De driemastbark Margaret Fell, met bestemming Kingston, Barbados, Bermuda en Londen, voer de rivier de Delaware af. Aan dek, roerloos te midden van de bedrijvigheid van de matrozen, stond een jongeman met een Quaker-hoed naar de wal te staren. De kapitein, die deze op het laatste moment aan boord gekomen extra-passagier enigszins onhoffelijk had ontvangen, zag zijn kans om het goed te maken; de jongeman was toekomstig deelgenoot in de firma.
‘Nou, meneer Baker, daar gaan we dan!’ zei hij met gemaakte joligheid. Afvaarten stemden hem altijd somber, tot zij Kaap May rondden.
De jongeman keek hem aan met de droefgeestigheid van een verregend paard. ‘Inderdaad,’ zei hij.
‘We passeren zo dadelijk het eiland van uw vader. Duivels gevaarlijke plek, weet u, met die rots, een bezoeking voor de zeeman!’
‘Het spijt me dat te horen.’
Ai, die Quakers hadden allemaal even lange tenen. ‘Het was niet mijn bedoeling op uw bezit af te geven, meneer Baker,’ zei de kapitein met een lachje, terwijl zijn handen op zijn rug elkander wurgden. ‘Het moet een gezegend plekje zijn om te wonen.’
‘Dat was het inderdaad,’ zei de jongen.
Dat was waar ook: de vader van de jongen had het eiland aan zijn nikkers gegeven! Hoe had hij dat kunnen vergeten? Altijd hetzelfde met zo'n afvaart, veel te veel aan zijn kop. ‘Ik heb vernomen van uw vaders prachtige getuigenis. Prachtig, prachtig. De hele haven is er vol van. Hij geeft ons allemaal een voorbeeld. Iets vreselijks, die slavernij. U moest de schepen zien waarmee de arme donders uit Afrika worden overgebracht. Ik moest er van braken toen ik...’ Hij hield zich in. Onvoorzichtig, herinneringen te gaan ophalen aan zijn dagen als matroos op een slavenschip. Het waren wilde dagen geweest, waarin hij dingen had gedaan die hij zich beter pas herinneren kon nadat zij Kaap May gepasseerd waren. ‘Nou, ik moest maar weer eens aan het werk gaan, meneer Baker. Zodra u zin krijgt in een glaasje madeira, in mijn hut, dan zegt u het maar. Ik ben op de kampanje.’ De kapitein draaide zich om en beende naar het achterdek, kijker onder de arm, driekante steek op zijn voorhoofd om zijn ogen tegen de ochtendzon te beschutten.
Joshua vond het een opluchting; hij kon op dit moment geen gezelschap verdragen. Hij staarde naar de bocht in de rivier waar de noordpunt van het eiland nu ieder ogenblik in zicht kon komen. Het was allemaal te snel
gegaan: het besluit om de wereldreis te maken, het aanschaffen van zijn uitrusting, de instructies van Oom Isaac en Neef Abe, het afscheid van zijn familie; een chaotische stortvloed van gebeurtenissen die nu, plotseling, tot rust was gekomen. De toekomst leek opeens een troosteloze leegte. Hij had zijn wortels doorgesneden en dreef nu weg in het niets. De oude Joshua Baker, de jongen die op het eiland Eden had gewoond, was dood. Weg waren de akkers waar hij als kind gespeeld had, de kleine wildernis waar hij als jongen zijn eerste aanval op Cleo had gepleegd. Geen uitbundige familie meer met haar pret en ruzies, geen kast meer vol kinderkleren en speelgoed, geen stallen meer waar hij met Harry gespeeld had, twee kleuters die elkaar armenvol hooi toegooiden. Opeens hoopte hij dat het eiland maar in mist gehuld zou zijn en dat het schip er snel, als in een wolk, aan voorbij zou glijden.
Maar toen ze de bocht rondden, gestuwd door de stroom, lag het daar in vol zicht: groen en weelderig, de kruinen van de kastanjebomen glinsterend in de zon, de schoorstenen van het Huis er bovenuit. Toen het Huis zelf in zicht kwam, de zuilengevel, het gazon, wist hij dat zijn vlucht een vergissing was.
Ze kwamen ter hoogte van Altaar Rots. Hij had de opwelling overboord te springen en naar het eiland te zwemmen; maar als hij aan wal zou waden zou hij het Huis in wanorde vinden, alle meubelen van hun plaats, opgestapeld in de vestibule voor de komende vendutie. Hij zou dat niet kunnen aanzien; hij wilde zich het Huis herinneren zoals het geweest was.
Toen de zuidelijke punt van het eiland in zicht kwam, de kleine wildernis, zag hij het eerste teken van leven: de eenzame gestalte van een negerin. Hij slenterde naar de kapitein die wijdbeens op het achterdek stond en vroeg: ‘Zou ik je kijker even mogen lenen, Vriend?’
‘Natuurlijk, meneer Baker.’
Hij zette de telescoop aan zijn oog en probeerde die op het eenzame figuurtje in te stellen. De kapitein zei: ‘Laat mij u even helpen, meneer.’ Hij stelde de telescoop in, en, plotseling, daar stond ze, scherp en duidelijk: op het strand van de kleine wildernis, starend naar het langsvarende schip. Was het Cleo? Het was te ver weg om haar te kunnen herkennen. Hij werd overweldigd door heimwee, niet naar haar omhelzing maar naar die eerste nacht, toen hij gedroomd had over een andere toekomst: een boerderij in de wildernis, kinderen, hun leven een Quaker-getuigenis van liefde en menselijke waardigheid. Hij wilde haar toewuiven, ofschoon hij er geen idee van had wie het was, maar de aanwezigheid van de kapitein weerhield hem. Hij gaf de telescoop terug en zei: ‘Vriend kapitein, je stelde daarnet voor een glas madeira te drinken. Ik geloof dat we dat maar eens moesten doen.’
‘Welzeker,’ zei de kapitein, met een brede glimlach. ‘Robotham, neem over, als je wilt. Roep me als we Newcastle naderen.’
‘Aai, aai, kapitein.’
‘Kom, meneer Baker,’ zei de kapitein, een arm om Joshua's schouders. ‘Denk om uw hoofd.’
Joshua bukte door de lage deuropening de kapiteinshut binnen.
***
Joe Woodhouse was diep ontsteld. Hij had verslag uitgebracht aan de Commissie voor Indiaanse Zaken over zijn onderhoud met Zilverwolf en de wanhopige situatie beschreven waarin de Delawares zich bevonden. Hij had de Commissie op de hoogte gesteld van zijn belofte dat de Quakers de Delawares zouden helpen met een school voor hun kinderen op voorwaarde dat zij een oorlog zouden vermijden door zich in de prairie terug te trekken. Tot zijn verbijstering werd hij op zijn nummer gezet. Niemand zei ronduit dat het niet op zijn weg had gelegen de Vergadering tot iets te binden zonder uitdrukkelijke instructies, maar de hele zaak werd aangehouden tot, zoals Oom Jeremia zei, de Vergadering leiding zou hebben ontvangen. Joe vertrok, volkomen van streek. Er was niemand bij wie hij zich kon beklagen, zelfs zijn vader niet, die beleefd luisterde maar niet reageerde op zijn voorstel Zilverwolf een lening te geven, ook al zou een aftocht van de stam naar het westen betekenen dat de Delawares voorgoed afstand deden van Altaar Rots als heiligdom. Abe noemde tenminste man en paard. ‘Hoor eens,’ zei hij, ‘waarom zouden we de man geld lenen, als hij tóch van plan is weg te trekken met zijn stam?’
Niemand scheen te beseffen hoe belangrijk het was dat de Vrienden een concreet teken van steun gaven; niemand zag in dat het anders alleen maar een kwestie van tijd zou zijn voor de Delawares naar de Fransen zouden overlopen. Het was alsof de Indianen beschermen door ze in hun huizen op te nemen een soort zoenoffer was geweest, dat iedereen de vrijheid had verschaft zich weer aan zijn eigen zaakjes te wijden. Joe had de indruk dat niemand voorlopig het woord ‘Indianen’ meer wenste te horen.
Het was in een sombere gemoedstoestand dat hij zijn vaders uitnodiging aannam om mee te gaan naar het eiland Eden, waar de inboedel van het Huis geveild zou worden. Toen ze bij de herberg tegenover het eiland kwamen werd hij verrast door het grote aantal koetsen, rijtuigjes, brikken en sjezen, die in een dubbele rij langs de rivieroever geparkeerd stonden. De koetsier van de Hendersons ried hen aan hun koets hier te laten staan, anders zouden ze lang moeten wachten voor ze terugkonden, daar de veerboot maar één rijtuig tegelijk kon overzetten. Ze volgden zijn raad op en luidden de bel voor de pont; even later maakte het logge vaartuig zich van de oever van het eiland los en kwam met een lange bocht stroomafwaarts van Altaar Rots naar hen toeschuiven. Opeens had Joe het gevoel van een beslissend ogenblik, alsof een hoofdstuk van zijn leven werd afgesloten. Becky en hij zouden elkaar waarschijnlijk nooit meer zien; haar besluit om met haar vader mee te trekken maakte, zij het stilzwijgend, een eind aan hun verloving. Wrange gedachte: zij hadden voortdurend ruzie gemaakt over zijn afhankelijkheid van zijn vader, nu was zij het die niet zonder haar vader bleek te kunnen leven.
Toen zij er aankwamen was de vestibule stampvol leden van de Vergadering; de veilingmeester, een Vriend die Hazeman heette, was bezig het bieden op te drijven met een radde, zangerige stem die hoger van toon werd naarmate de bedragen stegen. Er werd op dat moment de gangklok geveild; Joe kende hem goed. Toen hij het cijfer ‘negentien’ hoorde, viel zijn mond open van verbazing. Negentien pond sterling voor dat gammele ding? Met een carillonkamrad dat minstens vijf tanden miste? Toch riep iemand uit het publiek: ‘Twintig!’
‘Twintig pond, twintig pond, twintig pond!’ zong Vriend Hazeman. ‘Iemand anders, iemand anders? Een prachtig uurwerk, in Londen vervaardigd, tegen hoge kosten overgebracht, een kostbaar erfstuk, biedt iemand eenentwintig, biedt iemand eenentwintig?’
‘Eenentwintig!’
‘Eenentwintig ik hoor eenentwintig wanneer hoor ik tweeëntwintig tweeëntwintig?’ Hazeman keek rond, de hand opgeheven. ‘Iemand tweeëntwintig iemand tweeëntwintig?’
Daar riep Israel Henderson: ‘Tweeëntwintig.’
De oude klok werd uiteindelijk verkocht voor zevenentwintig pond, twintig te veel. Toen een wiebelende eetkamertafel met vijf stoelen voor drieëntwintig pond werd verkocht, begreep Joe wat er gaande was. Bonifacius Baker had geld nodig om karren, paarden en gereedschap te kopen; dit was hun manier om hem discreet te helpen. Het was ontroerend, maar toch een trieste belevenis. Joe zag Becky met haar moeder en Abby op enige afstand van de drom zitten; zij hadden kennelijk moeite hun tranen in te houden. Toen er een schrijfbureau geveild werd, bedekte Becky haar gezicht met haar handen, en Joe begreep dat dit het bureau was waarin de dagboeken waren gevonden die aanleiding waren tot het getuigenis van de man, die al zijn bezittingen had opgeofferd voor zijn slaven. Wat een moed moest er voor nodig zijn geweest om tot dit besluit te komen! Misschien verdiende Tante Beula nog meer bewondering, die met een strak gezicht zat toe te kijken terwijl al haar meubelen, porselein, zilver, snuisterijen, linnengoed stuksgewijs werden verkocht. Joe kwam tot de conclusie dat zij de eigenlijke heldin was.
***
Toen Grootmoeders bed in veiling kwam, begreep Beula eindelijk waarom ze zich zo onfatsoenlijk opgetogen voelde. Dit was niet het einde van haar leven, zoals iedereen scheen te denken naar het medelijden te oordelen waarmee ze haar bezagen. Dit was alleen maar het einde van een episode: de episode ‘Beula Baker’. Opeens was ze weer Beula Best, het achttienjarige meisje dat naar het eiland gekomen was met haar uitzet en rode parasolletje, gekleed in een fluwelen japon. Na haar eerste ontmoeting met Ann Traylor, wier ledikant nu voor een exorbitante prijs verkocht werd, had ze de japon nooit meer gedragen, evenmin dat rode parasolletje; jaren later had ze het
teruggevonden, vertrapt, op het erf nadat de kinderen om de beurt geprobeerd hadden ermee op de rug van een varken in evenwicht te blijven.
Terwijl ze onbewogen naar de ontbinding van haar wereld zat te kijken, werd dat rode parasolletje het symbool van het lot dat haar was te beurt gevallen. Geen enkele van de gaven van de jeugdige Beula Best had de kans gekregen zich in de schaduw van die oude vrouw te ontplooien; ze was in iemand anders veranderd: kribbig, scherp; pas nu ze ontmanteld werd besefte ze dat ze Beula Baker gehaat had. Maar Beula Best! Dat zachtaardige kind, zo vol hoop en verwachting, met zo'n vermogen tot liefde...
Er werd een hand op de hare gelegd; het was Jerry. Hij keek haar aan met zo'n bezorgdheid, zo'n verdriet dat ze op het punt stond hem toe te fluisteren: ‘Ik vind het heerlijk, ik geniet ervan,’ maar ze hield zich in. Als ze hem in vertrouwen nam zou ze in de verleiding komen om te bekennen dat ze zich niet bij haar man en kinderen in de wildernis wilde voegen, zodra ze de nieuwe plantage op gang hadden. Ze had gedacht dat ze bang voor de wildernis was, maar nu besefte ze dat ze niet wilde gaan omdat ze Beula Baker haatte. Ze wilde weer Beula Best worden, het meisje dat die zomerochtend op het eiland was aangekomen. De japon en de parasol waren weg, maar haar vermogen tot liefde was er nog, sterker dan ooit.
Daar ging het bed, afgehamerd op zevenendertig pond, alsjeblieft. Waarvoor zou Israel Henderson het gebruiken? Als logeerbed? Die man moest stikken van de meubelen; het was gewetensgeld, omdat hij Bonny zelfmoord liet plegen voor een getuigenis dat niemand van plan was na te volgen. En maar goed ook; zelfs in deze korte tijd waren de slaven al volkomen onhandelbaar geworden. Ze voerden geen spat meer uit op het eiland; het Huis was in geen weken schoongemaakt; zij en de kinderen hadden zelf de meubelen naar de vestibule moeten slepen. En die slons van een Cleo, die zich de hele dag als een kat lag te zonnen vanwege haar ‘delicate gezondheid’! Het was duidelijk waarom Bonny haar wilde meenemen en waarom Joshua zo haastig weggewerkt moest worden, maar het liet haar onaangedaan. Het hoorde allemaal bij de wereld van Beula Baker, die ten einde liep. Ze had Joshua aan boord zien gaan zonder een traan te laten, ze had zich zonder protest geschikt in Bonny's besluit om Becky en Abby mee te nemen; ze had zelfs niet over geld gesproken, ofschoon een groot deel van wat er vandaag verkocht werd destijds van haar bruidsschat betaald was. ‘Vaarwel, Ann Traylor, vaarwel,’ dacht ze, ‘nog een paar uur, en ik zal voorgoed van je af zijn.’
Ze boog haar hoofd, bang dat haar ware gevoelens op haar gezicht te lezen zouden zijn. Jerry sloeg een arm om haar schouders en fluisterde: ‘Wees flink, lieveling, het is bijna voorbij. Vanavond ben je in Philadelphia, morgen koop ik iets moois voor je, om dit alles te vergeten. Wat zou je graag willen hebben? Zeg 's! Wat zou je nou 's echt plezier doen?’
Ze keek naar zijn lieve gezicht, dat straalde van tederheid en liefde. ‘Een rood parasolletje,’ fluisterde ze.
Ze had het schertsend gezegd, maar hij nam het ernstig op. Hij zei: ‘Dat
krijg je, Beula, liefste. Dat krijg je.’
Ze legde haar hand op de zijne. Zo bleven ze zitten, terwijl het laatste restant van Beula Bakers wereld onder de hamer van de veilingmeester verdween.
***
Bonifacius Baker en zijn dochters vertrokken in haast, niet vanwege de dreigende oorlog, maar omdat het gunstige jaargetijde voor een reis per huifkar door de wildernis bijna voorbij was. Het was onwaarschijnlijk dat ze vóór het begin van de winter op hun bestemming zouden aankomen; het zou een uiterste inspanning vergen een blokhut klaar te hebben vóór de eerste sneeuwval. De barste tijd zouden ze in winterslaap moeten doorbrengen; hun wagens waren volgestouwd met levensmiddelen die hen in staat zouden stellen het tot de lente uit te zingen. Er waren twee huifkarren, elk voortgetrokken door een span van vier muildieren, plus drie rijpaarden en een platte kar met een roeibootje en een ploeg erop, getrokken door Herbert, de oude ruin.
Voor Gulielma Woodhouse verpersoonlijkte Herbert de ruin de dwaasheid van de hele onderneming: een dik dier dat zijn leven lang op het eiland had rondgesjokt; in de bergen en in de wildernis zou hij nutteloos zijn. Hij zou niet weten wat hij doen moest als hij door een luipaard of een troep wolven werd aangevallen; als hij ging grazen zou hij het benul niet hebben dicht bij het kampvuur te blijven. Ze had zo'n idee dat Herbert het eerste slachtoffer zou worden, en Bonny zelf het tweede. In zijn gloednieuwe leren broek, Indiaans wambuis en Quaker-hoed leek hij op een stadsmens in vermomming, wat hij dan ook was. Het idee dat deze man een stuk wildernis kon ontginnen was belachelijk; hij moest er zo van overtuigd zijn dat zijn offer Gode welgevallig was, dat hij blindelings op het slagen van zijn dwaze onderneming vertrouwde.
Dit was precies wat Gulielma verontrustte terwijl ze voor de kleine colonne uitreed. Haar zin voor logica kwam in opstand tegen de aanmatigende zelfverzekerdheid waarmee op 's Heren zegen werd gerekend als beloning voor een goede daad. Goede daden werden beloond door de voldoening die ze schonken aan degenen die ze volbrachten; Bonny Bakers daad was een stommiteit die niet kon nalaten de toorn op te roepen van een gevaarlijker God dan die welke wekelijks door de Philadelphiase Maandvergadering op de schouder geklopt werd. Bonny had er geen idee van hoe hij een greppel moest graven en zou waarschijnlijk een hartverlamming krijgen als hij het probeerde; de veronderstelling dat hij, zijn twee lieftallige vlinders, dat negermeisje en die onschuldige George McHair van de jacht of hun eigen oogst zouden kunnen leven was te dwaas om los te lopen.
Vandaar, waarschijnlijk, de schijnheilige manier waarop de Vergadering hem had aangemoedigd. De Philadelphiase Vergadering telde onder haar leden de intelligentste mannen in Pennsylvanië. Israel Henderson, Jeremia
Best, haar eigen broer Isaac moesten zich bewust zijn van de dwaasheid van deze onderneming. Als ze Bonifacius' getuigenis werkelijk hadden willen steunen, hadden ze zeker een taak voor hem kunnen vinden, zijn capaciteiten waardig. Louter omdat hij de Beginselen in praktijk bracht, scheen iedereen aan te nemen dat hij nu onder de hoede stond van de Heer. Ze kon zich niet herinneren haar broer ooit zo in vervoering te hebben gezien; hij had ervoor gezorgd dat er krankzinnige bedragen werden betaald op de veiling, hij had de wagens en het grootste deel van de voorraden uit zijn eigen pakhuis geleverd; het toonbeeld van een man die door een heilige was geïnspireerd tot zelfverloochening. Zij vermoedde echter dat hij en de anderen de arme Bonny zo gauw en zo ver mogelijk weg wilden werken, uit angst dat zijn ziekte besmettelijk zou blijken.
Toen de colonne dieper landinwaarts trok, werden ze in ieder dorp door vertegenwoordigers van de plaatselijke Vergadering ontvangen, praktisch met de kreet ‘Hosanna!’ Gulielma had het gevoel dat de vrouwen palmbladeren voor hun voeten zouden hebben uitgespreid als ze die hadden kunnen bemachtigen. En toch waren deze mensen zelf boeren; ze wisten uit eigen ervaring hoe moeilijk het was een renderend bedrijf op te zetten in de maagdelijke wildernis; hoe konden ze daar staan juichen en klappen, de vrouwen met tranen in hun ogen? Velen van hen droegen geschenken aan, gezouten vlees of wormvrije koekjes of graan in tegen muizen gevrijwaarde vaten, die zij als offeranden aan de voeten van hun idolen legden.
Zelfs George McHair scheen niet te beseffen wat hun wachtte. Hij had er zonder nadenken in toegestemd voor de winter met de Bakers mee te gaan; hij had beter moeten weten dan de verantwoordelijkheid op zich te nemen voor een nutteloze man en diens twee nutteloze dochters, van wie er één nota bene pas tien jaar oud was! De enige die er waarschijnlijk zonder kleerscheuren door zou komen was het negermeisje, dat ondanks haar ranke vrouwelijkheid onverwoestbaar leek te zijn. Gulielma wist niets van negers af, maar ze had lang genoeg onder de Indianen gewerkt om te weten dat de ergste vergissing die een blanke kon begaan de veronderstelling was dat hij zich met iemand van een ander ras kon vereenzelvigen. Er waren een paar dingen die haar zorgelijk stemden: het feit dat het meisje niet zwanger was en ook nooit was geweest, de harteloosheid van haar zwarte ogen die iemand zonder één ogenblik te knipperen aanstaarden, als die van een panter. Ze luierde het grootste deel van de dag in de huifkar die ze met de twee andere meisjes deelde, uitgestrekt op haar matras of op de achterklep van de wagen. Toen de colonne de streek bereikte waar slavernij onbekend was, gold de hulde van de plaatselijke Vergaderingen evenzeer dit exotische wezen als Bonifacius Baker zelf. Niemand scheen te denken aan de consequenties van het meenemen van een zwart meisje met zo'n kennelijk oog voor de mannen naar de wetteloze wildernis, waar ze uitgehongerde kinkels zoals Bizon McHairs jagers als krolse hengsten zou doen hinniken. Bonny, met zijn hoedje en zijn prairielaarsjes, zou wel genoodzaakt zijn 's nachts voor haar hut te gaan liggen, zijn geweer in de aanslag, om zwierbollen op
vrijersvoeten af te weren. Voorlopig liet het zwarte vrouwtjesdier zich langs de verblufte ogen van de boeren dragen, verleidelijk uitgestrekt op de achterklep van haar wagen, waarbij ze een slank lokbeen liet schommelen, tot de knie bloot, en hun hautain de schilletjes van zonnebloempitten toespuwde. De heilige Bonifacius, te druk bezig met zijn roeping, was zich nog niet van haar als vrouw bewust geworden. Maar Gulielma, die het verleidelijke wezen tersluiks in het oog hield, betrapte haar er soms op dat ze haar vroegere meester lag te bekijken met de uitdrukking van een luie kat die een dikke witte muis beloert. Bonifacius kon bepaald niet voor een sater worden versleten, maar hij had ten slotte drie kinderen verwekt en moest dus zijn portie hebben meegekregen van de oerkracht die alle leven tot voortplanting dreef. Gedurende de wintermaanden, opgesloten in een hut met deze Delila, en met niets anders om handen dan houtsnijden of in het Boek der Boeken lezen...
Gulielma sjokte peinzend voort aan het hoofd van de kinderkruistocht, wiegelend in haar zadel met de soepele, onbewuste gratie van de volleerde ruiter. Het feit dat ze hen naar hun bestemming leidde maakte haar tot medeplichtige. Het was huichelachtig om op de leden van de Philadelphiase Vergadering af te geven en verontwaardigd te zijn over de manier waarop de plattelands-Vrienden Bonny en zijn symbolische zwarte dochter bejubelden, terwijl zijzelf de lammeren ter slachting leidde, wetend wat hun te wachten stond. Als hun iets overkwam, zou ze net zo schuldig zijn als de sluwe kooplieden, die hun geweten hadden gesust met de handvol zilverlingen die ze bij de veiling op het altaar hadden gestrooid. Vandaar dat ze gretiger dan onder normale omstandigheden het geval zou zijn geweest luisterde naar de klaagzang van Joe Woodhouse, toen die op de vierde dag op kwam dagen, op een prachtige Arabische merrie, zogenaamd om afscheid van Becky te nemen voor ze de wildernis introkken, maar in werkelijkheid om bij zijn tante zijn hart te luchten.
Becky, gekwetst, bleef met haar verveelde zusje en de zwarte wilde kat in de huifkar hokken, terwijl Joe, aan het hoofd van de colonne, zijn tante deelgenote maakte van zijn lijdensweg als Jonge Vriend. Hij had, uit naam van de Philadelphiase Vergadering, een voorbarige belofte van financiële hulp aan de slimme Zilverwolf gedaan indien de Delawares van het toneel zouden verdwijnen zonder hun toevlucht tot oorlog te nemen. Natuurlijk had de Vergadering hem hard op de vingers getikt. ‘Joe,’ zei ze, nadat hij zijn verhaal kwijt was, ‘je weet dat van een Vergadering nooit verwacht kan worden een persoonlijke roeping officieel te onderschrijven, vóór ze ervan overtuigd is dat de betrokkene handelt “in de kracht Gods”. Als jij gezegd had: “Vrienden, ik ben geroepen met de Delawares de wildernis in te trekken en een school voor hun kinderen te stichten,” zouden ze je een notule van bijval hebben gegeven. Dat je Zilverwolf namens de Vergadering materiële hulp beloofd hebt, was ongeoorloofd. Het spijt me dat ik het in iets met ze eens moet zijn, want in Indiaanse aangelegenheden zijn ze niet vooruit te branden, maar in dit geval hebben ze gelijk.’
‘Maar ik kan niet op mijn belofte terugkomen!’ riep Joe uit. ‘Ik moet íéts doen!’
‘Omwille van de Indianen, of omwille van je gevoel van eigenwaarde?’
Hij dacht daar een ogenblik over na. ‘Maar het is toch in het belang var de Indianen om een oorlog te vermijden door weg te trekken?’
‘Daar ben ik niet zo zeker van. Indianen zijn veel meer aan hun omgeving gebonden dan je denkt.’
‘Maar het is toch beter dan zich te laten afslachten?’
Ze gaf geen antwoord. Het probleem van de Indianen en de opkomende vloed van blanke kolonisten was onoplosbaar. Er was veel voor Joe's raad aan Zilverwolf te zeggen, maar het was een vorm van overgave. Hoever konden de Indianen terugwijken voor het opkomende tij zonder hun zelfrespect te verliezen? ‘Hoe ging het tussen jou en Zilverwolf?’ vroeg ze.
‘O, verrassend goed, in aanmerking genomen dat hij wist dat ik jouw neef was. Hij schijnt iets tegen je te hebben.’
Ze grinnikte. ‘Hij was, in zijn jonge jaren, het populairste Indiaanse opperhoofd. Hij werd door de Gouverneur naar Engeland gestuurd, aan het Hof ontvangen, ging met de aristocratie om; hij was toen zo slank als een den. Nadat hij iedereen in Engeland ervan had overtuigd dat hij minstens zo beschaafd was als zij, probeerde hij na zijn thuiskomst zijn oom te vergiftigen, die tijdens zijn afwezigheid zijn plaats had ingenomen en die de stam beter bleek te bevallen dan Zilverwolf zelf. De oude man riep me bij zich voor een consult, omdat hij zich zo ziek voelde; ik gaf hem een tegengif en ging met Zilverwolf in een kano het meer op. Zodra we buiten gehoorsafstand waren zei ik dat hij met die onzin moest ophouden, of ik zou zijn oom de waarheid vertellen. Hij hield ermee op, maar de oude man kwam kort daarna tijdens de jacht door een ongeluk om het leven. Zilverwolf heeft me dat gesprekje in de kano nooit vergeven. Zei hij dat hij je raad zou opvolgen?’
‘Zo ongeveer.’
‘Ik geloof er niets van. Uiteindelijk doet hij het misschien, maar hij zal eerst wachten of hij niet wat geld van de Quakers kan loskrijgen. Er is alle kans dat het hem lukt.’
‘Maar je zei daarnet zelf dat de Vergadering...’
‘Niet van de Vergadering. Voor ik wegging heb ik even met je vader gesproken, en ik kreeg de indruk dat hij een lening aan Zilverwolf overweegt in ruil voor handelsvoorrechten. Het ziet er dus naar uit dat je suggestie niet alleen ethische waarde heeft.’
‘Maar Vader heeft er nooit met me over gesproken!’ riep de arme jongen uit. ‘Ik heb geprobeerd met hem te praten, maar hij was zo met andere dingen bezig dat ik het opgaf!’
‘Kom, kom,’ zei ze glimlachend. ‘Je kent nu toch zo langzamerhand die dromerige trek op zijn gezicht, alsof hij niet naar je luistert? Het zou me niets verbazen als je nog eens naar Zilverwolf werd uitgestuurd, dit keer als
vertegenwoordiger van de firma Woodhouse, met de Quaker-boodschap: “We zullen je helpen in ruil voor een monopolie op jullie pelzen voor de eerstkomende vijftig jaar.” Dat, dunkt me, is het soort transactie dat mijn lieve broer in zijn hoofd heeft.’
‘Maar waarom zei Vader dat niet eerlijk? Waarom deed hij net alsof hij niet wist waarover ik het had?’
‘Dat zou je begrijpen,’ zei ze, ‘als je net zoveel jaren poker met hem had gespeeld als ik.’ Er viel een lange stilte, waarin de jongen somber peinzend voor zich uit zat te staren. Toen vroeg ze terloops: ‘En die school? Zou dat niet iets voor jou en Himsha zijn?’
Hij keek haar aan alsof ze hem een klap had gegeven. ‘En-en wie?’
‘Kom, kom! Je bent smoorverliefd op haar. En het is wederzijds.’
‘Is dat zo?’ vroeg hij, gretig.
Ach, de wreedheid van de jeugd! Eigenlijk was Becky degene die het grootste offer voor haar vaders getuigenis had gebracht: ze was haar verloofde kwijtgeraakt, haar plaats in de hogere kringen van Philadelphia, en ze kon geen illusies hebben over wat haar in de wildernis wachtte. Misschien begon dat net tot haar door te dringen. Ze zou eens met het meisje moeten praten, proberen haar te overreden morgen met hem naar Philadelphia terug te gaan, ook al moest ze zelf ook beseffen dat ze hem nooit meer zou heroveren. Een vrouw voelde die dingen aan, zelfs een onervaren vrouw als Becky.
Maar die avond, terwijl ze bezig waren hun kamp op te slaan op de weide aan de voet van het gebergte waar ze de laatste keer met George en Himsha had overnacht, naderde plotseling geroffel van hoeven en in het licht van hun pas ontstoken kampvuur doemde Bizon McHair op met zijn kornuiten als Attila met zijn Hunnen. Toen Gulielma vroeg wat hij kwam doen, zei hij: ‘Loudwater kon weleens moeilijkheden gaan maken, zodoende dacht ik dat ik jullie maar even moest helpen.’ Ze vroeg, voor de grap: ‘Waarom breng je ze in dat geval niet helemaal naar hun bestemming en laat mij naar mijn patiënten teruggaan?’
Tot haar verbazing antwoordde hij bedaard: ‘Dat wil ik wel doen.’
Hij meende het. Toen ze de volgende morgen afscheid genomen had, keek ze de colonne na tot die in het woud verdween. Ze vertrok zelf met haar oude merrie en de muilezel die de apotheek droeg in noordelijke richting; het werd tijd dat ze zelf eens naar de Delawares ging kijken. Ze herinnerde zich te laat dat ze van plan was geweest een gesprek met Becky te hebben om te proberen haar van gedachten te doen veranderen; na een ogenblik van wroeging trok ze haar schouders op en vervolgde haar weg. Als het leven haar één ding geleerd had, was het wel dat niemand, uiteindelijk, verantwoordelijk was voor het lot van een ander.
***
Voor Abby Baker werd de lange reis door de wildernis een opwindend
avontuur. Vóór Oom Bizon en zijn mannen kwamen opdagen had ze erover gedacht naar een van de Quaker-boerenfamilies te vluchten en hun te vragen of ze haar naar Moeder terug wilden brengen. Het vooruitzicht om bij Tante Grizzle in te moeten trekken en ook het feit dat ze naar school zou moeten leken verre te verkiezen boven een enge dwaaltocht door het bos van Klein Duimpje, vol wolven en beren en adelaars die kleine kindertjes stalen, met alleen Tante Gulie en haar malle Indiaanse geweer om hen te verdedigen. Ze wist zeker dat Vader, als het erop aan kwam, niet in staat zou zijn een schot te lossen en als hij het wél deed niets zou raken. Maar toen, met een angstaanjagend gejodel en een gedonder van hoeven, haar lievelingsoom met zijn buffeljagers uit het bos te voorschijn kwam, veranderde ze van gedachten. Zodra hij haar zag riep hij: ‘Nee maar, kijk 's wie we hier hebben! De kleine Mary!’ Hij tilde haar op, kuste haar op beide wangen en gooide haar in de lucht - om je een aap te schrikken, maar desondanks was hij zo'n leuke man dat ze het niet erg vond dat hij haar naam was vergeten. ‘Het wordt een lange rit,’ zei hij, ‘jij moet af en toe maar eens met me vooruitrijden om me wakker te houden.’
‘Ze moet iedere dag les hebben en haar huiswerk doen,’ zei Becky, mierzoet, maar met geniepige ogen.
‘Lessen?’ Oom Bizon leek met stomheid geslagen. ‘Wat zou dat kind kunnen leren waar ze in de prairie wat aan heeft? Frans? We hopen met een boog om ze heen te lopen, geloof dat maar.’
‘Ze heeft haar schoolboeken bij zich en ze moet leren. Cleo ook.’ Toen Abby haar tong tegen haar uitstak, snauwde Becky: ‘En géén brutale mond, jongedame! De komende dagen doe je wat ik zeg, begrepen?’
‘Dagen?’ Oom Bizon grinnikte. ‘Heb je er enig idee van hoe ver het is, schatje?’
‘Wel...’ Om de een of andere reden bloosde Becky; het was een fascinerend gezicht.
‘Wijs me je wagen maar eens aan, dan zal ik er een wacht bij zetten,’ zei Oom Bizon, terwijl hij een arm om Becky's schouders sloeg. ‘Ik ga 's nachts zelf op jullie achterklep slapen. Wat zeg je me daarvan?’
‘Dat is absoluut niet nodig...’ Maar Becky had eindelijk iemand gevonden die haar de baas was.
Zoals spoedig bleek, was zij de enige niet. Oom Bizon nam zonder meer het bevel over, en niemand protesteerde. De enige met wie hij niet overweg scheen te kunnen was Cleo. Hij had zelf nooit slaven gehad, zodoende kende hij de nikkers niet. Hij probeerde met haar te praten op zijn grapjassenmanier, maar hij bereikte er niets mee, en dat had Abby hem meteen al kunnen vertellen. Cleo was een achterbaks schepsel; de enige schaduwzijde van dit avontuur. Ze was een bezoeking, niet alleen de manier waarop ze zich gedroeg maar haar stank in de besloten ruimte van de huifkar, die was gewoon niet weg te krijgen.
Op de derde avond na Loudwater, toen ze voor de nacht bivak hadden gemaakt op een kleine open ruimte bij een beek, was Cleo ineens
verdwenen. De eerste die haar afwezigheid opmerkte was Becky en zij ging Oom Bizon waarschuwen. Hij begon te roepen: ‘Cleo! Cleo!’ waarmee hij een koppel kwartels opjoeg die met luid geklapwiek wegvlogen. Iemand riep: ‘Hier Bizon! Hier! Ze is aan 't poedelen in de beek, in haar nakie!’ Dat maakte Oom Bizon ontzettend kwaad. ‘Hier jij, Jake, als de bliksem! Hoor je me?’
Jake, die geen tanden meer had en zich maar eens in de week schoor, kwam op zijn O-benen aanhoppen door de klaver. Net als de andere buffeljagers bracht hij de hele dag op zijn paard door, soms sliep hij er zelfs op, nu waren zijn benen naar de vorm van het dier gebogen. ‘God zal me kietelen,’ zei hij toen hij bij hen kwam. ‘Dat is wat je noemt een gezicht voor zere ogen!’ Oom Bizon was niet in de stemming voor grapjes. ‘Als ik je er nog eens op betrap dat je naar die zwarte poes ligt te loeren gaan jij en ik eens even het bos in,’ zei hij. Abby wist niet wat dat betekende, maar het was voldoende om Jake zo te laten protesteren dat zelfs Oom Bizon voor een dergelijke onschuld moest zwichten. Jake gaf haar achter de rug van haar oom een knipoogje; ofschoon ze hem fronsend aankeek, gaf het haar een volwassen gevoel. Die nacht begon ze, in haar Engelse themaschrift, aan een nieuw dagboek, getiteld: ‘Abigail Baker, een pionierster van 10 3/4 jaar.’ Haar eerste aantekening luidde: ‘Vanavond ging Cleo zonder kleren aan in een beek zwemmen. Een vriend van me, Jake, zag haar en zei dat iedereen die zere ogen had naar haar moest gaan kijken. Maar Oom Bizon wilde niet dat de mannen haar bloot zagen, dus bleef ze rondspartelen tot Becky haar ging halen. Na afloop zag ze er wel schoner uit, maar oefie-poefie...’ Verder kwam ze niet, want ze had geen slot op dit dagboek, en ze wilde Cleo niet woedend maken als die het eens mocht lezen. Niet dat daar veel kans op was; ofschoon Becky iedere avond probeerde haar lezen en schrijven te leren, zat Cleo alleen maar zonnepitten te kauwen en spuwde de schilletjes naar de mannen die altijd om de huifkar rondhingen. De enige voor wie Cleo respect had was Vader. Soms, als Becky wanhopig werd door haar gebrek aan aandacht en zich bij Vader beklaagde, nam hij Cleo apart en dan wandelden ze een tijdje aan de rand van het bos heen en weer, in een ernstig gesprek gewikkeld. Cleo trok zich wel aan wat hij zei en deed dan een paar dagen net alsof ze iets opstak van wat Becky haar in haar stomme hoofd probeerde te stampen; maar het enige dat haar werkelijk interesseerde, voor zover Abby kon nagaan, was op de achterklep zitten, één bloot been laten bungelen, alhoewel ze zich aan de ketting moest vastklampen om er niet afgezwiept te worden.
Behalve Cleo was er niets dat het grote avontuur voor Abby bedierf. Ze kreeg de schrik van haar leven toen ze bij het oversteken van een schuimende rivier in het water viel; maar Oom Bizon greep haar beet en tilde haar op zijn schouders en droeg haar aan wal. Ze kreeg als troost een jong wolfshondje van hem cadeau dat ze probeerde te temmen, maar op een nacht liep het weg. Ze werd door een slang gebeten, gilde als een waanzinnige, Becky begon verwoed op haar been te zuigen, tot Oom Bizon
erbij kwam en hun vertelde dat het een zwarte zweepslang was die waarschijnlijk banger was geweest dan zij. Ze probeerde iedere avond wakker te blijven om te luisteren naar de verhalen die de mannen rond het kamp vuur vertelden, verhalen over paarden, Indianen, buffels en squaws, die veel spannender waren dan de verhalen over de Quaker-heiligen die Moeder haar verteld had voor het slapen gaan. Toch waren dat de enige keren dat ze Moeder miste.
Het eten was verrukkelijk; ofschoon het opensnijden van pasgedode dieren een afgrijselijk gezicht was, vond zij de geur van gebraden vlees iets heerlijks. Het bos was donker en soms was ze echt bang, vooral van de donkere, druipende grotten waarin onzichtbare dieren ritselden terwijl de wagens krakend langsreden; maar er bevond zich altijd wel iemand tussen haar en de griezeligheid, een van Oom Bizons jagers, soms Oom Bizon zelf. Hij tilde haar zonder stil te houden van de achterklep, zette haar dwars op de nek van zijn paard, draafde naar de kop van de colonne en begon een lang gesprek over wie ze zou gaan trouwen, waar ze zou gaan wonen, van welke bloemen ze het meest hield, of ze eend lekkerder vond dan kalkoen. En als hij niets meer wist om over te praten ging hij spelletjes doen, die zij altijd won omdat Oom Bizon zo stom was als het achtereind van een varken. Zelfs een eenvoudig spelletje als ‘Ik zie ik zie wat jij niet ziet’ was te veel voor hem; als ze, bijvoorbeeld, zei ‘Het begint met een S’ vroeg hij: ‘Sneeuw?’ Wat het gevaar betrof, daar merkte ze eigenlijk niets van, zelfs niet toen zij in de buurt van de Fransen kwamen. Ofschoon Oom Bizon hen een paar dagen lang alleen maar fluisterend liet praten, zag ze er nooit een. De spionnen die hij vooruitstuurde rapporteerden nooit dat ze er een hadden gezien, althans niet voor zover zij wist.
Pas toen ze ziek werd, tegen het eind van de tocht, begon ze zich te vervelen. Dagen achtereen lag ze zeeziek in de schommelende wagen. Takken en struiken schraapten langs de kar, uitwerpselen van vogels vielen met een luid ‘tok’ in gele spetten op het doek van de huif, van onderaf gezien heel interessant, bij gebrek aan iets anders om naar te kijken. En al die tijd lummelde Cleo op de achterklep, pitten kauwend waarvan ze de schilletjes naar de kop van het paard achter hen spuwde.
Eindelijk bereikten ze het doel van hun reis. Het was een plek die niet verschilde van talloze andere waar ze hun nachtbivak hadden opgeslagen: een weide aan de voet van een heuvel, met uitzicht op een meer waarin een klein eilandje lag. Pas toen Abby met Oom Bizon naar de top van de heuvel klauterde, zag ze de uitgestrekte eindeloosheid van de prairie in de verte: een zee van gras, zover het oog reikte, onder een hemel vol witte wolken. Die avond, tijdens de samenkomst, zei Vader dat ze de plek Pendle Hill zouden noemen ter nagedachtenis aan het visioen dat George Fox had gezien van een groot volk dat verzameld werd, en hij bad God allen te zegenen die hier zouden wonen tot in lengte van dagen.
De volgende dag gingen Oom Bizon en zijn jagers aan het werk. Eerst groeven ze een stormkelder, want ze waren nu in het gebied van de
tornado's. Zodra ze er een zagen aankomen, als een grote zwarte olifantsslurf uit een zwarte hemel, moesten ze zo snel ze maar konden naar die kelder toehollen en de deur achter zich grendelen. 's Winters waren er geen tornado's; dan zou de kelder dienst doen als opslagplaats voor blokken voor het vuur; een luchtkoker, bedoeld om de druk in de kelder tijdens de storm te verlichten zodat de deur niet uit de hengsels zou worden gezogen, werd uitgegraven, daar konden ze aanstonds de houtblokken door naar binnen laten rollen. Abby kreeg tot taak de mannen van water te voorzien terwijl ze bomen velden en blokken zaagden en de stormkelder groeven. Ze dronken er emmers vol van, die ze moest gaan vullen bij een bron halverwege de heuvelhelling. Het was erg vermoeiend.
De tweede avond op Pendle Hill, terwijl de mannen rondom het kampvuur verhalen vertelden en Becky en Cleo de muildieren verzorgden, gebruikte Abby de kostbare minuten waarin ze de huifkar voor zichzelf alleen had, om in haar dagboek te schrijven.
‘Ik geloof dat ik het hier wel fein ga vinden. Wat ik vooral fein vind zijn de vogels die fluiten op het eilandje in het meer. Ze klinken als nagtigalen maar Oom B. zegt dat ze gietenmelkers heten. Geitenmelkers. Ik vind het ook fein dat we niet verder hoeven te reiden. Ik verlang naar mijn eigen bed. Oom B. zegt dat hij een pop voor me zal sneiden zogauw hij een zacht stuk hout vind. Ik zou liever een levend nikkertje hebben om mee te spelen, maar er zijn geen slaven meer. Ik mis ze wel en Becky ook. Die moet nu zelf een kar met een muilezel mennen; het enige wat ze nog over heeft van de teid dat ze zich als een koningin gedroeg is het blauwe haarlint dat ze iedere avond boven de ketel gladstoomt. Ze heeft ook blaren. En ze begint te stinken, net als iedereen. Ik hou van het buitenleven, maar iedereen stinkt zo. Cleo zwemt nog altijd bloot, maar het water van het meer is zo koud dat ze helemaal geribbeld is van het kipevel. Kipvel. Kippe-vel. Ik heb haar gezien. Welterusten. P.S. God zegene wie dit leest. Joehoe.’
***
Het karrespoor van de hut naar het bos, waar de mannen bezig waren bomen te vellen en in blokken te zagen, scheen met het uur onbegaanbaarder te worden. Becky probeerde vergeefs haar luie, nukkige muilezel voort te ranselen. Het ellendige dier had haar van het begin af aan last veroorzaakt, nu scheen het er helemaal de brui aan te geven.
Het was avond, de laatste vracht van de dag. Terwijl ze driftig met de teugels op de schonken van het beest losranselde, zag ze de andere wagen uit de richting van de hut terugkomen; Cleo hing sloom op de bok. Háár muilezel galoppeerde terug naar het bos alsof hij niets liever wilde dan een nieuwe vracht binnen te zeulen, minstens Cleo's twintigste die dag. Becky's ogen schoten vol tranen, en ze deed iets wat ze nooit eerder had gedaan: ze klom van de bok, pakte een zware tak en begon het lamlendige dier zo hard af te tuigen, dat stof uit zijn huid opwolkte. Na een klap die in haar armen
dreunde brak de tak doormidden, maar ze had net zo goed een boom kunnen kastijden. Het dier weigerde ook maar één stap te verzetten; het leek alsof het niets van de ranselpartij had gemerkt.
Cleo's wagen hotste voorbij, háár trekdier hijgde van inspanning; Cleo zelf zat op de bok uitgestald met één bungelend zwart been, bloot tot boven de knie. Becky balde haar vuisten en kneep haar ogen stijf dicht, maar toch biggelden de tranen langs haar vuile wangen, waardoor ze er natuurlijk nog verfomfaaider en slonziger ging uitzien. Wat had haar bezield, om te snakken naar de vrijheid van de pionier? Slavernij, dat was het; kapotte schoenen, smerige kleren, blaren, vlooien, teken, haren als een zwabber, gebroken nagels, spieren die iedere avond zo pijnlijk waren dat het uren duurde voor ze in slaap kon komen. Toch zou ze ertegen opgewassen zijn geweest als die zwarte adder er niet geweest was, die valse, hooghartige ... Er waren geen woorden om uitdrukking te geven aan wat ze op dat ogenblik van Cleo dacht; het enige dat ze doen kon was de vervloekte muilezel afranselen en roepen: ‘Vort! Hup! Vort! Vort!’ Het muildier weigerde aan het malle damesgegil gehoor te geven; hij sloot zijn ogen, als in samenkomst. Ze ging aan de rand van de weg zitten, snikkend van hulpeloze woede. Maar ze weigerde zich door een muilezel op de kop te laten zitten, veegde met de zoom van haar rok haar wangen af en ging dode twijgen sprokkelen, armen vol, die ze onder de buik van het muildier opstapelde. Toen haalde ze de tondeldoos onder de bok van de kar vandaan en zette de brand in de stapel. Even zag het er naar uit alsof het beest zijn nederlaag zou erkennen; toen de eerste vlammen de haren van zijn buik zengden kwam hij in beweging, deed een paar stappen en bleef staan op het moment dat de kar boven de vlammen stond.
‘Nee!’ riep ze. ‘Alsjeblieft! Alsjeblieft, lieve Barry, doe me dat niet aan! Vort! Vort, alsjeblieft, in godsnaam, vort!’ Maar het dier sloot zijn ogen weer en keerde met een schijnheilige uitdrukking tot zichzelf in, doof voor haar wanhopig smeken. Toen, met een roffel van hoeven, krakende veren en een geklepper van losse vloerplanken kwam Cleo haar te hulp. Ze sprong met de lenigheid van een kat van de bok, liep naar de kop van het muildier, greep het bit en zei bedaard: ‘Goed, Barry, kom maar,’ zonder haar stem te verheffen. Barry opende één oog, zag haar, tuitte zijn lippen alsof hij wilde spuwen, scheen zich toen te bedenken en gehoorzaamde. Becky, huilend van schrik en ellende, kon nog maar net de vlammen onder de brandende kar doven, met haar schort.
Becky wist dat het kinderachtig was, maar het werd haar ineens te machtig. Ze kon geen muildieren en meesmuilende negerinnen meer verdragen. Ze draaide zich om, holde naar het meer, het smalle pad af tussen het bos en het oeverriet. Ze strompelde, huilend, voort tot haar weg door een gevallen boom versperd werd; toen liet ze zich voorover in het gras vallen, het hoofd op de armen.
Nog nooit van haar leven had ze zo'n gevoel van mislukking gehad. Ze was van geen enkel nut in de wildernis; vergeleken bij dat zwarte, sluwe
dier Cleo was ze een karikatuur. Die genoot hier volop, als een gezond dier dat zich volkomen thuis voelde, één met haar omgeving. Becky lag te snikken, ten prooi aan mateloze ellende, tot ze een gekraak van takken hoorde en het hoofd ophief. Cleo moest het uitspannen van de muildieren aan Jake hebben overgelaten, die zich wel weer zou hebben uitgesloofd om haar van dienst te zijn. Nu ging ze haar dagelijkse bad in het meer nemen.
Becky wilde opstaan en hautain langs haar lopen, maar ze kon het niet opbrengen. Ze had de moed niet zich aan die meesmuilende blik bloot te stellen. Ze klauterde over de stam van de gevallen boom, scheurde haar rok, en gleed aan de andere kant omlaag. Ze hoorde een plons, een gesnuif als van een otter.
Cleo was een raadsel. Ze was nooit zwanger geweest; toch was ze met hen meegegaan, graag zelfs, op haar koele manier. Waarom? Waar was ze op uit? Welke belofte hield deze angstaanjagende, woeste wildernis voor haar in? Iets moest haar hebben aangelokt; ze was beslist niet meegegaan uit loyaliteit, of verlangen om hen te helpen. Wat stak erachter?
Ze herinnerde zich haar onwerkelijke gedachte, die avond toen het besluit was genomen: ‘Zoek het goddelijke in Cleo; een nieuw Heilig Experiment.’ Wat ontzettend naïef! En dan haar mee te nemen naar de Mannenvergadering, om het antwoord van de kinderen Baker te tonen in plaats van uit te spreken! Het was volkomen oprecht geweest van haar kant, en toch: had ze Cleo toestemming gevraagd, of haar ook maar uitgelegd wat ze van plan was te doen? Nee! Onvergeeflijk, voor iemand die steeds maar volhield dat men nooit een medemens als middel mocht gebruiken, alleen maar als doel. Ze had Cleo gebruikt om indruk op de Mannenvergadering te maken; ze zag nu in dat ze niet als Vriend had gehandeld, maar als de dochter van een slavenhouder. En toch waren al die mensen spontaan opgestaan; Oom Jeremia had, na afloop, tegen haar gezegd: ‘Nu, Becky, je hebt het klaargespeeld! Dit betekent het begin van het eind van onze politieke macht.’ Maar zelfs als wat ze gedaan had later zou blijken van groot belang te zijn geweest, ze had door haar aanmatigende daad de integriteit van een ander uniek, onvervangbaar individu geschonden. Helaas, echter, zodra ze dat onvervangbare individu beter leerde kennen, had ze ontdekt dat ze vals, lui, minachtend, en vol zwarte, onverzoenlijke haat was.
‘God,’ bad ze, ‘God, maak een beter mens van me, maak me...’
Vlak bij kraakte een tak. Ze gluurde onder de boom door en zag een paar benen in leren kappen. Die smerige kleine Jake! Even dacht ze erover hem een schop tegen zijn schenen te geven, maar ze kon beter ongezien blijven. O! Die Cleo! Wat een serpent! Ze wist natuurlijk dat ze door de mannen beloerd werd terwijl ze baadde, daar was het haar om begonnen. Die plotselinge hartstocht voor reinheid! En het water moest ijskoud zijn! Ze had er wel wat voor over om een stelletje oude buffeljagers het hoofd op hol te brengen! Welke voldoening gaf het haar? Waar was ze op uit?
***
Op een koele herfstochtend, voor zonsopgang, vertrokken Bizon en zijn mannen, en lieten Bonifacius, George, Abby, Becky en Cleo alleen in hun pasvoltooide blokhut. De geur van het blokkenvuur gaf al een winters gevoel, maar het vroege zonlicht, dat door het perkamenten venster aan het voeteneind van Bonifacius' bed naar binnen scheen, leek nog warm.
Bonifacius staarde naar het dansende stof in de baan zonlicht, en nam zich voor op te staan zodra het licht in zijn ogen zou schijnen. Hij was vol welbehagen, want hij had de hachelijke tocht tot een goed einde gebracht nadat zoveel mensen, hijzelf inbegrepen, het ergste hadden gevreesd. Hij betwijfelde of iemand had geloofd dat een man van drieënvijftig in staat zou zijn zich aan te passen; wat niemand voorzien had was de verjongende uitwerking die de wildernis had op een man die gevoelig was voor de natuur.
Hij had dit voor het eerst gemerkt een paar dagen nadat ze de beschaafde wereld hadden verlaten en het woeste gebergte waren ingetrokken, de Indiaanse ruiterpaden volgend die kriskras door het oerwoud liepen. Tot op dat moment had hij alles vreselijk gevonden: het onverteerbare voedsel, de bekrompen ruimte van die ellendige wagen. Hij had zadelpijn gehad, zijn laarzen hadden gekneld, het geweer op zijn rug had hem blauwe plekken bezorgd, hij had gezweet in zijn leren wambuis; nadat een regenbui het ding doorweekt had was hij verkouden geworden en overtuigd geweest dat hij moeraskoorts zou krijgen en sterven in het vochtige, donkere bos, dat vol was van steels geritsel, vooral na donker. De nachten waren het ergst: op zijn rug in de huifkar, zijn adem inhoudend bij ieder geluid, leek het hem dat hij krankzinnig was geweest om aan dit roekeloze avontuur te beginnen.
Op een nacht, kort nadat ze het oerbos waren ingetrokken, was hij zo belaagd door visioenen van moordlustige Indianen en plunderende Fransen, dat hij naar buiten was gekropen en op de achterklep gaan liggen. De hemel was een strook donker, doorzichtig blauw tussen de zwarte muren van het woud; Orion lag als edelstenen in het goudstof van verre sterren; de onmetelijkheid van het zwerk had hem eerst een gevoel van kleinheid gegeven, toen een gevoel van saamhorigheid met het oerwoud, de aarde, de nacht.
De aanvaarding van zichzelf als deel van het leven in de wildernis kwam een paar avonden later, nadat ze hun bivak hadden opgeslagen op een weiland bij een beek. Hij ging een eindje wandelen om te genieten van de rust. Vogels kwinkeleerden in de bomen, hoog in de blauwe lucht, tussen de witte zomerwolken, zweefde een adelaar, onverschillig voor het duiken en fladderen van kleine vogels die hem probeerden te verjagen. Een eekhoorn kwetterde in het gebladerte van een rode beuk; in de verte, achter de fijngepluimde kruinen van berkebomen op een heuvelrug, klonk het ‘hoe-arr’ van een luipaard. Hij ging aan de oever van het beekje zitten en luisterde naar het geplas van het water tussen de rotsen; opnieuw voelde hij die
verwantschap, die eenheid met de wildernis die hem omringde. Toen zag hij, stroomafwaarts, waar een treurwilg zijn takken in het water liet hangen, een glinsterend zwart dier dartelen in de beek. Hij zag het voor een otter aan; het duurde even voor hij Cleo herkende, zo ongekunsteld was de zinnelijke vreugde waarmee ze van het water genoot terwijl ze het over zich heen liet spoelen, half ondergedompeld in de kabbelende beek. Zijn eerste opwelling was weg te gaan, maar het schouwspel had zo iets ongekunstelds, zo iets intens vrolijks dat hij bleef kijken, verborgen door de hangende wilgetakken. Er kon geen twijfel aan zijn: Cleo was deel van de natuur, net als de zwevende adelaar, de eekhoorn, de beukeboom, de ijle berken aan de horizon.
Die avond, voor hij ging slapen, sloeg hij als gewoonlijk zijn bijbel op goed geluk open en ontdekte dat hij het Hooglied voor zich had. ‘Ik ben zwart, doch liefelijk, gij dochters van Jeruzalem, gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo.’ Het was nooit eerder tot hem doorgedrongen dat Salomo's geliefde een negerin was geweest. Terwijl hij verder las, begonnen de aloude woorden het beeld van jeugd en vreugde te beschrijven dat hij die avond gezien had. ‘Zie, Gij zijt schoon, mijn vriendin, zie, Gij zijt schoon. Uw ogen zijn duiveogen tussen uwe vlechten, uw haar is als een kudde geiten, die neergolven van den berg Gilead. Uw hals is als Davids toren, uw borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden...’ Hij besefte het nu ten volle: de wildernis en alle daarin levende wezens, hemzelf inbegrepen, waren één. Hij en Cleo en de eekhoorn en de beukeboom; de adelaar, de treurwilg, de beek en het luipaard, allen waren zij deel van één leven.
Leven, leven! Het woord zong in zijn gedachten, terwijl hij dieper en dieper in het oerwoud doordrong met zijn kleine karavaan, steeds verder verwijderd van de man die hij eens geweest was: de pedante, half levende Bonifacius Baker van het eiland Eden.
Toen ze eindelijk op hun bestemming aankwamen scheen een nieuwe persoonlijkheid zich ontpopt te hebben, met nieuwe waarden, een nieuwe opvatting van goed en kwaad. Voor de oude Bonifacius zou het zondig zijn geweest om een badend meisje te bespieden; voor de nieuwe Bonifacius, de woudloper die zijn eigen hut had gebouwd, op elanden jaagde en hun huiden in de zon te drogen legde, betekende het schouwspel alleen maar schoonheid, een zwarte Primavera oprijzend uit de parelmoeren schelp van het meer dat de avondhemel weerspiegelde. Het kwam niet bij hem op dat visioen van jeugd en schoonheid te willen bezitten; de droom overrompelde hem volkomen.
Hij droomde dat hij naar Cleo zat te kijken die in het meer zwom, alleen was het een andere waterplas; hij herkende de rivier de Delaware pas toen zij aan wal waadde. Daarna merkte hij dat hij niet aan de oever zat maar op een bed lag en omhoogkeek naar het rode baldakijn van een beukeboom. Cleo keek glimlachend op hem neer en zette een voet op de rand van zijn bed. Plotseling was hij ten prooi aan een heftige begeerte; toen zag hij dat
het geen bed was maar een doodkist, en dat de boom niet een beuk was maar een van de kastanjes op het kerkhof van het eiland Eden. Met een schok werd hij wakker; het duurde even voor hij zich uit de droom kon losmaken. Wat overbleef was de begeerte die hij gevoeld had toen ze op hem stond neer te kijken.
Nu lag hij naar een bundel zonlicht vol dansend stof te staren. In de vreugde die het aanbreken van de dag hem bracht, scheen de droom een plaats te hebben in de onbekommerde natuur waar hij nu deel van uitmaakte. Vleselijke begeerte was een natuurlijke emotie voor de eekhoorns die elkaar in de bomen achternazaten en de elanden die in de spelonken van het woud hun bronstroep bralden. Hij was niet verantwoordelijk voor zijn dromen; bewuste gedachten konden zondig zijn, een droom niet. Hoe dan ook, Beula zou nu gauw komen, en zijn dochters sliepen onder hetzelfde dak, het was maar een droom.
Hij hoorde geluiden achter het gordijn van huiden dat hem van de rest van de hut scheidde. Een van de meisjes moest bezig zijn het ontbijt klaar te maken. Hij hoorde het geklepper van een ketel, het aanblazen van het vuur. Hij doezelde, de ogen gesloten, en luisterde naar het water dat aan de kook raakte, voetstappen die naar de deur gingen.
Maar ze gingen niet naar de deur. Het gordijn werd opgelicht; hij wist dat het Cleo was nog voor hij de ogen opende en haar bij zijn bed zag staan, een witte kom in haar handen. Zijn hart bonsde, zijn verjongde mannelijkheid reageerde op het zien van het slanke lichaam in de Quaker-jurk dat hij zo intiem kende. Ze boog zich over hem om hem de kom te reiken, en opeens wist hij, met een woeste, sidderende hunkering, dat hij Cleo begeerde, méér dan hij ooit een vrouw begeerd had, dat niettegenstaande zijn geweten, zijn geloof, zijn liefde voor zijn vrouw en zijn kinderen, hij niet zou rusten tot de roep van de eland beantwoord was.
Hij had zo'n intense behoefte om alleen te zijn, het voor God te brengen, dat hij in plaats van met George op jacht te gaan tegen de jongen zei: ‘George, je moet vandaag maar alleen gaan. Ik pak de boot en zal zien of ik wat vis voor ons kan vangen.’
‘Goed hoor, Oom Bonny, ik zal wel een sappig beestje schieten. Ga jij maar vissen, hoor.’
De witte schijf van de herfstzon was nog niet hoog genoeg gerezen boven de rand van het woud om de nevel van het meer te verdrijven. Hij behoefde maar een paar slagen te roeien voor hij een zelfde doorzichtige wolk binnengleed als op de Delaware. Hij streek zijn riemen en sloot de ogen en wachtte op de Tegenwoordigheid; maar deze ochtend kon hij niet tot het diep van de stilte inkeren.
De beslotenheid van de mist bracht niet het besef van de Tegenwoordigheid, maar van Cleo. Hij brandde van begeerte naar haar lenige, jonge lijf. Hij zat, zijn hoofd in zijn handen, in de mist met een gevoel van verdoemenis. Ergens begonnen geitenmelkers hun trillend getjuik: ‘Virro, virrie, virrie, virrie.’
Hij zag de twee Indianen niet, die langs het water reden. Het kwinkeleren van de vogels was luider dan het zachte stappen van de paardehoeven. Zij reden de open ruimte in waar de blokhut stond.
***
Becky was bezig een klotsende emmer water van de bron naar de hut te sjouwen toen ze Cleo en Abby over de open ruimte zag rennen. Eerst dacht ze dat het een spelletje was, maar toen het kind struikelde sleurde Cleo haar ruw voort naar de stormkelder en rukte de deur open; Abby's angstige kreet: ‘Becky! Becky!’ werd gesmoord toen Cleo haar naar binnen trok. Becky keek naar het meer, waar de meisjes bezig waren geweest met de was, en zag twee naakte, bruine mannen, hun lichamen beschilderd, op paarden zonder zadel. Ze hadden allebei een soort bijl in de hand, alsof ze klaar waren om aan te vallen; ze stonden roerloos als standbeelden aan de rand van de open plek en staarden naar de kelder. Vervolgens reden ze langzaam naar de hut toe.
Becky stond stokstil, de emmer in de hand. Een van de Indianen keek in haar richting en op dat moment riep een stem: ‘Becky! Gauw!’ Het was Cleo; zij stond in de ingang van de kelder. Becky liet de emmer vallen en holde zo snel haar benen haar dragen konden naar de open kelderdeur. Maar terwijl zij dit deed dacht zij: ‘Je doet verkeerd, als we ons in die kelder barricaderen gaan die Indianen zeker proberen er binnen te dringen; we moeten met deze mensen leven; laat je niet door angst overmeesteren, doe een beroep op het goddelijke in hen. Maar haar lichaam was niet voor, rede vatbaar; pas toen ze de deur bereikt had kreeg zij zichzelf in bedwang. Haar gevoel schreeuwde haar toe de kelder binnen te duiken en de deur achter zich te grendelen, maar ze slaagde erin haar panische angst meester te worden en keerde zich naar de Indianen toe. Achter haar riep Cleo verschrikt: ‘Nee! Niet doen! Kom hier!’ Maar ondanks haar bonzend hart, de duizeligheid van het harde lopen, kwam er een grote kalmte over haar. De Indianen reden langzaam naderbij, hun bijlen op een eigenaardige manier van zich afhoudend. Ze moest daar niet domweg blijven staan; als ze hen wilde overtuigen dat zij welkom waren moest ze hen tegemoettreden. ‘Net als met een hond, die blaffend op je afkomt,’ dacht ze. ‘Laat zien dat je niet bang bent.’
Ze liep een paar stappen op hen toe; niettegenstaande haar kalmte knikten haar knieën. ‘Welkom, Vrienden,’ zei ze, op een opgewekte toon. ‘Wij zijn blij jullie te zien! Wij zijn Quakers. We zijn jullie vrienden...’ Ze hoopte dat ze niet konden horen hoe onnatuurlijk haar stem klonk. Spraken ze eigenlijk wel Engels? Haar maag kromp ineen; ze bad God, krampachtig, om haar te helpen tot de unieke, onvervangbare individuen door te dringen achter die geverfde maskers, die uitdrukkingloze zwarte ogen die haar strak aanstaarden.
‘Willen jullie niet afstappen en wachten tot mijn vader en zijn mannen
terugkomen?’ vroeg ze met een schrilheid die ze niet kon verhelpen. ‘Ze zijn vlak bij, in het bos, ze kunnen ieder ogenblik hier zijn ... Welkom, vrienden ... K-Kom binnen, g-ga zitten...’
Ze wist niet meer wat ze zei. Iets bracht haar van haar stuk: een geluid achter haar. Het duurde een seconde voor ze besefte wat het was: het schuiven van de grendel op de kelderdeur. De twee Indianen gleden van hun paarden met een onverhoedse beweging die haar bijna deed vluchten, maar ze wist zich te beheersen. Zij kwamen te voet naar haar toe, en ze glimlachte moedig. Als ze van de een naar de ander bleef kijken kon ze onmogelijk het goddelijke in een van beiden bereiken; ze concentreerde haar aandacht op degene die het vriendelijkst leek. Ze glimlachte, bibberend, tegen de man die zijn bijl had laten zakken. Het wapen bleek vast te zitten aan een touw om zijn middel, waaraan het nu bungelde. Zijn handen, klein en raar als die van een aap, hingen slap omlaag terwijl hij op haar toekwam. De verf op zijn gezicht maakte het moeilijk haar aandacht op zijn ogen te richten, maar ze deed het, met de moed van de wanhoop. Ze zei, schril: ‘Welkom, vriend, wij zijn Quakers, wij zijn je vrienden. Wil je niet gaan zitten?’
De ogen die haar uit het gele verfmasker aanstaarden reageerden niet. Er scheen geen diepte in te zijn; zij namen haar op met achterlijke wezenloosheid, het leek onmogelijk dat achter die ogen iets goddelijks verborgen lag. Toen besefte zij: ik had Cleo moeten vertrouwen. Zij kent de wildernis, ik niet. Nu sta ik tegenover de wildernis.
Zij wist wat er zou gebeuren toen hij zijn hand ophief. Het was niet zij die het wist, het was haar lichaam, alsof het een eigen, geheime kennis bezat. Ze fluisterde: ‘Nee, nee, in godsnaam, nee...’ Een vinger haakte achter de bovenrand van haar japon en ze gilde het uit bij de domme vernielzucht van die vinger. Haar japon werd met geweld opengescheurd; ze krijste: ‘Pappie! Pappie! Help!’
Toen verloor ze al haar beheersing. Ze worstelde, gillend, gillend, tot de wildernis haar overweldigde.
***
Bij de eerste gil stormde Abby naar de deur, maar Cleo greep haar in het donker en hield haar tegen. Buiten werd het gegil zo wanhopig dat Abby snikkend op haar knieën viel en haar handen op haar oren drukte, maar ze bleef het gegil horen. Ze probeerde voor Becky te bidden, God te smeken haar te helpen; toen hield het gillen plotseling op. Ze liet haar handen zakken en sprong naar de deur in een laatste, wanhopige poging om Becky te hulp te komen; maar weer greep Cleo haar en smeet haar terug. Toen ze iets wilde zeggen drukte Cleo een hand op haar mond die haar benauwd maakte; zij probeerde zich los te rukken, maar Cleo fluisterde: ‘Stil! Als ze je horen, komen ze hier!’
Hier? Hoe zouden ze dat kunnen? De deur was gegrendeld; Oom Bizon
had gezegd dat zelfs de ergste storm die deur niet zou kunnen openbreken. En wie waren ‘ze’? Ze had een glimp van twee ruiters opgevangen voor Cleo haar had meegezeuld naar de kelder. Waren het Fransen? Indianen? Waarom was Becky opeens stil geworden? Hadden ze haar ontvoerd? Opnieuw probeerde ze los te komen, maar Cleo siste: ‘Stil! Daar zijn ze!’
Toen liet Cleo haar los. In het vage licht dat door de luchtkoker naar binnen viel zag Abby haar iets oprapen: de bijl voor de houtblokken. Opeens klonken stemmen, dichtbij. Gegrinnik; iemand rammelde aan de deur. Cleo hief de bijl op en Abby verstarde van schrik. Ze zou ze toch niet te lijf gaan als ze binnenkwamen? Wat zouden ze hun aandoen als ze verloor? Het gerammel aan de deur hield op. De stemmen gingen weg. Abby stond op het punt naar de deur te gaan toen de kelder opeens donker werd. Eerst begreep ze niet hoe dat kwam, toen besefte ze dat ze de luchtkoker moesten hebben gevonden: iemand probeerde naar binnen te kijken. Er klonk een schurend geluid, alsof er een groot blok langs de houten glijbaan omlaag werd geduwd. Iemand kwam naar beneden, op hen af! Abby smoorde een gil, kneep in doodsangst haar ogen dicht, toen hoorde ze een knersende bons, en het werd stil. In de stilte klonk een zacht geplas.
Ze opende haar ogen; ze begreep niet waar het geplas vandaan kwam. Ze zag Cleo iets wegslepen aan de voet van de glijbaan: een naakt lichaam, besmeerd met verf. Toen werd het weer donker.
Een stem riep, vragend, naar beneden, in een vreemde taal. Dat moest de andere man zijn, die de eerste riep. Het werd opnieuw donker en daar kwam weer dat schurende geluid, alsof er een blok hout langs de glijbaan omlaag werd geschoven. Abby bad: ‘God, God, help, God red me, red me...’ Wéér een knersende bons, en opnieuw dat geplas.
Het werd weer licht en Abby zag Cleo een ander lichaam wegslepen. ‘Wat heb je met ze gedaan?’ fluisterde ze; toen, in het licht van de luchtkoker, zag ze iets kleurigs aan de gordel van het tweede lichaam: een blauw lint, een vlecht blond haar.
De kelder draaide om haar heen; toen werd alles donker.
***
George McHair was in zijn nopjes. Het was hem gelukt een kudde elanden te besluipen, kennelijk pas uit het noorden want ze hadden nog geen ervaring met mensen. Van heel dichtbij, onder de wind, had hij een jonge bok neergelegd met één schot. Nu was hij op weg naar huis, de dode eland met bungelende poten dwars over zijn zadel.
Hij schrok toen hij bij zijn nadering twee vreemde paarden opjoeg, die weggaloppeerden, het oerwoud in. Wilde mustangs! Hij besloot erachter aan te gaan en te proberen er één met zijn lasso te vangen; hij duwde de eland van zijn paard, gaf Betsy de sporen, galoppeerde langs de blokhut en zag Oom Bonny zitten, naast de ingang van de kelder. Hij had één van de meisjes in zijn armen; ze moest flauwgevallen zijn of een ongeluk hebben
gehad. Hij vergat de mustangs, sprong van zijn paard, holde naar hem toe, en zag dat het Becky was. Bij het zien van haar gruwelijke, gevilde schedel, haar bebloede gezicht, haar gescheurde japon, haar naaktheid, draaide hij zich vol ontsteltenis om.
De deur van de stormkelder knerste open en Cleo kwam naar buiten met in haar hand een bijl die droop van het bloed. Wat was er gebeurd? Waar was Abby? Hij duwde haar opzij en bukte de kelder in.
Aanvankelijk kon hij geen hand voor ogen zien; toen zag hij een paar blote kinderbenen, een verfrommelde rok; Abby! Hij boog zich over haar heen, tilde haar op, droeg haar naar buiten, en legde haar voorzichtig in het gras. Abby kreunde, haar lippen bewogen; hij riep verheugd: ‘Oom Bonny! Ze mankeert niks! Zit maar nergens over in, hoor! Ze heeft niks!’
Oom Bonny draaide langzaam zijn hoofd om en keek hem aan. Zijn gezicht was krijtwit, zijn ogen glazig. George schaamde zich. Wat had hem bezield: ‘Zit maar nergens over in?’
Cleo zat op de grond, bij de kelderdeur, haar hoofd in de handen. Was er nog iets in die kelder? Hij ging kijken en vond de twee lijken. Toen hij het eerste naar buiten sleurde ontdekte hij dat het geen hoofd had; hij bleef er een ogenblik ontzet naar staren, toen ging hij het andere halen. Het bleek ook geen hoofd te hebben; hij ging opnieuw terug, vond de twee hoofden en bracht ze naar buiten, bij de haren. Toen hoorde hij een gil.
Abby zat rechtop in het gras en staarde naar de hoofden, haar ogen vol afgrijzen. Hij probeerde de hoofden achter zijn rug te verbergen en stamelde: ‘Het spijt me.’ Hij zocht een plekje voor de hoofden en zag dat Cleo bezig was haar halsdoek om Becky's schedel te wikkelen. Oom Bonny zat naar haar te staren, haar dode hand in de zijne. Toen pas drong het tot George door dat Cleo de Indianen onthoofd had. Het leek zo'n tegenstelling met wat ze nu voor Becky deed dat hij het gevoel kreeg alsof alles een droom was.
Cleo stond op en ging de kelder in. Toen ze weer te voorschijn kwam had ze twee schoppen bij zich. Ze wenkte hem; hij volgde haar; ze begonnen de graven te delven, aan de rand van het bos.
***
Die middag, vlak voor de begrafenissamenkomst zou beginnen, kwamen Bizon McHair en zijn mannen onverwacht terug. Hun verkenners hadden Indianen gezien; ze waren verbijsterd toen ze hoorden wat er gebeurd was. Tranen liepen in Bizons baard toen hij op het dode lichaam van Becky stond neer te kijken; hij wenkte zijn mannen en ze stelden zich op naast Bonifacius, Abby, Cleo en George. Gezamenlijk keerden zij in tot het diep van de stilte.
Bonifacius was nog niet tot de werkelijkheid teruggekeerd. Een beschermend instinct had zijn bewustzijn verdoofd op het moment dat hij Becky vond; wat er sindsdien was gebeurd was niet werkelijk tot hem doorgedron-
gen. Hij had de voorbereidingen voor de begrafenis getroffen, opdracht gegeven de Indianen aan weerszijden van Becky te begraven, haar lichaam met een deken bedekt en haar Quaker-muts erop gelegd. Nu stond hij bij haar graf, van elk gevoel gespeend, beroofd van alle wensen.
Plotseling kwam er een horde Indianen, krijsend en gillend, het bos uitgereden. Bizonriep: ‘Knielen!’ Bonifacius hoorde het geklik van geweren. Op dat ogenblik kwam de Tegenwoordigheid over hem.
Hij hief zijn armen op en riep: ‘Halt!’
De Indianen en Bizon en zijn mannen stonden plotseling roerloos; alleen de paarden briesten en stampten. Een reusachtige Indiaan reed langzaam naar de graven toe, steeg af, en tilde de dekens van de lijken op. Toen gaf hij zijn paard een klap op de achterhand, het galoppeerde weg, en hij stelde zich naast Bonifacius op. Hij maakte een bevelend gebaar; de ruiters stegen af, de paarden verspreidden zich; het werd stil. Bonifacius besefte dat zij in samenkomst verenigd waren.
Maar na dat ene, wonderbaarlijke ogenblik voelde hij zich opnieuw leeg, zelfs toen Bizon en George naar de graven liepen, Becky's lichaam optilden en in het graf lieten zakken. Toen ze de spaden grepen voegden een paar Indianen zich bij hen, gooiden de andere lijken ruw in de graven en schepten er met hun handen aarde bovenop.
Nadat de drie lichamen waren begraven, gaf iemand Bonifacius de muts van Becky, en ze bleven andermaal in stilte staan. Paarden hinnikten aan de waterrand, de avondwind begon te ritselen in de bomen. Het Indiaanse opperhoofd beëindigde de samenkomst door hem de hand te reiken; Bizon zei: ‘Wel, Zilverwolf, waar kom jij zo opeens vandaan?’
De Indiaan antwoordde, in het Engels, wijzend op de blokhut: ‘Is dit de school die ons beloofd is?’
Bizon ontweek de vraag. ‘Dus nu zijn je krijgers bezig onschuldige vrouwen af te slachten?’
‘Dat waren mijn krijgers niet,’ antwoordde het opperhoofd minachtend. ‘Dat waren Miami-honden. Jullie hebt er goed aan gedaan ze zonder hoofd naar de hel te sturen. Maar we hebben ze verpletterd. Die twee schurftige honden moeten de laatsten zijn geweest.’ Hij wendde zich tot Bonifacius. ‘Ik ben Zilverwolf, opperhoofd van de Unami-stam van de Delawares. We gaan ons dorp hier bouwen en onze kinderen naar je school sturen. Was de dode squaw een onderwijzeres?’
Bizon zei: ‘Dat was zijn dochter.’ Hij nam Bonny bij de arm en troonde hem mee, door de kudde grazende Indiaanse paarden, naar het meer. Toen ze aan de oever stonden zei hij: ‘Pas op voor Zilverwolf, hij is een ratelslang. Zeg “ja” op alles wat hij te berde brengt. Morgen gaan we naar Philadelphia.’
‘Ik niet,’ zei Bonny.
‘Je wilt toch niet bij die Indianen blijven?’
‘Ik kan Becky niet alleen laten.’
Bizon keek hem aan. ‘Zoals je wilt,’ zei hij. ‘Maar besef je dat je in dat
geval een school voor hen zult moeten beginnen?’
Bonifacius gaf geen antwoord. Hij staarde naar het eilandje in de verte.
‘Moet je luisteren,’ vervolgde Bizon. ‘Ik zal een paar van mijn mannen hier achterlaten. Ik kom terug zodra ik de meisjes naar de bewoonde wereld heb gebracht. Laat Zilverwolf in geen geval zijn dorp bij je blokhut opzetten. Zeg maar dat hij naar de andere kant van het meer moet gaan omdat je ruimte nodig hebt voor de school en de leerkrachten en een Vergaderingsgebouw. Hij zal dat accepteren omdat de school en de nederzetting zijn mensen ten goede zullen komen. Ben je bereid om die school te beginnen? Anders lig je morgen aan de dag naast de drie die we daarnet begraven hebben, Vriend.’
Bonifacius antwoordde niet.
Bizon legde een arm om zijn schouders. ‘Bonny, toen jij ons tegenhield toen we op het punt stonden op die Indianen te schieten, was je in de kracht Gods. Ik wil daar 's over praten. Ik heb een voorstel. Ik heb Philadelphia al jaren gevraagd om een dominee voor mijn mensen, geen tamme kraai zonder kraak of smaak, maar een man Gods die ons door zijn gedrag zal verheffen. Wil jij onze dominee worden, Bonny?’
Bonifacius sloot zijn ogen en fluisterde: ‘Neem me niet kwalijk - ik - ik wou even alleen zijn.’
‘Ik begrijp 't. Ik hoor 't wel als ik terugkom.’ Bizon nam zijn arm weg. ‘Ik geloof dat George en ik er maar eens vandoor gaan. We moeten niet blijven rondhangen, met die meisjes.’
Bonifacius knikte. Toen Bizon weg was liep hij naar het bootje en roeide het meer op.
Halverwege het eilandje vervaagden de geluiden van paarden en hij hoorde het ijle gefluit van de geitenmelkers. Hij streek de riemen, vouwde zijn handen en zag zijn schuld onder ogen.
Hij had Becky hier gebracht. Begeerte naar Cleo had hem ertoe gedreven vanmorgen het meer op te roeien, om te dromen. Hij had Becky vermoord. Zijn zonde was onvergeeflijk.
Hij hoorde een gejuich; toen hij naar de oever keek zag hij een menigte naakte Indianen in het water plassen. Ze sprongen rond, spatten elkaar nat; hun stemmen weergalmden in het woud. Pas toen ze zich begonnen te wassen besefte hij dat ze de oorlogsverf verwijderden. Het was vrede.
Hij roeide terug. Ze spatten hem nat toen zijn bootje tussen hen doorgleed. Een uur later vertrokken Abby, Cleo, George en Bizon; toen hij zich uitgeput op zijn bed uitstrekte viel hij onmiddellijk in slaap.
Midden in de nacht werd hij wakker. Hij vroeg zich af wat hem gewekt had; toen hoorde hij het opnieuw: een gehinnik, vlak bij. Hij hoorde de deur kraken, tastte naar de tondeldoos, stak de kaars aan.
‘Wie is daar?’
Het gordijn werd langzaam opgelicht.
‘O, mijn God...’
Het was Cleo.