Buiten de hoge vensters van het zondagsschoollokaal in het Vergaderingsgebouw in Philadelphia viel de eerste sneeuw. Zij bedekte de binnenplaats en de grafstenen met een mantel van stilte. In het klaslokaal heerste ook diepe stilte, ofschoon er veertien mensen in de banken zaten die voor kinderen bestemd waren: mensen van alle leeftijden, uit alle kringen, maar geen Vrienden. Het enige dat ze gemeen hadden was dat ze doofstom waren.
Ze zaten gespannen naar hun lerares Beula Baker te staren, die, statig in haar Quaker-kledij, bij het bord stond. Op het bord waren de letters van het alfabet geschreven met bijbehorende vingerposities. Langzaam, met pauselijke gebaren alsof ze de zegen over hen uitsprak, spelde Beula een reeks woorden, na iedere letter wachtend tot elk van haar leerlingen het herhaald had.
BOB
BEP
BAD
MET
SLECHT
Een oude Duitse vrouw was de traagste; een joods jongetje het gewiekst. Hij volgde al haar bewegingen met aandacht, vol blijdschap omdat de wereld van de levenden voor hem ontsloten werd. Ook deze ochtend kwam ze weer in de verleiding vlug met hem verder te gaan en de anderen maar te laten ploeteren met hun grote handen die de woorden maar niet konden vormen. Ten slotte kon ze de verleiding niet langer weerstaan; ze wenkte de kleine Abraham en beduidde hem met gebaren dat hij uit de woorden op het bord een zinnetje moest samenstellen. Daar stond hij, stralend met zijn krullekop en zijn lange jas, en zijn snelle, sierlijke vingers vormden zonder aarzeling: ‘Bob met de slechte...’
Ze vermaande hem het langzamer te doen ... Langzaam.
Hij lachte met een tinteling in zijn ogen en herhaalde, langzaam: ‘Bob met de slechte Bep in bad.’
Het was schandalig, maar ze moest zich omdraaien om haar lachen te verbergen. De klas, die hen niet-begrijpend aangaapte, had het zinnetje blijkbaar niet zo gauw kunnen bevatten, Goddank. Het was schandalig! Maar de ondeugende pret van de kleine Abraham gaf haar een vreemd gevoel van vervulling. Ze stond op het punt hem een standje te geven toen ze, achter de glasdeuren naar de gang, Jeremia naar binnen zag kijken. Was het al tijd? De les scheen nog maar net te zijn begonnen. Maar hij wenkte haar; ze
verzocht de klas de handen te vouwen en het hoofd te buigen voor de korte samenkomst waarmee ze haar lessen begon en sloot. Het was merkwaardig hoe grif ze dat Quaker-gebruik hadden overgenomen; ze had er nooit bij stilgestaan dat een stille samenkomst de enige eredienst was waar doofstommen aan konden deelnemen.
Ze schudde Abrahams broze, slanke hand. ‘God,’ dacht ze, ‘dank U dat Ge de vloek van mijn doofheid tot een zegen voor anderen hebt gemaakt.’ Ze glimlachte tegen haar leerlingen en ging naar Jeremia toe; Abraham begon de woorden van het schoolbord te vegen. Ze liep de gang in, popelend om Jeremia het grapje van de ondeugende Abraham te vertellen. Ze wist dat hij het leuk zou vinden; ze hadden de gebarentaal voor doofstommen samen ontworpen, Jeremia had er zijn historische bibliotheek voor vergeten.
Zodra hij haar bij de arm nam wist ze dat er iets niet in orde was. Met de gevoeligheid voor de stemmingen van anderen die ze als gevolg van haar doofheid ontwikkeld had, besefte ze dat hij ontdaan was. Er moest iets ernstigs gebeurd zijn. Terwijl hij haar door de donkere gang leidde vroeg ze zich af wat het in vredesnaam zou kunnen zijn. Oorlog? Bonny? De kinderen? Had de Vergadering besloten een eind aan haar lessen te maken? Nee, dat was ondenkbaar.
Tot haar verrassing nam hij haar niet mee naar buiten maar naar de grote vergaderzaal. Er was niemand; het tussenschot was opgehaald; het witte licht van de sneeuw, schaduwloos, deed de rijen banken leger schijnen, de witgekalkte muren kaler.
‘Wat is er, Jerry?’
Hij nam haar beide handen en zei, langzaam en duidelijk: ‘Wees dapper, liefste. Becky is dood.’
‘Becky?’
Hij knikte. ‘Ze stierf aan moeraskoorts. Een maand geleden. Ze heeft niet geleden.’ Hij kuste haar handen; tranen liepen langs zijn gezicht.
Ze had de onweerstaanbare opwelling zich van zijn verstikkende nabijheid te bevrijden. ‘Alsjeblieft, Jerry, laat me alsjeblieft even alleen. Even maar. Ik kom straks bij je.’
‘O God, O God,’ mompelde hij. ‘Ik wou dat ik het je kon besparen, ik wou...’
Zijn overdreven verdriet irriteerde haar. Zag hij niet in dat hij haar alleen moest laten om de waarheid onder ogen te zien?
Eindelijk liet hij haar met rust en liep het gangpad af.
Ze ging zitten en wachtte tot het verdriet haar zou overweldigen, Becky was dood. Zij was een maand geleden in de wildernis gestorven. Ze had niet geleden. Nu, dat was maar gelukkig. Wat was dat voor een manier van reageren? ‘Nu, dat was dan maar gelukkig?’ Ze begreep zichzelf niet. Wat voelde ze, op dit moment? Becky was dood. Becky, haar kind, was al een maand dood. Terwijl zij doofstommen had geleerd in gebarentaal te praten, daarbij een vervulling en een geluk vindend dat ze nooit eerder had gekend, was haar kind in de wildernis gestorven, ergens in een donker gat begraven,
in de vochtige aarde van het oerwoud. Ze probeerde zich Becky voor te stellen, haar Becky, zoals ze daar lag, onder de grond. Wormen ... Ze bedekte haar gezicht met de handen en schudde het visioen van zich af. Ze herwon die onverschilligheid, die onnatuurlijke kalmte. Het was net als tijdens de vendutie: huis weg, meubilair weg, echtgenoot weg, kinderen weg. De kinderen waren al maanden weg. Het kon best dat Joshua ook al dood was, en Abby. Misschien had Jeremia haar niet alles durven vertellen. Misschien was Abby ook dood.
Maar ze voelde geen verdriet. Was ze meer verbonden met de kleine Abraham dan met haar eigen kinderen? Abraham was hier, Abraham was van haar afhankelijk, zij leerde Abraham praten. Ze herinerde zich Becky's eerste geluidjes: ‘Baba, baba.’ Een kleuter met loshangende luiers, vuile voetjes. Becky was dood. Het was in-droevig. Ieder ogenblik kon ze gaan huilen, maar op dit moment kon ze niet treuren om een kind dat haar had verlaten. Wat een gedachte voor een moeder! Becky was met haar vader meegegaan, en had geen traan gelaten toen ze haar achterliet. De kleine Abraham zou het niet kunnen verdragen als ze hem verliet.
Abraham! God, was het mogelijk dat ze meer van dat jodenjongetje hield dan van haar eigen vlees en bloed? Waarschijnlijk wel; maar ze kon er niets aan doen. Ze kon tegenover anderen de passende gevoelens voorwenden, maar God kon ze niet misleiden. Starend naar de vensters, de dwarrelende sneeuw, besefte ze dat ze zelfs eeuwige verdoemenis zou aanvaarden als God haar maar toestond haar doofstommen te blijven onderwijzen.
Ze stond op en liep naar de deuren. Ze wankelde, alsof haar lichaam geschokt was en haar emoties onberoerd bleven. Ze moest zich vasthouden terwijl ze van bank tot bank liep, bang, want er was iets met haar gaande dat ze niet begreep. In de vestibule snelde Jerry naar haar toe; ze was dankbaar voor zijn steun. Ze bleven een ogenblik staan, hij met zijn armen om haar heen. Ze keek naar zijn bedroefde gezicht, zijn lieve ogen; toen hij de deur voor haar opendeed, vroeg ze: ‘Jerry? Is er nog iets anders? Is - is het Abby...?’
‘Nee, nee!’ antwoordde hij haastig. ‘Met Abby is alles goed! Dat is het goede nieuws: ze is hier.’
‘Hier?’
‘Ze wilde met me meekomen, maar het leek me beter...’
De gedachte dat Abby hier was gaf haar plotseling de overweldigende behoefte haar in haar armen te houden, haar tegen zich aan te drukken. Abby! Abby thuis! Ze holde naar de koets, die schimmig zichtbaar was in de sneeuw.
Abby wierp zich met een kreet in haar armen zodra ze Grizzles huis binnenkwam. Toen ze het bevende kind in haar armen sloot, begon het pas tot haar door te dringen: nooit zou ze Becky meer in haar armen houden zoals nu dit snikkende kind.
‘O, Mama, Mama,’ jammerde Abby, haar hoge stemmetje schor van het huilen, ‘Mama, Mama...’
Alles lag in die woorden besloten. Opeens wist ze dat Becky niet aan moeraskoorts overleden was, maar aan iets anders, dat Jerry haar niet had willen vertellen.
Die avond vertelde Abby het haar, fluisterend, in bed, dicht tegen haar aangedrukt, zo dicht als ze maar kon. Toen werd het eindelijk werkelijkheid voor haar. Het kaarslicht vonkte van tranen. ‘O mijn liefje, mijn liefje, liefje, liefje ... Wat hebben ze je aangedaan?’
Abby viel in slaap in haar armen.
***
Joe Woodhouse kwam die avond laat van de zaak thuis en was ontzet toen hij hoorde dat Becky dood was. De nacht lang kon hij de slaap niet vatten, omdat hij haar steeds in gedachten voor zich zag; het was de eerste keer dat iemand die hem na stond was gestorven. Tegen de ochtend viel hij eindelijk in een onrustige slaap.
Bij het ontbijt was iedereen gedrukt en somber, er werd geen woord gewisseld. Ten slotte zei zijn moeder: ‘Joe, ik geloof dat je maar eens naar hiernaast moest gaan om Tante Beula en Abby te condoleren. Per slot van rekening was je nogal intiem met Becky.’
‘Ja, moeder,’ zei hij plichtmatig, maar hij had er helemaal geen zin in. Iemand te moeten condoleren was al moeilijk genoeg; als je ook nog moest schreeuwen omdat ze doof was werd het helemaal een paskwil. Bovendien was hij er zeker van dat Tante Beula zich niet goed zou kunnen houden en het zou uitsnikken, om van Abby maar niet te spreken. Toch ging hij na het ontbijt naar het buurthuis, omdat er nu eenmaal niets anders op zat.
Hij werd door Tante Grizzle op beide wangen gekust toen ze de deur voor hem opendeed. ‘O, arme jongen, arme jongen!’ Ze drukte hem tegen zich aan en wreef haar natte gezicht tegen het zijne. ‘Wat een verdriet! Wat - wat - een -’ Ze kon blijkbaar geen woord bedenken dat na deze inleiding niet als een anticlimax zou klinken. ‘Arme Beula ligt te bed, dokter Moremen is geweest en heeft haar een slaapdrankje gegeven, maar Abby is beneden, het arme kleine ding, het arme, verdrietige, stakkerachtige kleine ding...’ Ze deed de deur van de eetkamer open alsof het een sterfkamer was en fluisterde: ‘Ik zal jullie tweetjes maar even alleen laten...’ Ze haastte zich weg.
Met het gezicht dat bij de gelegenheid paste ging Joe de eetkamer binnen. Abby zat alleen aan de eettafel. Ze keek hem onhartelijk aan en zei, haar mond vol halfgekauwd brood: ‘Goejemorgen.’
‘Ik - ik kom je condoleren met de dood van je zuster,’ zei Joe. Het klonk belachelijk formeel.
‘Bedankt,’ zei ze, pakte een lepeltje en ging de chocoladehagelslag van haar bord scheppen. Het brood dat ze in de mond had moest er duimdik mee belegd zijn; klaarblijkelijk profiteerde het kleine monster van de gelegenheid.
‘Het moet een hele schok voor je zijn geweest,’ zei hij.
‘En of.’ Ze stond op, reikte over de tafel heen, greep nog een boterham en begon die te boteren alsof ze cement op een baksteen smeerde.
‘Was je erbij toen ze ... overleed?’
‘Nee. Ik hoorde alleen maar het gegil.’
Hij had niet beseft dat doodgaan aan moeraskoorts met pijn gepaard ging. Het verschrikte hem; in zijn verbeelding had hij Becky vredig in haar slaap zien sterven, bleek en afgemagerd, in een bovenaardse stilte.
‘Gillen dat ze deed,’ ging het kind verder, terwijl ze hagelslag op haar boterham schudde. ‘Het gebeurde vlak voor de deur van de kelder. Ik wou opendoen, maar Cleo hield me tegen. Ze had gelijk. Als ik het gedaan had, zouden de Indianen ons ook te grazen hebben genomen.’
‘Indianen...?’
‘Hebben ze je dat dan niet verteld?’
‘Maar ze is aan moeraskoorts gestorven!’
‘Niks hoor!’ Ze nam een hap brood, waarbij ze hagelslag morste op haar bord en op het tafellaken.
‘Hoe dan? Wat is er gebeurd?’
Ze wees op haar volle mond, kauwde en mompelde: ‘Ze is - gescalpeerd - door de Miamis.’
Een ogenblik zat hij met stomheid geslagen, toen zei hij, met een mengeling van afgrijzen en woede: ‘Je liegt 't!’
‘Het is waar!’ riep ze. ‘Vraag het maar aan George! Hij heeft het ook gezien! Haar haren...’
Hij stond op. ‘Als ik er ooit achter kom dat je dit aan iemand anders hebt verteld, draai ik je je nek om.’
‘Poe!’ zei ze, met een explosie van hagelslag.
Hij liep de kamer uit; Tante Grizzle stond in de gang te wachten.
‘Hoe is het met haar?’ fluisterde ze.
‘Ze schijnt eroverheen,’ antwoordde hij.
‘O, God!’ snikte Tante Grizzle. ‘Ik zou er alles voor over hebben om het arme kind te helpen vergeten...’ Tranen stroomden langs haar wangen.
Hij kon het niet meer aan. ‘Neem me niet kwalijk,’ mompelde hij, en holde met ongepaste haast naar de voordeur.
***
Abby, de halfverorberde boterham in haar hand, zat naar het langzaam opkomende angstvisioen te staren: het onthoofde bruine lichaam, Becky's haar dat aan zijn gordel hing, het blauwe lint. Ze had gedacht dat ze er eindelijk over kon praten zonder het weer op haar zenuwen te krijgen; Joe had haar pas gewonnen zelfvertrouwen weer tenietgedaan. Ze liet haar hoofd op haar armen vallen en snikte het uit, moederziel alleen in een wereld vol duisternis. De deur ging open, een japon ruiste, beschuttende armen omhelsden haar en Tante Grizzles stem fluisterde: ‘Liefje, liefje! Abby,
schat! Wat scheelt eraan? Wat is er, kindje, kleintje, wat scheelt eraan?’
Moeder had nooit zo tegen haar gepraat; ze hief haar gezicht op, staarde naar de bolle ogen vol tranen, en bulkte het uit.
‘Stil maar, baby, toe dan, toe dan, stil, Tante Grizzle is hier, alles is goed...’ Ze werd tegen Tante Grizzles boezem gedrukt; nadat een troostende hand een tijdlang haar schouder beklopt had, lukte het haar eindelijk te stamelen: ‘O, Tante Grizzle ... het spijt me zo, ik heb hagelslag op je tafelkleed gemorst...’ Opnieuw barstte ze in wanhopige snikken uit, maar dit keer was het anders.
‘Hindert niet, hindert niet, liefje, schatje!’ zei Tante Grizzle, terwijl ze haar haren kuste. ‘Mors maar zoveel je wilt, mors ze door het hele huis, ik hou van je, ik hou van je, het kan me geen zier schelen...’
Met de armen om elkaar snikten zij het uit.
***
Verblind door de sneeuw in de zonbelichte straat sloeg Joe rechtsaf om naar huis te gaan, maar toen hij langs hun huis liep, zag hij iemand achter het raam van de eetkamer naar hem kijken. Hij kon nog niemand onder ogen komen, hij moest eerst verwerken wat Abby hem verteld had. Hij twijfelde er niet langer aan dat het de waarheid was; het verklaarde de ontwijkende manier waarop George McHair over Becky's ziekte gepraat had.
Plotseling, als een hallucinatie, zag hij Becky worstelen, haar japon aan flarden, een naakte Indiaan hield haar tegen de grond gedrukt terwijl de andere ... God, lieve God! Hij rende blindelings de straat uit.
De besneeuwde kade van de Delaware met de kale bomen was verlaten op een vrouw na die, de capuchon van haar mantel over haar hoofd getrokken, op de hoek van de Waterstraat stond, bezig duiven te voederen; hij liep naar het woud van masten in de verte. Hoe was het mogelijk dat een lief, kwetsbaar meisje, dat ondanks haar humeurigheid zo gevoelig was geweest ... O mijn God! Hij zette het weer op een hollen, herinnerde zich de vrouw op de hoek, en ging langzamer lopen, in de richting van het Vergaderingsgebouw.
Hij duwde het hek open; de gevel met de starende hoge vensters schrikte hem af; hij liep de begraafplaats op. In een hoek veegde hij de sneeuw van een bank en ging zitten, zijn hoofd in de handen, starend naar zijn voeten in de sneeuw. Hij hoorde het hek en zag iemand binnenkomen. Hij stond op het punt weer de benen te nemen toen hij het frêle silhouet herkende. ‘Himsha!’ riep hij, en er scheen iets in hem te breken.
Ze kwam naar hem toe, vol bezorgdheid. Toen ze naast hem stond en haar zwarte ogen op hem neerkeken, greep hij haar hand en fluisterde: ‘Himsha, o, Himsha!’
Zij ging naast hem zitten; hij barstte in tranen uit, zijn hoofd op haar schoot. Zijn hoed viel in de sneeuw.
***
Himsha streelde Joe's haar. Maar ze kon het niet helpen, ze was vervloekt met een ingeboren argwaan. Al haar liefde, haar tederheid ging naar hem uit, maar tegelijkertijd kwamen er gedachten in haar op die ze niet kon onderdrukken. ‘Hij komt naar boven om lucht te happen, net als een otter ... Ik vraag me af of hij ooit zo op háár schoot heeft gelegen.’
Hoe kon ze zo aan dat dode meisje denken? Ze wilde dat ze de opwelling had bedwongen hem achterna te gaan. Het was onwelvoeglijk om achter een jongen aan te lopen, ook al was het om hem te troosten. Maar er was zo iets zieligs aan hem geweest toen hij het huis voorbijliep. Hij moest helemaal van streek zijn door Becky's dood. Maar daar had hij de avond tevoren al over gehoord. Was er iets anders? Iets waar zij niet van wist? ‘Vertel me, Joe,’ zei ze zacht. ‘Wat heeft je zo overstuur gemaakt? Wat is er gebeurd?’
‘Ik kan het je niet vertellen,’ mompelde hij, zijn gezicht in haar schoot.
‘Probeer het, Joe. Het zal je helpen om erover te praten.’
Hij bleef lang zwijgen; toen zei hij, opeens: ‘Becky is door Indianen vermoord en - en gescalpeerd. Abby zat in de kelder en hoorde haar gillen.’
Ze bleef roerloos zitten, starend naar zijn achterhoofd, terwijl de herinnering haar overweldigde. Weer zat ze te midden van de doden; iedereen was dood, zelfs haar hondje. De wigwams stonden in lichterlaaie; roerloos staarde ze naar de lichamen van haar moeder, haar zusters. Ze hoorde het gebrul van de ronddansende mannen, die zwaaiden met lange tressen zwart haar, waar het bloed vanaf spatte.
Hij hief het hoofd op. ‘Himsha?’
Een deel van haar hunkerde, wanhopig, naar zijn hulp, maar het andere deel, het deel dat ze vertrouwde, had zich teruggetrokken uit haar eigen lichaam, zoals toen Petrus Paisley haar overvallen had.
‘Himsha? Wat is er?’
Hij mocht het niet weten. ‘Ik heb het eens zien doen,’ fluisterde ze. Het kostte haar grote inspanning.
‘O, liefste...’ Hij ging overeind zitten, nam haar handen in de zijne en staarde haar zo vol tederheid aan dat ze zich langzaam afwendde van die herinnering. ‘Wat erg ... wat ontzettend erg...’
Zijn medeleven gaf haar het gevoel alsof ze naar hem toesnelde, weg van de brandende wigwams, de joelende mannen, de afgrijselijke poppen met de roze kale hoofden. Ze wilde de kreet die in haar opwelde onderdrukken; toen zei hij: ‘Liefste...’
Ze viel voorover in zijn armen.
***
‘En, collega,’ vroeg Gulielma Woodhouse glimlachend, terwijl ze haar stadsjapon dichtknoopte. ‘Wat is het vonnis?’
Dokter Moremen beantwoordde haar glimlach niet. Ze wist wat het antwoord zou zijn; ze had het al maandenlang geweten. Terwijl ze met de onwennige knoopjes aan haar mouwen frummelde vroeg ze zich af waarom ze het niet bij haar eigen diagnose had gelaten. Had ze verwacht dat hij zou aantonen dat ze het mis had? Hij was een goed arts, voor Philadelphia, maar hij wist op dit terrein minder dan zij.
‘Tja...’ zei hij, voorzichtig. ‘Wat is je eigen diagnose, Gulielma Woodhouse?’
Ze voelde dat haar glimlach in een nijdige grijns veranderde; gelukkig besefte ze tijdig dat ze bezig was van de man een zondebok te maken. ‘Ach,’ zei ze. ‘We weten het allebei wel zo'n beetje.’ Wat was dat voor rare, toffe taal? Waarom zou ze het niet ronduit zeggen? Om dezelfde reden waarom hij het niet ronduit zei: om de gevoelens van de patiënt te sparen. En waarom niet? Waarom andermans gevoelens sparen en niet haar eigen? Ze hoefde het niet ronduit te zeggen; ze moest alleen maar een paar noodzakelijke maatregelen treffen.
‘Zou je me even willen helpen met deze ellendige knopen, Vriend?’ vroeg ze, haar manchet voor hem ophoudend.
Dokter Moremen hielp haar met graagte, alsof dat het doodvonnis goed kon maken.
‘Ik heb een paar belangrijke zaken te regelen in het Verre Westen,’ zei ze. ‘Ik was van plan tot de lente in de stad te blijven. Zou jij, gezien je bevindingen van vandaag, suggereren dat ik eerder moet vertrekken?’
‘Dat zou ik,’ zei hij, bezig met de knoopjes.
‘Hoe eerder hoe beter?’
‘Ik zou zeggen van wel.’ Hij klopte haar op de pols. ‘Ziezo.’
‘Dank je.’ Ze ordende haar haren, wat er nog van over was. Ze hoefde zich nu tenminste er geen zorgen meer over te maken dat ze kaal werd. ‘Volgens jou is een reis te paard in hartje winter te prefereren boven een uitstel?’
Dit verbijsterde hem een beetje, en geen wonder. Waarom deze dwaze kiesheid? Ze wilde eruitflappen: ‘Laten we er niet langer omheendraaien!’ Maar ze kon het niet van zichzelf gedaan krijgen.
‘Ik zou 't wel denken,’ antwoordde hij.
Arme man, ze moest echt ophouden met dit kinderachtige spelletje.
‘Trieste geschiedenis, met die arme Becky Baker,’ begon hij, ontwijkend. ‘Het komt veel voor in de wildernis, naar ik hoor. Ik hoop dat de moeraskoorts niet tot de stad doordringt.’
‘Ik betwijfel het,’ zei ze. ‘Het komt alleen voor in geïsoleerde nederzettingen.’
‘Wat is het, volgens jou? Het dieet? Vapeurs?’
Ze dacht erover na, zei toen, met een effen gezicht: ‘Het dieet, zou ik zeggen. Te veel gezouten vlees.’
‘O ja?’ Hij leefde op. ‘Dat zou een goed onderwerp voor een lezing zijn, Gulielma Woodhouse. Het Medisch Genootschap heeft tussen Kerstmis en
Nieuwjaar een bijeenkomst; zou jij over dat onderwerp een causerie willen houden?’
‘Dat zou ik graag hebben gedaan, als jij me niet geadviseerd had onverwijld op reis te gaan,’ antwoordde ze onbarmhartig.
‘O - natuurlijk, natuurlijk.’ In verlegenheid begon hij zijn instrumenten op te bergen. Ze vroeg zich af hoe hij andere fatale diagnoses afhandelde. In haar praktijk had ze weinig gelegenheid gehad haar optreden aan het ziekbed te verfijnen; het was maar goed dat zij met haar prairiemanieren niet als arts op deze hyperbeschaafde gemeenschap werd losgelaten. ‘Wel,’ zei ze, en beheerste zich nog net op tijd om niet op haar dijen te slaan voor ze opstond. ‘Het wordt tijd dat ik opstap. Dank je, Vriend Moremen, voor je diagnose.’
‘Kom kom, waarde collega! Ik begrijp niet waarom je het nodig vond mij te consulteren.’
Het lag haar op de tong te zeggen: ‘Ik ook niet.’ Ze stak haar hand uit en hij maakte een gebaar alsof hij die wilde kussen; toen hij de hand zag drukte hij die alleen maar.
‘Nu dan, ik verwacht niet je ooit weer te zien,’ zei ze theatraal. ‘Ik wens je een gelukkig leven.’
‘Dank je,’ zei hij, onaangedaan. Haar pathos scheen een opluchting voor hem te zijn.
De besneeuwde stad met haar vrolijke kerstversieringen was donkerder dan een uur geleden. Sleeën suisden voorbij, vol vrolijke mensen met rode wangen, dik ingepakt in bont en sjaals; de hoefslag van de paarden werd door de sneeuw gesmoord. Een lantaarnopsteker was bezig zijn laddertje tegen een lantaarnpaal te zetten, achter hem strekte zich een snoer van sterren uit tot aan de Delaware, een zwarte grot onder de blauwe avondhemel. Boven het bos van New Jersey hing een Turkse halve maan. Droefgeestig gepeins over de schoonheid van de aarde was wel het laatste wat ze nodig had; ze keerde al dat moois de rug toe en wandelde naar het huis van haar broer. Ze moest zorgen dat ze zo gauw mogelijk bij de Huni-Indianen kwam. Misschien zou ze door één van hun toverdrankjes kunnen genezen; er viel niet aan te twijfelen dat Indiaanse medicijnmannen een verbijsterende kennis bezaten. Ze waren zich er tenminste van bewust dat het lichaam beheerst werd door de ziel; ondanks zijn vrome godsdienstigheid zou Vriend Moremen schamper lachen over het idee dat lichamelijke symptomen door geestelijke kwalen konden worden veroorzaakt. Voor hem en zijn Medisch Genootschap was de mens een machine die uit een reeks onderdelen bestond waarvan sommige konden worden gerepareerd, andere niet; in dat laatste geval was het apparaat ten dode opgeschreven.
Isaacs huis was versierd met een heidense kerstkrans die de laatste tijd voor het Genootschap aanvaardbaar was geworden, en ook met wit-en-blauw vlaggedoek rond het waaiervormige venster boven de deur, ter aankondiging van het aanstaande huwelijk en ten teken dat de toekomstige bruid en bruidegom allebei onder dit dak woonden. Onder de Anglicanen werd zo iets
onfatsoenlijk geacht; zodra een paar het voorgenomen huwelijk bekendmaakte, werd de bruidegom verondersteld elders onderdak te zoeken. Vrienden waren eerder geneigd op de kuisheid van hun jongeren te vertrouwen; zij had echter zo'n idee dat er 's nachts in Isaacs ingetogen huis heftig gestoeid werd. Joe was een geluksvogel dat hij zo'n verrukkelijk wezentje gestrikt had; vergeleken met Becky was Himsha McHair een zwaan vergeleken met een gans. Arme Becky! Gulielma vroeg zich af of Becky vermoord of van angst gestorven was. Indianen doodden de vrouwen die ze hadden verkracht maar zelden; ze scalpeerden alleen degenen met blond haar. Ze werden door blond haar aangetrokken als eksters door een spiegel; als ze eenmaal hun handen op lange blonde vlechten hadden waren ze niet in staat de verleiding te weerstaan ze aan hun gordel te hangen. Het was mogelijk dat het meisje aan hartverlamming was gestorven; ze had er altijd gepredisponeerd voor geleken, met die uitpuilende ogen, die blauwige gelaatskleur en de veelvuldigheid waarmee ze bloosde. Vermoedelijk was de dubbele schok van de verkrachting en het scalperen haar te veel geweest. In zekere zin had ze geluk gehad.
Na het avondmaal verzamelde de hele familie Woodhouse zich in de met kaarsen verlichte zitkamer. Abes dochtertjes, Prudence en Charity, kwamen er ook bij. Samen met hun jeugdige tante Caroline zongen ze kerstliederen en een paar andere liedjes die in minder ontwikkelde kringen als werelds zouden zijn beschouwd. Het was een avond vol weemoed; er kwamen gevoelens in Gulielma op die ze niet wilde aanmoedigen, daarom begon ze de anderen gade te slaan. Achter de officiële gelieven Joe en Himsha, die hand in hand zaten, was een tweede paar kennelijk eveneens door tedere gevoelens vereend: Jeremia Best en zijn zuster Beula. Gulielma vroeg zich af of ze zich bewust waren van de ware aard van hun levenslange aanhankelijkheid jegens elkaar; gelukkig was Grizzle Best zo verslaafd aan het bespioneren van anderen dat ze niet opmerkte wat zich onder haar neus afspeelde.
Gulielma stond op het punt de deur van haar slaapkamer open te doen toen Beula haar in de donkere gang aanklampte; ze moest op haar hebben staan wachten. ‘Gulielma,’ zei ze, ‘kom jij op je reis misschien langs Pendle Hill?’
‘Pendle Hill? O, Bonny? Misschien wel. Waarom?’
‘Ik zou je willen vragen of je een brief voor hem wilt meenemen.’
‘Natuurlijk, graag.’ Beula's gezicht leek zo gekweld dat Gulielma eraan toevoegde: ‘Is er iets?’ Het was jammer dat ze het moest schreeuwen; ze hoopte dat niemand zou komen opdagen om te zien wat er aan de hand was.
Even leek het alsof Beula op het punt stond te bekennen wat het was dat haar met zoveel zorg vervulde. Maar ze hield zich in bedwang; ze was, in zeker opzicht, een indrukwekkende vrouw. ‘Ik moet hem laten weten dat ik voorlopig niet kom. Hoe graag ik het ook zou willen, mijn plaats is bij Abby, en mijn leerlingen.’
Gulielma had gehoord van het werk dat zij en haar broer Jeremia voor de doofstommen verrichtten. Heel prijzenswaardig. ‘Het zal een grote teleurstelling voor hem zijn,’ schreeuwde ze.
‘Hij zal wanhopig zijn,’ zei Beula kalm, ‘maar ik ben tot de conclusie gekomen dat het mijn plicht is hier te blijven, voorlopig althans. Jeremia is dat met me eens.’
Gulielma keek haar onderzoekend aan. ‘Dat geloof ik graag.’ Ze voegde er, luid, aan toe: ‘Ik ook!’
‘Dank je. Ik zal je de brief morgen geven.’ Beula draaide zich om en ruiste weg.
***
Later die avond stortte Gulielma's stoïcijnse aanvaarding van haar lot ineen. Ze ijsbeerde in haar slaapkamer, in ondraaglijke eenzaamheid. Was Bizon maar hier, of Bonifacius, of wie dan ook die, net als zij, de werkelijkheid van de wildernis kende! In haar wanhoop dacht ze erover bij Isaac aan te kloppen die per slot van rekening haar broer was; maar hij zou proberen haar over te halen te blijven, zich te laten verzorgen, een last te worden. Hij zou onmogelijk kunnen begrijpen dat ze als ieder oud, ziek dier in de wildernis, wilde sterven in de stilte van het woud, geschraagd door het besef dat ze deel zou blijven uitmaken van het leven dat haar omringde, ook nadat haar bewustzijn was uitgedoofd. In Philadelphia zou ze haar laatste dagen slijten in angst en ellende; in de wildernis zou ze actief blijven en ondanks de pijn een vrijwel normaal leven leiden; voor hoelang zou ervan afhangen. Zodra ze geen eten meer naar binnen kon krijgen, zou het met haar gedaan zijn.
Terwijl ze in de kooi van haar kamer heen en weer liep, scheen het vooruitzicht ondraaglijk en tegelijkertijd verleidelijk: van honger om te komen in het besneeuwde woud, alleen, omhoogstarend naar de sterren, haar muildier en haar oude merrie in de nabijheid. Wat zou er van die stomme dieren worden, alleenin het bos, hartje winter? Maar nu draafde ze door.
Ze kleedde zich uit en kroop in het ongezond zachte, verende bed zonder aan de beddepan te denken, zodat ze haar tenen brandde. Ze rukte het gloeiende ding onder de dekens vandaan, bedwong de opwelling om ermee op los te ranselen op de weelderige meubels, de pottenkast, het portret van George Fox die gemelijk op haar neerkeek. Ze zette de pan op het blad in de hoek en zag opeens haar musket staan.
Het was net of ze in een vreemde stad een hoek omsloeg en een vriend tegenkwam. Ze nam de oude donderbus met sentimentele weemoed in haar handen. Op dat ogenblik symboliseerde het wapen de Hunis: rust, onthevenheid, de moed om het einde onder ogen te zien. Te sterven in het woud terwijl je naar de sterren staarde was verschrikkelijk, hoe organisch het ook mocht zijn; te sterven omringd door oranje torens in een diepblauwe hemel was om de een of andere reden troostrijk. Ja - ze zou naar de Hunis
teruggaan, peyotl kauwen, pijn en angst zouden verdwijnen, ze zou die hemel binnenzweven alsof ze in een blauw meer dook, gadegeslagen door een volk uit het Stenen Tijdperk voor wie geboorte en dood eenvoudige mysteries waren. Hun opvatting van onsterfelijkheid was de voortzetting van het leven; aan de vooravond van het einde van de mens zou er één hoge witte wolk verschijnen in de blauwe hemel boven de besneeuwde bergtoppen; tot die wolk verscheen waren hun kinderen hun onsterfelijkheid.
Had ze maar een kind! De gedachte bracht haar op een idee. De volgende ochtend, voor ze ging winkelen om stenen pijpen, kralen, potten, pannen en de rest van de voorraden te gaan kopen die het Huni-opperhoofd bij haar laatste bezoek had besteld op een vleermuisvleugel gekrabbeld, riep ze Joe en Himsha bij zich. Ze zou helaas vóór hun bruiloft moeten vertrekken, vertelde ze, daarom wilde ze hun nu al haar geschenk geven: een antiek geweer dat aan een Spaanse conquistador had toebehoord en dat haar geschonken was door het opperhoofd van een Indianenstam in Nieuw Mexico. Het was hun paspoort naar een betoverd land, dat geen andere blanke levend kon binnendringen. Ze wist van Joe's plannen om een school voor Zilverwolf te stichten, door zijn vader bekostigd in ruil voor handelsvoorrechten. ‘Het is een nobel plan,’ zei ze, vals, ‘en met jullie hulp zal het een goede school kunnen worden. Maar je oom Bonifacius zal de school wel op zijn eentje verder kunnen leiden zodra jullie die eenmaal op gang hebben gebracht. Een school voor Huni-kinderen te stichten zou echter een veel waardiger roeping zijn, en dit wapen is de sleutel naar hun koninkrijk. God zegene jullie, kinderen! Tot ziens!’
Het was een plechtig ogenblik. De twee schapen waren diep onder de indruk; ze konden niet weten dat het de wanhoopsstrategie van een kinderloze vrouw was om een illusoir gevoel van onsterfelijkheid te stelen.
Daarna viel er niets meer te doen dan de voorraden inkopen, alsmede een tweede muilezel om ze te torsen, en van iedereen afscheid te nemen. Op de vijftiende december 1754, tijdens een sneeuwstorm, reed Gulielma Woodhouse uit naar het westen, een ineengedoken gestalte op een broodmagere grijze merrie, twee muildieren achter zich aan, één met een hoekig bouwsel op zijn rug, het andere beladen met potten, pannen, schoppen, bijlen en kratten. De enkele voetgangers die haar zagen, verblind door de sneeuw, zagen haar voor een marskramer aan, die vóór Kerstmis thuis wilde zijn.