhield voor de hele Quaker-gemeenschap. De theatrale heiligheid van zijn besluit om zijn slaven de vrijheid te geven en zijn bezittingen voor hen op te offeren zou het standpunt van de Vergadering ten aanzien van de slavernij weleens kunnen wijzigen. Als de Vergadering de slavernij zou veroordelen en zich voor afschaffing uitspreken zou daarmee het politieke evenwicht verstoord worden dat de Quakers driekwart eeuw lang aan de macht had gehouden. De man moest tot elke prijs van deze dwaasheid worden weerhouden.

Hij vond hem in zijn kantoor. Samen met Becky was hij bezig een kaart van het eiland te bestuderen, blijkbaar om uit te maken hoeveel grond iedere slaaf zou krijgen. Becky was de sleutelfiguur; Isaac wist dat Bonifacius zou volgen als hij haar zou kunnen overreden.

Hij nam haar terzijde. Zodra ze het kantoor uit waren en op de tocht tussen de gebouwen stonden, maakte hij haar duidelijk dat haar vader bezig was haar bruidsschat weg te geven, de sleutel tot haar toekomstig geluk.

Ze reageerde met jeugdige verontwaardiging. ‘Eerst was het Altaar Rots, nu is het mijn bruidsschat! Als dat het enige is dat Joe interesseert, dan verwacht ik dat van hem persoonlijk te horen, niet van zijn vader!’

‘Lieve kind, gebruik je hersens. Uit gevoelsoogpunt...’

‘Wat bracht je er in vredesnaam toe mijn voorstel op de Jaarvergadering te steunen? Politiek?’

[p. 204]

‘Natuurlijk niet! Ik...’

‘Nu, dit is precies wat je twee dagen geleden hebt toegejuicht: een man die in praktijk brengt wat hij predikt! Als je me niet kwalijk neemt, ga ik hem nu verder helpen jullie woorden in daden om te zetten!’

Ze keerde hem de rug toe en ging naar binnen. Als haar vader eenmaal weg was en zij op de huwelijksmarkt achterbleef zonder een cent zou zij er gauw genoeg achter komen waar haar eigenbelang lag, maar dan was het te laat. Misschien kon hij het beter aan zijn zoon overlaten om haar te overreden; als haar leeftijdgenoot zou Joe meer indruk maken.

Hij ging op zoek naar Joe en vond hem in gesprek met Joshua op een bank achter het Huis die uitzicht gaf op de indigovelden.

‘Joe, neem me niet kwalijk - er is iets waarover ik je dringend moet spreken. Heb je een ogenblik?’

Zijn zoon stond gehoorzaam op; samen liepen ze het pad af tussen de bloembedden, weg van de familieleden die in afwachting van het begrafenismaal om het Huis krioelden. Toen ze alleen stonden onder de ruisende bomen zei hij: ‘Joe, ik heb net met Becky gepraat. Je moet haar overreden om nuchter over deze kwestie na te denken. Als haar vader zijn dwaze plan doorzet...’

Nog voor hij uitgesproken was merkte hij dat zijn zoon zich verzette. Sinds die affaire met de Quaker-kanonnen was de jongen rusteloos en opstandig geweest. ‘Vader, ik ben er niet zo zeker van dat het een dwaas plan is. De slavernij...’

Zich door een baardeloze knaap de les te laten lezen was wel het laatste wat hij op dat ogenblik wenste. De afgelopen vijfentwintig jaar was er tijdens iedere Jaarvergadering een blaaskaak onder de niet-slavenhouders opgestaan om over de christenplicht tot vrijlating te balken. ‘Jongeman,’ zei hij. ‘Je kunt rustig aannemen dat er geen enkel aspect van de slavernij is dat ik niet al overdacht had vóór jij geboren werd. Laat me je vertellen wat de consequenties van Bonifacius' overhaaste daad zullen zijn. Om te beginnen: de slaven zelf...’

De wind bruiste in de bomen, de velden golfden, zomerhitte zinderde boven het eiland.

De toekomst van deze plantage, zei Isaac, kon alleen maar worden gezien in termen van totale verwaarlozing. De slaven waren er niet klaar voor; ze hadden er geen notie van hoe ze een onderneming als deze moesten administreren, zonder toezicht de oogst binnenhalen, hun produkt aan de man brengen. Ze zouden een zelfbestuur moeten organiseren dat opgewassen was tegen de eigenaars van de omringende plantages, die zonder twijfel zouden proberen hun het leven zo moeilijk mogelijk te maken, en daar hadden ze domweg de capaciteiten niet voor. Als Becky's vader het eiland aan hen overdroeg zou dat een ramp betekenen voor alles wat Ann Traylor had opgebouwd. En politiek gezien...

Hij kreeg het gevoel dat zijn woorden indruk op de jongen begonnen te maken.

[p. 205]

***

 

Joe Woodhouse aarzelde onder aan de trap, in het schemerduister van de vestibule. ‘We gaan zo eten!’ riep iemand hem na toen hij de trap opging. Hij liep de donkere gang af en klopte op de deur van Becky's kamer. Himsha McHair deed open. Achter haar vroeg de stem van Tante Gulielma: ‘Wie is daar nóú weer?’

‘Joe, Tante Gulie. Ik zoek Becky.’

‘Die is hiernaast, in Abby's kamer. Doe de deur dicht, Himsha, het tocht.’

Himsha glimlachte tegen hem. Hij besefte dat, met uitzondering van Tante Gulie, hij de enige van de familie was die de Indianen begreep. Hij zou graag eens met haar praten, of, nog liever, haar laten praten. In plaats van Becky op te zoeken zou hij eigenlijk liever een eindje met Himsha gaan wandelen. Hij liep met tegenzin naar Abby's kamer en klopte aan.

‘Ja?’

Het was Becky. Hij had nooit eerder beseft dat haar stem op die van Tante Grizzle leek. De stem had een dominerende klank, in tegenspraak met de ree-achtige vrouwelijkheid die zij voorwendde. ‘Ik ben het. Mag ik even met je praten?’

Hij hoorde het geruis van een rok, de deur ging open en, wel verdraaid, het was Abby, dat ellendige nest. Hij had er niet op gerekend dat zij erbij zou zijn; hij zou Becky moeten overhalen met hem de tuin in te gaan.

Maar Becky wist hoe ze haar zusje moest aanpakken. ‘Abby, laat ons even alleen, wil je?’

‘Het is mijn kamer!’ protesteerde het kind. ‘Ik heb er méér recht op dan jij!’

‘Doe niet zo mal,’ zei Becky kortaf. ‘Ga een eindje wandelen of, nog beter, Moeder en Tante Grizzle helpen in de keuken. Weg! En gauw!’

‘Stik, mispunt,’ zei het meisje vinnig, liep langs hem heen de gang in, stak haar tong uit en trok de deur dicht.

‘En?’ vroeg Becky. Ze verwachtte kennelijk een conflict.

‘Vader dacht dat het misschien goed zou zijn als jij en ik eens even met elkaar praatten.’ Hij besefte dat het een slecht begin was.

Ze liet glimlachend haar tanden zien. ‘Het zou wel iets geweldigs zijn, als jij eens iets zónder je vader zou doen!’

Hij begon kwaad te worden. ‘Je kunt niet zeggen dat ik die woestelingen heb tegengehouden op aansporing van mijn vader.’

Ze gaf een spottend lachje. ‘En wát een demonstratie van de Quaker-beginselen was dat wel niet!’

Hij had zin haar over zijn knie te nemen. ‘Beter dan de demonstratie van jóúw vader,’ bitste hij terug.

Ze veranderde ineens in een furie. Hij had haar nog nooit zo gezien. ‘Als dat alles is wat je me te zeggen hebt, Joe Woodhouse, maak dan dat je wegkomt! En vraag je vader, namens mij, zijn kalf voortaan beter vast te

[p. 206]

binden! Eruit!’

Zijn handen jeukten om haar een pak op haar broek te geven. ‘Becky! Ik ben je verloofde! Ik neem die praatjes niet van jou!’

Zijn bazigheid maakte geen indruk op haar. ‘Ik heb je beleefd verzocht mijn kamer uit te gaan,’ zei ze, ‘ik vraag het je nog één keer. Als je het niet doet...’

‘Wat dan?’

‘Dan roep ik mijn vader om je eruit te smijten.’

‘Aha,’ zei hij. ‘Jij hebt dus ook nog altijd je vader nodig.’

Ze balde haar vuisten; gewaarschuwd door de ervaring van vroeger dagen ging hij een stap opzij, want hij wist dat ze op het punt stond hem tegen de schenen te schoppen. Hij liep nonchalant naar het bed en ging erop zitten, één been over het andere; de matras zakte in met een gejank van veren dat hem even van zijn stuk bracht.

Ze profiteerde er meteen van. ‘Joseph Woodhouse! Als jij denkt dat je zo maar mijn kamer kunt binnenvallen, op mijn bed gaan liggen en mijn vader bespotten, dan vergis je je. Mijn vader had tenminste de moed naar zijn overtuiging te handelen! Wat heeft de jouwe gedaan? Geld opgepot, jou afgericht om als een waakhond op zijn brandkast te passen en te kwispelstaarten als je de stem van je baas hoort!’

‘Verdomme, Becky!’ riep hij, overeindspringend, ‘ik verbied je zo over mijn vader te spreken!’

‘Jij verbiedt me wat! Ha! De kleine Joe doet net of hij een flinke vent is! Lafbek!’ Ze keerde zich om, maar bedacht zich. ‘Joseph Woodhouse,’ zei ze, met ingehouden stem, ‘jij belichaamt alles wat ik haat en verfoei in de Quaker-pummels die de Beginselen voor het nageslacht moeten bewaren! Ik word misselijk van je, lamlendige slappeling! Snotneus!’ Ze spuwde de woorden in zijn gezicht, haar neus vlakbij de zijne. Hij stond een ogenblik sprakeloos van woede, toen, tegen alle gezond verstand in, sloeg hij zijn armen om haar heen en smoorde haar kreet van verontwaardiging in een kus.

 

***

 

Becky worstelde in zijn armen; toen, vol verbazing, zwichtte ze voor hem. Ze voelde zich ineens zwak en licht in het hoofd, en stond op het punt hem te laten begaan toen haar een beeld in gedachten kwam: het stuiptrekkende, witte lichaam, de handen die in doodskramp aan de strop klauwden. Ze duwde hem weg. ‘Nee, nee ... niet doen, niet doen! Nu niet...’

Hij keek haar verbaasd aan. ‘Maar lieveling, ik verzeker je...’

‘Niet doen, niet doen, alsjeblieft!’ Ze stond onvast op haar benen, haar handen aan haar hoofd. Ze voelde, met een rare nuchterheid, dat de linkerkant van haar kapsel losgeraakt was; terwijl ze toch oprecht ten prooi was aan afgrijzen en verwarring ordende ze het, haar gezicht van hem afgewend. Bedrog, alles was leugen en bedrog! Ze had Caleb geweigerd wat

[p. 207]

Joe op het punt had gestaan te nemen, ze had Vader verraden, door als was te worden in de armen van zijn lasteraar; en wat Joe betrof...

Ze voelde zijn arm om haar schouders.

‘Becky, lieveling, wat scheelt eraan?’

Hij wilde haar naar het bed leiden, maar ze maakte zich los. Uilskuiken! Als hij haar nu naar de stoel gebracht had ... Hoe was het mogelijk dat ze zo van streek kon zijn en toch die nuchtere stem in haar binnenste horen? Was ze niet goed wijs? Was het de stem van de duivel? Ze liep naar het raam; hij zat bedremmeld op de rand van het bed, als een schooljongen. Ze voelde de opwelling hem in haar armen te nemen, maar dat was ondenkbaar; ze zou nooit meer een man kunnen aanraken, het beeld van de stuiptrekkende Caleb maakte dat voor de rest van haar leven onmogelijk. Angst voor een levenslange eenzaamheid dreef haar naar Joe toe, deed haar de armen om zijn hals slaan en snikken: ‘Niet weggaan! Ik hou van je, ik hou van je, ik ben...’ Haar poging aan de herinnering van dat spartelende, naakte lichaam te ontsnappen, mislukte. Ze liet zich op het bed vallen, haar hoofd op haar armen, en snikte het uit. Ze hoopte dat Joe zich niet door haar gesnik zou laten afschrikken, haar in zijn armen nemen, haar haren strelen, haar doen beseffen dat ze veilig was in de beschutting van zijn mannelijkheid. Maar hij was te onthutst om zich te verroeren. ‘De sukkel!’ dacht ze. ‘Maar goed dat ik dit nu ontdek! Met zo iets getrouwd te zijn? Waardeloos! God, nee, nee, dat meen ik niet! Laat hem niet weggaan!’ Ze snikte het uit; de gedachte dat hij haar nooit meer zou durven aanraken maakte haar wanhopig. Ze hief haar betraande gezicht op, met het besef dat haar losgeraakte haren het tragisch omlijstten, en fluisterde: ‘Joe ... Joe, liefste ... vergeef me ... vergeef me...’

Hij glimlachte stijfjes, alsof hij bang was dat de geringste beweging van zijn kant een nieuwe lawine van emotie zou ontketenen. ‘Er valt niets te vergeven,’ zei hij, zo benepen dat ze onwillekeurig begon te giechelen en haastig haar hoofd weer op haar armen liet vallen, in de hoop dat hij het voor snikken zou aanzien.

Dat deed hij, anders zou hij zijn kans hebben waargenomen. Hij bleef stijf zitten, kennelijk met maar één gedachte: ‘Laat me eruit, lieve God, laat me eruit!’

Op dat ogenblik besefte ze dat Abby hen stond te beloeren.

 

***

 

Met de intuïtie van de ervaren spion voorzag Abby dat haar zuster het balkon zou opstormen, en ze vluchtte de boom in. De deuren werden opengesmeten, Becky verscheen op de drempel, keek om zich heen, staarde naar de boom, ging abrupt weer de kamer binnen en trok de deuren achter zich dicht.

Abby wist waarom Becky niet de boom in durfde: de herinnering aan Caleb, hangend aan dezelfde tak waarop zij nu zat. De eerstvolgende weken

[p. 208]

hoefde ze niet bang te zijn dat Becky haar achterna zou gaan, als ze zich in de boom verborg. Maar de herinnering deed ook haar huiveren, en ze had voorlopig geen zin meer in het begluren van mensen.

Pas die avond, na het eten, toen de gasten zich hadden teruggetrokken, waagde ze zich weer op het balkon. Alle kamers waren bezet, overal scheen kaarslicht door de ramen. In de kamer naast de hare zag ze Tante Gulie in bed liggen, een handdoek op haar voorhoofd; Himsha zat naast haar en hield haar hand vast. Net als de rest van de gasten had Tante Gulie klaarblijkelijk te veel gegeten. In de kamer van Josh ijsbeerde George heen en weer en oreerde tegen Joe Woodhouse, op het bed, blijkbaar nog steeds niet bijgekomen van zijn ruzie met Becky. In de kamer daarnaast was Oom Isaac bezig Bilbo de deur uit te jagen. ‘Weg! Eruit! Weg jij!’ Bilbo ging mooizitten, zijn oren gespitst, in afwachting van een klontje; Oom Isaac mompelde iets onaardigs en duwde hem met de deur de gang in. In de kamer van haar ouders besprak Tante Grizzle luidkeels met haar moeder een plan om in Philadelphia te gaan wonen nadat ‘hij’ zou zijn weggegaan. Het was het eerste wat ze ervan hoorde en ze trok een bedenkelijk gezicht: het was niet leuk om bij Tante Grizzle te logeren; bij het ontbijt zat ze altijd te loeren hoeveel hagelslag je op je brood strooide en dan zei ze, na vijf korreltjes al, ‘Ziezo, dat is dunkt me wel genoeg voor iemand met een normale maag en goede manieren.’ In de kamer ernaast waren Oom Peleg en Oom Jeremia aan het praten over iets wat met Vader te maken moest hebben, want ze zag Oom Jeremia een vinger op zijn lippen leggen en een gebaar maken naar de muur van Vaders studeervertrek. Ze sloop verder om een blik in de studeerkamer te werpen en zag Vader in zijn stoel zitten; hij zag er zielig uit; nog nooit had ze zo'n eenzaam iemand gezien. Ze voelde de opwelling om bij hem op schoot te kruipen, maar toen ze op het punt stond naar binnen te gaan zag ze hem naast zijn stoel knielen. Hij bleef zo lang zitten bidden dat ze het op het laatst niet meer kon uithouden; ze opende de deuren en fluisterde: ‘Papa?’

‘Abby? Wat doe jij daar?’

‘Waarom heb je 't eigenlijk gedaan, Papa?’

‘Wat?’

‘Dat van die slaven.’

‘Kom binnen, dan zal ik het je vertellen.’

Ze gehoorzaamde. Hij ging in zijn stoel zitten en klopte op zijn dij; ze klom op zijn schoot. ‘Nu dan: ik heb tegen de negers gezegd dat ze vrij waren omdat ik ze niet langer in slavernij kon houden.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat ik tot de overtuiging ben gekomen dat het verkeerd is.’

‘Betekent dat, dat we bij Tante Grizzle en Oom Jerry gaan wonen?’

Hij fronste zijn wenkbrauwen; het moest nieuws voor hem zijn. ‘Nee, ik ga ver weg.’

‘Waar naar toe?’

‘Naar de wildernis achter de bergen, om een nieuwe plantage op te

[p. 209]

zetten.’

Het klonk spannend. ‘Wie gaat er met je mee?’

‘Niemand.’

‘Niemand? Maar je kunt toch niet helemaal alleen een plantage beginnen? Je krijgt blaren op je handen, en wie gaat er je kleren wassen en je eten koken en je 's avonds instoppen en je 's morgens thee op bed brengen?’

‘Niemand, vrees ik.’

Ze vouwde vastberaden haar handen in haar schoot, zoals ze dat Moeder had zien doen, en zei: ‘Waar je ook heengaat, ik ga mee.’ Ze wist niet precies meer hoe Ruth het gezegd had in de bijbel, maar het was iets dergelijks.

‘Erg lief van je, maar daar is geen sprake van.’

‘Waarom niet? Ik...’

‘Geen sprake van!’ herhaalde hij. ‘Maar ik ben je dankbaar voor de gedachte.’

‘Waarom niet, Papa? Waarom kan ik niet mee?’

‘Om te beginnen ben je veel te jong.’

‘Te jong om je kleren te wassen en thee te zetten?’

‘Om zonder chaperonne de wildernis in te trekken,’ antwoordde hij, met een begin van korzeligheid.

Ze wist uit ervaring dat verder aandringen hem alleen maar koppiger zou maken. Ze hief haar gezicht op voor een kus, en zei: ‘Welterusten, Papa.’ Hij kuste haar. Ze glipte de kamer uit, het balkon op.

Haar plan was gemaakt. Ze moest iemand zien te vinden die met haar meeging. Tante Gulie zou het beste zijn, maar die was altijd bezig met zieke Indianen. Himsha? Ze kende haar nauwelijks. Er was er maar één, die in aanmerking kwam: Becky. Het vooruitzicht om met haar in de wildernis te moeten wonen was niet bepaald om van te gillen, maar als het alleen op die voorwaarde kon, vooruit dan maar. Ze haastte zich naar Becky's kamer, en vond haar voor de spiegel, bezig haar wenkbrauwen te epileren. ‘Becky! Becky! Vader gaat een plantage in de wildernis beginnen!’

Becky draaide zich met een ruk om. ‘Hè?’

‘Ik liep op het balkon een luchtje te scheppen en keek toevallig in Vaders kamer en daar zat hij, helemaal alleen en zo verdrietig dat ik naar binnen ging, en toen ik hem vroeg of hij ook bij Tante Grizzle ging wonen, zei hij nee, hij ging een nieuwe plantage beginnen achter de bergen, en toen ik zei dat ik met hem mee wou gaan, zei hij...’

Becky snelde het balkon op.

Ineens had Abby spijt. Wat stom van haar om het er uit te flappen! Nu ging Becky natuurlijk proberen Vader over te halen om alleen háár mee te nemen! Ze sloop haar achterna over het donkere balkon; toen ze bij het raam van Vaders studeerkamer kwam zakte haar mond open van verbazing. Want daar zat Vader met zijn gezicht in zijn handen te huilen, en Becky streelde zijn haar. ‘Joshua?’ hoorde ze Becky ongelovig vragen.

‘Ja, ja!’ snikte Vader. ‘Stel dat ze zwanger is? Wat moeten we beginnen?

[p. 210]

Wat moeten we doen?’

‘Kom,’ zei Becky op een volwassen manier, alsof ze zijn moeder was. ‘Maak je niet overstuur. God zal uitkomst geven.’

Wat betekende dit allemaal?

 

***

 

Gulielma Woodhouse was op het punt in slaap te vallen toen er op de deur geklopt werd. Ze riep onhartelijk: ‘Wie daar?’

Een bedeesde stem antwoordde: ‘Ik ben het, Tante Gulie: Becky. Doe alsjeblieft open, er is iets dringends...’

Gulielma zuchtte en knikte tegen Himsha, die de deur opendeed. Becky kwam binnen, haar boodschap dragend als een achtmaandse zwangerschap. Met haar bolle ogen en zwakke kin leek ze opvallend op haar overgrootmoeder, die bazige helleveeg. Gulielma kwam tot de ontdekking dat ze het kind niet mocht.

‘Vader wil je spreken, Tante Gulie; er is iets dringends, erg belangrijk...’

Aanstellerij! Maar fatsoenshalve kon ze de smeekbede niet negeren. Ze trok vermoeid de japon weer aan die ze van haar schoonzuster, Mary Woodhouse, geleend had om er als rouwdraagster passend uit te zien. ‘Ik ben zo terug, Himsha,’ zei ze tegen het Indiaanse meisje dat haar met een bezorgde blik zag weggaan. Er was werkelijk geen gevoeliger of tactvoller menselijk wezen dan een Indiaan.

Becky ging haar voor naar Bonny's studeerkamer; toen ze binnenkwamen stond hij op en greep haar hand. Even dacht ze dat hij die wilde kussen en stond op het punt hem weg te grissen, toen herinnerde ze zich dat ze vandaag een dame was, vermomd als Mary Woodhouse. ‘En, neef, wat kan ik op dit late uur voor je doen?’ vroeg ze. Het uur was niet zo laat, beneden waren de treurenden nog steeds bezig met glazen te rinkelen en met borden te kletteren ter ere van de doden.

‘Vergeef me, Gulie,’ zei Bonifacius, met gedempte stem. ‘Maar dit is van het hoogste belang.’

‘Voor de dag ermee.’

Hij schepte diep adem, en zei met moeite: ‘Zou jij bereid zijn naar het slavenkwartier te gaan om een meisje te zoeken dat Cleo heet, en haar mee te nemen naar het lazaret en ... en...’

‘En wat?’

De man toonde zich plotseling verlegen; ze had erop kunnen zweren dat hij bloosde. ‘En onderzoeken of ze zwanger is.’

Ze keek stomverbaasd van de een naar de ander. ‘Waarom?’

‘Alsjeblieft, Gulie, stel geen vragen!’

‘Het spijt me, Vriend,’ zei ze, zonder enige spijt in haar stem. ‘Ik ben bereid medische hulp te verlenen, maar je kunt niet van me verwachten dat ik een nietsvermoedend vrouwmens bij de kladden grijp en op de mat worstel om vast te stellen of ze virgo intacta is.’

[p. 211]

Vader en dochter wisselden een bezorgde blik. Ze moesten van de veronderstelling zijn uitgegaan dat zij zonder meer aan hun verzoek zou voldoen. Bonifacius aarzelde en zei: ‘Ik kan op je discretie rekenen, nietwaar Gulielma?’

‘Wie is de vader. Jij?’

Het leek of ze hem een klap in zijn gezicht had gegeven. ‘Ik?’ riep hij uit. ‘God sta me bij!’

‘Kom, kom; het zou de eerste slavin niet zijn die door haar eigenaar zwanger gemaakt is. Of is het Josh? Is dat de reden waarom je je plotseling geroepen voelde de slavernij af te schaffen?’

Bonifacius keek haar afkeurend aan. ‘Zeer zeker niet,’ antwoordde hij. ‘Maar als ze zwanger is, zal ik haar als mijn dochter aannemen en haar naar de wildernis meenemen.’

Ze had er spijt van de spot met hem te hebben gedreven; zijn onwereldsheid had iets indrukwekkends. ‘Is dat niet nogal drastisch?’ vroeg ze, vriendelijk. ‘Kan er niet een minder theatrale oplossing worden gevonden?’

‘Ik zou niet weten welke.’ Hij was zichzelf weer.

‘Is het nodig haar mee te nemen, de wildernis in?’

‘Ik wil niet dat mijn zoon zijn leven verknoeit vóór het goed en wel begonnen is. Niemand mag hier iets van weten, zelfs hij niet.’

Dus het was Josh, die verwende kleine gluiper. Hem moest zelfs bespaard worden te weten dat hij het slavinnetje een kind had gemaakt. ‘Ik betwijfel of je je zoon daar een dienst mee bewijst,’ zei ze. ‘Een man groeit naarmate hij zijn verantwoordelijkheden onder ogen ziet.’

‘Heel stichtelijk!’ bitste Bonifacius, ‘maar kijk eens naar Peleg Martin! De ellende met Medea! Als toen iemand moeder en kind had weggehaald, zouden al onze levens anders zijn gelopen. Mijn grootmoeder zou zich niet geroepen hebben gevoeld moeder en kind een tehuis te geven, Calebs leven zou niet in moord en zelfmoord zijn geëindigd. Eén zo'n vloek in onze familie is genoeg! Ik ben vastbesloten dat niemand, buiten ons drieën hier, ooit iets van het kind mag afweten, ook Joshua niet.’

Dit was nieuws voor haar. Ze had niet geweten dat Caleb een zoon was van Peleg en de dikke Mammy. Er scholen méér schuldige geheimen achter de uitgestreken Quaker-zedigheid dan ze vermoed had. ‘Vriend,’ zei ze, ‘een onderzoek van het negermeisje tegen haar wil is uitgesloten. Ik wil er met plezier naar toe gaan om haar te halen, dan kun je het haar zelf vragen.’

Ze wisselden ongeruste blikken. ‘Goed,’ zei hij, ten slotte. ‘Doe dat dan maar.’

‘Hoe heet ze?’

‘Cleo,’ zei Becky. ‘Zal ik met je meegaan, Tante?’ Ze liep al naar de deur.

Gulielma antwoordde haastig: ‘De negers zullen wel door het dolle heen zijn. Ik kan beter alleen gaan, zonder iemand van de familie erbij.’ Twintig

[p. 212]

minuten in een koetsje met Becky zou een beproeving zijn.

Toen ze tastend haar weg door de donkere gang zocht om Himsha te vertellen waar ze heen ging, dook er opeens een reusachtige schim voor haar op in het duister die uitriep: ‘Halt!’ Het was Bizon McHair. ‘Waar ga jij naar toe, Gulie?’

‘Gaat je geen donder aan,’ antwoordde ze, en ze glipte met ruisende rokken langs hem heen. Het was merkwaardig hoe gauw je weer in de rol terugviel, zodra je een jurk droeg. Ze liet dat bericht aan Himsha maar lopen.

‘Een afspraakje, hè?’ brulde hij haar na.

Ze verwaardigde zich niet te antwoorden, maar trippelde de trap af, hopend dat ze niet op de zoom van de rok zou stappen en een snoekduik maken. Buiten was het benauwd en warm. Ze vroeg zich af of ze niet beter terug kon gaan om zich te verkleden; zweetplekken onder de armen zouden de bombazijnen japon bederven. Maar dit moest dan maar Mary Woodhouses bijdrage tot het getuigenis van de familie Baker zijn.

Ze vond haar weg naar de stallen en zadelde haar oude Annie op, in het aardedonker. Toen ze probeerde in het zadel te klimmen ontdekte ze dat ze haar rok tot op haar middel zou moeten opstropen. Mopperend ontzadelde ze het beest weer en ging op zoek naar de ruin die bij de sjees hoorde. Ze vroeg zich af waarom de stalslaaf niet op kwam dagen met een lantaarn; toen herinnerde zij zich dat de jongen dood was. Plotseling ging de schuurdeur krakend open, een lantaarn scheen naar binnen en een jongensstem vroeg: ‘Kan ik je helpen, Tante Gulie?’ Het was haar neefje Joe.

‘Graag!’ riep ze uit. ‘Ik moet er met dit vehikel vandoor. Zou je het voor me willen inspannen?’

‘Natuurlijk,’ antwoordde de jongen gedienstig. ‘Wil je de lantaarn even vasthouden, Tante?’

Terwijl hij de sjees inspande hoorde zij in de verte trommels bonken.

‘Zal ik met je meegaan, Tante Gulie?’

‘Dank je, Joe, ik red 't wel.’ Ze klom, haar rokken onpreuts opgestroopt, in het koetsje.

‘Zo te horen zijn ze daar nogal luidruchtig. Zou ik toch maar niet meegaan? Mij vertrouwen ze; ik geloof dat ik de negers begrijp net als de Indianen.’

Dat was waar ook, hij was bij Zilverwolf op bezoek geweest. Ze was van plan geweest hem daarover uit te horen.

‘Misschien heb ik jouw gave wel om met Indianen om te gaan, Tante,’ ging hij verder.

De malle opmerking ontroerde haar toch. Wie weet, misschien had een van haar neven of nichten inderdaad de gave, of wat dan ook, geërfd die haar leven beheerst had. ‘Laten we daar morgenochtend over praten,’ zei ze. ‘Nu kan je beter opzijgaan; dit beest wordt ongeduldig.’ Het paard leek rusteloos en geprikkeld; het dribbelde en krabde.

[p. 213]

Joe duwde de staldeuren open; de ruin zette het op een lopen nog voor ze de teugels uit de war had. Ze schrok er even van, maar het werd al gauw duidelijk dat het dier de weg kende. De flakkerende lantaarn had weinig nut, behalve dat hij de nacht met dansende schaduwen vulde. Terwijl ze voorthotste werd het bonzen van de trommels luider tot het gekraak van de sjees en het ploffen van de paardehoeven erdoor overstemd werden. Er stond een rode gloed aan de hemel, als van een brand; toen ze op het erf van de factorij kwam zag ze dat het een vuur was; negers dansten eromheen en wierpen dingen in de vlammen. De meeste dansers waren naakt; wat ze in het vuur gooiden moesten hun slavenhemden zijn. Sommige dansers hadden hun lichamen met witte verf beschilderd; ze sprongen en klapwiekten in de vuurgloed rond als bizarre vogels. Gulielma sloeg hen met bezorgdheid gade. Zouden deze schepsels een onafhankelijk bestaan kunnen leiden, zodra de Bakers eenmaal waren vertrokken? Hoe lang zouden de eigenaars van de omringende plantages ze zo rond laten springen, spiernaakt, wild en woest? Bonifacius Bakers getuigenis leek plotseling wreed, alsof hij een kooi vol parkieten had opengezet en hen daarmee ter dood veroordeelde. Toen kreeg een van de feestvierders de sjees in het oog. Het was een lange, magere neger met een wit masker en witte verfstrepen op zijn armen en benen; zodra hij haar zag, slaakte hij een gil en wees naar haar. De dansers bleven staan, draaiden zich naar haar om; toen, krijtend en joelend, kwam de hele zwerm vogels, geraamten en spoken op haar toestormen. Het paard rees op zijn achterbenen en sloeg op hol.

Ze slaagde erin zich vast te klampen aan de bok van het wild slingerende koetsje. Het kon nog maar enkele seconden duren voor het zou omslaan; ze was nog nooit zo bang geweest. Ze lag op haar knieën, klampte zich aan de zitting vast, en slaakte zulke doordringende angstkreten dat het paard er nog schichtiger van werd. Toen verscheen er een schim naast het rijtuigje, iemand greep de teugels; de sjees kwam tot stilstand en ze zakte snikkend op de vloer. Een stem vroeg: ‘Gulie, ben je gewond?’ Ze werd opgetild; met een snik liet ze zich tegen de schouder van Bizon McHair vallen.

Het was een nieuwe ervaring; sinds ze een kind was had ze zich nooit meer zo laten gaan. De vrouw van wetenschap in haar sloeg haar fratsen gefascineerd gade terwijl ze jammerde, snikte, snot in Bizons baard wreef, met haar nagels in zijn wambuis klauwde; toen ze eindelijk tot bedaren kwam was de sjees weer in beweging. Het paard, dat zich kennelijk schaamde, liep op een sukkeldrafje naar huis; Bizons Indiaanse mustang draafde nerveus achter hen aan, de teugels aan de zitting vastgebonden. Uithuilen op Bizons schouder was nog tot daar aan toe, maar in haar huidige toestand kon ze de Philadelphiase Quakers niet onder ogen komen. Ze ging rechtop zitten en zei: ‘Dank je, Vriend. Dat was op het nippertje. Hoe kwam je zo in de buurt?’

‘Ik vroeg Joe Woodhouse waar je naar toe was en hij vertelde 't me,’ zei hij. ‘Hier, neem een slok, dat zal je goed doen.’ Hij bood haar in het donker een fles aan; als het die uit zijn heupzak was, kon ze het aanbod

[p. 214]

beter afwijzen.

‘Kom, je zult ervan opkikkeren.’

Ze aarzelde, pakte toen de fles aan. Er gutste meer vuurwater in haar mond dan haar bedoeling was geweest; het schroeide haar keel en viel als kokend lood in haar maag. Voor iemand met zo'n gevoelige spijsvertering was dit pure zelfmoord, maar het kokende lood verdoofde haar maag in plaats van hem te verbranden.

‘Hete bliksem!’ hijgde ze.

‘Hoe voel je je nu?’ vroeg hij.

‘Bizon McHair,’ zei ze, weer de oude, ‘de borrel die je me zo juist gaf is levensgevaarlijker dan wat er verder vanavond gebeurd is.’

Hij grinnikte. ‘Nou, je hebt me wel aan 't schrikken gemaakt. Wat moest je bij die negers, in die onmogelijke kleren?’

‘Laat me je vertellen dat deze japon aan de rijkste vrouw in Philadelphia toebehoort.’

‘Dat bedoel ik juist,’ zei hij. ‘De armste vrouw van de prairie staat het belachelijk.’

‘Geef op.’ Ze strekte haar hand in het donker uit. ‘Waar is die fles?’ Dit keer leek de drank niet op kokend lood maar op warme olie, die haar maag in een gloed van welbehagen zette. ‘Waar breng je me eigenlijk naar toe?’

Hij tuurde om zich heen. ‘Naar het kerkhof, zou ik zeggen.’

‘Aha!’ Ze hief een vinger op. ‘Als ik 't niet wist.’ De vrouw van de wetenschap rilde ervan, dit was erger dan haar slecht gespeelde hysterie van een paar minuten geleden. Ach, wat deed het er ook toe. ‘Geef me de fles,’ zei ze. ‘Dat spul sterkt m'n zenuwen.’

‘Je zenuwen zijn sterk genoeg. Ik ben niet van plan je het Huis binnen te dragen onder de ogen van al die koekeloerende Quakers.’

‘Bizon McHair,’ zei ze, terwijl ze zich tegen zijn schouder nestelde, ‘je bent een bullebak.’

Met gesloten ogen koesterde ze zich in de warme gloed van haar maag die al haar spieren scheen te ontspannen.

‘Arme Bonny,’ zei ze.

‘Ja, het ziet er inderdaad naar uit dat hij het doorzet,’ dreunde de zware stem.

Wat een borstkas! Het geluid weergalmde erin; ze werd zich er met ergernis van bewust dat ze zijn borst beluisterde als arts. ‘Hij is van plan de wildernis in te trekken, met één van zijn dochters nog wel. En er is nog een negerin bij ook.’

‘Een roekeloze onderneming.’

‘Ze zullen verkracht, geslacht en gescalpeerd worden voor ze bij de Wabash zijn. Maar hij is een heilige,’ voegde ze eraan toe. ‘En blijf met je klauwen van zijn getuigenis af.’

Het bleef even stil, toen zei hij: ‘Gulie, je bent niet dronken.’

Ze besloot zijn opmerking te negeren. ‘Ik breng hem tot aan de Ohio,’ zei ze. ‘Daarna zal hij voor zichzelf moeten zorgen.’

[p. 215]

‘Je gaat toch niet terug naar de prairie?’

‘Waarom niet?’

‘Dat weet je net zo goed als ik! Het gaat niet aan dat jij daar ronddoolt, terwijl het er wemelt van Indianen op het oorlogspad!’

‘Ik ben niet van plan te gaan ronddolen,’ zei ze, hautain. ‘Ik ga terug naar mijn stam.’

‘Je wat?’

‘Mijn Hunis. Mijn bloedbroeders.’

Weer bleef het even stil; toen zei hij kalm: ‘Gulie, ik smijt je nog liever in de rivier dan dat ik je onder al die Quakers in 't Huis loslaat.’

‘Toe maar. Eerst giet-ie me vol drank, dan ... Mannen! Da's wat ik nooit had moeten vertrouwen: mannen!’

‘Gulie?’ vroeg hij, streng. ‘Ben je werkelijk van plan je aan de Hunis uit te leveren?’

Even dacht ze erover hem te vertellen waarom: omdat ze sterven wilde tussen de oranje torens in de blauwe lucht, om de peyotl, die de angst voor de dood veranderde in een hunkering naar het diepblauwe meer van de hemel. Van alle mannen die ze kende was er niemand zo tactvol, wijs, discreet als Bizon, toch kon ze zich er niet toe brengen het hem te vertellen. Het was alsof het daardoor onvermijdelijk zou worden. Ze zei, zo maar: ‘Arme Himsha.’

Hij drong niet verder aan. ‘Ik geloof niet dat ze beklaagd hoeft te worden,’ zei hij luchtig. ‘Ik heb voor elkaar dat ze in Philadelphia kan blijven en naar de meisjesschool gaan. Misschien zou ze bij de Martins kunnen intrekken.’

Ze had geweigerd hem in vertrouwen te nemen, nu had hij zich teruggetrokken. Ze ging overeind zitten, haar wang koud na de warmte van zijn schouder. ‘Waar zijn we ergens?’

‘Op het kerkhof.’

Ze zag grafstenen in het donker en hoorde het gelispel van bomen in de wind. Het leek alsof er gestalten languit op sommige graven lagen.

‘Zeg maar tegen Himsha dat ze, als er problemen zijn, naar Joe Woodhouse moet gaan,’ zei ze.

‘Waarom Joe Woodhouse, in vredesnaam?’

‘Omdat hij de Indianen begrijpt. Laten we teruggaan.’

Hij klapte met de teugels en ze reden weg. Ze dacht pas weer aan het slavinnetje dat ze zou zijn gaan halen toen de lichten van het Huis in zicht kwamen. ‘Nu ja,’ dacht ze, ‘ik zal tegen Bonny zeggen dat ik er morgenochtend wel naar toe ga.’

 

***

 

Hanna Martin wachtte tot het koetsje weg was, voor ze zich durfde te bewegen. Intussen scheen iets, buiten haar wil om, beslist te zijn. Tot het koetsje haar dwong om daar doodstil te blijven liggen, had ze maar één

[p. 216]

oplossing gezien: zich bij Caleb te voegen door de hand aan zichzelf te slaan en daarmee zelf in de hel te belanden waar zijn hulpeloze, angstige ziel nu ronddoolde. Maar het begrip ‘hel’ bestond niet voor de Quakers; die erkenden geen andere hel dan wat de mens zelf van zijn leven maakte. In die zin had Caleb het grootste deel van zijn leven in de hel vertoefd; misschien was hij nu vrij: niet alleen verlost van zijn sterfelijk omhulsel, maar ook bevrijd van zijn pijn, en uitgevaren op de oneindige oceaan van licht en liefde waaruit hij tot haar gekomen was. O, Caleb, Caleb ... Maar dat mocht niet, dat zou hem van streek maken, waar hij ook was. Het Quaker-geloof zei dat ze nu moest trachten van zijn dood en zijn lijden een inspiratie voor anderen te maken; maar haar hart, haar arme hart kon zich niet boven dit zelfzuchtige verdriet verheffen.

Ze kon beter naar het Huis teruggaan, voor ze haar begonnen te zoeken. Ze kwam moeizaam overeind, haar oude gewrichten waren niet meer zo lenig als vroeger. Ze zette haar muts recht, pakte haar reticule; toen ontdekte ze dat ze niet alleen was.

Op een graf, een eindje verderop, lag een donkere gedaante. Ze kwam behoedzaam naderbij, bang de rouwende te storen, en zag dat het een vrouw was. Het graf lag in de slavenafdeling; het moest een negerin zijn. Het moest het graf zijn van de jongen die door Caleb was gedood.

Ze kon zich niet bedwingen; ze strekte haar hand uit en raakte de schouder aan van de gedaante in het donker. De vrouw sprong overeind met een plotselinge, lenige beweging als een dier; ze besefte dat de onbekende op het punt stond haar naar de keel te vliegen.

‘Wees niet bang,’ fluisterde ze. ‘Ik ben Calebs moeder. Het spijt me, het spijt me zo vreselijk...’

Er kwam geen antwoord; dit kon niet de moeder van de arme jongen zijn. Dit was een jonger iemand, niet vervuld van verdriet maar van haat. Misschien was ze de verloofde van de jongen, misschien hadden ze op het punt gestaan te trouwen. Toen kwam ze opeens op een gedachte. ‘Ben je zwanger, Liebchen?’ vroeg ze.

Het meisje in het donker sloeg de handen voor het gezicht; Hanna hoorde het geluid van een snik.

Het ontroerde haar diep. Ze legde haar arm om de schouders van het huilende meisje en zei: ‘Kom, Liebchen, kom ... We moeten hier niet blijven. Kom mee, laten we naar huis gaan.’

Ze had het niet verwacht, maar het meisje gaf toe. Met grote tederheid leidde ze haar, schuifelend in het donker, naar het Huis.

 

***

 

Becky stond in de vestibule toen Hanna Martin binnenkwam met haar arm om Cleo's schouders. De moed zonk haar in de schoenen. ‘Goedenavond, Cleo,’ zei ze, dapper.

De oude Hannafluisterde: ‘We moeten iets voor haar doen, ze is zwanger.’

[p. 217]

‘Dank je, Tante Hanna,’ zei ze, moe. ‘Kom, Cleo, we gaan naar boven. Je kunt vannacht bij mij slapen, en bij Abby.’

Ze wachtte niet op Cleo's reactie; met een autoriteit die iedereen scheen te overtuigen behalve haarzelf, nam ze het meisje bij de hand. De hand was klam; de aanraking bezorgde haar kippevel. Ze kon het niet verhelpen dat ze dacht: ‘Dit is de hand van een andere diersoort.’

Ze mompelde een paar vriendelijkheden terwijl ze de trap opliepen; voor de deur van haar slaapkamer kwam ze tot de slotsom dat Vader haar eerst zien moest.

‘Kom,’ zei ze, vriendelijk, maar met het soort vriendelijkheid waarmee ze tegen paarden sprak. ‘Laten we eerst even naar mijn vader gaan. Deze kant op.’ Ze greep de klamme hand weer en troonde Cleo mee naar de studeerkamer, en klopte aan.

‘Ja!’

Ze zag Vaders gezicht verstrakken toen hij Cleo herkende. ‘Kom binnen,’ zei hij; Becky begreep dat ook hij besefte dat de beslissing niet langer in hun eigen handen lag.

‘Tante Hanna bracht Cleo mee, omdat zij verzorging nodig heeft. Ze schijnt zwanger te zijn.’ Ze wendde zich tot Cleo. ‘Is dat niet zo?’

Het meisje knikte. Iets in haar houding deed Becky haar voor het eerst als een eenzaam mens zien. Er was een vreemde waardigheid in dat zwarte gezicht, de manier waarop ze haar hoofd opgeheven hield. Cleo had op dat moment niets van een slavin of bediende.

‘Is het waar, Cleo?’ vroeg Vader vriendelijk.

De donkere ogen van het meisje namen hem op. De manier waarop ze hem aankeek vervulde Becky plotseling met angst: Cleo keek Vader aan als een vrouw die een man taxeert, zoals ze Josh moest hebben aangekeken ... O God, dat niet! Ze wendde zich af, ontsteld over haar eigen gedachten.

‘In dat geval, mijn deerne,’ zei Vader, op de enigszins hoogdravende toon die hij zelfs nu niet kon laten varen, ‘nodig ik je hierbij uit met ons mee te gaan naar de wildernis. Niet als bediende, maar als lid van ons gezin.’

Opeens vond Becky zichzelf verschrikkelijk naïef. Hoe had zij zo rustig kunnen aannemen dat Cleo haar eigen mensen zou willen verlaten, juist nu Vader hun de vrijheid geschonken had? Waren zij zich werkelijk bewust van het goddelijke in Cleo, haar Innerlijk Licht, tederheid, deernis, liefde? Zij mochten haar alleen meenemen als ze haar inderdaad als gelijke aanvaardden. Het moest een nieuw Heilig Experiment worden, de noodzakelijke aanvulling op het vrijlaten van hun slaven.

‘Kom, Cleo,’ zei ze, terwijl ze opnieuw de klamme hand in de hare nam. ‘Morgen praten we verder; voor vandaag is het genoeg. Kom, naar bed.’

Voor ze de deur achter hen dichtdeed glimlachte ze Vader toe; haar hart brak toen ze zijn gezicht zag. Het zou zijn nacht in de Hof van Gethsemane worden, en er was niets dat zij kon doen om hem te helpen. Ze had het zelf beseft, toen ze door het gangpad liep na de Mannenvergadering te hebben toegesproken: met God gaan betekende alleen gaan.

terug  begin  verder