Het was een onmenselijke reis, veel zwaarder dan Gulielma voorzien had. Niet door de sneeuw en de vorst, daar was ze op voorbereid, daar genoot ze zelfs van, zodra ze de eerste sneeuwstorm eenmaal achter zich had. De bevroren bergwereld was een en al rust en stralende pracht; er was geen gevoel van afscheid, of melancholie, of heimwee. Integendeel, hoe verder ze doordrong in de witte wildernis, hoe meer ze vervuld raakte van een serene rust.
Maar ze had niet aan de oorlog gedacht. De sneeuw en de vorst hadden de vijandelijkheden tussen de Indianen en de kolonisten onderbroken, maar voorbij Loudwater begon ze gruwelijke sporen van geweld te vinden. De vorst had de doden versteend in houdingen van angst en pijn. Ruiters en hun paarden lagen tussen de heidestruiken neergesmakt; vernielde karren, hun inhoud verspreid over het ruiterpad, waren bedekt door opgewaaide sneeuw; hoeven en handen staken uit die maagdelijke witheid omhoog; in het dal bungelden de lijken van opgehangen Indianen aan de ene boom na de andere, spookachtig ronddraaiend in de wind die langs de hellingen omlaagwervelde en witte spiralen van poedersneeuw opjoeg.
Ze kwam door Indiaanse dorpen, van Miamis en Potawatomis, groepjes wigwams waar rook uit opsteeg en waarin de Indianen overwinterden, dicht opeen onder hun pelzen, terwijl buiten de kinderloze weduwen rondzwierven. Ze kende de wrede, voorhistorische gewoonte van alle Indiaanse nomadenstammen om de wigwam van een weduwe die haar laatste zoon had verloren te vernielen en haar in de open lucht te laten sterven. Als jong arts had ze geprobeerd de trieste oude vrouwen te redden die jammerend om de dorpen heen zwierven. Maar ze wilden niet gered worden; in de ogen van de Indianen, zelfs in hun eigen ogen, waren ze reeds dood; hun luguber, ijl geweeklaag in de vrieskoude nacht hoorde bij de geestenwereld, net als het gefluit van de wind in de bomen, het getinkel van vallende ijspegels, de verre donder van lawines. Maar dit keer was het niet zo maar een enkele zwervende ziel; dit keer waren het hele groepen, die elkaar in leven hielden door dicht opeen te kruipen, en die hun smekende handen naar haar uitstrekten toen ze voorbijreed en jammerden: ‘Ayee! Ayee!’ - een geluid dat niets menselijks meer had.
De krijgers die ze tegenkwam waren op het oorlogspad, maar iedere Indiaan tussen de Delaware en de Pecos kende haar. Ze deelde de gebruikelijke poeders en drankjes uit, waarbij ze er wel voor oppaste niet de medicijnmannen tegen zich in het harnas te jagen, die ze met collegiale
discretie van brandewijn voorzag. Overal waar ze kwam hoorde ze hetzelfde verhaal; alle stammen waren in oorlog met de Engelsen en onder elkaar. Het gerucht ging dat alleen de Unamis, onder hun opperhoofd Zilverwolf, door het gebied van de Miamis heen naar het westen waren getrokken. Ze hadden onderweg dorpen platgebrand, vrouwen verkracht, gevangenen gemarteld tot ze bewusteloos neervielen en hen daarna met uitgestoken ogen vrijgelaten. Het waren die arme blinde wrakken die Gulielma het meest beklaagde. Ze probeerde bij een paar van deze stakkers de wil tot leven weer op te wekken, maar evenals de weduwen wier geweeklaag spookachtig door de nacht dwaalde, waren ze uit eigen verkiezing gedoemd. Zelfmoord was onder de Indianen onbekend; maar ze konden zichzelf dood wensen, roerloos gehurkt in hun wigwams, met blinde ogen voor zich uit starend, terwijl om hen heen, onder deinende pelzen, met heimelijk gekir en gegiechel nieuw leven werd gezaaid, dat geboren zou worden als de bomen straks in bloei stonden, een aanblik die zij nooit meer zouden zien.
De droefgeestigheid van de verminkte Indianen werd zo benauwend dat Gulielma de nederzettingen op het laatst vermeed door zich te bepalen tot de zomerpaden, nu door de sneeuw uitgewist. Ze kon ze echter nog steeds volgen; ze had deze wildernis veertig jaar lang in alle jaargetijden doorkruist.
Ze deed er veel langer dan gewoonlijk over om het meer ten oosten van de Wabash te bereiken, waar Bonifacius Baker zijn blokhut had gebouwd aan de voet van een heuvel die zij als Kale Mannenkop kende en die hij ‘Pendle Hill’ gedoopt had. Ze wist van George dat Zilverwolf en zijn stam en Bizon met zijn jagers daar hun winterbivak hadden opgeslagen; niettemin kreeg ze een schok toen ze plotseling haar weg versperd zag door een op een speelgoedpaard gezeten, reusachtig, harig beest dat brulde: ‘Gulielma! Gezegende maagd! Waar kom jij vandaan?!’
‘Nee maar, als dat Bizon McHair niet is!’ Ze probeerde zich laconiek voor te doen, maar na al die zwijgzame dagen en nachten klonk haar stem als die van de oude squaws.
‘Wat doe je hier?!’ Met zijn baard en manen, zijn lichaam niet te onderscheiden van dat van zijn paard dat evenals hij damp uitblies, zag hij eruit als een monster uit de mythologie. Hij zwenkte zijn kleine mustang naast de hare, sloeg zijn arm om haar heen, trok haar naar zich toe en kuste haar op de wang. Ze verloor bijna haar evenwicht; zijn stank was overweldigend, een mengeling van rum, zweet en de bedorven adem die het gevolg was van het winterdieet. ‘Bizon McHair, je stinkt een uur in de wind,’ zei ze vinnig. ‘Een volgende keer, voor je een vrouw omhelst, neem eerst een bad.’
‘Gulie, venijnige kat die je bent!’ riep hij vol genegenheid, terwijl zijn baard en snor wit werden van rijp. ‘Als ik een wens had mogen doen, had ik gewenst jou te zien. Heb je me in je droom soms horen roepen?’
‘Hou je galante praatjes voor je!’ Maar ze was niet in staat haar plezier te verbergen. ‘Hoe gaat het met de heilige Bonifacius?’
‘Ben je voor hem hier naar toe gekomen?’
Ondanks zijn scherts voelde ze dat er iets niet in orde was. ‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ze.
‘Hij is nooit over de dood van zijn dochter heengekomen.’
‘Allicht niet. Hoe lang is het geleden, drie maanden? Hij is niet zoals jij; hij had er maar twee; geen tientallen over de hele prairie verspreid!’
‘Gulie, luister.’ Hij nam haar hand in de zijne terwijl hij naast haar meereed; het was ontroerend. ‘De man zit zó in de put, dat ik niet weet wat ik met hem moet beginnen. Ik heb geprobeerd hem op te vrolijken met verhalen, ik heb geprobeerd hem dronken te voeren, ik heb hem meegenomen op de buffeljacht, ik heb hem zelfs gevraagd of hij onze dominee wil worden. Maar niets hielp.’
‘Dominee? Geen wonder dat dat hem niet opmonterde! Het zou hem in staat van verdoemenis brengen!’
‘Onzin. Dat mag in Philadelphia zo zijn, hier krijgt een man die zijn tijd besteedt om Vrienden over Jezus en het Innerlijk Licht te vertellen daar de kost voor. Hij zorgt voor het woord, wij voor het eten. Wat is daar voor verkeerds aan?’
‘Vriend, verdoemenis is een persoonlijk iets. Als Bonifacius zich verdoemd voelt, dan is hij dat.’
Hij liet haar hand los om een uit de sneeuw stekende boomstronk te ontwijken. ‘Hij voelt zich verdoemd, da's zeker. Maar niet omdat ik een dominee van hem heb willen maken. Hij zit de hele dag te bidden, met een gezicht van een meter lang, niet bepaald opwekkend, maar mijn mannen zien het voor religie aan. Misschien heb je iets in je apotheek dat hem kan opkikkeren?’
‘Als hij opgekikkerd wilde worden, zou dat zelfs met pepermuntthee kunnen,’ antwoordde ze. ‘Net als verdoemenis is vrolijkheid een persoonlijk iets.’
‘Als pepermuntthee het middel was, zou hij van pure pret op zijn handen moeten lopen; want daar giet zijn zwarte meid hem mee vol. Iedere keer als hij hardop bidt, wat niet vaak gebeurt, kun je aan de andere kant van het vuur de pepermunt ruiken.’
Gulie had niet meer aan het negermeisje gedacht; Bonny's gevoel van verdoemenis zou weleens iets met haar te maken kunnen hebben.
Toen ze de blokhut binnenkwam was het eerste dat haar opviel een geur als die van de slavenverblijven: negervoedsel, zweet en de hemel wist wat nog meer. Er kon geen twijfel aan zijn: dit was de woning van het zwarte meisje, dat opstond om haar te begroeten toen ze de deuropening binnenbukte, niet van de sombere man die ze op een bed achter een gordijn van pelzen aantrof, volledig gekleed, een kroes op het krukje naast zich.
‘Goedemorgen, Bonny, hoe is het ermee?’ vroeg ze luchtig, om hem niet aan het schrikken te maken.
Als hij door haar komst verrast was liet hij het niet merken. Hij sloeg zijn ogen op en keek haar aan met een dergelijke droefheid dat haar
luchthartigheid vervloog. Dit was een zieke man.
‘Ik kom de groeten brengen van je familie en alle Vrienden in Philadelphia,’ zei ze, terwijl ze op de rand van zijn bed ging zitten. Ze nam zijn hand: warm en vochtig. Ze voelde zijn pols terwijl ze verder praatte. ‘Het zal je genoegen doen te horen dat de Vergadering je plan om een school voor Indiaanse kinderen te beginnen officieel als een roeping heeft aanvaard. Het komend voorjaar gaat een wagencolonne uit Philadelphia op weg met alles wat nodig is om een school te bouwen en een handelspost in te richten. Joe Woodhouse en Himsha McHair zijn getrouwd; ze komen mee als leerkrachten. Wat zeg je me daarvan?’ Zijn pols was snel en onregelmatig. Ze keek naar zijn ogen: de pupillen waren verwijd.
‘En Beula?’ Aan zijn stem te horen was hij nog steeds de oude, enigszins pedante Bonny die ze gekend had.
‘Ze maakt het goed. Ze geeft les aan doofstommen, in het Vergaderingsgebouw. Zij en Jeremia hebben een alfabet in gebarentaal bedacht - erg vernuftig, moet ik zeggen, en een uitkomst voor die arme mensen. Ze heeft me een brief voor je meegegeven. Zal ik je die meteen maar geven?’
‘Graag.’
Ze haalde de brief uit haar zak. Ze had hem gelezen, met berispelijke indiscretie; in de brief vertelde Beula hem dat ze niet vóór het voorjaar kon komen, waarvoor ze alle redenen opsomde behalve de ware: dat ze herenigd was met haar broer op wie ze van kinds af aan verliefd was geweest.
Hij vouwde de brief open en begon te lezen. Ze zou eigenlijk haar blik moeten afwenden terwijl hij door zijn gade aan het spit geregen werd; maar ze wilde zijn reacties observeren. Zijn ogen vulden zich met tranen, zijn gezicht verslapte tot dat van een bange jongen; toen hij de brief uit had snikte hij; ‘O, mijn God!’ en sloeg zijn handen voor zijn gezicht. Zijn schouders begonnen te schokken. Ze had een kalmerend middeltje in haar apotheek; dat had hij wel nodig. Toen ze opstond en het gordijn van pelzen oplichtte, ving ze terloops een beweging op. Het was het negermeisje, dat haastig weer op de stapel huiden voor het haardvuur ging zitten. Vanwaar de heimelijkheid? Gulielma peinsde erover terwijl ze de medicijn ging halen en naar de hut terugliep. Ze ging weer op de rand van Bonny's bed zitten, nam de kroes van het krukje en rook eraan. Het was inderdaad pepermuntthee, maar ze rook nog iets anders dat ze niet kon thuisbrengen.
‘Hier,’ zei ze, ‘neem deze poeder maar, met een beetje water. Dat zal je kalmeren.’ Ze ging wat water halen en een beker; toen ze terugkwam lag hij met zijn handen voor zijn gezicht te kreunen: ‘Ik ben verloren, nu ben ik verloren...’
‘Vooruit,’ zei ze. ‘Na deze poeder zul je de dingen nuchterder zien.’
Hij slaakte een zucht. ‘Verdoemd ... ik ben verdoemd!’ Zijn stem brak. Zijn woorden hadden niets theatraals; als ze ooit een man in de hel aanschouwd had, was hij het.
Ze sloeg haar arm om zijn schouders, dwong hem rechtop te gaan zitten
en wist hem zover te krijgen dat hij de poeder innam. Toen slaakte hij opnieuw een diepe zucht en zei: ‘Ik ben schuldig aan Becky's dood. Als Beula me ook nog in de steek laat, ben ik verloren.’
‘Waarom, Bonny?’ Ze sloeg hem scherp gade. Wat was er met de man aan de hand? Hij was er fysiek beter aan toe dan ze hem ooit gezien had. Hij was zijn buikje kwijt, zijn gezicht was niet opgeblazen en pafferig meer, zijn spieren voelden stevig aan, als die van een veel jongere man. Waarom dan deze snelle pols? De verwijding van de pupillen? Peyotl? Onmogelijk, alleen de Huni-Indianen kenden dat. Toch konden zijn symptomen alleen maar worden verklaard door een kunstmatige prikkel. Indiaanse snuif? Een vergif? ... Vergif. Ze keek naar de kroes op het krukje. ‘Als pepermuntthee het middel was, zou hij van pure pret op zijn handen moeten lopen; want daar giet zijn zwarte meid hem mee vol.’
‘Vertel me 's, Bonny, waarom ben je zonder Beula verloren?’
Hij opende zijn ogen; de wijde pupillen staarden haar aan met een starre blik. ‘Omdat ik verteerd word door vleselijke begeerte.’ Hij sloot zijn ogen.
Ze stond op en opende het gordijn; dit keer deed het meisje geen moeite te vluchten. ‘Zou je misschien zo vriendelijk willen zijn mijn paard en mijn muilezels af te laden?’ vroeg Gulielma. ‘Ik zal me even met Bonifacius Baker bezig moeten houden.’
Het meisje staarde haar, gezien de situatie, met bewonderenswaardig aplomb aan. Een ogenblik leek het alsof ze zou weigeren; toen draaide ze zich om en liep naar buiten, waarbij ze erin slaagde minachting uit te drukken met haar achterwerk.
Toen Gulielma bij Bonny terugkwam zat hij rechtop, zijn ogen gesloten.
‘Ziezo,’ zei ze. ‘Het meisje is weg, we kunnen vrijuit praten. Het gaat om háár, nietwaar?’
Hij sloeg zijn ogen op en staarde haar aan. ‘Het gaat om mij. Ik kan de wil van God niet doorgronden. Ik heb het kunnen volhouden zolang Zijn wil me duidelijk was. Al deze maanden heb ik het duivelse in me kunnen weerstaan omdat er hoop was, een toekomst waar ik naar toe kon leven; Beula's komst. Nu is er niets meer waaraan ik me kan vastklampen.’
‘Maar ze komt van het voorjaar! Ze zei dat ze komen zou zodra de blokhut klaar was.’
Hij schudde het hoofd. ‘Van het voorjaar is het te laat.’
Ze observeerde hem een ogenblik in stilte. Toen vroeg ze: ‘Zou je me iets over je symptomen kunnen vertellen, Bonny? Vergeet niet, ik ben arts.’
‘Symptomen?’
‘Hoe komt je begeerte tot uitdrukking? In dromen? Dagdromen?’
De droefgeestigheid van zijn gezicht werd een ogenblik verzacht door een glimlach. ‘Dromen. Dagdromen. Dag en nacht. Mijn gedachten kunnen haar soms weleens vergeten, mijn lichaam nooit.’
Plotseling werd het haar duidelijk. De hemel wist wat Cleo in de pepermuntthee deed waarmee ze hem volgoot, maar het moest iets zijn dat de geslachtsdrift opwekte. Geen enkele man, hoe vroom ook, was opgewas-
sen tegen de listen van Salome. Wat zou het meisje gebruiken? Het moest de een of andere plant of wortel zijn. Heel interessant.
Hij zuchtte, een zucht van uitputting. Geen wonder; het was verbazend dat hij er nog zó bij kon zitten, stralend van gezondheid, met geen ergere verschijnselen dan een versnelde pols, verwijde pupillen en overmatige transpiratie.
‘Ik heb van alles geprobeerd,’ zei hij, nog steeds op die sombere toon. ‘Ik heb me om en om gerold in de sneeuw, gebaad in een gat in het ijs, spiernaakt door het bos gedraafd, maar niets, niets kan de duivel uit me bannen.’
Ze bedwong de opwelling om te roepen: ‘Bravo!’ Geen wonder dat hij in zo'n goede conditie was; het hele geval werd minder tragisch. Ze zou zich in toom moeten houden, anders zou ze te opgewekt klinken. ‘Hoor eens, Bonny,’ zei ze ernstig, ‘ik kan je een middeltje geven waardoor je ongestoord zult kunnen slapen, en dat je overdag van je symptomen zal verlossen. Maar het probleem is je geestestoestand. Hoezeer ik het ook eens ben met je besef van zondigheid, er komt een moment waarop het ziekelijk wordt. Volgens mij heb je dat moment bereikt.’
Het monterde hem in zoverre op dat hij uitriep: ‘Je weet niet waar je over praat, Gulielma! Jij bent niet schuldig aan de dood van je kind, zoals ik!’
‘Kom nou, kom nou! Naar wat ik heb horen vertellen, was jij er niet bij toen het gebeurde.’
‘Ik was er niet bij omdat ik me opzettelijk had afgezonderd!’
‘Wat is daar voor verkeerds aan?’
‘Om me aan wellustige dagdromen over te geven,’ voegde hij er grimmig aan toe.
Iets aan zijn zelfveroordeling leek gemaakt; hij bestrafte zichzelf met een zekere voldoening. ‘Is het ooit bij je opgekomen, Bonifacius, dat je schuldgevoel weleens egoïstisch zou kunnen zijn?’
Hij keek haar fronsend aan.
‘Je mag jezelf dan wijsmaken dat je al deze maanden een titanenstrijd tegen de verdoemenis hebt gevoerd, maar wat je in werkelijkheid gedaan hebt, behalve een bijzonder gezond leven leiden, is jezelf te veranderen in een monument van egoïsme.’
Hij keek haar verbaasd aan.
‘Wat heb je bereikt met dat zwelgen in je schuld?’ ging ze verder. ‘Ben je een school voor Indiaanse kinderen begonnen? Heb je je met Bizon en zijn mannen beziggehouden, die een dominee willen? Nee - je hebt spiernaakt door het bos gehold, in de sneeuw gerold, gezwommen in een gat in het ijs, en op je bed gelegen om over Bonifacius Baker in verdoemenis te piekeren. En als je nu eens verdoemd was? Als je ziel nu eens in alle eeuwigheid in de hel zou moeten branden? Wat dan nog? In plaats van aan je ziel te denken zou je moeten proberen zin aan Becky's martelaarschap te geven. Als je nu eens van haar ging houden, in plaats van haar te haten?’
‘Haten?’ riep hij verbijsterd uit. ‘Hoe kun je zo iets zeggen?’
‘Als je uit een gevoel van schuld je leven hebt verknoeid, moet je wel haten. Haat is de dood. Wend je af van je schuld en wijd je aan het leven.’
‘Hoe?’
‘Door Indiaanse kinderen te onderwijzen, voor Bizon en zijn mannen te preken. Zelfs door Cleo lief te hebben zou je het leven dienen als het werkelijk liefde is.’
Ze was te ver gegaan. Hij hoefde niet te zeggen: ‘Dank je, Gulielma, ik zal erover nadenken,’ om haar te doen beseffen dat ze de zaak verknoeid had. En ze wist precies waarom: ze had hem behandeld alsof hij was wat hij scheen te zijn: een pedant burgerheertje. Toch was wat hij gedaan had voor zijn slaven zo groots dat zij hem, als hij iemand anders was geweest, zou hebben benaderd met een eerbied die aan devotie grensde. ‘Bonny,’ zei ze, ‘het spijt me. Ik ben niet openhartig tegen je geweest. Ik vind dat je de oorzaak hoort te weten van je zinnelijke opwinding. Cleo doet iets in je thee. Ik weet niet wat, en hoe ze eraan komt, maar ik ben er zeker van dat het een middel is dat de geslachtsdrift stimuleert.’
Hij keek haar met zijn enigszins uitpuilende ogen strak aan, maar zei niets.
‘Ik weet niet wat je probeert voor jezelf te bewijzen,’ vervolgde ze, ‘maar vergeet niet dat je te doen hebt met een ander ras, een andere mentaliteit, bijna een andere diersoort. Vind je niet dat je genoeg voor je slaven hebt gedaan? Laat hen hun eigen verlossing vinden.’
‘Ik weet niet waar je het over hebt,’ zei hij. ‘Het enige dat ik probeer te doen is mezelf voor zonde te vrijwaren.’
‘Goed.’ Ze zuchtte en stond op. ‘Ik zal je wat van die medicijn geven. Neem twee poeders per dag, één bij het opstaan, één voor je naar bed gaat. En neem ze in met bronwater, geen thee of bouillon of welk brouwsel dan ook waar een smaakje aan zit, zéker als zij het klaarmaakt.’
‘Juist,’ zei hij stijfjes.
Vreemd mannetje. Kon het zijn dat hij niet wist wat hij deed? Voor ze zich omdraaide om het gordijn op te lichten, voegde ze eraan toe: ‘Overigens geloof ik niet dat ik voor meer dan twee weken voorraad heb. Je moet dus je probleem zien op te lossen voor de poeders op zijn.’
Hij keek haar zo verwijtend aan dat ze wegging met een gevoel van totale mislukking.
Buiten stond Bizon McHair op haar te wachten. ‘En,’ vroeg hij. ‘Hoe is 't met hem?’
‘Ik moet 's even met je praten.’ Ze pakte hem bij de arm en nam hem mee naar het meer. Daar gingen ze op een omgekeerd bootje zitten, nadat hij er de sneeuw had afgeveegd.
‘Hij wordt vergiftigd,’ zei ze zakelijk. ‘Cleo heeft al die tijd een kruid of poeder door zijn thee gemengd waardoor hij in een bronstige hengst veranderd is.’
‘Nee toch,’ zei hij, met een opvallend gebrek aan medeleven.
‘Laat dat je niet op een idee brengen, beste vriend; de uitwerking is niet plezierig. Bovendien, jij hebt het niet nodig.’
Hij grinnikte.
‘Ik geef hem nu een tegengif, maar dat brengt ons niet bij de wortel van het probleem. Er zit meer achter dan we weten. Misschien is de slavernij niet ongedaan gemaakt met de vrijlating van je slaven. Misschien zal dat meisje zich niet werkelijk vrij voelen vóór ze hem tot haar minnaar heeft gemaakt.’
‘Vrij voelen door zich aan haar meester te onderwerpen?’
‘Zij zou het niet zijn die zich onderwierp, maar hij.’
‘Nou ja, zolang hij maar plezier heeft...’
‘Dat is het 'm juist,’ zei ze. ‘Hij zou er geen plezier in hebben. Hij is - ik weet niet wat zijn werkelijke probleem is. Hij ontgaat me om de doodeenvoudige reden dat ik nooit slaven heb gehouden en in vrijheid gesteld en al mijn bezittingen weggegeven. Het enige dat ik van mijn leven gedaan heb is de mens en zijn bokkesprongen met wetenschappelijke objectiviteit gade te slaan.’ Ze staarde naar het bevroren meer, het eenzame, koude eilandje. Toen werd ze zich ervan bewust dat hij haar zat aan te kijken op een manier waardoor ze zich niet op haar gemak voelde. ‘Wat is er?’ vroeg ze.
‘Je bent veranderd, Gulie,’ zei hij. ‘Voel je je niet goed?’
Haar zelfverzekerdheid bezweek.
‘Gulie?’
Ze keek hem aan; zijn ogen waren schrander. Ze kon voor deze man niets verborgen houden. ‘Ik ben op weg naar de Hunis,’ zei ze, in een poging het achteloos te laten klinken.
‘Waarom?’
‘Omdat ik bezig ben dood te gaan.’
Zodra het eruit was had ze er spijt van. Het was alsof ze iets had losgelaten dat ze alleen maar aankon zolang ze het voor zich hield. Maar dat was belachelijk; Moremen wist ervan, waarom hij niet?
‘Waaraan ga je dood?’ Hij vroeg het vriendelijk, zonder dramatiek. Op de een of andere manier was hij erin geslaagd precies de juiste toon te vinden. Hij was, inderdaad, de meest tactvolle man die ze kende. Toch hunkerde ze naar iets anders.
‘Een ongeneeslijk gezwel in de maag.’ Ze spande zich in om haar plotselinge, wanhopige behoefte aan sentiment te bedwingen. Als ze zich nu liet gaan, zou er alleen maar narigheid van komen. ‘Kom, ik moest maar opstappen.’ Ze stond op en sloeg de sneeuw van haar broek. ‘Ik zou er graag zo gauw mogelijk zijn.’
‘Dat kan ik me voorstellen.’ Hij stond ook op en stak zijn hand uit. ‘Goeie reis, Gulie. Doe het voorzichtig aan.’
Ze wilde uitschreeuwen: ‘Help me, in Godsnaam, hou me vast, bescherm me!’ Want plotseling leek de toekomst vol dreiging. Ze moest als een pelgrim naar hem toe zijn gereisd, zonder het te beseffen.
‘Tot ziens, ouwe Bizon van me,’ zei ze. ‘Je bent echt een vriend geweest. M'n enige, eerlijk gezegd.’ Ze draaide zich om. Wat een hang naar komedie had ze! Hoe eerder ze zich uit de voeten maakte, hoe beter. Ze had hier moeten blijven en voor de nacht haar bivak opslaan, al was het alleen maar ter wille van haar paarden; maar dat moest ze dan maar een paar mijl verderop doen.
Een van Bizons discipelen hinkte naar haar toe terwijl ze bezig was haar dieren te zadelen. ‘Gulie Woodhouse!’ riep hij. ‘Ik heb mijn enkel verstuikt, zou je hem even willen verbinden?’
‘Nee,’ zei ze. ‘Daar wordt het alleen maar erger van. Steek je voet in de sneeuw, of in het meer, tot je van de kou niets meer voelt. Ga dan op je rug liggen met je poot in de lucht.’ Ze stond op het punt in het zadel te klimmen toen ze zich Bonny's medicijn herinnerde. ‘Maar voor je dat gaat doen,’ zei ze tegen de kleine hinkepoot, ‘breng eerst dit medicijn even naar Bonifacius. Twee poeders per dag, en geef hem een kus op zijn snuit van me.’ Ze haalde de poeders uit laatje nummer vierentwintig, gemerkt NARC. ‘Hier, laat ze niet vallen. God zij met je.’
‘Ga je alweer weg?’
‘Ik heb werk te doen.’ Ze klom in het zadel. ‘Doe me een plezier en maak dat hek even open, brave jongen.’
De man gehoorzaamde, met een groot vertoon van kreupelheid. Nóg zo'n komediant. Hoe God het uithield op deze eeuwige poppenkast neer te kijken, ging haar begrip te boven; Hij moest inderdaad zuivere liefde zijn.
Liefde. Daar stond ze, bij het hek, de zwarte verleidster. Wat een prachtexemplaar. ‘Tot ziens, Cleo. Wees lief, en laat de man met rust.’
Cleo vertrok geen spier. De zwarte edelstenen staarden haar zonder hartstocht of ook maar herkenning aan. Met een zucht stuurde Gulie haar vermoeide merrie door het hek de wijde wereld in. Een modderig pad in de sneeuw leidde naar het woud; op het kruispunt met het ruiterpad naar de Wabash zou ze bivakkeren. De Wabash was onder de gunstigste omstandigheden twee dagen rijden; nu, met die sneeuw, zou ze er tweemaal zo lang voor nodig hebben. Ze had inderdaad de nacht in de blokhut moeten doorbrengen en morgenochtend op weg gaan, maar ze kon het niet verdragen Bizon nog eens te zien.
Terwijl ze wegreed dwong ze zich niet aan hem te denken. In plaats daarvan concentreerde ze haar gedachten op Bonny Baker en zijn verdoemenis. Jammer dat ze niets voor hem had kunnen doen. Kon het zijn dat ze het probleem verkeerd had benaderd? Misschien had ze het meisje moeten aanpakken in plaats van hem. Ze had op het goddelijke in de negerin moeten afgaan. Het moest er zijn, achter die zwarte edelstenen, die onverzoenlijke haat. Als het er was, kon het worden benaderd.
Enfin, ze had gefaald, en hij was vermoedelijk haar laatste patiënt. Nu Beula hem in de steek had gelaten zou hij vermoedelijk binnen de maand eindigen in de omarming van het zwarte roofdier. Daarna zou hij, net als de blindgemaakte Indiaanse krijgers die met nietsziende ogen naar het vuur
staarden, sterven van schaamte.
Terwijl ze zich bukte om een laaghangende tak te ontwijken, wenste ze dat God haar deze laatste kleine triomf gegund had.
***
Toen Bonifacius Baker uren later uit een diepe, droomloze slaap ontwaakte was het raampje aan het voeteneind van zijn bed donker, het gordijn van pelzen opengeschoven. Cleo zat gehurkt op haar bed van huiden, in het schijnsel van het houtvuur; ze was met het een of ander naaiwerkje bezig en zag er ingetogen en huiselijk uit in haar grijze Quaker-jurk. Het zachte geknetter van de brandende houtblokken gaf een sfeer van gezelligheid; voor het eerst in maanden voelde hij zich ontspannen. Voor het eerst had hij bij Cleo's aanblik niet het gevoel dat zijn keel werd dichtgeknepen, dat alles wat vriendelijk en zachtmoedig in hem was werd overweldigd door begeerte. En nu wist hij dat het iets was dat ze in zijn thee had gedaan. Hij moest dat nog verwerken.
Hij stond op om bij haar te gaan zitten; ze hief het hoofd op. Haar zwarte ogen, doorvonkt met de weerspiegeling van het vuur, keken hem onderzoekend aan. Hij kende die blik, alsof ze ergens op wachtte. Nu wist hij waarop.
‘Je hebt goed geslapen,’ zei ze.
‘Ja. Ik weet niet wat Gulielma me gegeven heeft, maar het werkt probaat.’
‘Wil je soms een stuk vlees?’
‘Nee, dank je. Heb jij gegeten?’
‘Ja. Zal ik thee zetten?’
‘Dat heeft de dokter verboden.’ Hij zei het terloops, maar ze keek hem weer met die onderzoekende blik aan.
‘Zei ze dat je geen thee mocht drinken?’
‘Ze zei dat ik alleen maar water mag drinken, zolang deze kuur duurt.’
‘Hoe lang is dat?’
‘Twee weken.’
Hij ging bij de haard zitten. Zij hervatte haar naaiwerk. Er was nu een spanning tussen hen.
‘Wat ben je aan het doen?’ vroeg hij.
‘Je sokken stoppen.’
‘Maar wat zit erin?’
‘Een kommetje. Heb je nog nooit eerder een vrouw sokken zien stoppen?’
Hij begreep het niet; er ging een serene rust van haar uit die niet leek te kloppen met haar nu wel duidelijk bewezen dubbelhartigheid. Had Gulielma zich misschien vergist? Het leek onmogelijk dat dit vreedzame wezentje er welbewust op uit was een wrak van hem te maken.
Wat was ze eigenlijk voor iemand? Een in slavernij geboren meisje dat op bevel van Caleb door een onbekende man verkracht had moeten worden om
haar onafhankelijkheid te breken. Hier zat ze nu: in de wildernis, alleen met haar voormalige eigenaar, zijn sokken te stoppen. Wat had haar hier gebracht? Ze was niet zwanger geweest: ze had gedaan alsof, om hem te bewegen haar mee te nemen. Waarom? Hij kon het antwoord niet raden. Het behoorde bij een andere wereld, de wereld van de slavernij. Hij herinnerde zich haar zoals ze voor hem verschenen was, nadat Caleb haar ervan beschuldigd had Joshua te willen verleiden: nors, met hangende armen, volstrekt anders dan het meisje dat ze nu was. Hij herinnerde zich de keer daarna dat hij haar gezien had: op de vloer van Calebs hut, met haar zwarte armen en benen om Joshua's blanke lijf gestrengeld, als de tentakels van een inktvis. Toen, maanden later, in de beek, die avond ten westen van het Allegheny Gebergte. Was ze toen al begonnen hem haar drankje te voeren? Kwam het daardoor dat hij zo door haar schoonheid getroffen was geweest?
Er kwam een gevoel van angst in hem op. De grondslag van zijn leven, het beeld dat hij van zichzelf had, begon te wankelen. Hij sloot zijn ogen en bad, want plotseling besefte hij hoe gemakkelijk hij verloren kon raken, weerloos in de greep van de begeerte, die slechts tijdelijk door Gulielma's poeder gestild was. Hij bad: ‘Genade, God, heb genade met haar.’ Dat was onzin, eigenlijk. Hij was het die genade nodig had. Hij sloeg zijn ogen op en keek naar haar gezicht, de blanke palmen van haar handen, de sok, en plotseling voelde hij zich diep ontroerd, want er ging iets van haar uit waarvan hij zich nooit eerder bewust was geweest: eenzaamheid. Hier zat ze, honderden mijlen van haar volk verwijderd, waarschijnlijk de enige neger in de wildernis. Negers verplaatsten zich altijd in groepen, nooit alleen. Welke geheime kracht had haar in staat gesteld dit alleen te volbrengen? Eén kracht had ze als slavin al getoond: het vermogen om mannen gek te maken. Kon het zijn dat ze geprobeerd had hem te verleiden omdat dit de enige macht was die ze bezat? Maar waarom hem, die haar de vrijheid had gegeven? Er moest iets zijn dat ze wilde bereiken, een doel; en om dat te bereiken had ze het nodig gevonden hem te lijf te gaan met de enige kracht die ze bezat. Maar wat kon ze willen? Ze was nu toch vrij? Moest hij nog meer voor haar doen? Wat kón hij nog meer doen? Haar niet alleen zijn dagelijkse leven laten delen maar ook de gedachtenwereld waarin hij leefde? De wereld van de geest? Moest hij proberen haar menselijkheid te schenken? De gedachte alleen al was een ontkenning van het goddelijke in haar; te denken dat het in zijn macht lag om haar menselijkheid te schenken was een monsterachtige arrogantie; klaarblijkelijk was hij in zijn hart altijd nog een slavenhouder. Om haar werkelijk vrij te maken, moest hij eerst zichzelf bevrijden van die arrogantie, zichzelf niet langer als uitverkoren beschouwen, iemand die God dierbaarder zou zijn dan zij. Hij moest zich ontdoen van zijn blanke huid, zijn blanke God, de aanmatiging van een exclusieve openbaring, alleen aan hem en zijn rasgenoten verleend. Maar hoe kon hij dat? Om te beginnen: door haar als zijn gelijke te zien in plaats van als zijn bediende.
‘Wat zou je ervan vinden als wij samen eens die school voor Indiaanse kinderen begonnen, jij en ik?’
Ze keek op.
‘Je kunt lezen en schrijven, is het niet?’
Ze trok haar schouders op.
‘Kijk - iedereen kan onderwijzer zijn zolang hij de klas maar een bladzijde voor blijft. Hoeveel weet je?’
‘Niets.’ Ze nam haar stopwerk weer op.
‘Niets? Maar je bent toch naar school geweest! Heeft mijn vrouw je niet leren lezen en schrijven toen je klein was?’
‘Nee.’ Ze zei het op effen toon.
‘Maar dat begrijp ik niet...’ Het was een van de dingen geweest waar hij het meest trots op was: andere eigenaren weigerden hun slaven iets te leren, omdat ze het gevaarlijk of alleen maar pure tijdverspilling vonden; Quakers leerden de kinderen van hun slaven lezen en schrijven. ‘Ik weet dat je naar school bent geweest! Dat kan niet anders.’
‘Jawel.’
‘Hoe komt het dan dat je niets geleerd hebt?’
‘Ik wou niet.’
‘Je wou niets leren?!’ Hij staarde haar verbijsterd aan. ‘Waarom niet, in vredesnaam?’
Ze haalde weer haar schouders op.
‘Maar er moet een reden voor geweest zijn! Waarom wilde je niet leren lezen en schrijven?’
Ze trok de kom uit de sok.
‘Waarom niet, Cleo, waarom niet?’
Ze stopte de kom in een volgende sok, trok een draadje wol van de bal, beet het af en stak het door het oog van haar naald.
Kon de weigering om iets te leren een daad van onafhankelijkheid zijn geweest? ‘En nu?’ vroeg hij. ‘Zou je nu willen dat ik je leerde lezen en schrijven?’
‘Waarom zou ik?’ vroeg ze.
‘Om je in staat te stellen Indiaanse kinderen te onderwijzen.’
‘Waarom zou ik dat doen?’
‘Omdat jij hier bent. De enige die zij hebben ben jij.’
Hij stond op en liep naar de plank waar hij zijn boeken had staan, om het leesplankje te zoeken dat hij uit Philadelphia had meegebracht. Het stond er niet. Toen herinnerde hij zich dat Abby het mee teruggenomen had. Wat kon hij in plaats daarvan gebruiken? Zijn hand ging eerst naar de bijbel, toen naar het eerste deel van Ann Traylors dagboeken; hij meende zich een kinderhandschrift achterin te herinneren.
Hij pakte het schrift van de plank en sloeg het open bij het schijnsel van het vuur. ‘Ik hoop dat ze eindelijk in slaap valt, het arme mens...’ Hij draaide het schrift om en keek achterin. ‘Adam at de appel op die Eva voor hem geplukt had.’ Hij had het zich goed herinnerd. Het was een
schoolschrift.
‘Kom, ga hier zitten.’ Hij klopte op de grond naast zich, ‘ik heb hier iets dat we als begin kunnen gebruiken. Kom.’
Ze legde haar stopwerk neer, kroop naar hem toe en ging naast hem zitten.
‘Je weet toch iets van letters af? Waar ze voor staan, bedoel ik? Iedere letter is een teken dat een geluid in beeld brengt. A-Adam. Begrijp je dat?’
Ze draaide haar hoofd naar hem toe. Haar zwarte ogen met de gouden vlekjes, die hij nog nooit van zo dichtbij gezien had, keken naar zijn mond. Toen zei ze: ‘Ja.’
Een ogenblik wankelde zijn vastbeslotenheid omdat door die blik een wilde begeerte in hem werd opgewekt. Maar iets kwam hem te hulp: het besef dat dit het enige wapen was dat ze had.
‘Cleo,’ zei hij, op vaste toon, ‘kijk me niet aan alsof jij een leeuwin was en ik een lam. Mensen die willen leren, eten hun leraren niet op.’ Hij wist niet of ze gevoel voor humor had, hij kende haar eigenlijk helemaal niet. Blijkbaar had ze dat niet; na een onbewogen blik van die ogen keek ze in het schrijfboek. ‘A,’ zei ze. ‘Ik ken de A.’
‘Nu,’ zei hij, al op de toon van een schoolmeester, ‘laten we daar tenminste dankbaar voor zijn. We gaan verder.’ Hij begon te spellen, langzaam en duidelijk: ‘Adam.’
De houtblokken sisten in de haard. Buiten liet een ijsduiker zijn trieste roep horen op het bevroren meer. Ergens in het bos antwoordde een uil. Het was een koude, donkere nacht.
***
De volgende ochtend reed Gulielma op haar kortademige Annie de prairie in, met de twee muildieren achter zich aan. Het was een opluchting eindelijk het oerwoud uit te zijn; de zee van gras, wit van rijp, gaf haar een gevoel van oneindigheid en vrijheid.
Maar met het verstrijken van de dag overviel haar de eenzaamheid van de prairie. Tegen het vallen van de avond begon ze zich zowaar angstig te voelen; nog nooit eerder was ze in de wildernis bang geweest. Ze had al lang ontdekt dat de troepen wolven die in de winter door de bevroren uitgestrektheid zwierven niet meer dan aan de aarde gebonden roofvogels waren, die alleen aanvielen wat zwak, ziek of stervende was. De Indianen wisten dat ze een medicijnman was en geen geld of kostbaarheden bij zich had, alleen maar vergif in de laatjes van haar apotheek. Het enige gevaar waarmee ze te kampen zou krijgen was haar eigen toenemende zwakte. Haar maag gaf het voedsel nog niet op, maar ze had domweg geen honger meer. Ze kon iedere dag niet meer dan een paar hapjes naar binnen krijgen en moest zich zelfs daartoe dwingen. Het ogenblik naderde snel waarop ze de waarheid over haar toestand onder ogen zou moeten zien. Maar het gevoel van onheil dat zich van haar meester maakte toen de avond begon te
vallen kwam niet uit haar zelf voort. Ze werd gewaarschuwd door een instinct dat van 's mensen eerste zwerftochten over deze prairie moest dateren: ze werd bespied.
Waren er Indianen in de buurt? Dat kon bijna niet. Ze wist dat haar tocht langs de paden door het oerwoud gevolgd werd vanaf het ogenblik dat ze uitreed tot ze bivak maakte. Het had haar nooit verontrust, integendeel, het gaf haar een gevoel gezelschap te hebben; als haar paard haar afwierp of ze zich door een tak buiten westen liet slaan na in het zadel in slaap te zijn gesukkeld, zou ze tenminste worden opgepikt, al was het alleen maar vanwege de onlesbare Indiaanse nieuwsgierigheid. Maar hier, op de bevroren prairie? In deze grenzeloze, kale leegte kon geen enkele Indiaanse krijger, hoe bedreven ook in het besluipen, haar ongemerkt volgen; daar zou alleen een legendarisch figuur als Eenzame Adelaar kans toe hebben gezien. Maar waarom zou iemand haar schaduwen? Als ze een wagencolonne of een andere aanlokkelijke prooi was geweest - maar Pissende Gulie, de Man-Vrouw met de donderbus en de paardepillen? Geen enkele Indiaan, ondanks hun besluipingsdrang, zou zich voor haar die moeite getroosten.
Ze keek omhoog, naar de lucht. Gieren cirkelden boven haar. Dat deden ze al uren; ze wachtten of ze soms een stuk wild zou schieten en hun de resten overlaten. Ze hield haar paard in; het stomme muildier botste er van achteren tegenop, het had waarschijnlijk lopen slapen. ‘Stil maar, Annie,’ zei ze en klopte op de hals van haar beledigde oude merrie, ‘die stomme Patsy deed het niet met opzet. Kalm maar.’ Met haar hoed op haar ogen tegen de ondergaande zon tuurde ze de horizon af. Er was niets te zien; alleen de prairie, wit, eindeloos, en boven haar de gieren. Een sneeuwuil vloog op uit een bosje en wiekte weg, laag boven de grond. Er moest een prairiehondenbult vlak bij zijn, vol overwinterende diertjes; sneeuwuilen konden maar niet geloven dat hun sappige vriendjes de hele winter sliepen. Langzaam tuurde ze de horizon af, en ving iets op. Oneindig klein, niet meer dan een stipje in de hemel. Na verloop van tijd zag ze er nog een, en nog een: cirkelende gieren. Dat betekende een dier in doodsstrijd, of Indianen.
Ze laadde de muildieren af, ontzadelde het paard en liet ze op hun eigen houtje zoeken naar iets eetbaars in de bevroren prairie. Ze zette haar tentje op voor de jeneverbesstruik waaruit de uil was opgevlogen; dat betekende een nijdige vogel, maar de beschutting tegen de wind was goed; tegen de ochtend zou het bitter koud worden, en door haar gebrek aan eetlust was haar weerstand verminderd. Toch had ze zich, om de waarheid te zeggen, zelden in haar leven beter gevoeld. Enfin, laten we eens zien wat voor lekker hapje we vanavond kunnen klaarmaken.
Ze was zo bedrijvig als een kind met een speelgoedkeukentje. Maar, hoe smakelijk het maal er ook uitzag, ze kon maar een paar happen naar binnen krijgen. Het vuur, aanvankelijk nietig onder de rode gloed van dezonsondergang, werd een bron van behaaglijkheid en warmte toen de duisternis inviel. Het was alleen al pure vreugde om ernaar te staren, in haar deken gewikkeld, haar kin op haar knieën. Een van de voordelen van de ouder-
dom was de terugkeer van de onschuld, ditmaal niet als resultaatvan onwetendheid maar van een gevoel voor verhoudingen. Sub specie aeternitatis was Bonny's schuldgevoel kortzichtig. De enige werkelijke zonde, in de liefde, was liefdeloosheid. Ze glimlachte wrang naar het vuur; voor een beroepsmaagd was dit een abstracte gedachte, op zijn minst gezegd. Arme Bonny! Als hij maar geen Vriend was geweest! De Quaker-opvatting van de verhouding tussen God en de mens legde het individu een zware last op. Bonny was net Atlas, veroordeeld de verantwoordelijkheid voor zijn eigen ziel op zijn schouders te torsen. Als hij een Anglicaan, een papist of een puritein was geweest, zou hij zijn verdorvenheid hebben aanvaard als het gevolg van 's mensen erfzonde, met Christus' zoendood als enige hoop op verlossing. Als gevolg zou hij zich met zijn Nubische minnares uit hebben kunnen leven tot hij, van pure uitputting, gepauzeerd zou hebben voor een korte periode van sombere overpeinzing om daarna weer opnieuw te beginnen, verzekerd van de uiteindelijke genade van de Zoon des mensen. Hoe eenvoudig, en hoe doeltreffend! In plaats daarvan, omdat hij zowel de duivel als God in zich had en omdat de keus aan hem was, had hij in de sneeuw gerold, gepoogd zijn zondige geslachtsdeel te bevriezen door het in een wak in het ijs te dompelen, en spiernaakt door het bos gehold. Ze kon zich de moeite besparen hem te vertellen dat hij, om het zo maar eens te zeggen, zijn blik iets lager moest richten; hij achtte zichzelf nu eenmaal geheel verantwoordelijk voor zijn eigen verdoemenis, en daarom was hij verdoemd. Tenzij Cleo van haar koel en vastberaden besluit kon worden afgebracht, was zijn enige hoop haar met werkelijke liefde te verzwakken. Maar ze moest in haar korte leven zo gebrutaliseerd zijn dat ze niet meer tot liefde in staat was, zeker niet voor een blanke. Als ze eenmaal een kind had, zou de liefde zich natuurlijk laten gelden; maar tegen die tijd zou het, wat Bonny betrof, te laat zijn.
Voorbij de kleine horizon van het vuurschijnsel hinnikte een paard. Ze luisterde met ingehouden adem, starend naar het vuur, maar hoorde niets meer. Eén kort gehinnik; dat was alles. Annie hinnikte alleen als ze de geur van een ander paard opving. Als het andere paard een Indiaanse mustang was, zou het niet antwoorden.
Hoe dan ook, er viel van haar kant niets te doen. Ze had haar donderbus niet meer, alleen haar jachtgeweer, dat als instrument voor intimidatie lang niet zo doeltreffend was. Enfin, ze zou er gauw genoeg achter komen. De enige verontrustende mogelijkheid was dat het een uitgestoten Indiaan zou kunnen zijn; dat deden ze als straf voor misdaden waarop niet de dood stond. Ze lieten een veroordeelde zijn paard, boog en een koker pijlen en stuurden hem de prairie in, waar hij zich dan verder maar moest zien te redden. Het was een wrede straf; de meesten waren niet intelligent genoeg om zichzelf in leven te houden; doorgaans waren die uitgestotenen gauwdieven of verkrachters. Dat was een interessante gedachte: misschien zou ze dan toch nog de onvergetelijke ervaring van de defloratie ondergaan. Het hing ervan af hoe lang de stumper over de bevroren prairie had
rondgezworven; als het lang genoeg was om hem gek te maken, was het inderdaad denkbaar dat hij opgewonden zou raken alleen door het feit dat ze een vrouw was.
Ze ging liggen, haar voeten naar het vuur, rolde zich in een deken en vroeg zich af hoe het zou zijn om verkracht te worden. Sinds het begin van de oorlog was het veel vrouwen overkomen; Becky was eraan ten onder gegaan; anderen hadden haar, ondanks hun gejammer, de indruk gegeven dat het niet zo tragisch was. Gescalpeerd worden was natuurlijk wat anders; maar daarvoor hoefde ze niet bang te zijn. Alleen een volslagen krankzinnige zou op haar muisachtige, door de motten aangevreten haardos loeren.
Ze slaagde erin nu en dan even in te dommelen, maar de waakzaamheid verliet haar geen moment. Een geknetter van het vuur, het knappen van een twijg toen de vorst over de prairie neerdaalde, maakte dat ze meteen klaarwakker in de duisternis tuurde. Op een gegeven moment was ze er zeker van dat ze werd bespied, maar er kwam geen bezeten Indiaan uit het donker op haar afspringen, zelfs geen coyote had belangstelling voor het rare, oude dier dat opgerold lag aan de voet van de jeneverbesstruik. Zonsopgang trof haar ongerept aan, vol ergernis over haar nachtelijke fantasieën.
De muildieren en de merrie waren in de buurt gebleven, berustend in het vooruitzicht dat ze zich weer met de rommel van een oude vrouw moesten laten beladen en opnieuw een dag voortsjokken op een weg die nergens heen leidde. Het enige dat ze uit haar lange nacht van gefascineerde angstdromen had overgehouden waren een paar koude voeten, die ze maar niet warm kon krijgen, ook al wreef ze ze nog zo hard terwijl Annie, met de slingergang van een vissersboot, bleef voortkoersen over de zee van gras.
Zij deed er drie dagen over om de Wabash te bereiken, en al die tijd voelde ze dat ze gadegeslagen werd. De tweede nacht kwam ze tot de conclusie dat een aanval onwaarschijnlijk was, anders zou het individu het al hebben gedaan. De derde nacht wenste ze dat haar heimelijke schaduw bij haar aan het vuur zou komen zitten voor een babbeltje. Het was bitter koud, de prairie was altijd veel kouder dan het bos. Ze hoopte dat een sneeuwstorm, zelfs een kleintje, haar bespaard zou blijven, want ze betwijfelde of haar voeten ertegen bestand zouden zijn. Ze weigerden warm te worden; ze begon ze te slaan en zelfs tegen ze te praten, als tegen een weerspannige tweeling. Het was met gemengde gevoelens dat ze, aan de oever van de Wabash, op een kamp van Franse voyageurs stuitte.
De zes mannen, allemaal klein van postuur, baardig en uitermate rad pratend, hadden hun met pelzen beladen platboomde aak aan vier in de bevroren grond geslagen ijzeren pennen gemeerd; twee vaarbomen hielden het vaartuig van de oever af. Ze waren bezig de achterbouten van een eland te roosteren toen zij aan hun kampvuur verscheen en zei: ‘Goedenavond, heren. Hoe maakt u het?’
Hun instinctieve reactie was een zijdelingse blik naar hun geweren alvorens ze haar ridderlijk uitnodigden met hen mee te eten. Ze begon, zoals
gewoonlijk, met te zeggen: ‘Ik ben dokter. Moet er nog iemand van jullie gerepareerd worden?’ Zonder op een antwoord te wachten, gaf ze Annie en de muildieren een klap op de bil en stuurde ze uit grazen. Ze zou ze straks wel afladen; zijnde Fransen zouden deze jongens dat misschien wel voor haar doen. Dat was het plezierige van de Fransozen: ze waren enorm galant en behandelden zelfs een oude vogelverschrikster als zij alsof ze een mooie, rijke, jonge weduwe was.
Ze bracht een prettige avond in hun gezelschap door. Eerst verzorgde ze hun schrammen en zweren, vervolgens kreeg ze de laatste nieuwtjes van de rivier te horen. Haar Frans was gebrekkig, hun Engels ook; met vereende krachten slaagden ze erin zich onderling verstaanbaar te maken. Ze werd vergast op de gebruikelijke sterke verhalen van met één enkel schot gevelde bizons; onneembare dochters van Indiaanse opperhoofden die als was werden bij de eerste kus; ze hadden de stoere onschuld van de jonge mannetjes-mens in de wildernis. Er waren ook schampere opmerkingen over onervaren immigranten die in hun logge huifkarren naar het westen zwermden zonder enig benul waar ze naar toe gingen of wat hen te wachten stond. Meestal kwamen ze in groepen, maar de laatste tijd was er een toevloed geweest van afzonderlijke gezinnen, door de oorlog van de anderen gescheiden. Een halve mijl stroomopwaarts stond een huifkar met een span ossen, een man en vrouw die Duits spraken, en een zwanger meisje. Hoeveel kans dachten die mensen dat een baby had om de winter op de prairie te overleven? Ze hadden er geen idee van hoe ze de Wabash moesten oversteken, wat wilden ze eigenlijk? Daar de hele winter kamperen? Opgevreten worden door wolven, of door de Miamis worden beroofd, of doodvriezen? Des fous furieux! De voyageurs waren beledigd; want toen ze in het voorbijgaan de eenzame huifkar beleefd hadden aangeroepen, waren ze beloond met een schot hagel en een regen van Duitse vloeken. Waarom die mensen het nodig vonden hun dochter van tweehonderd pond, met een snor en acht maanden zwanger op de koop toe, tegen zes hoffelijke, beschaafde heren te beschermen ging hun begrip te boven.
Gulielma sliep beter dan ze sinds haar vertrek uit Philadelphia gedaan had. Het was met een gevoel van ergernis dat ze in het holst van de nacht wakker werd geschud door een opgewonden kleine Fransman die onzin brabbelde. Pas nadat een tweede opgewonden Fransman hem met zijn mondvol rivier-Engels te hulp was gekomen, begreep ze dat ze het over de huifkar stroomopwaarts hadden. De man die haar had wakker geschud had een vrouw horen gillen en was op onderzoek uitgegaan. Hij dacht dat een van de vrouwen vermoord werd tot de achterflap van de kar werd opgeslagen en de man naar buiten gestrompeld was; de Fransman had een glimp opgevangen van wat er daarbinnen gaande was: de dochter was bezig te bevallen. Ofschoon het in feite beter voor hen zou zijn als ze elkaar maar uitroeiden voor iemand anders het deed, dwong christelijke plicht de heren haar op de hoogte te stellen, omdat ze een dokter was.
Gulielma kwam tien minuten later bij de huifkar aan, begeleid door alle
zes voyageurs, die discreet buiten zicht bleven. Schelle, doordringende kreten bewezen dat het arme mens bezig was een ondraaglijke marteling te ondergaan; op het tentdoek van de huifkar, van binnen door een lantaarn verlicht, worstelden groteske schaduwen. Ze steeg af, liep naar de kar toe en klopte op de achterklep. Ze moest er met haar vuisten op beuken voor de flap werd opgeslagen en het silhouet van een baardige man in het hoefijzer van licht opdoemde. ‘Raus! Raus!’ schreeuwde hij; het gegil achter hem werd nog schriller. Toen hij op het punt scheen op haar te springen, nam ze haar hoed af en zei in het Duits: ‘Blijf kalm, Vriend, ik ben dokter. Laat me 's even naar dat meisje kijken.’
‘Een dokter?!’ gilde hij. ‘We hebben geen dokter nodig, bemoeizuchtig oud wijf!’
Achter hem riep een vrouwenstem: ‘Väterchen! Väterchen! Komm doch! Komm schnell!’
De man draaide zich om; Gulielma waagde haar leven door op de achterklep te klimmen en naar binnen te bukken.
De aanblik was erbarmelijk. Een naakte jonge vrouw met een spierwitte, puilende buik en gespreide benen lag hevig bloedend op een doordrenkte matras. Een oudere vrouw, klaarblijkelijk haar moeder, probeerde het meisje in bedwang te houden dat gillend worstelde in barensnood. Het erbarmelijkst van alles was het hoofd van het meisje: haar schedel was kaal en roze met een vliesdunne, helende huid, nu hier en daar bloedend.
‘Laat me er 's bij,’ zei Gulielma in het Duits, terwijl ze de man opzijduwde.
‘Raus, raus!’ brulde hij; maar zijn ogen waren verglaasd van ontzetting. Het enige dat men met mensen in zijn toestand, vooral mannen, kon beginnen was doen alsof ze er niet waren.
‘Ik ben dokter!’ schreeuwde ze tegen de vrouw, boven het gegil van het meisje uit. ‘Ik kan haar helpen!’
De vrouw kreeg de kans niet om te antwoorden; het meisje moest zo sterk als een beer zijn. Zoals Gulielma voorzien had, liet de man zich grommend in een hoek op de grond zakken. Ze stroopte haar mouwen op, waste haar handen in een emmer en ging aan het werk, met de vaardigheid die ze door veertig jaar ervaring met bevallingen in wigwams en blokhutten in de wildernis verworven had. Dit was een stuitligging, maar het verbaasde haar iedere keer weer hoe de natuur het klaarspeelde haar fouten te herstellen als het erop aan kwam nieuw leven voort te brengen. Het was een bloedige geschiedenis, maar ten slotte, terwijl de moeder krijste alsof ze aan het kruis genageld werd, werd een glibberig nieuw mensje in de wereld getrokken en gedwongen zijn eerste kreet te krijsen door een klap op de billen, ondersteboven in het schijnsel van de lantaarn. Het was een jongetje, en zodra hij zich had laten horen gaf ze hem aan de oude vrouw, want de moeder kreeg een inzinking. Toen ze zich over het bewusteloze meisje boog, hoorde ze achter zich een schrille kreet: ‘Nein! Nicht tun!’ Het was de oude vrouw; Gulielma zag de man met het pasgeboren kind uit de wagen
springen, de nacht in.
Instinctief koos ze het nieuwe leven boven het oude en sprong hem achterna. De man, die loeide als een stier, holde naar de rivier; plotseling veranderde hij van richting en rende naar een boom in het donker. Hij greep de baby bij de beentjes en zwaaide ermee als een knuppel, op het punt het hoofdje tegen de boom te vermorzelen. Gulielma wist niet hoe ze het klaarspeelde, maar op het moment van de klap stond ze tussen de boom en het lijfje. De krankzinnige trof haar in de maagstreek, ze zag kans het kind te grijpen ondanks de pijn die door haar lichaam schoot. Ze wist dat ze gedwongen zou zijn de worsteling op te geven; toen sprongen twee, drie, zes aanvallers uit de duisternis op de bezeten man toe. Hij brulde, maar liet het kind los om hen van zich af te slaan.
Het was, ondanks hun aantal, een ongelijke strijd; de brullende bruut smeet zijn aanvallers een voor een de duisternis in alsof het zakken meel waren. Ze zag hem weer op het kind afkomen, gilde: ‘Vang!’ naar een gestalte vlak bij en wierp hem de baby toe. Het was roekeloos, maar ze had geen keus, want de krankzinnige had haar al te pakken. Brullend: ‘Das Kind muss kaputt! Das Kind muss kaputt!’ beukte hij op haar los, met haar rug tegen de boom.
Het was een vreemde ervaring. Ze voelde de stompen niet, ze voelde een luchthartige rust over zich komen, een soort verdwaasde gelukzaligheid. Er was geen angst, alleen maar verbazing.
Ze kwam bij door het wanhopige gekrijt van een zuigeling. Ze lag op de grond, naast een kampvuur; de voyageurs knielden om haar heen. ‘Waar is hij?’ vroeg ze, en ze speelde het nog klaar om het in het Frans te vragen ook.
‘Lui, le taureau enragé? Hij heeft Fonfon en Pierrot buiten westen geslagen, maar zijn vrouw sloeg hem lens: Vlan! Met de steel van een bijl.’
‘Het kind! Waar is het kind?’ Ze rees overeind.
‘Le voilà.’ Er werd haar een jammerend bundeltje in de armen gedrukt, in een wambuis gewikkeld. De baby zag er vies en doodsbang uit; het was een wonder dat het arme schaap het overleefd had.
‘Ik - ik moet naar de moeder gaan kijken...’ Ze gaf hun de baby terug en probeerde op te staan, want ze herinnerde zich het krijtwitte gezicht van de bewusteloze moeder. De voyageurs probeerden haar te overreden om te blijven, maar ze kwam wankel op de been. ‘Hou het kind warm, ik ben zo terug.’
Ze deed een vergeefse poging zich in het zadel te hijsen; de pijn in haar maag was verlammend. Een twaalftal handen hielpen haar te paard; toen ze wegreed in de richting van de huifkar werd ze opnieuw begeleid; twee hielden Annie bij het bit vast.
Toen ze bij de huifkar kwamen werd ze van het paard geholpen en naar de achterklep gedragen; maar verder ging hun ridderlijkheid niet. Bij het eerste gegrom van het Duitse monster, wiens laarzen onder het tentdoek uitstaken, verdwenen ze in de duisternis.
Het meisje was bijgekomen, haar ogen waren althans open; ze staarde naar de zoldering. Evenals haar baby was ze kennelijk van solide materiaal gemaakt. Haar moeder moest hen hierin evenaren, er was kracht voor nodig om een dolgeworden man met de steel van een bijl buiten westen te slaan. Niettegenstaande de ondraaglijke pijn in haar maag hielp Gulielma het meisje zich te ontdoen van de nageboorte. Ze zou eigenlijk de inscheuring moeten hechten, maar die was niet zo groot dat een hechting beslist noodzakelijk was en ze kon niet meer. Bovendien kwam de vader uit zijn verdoving bij en om zo te horen was hij bezig zich voor te bereiden op een nieuwe ronde. Ze zei: ‘Ik zal je kindje laten brengen.’
‘Nein, nein!’ antwoordde de oude vrouw, fluisterend. ‘We willen het kind niet; hou hem maar!’
‘Bedankt,’ zei ze, ‘maar hij is het kind van uw dochter, ze zal aanstonds om hem vragen.’
‘Nee, dat zal ze niet,’ zei de vrouw grimmig. ‘Vraag het haar zelf maar.’ De man achter hen begon te grommen.
Gulielma vroeg het zielige gescalpeerde meisje: ‘Zou je je zoon willen zien, Liebchen?’
Het meisje schudde haar hoofd.
‘Het is een mooi kereltje...’
‘Nein, nein,’ fluisterde het meisje moeizaam. Haar lippen waren bleek, er was bloed in haar mond. Ze moest op haar tong hebben gebeten.
‘Je kunt je eigen kind niet zo maar de rug toekeren, mein Kind,’ hield Gulielma aan. ‘Hij is je eigen vlees en bloed...’
‘Dat is-ie niet!’ riep de oude vrouw met een heftigheid die afstotend werkte. ‘Hij is het zaad van de duivel! Der Teufel! Der Teufel! Hij moest verzopen worden, voor het welzijn van de mensheid!’
‘Was het verkrachting?’ vroeg Gulielma zakelijk.
‘Ja! Ze werd vergewaltigt! Door de Indianen! Zeventien keer!’
Ondanks de kennelijke wanhoop van de moeder viel het Gulielma op dat er iets niet klopte. De geboorte was moeilijk geweest, maar niet voortijdig; negen maanden geleden had er nog vrede onder de Indianen geheerst. ‘Wie is de vader?’ vroeg ze.
‘Der Teufel!’ krijste de vrouw, plotseling net zo dolzinnig als haar man. ‘Ersäufe Ihn! Gooi hem in den Wabash!’
De vader hief zijn lelijke kop achter haar op en brulde: ‘Raus! Raus!’
Gulielma besloot nog één laatste poging te doen voor de man op haar zou kunnen springen. Ze nam de koude hand van het meisje in de hare en vroeg: ‘Wil je werkelijk je eigen kind niet hebben?’
Het meisje keek haar met grote blauwe ogen aan. Er viel, ondanks alles wat ze moest hebben doorgemaakt, een hartverscheurende onschuld in te lezen. ‘Nein,’ fluisterde ze moeilijk, als gevolg van haar gezwollen tong. ‘Laat hem doodgaan. Hij is slecht, erg slecht.’ Toen werd haar gezicht opeens verwrongen in een grimas van verdriet en ze barstte in tranen uit.
‘Raus!’ De gek greep Gulielma bij de kraag. Ze slaagde erin zich los te
rukken en, ondanks haar pijn, te ontsnappen met een sprong waarvoor ze vol bewondering zou hebben gestaan als ze het iemand anders had zien doen. Ze belandde op handen en voeten in de duisternis; ze hoorde de man binnen in de wagen krabbelen. Blindelings wankelde ze de nacht in; toen werd ze plotseling door behulpzame handen gesteund en naar haar paard gedragen.
Toen ze eindelijk bij het kampvuur zat en men haar het krijsende bundeltje in de armen legde, besefte ze dat ze met een kind zat opgescheept. Ze bekeek het kleine mormel haast met woede, maar het gerimpelde gezichtje, de zwaaiende vuistjes vermurwden haar. Ze begon hem te wiegen, in een poging hem tot bedaren te brengen, keek de kring van gezichten rond en vroeg: ‘Iemand belangstelling voor een baby?’
Er klonk een sentimenteel Frans ‘Ooooh...’ maar er meldden zich geen gegadigden.
‘Luister 's. Ik kan dit kind onmogelijk houden. Ik ben op weg naar Mexico, twee maanden door de prairie en de woestijn, in hartje winter. Het arme dier zou binnen een week dood zijn.’
Weer klonk er een ontroerd ‘Ooooh’, maar liefhebbers bleven uit.
‘Nu ja,’ zei ze met een zucht, ‘ik kan hem beter maar iets geven om hem de mond te snoeren, anders gilt hij zich nog dood. Weten jullie waar mijn apotheek is? Dat ding met al die laatjes, op mijn eerste muildier?’
De gezichten knikten.
‘Haal een flesje voor hem uit la nummer zeventien. Compris? Zeventien. Een flesje.’
Een van de mannen haastte zich behulpzaam weg. Zeventien. Ze dacht aan de zeventien keren dat het meisje door de Indianen was verkracht. Fysiek had ze de schok doorstaan, maar geestelijk? Wat voor toekomst had een Duits boerenmeisje zonder haren, wier eerste ervaring van de liefde een massaverkrachting was geweest?
En nu lag hier weer zo'n wezentje, voor de taak gesteld om de menselijkheid te veroveren. Het zou de eerstkomende jaren oneindig veel moeilijker zijn dan gedurende de afgelopen driekwart eeuw van de Pax amicorum. Ze staarde naar het diertje op haar schoot, de zwaaiende vuistjes, het rode mondje, krijsend van angst. ‘Lieve God,’ dacht ze, ‘wat is de zin van dit alles?’
Daar kwam de voyageur terug met het flesje. Ze probeerde het etiket bij het schijnsel van het vuur te lezen, maar het was te donker. Ze trok de kurk eruit en rook eraan. ‘Ja, dat is goed. Nu heb ik een lap nodig - een schone als het kan.’
‘Deze goed?’ Een behulpzame ziel bood een halsdoek aan.
‘Prima, mag ik hem verscheuren?’ Ze wachtte niet op antwoord; dit was het minste dat de heren konden bijdragen. Ze maakte van het lapje een primitieve speen en doopte het uiteinde in de siroop die ze speciaal voor baby's bij zich had. Een Indiaanse vrouw, opgescheept met een weeskind van zuigelingenleeftijd, smeerde die siroop op haar tepels om het krijtende kind
tot rust te brengen. Er zat geen voedingswaarde in, maar zelfs de vraatzuchtigste jonge roodhuid scheen dat niet erg te vinden. Het was onbegrijpelijk, want het smaakte naar rottende blaren.
Hier was, zowaar, een pasgeborene die verstandiger was. De speen, druipend van de onweerstaanbare lekkernij, werd met gesmoorde woede afgewezen. De manier waarop het kind de speen wegsloeg bracht haar plotseling op de gedachte dat de Duitse dolleman weleens de vader zou kunnen zijn. Zijn hele toneelvoorstelling van razernij zou weleens welbewust kunnen zijn geweest om de waarheid voor zijn vrouw verborgen te houden. ‘Hou op,’ dacht ze. ‘Je bent een vies oud wijf.’
Oud of niet, ze was een vrouw. Toen het jongetje weigerde zich te laten kalmeren en tekenen van instorting begon te vertonen, stond haar maar één ding te doen. ‘Heren,’ zei ze, ‘zou u zich even willen omdraaien? Ik moet dit kind voeden.’
Ze begrepen het niet, zelfs niet toen ze haar wambuis over haar hoofd begon te trekken. Ze deed het met een nonchalance die overtuigend zou zijn geweest als ze niet vergeten was haar hoed af te zetten. Hij viel bovenop de baby en hoewel het niets was vergeleken met de manier waarop het wicht als knuppel gebruikt was, krijste hij als een speenvarken. Pas toen ze een van haar onaantrekkelijke borsten ontblootte drong het tot de mannen door waarom ze hun verzocht had zich om te draaien; ze verdwenen in het duister als bij toverslag. Toen Gulielma een tepel met de siroop insmeerde, was er geen voyageur meer te bekennen.
‘Hier, ouwe jongen,’ zei ze tegen het stuiptrekkende kind. ‘Laat 's zien of dit je kan bekoren.’
Zodra ze zijn nietig lichaam tegen haar borst legde en erin slaagde het wijdopen rode mondje naar haar tepel te laten happen, hield zijn gesidder op. De vuistjes, die gedurende het eerste uur van zijn leven duivels hadden afgeweerd, begonnen haar borst te kneden als een zogende jonge kat. Gulielma huiverde, want ondanks zijn geringe afmetingen bleek het kind de zuigkracht van een pomp te hebben. Geboeid bekeek ze het zuigende diertje, voldaan over het welslagen van haar list.
Die nacht kon ze de slaap niet vatten. De baby sluimerde, maar zij niet. Wat moest ze met hem beginnen? Wie zou zich over dit hoopje mens kunnen ontfermen en het voeden? Het kind had moedermelk nodig. Ze kon hem maar een paar dagen met de Indiaanse siroop in leven houden. Als ze geen voedster vond, zou hij omkomen. Waar kon ze hier in de wildernis een min vinden? Ze zat naar het dovende vuur te staren, de zuigeling in haar armen, vol woede tegen de familie in die huifkar. Het meisje vloeide over van melk, ze zou moeite hebben de stroom te stuiten, terwijl haar kind, haar eigen vlees en bloed, van honger omkwam. Waarom? Hoe meer ze erover nadacht, hoe meer ze ervan overtuigd raakte dat het beestmens met de baard de vader was. Als ze het kind terugbracht en hun opdrong zou het alleen
maar uitstel van zijn executie betekenen tot ze hun de rug had toegekeerd. Waar ter wereld kon ze het kind achterlaten? Bij Indianen? De dichtstbijzijnden waren de Unamis, in Pendle Hill. Ze zou daar misschien een voedster kunnen vinden, maar het kind moest niet bij Indianen worden achtergelaten. Blanke kinderen, door de Indianen gekaapt en geadopteerd, waren trieste, ontheemde wezens. Ze werden nooit volledig door de stam aanvaard, snakten altijd naar hun eigen ras, maar als ze erin slaagden naar de blanke maatschappij terug te keren, kwamen ze tot de ontdekking dat ze daar persona non grata waren en zagen zich gedwongen een triest bestaan tussen beide werelden te leiden als wapenhandelaren of rumverkopers. De meisjes eindigden als allemansliefjes in de forten aan de grens.
Maar welk alternatief was er? Ze keek neer op het afgetobde kindergezichtje. Als ze maar niet stervende was! Als ze nog maar een paar jaar voor zich had zodat ze hem op weg kon helpen een menselijk wezen te worden! Of waren dit alleen maar de sentimentele gedachten van de sluwe oude Gulie, die niet het risico liep aan haar woord te worden gehouden en zich daarom veilig aan dagdromen kon overgeven? Hoe dan ook, ze zat met het probleem hoe het leven van dit wezentje te redden. Helemaal teruggaan, over het Allegheny Gebergte, naar de eerste boerderij van Vrienden? Ze zou er onherroepelijk aankomen met een lijkje. Wat dan?
Plotseling ging ze rechtopzitten, zodat de baby gromde van ongenoegen. Cleo! Margaret Fell, in Slot Lancaster, had geschreven: ‘De weg naar het goddelijke in iedere vrouw, zelfs de meest verharde, is een hulpeloos lijdend kind.’ Waarom zou ze dit hulpeloze, lijdende kind niet in de schoot van die zwarte panter leggen en het goddelijke in haar zijn eigen werk laten doen? Of was Cleo zo door de slavernij verbitterd dat het onontbeerlijk voor haar was haar vroegere meester te verslinden? God mocht het weten - maar misschien was voor Gulielma Woodhouse het ogenblik aangebroken om, voor de verandering, eens op God te vertrouwen, in plaats van op haar eigen intelligentie.
Ze vertrok de volgende ochtend, bij het aanbreken van de dag, na een bloemrijk afscheid van de kant van de voyageurs. Als ze Pendle Hill nog op tijd wilde bereiken om de zuigeling te redden zou ze een geforceerde rit moeten maken. Maar Annie en de twee muildieren waren vermoeid; de enige manier om de oude merrie ertoe te brengen zich in te spannen was haar in de waan te brengen dat ze naar huis ging. Op weg naar het westen, noorden of zuiden was Annie altijd traag en nukkig, maar een oostelijke richting vervulde haar met kittige geestdrift. Iets in het stomme dier stelde ‘oost’ gelijk aan ‘stal’.
De krijgslist lukte opnieuw. Annie overtrof zichzelf toen ze in oostelijke richting mocht koersen over de kale, eenzame uitgestrektheid van de zee van gras. Na een paar vorstnachten, met een felle wind in de vroege ochtend, was het landschap nog troostelozer en triester geworden. Er waren kale plekken in de sneeuw gewaaid; de struiken en bosjes die er voordien met hun glinsterende sneeuwlast zo vredig hadden uitgezien waren veranderd in
skeletten, bevroren in stuipige houdingen. Weer cirkelden gieren boven haar; aan de verre horizon waren weer de stipjes van andere gieren te zien.
Die avond, nadat ze haar vuur had aangestoken, had ze weer dat gevoel van dichtbij te worden gadegeslagen in de duisternis. Dit keer verontrustte het haar niet; de aanwezigheid van het kind beschermde haar tegen wie dan ook, zelfs een uitgestoten Indiaan. Het waren waarschijnlijk Zilverwolfs verkenners; de Unamis moesten bezig zijn een nieuw grondgebied voor zichzelf af te bakenen; dit soort zinloze expedities hoorde daarbij. Ze ging met de benen gespreid tegen haar dekenpak geleund zitten, zo dicht mogelijk bij het vuur, om de baby te voeden. Hij had nog geen enkele ervaring; hoewel zijn falen om ondanks zijn verwoede inspanningen enig voedsel naar binnen te krijgen hem begon te ontmoedigen, gaf hij blijkbaar haar droge borsten daar niet de schuld van. Hij bleef volhouden; de Indiaanse siroop schiep niet alleen de illusie van voeding, hij raakte er ook enigszins door bedwelmd. Na een minuut of tien begon hij doezelig te worden, wat dan ook het ogenblik was om een beetje water in zijn mond te lepelen en daarmee uitdroging te voorkomen. Hij vond het niet lekker, maar hij was inmiddels te versuft geraakt om nog te protesteren.
Ze voerde een hele komedie op om zijn illusie dat hij gevoed werd te versterken. Ze verplaatste hem van de ene borst naar de andere, klopte hem op zijn rug om hem te laten boeren; aangezien het arme ding niets anders dan lucht naar binnen kreeg, boerde het galmend. Ze bleef hem wiegen, knuffelde en kuste hem, en dacht weer aan Margaret Fell en wat die gezegd had over het goddelijke in vrouwen. Als wat de baby in haar wakker riep inderdaad God was dan was Hij anders dan ze Hem haar leven lang had voorgesteld.
Gedurende die dommelende uren bij het vuur begon de gedachte van haar kleine metgezel te moeten scheiden haar te spijten. Overdag ging het wel: de zuigeling hotste in zijn draagdoek op haar rug, soezend tot Annie haar gang vertraagde voor de noenrust; dan begon hij te jammeren. Ze rustten een poosje, ze voedde hem, weer met de hele vertoning van boertje laten en luiers verschonen die, arm ding, steeds droger werden. Zijn behoefte aan voeding werd kritiek; het was nog twee dagen naar Pendle Hill, als alles goed ging en de muildieren niet genoeg kregen van Annies gesleep.
Op de tweede dag gaf Henry, de muilezel die haar apotheek torste, er opeens de brui aan. Hij stond plotseling stil, waardoor Annie achteruitgerukt en Gulielma bijna uit het zadel geslingerd werd, aangezien ze in slaap gedoezeld was. Henry had dit al eens eerder gedaan; na jarenlange ervaring had ze haar apotheek voor deze eventualiteit in tweeën laten zagen. Alle muildieren hadden de een of andere persoonlijke eigenaardigheid, hun enige aanspraak op individualiteit. Henry's eigenaardigheid was dat hij op de omvang van een last reageerde, niet op het gewicht. Zodra hij zag dat er iets van zijn rug werd afgenomen, wilde hij wel weer verder; daarom had een timmerman in Philadelphia, verbijsterd maar gedwee, de kast doormidden gezaagd. De twee helften, onder en boven, konden ook achter elkaar worden
gesjord. Het veranderde het gewicht niet, het maakte de last zelfs ongemakkelijker; maar het ding werd lager, wat in Henry de illusie wekte dat hij minder meesjouwde. Gelaten steeg ze af, liep naar Henry toe, klopte hem op de kop en zei: ‘Arme jongen, je hebt gelijk, het is te veel voor een dier met zelfrespect. Laat me de helft van de vracht wegsmijten.’
Ze bouwde de apotheek anders op, zoals ze al eerder had gedaan, liep weer naar de kop van het muildier en trok aan het bit om hem te laten omkijken.
‘Wat vind je daarvan? Beter? Dat zou ik ook zeggen! Stel je voor, opeens de helft van je vracht kwijt! Kijk maar!’
Hij wierp een sombere, schele blik op het hoekige voorwerp op zijn rug, maar het hielp. Hij sjokte verder, niet met hernieuwde geestdrift, doch in sombere berusting.
Ze was zo vervuld van de verslechterende toestand van het kind, dat ze, toen eindelijk de beboste heuvel in zicht kwam, nog niet had besloten hoe ze het zou aanleggen om de baby bij Bonny Baker achter te laten zonder Cleo's argwaan op te wekken. Maar ze moest eerst naar Zilverwolf om voor een voedster te zorgen.
Bij Zilverwolf op bezoek te gaan trok haar niet aan. Hij was zo vals als een marter en hij verfoeide haar, maar ze had zo'n idee dat hij wel zou meewerken als hij meende dat het de vestiging van de school ten goede zou komen. Het was aandoenlijk, de felheid waarmee hij zich aan die school vastklampte. Ofschoon hij een van de ontwikkeldste en schranderste Indianen was die ze kende, had hij nog altijd een primitieve, kinderlijke trek in zich. De school had niets te maken met zorg voor de ontwikkeling van zijn kinderen, het was domweg iets dat geen enkele andere stam had. Zijn krijgers hadden de Miamis verslagen op de gebruikelijke, gruwelijke manier; nu zou hij zijn overwinning bekronen door een school op hun vroegere grondgebied te vestigen, met blanke onderwijzers als slaven van zijn stam. Het was maar goed dat de Philadelphiase Jaarvergadering niet wist welke uitleg de Indianen zouden geven aan de onderwijsinstelling die ze op het punt stonden te bekostigen. De enige Quaker die tegen Zilverwolf opgewassen zou zijn was haar broer Isaac, die zonder twijfel de school zou gebruiken om de Unamis een monopolie op hun pelzen afhandig te maken.
Met een zekere ongerustheid reed ze het pasgevestigde dorp van Zilverwolf binnen, aan de andere kant van het meer. Wolven huilden in de spelonken van het donker wordende woud; in de straten was geen mens te zien. Het was bitter koud; rook kringelde uit de toppen van de wigwams en bleef in sluiers boven de daken hangen. Buiten de tent van het opperhoofd zaten twee schildwachten in hun bontmantels ineengedoken als grote, koude vogels; één ging op zijn gemak naar binnen om haar aan te kondigen. Ze had zeker geen opschudding verwacht, iedereen kende haar en ze werd als ongevaarlijk beschouwd, maar toch versterkte deze nonchalance haar overtuiging dat de geheimzinnige tegenwoordigheid achter de horizon verkenners van Zilverwolf waren geweest. De schildwacht stak zijn hoofd
uit de ingang en wenkte haar naar binnen. Ze steeg af en bond Annie vast.
‘Dank je, Vriend.’ Ze bukte om naar binnen te gaan, zonder te denken aan de baby op haar rug; de man duwde haar op het nippertje omlaag. Het moest duidelijk zijn dat ze geen ervaring met het moederschap had. ‘Gegroet, machtige vriend,’ zei ze, toen ze binnenkwam.
Zilverwolf, kolossaal, glad en vormeloos als een gestrande walvis, lag op zijn zij op een stapel huiden, slechts gekleed in een met kralen geborduurde schaambedekking die zijn naaktheid nog nadrukkelijker liet uitkomen. De hitte in de tent was benauwend; een met gloeiende houtskool gevuld komfoor, groot genoeg voor een vergaderzaal, stond in het midden; de hitte sloeg haar tegemoet als de gloed uit een oven. Zweetdruppels dropen van haar voorhoofd in haar wenkbrauwen.
‘Kijk 's wie we daar hebben!’ Hij zei het met zijn falsetstem, wat betekende dat hij onaangenaam zou worden. Het feit dat hij een homofiel was maakte het niet makkelijker; hij haatte niet alleen haar maar alle vrouwen. Ze vroeg zich af of het kindje hem zou ontroeren of alleen maar zijn eetlust opwekken. ‘Wat verschaft ons het genoegen van je bezoek?’ piepte hij. ‘Ik dacht dat je op weg was naar het westen.’
‘Dat was ik ook,’ antwoordde ze, terwijl ze op een stapel berehuiden ging zitten in een vergeefse poging om aan de gloed te ontkomen. ‘Een dringende aangelegenheid maakte dat ik terug moest gaan. Ik had daar eens met jou over willen praten.’
‘Met mij?’ De boosaardige oogjes in het bezwete gezicht knepen samen. Zoals hij daar lag, met zijn afhangende vetkwabben, maakte zijn lichaam een mismaakte indruk; zijn buik lag voor hem alsof het een afzonderlijk ding was, een gigantisch reptieleëi, gelegd door een voorwereldlijk monster. Ze herinnerde zich hem zoals hij eruit had gezien toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten: jong, slank, verwijfd, kwetsbaar. Hij was een mooie jongen geweest; jammer dat zijn perversie hem belet had tijdens zijn bezoek aan Londen met de adellijke dames te flirten. In sommige opzichten was de Engelse aristocratische samenleving primitiever dan de zijne: op-en-top een matriarchaat; het enige dat een vrouw daar in een man respecteerde was viriliteit. Geen wonder dat hij verbitterd was teruggekomen en vet en weerzinwekkend geworden; het hof van St. James was niet de geëigende plaats voor een heupwiegende Indiaanse miet.
‘Ja,’ zei ze, de doek losknopend waarin ze de zuigeling droeg. ‘Ik zou graag met je willen praten over dit geval.’ Ze zette het kind op haar schoot; het hoofdje rolde, zwak van de honger, opzij; de walvis zat hem door de hittekolom van het komfoor aan te staren.
‘Wat is dat?’ vroeg Zilverwolf venijnig.
‘Een jongetje.’
‘Van jou, Pissende Gulie? Nee toch!’
‘Dat is zelfs voor jouw doen een flauw mopje,’ zei ze gelijkmoedig. ‘Ik heb hem gered toen zijn familie hem in de Wabash wilde verdrinken.’
‘Zo op 't eerste gezicht lijkt me dat een verstandig besluit.’ Zijn haat
scheen het vertrek te vullen. Hij had alle tijd, hij was van plan de pootjes en vleugeltjes van deze vlieg er op zijn gemak uit te trekken.
‘Moet je horen,’ zei ze. ‘Ik wil dat deze zuigeling wordt aangenomen door Bonifacius Baker en zijn negerin. Om dat gedaan te krijgen moet ik een komedie opvoeren. Ze mogen er niet achter komen dat ik hun het kind heb aangesmeerd. We moeten ze zien wijs te maken dat hij door de Miamis voor hun deur te vondeling is gelegd.’
Zilverwolf staarde haar met die zwarte kiezelogen aan zonder te verraden wat hij dacht. ‘Waarom?’ De vraag was onschuldig, maar met zijn eigen stem gesteld. Hij begon de zaak ernstig op te vatten.
‘Ik hoef jou de situatie in de blokhut van Baker niet uit te leggen,’ zei ze. ‘Ik heb niet de indruk dat hij popelt om aan je school te beginnen.’
De dikke man grinnikte. Het was een onprettig geluid, het had niets met vrolijkheid te maken. ‘Ik geef de Quakers nog een maand om de voorwaarden van ons verdrag na te komen,’ zei hij op een manier die haar deed vermoeden dat hij het zinnetje gerepeteerd had. ‘Als er dan nog niets gedaan is, zullen Baker en zijn zwarte squaw niet langer welkom zijn in het land van de Unamis.’
Het was een verdraaiing van de feiten. Er was geen verdrag tussen de Quakers en hemzelf, alleen de voorbarige belofte van een onervaren jongen en de optie van een slimme oude koopman. Maar ze zag haar kans schoon. ‘Dat zou een onverstandig besluit zijn,’ antwoordde ze. ‘Het enige dat je ermee zou bereiken is dat je de Quakers verjaagt en daarmee alle hoop op je school. Ik ben ervan overtuigd dat ze, zodra ze dit kind eenmaal hebben aanvaard, nog voor de lente de school zullen opzetten.’
‘Hoezo?’
‘Ik voorzie zelfs,’ ging ze verder, ‘dat ze om extra-onderwijzers uit Philadelphia zullen vragen.’ Ze keek hem met onschuldige ogen aan, in de hoop dat zijn spionnen hem nog niet hadden verteld over de schoolexpeditie van de Jaarvergadering die in voorbereiding was.
‘Jij voorziet maar,’ zei hij lusteloos. ‘Ik zie niet in waarom het kind zo'n verschil zou maken.’
‘Het is de moeite van het proberen waard. Als het op niets uitloopt, kan je ze altijd nog wegsturen.’
Hij staarde haar met lome blik aan. Toen produceerde hij iets wat een glimlach moest voorstellen, een verandering in de plooien van de dik-gelipte, vochtige mond. Keizer Nero moest net zo'n mond hebben gehad.
‘Wat had je in je hoofd? Een Miami-squaw gevangennemen en haar het kind zogenaamd te vondeling laten leggen?’
Hij begon blijkbaar de smaak te pakken te krijgen. ‘Dat niet,’ antwoordde ze, knipperend met haar ogen omdat er zweet in droop. ‘Laat een van je eigen squaws, vanavond, het kind in een mandje voor hun deur zetten. We kunnen er een paar dingetjes bij doen die de indruk zullen wekken dat de Miamis het hebben gedaan.’
‘En dat wij de Miamis ongehinderd om ons dorp laten zwerven!’ Hij
veinsde verontwaardiging.
‘Ik dacht dat je de Miamis genoeg vernederd had om hun vrouwen toe te staan brandhout te sprokkelen.’
Hij scheen over haar opmerking na te denken, maar sloeg haar in werkelijkheid aandachtig gade. ‘Wat voor “dingetjes” had je op het oog? Een briefje met: “Wij, de Miamis, bieden u deze zuigeling aan, aanvaard hem met onze complimenten”?’
‘Iets in die geest, ja.’
‘De Miamis, waarde Vriendin, zijn wilden die niet kunnen lezen of schrijven, ze hebben niet eens een alfabet. Het zijn net beesten: ze schreeuwen, maken gebaren en rennen. Het enige dat ze van de coyotes onderscheidt is dat ze vuur kunnen maken.’
‘Daarom heb ik jouw advies nodig,’ zei ze, van plan het er dik op te leggen. ‘Ik had gehoopt dat jij wel een beter voorstel had.’
Hij tuitte zijn lippen, hetgeen zijn uiterlijk niet ten goede kwam. Nero moest er zo hebben uitgezien bij het bedenken van een nieuwe, obscene marteling. ‘Doe er iets bij dat niemand kan lezen,’ zei hij. ‘Iets raadselachtigs. Laat ze niet meteen zeggen: “Dit is het werk van de Miamis.” Laat ze bij je komen om te vragen waar dit kind vandaan komt.’
‘Maar ik ben er dan niet meer. Zodra ik dit kind heb achtergelaten, ga ik weer naar het westen.’
‘Dan zullen ze bij mij komen, en ik zal het hun wel vertellen.’ Hij fronste, peinzend. Ergens in die weerzinwekkende massa vet en slappe spieren school altijd nog een speelse jongen. ‘Ik zal één van mijn squaws het mandje laten neerzetten, de schildwachten zullen haar zogenaamd in het oog krijgen en net zoveel kabaal buiten de hut maken tot je vrienden de deur openmaken en het kind ontdekken.’
‘Uitstekend.’
‘In het mandje doen we een rebus. Stenen met vreemde tekens erop. Een onbekende totem. Kralen. Een dode muis.’
‘Waarom een dode muis? Wat betekent dat?’
‘Niets. Gewoon: een dode muis. Raadsel.’
‘Aha.’ Toen viel haar iets in. ‘Wat zou je zeggen van een vleermuisvleugel met Indiaanse lettertekens erop?’
‘Ik heb geen vleermuisvleugel,’ zei hij laatdunkend.
‘Ik heb er toevallig een bij me, met letters en al.’ Ze rommelde in haar knapzak en haalde het leerachtige vlies met de lange, dunne voetbeentjes te voorschijn waarop het Huni-opperhoofd zijn bestelling had genoteerd. Ze produceerde ook nog een oorhanger van steen in twee kleuren, oranje en blauw, die ze de laatste keer dat ze wegging had meegenomen omdat de kleuren haar aan de oranje torens en de blauwe lucht herinnerden.
‘Hoe kom je daaraan?’
‘Och, ik pik hier en daar weleens iets op.’ Voordat hij verder kon aandringen, vervolgde ze: ‘We hebben een mandje voor hem nodig, maar vooral een voedster. Dit kind heeft vier dagen niets te eten gehad.’
‘Voedster?’ Zijn Engels was voortreffelijk, maar er waren grenzen.
‘Iemand die hem borstvoeding geeft. Een vrouw die zelf net een kind heeft gehad en melk over heeft.’
Zijn gezicht werd verveeld. ‘Ik vind er wel een. Laat me die dingen zien.’ Ze stond op, moeizaam vanwege de baby, liep om het helse komfoor heen en gaf hem de vleermuis vleugel en het sieraad. Ze ging naar haar berehuiden terug terwijl hij de voorwerpen nieuwsgierig bestudeerde, vooral de vleermuisvleugel. Hij probeerde de hiërogliefen te ontcijferen. ‘Wat staat erop?’
Ze was niet van plan het hem te vertellen; hoe minder hij over het bestaan van de Hunis wist, hoe beter. Ze waren honderden mijlen ver weg, maar als zijn belangstelling gewekt werd zou hij het weleens in zijn hoofd kunnen halen er naar toe te gaan om een kijkje te nemen. Een bezoek van Zilverwolf en zijn bloeddorstige krijgers was iets waar de Hunis bepaald niet op zaten te wachten. ‘O, zo maar wat,’ zei ze.
Hij drong niet verder aan. ‘Ik stel voor dat er zo iets op staat als: “We bieden je dit kind aan in ruil voor de dochter die we gedood hebben”.’
‘Hm. Als we er wat meer gevoel in legden? “We laten deze zuigeling voor uw deur achter omdat er in uw huis een belofte van liefde bestaat”.’
Hij glimlachte met sluwe wellust, maar gaf geen commentaar. Hij legde de vleugel voor zijn glinsterende buik neer en zei: ‘Zo zij het. Tot ziens.’
‘Ik zou hem graag zelf in zijn mandje leggen. Zou je er een kunnen laten brengen?’ Ze vroeg het niet uit omzichtigheid. De gedachte van het arme ding te moeten scheiden was onverwacht verdrietig. Hij sloeg zich driemaal op zijn dij. Een van de schildwachten stak zijn hoofd naar binnen. De man klappertandde, het moest buiten fel vriezen. Zilverwolf gaf een bevel, het hoofd werd teruggetrokken.
Ze wachtten zwijgend tot de man terugkwam. Het was niet de stijl van Zilverwolf om de stilte met loos gebabbel te breken. De baby, met zweet op zijn wasachtig voorhoofdje, jammerde zwakjes. Ze nam hem in haar armen en knuffelde hem en fluisterde in zijn oor, een ogenblik vergetend dat de dikke Indiaan haar geboeid gadesloeg. Toen hun blikken elkaar kruisten, vroeg hij vals: ‘Waarom houd je hem niet zelf, Pissende Gulie? Op jouw leeftijd heb je een schoothondje nodig.’
‘Och, waarom zou ik,’ zei ze luchtig. ‘Voor hem tien anderen.’
Om de een of andere reden scheen hem dat te amuseren. Zijn weerzinwekkende lijf kwabde van het lachen, laag na laag.
De man kwam terug met een mandje. Het was er een van het soort waarin Indiaanse vrouwen bessen of kruiden verzamelden. Het zag er vreemd onaf uit. Toen ze de baby er voorzichtig in legde, voelde ze plotseling dat ze niet méér zou kunnen verdragen. Ze stond op en zei: ‘Vrede, Zilverwolf. Zorg alsjeblieft voor de voedster.’
‘Maar zullen je vrienden óók om een voedster vragen? Hoe zullen ze weten dat het kind er een nodig heeft?’
‘Laat dat maar aan het meisje over,’ antwoordde ze. ‘Ik geloof niet dat er ook maar één plantage is waar de vrouw des huizes haar eigen kinderen
voedt, want dat bederft de borsten. Honderd procent van onze jonge aristocraten zijn op negerinnemelk groot geworden.’
Ze draaide zich om naar de uitgang. Het kind was veilig. Zilverwolf was, wat zijn karakter ook mocht zijn, een Indiaan. Hij zou nooit een weerloos kind kwaad doen, tenzij in de verstandsverbijstering van de oorlog.
***
Bonifacius Baker schrok uit een diepe slaap wakker door gegil, hollende stappen, het schrille, angstige gekrijs van een gewond dier. Buiten lag de sneeuw stil en fosforescerend in het licht van de vollemaan. Zwarte gedaanten snelden over de open ruimte en verdwenen in de donkere wirwar van het bos. Het krijsende kleine dier lag aan zijn voeten. Hij boog zich erover en zag dat het een kind was, in een mandje.
Kaarslicht naderde achter hem; het was Cleo. Toen ze het mandje zag deinsde ze terug.
‘Het - het is een kind,’ zei hij, bevreemd door haar reactie.
Ze scheen hem niet te horen. Ze keek op het huilende kind neer met een uitdrukking waar hij van schrok; ze zag eruit als een panter, gereed voor de sprong. Hij bukte zich om het mandje op te pakken maar ze hield hem tegen, gaf hem de kaars, knielde bij het mandje en tilde het op. Het gekrijt werd gesmoord toen ze het hoofdje tegen haar borst drukte. Ze stond op en ging naar binnen. ‘Doe de deur dicht,’ ze ze.
Hij sloot de deur. Hij sloeg haar gade terwijl ze de zuigeling op de huiden voor het vuur legde. Toen ze naar het kind keek scheen de boosaardigheid uit haar ogen weg te trekken. Ze strekte de handen uit en ontdeed het van zijn lompen.
De zuigeling die ze uit de vodden wikkelde was klein en wit. Zijn hoofdje leek groot en knobbelig, met ingevallen wangen en diepliggende ogen; de mond leek oud en verbitterd. Het was een jongetje. Ze tilde hem op, één hand onder het wiebelende hoofdje en legde hem tegen haar borst. Ze keek op. ‘Deze baby gaat dood,’ zei ze. ‘Hij sterft van honger. Ga naar het Indiaanse dorp en vraag om een vrouw die pas een kind heeft gehad. Vraag haar hier te komen, gauw.’
‘Maar wat is...’
Ze wendde zich af, knoopte haar jurk los, en gaf het kind de borst. Hij kreeg opeens een gevoel van verlatenheid.
‘Gauw!’ zei ze over haar schouder.
Op weg naar de deur struikelde hij over het mandje en besefte dat hij blootsvoets was. Terwijl hij zich haastig aankleedde achter het gordijn, luisterde hij naar het smakkend zuigen van het kind; toen hij achter het gordijn vandaan kwam keek Cleo op. ‘Maak voort!’ zei ze.
Buiten verstrakte de koude lucht de huid op zijn gezicht. ‘God,’ dacht hij, ‘Uw wil geschiede, wat die ook moge zijn.’
Toen holde hij naar het dorp, zijn voetstappen zacht in de sneeuw.