O, die slimme Woodhouses! Toen Isaac, een week later, in de zakenvergadering voorstelde dat Bonifacius Baker zich even in een zijkamer zou afzonderen aangezien een kwestie die hem betrof aan de Vergadering zou worden voorgelegd, vermoedde Jeremia al dat hij niet veel goeds in de zin had. Na zijn eerste ootmoedige woorden was hij er zeker van. Hij keek naar de gezichten van die leden van de Vergadering bij wie, ondanks alle vrome principes van eensgezindheid, de beslissende macht berustte. Kon het zijn dat het hele geval vooraf beraamd was door de Quaker-prinsen? De slavernij als instituut was de hoeksteen van hun rijkdom. Echt bedreigd was die nog nooit, ondanks de jaarlijkse protesten van afschaffers die zelf geen slaven hielden. Thans was een van hun eigen mensen bezweken onder de last van zijn Quaker-geweten. Het kon haast niet anders dat zij, hoe discreet dan ook, korte metten met hem zouden maken. En Isaac zou Isaac niet zijn als hij de situatie niet ten eigen bate zou uitbuiten.
‘Evenals jullie allen,’ begon Isaac, ‘ben ik diep onder de indruk van Bonifacius Bakers getuigenis. Volkomen terecht kwam hij tot de conclusie dat als hij zijn slaven zonder meer de vrijheid zou geven hij de weerloze schepsels zou overleveren aan de hebzucht van andere gezindten. Verdeling van zijn land onder zijn slaven was de logische conditie voor hun vrijlating. Er is echter’ - Isaac glimlachte minzaam - ‘een andere kant aan deze zaak. De nakomelingen van Bonifacius en Beula Baker: een jongen, Joshua, twee meisjes, Rebekka en Abigail, alle drie bij geboorterecht leden van deze Vergadering, geen van drieën oud genoeg om zelf over deze verstrekkende kwestie te beslissen. Laten we er geen doekjes om winden, Vrienden: hun erfenis loopt gevaar. Het is nobel om je slaven in vrijheid te stellen, maar als Quaker mag je in kwesties als deze niet alleen met je eigen geweten rekenen. De kinderen hebben ook hun rechten; hun vaders offer komt, in feite, neer op een door hen te brengen offer, vóór ze op de leeftijd zijn om zelf te beslissen. Het is de plicht van deze Vergadering hun belangen te beschermen; laat ons daarom overwegen of er aanleiding bestaat een commissie uit ons midden te benoemen die hun aandeel in het bezit van hun vader in beheer zou nemen tot zij meerderjarig zijn. Mocht de Vergadering daartoe besluiten, dan zal ik daar graag mijn krachten aan wijden.’
Met deze laatste suggestie kwam de aap uit de mouw; Jeremia begreep nu waarom Isaac Josh Baker een deelgenootschap in het Woodhouse-concern had aangeboden en hem ter voorbereiding daarvan ging uitzenden om een reis door Europa te maken. Becky Baker, voorbestemd om met Isaacs zoon
Joe te trouwen, zou haar aandeel in de Baker-plantage als bruidsschat meebrengen; de belangen van Abby zou de Vergadering zonder twijfel eveneens aan de hoede van de onbaatzuchtige Isaac toevertrouwen. Het was, niettegenstaande alles, bewonderenswaardig; andermaal liet het Quakerschipperaarstalent zich gelden - al had dat weinig meer te maken met het oorspronkelijke talent, belichaamd door George Fox en Margaret Fell. Als een geestelijke macht scheen de Quaker-beweging te hebben afgedaan; wat overbleef was een politieke macht die ongetwijfeld de Provinciale Raad zou blijven domineren, en daarmee de toekomst van Pennsylvanië. Het zou beter zijn dan die toekomst in handen te geven van de puriteinen in de bergen of de landeigenaren in het dal; voor de slaven was een Quakeroverheersing het minste van twee kwaden.
Israel Henderson stond op en schaarde zich achter Isaacs voorstel met nog meer vrome woorden over de noodzaak jonge mensen te beschermen met de beschuttende armen van het Genootschap der Vrienden; na Israel stond Peleg Martin op, de fanatiekste anti-afschaffer van allemaal, en begon, met krakende stem: ‘Vrienden, laat ons nog eens de kern in ogenschouw nemen van het probleem dat we hier bespreken: zijn negers menselijke wezens? Hebben zij een ziel? Zo ja, dan is het duidelijk dat zij niet als veebezit kunnen worden behandeld. Echter! Zij zijn geen mensen!’ De oude man was ongevoelig voor de apathie die zich meester maakte van de Vergadering die dit alles al honderd maal eerder had gehoord. ‘Het spijt me,’ vervolgde hij, ‘dat het mij onmogelijk is die mening te herzien, ondanks Bonifacius Baker. In het verleden is Vriend Bonifacius het eens geweest met ons slavenhouders, nu, opeens, laat hij ze vrij.’ Hij keek rond. ‘Vrienden, ik ben een oud man. Ik heb van mijn leven maar weinig mensen gezien die werkelijk in de kracht Gods waren. Ik ben ervan overtuigd dat Bonifacius Baker, door zijn slaven de vrijheid te geven en zijn bezit onder hen te verdelen, een toekomst tegemoetgaat die zo hard is als een muur. Maar ik twijfel er niet aan dat hij, door dit te doen, gehoor heeft gegeven aan het goddelijke in zichzelf, in zijn kinderen en, ja, ook in zijn slaven.’
De pen viel uit Jeremia's hand. De stilte in de zaal was zo diep dat het zacht gebons van vliegen tegen de vensterruiten hoorbaar werd. De oude man keek om zich heen. ‘Betekent dit dat ik van gedachten veranderd ben? Nee. Ik kan mijn levenslange overtuiging niet veranderen. Ik ben oud, mijn denken is verstard. Voor mij zullen negers nooit mensen zijn. Maar Bonifacius Baker heeft mij ervan overtuigd dat God ze wel als mensen beschouwt, en ik heb besloten God niet langer in de weg te staan.’ Er kwam beroering onder de prinsen; Isaac fluisterde iets tegen Israel Henderson. Peleg ging door: ‘Daarom kan ik mij niet met Isaac Woodhouses voorstel verenigen. Als wij zo bezorgd zijn voor de kinderen van Bonifacius en Beula Baker, dan staat ons maar één weg open: het de kinderen zelf vragen. Hun leeftijd, onze eigen notie van wat verantwoordelijk is of verstandig of voorzichtig doen er niet toe. We moeten hun vragen wat ze willen, en ons neerleggen bij wat het Licht hen doet besluiten.’ Hij ging zitten.
Minutenlang verroerde niemand zich. Jeremia besefte dat dit het ogenblik van waarheid was, waarin het Genootschap der Vrienden eindelijk zou moeten kiezen tussen de Beginselen en politieke macht. Wat iedereer verbijsterde, hemzelf inbegrepen, was dat de beslissing hun werd opgedron gen door de halsstarrigste van alle voorstanders van de slavernij.
Isaac Woodhouse stond op om de uitdaging te beantwoorden. Hij straalde zelfvertrouwen uit. ‘Voor we Vriend Pelegs raad opvolgen en kinderen raadplegen, moeten wij even stilstaan bij de gevolgen van een dergelijke stap. Ik wil er niet op wijzen dat Vriend Peleg zelf geen slaven meer houdt ik doe dat zelf ook niet, zodat de Vergadering kan aannemen dat we allebe uit principe spreken, niet uit eigenbelang.’ Dat was onjuist, dacht Jeremia Isaacs eigenbelang was er duidelijk bij betrokken. ‘Laat mij man en paarc noemen. Wat zijn de consequenties als deze Vergadering zich met Peleg Martin eens zou verklaren dat de neger mens is, zo niet in onze ogen, dar in de ogen van God? Als godvrezende lieden zouden wij onze onvolmaakte wijsheid ondergeschikt moeten maken aan de wijsheid van het Innerlijk Licht. Dat zou betekenen dat wij de slavernij als een kwaad aanvaardden, er wij zouden ons gedwongen zien daarnaar te handelen. Wij kooplieden, die ons leven hebben gewijd aan de zaken van deze Staat, weten dat het zonden slavernij met onze welvaart gedaan zal zijn. Als wij Pelegs raad opvolgen laten wij daarmee drie kinderen niet alleen over hun eigen lot beslissen, hetgeen nog te verdedigen zou zijn, maar over de rol van het Genootschap der Vrienden in de politieke structuur van Pennsylvanië. Als wij vinden dat de toekomst van Pennsylvanië aan drie kinderen kan worden overgelaten, het zij zo; maar volgens mij zouden wij, na de kinderen te hebben aangehoord, dit probleem gemeenschappelijk voor God dienen te brengen. Pas dan zullen we een waarlijke leiding krijgen: als Vergadering.’
Hij ging zitten. Opnieuw viel er een stilte; ongemerkt veranderde de zaken vergadering in een samenkomst. Toen stond Israel Henderson op. ‘Ik vraag me af of over deze belangrijke kwestie niet door de voltallige Vergadering dient te worden beslist, in plaats van door de helft van de leden. Ik stel voor de tussenwand op te halen en de vrouwen uit te nodigen samen met ons te zoeken naar de waarheid.’
Jeremia kon zich geen precedent herinneren; het schot tussen de twee Vergaderingen werd alleen voor de samenkomst opgehaald. Op Rhode Island was het opgehaald voor de Vergadering tot een beslissing kwam óf zich aan het beginsel van de geweldloosheid te houden, óf zich gewapenderhand te verdedigen tegen de Indianen in de oorlog die anderen hadden uitgelokt. Hij werd zich ervan bewust dat aller ogen op hem als klerk gericht waren; hij zei: ‘Mag ik de leiding van de Vergadering vernemen omtrent Vriend Israels voorstel de scheidingswand op te halen?’
Verscheidene stemmen zeiden: ‘Ik verenig mij ermee.’
‘Mag ik in dat geval om een afgevaardigde verzoeken?’
‘Ik wil wel gaan,’ zei Joe Woodhouse.
Jeremia keek om zich heen; toen er geen protesten kwamen, besloot hij:
‘Joseph Woodhouse is aangewezen als afgevaardigde naar de Vrouwenvergadering.’
Philip Howgills pen kraste in de stilte bij het schrijven van de notule.
***
Becky was met haar gedachten zozeer bij Cleo, die naast haar zat in de Vrouwenvergadering, dat ze het verloop niet volgde. Het was háár besluit geweest Cleo mee te nemen; maar nauwelijks waren zij en Abby met haar achter in de zaal gaan zitten, of ze vroeg zich af wat ter wereld haar ertoe gebracht had. Niet dat Cleo er onpresentabel uitzag; in een van haar eigen japonnen was het meisje een verrassend statige verschijning. Wat Becky zorgen baarde was de vraag die bij haar was opgekomen zodra zij waren gaan zitten: welk nut kon het voor Cleo hebben om deze eindeloze discussie bij te wonen, over bibliotheken die op wereldse boeken moesten worden onderzocht, openluchtmaaltijden die gearrangeerd moesten worden als het weer zich goed hield, het verbieden van bals? Ze zag dat Abby, aan de andere kant van het negermeisje, in haar neus zat te peuteren; ze siste haar zusje een vermaning toe. Toen ging plotseling de deur open. Tot haar verbazing kwam Joe binnen, kennelijk met een boodschap van de mannen. Hij ging naar zijn moeder toe, die als klerk presideerde, en fluisterde haar iets in het oor. Ze knikte en hief haar hand op om Bathsheba Moremen tot zwijgen te brengen, die al tien minuten aan het oreren was over de deugd van beknoptheid.
‘De Mannenvergadering vraagt of de scheidingswand kan worden opgetrokken,’ zei Mary Woodhouse, ‘aangezien zij beraadslagen over een kwestie waarover ze ons wensen te raadplegen. Is de Vergadering bereid dit verzoek in te willigen?’
De Vergadering was dat, met nauwelijks onderdrukte opwinding. Joe ging terug om hun antwoord over te brengen; even later rees de scheidingswand hortend en krakend omhoog. De vrouwen rekten de hals om naar de mannen te kijken, die deden alsof er niets ongewoons gebeurde; toen eindelijk het gepiep en geknars ophield, vroeg Oom Jeremia hoffelijk aan Mary Woodhouse of hij het voorzitterschap mocht overnemen. Mary knikte instemmend.
‘Vrienden, op verzoek van de Mannenvergadering zijn we nu in volledige zitting bijeen,’ begon Oom Jeremia. ‘We hebben dit verzoek gedaan omdat we op het punt staan de kinderen van Bonifacius en Beula Baker een ernstige vraag voor te leggen.’
Becky zat verstomd. Wat betekende dit? Ze zocht naar Vader, maar zag hem nergens. Moeder zat een paar rijen voor haar, maar keek niet om; ze had er waarschijnlijk geen woord van verstaan.
‘De Mannenvergadering heeft beraadslaagd over haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de kinderen,’ vervolgde Oom Jeremia, ‘in verband met hun vaders besluit zijn slaven in vrijheid te stellen en zijn bezittingen
onder hen te verdelen. Het was de leiding van de Mannenvergadering dat we de mening van de kinderen over deze kwestie moesten vernemen voor wij, gezamenlijk, deze beslissing voor God brengen. Laat mij de kinderen uitleggen waar het om gaat...’
Hij vervolgde over de ernstige consequenties van Vaders handelingen, niet alleen voor de toekomst van zijn kinderen maar voor die van de Staat Pennsylvanië. Toen de volle betekenis van de manoeuvre tot haar doordrong, begon Becky te beven van woede. Hoe durfden ze zich te bemoeien met een beslissing die zo persoonlijk was? Het was onzin om te beweren dat dit in haar belang was en in dat van Joshua en Abby; een kind kon zien dat zij hun welvaart bedreigd achtten: niet door Vader, maar door hun eigen slechte geweten. Vader door middel van zijn eigen kinderen een halt toeroepen! Het was zo'n schandalige poging, dat ze ziedde van verontwaardiging. Was het Quakerisme zo diep gezonken? Mocht het goddelijke in Vader, in haarzelf, dat hen ertoe gedreven had ongeacht de gevolgen Zijn leiding te volgen, geweld worden aangedaan door de Vergadering, hun zogenaamd gemeenschappelijk Innerlijk Licht? Het was niet hun Innerlijk Licht, maar hun eigenbelang! Ze galmden iedere zondag over de noodzaak om zich aan het Licht te onderwerpen, zij smeekten God om hen op de proef te stellen; maar ze wilden niet op de proef gesteld worden, ze wilden een behaaglijk leventje leiden, meer niet!
‘Willen de kinderen Baker zo goed zijn voor de Vergadering te verschijnen?’
Het drong tot haar door dat iedereen naar hen keek; plotseling wist ze wat ze moest doen. Ze zei tegen Abby: ‘Neem haar hand!’ Ze ging staan, trok de anderen mee; hand in hand liepen ze met Cleo door het gangpad naar het podium.
Onder het lopen begon ze te twijfelen. Wat zou Joshua ervan denken? Wat gaf haar het recht dit voor Cleo te beslissen? Nadat ze gedrieën op het podium waren geklommen en zich met hun gezichten naar de menigte opstelden, kreeg ze het opeens te kwaad. Wat had haar bezield? Ze probeerde Vader, Moeder te vinden in die zee van gezichten, maar ze vond geen van beiden. Toen ontdekte ze Joe Woodhouse die naar haar omhoog zat te staren; ze herkende de jongen naast hem, met zijn hoofd in zijn handen: Joshua. Het besef dat ze tegenover een zee van afkeuring stond maakte dat ze haar ogen sloot in een gebed om hulp. Toen hoorde ze het geluid van een massale beweging, alsof een reusachtig, slapend dier zich op de andere zijde draaide. Ze opende haar ogen en zag dat beide Vergaderingen waren opgestaan.
Verbijsterd voelde zij wat iedereen in de stille zaal op dat ogenblik voelde: de ondefinieerbare, maar onmiskenbare Tegenwoordigheid.