terug  begin  verder
[p. 261]

Drie

Toen Joe Woodhouse bij zijn vader werd geroepen voor een dringende bespreking gehoorzaamde hij met tegenzin. Vroeger zou hij zich vereerd hebben gevoeld in de familieraad te worden betrokken, maar zijn aanstaande huwelijk had hem in een gemoedstoestand gebracht die aan extase grensde; de boodschap kwam net toen hij op het punt stond met Himsha en zijn zusje Carrie de deur uit te gaan voor een heimelijk bezoek aan Obadja Best, om over de schoolexpeditie te gaan praten waar Carrie en Obadja aan wilden deelnemen.

Hij vond Vader en Abe in de studeerkamer; naar de uitdrukking op Vaders gezicht te oordelen moest zijn stemming niet al te best zijn. Het bleek al gauw hoe dat kwam.

Namens de firma Woodhouse en andere geïnteresseerden had Abe een bezoek aan het eiland Eden gebracht om de verkoop van Altaar Rots met de nieuwe eigenaars, de voormalige slaven, te bespreken. ‘Ik moet zeggen,’ zei Abe, ‘dat ik niet verwachtte een goed beheerde onderneming aan te treffen; dat is het nooit geweest, zelfs niet onder de Bakers, maar desondanks was ik toch niet voorbereid op wat ik vond.’ Hij glimlachte op een rare manier; Joe kende dat lachje. Het betekende dat Abe iets in zijn schild voerde. ‘Om een lang verhaal kort te maken, ik trof een volledige chaos aan. Ik vroeg om hun leider en dat bleek Medea te zijn, de dikke ouwe slavin die altijd in de keuken rondhing.’

‘O, Mammy. Noemde ze een prijs voor de rots?’

‘Jazeker. Eerst vroeg ze wat we wilden bieden; toen zei ze: “Vermenigvuldig dat maar eens met tien, dan kunnen we misschien praten.”’

‘Hoeveel had je haar geboden?’

‘Vijfhonderd pond.’

‘Niet bepaald royaal.’

‘Voor een stuk rots waar niemand wat aan heeft? Als het aan mij had gelegen zou ik niets geboden hebben. Ik zou de rots domweg opblazen, en als het hun niet bevalt moeten ze ons maar een proces aandoen.’

‘Onnodig te zeggen,’ merkte Vader op, ‘dat ik daar niet mee instemde.’

‘Nee, inderdaad,’ vervolgde Abe met dat nare lachje, ‘en nu moet je zien wat we ermee hebben bereikt! Ik weet niet hoe de Hendersons erover denken, maar ik zeg: vijfduizend pond? In geen vijfduizend jaar.’

‘Valt daar nog met ze over te praten?’ vroeg Joe.

‘Ik betwijfel het. Volgens mij is het hun wraak. Ik geloof niet dat die rots ze iets kan schelen. Ik ben ervan overtuigd dat ze, als we hun prijs zouden

[p. 262]

willen betalen, wel weer een ander trucje zouden bedenken om het plan te saboteren. Volgens mij is het pure tijdverspilling. Laat ze barsten, met hun rots.’

‘En de oogst?’ vroeg Joe. ‘Heb je daar nog over gesproken?’

Abe trok zijn schouders op. ‘Ik heb er met de eigenaars van een paar naburige plantages over gesproken, die ik toevallig ontmoette.’

‘Dat begrijp ik niet,’ zei Joe. ‘Wat heb je besproken?’

‘Nou, de oogst!’ Abe scheen geprikkeld door zijn aandringen. ‘Iedereen is het erover eens dat ze niet in staat zijn de indigo behoorlijk binnen te halen, en doen ze dat wel, dan zal de kwaliteit slecht zijn. Zoals ik al tegen Vader zei, het wordt tijd dat we een andere leverancier voor onze indigo gaan zoeken; anders liggen we straks uit de markt.’

‘Met andere woorden, het plan is hun oogst te boycotten?’

‘Dat heb ik niet gezegd.’

‘Wie doen hieraan mee?’

Abe wierp hem een vijandige blik toe. ‘Begin jij ook al?’

‘Wat vind jij ervan, Vader?’

Vader keek met een ongelukkig gezicht op. ‘Dat plan bevalt me helemaal niet,’ zei hij. ‘Dat heb ik al tegen Abe gezegd. Naar mijn gevoel...’

Abe liet hem niet uitspreken. ‘Nu moeten jullie eens goed luisteren,’ zei hij ruw. ‘Akkoord, ik ben bereid dit te bepraten, maar laten we één ding duidelijk stellen: we kunnen een zaak als de onze niet drijven op onwereldse principes. Nu Vader zich uit de zaken heeft teruggetrokken, ben ik degene die de beslissingen moet nemen, en het is mijn mening...’

‘Ik heb me niet teruggetrokken!’ viel Vader hem in de rede. ‘En Joe is deelgenoot!’

‘Maar Joe staat op het punt de wildernis in te trekken om een handelspost op te richten! Ik ben degene die hier blijft, ik zal in de toekomst de beslissingen moeten nemen! In de kwestie van het eiland Eden denkt iedere zakenman, met wie ik in de stad heb gesproken, er net zo over als ik. We zullen hun oogst niet afnemen tenzij ze ons de rots tegen een redelijke prijs verkopen. We laten ons niet chanteren door een stelletje nikkers die denken dat ze de stad in hun macht hebben. Het kan me niet schelen wat deze familieraad beslist - we moeten onwereldse opvattingen loslaten, anders zijn we straks straatarm. Zolang ik deze zaak leid, zal het zover niet komen.’

Er viel een onbehaaglijke stilte. Toen zei Vader: ‘Abraham, een lang leven heeft me geleerd dat de Quaker-beginselen niet alleen geestelijk juist zijn maar ook...’

‘O, Vader! Daar hebben we het al duizendmaal over gehad!’

‘Dat weet ik! En ik wil het er nóg eens over hebben! Jij en je Anglicaanse vrienden geloven niet in de Beginselen; jullie zien niet in dat door daaraan vast te houden alle betrokkenen uiteindelijk beter af zijn. Als je die negers door een boycot op de knieën probeert te dwingen tart je daarmee alles wat Vrienden hebben hooggehouden vanaf het moment dat ze hier in Amerika aan land zijn gestapt. Het gevolg zal zijn dat jullie niet

[p. 263]

alleen deugdzaamheid, maar ook geld zullen verliezen.’

‘Dat is tenminste eerlijk,’ zei Abe. ‘Ik heb je nooit ronduit horen zeggen dat je je uit commerciële overwegingen aan de Beginselen houdt.’

Het was kennelijk zijn bedoeling zijn vader te prikkelen, maar hij slaagde er niet in. De oude man zei rustig: ‘Vrienden hebben nooit alleen die Beginselen als deugdzaam beschouwd die niet verliesgevend zijn.’

Abe zuchtte. ‘Goed, Vader, denk erover na en laat me weten wanneer je een beter voorstel hebt.’ Hij stond op, knipoogde tegen Joe en verliet de kamer.

Joe en Vader bleven achter in een onbehaaglijke sfeer. De oude man zei droevig: ‘Het is jammer. Als hij maar niet zo ongeduldig was.’

Joe werd er moedeloos van. Hij had de indruk dat Vader, ondanks zijn ogenschijnlijke zelfverzekerdheid, geen tegenvoorstel had. ‘Wat ben je van plan?’ vroeg hij.

De oude man trok zijn schouders op. ‘Ik weet het nog niet. Ik moet erover nadenken. God zal uitkomst schenken.’

‘En de Vergadering? Die is ten slotte verantwoordelijk voor de negers op het eiland Eden.’

‘Waarom?’

‘De Vergadering heeft het getuigenis van Oom Bonny ondersteund. Nu andere slavenhouders die negers beletten hun oogst te verkopen is de Vergadering verantwoordelijk voor ze, omdat Oom Bonny er niet meer is.’

Vader keek hem afwezig aan; ten slotte kon Joe die wazige blik niet langer verdragen en zei: ‘Je kijkt me aan alsof ik onzin uitkraam.’

‘Hm.’ De oude man wendde zich af en liep naar het raam. Hij stond een ogenblik naar buiten te kijken, zijn handen op zijn rug. ‘Laat me er eens over nadenken.’

‘Ja, Vader.’ Joe stond op. ‘Is er verder nog iets?’

‘Op dit moment niet.’

Joe ging de kamer uit met het gevoel te zijn te kort geschoten.

 

***

 

‘Maar wat wil je dat ik doe?’ vroeg Peleg Martin nijdig.

‘Ernaar toe gaan,’ zei Isaac. ‘Kijken hoe de situatie is. Als je denkt dat dit een ingrijpen door de Vergadering noodzakelijk maakt, laten we het dan aan ze voorleggen.’

Achter hen in het tuinhuisje koerden de duiven die Peleg zo juist gevoerd had. Isaac staarde door het stoffige raampje naar de wintertuin, die licht was van sneeuw.

‘Waarom doe je het niet?’ vroeg Peleg.

‘Wat?’

‘Waarom vertel je die snotneus niet dat als hij hun oogst boycot de Vergadering hem bij zijn oor zal pakken en eruit smijten. Ik hoef je niet te vertellen dat de firma Woodhouse zonder de Vergadering moeite zou hebben

[p. 264]

het hoofd boven water te houden.’

‘Ik ben niet van plan het hem te laten doen,’ antwoordde Isaac. ‘Maar Ik wil hem niet dwingen. Ik wil dat hij zelf tot dat inzicht komt.’

‘Nou, het is jouw zoon! Als het de mijne was...’

‘Dat is hij niet,’ zei Isaac bits.

Er viel een stilte, waarin de duiven koerden.

‘Goed, ik zal eens een kijkje gaan nemen.’ Peleg schepte een kom vol vogelzaad.

Isaac keek toe terwijl hij het deurtje van de kooi openmaakte en het zaad in een voerbak schudde. De duiven, blauw en zilver in het winterse licht, begonnen gretig te pikken. ‘Neem mijn slee,’ zei Isaac, ‘ik zal hem voor je klaar laten zetten.’ Zonder het antwoord af te wachten ging hij naar buiten.

 

***

 

Tot zijn verbazing vond Peleg de gelagkamer van de herberg tegenover het eiland stampvol jongemannen. Een rij musketten stond tegen de wand; een houtvuur brandde achter in het zaaltje; het stond blauw van de rook. De herbergier haastte zich achter de tapkast vandaan om hem te begroeten.

‘Welkom, mijnheer, welkom! We verwachtten u al! Heeft Jacob uw paard overgenomen, mijnheer?’

‘Ik heb niemand gezien,’ gromde Peleg, terwijl hij zich afvroeg voor wie de man hem aanzag.

‘Ai, die verdomde nikker!’ riep de herbergier. ‘Ik ga zelf wel even!’

‘Hij zal aan de overkant zijn, bezig een zwarte meid op te zitten!’ riep een van de jongelui aan de tapkast; de anderen brulden van het lachen.

De herbergier stapte uit zijn pantoffels en trok een paar sneeuwlaarzen aan. ‘Ga zitten, mijnheer, ga zitten! Ik ben zo terug om een hete groc voor u klaar te maken! U ziet eruit alsof u die kunt gebruiken.’

Peleg ging aan de tafel zitten; de hitte in de gelagkamer had hem duizelig gemaakt. Hij had er geen idee van gehad dat het zo koud in de open slee zou zijn; hij was zich maar vaag bewust van de ginnegappende jongelui aan de tapkast. Langzaam drong de warmte in zijn botten; tegen de tijd dat de herbergier terugkwam met zijn valies voelde hij zich beter. Gretig dronk hij de hete groc die voor hem werd neergezet; de herbergier kwam bij hem zitten en begon een eindeloze kletspartij. Het duurde een poosje voordat hij tot het besef kwam dat het stil was geworden in de gelagkamer en dat de jongemannen aandachtig luisterden. De man zat zich te beklagen over de slappe tijd sinds de nikkers het eiland hadden overgenomen. Een van de jongelui spotte: ‘Voorzichtig, Larry! Da's geen manier om over je huurbazen te praten!’

Maar de herbergier was niet te stuiten. Hij was vol wrok, angst, haat tegen de nikkers die van een mooie plantage een oerwoud vol wilden hadden gemaakt, waar bij vollemaan beestachtige, ontuchtige riten werden uitgevoerd, met trommels, gejoel, schoten in de lucht...

[p. 265]

‘Schoten in de lucht?’ zei een jongeman, honend, ‘ze schieten op elkaar!’

‘Hou nou je mond,’ riep iemand. ‘Laat Larry uitpraten. De inspecteur moet weten wat hem te wachten staat als hij er morgen naar toe gaat. Vooruit, Larry, vertel verder.’

De herbergier hervatte zijn beschrijving van wat er met het eiland en zijn bewoners gebeurd was, en Peleg begreep dat de man niet had gezien dat hij een Quaker was; hij had zijn hoed in de slee laten liggen. De jongelui waren blijkbaar de zoons van de eigenaars van omringende plantages die een soort burgerwacht hadden gevormd om het eiland in het oog te houden; ze stuurden kennelijk op een gevecht met de negers aan. Er kwam nog een groep van tien of twaalf binnen, gewapend met musketten. Ze rapporteerden dat alles rustig was op 't eiland. Ze verdrongen zich voor de tapkast om hete groc en pijpen tabak, waar ze mee naar de haard liepen om daar hun verstijfde ledematen te ontdooien.

Eindelijk werd Peleg door de herbergier naar zijn kamer gebracht. Zodra ze binnen waren, luisterde de man aan de deur en fluisterde: ‘Neem me niet kwalijk, mijnheer, dat ik dat spelletje met u gespeeld heb. Ik weet dat u geen belastinginspecteur bent. Maar Quakers zijn op het ogenblik niet erg populair bij die lui, sinds jullie het eiland aan de nikkers hebben weggegeven. En ik kan me hun gevoelens indenken. Mag ik vragen, mijnheer, vertegenwoordigt u de Vergadering?’

‘Hoezo?’

‘Ik vind dat de Quakers hiervan op de hoogte moeten worden gebracht, mijnheer. Dit kan zo niet doorgaan, mijnheer, dit loopt op bloedvergieten uit...’ Telkens wierp hij een zenuwachtige blik naar de deur.

‘Waarom denk je dat?’

‘Die jongens zullen niet rusten voor ze de nikkers zo hebben gesard dat ze gaan schieten, mijnheer. Ik zie het aankomen, mijnheer, ik hoor hun gepraat iedere dag, en het wordt steeds erger. Het is nu zover gekomen dat ik wakker schrik omdat ik denk het knallen van musketschoten en geschreeuw van over het water te horen, mijnheer.’

‘Maar hun vaders zullen toch wel wijzer zijn? De negers zijn de wettige eigenaren van het eiland.’

‘Ik weet het, mijnheer, ik weet het...’ Weer keek de man naar de deur. ‘Het is niet de vraag of het wettig is, mijnheer. U moet hun standpunt begrijpen, mijnheer; ze hebben zelf plantages, vol slaven. Ze hebben toch al moeite om ze in toom te houden; nu, met een eiland vol nikkers die bevrijd zijn ... Ze ontsnappen al bij bosjes, mijnheer, en vluchten naar het eiland - tenminste, dat is wat ik beneden hoor...’

‘Maar geloof je dat?’

‘Ik weet het niet, mijnheer. En het doet er ook weinig toe of het waar is; het is een excuus voor die jongens om het eiland te overvallen. Ze hebben maar een paar getuigen nodig, die zweren dat ze een weggelopen slaaf naar het eiland zagen zwemmen, en ze sturen een patrouille en dan is de vlam in de pan, mijnheer. De nikkers hebben langs de hele kust van het eiland

[p. 266]

wachtposten in de bomen, gewapend met geweren. Je kunt ze door de kijker zien zodra de mist even optrekt. Wat denkt u dat er zal gebeuren als er een patrouille met honden probeert op het eiland te landen? Wie zal het eerste schot lossen? Het doet er niet toe wie, het wordt een bloedbad. De eigenaars zullen niet rusten, mijnheer, voor ze die troep hebben uitgeroeid, allemaal. Ze hebben maling aan wat de regering zegt of wat de wet zegt; niemand kan ze tegenhouden.’

‘Dank je,’ zei Peleg vermoeid.

‘Geen dank, mijnheer. En alsjeblieft, mijnheer, vertel het aan de Quakers. Misschien kunnen die iets doen om het te voorkomen. Mijnheer Baker was een heer, een echte heer, en wat hij gedaan heeft was erg christelijk, maar niet praktisch, mijnheer. Het enige dat hij uiteindelijk gedaan heeft is ze rijp maken voor de slachting.’

‘Je zult wel gelijk hebben.’

‘Ja, mijnheer. Dank u, mijnheer...’ De man stak de kaars aan die naast het bed stond. ‘Welterusten, mijnheer, en vergeef me die komedie van daarnet. Het was voor uw eigen bestwil, mijnheer; ik wil geen moeilijkheden hier. Leven en laten leven, dat is mijn motto, mijnheer.’

‘Welterusten.’

‘Welterusten, mijnheer.’

De man ging weg, en Peleg begon zich uit te kleden. Toen hij naar de schaduwen op het plafond lag te staren had hij een voorgevoel van naderend onheil. Hoe was het mogelijk dat niemand in de Vergadering beseft had dat de andere slavenhouders dit niet zouden nemen? Natuurlijk zouden ze een botsing uitlokken; een kind kon zien dat de negers niet konden winnen. Maar wat kon de Vergadering doen? Hoe konden de negers op het eiland worden beschermd? De dreiging van het op handen zijnde bloedbad werd zo benauwend dat hij zijn handen vouwde en God om leiding smeekte.

Het gebed bleef onbeantwoord; maar het gaf hem de rust om in te slapen. Toen hij wakker werd was de kaars opgebrand, het venster in een bleekgrijs vierkant in de duisternis veranderd; het moest tegen zonsopgang zijn. Hij stond op om naar buiten te kijken; mist onttrok de rivier aan het zicht; het enige dat hij kon onderscheiden waren de takken van een boom buiten het raam, met wuivende spinraggen van mist. Hij kleedde zich aan, ging naar beneden; toen hij de deur naar de gelagkamer opendeed trof hij daar niemand aan. Het enige teken van leven kwam van het smeulende haardvuur, dat hem met oranje ogen aanstaarde. Hij zette de kraag van zijn jas op en opende de deur naar de binnenplaats.

Het was niet zo koud als hij verwacht had. De mist geurde naar rook; het zachte geluid van druppels deed hem concluderen dat er een plotselinge dooi was ingevallen. Toen herinnerde hij zich de warme bronnen rondom het eiland, die dit gematigde weer teweegbrachten.

Bij de steiger luidde hij de bel voor de pont. Het bronzen geluid klonk dof in de mist. Hij bleef staan luisteren tot een zacht geknars aan zijn voeten zijn aandacht trok. Hij keek naar de grond en zag dat het de ketting

[p. 267]

was, die druipend uit het water omhoog was gekomen en strakgetrokken werd. De steiger begon te kraken; de pont was op weg.

Even later hoorde hij een stem in de mist: ‘Wie is daar?!’

‘Peleg Martin!’

‘Wat mot je?’

‘Ik ben Caleb Martins vader! Ik wil het graf van mijn zoon bezoeken!’

De stilte duurde zo lang dat hij, toen de ketting aan zijn voeten weer strak kwam te staan aannam dat de pont terugvoer naar het eiland. Maar daar kwam de stem weer, dichterbij.

‘Ben je alleen?!’

‘Ja!’

De ketting knarste. De steiger kraakte. Plotseling doemde de veerpont op, een schim in de mist. Hij zag dat het platte vaartuig vol stond met mensen. Ze waren gewapend met geweren.

De boeg van de pont bonkte tegen de steiger. ‘Schiet op!’

Hij stapte haastig aan boord en moest de reling grijpen om in evenwicht te blijven. De boot voer terug; binnen enkele ogenblikken verdween de oever in de mist. Niemand zei iets, niemand bewoog. Het waren allemaal jonge negers, gekleed in kleurige, zelfgemaakte mantels. Ze boden een vreemde aanblik, alsof hij op weg was naar een exotisch land. De veerpont zwierde traag naar de overkant, gestuwd door de stroming; toen naderde een zacht gegorgel in de mist en de zwarte schim van Altaar Rots gleed langs hen, ombruist door kolkend water. Er volgde weer een lange tocht door de leegte tot de pont eindelijk met een knarsende schok aan land kwam.

De stem zei, dichtbij: ‘Deze kant uit.’

Het was een van de jongemannen, die hem nu omsingelden. Gehoorzaam stapte hij aan wal. Uit de mist sprongen honden op hem toe, vijf, zes broodmagere, schril blaffende mormels, die door de jonge negers verjaagd werden.

Nu knersten hun voetstappen op grind; hij ving een geur op, de kruidige geur van de slavenkeuken; ze moesten dicht bij het Huis zijn. Opeens klonk een koor van geblaat en gemekker, alsof zij een kudde grazende schapen hadden verstoord. Daar was het Huis; met zijn hoge zuilen leek het een heidense tempel in de mist. Hij kwam tot de ontdekking dat het geblaat uit het Huis kwam; een van de jonge negers opende de deur. Het geluid werd luider en een aantal schimmen draafden naar buiten, de mist in. Hij ging naar binnen en bleef ontzet staan.

De benedenverdieping van het Huis was veranderd in een stal. De marmeren tegels waren met stro bedekt, overal waren geiten, die in en uit de kamers renden, de trap op en af tripten, op de overloop naar beneden tuurden, mekkerend met menselijke stemmen.

‘Deze kant uit.’ De jonge neger in de rode mantel ging hem voor de trap op, en duwde onder het lopen de geiten opzij. Hij leidde hem door een gang naar een open deur; het was Ann Traylors kamer. De vloer was bedekt met huiden; op een laag platform zat Medea, met gekruiste benen, haar

[p. 268]

reusachtige zwarte massa gehuld in een wit gewaad. Ze zag eruit als een tempelpriesteres. Ze glimlachte en zei: ‘Nee maar, nee maar! Peleg Martin! Ga zitten. Maak het je gemakkelijk.’

Hij ging op de grond zitten; zij torende boven hem uit. De neger in de rode mantel zei iets tegen haar in een vreemde taal; ze hadden dus blijkbaar toch een eigen taal gaande gehouden, niettegenstaande de straf voor het gebruiken van hun moedertaal.

Iemand kwam achter hem de kamer binnen. Hij keek om en zag een reusachtige neger met één oor, ook gehuld in een mantel; het was de hoofddrijver die Caleb altijd als een schaduw gevolgd had. Medea zei: ‘Je kent Scipio al, geloof ik?’

‘Ja - natuurlijk.’ In zijn verwarring probeerde hij op te staan.

‘Doe geen moeite,’ zei de neger; toen mompelde hij iets tegen Medea in hun eigen taal.

Wat hij zei scheen haar te amuseren. ‘Natuurlijk niet,’ antwoordde ze in het Engels. Ze keek Peleg aan. ‘Je bent toch niet echt gekomen om Calebs graf te bezoeken?’

Hij zei: ‘Nee.’

‘Waarom dan?’ vroeg de reus grof.

Medea zei iets in die onbegrijpelijke taal, hoog en melodieus. Er volgde een nijdig antwoord van de reus, maar na een paar zangerige zinnen van Medea, uitgesproken met een gezag dat zelfs hij aanvoelde, gingen Scipio en de jonge neger de kamer uit. Zodra ze weg waren, keek Medea hem met een slim lachje aan en zei: ‘Je ziet eruit of je het koud hebt, Peleg. Een glas cognac?’

‘Ik ben gekomen om je te waarschuwen, Medea.’

Ze grinnikte; haar enorme lijf kwabde ervan. ‘Peleg, Peleg,’ zei ze, op een toon die veertig jaar van zijn leven deed wegvallen. ‘Je bent onbetaalbaar.’

Als hij met haar tot een gesprek wilde komen zou hij dat moeten doen op basis van gelijkheid; niet gemakkelijk na veertig jaar. ‘Het gaat over de rots,’ zei hij. ‘Abe Woodhouse kwam om je prijs vragen...’

‘Hij kwam me zijn prijs vertellen,’ verbeterde ze. Ze keek hem met spottende ogen aan; zo had ze hem iedere keer aangekeken als hij vol branie bij haar was gekomen om haar te verblijden met het geschenk van zijn mannelijkheid. Ze was slank en verleidelijk geweest; het enige dat daar nog van over was waren haar ogen.

‘Wij moeten eens ernstig...’ begon hij, maar ze klapte in de handen. Er kwam een jong meisje binnen met een schaal gebraden vlees en maïsballetjes. Ze maakte een knieval voor Medea, die de schaal overnam, naast zich neerzette en het schepsel de kamer uitwuifde.

‘Wie heeft je gestuurd?’ Ze propte een maïsballetje in haar mond en begon smakkend te kauwen.

‘Niemand. Ik hoorde het van Isaac Woodhouse en dacht zo dat ik maar eens hierheen moest komen om met je te praten. Vijfduizend pond voor de

[p. 269]

rots is onzin. Als je op die prijs blijft staan kost je dat de sympathie van iedereen die je nu nog welgezind is. Je kunt niet een hele stad chanteren.’

‘Hun sympathie kosten?’ vroeg ze spottend. ‘Dat zou verschrikkelijk zijn.’

‘Medea! Dit is ernstig!’

Plotseling veranderde haar glimlachende jovialiteit in de beheerste woede waarmee ze hem als jonge vrouw het hoofd had geboden, als een panter, gereed voor de sprong. ‘Waar zie je ons eigenlijk voor aan?’ vroeg ze. ‘Waarom dacht je dat we die schildwachten hebben uitgezet? Wat dacht je dat die blanke jongens van plan zijn, met hun geweren en hun bloedhonden? Hoe lang dacht je dat het nog zal duren voor ze ons aanvallen? En jij komt me vertellen dat als ik me niet als een slaaf gedraag ik “sympathie” zal verliezen!’

‘Je zou meer verliezen dan sympathie,’ zei hij. ‘Abe Woodhouse is van plan, samen met de andere kooplui, je oogst te boycotten.’

Ze fronste haar wenkbrauwen.

Hij besefte dat ze hem niet begreep. ‘Ze zijn het onderling eens geworden jouw indigo niet te kopen.’

Ze trok haar schouders op. ‘Dan verkoop ik de oogst aan iemand anders.’

‘Je zult hem aan niemand kunnen verkopen. Iedere zakenman aan de Atlantische kust zal zich bij die boycot aansluiten.’

‘O,’ zei ze.

‘Ik zou je aanraden niet alleen de rots te verkopen, maar het hele eiland, terwijl je daar de kans nog toe hebt.’

‘Voor vijfhonderd pond?’

‘Ik zou de Vergadering kunnen voorstellen het eiland officieel onder haar hoede te nemen om die jongens aan de wal te intimideren, en een commissie te benoemen om te bemiddelen bij de verkoop.’

‘Wie wil het kopen? Abe Woodhouse?’

‘Ik weet niet wie. Iemand zal het wel kopen. Er zijn genoeg grondbezitters die er een oogje op hebben. Eén van hen zal wel bereid zijn een redelijke prijs te betalen.’

‘En dan?’

‘Dan zou de opbrengst onder jullie worden verdeeld, zodat jullie ergens anders grond kunnen kopen.’

Ze pakte weer een maïsballetje en propte het in haar mond. ‘Peleg, Peleg,’ zei ze, ‘wat ken jij je eigen ras toch slecht.’

‘Ik verzeker je...’

‘Er is voor ons nergens land te koop; niemand zal zijn grond aan een nikker willen verkopen. Ze zullen wél ons geld aannemen, maar voor je het weet draaien ze zich om en zeggen: “Wie ben jij? Ik heb je nooit eerder gezien!” Dat weet je toch wel?’

‘Maar als het Quakers zijn...’

‘De Quakers zullen ons huren als bedienden. Ze zullen ons een schijntje betalen en slaven houden zonder het zo te hoeven noemen. Nee, Peleg, er is maar één Quaker die ik vertrouw: Bonifacius Baker. Maar hij is weg; en

[p. 270]

wat de rest betreft...’

Hij begreep dat het hopeloos was, omdat ze gelijk had. Mary Woodhouse had hem al gevraagd te informeren of Medea bij haar zou willen komen werken, als het eiland verkocht was. Toch ging hij stug door. ‘Wat zou het alternatief zijn?’

‘Dat de regering troepen stuurt om ons te beschermen.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘De Gouverneur wilde geen troepen sturen om de Indianen te beschermen die bij ons hun toevlucht kwamen zoeken. Dacht je dat hij wel...’

Een geit stak zijn kop om de deur, mekkerde en liep weer weg.

‘Als jullie besluiten dit eiland te verdedigen,’ ging hij verder, ‘dan zou dat gelijk staan aan zelfmoord.’

‘Natuurlijk,’ zei ze. ‘Maar wat anders? Weer de slavernij aanvaarden?’

Hij kwam moeizaam op de been. ‘Als ik jullie was zou ik een beroep op de Vergadering doen om het eiland tegen een redelijke prijs namens jullie te verkopen, en dan maken dat je weg komt. Jullie zullen haast moeten maken.’

‘Dank je, Peleg. Ik zal erover nadenken.’ Ze klapte in haar handen; ditmaal kwam de jonge neger in de rode mantel binnen. Ze zei iets tegen hem met die muzikale, zangerige stem; de jongen knikte en ging weg. Zodra hij de kamer uit was stak ze haar hand uit en zei: ‘Je zult me overeind moeten helpen, Peleg. Ik ben niet meer zo kwiek als vroeger.’ Hij hees haar overeind, met moeite, want ze was zwaar.

De geiten op het trapportaal begonnen te blaten en te mekkeren zodra ze verschenen; enkele dribbelden voor hen uit de trap af, om hen beneden te gaan staan opwachten. In de vestibule kwamen de honden aanrennen, grauwend; de paleiswacht joeg ze weg.

Buiten stond de oude brik in de mist te wachten met een muilezel ervoor; de roodgemantelde jongeman zat op de bok. Tot Pelegs verbazing klauterde Medea in de brik, door hulpvaardige negers geduwd. Hij verwachtte naar de veerpont te zullen worden gereden; pas toen de jonge neger met de teugels klapte en het muildier rechtsomkeert maakte, begreep hij dat ze op weg waren naar het kerkhof.

Gedurende de rit zeiden ze geen van beiden iets. De bank was nauw; haar kolossale lijf kwabde iedere keer als het koetsje overhelde tegen hem aan. Eindelijk doemden de boomkruinen van het kerkhof boven hen op in de mist. De jonge neger hielp hen uitstappen; toen ze naast elkaar in de nevel stonden, nam ze zijn arm en zei: ‘Deze kant op.’

De mist was dicht. Grafstenen rezen schimmig op en verdwenen terwijl ze erlangs schuifelden. Eindelijk zei ze: ‘Hier is 't.’

Het was een steen als alle andere, zo vervaagd door de mist dat hij het opschrift niet kon onderscheiden. Er stond een bank aan de voet van het graf; ze veegde de sneeuw van de zitting en liet haar reusachtige lijf kreunend zakken. ‘Kom, ga zitten.’ Ze klopte met haar zwarte hand op de bank. Hij gehoorzaamde.

Er was geen ander geluid dan haar hijgende ademhaling. Toen die

[p. 271]

geleidelijk bedaarde, hoorde hij het geklots van golfjes in het riet. Daar zaten ze dan, aan het eind van hun leven, bij het graf van hun zoon. Arme Caleb; hij was beter af waar hij nu was. Wat voor toekomst zou hij hebben gehad? Er was maar één ding dat hij zou hebben kunnen doen: in de wildernis verdwijnen en een nieuw leven beginnen. Maar waar? Hij kon onmogelijk op zijn eigen houtje gaan. Bonifacius Baker! Hij zou hem hebben aangeraden: ‘Caleb, ga naar Bonifacius, nu, meteen, voor het te laat is...’

Plotseling legde hij zijn hand op de hare. ‘Medea,’ zei hij, ‘ik geloof dat God me het antwoord gegeven heeft.’

 

***

 

Terwijl de Vergadering in diepe stilte naar Peleg Martin luisterde, werd Joe Woodhouse met ontzag vervuld, evenals de honderden andere mannen die vergaderd waren in de zaal met de hoge vensters.

Nadat Peleg was gaan zitten zei Jeremia Best: ‘Het voorstel van Peleg Martin houdt in dat de Vergadering de bewoners van het eiland Eden onder haar hoede neemt, toezicht houdt op de verkoop van het eiland, en degenen helpt die zich bij de schoolexpeditie willen aansluiten.’

De stilte in de zaal scheen zich te verdiepen; Joe besefte dat ze in samenkomst waren gegaan. Ze bleven lange tijd in zwijgen zitten; ten slotte vroeg Oom Jeremia: ‘Mag ik de leiding van de Vergadering horen?’

Joe kon zich niet langer bedwingen; hij was zo bang dat de Vergadering voor deze uitdaging zou terugdeinzen dat hij opstond en uitriep: ‘Ik verenig me daarmee!’ Hij ging zitten met een vuurrood gezicht; toen stond een paar banken verder iemand anders op.

Het was Israel Henderson. ‘Ik voel me, na de hartstochtelijke reactie van onze jeugdige Vriend, gedrongen te zeggen dat dit voor ons ouderen het moment is om te beseffen dat zijn stem de stem van de toekomst is. Als de volgende generatie vindt dat dit getuigenis dient te worden afgelegd, dan kan ik alleen maar zeggen: het zij zo.’ Hij ging zwaar zitten.

‘Ik ben het met Vriend Israel eens,’ zei een nieuwe stem ergens achter in de zaal. Joe rekte zijn hals, evenals de anderen, en zag dat het Obadja Best was, lang, slungelig. Dit was de eerste keer dat Obadja zijn stem in de Vergadering had laten horen. ‘Wat mij betreft spreekt dit besluit het verlossende woord. Ik bied aan zitting te nemen in de werkcommissie, of iedere andere commissie die zou worden gevormd om de leiding van de Vergadering ten uitvoer te brengen, en - eh - ja...’ Hij ging stuntelig zitten.

Er viel weer een stilte; uiteindelijk vroeg Oom Jeremia: ‘Zijn er nog andere Vrienden die commentaar of advies willen laten horen?’ Toen er geen antwoord kwam, concludeerde hij: ‘De Vergadering aanvaardt de door Peleg Martin geformuleerde roeping. Philip Howgill, wil je dit besluit in de notulen vastleggen?’

[p. 272]

De Vergadering wachtte in stilte tot de schrijver klaar was; toen las Philip voor op afgemeten schoolmeesterstoon:

‘Notule nummer drieënvijftig. Peleg Martin brengt rapport uit over de belegering waaronder de bewoners van het eiland Eden, voormalige slaven van Bonifacius Baker, gebukt gaan. Gezien er geweld dreigt stelt Peleg Martin voor dat de inwoners van het eiland onder de hoede van de Vergadering worden gesteld, dat het eiland te koop zal worden geboden tegen een door de Vergadering te bepalen prijs en dat de opbrengst evenredig onder de bewoners zal worden verdeeld. Een aantal van hen heeft de wens te kennen gegeven zich bij de schoolexpeditie naar Pendle Hill aan te sluiten. De Vergadering zal hen hulp verlenen.’

‘Is deze notule goedgekeurd?’ vroeg Oom Jeremia. Verscheidene stemmen antwoordden: ‘Ik verenig me ermee.’ Hij vervolgde: ‘Mag ik in dat geval om voorstellen verzoeken voor commissies die moeten worden gevormd om deze roeping te verwezenlijken?’

Toen de Vergadering ten slotte uiteenging, liep Joe Woodhouse met de anderen naar buiten en zocht zijn broer op, popelend om deze nieuwe ontwikkeling met hem te bepraten. Tot zijn ontsteltenis zei Abe laatdunkend: ‘Het is allemaal goed en wel om dit in een toestand van geestelijke dronkenschap te besluiten, maar zou het niet de aangewezen weg zijn geweest om eerst Bonifacius Baker te vragen hoe die zich zou voelen bij het zien van zijn nieuwe buren? Als ik hem was, en die troep nikkers op me af zag komen in de wildernis, zou ik maken dat ik wegkwam.’

Joe ziedde van verontwaardiging. Hoe was het mogelijk, na het geestelijke hoogtepunt van die ochtend, om met zo'n misselijke opmerking aan te komen? Maar ja, dacht hij, Abe is dan ook geen échte Quaker, alleen maar een natte.

terug  begin  verder