terug  begin  verder
[p. 303]

Vijf

Ach, dacht Beula Baker, was het verschil tussen goed en kwaad maar zo duidelijk als ze als jong meisje had gedacht!

De slaven van het eiland Eden waren een goed voorbeeld. De Vergadering had zich over hen ontfermd, het eiland was tegen een redelijke prijs verkocht en de opbrengst onder hen verdeeld. Was er een nobeler beslissing denkbaar? Toch waren de gevolgen, in sommige gevallen, desastreus. Nadat de negers hun som gelds, in hun ogen verbijsterend groot, in klinkende munt hadden ontvangen hadden sommigen onder hen alles in één week van dronken braspartijen opgemaakt. Ze waren dronken in de goot geëindigd, waar ze prompt werden opgepakt en weggevoerd om door de Kerk van Engeland weer als slaven te worden verkocht. Anderen hadden niet geweten wat ze met hun geld moesten beginnen en hadden zich uiteindelijk, uit hunkering naar de veiligheid van de wereld die ze achter hadden gelaten, tot de ontsteltenis van de Vergadering vrijwillig terugbegeven naar het eiland omdat ze liever als slaven wilden werken dan gescheiden te zijn van wat ze als hun thuis beschouwden. Weer anderen hadden zich, na weken van getalm en gemor, als huisbediende of tuinman aan leden van de Vergadering verhuurd. De meeste welgestelde Vrienden, die om het stigma van de slavernij te ontlopen tot dusver hadden geweigerd negers als huispersoneel in dienst te nemen, zagen nu hun kans om van twee walletjes te eten. Niemand kwam Beula raad vragen voor ze iemand in dienst namen; niemand scheen zich te herinneren dat zij eens hun eigenares was geweest en ieder van hen persoonlijk kende. Jeremia zou bijvoorbeeld met Scipio opgescheept hebben gezeten, als zij hem daar niet op het laatste nippertje van had teruggehouden. Iedere Quaker-familie in de stad die het zich kon veroorloven haalde stralend een paard van Troje binnen; niemand besefte dat dit luiaards waren die alleen maar bescherming zochten tegen slavenjagers; wanneer zij op straat werden aangehouden verklaarden zij, flikflooiend, slaaf te zijn.

De enigen die van hun pasverworven vrijheid profiteerden waren de enkelingen die besloten met de schoolexpeditie mee te gaan als onafhankelijke boeren. Dat waren de arbeidzaamsten en verstandigsten, met uitzondering van de oude Mammy, die om de een of andere reden besloten had met hen mee te gaan. Maar wat konden deze stumpers verwachten, als ze eenmaal hun reisdoel hadden bereikt? Hoe lang zou het duren voordat blanke kolonisten hen onder de voet liepen en ze van hun moeizaam verworven bezit verjoegen? Een groot aantal leden van de Vergadering had al besloten mee te gaan, voornamelijk jongeren zoals Joseph Woodhouse en zijn

[p. 304]

Himsha, George McHair, Ezekiel Henderson, Nathaniel Norris ... Wat bezielde deze jongelui om de zekere toekomst, die ze als telgen van de vooraanstaande families in de stad bezaten, op te geven? Wat bracht hen in de waan dat ze in de wildernis een bestaan konden vinden? Herinnerde dan niemand zich Becky meer? Was ze vergeefs gestorven? Het was een rage geworden om met die malle school naar het westen te trekken en daarginds een smederij, een timmerwinkel of een handelspost te beginnen. Waanzin was het, jeugdkolder, wat duidelijk gedemonstreerd werd in een stortvloed van dollefeestjes, zogenaamd afscheidsavondjes, maar in werkelijkheid stoeien vrijpartijen in sleeën en in jachthutten in het bos. Alles, hoe vergezocht ook, werd aangegrepen als een voorwendsel om feest te vieren, zoals het opblazen van Altaar Rots. Drommen opgewonden jongelui waren gisteravond weggereden om de nacht door te brengen in de herberg aan de rivier: een rinkelbellende optocht van sleeën vol jolige jongens en stralende meisjes met rode wangen, in bont en sjaals gewikkeld, bizonhuiden over hun knieën, elk paard een fortuin waard, elke slede de vrucht van jaren zwoegen van hun ouders. Niet één onder de jongeren scheen te beseffen dat de dure stoet, die zoevend en rinkelend de stad uitgleed, de dwaasheid aantoonde van hun idee dat ze geschikt zouden zijn voor het harde bestaan van een pionier in de wildernis. Hoe moesten hun kinderen ter wereld komen zonder vroedvrouwen of moeders om hen te helpen? Wat lag er in het verschiet voor broze wezentjes als Himsha Woodhouse, of Agnes Norris, die al van kinds af ziekelijk was geweest en wier hoest steeds weer de stilte in de Vrouwenvergadering had verstoord? Waanzin was het; en het toppunt scheen bereikt in de sidderende aardbeving welke die ochtend de stad op haar grondvesten had doen schudden en die, zoals men na een ogenblik van schrik was gaan beseffen, ‘Bens Knal’ was geweest. De feestvierders konden nu ieder ogenblik met tinkelende schelletjes terugkomen, vol ademloze verhalen die zij niet zou geloven, want zij was ervan overtuigd dat wat zich vannacht in de herberg had afgespeeld niets met Benjamin Franklins ontploffing te maken had.

Hoe kon zij er zelf aan dénken om met die expeditie mee te gaan? Ze stelde zich die vraag voor de duizendste keer terwijl ze na de les naar huis wandelde. Om aan die waanzin, die zinloosheid te moeten meedoen was meer dan ze kon verdragen, toch moest ze gaan. Haar echtgenoot had haar nodig; ze had hem beloofd in het voorjaar te zullen komen; tenzij ze alle banden met hem wilde doorsnijden, moest ze haar belofte nakomen. Ze kon Abby's schoolopvoeding niet langer als excuus gebruiken, want het doel van de expeditie was juist een school op te richten. Ook de ontberingen kon ze niet als verontschuldiging aanvoeren, aangezien oude vrouwen als Bathsheba Moremen en Millie Clutterbuck besloten hadden mee te gaan. Ze had alle mogelijkheden overwogen, er was geen uitweg. Ook al zou het haar dood worden, ze zou aan de waanzin mee moeten doen en alles wat haar leven inhoud gaf moeten achterlaten. De gedachte om voor altijd afscheid te moeten nemen van de kleine Abraham, van Jerry, maakte dat ze haar pas

[p. 305]

versnelde en de rest van de weg aflegde op een onwaardige draf, zodat ze buiten adem het huis bereikte.

Ze kon Grizzle en Jerry niet onder ogen komen; ze verontschuldigde zich voor het avondeten, voorgevend dat ze hoofdpijn had. In haar kamer zonk ze naast het bed op haar knieën om God te smeken deze beker aan haar voorbij te laten gaan, maar ze wist dat haar plicht Gods wil was. In plaats van het onmogelijke te willen moest ze Hem om kracht bidden die plicht te doen. Ofschoon de tranen langs haar wangen stroomden, was het toch alsof ze een geruststelling voelde, misschien als gevolg van de hartstocht waarmee ze bad. Er scheen een vage hoop in haar op te komen, die toch door God moest zijn ingegeven.

Door haar doofheid hoorde ze niets van het gerinkel van de sledebellen, het geroep en gelach buiten op straat toen de jongelui terugkwamen van het opblazen van Altaar Rots. Toen werd ze zich bewust van een gebons op haar deur, een gerammel aan de knop, een stem die riep: ‘Beula, Beula, ben je daar? Beula! Beula!’

Ze snelde naar de deur en deed open. Daar stond Jerry, in de gang, zijn gezicht vertrokken van wanhoop.

Haar eerste gedachte was: een ongeluk, er is iemand dood. Abby; er was iets met Abby gebeurd! ‘Jerry, wat is er?’

Hij zei, met tranen in zijn stem: ‘Obadja, Obadja...’ Hij kon niet verder.

Ze sloeg haar armen om hem heen. ‘Jerry, wat is er? Wat is er met Obadja?’

‘Obadja - Obadja gaat met Carrie Woodhouse trouwen! Hij stapt de zaak uit! Ze gaan naar het westen! Met de school mee!’ Hij barstte in snikken uit, zijn hoofd op haar schouder.

Ze streelde zijn haar, en fluisterde: ‘Lieverd, lieverd, kalm nu maar, liefste, kalm nu maar...’ Toen laaide de hoop in haar plotseling op. Hij had haar nodig! Meer dan Bonny! Als Obadja wegging, zou hij de werf weer moeten leiden, helemaal alleen; hij was een oude, hulpeloze man, die ze onmogelijk in de steek kon laten.

Pas na middernacht werden eindelijk de kaarsen gedoofd in de zitkamer, waar alle leden van de oudere generatie der twee families bijeen waren gekomen om de ramp te bespreken: Grizzle Best in tranen, Mary Woodhouse majestueus vertoornd, Isaac kribbig van verbijstering, Jeremia berustend in het onvermijdelijke. Ze hadden vergeefs gepleit met dat stuk onbenul Obadja, die ondanks zijn vierendertig jaar stotterde als een kind, en met de brutale kleine Carrie, die er veel jonger uitzag dan achttien. Dat zo'n ongezonde, kale sukkel er vandoor ging met dit fragiele, verwende wezentje! Het was nog onverantwoordelijker dan zijn oude vader helemaal alleen voor de werf te laten opdraaien!

Beula en Grizzle stopten Jerry in bed, als een patiënt; toen kon Beula eindelijk weer naar haar eigen kamer gaan waar ze, na een gebed van onuitsprekelijke dankbaarheid, aan een brief aan Bonny begon. Ze had nog alle tijd, de schoolexpeditie zou pas over een maand vertrekken, maar ze

[p. 306]

wilde haar gedachten nu reeds vastleggen. Ze wilde een liefhebbende, verzoenende brief schrijven, maar ontdekte tot haar ontsteltenis dat hij anders uitviel. Ze had het aan God voorgelegd, schreef ze, en was tot de conclusie gekomen dat het voor haar geen doen was om zich in de wildernis te begraven en op voet van gelijkheid met haar slaven te leven. De slaven vrijlaten was zijn getuigenis geweest, niet het hare; ze was tot de slotsom gekomen dat ze niet louter uit plichtsbesef iets kon doen dat haar tegenstond. Het zou het goddelijke in haar net zozeer afbreuk doen als het houden van slaven afbreuk had gedaan aan het goddelijke in hem. Per slot van rekening was ze een mens, met eigen rechten, ondanks haar echtelijke plichten. Rondsjouwen door de wildernis in mannenkleren en aanpappen met de Indianen mocht dan iets zijn voor verknipte vrouwen als Gulielma Woodhouse ... Verbijsterd hield ze op. Dit was helemaal niet wat ze voelde en dacht! Dit had niets met het ware probleem te maken!

Ach, was het verschil tussen goed en kwaad maar zo duidelijk als ze als jong meisje had gedacht...

 

***

 

Gulielma maakte bivak op de open prairie. Pas nadat ze de muildieren had afgeladen en, tegen het zadel van de merrie geleund, op haar deken ging zitten besefte ze hoe uitgeput ze was. Ze was zo doodmoe dat ze niet de kracht kon opbrengen weer overeind te krabbelen om de bizonvacht te halen, ofschoon het maar een paar passen ver was.

Dit was onzin; het was nog niet zo koud dat ze zou doodvriezen, maar als ze zonder dek bleef zitten zou ze morgenochtend zo stijf als een plank zijn. Met inspanning van alle krachten krabbelde ze overeind, wankelde naar de opgerolde vacht en sleurde het zware ding naar haar bivak. Ze rolde zich erin om te gaan slapen.

Ze wist niet of ze ook maar één moment echt geslapen had; het moest wel, want daar was het ochtendgloren. Maar ze had het gevoel alsof ze niet gerust had; ze moest vermoeider zijn dan ze dacht. De taak om de muildieren op te laden leek onoverkomelijk, maar ten slotte zat alles weer gesjord en was Annie gezadeld en klaar om haar pantomime van de stervende kameel ten beste te geven. Toen ze zich in het zadel wilde hijsen bleek dat ze er de kracht niet toe had; het kostte minuten voordat ze zich eindelijk omhoog had geklauwd en slap in het zadel hing. Haar uitputting was niet zo tragisch als ze deed voorkomen, maar de drang om komedie te spelen was sterker dan zij. ‘O, mijn God!’ kreunde ze en klampte zich aan het zadel vast, ‘ik haal het niet, God, ik haal het niet!’ En dit terwijl er geen toeschouwer te zien was, zelfs de muildieren niet, die te veel in hun eigen komedie opgingen om oog voor die van een ander te hebben. Ze stonden, de koppen omlaag, de ogen gesloten, als draken damp uit hun neusgaten te blazen; alleen Annie was zich van haar potsenmakerij bewust. Die deed haar best haar te evenaren. Samen gaven ze zich over aan een

[p. 307]

orgie van zuchten, steunen, wankelen, voor ze het klaarspeelde zich overeind te hijsen en aan de teugels te trekken. ‘Nou, meisje,’ hijgde ze, ‘da's wel genoeg. We gaan.’

Maar het oude dier voelde er niets voor met haar voorstelling op te houden; ze zette één wankele voet voor de andere, bleef in verwarring staan, alsof ze niet wist welke voet nu aan de beurt was en knielde neer als om een ovatie in ontvangst te nemen.

‘Vort, aanstelster!’

Onwillig kwam Annie in beweging, met de muilezels op sleeptouw.

Het werd een vreemde dag. Enerzijds voelde Gulielma zich los van alles, bijna opgewekt; anderzijds was er die onweerstaanbare verleiding om, louter uit verveling, alles te overdrijven. ‘O God...’ zuchtte ze, duizelend in het zadel. ‘Ik kan niet meer, God, ik kan niet meer...’ Het gaf een emotionele voldoening; ze had er altijd voor gewaakt om met zichzelf te gaan praten, een teken van naderende seniliteit; nu ontdekte ze waarom zoveel eenzame mensen dat deden. ‘Haha!’ riep ze, tegen de geheimzinnige aanwezigheid achter de horizon. ‘Ik zie jullie wel, ouwe spionnen! Kom je niet 's bij me? Houden jullie niet van roddelen?’ Maar er was niemand te zien, alleen die stipjes van de cirkelende gieren in de verte. ‘Joehoe!’ riep ze. ‘Wie zijn jullie, vrienden? Vooruit, laat je zien, doe niet zo eenkennig!’ Het gaf bevrediging om het zo hard ze kon te brullen, met zwierige gebaren naar de gieren. ‘Kom naar beneden, laten we 's praten! Laten we bij elkaar op bezoek ... Hola!’ Ze was bijna gekapseisd. ‘Kom, laten we eens kijken of er iemand is ... Joehoe! Is hier iemand?!’

Ze amuseerde zich kostelijk, terwijl de drie dieren, vermoeid en vol afkeer met een slakkegangetje voortsukkelden. Maar ze liepen tenminste; en ze vorderden nog niet eens zo slecht, want tegen zonsondergang herkende ze de jeneverbesstruik waar ze eerder had gekampeerd. Ze bracht de merrie tot staan, liet zich uit het zadel glijden, stapte mis en viel ruggelings in de sneeuw. Ze had zich niet bezeerd, maar was wel erg geschrokken. Zo iets was haar niet meer overkomen sinds ze haar eerste wilde mustang getemd had: Apache, een prachtige, kastanjebruine jonge hengst. Dat was lang, lang geleden ... Kom op, meid, overeind! Het lukte haar zich aan de stijgbeugel overeind te trekken; zij pakte de teugels en leidde Annie naar de kampplaats. Tot haar verbazing was de jeneverbesstruik verdwenen.

Dit was te gek! Waar was die struik? Ze keek om zich heen; de prairie was leeg, geen struik te zien. Wat kon ermee gebeurd zijn? Haar oog viel op een half in de sneeuw begraven rots, in de vorm van een aambeeld. Ze kende die rots, hierna was het nog minstens drie uur rijden naar de jeneverbesstruik. Hoe kon ze zich zo hebben vergist? ‘Vertel me nou niet dat je aan hallucinaties begint te lijden!’ zei ze. Drie uur rijden was te ver; de zon stond al laag, straks zou de nachtwind de poedersneeuw opjagen en de neusgaten en oren van de dieren verstoppen. Ze kon maar beter bivak maken, hoewel ze liever een beetje meer beschutting zou hebben gehad. Er was ook geen brandhout; ze zou een vuurtje van gras moeten stoken, maar

[p. 308]

het was te veel moeite om dat op gang te houden. Waarom had ze trouwens vuur nodig? Ze had geen honger.

Toen drong het tot haar door dat ze in geen dagen gegeten had. Ze had er domweg niet aan gedacht; de baby had al haar aandacht in beslag genomen. Daarom voelde ze zich zo licht in het hoofd. Ze moest maar gauw iets eten, anders zou er morgen helemaal geen land meer met haar te bezeilen zijn. Dat was het geweest: honger. Boeiend. Eigenlijk erg prettig; als de mensen wisten hoe prettig het was zouden ze niet zoveel eten. Toch moest ze zien dat ze iets naar binnen kreeg.

Het lukte haar de muildieren zover te krijgen dat ze gingen liggen zodat ze bij het afladen niet hoefde te tillen. Er viel trouwens toch niets voor hen te grazen; ze konden net zo goed blijven liggen. Samen vormden ze een goede beschutting, maar ze moest ze wel toedekken. Het betekende dat ze het zonder onderdeken moest stellen, maar de bizonvacht was groot genoeg om zich erin te wikkelen. Ze voelde zich zo licht in het hoofd toen ze ging liggen, dat ze er niet toe kwam een stuk gedroogd vlees te voorschijn te halen. Ze zou morgen wel wat eten. Erewoord? Erewoord. Zodra ze wakker was, gedroogd vlees. Hand erop. Welterusten, kind. Roep me als er iets interessants te zien is. Giechelend viel ze in slaap.

Dit keer sliep ze werkelijk. Ze droomde zelfs: aangename, vluchtige dromen zonder draad, speelse onzin waar ze in haar slaap om moest lachen. De zon maakte haar wakker; het licht scheen pal in haar ogen. Ze had er geen idee van dat het al zo laat was; als ze bij de eerstvolgende pleisterplaats ná de jeneverbesstruik wilde komen, het sneeuwuilbosje bij de prairiehondenbult, zouden ze moeten voortmaken. Ze voelde zich verkwikt, de lange nachtrust had haar goed gedaan. Ze stond op; Patsy, dat brave dier, had zich de hele nacht niet bewogen. Henry natuurlijk wel, hij was een eigengereide knorrepot. Hij stond vlak bij, een en al zelfbeklag. ‘Vooruit, juffertje, opstaan. Patsy!’ Ze gaf een klap op de schonkige flank van het muildier dat haar de hele nacht beschut had. Toen het dier zich niet bewoog, gaf ze het nog een klap; pas toen ze om Patsy heen liep en een verglaasd oog naar de lucht zag staren, besefte ze dat de muilezel dood was.

Verbijsterd staarde ze naar het levenloze dier. Had ze het te veel afgebeuld? Het was waarschijnlijker dat Patsy domweg tot de slotsom was gekomen dat ze er genoeg van had. Net als de Indianen; wanneer die zich eenmaal hadden voorgenomen dood te gaan, gingen ze dood. Het speet haar; Patsy was een lief dier geweest, al hadden ze geen tijd gehad elkaar echt goed te leren kennen. ‘Requiescat, meid. Als muildieren naar de hemel gaan, kom ik gauw eens kijken hoe je het maakt. Mogen je engelen je in slaap balken.’

Het was een mooie toespraak, ze had zichzelf tot tranen toe bewogen; ze besefte pas dat ze de helft van haar bagage zou moeten achterlaten toen ze tegenover de chaos van pakken, potten en pannen en de twee helften van haar apotheek stond.

Er was geen keus: ze zou toch geen medische praktijk meer uitoefenen.

[p. 309]

Ze was nu een particulier, lid van de Huni-stam, op weg naar huis met geschenken voor de familie. Ze floot Henry, die weigerde te komen, ging hem halen; toen hij geen stap wenste te verzetten, gaf ze hem een klap op zijn snuit. Hij liet zijn lelijke gele tanden zien en mompelde iets; ze zei: ‘Hou je brutale bek!’

Beseffend dat het haar ernst was, kwam hij. Ze laadde de potten, pannen en andere rommel die wijlen Patsy zo trouw gedragen had op zijn rug; hij bofte, want het woog minder dan de apotheek. Toen hij desondanks weigerde in beweging te komen, bekeek ze de lading opnieuw en besefte dat die hoger was dan de apotheek. ‘O hemeltje, hemeltje,’ mompelde ze, ‘wat een paskwil om met muildieren te moeten omgaan!’

Ze verlaagde het profiel van de lading door het keukengerei onder zijn buik te sjorren; nadat hij zich door een loense blik tevredengesteld had verwaardigde hij zich in beweging te komen. Met het gerammel van potten en pannen onder zijn buik leek ze wel een rondreizende ketellapper; het schaarse wild dat er nog was zou haar nu op een mijl afstand horen aankomen. Maar ze was toch niet van plan wild te schieten; ze had genoeg gedroogd vlees bij zich tot aan de Mississippi. Ze reed langzamer dan ze wilde, maar de arme dieren konden niet sneller. Ze was niet langer licht in het hoofd, maar wel los van alles. Ze kon objectief denken over haar dood; die stond klaarblijkelijk niet voor de deur, zoals ze gedacht had. Ze had eigenlijk geen voedsel nodig, want ze verbruikte geen energie; ze liet zich rustig van het meer naar het Sacramento Gebergte dragen zonder een hand uit te steken. Het leek even ver als de maan.

Dat gold ook voor de bosjes bij de prairiehondenbult. Toch moesten de gieren boven haar die nu zien. ‘Hallo, daar!’ riep ze, haar hoofd achterover. ‘Hoe gaat...’

Een half uur later, misschien een uur, kwam ze bij. Ze lag op haar rug in de sneeuw, versuft en bang. Ze had er geen benul van waar ze was of wat er gebeurd was; toen zag ze Annie en Henry vlak bij grazen en besefte dat ze van haar paard moest zijn gevallen. Het besef ging gepaard met een golf van angst. Ze had iets gebroken. Of een hersenschudding. Behoedzaam kwam ze op een elleboog overeind, maar ze voelde niets, alleen die misselijkheid. Ze kon zich niet herinneren dat ze gevallen was; ze herinnerde zich dat ze omhooggekeken had naar de gieren en iets geroepen; daarna herinnerde ze zich niets meer. Ze krabbelde overeind en wankelde naar Annie toe. Tot haar verbazing voelde het zadel warm aan. De teugels en het bit waren koud. Er was maar één verklaring: ze kon niet langer dan een minuut geleden uit dat zadel zijn gegleden.

Ze had moeite met opstijgen, maar speelde het klaar; daar gingen ze weer, terug in de tredmolen. Toen zag ze het huis.

Het was zo'n verrassing dat ze Annie inhield om er met open mond naar te staren. Ze had nooit geweten dat hier in de buurt een huis stond; behalve de rondzwervende Miamis woonde er niemand ten westen van het oerwoud. Het was geen blokhut maar een echt huis, gebouwd van stenen, met

[p. 310]

witgekalkte muren. Het had ramen met groene luiken en een zwart pannendak. Hoe ter wereld hadden ze het klaargespeeld dat alles aan te slepen?

‘Heidaar!’ riep ze, zelf horend hoe ongunstig haar stem vreemden in de oren moest klinken. ‘Iemand thuis?’

Haar stem werd door de witte gevel weerkaatst; toen stoof er plotseling iets uit een van de ramen: een reusachtige witte vogel die wegwiekte: een sneeuwuil. Ze stond bij de jeneverbesstruik waar ze kortgeleden tweemaal gekampeerd had.

Ze zei, kalm: ‘Gulielma, schat, je lijdt aan hallucinaties. Kom van dat paard af. Dit heeft geen zin. Totaal geen zin.’

De dag was nog niet voorbij, maar ze kon beter hier blijven. Ze steeg af, bevrijdde Annie van haar zadel en Henry van zijn kletterende last en stuurde ze er allebei met een klap op hun achterwerk op uit om te gaan grazen. Maar ze verzetten geen poot; de dieren hadden ook al geen honger, ‘Annie, meid,’ zei ze vermanend, ‘begin jij nu ook niet met te hongeren, want je ziet wat er dan gebeurt.’ Ze vroeg zich af of paarden ook hallucinaties konden hebben.

Haar angst nam toe. Van nu af aan zou ze alles wat ze zag of meende te zien van nabij moeten onderzoeken om er zeker van te zijn dat het echt was. Tenzij ze wat voedsel naar binnen kreeg zou, over een dag of wat, de wereld bevolkt zijn met monsters, ze zou tegen stenen praten, naar de hemel schreeuwen, en voortdurend van haar paard vallen. In plaats van dat musket aan Joe en Himsha te geven zou ze zich voor het hoofd hebben moeten schieten. Hoe had ze ooit kunnen denken dat ze in staat zou zijn de reis naar de bergen te volbrengen? Ze was een goede arts, ze had moeten weten dat het ondoenlijk was. Ze maakte geen schijn van kans; ze zou zelfs nooit de Mississippi bereiken. Het zou geen onplezierige dood worden, voor zover de dood ooit plezierig kon zijn. Als ze die angst nu maar in bedwang kon houden zou ze steeds lichter in het hoofd worden, voortsukkelen over de prairie tot ze, uiteindelijk, ergens opgerold in haar vacht, in slaap zou vallen en wakker worden in de andere wereld. Hoe het ook mocht uitvallen, ze was bereid.

Was ze dat? En die angst dan? Plotseling merkte ze dat ze op haar knieën lag, haar gezicht in haar handen, fluisterend: ‘God, help me, God, God, in Jezus naam, help me, alsjeblieft, God, God, alsjeblieft, alsjeblieft...’

Maar God zou wel door die fratsen heenkijken, dat deed ze zelf ook. Ze was weer bezweken voor de verleiding om zich te laten gaan, er een hele opera van te maken. Met een zucht kwam ze overeind en ging een paar takken afhakken in het binnenste van het bosje, waar het hout droog was. Ze maakte een vuur, spreidde haar onderdeken uit, sleepte haar zadel en de bizonvacht naar haar slaapplaats, ging zitten, en staarde naar de zwakke vlammetjes tussen de bevroren twijgen. Plotseling had ze weer dat gevoel dat ze werd gadegeslagen. Ze keek om zich heen. Er was niemand. Wie kon het

[p. 311]

toch zijn? Zilverwolfs verkenners? Zo ver uit de buurt? Zou het een hallucinatie kunnen zijn? Was het mogelijk dat de gieren in de verte daar niet werkelijk rondcirkelden, er nooit waren geweest? Ze tuurde de horizon af, maar zag geen gieren. De enige werkelijke gieren waren die boven haar hoofd, die er de oorzaak van waren geweest dat ze haar evenwicht verloren had.

Ze ging op haar rug liggen om op haar gemak naar hen te staren. ‘Vrienden,’ zei ze, ‘jullie krijgen gauw een heerlijke traktatie. O, niet ik! Ik ben zo taai als deze bizonhuid; maar Henry! Ah, dát is nog eens een sappig hapje voor jullie. Verrukkelijk!’ ‘Stil,’ dacht ze. ‘Hysterisch oud wijf!’

Ze staarde weer naar het vuur; het kon ieder ogenblik veranderen in een paleis vol witte muizen. Ze vroeg zich af wat het voor een nacht zou worden.

Het werd een afschuwelijke nacht. Haar angst bleef groeien tot de duisternis zo benauwend werd dat ze opstond en begon te ijsberen in de sneeuw, heen en weer, heen en weer, zoals ze gedaan had in de logeerkamer in Isaacs huis. Dezelfde eenzaamheid overviel haar, maar dit keer kon ze die niet van zich afschudden. Ze wist dat het een hallucinatie was toen ze meende iemand naderbij te zien komen, maar toch riep ze: ‘Dood! Ik ken jou! Natuurlijk ken ik je! Ik wist de hele tijd dat jij het was! Kom op, laat je zien! Kom! Kom, ik wacht op je!’

Er kwam geen antwoord. Haar stem klonk schril in het onmetelijk zwijgen van de prairie.

‘Dood!’ gilde ze in de richting van die gieren in de verte. ‘Dood, kom bij me zitten! Kom, ik hou het niet langer uit! Ik ben eenzaam, ik ben bang! Hoor je me...? O, God, God,’ kreunde ze, en sloeg haar handen voor haar gezicht. ‘Wat is er van me geworden?’ Het was een kreet van zelfmedelijden, maar ze kon het niet helpen dat haar geest gekerkerd was in het lichaam van een vrouw.

‘Dag Gulie.’

De stem was zo werkelijk dat ze verstarde.

‘Dank je dat je een teken van leven hebt gegeven,’ zei de stem. ‘Ik had moeite je te vinden. Je vuur is bijna uit.’

Annie hinnikte. Dat was geen hallucinatie.

Hij stond aan de rand van de nacht, zijn paard achter hem. Het was Bizon McHair.

Een ogenblik geloofde ze haar ogen niet; toen zag ze Annie naar zijn mustang toesjokken. ‘Waar kom jij opeens vandaan?’ vroeg ze, bevend.

‘Ik ben erop uitgestuurd om je te achterhalen,’ zei hij. ‘Bonny Baker wil dat je iets voor hem vertaalt. Ze hebben een vondeling voor zijn deur neergelegd, en dit lag erbij.’ Hij reikte haar iets. Het was de vleermuisvlerk.

‘Nee toch,’ zei ze, en slikte. ‘Welkom.’ Plotseling voelde ze zich verlegen. Had hij haar gehoord? Mijn God, wat een beschamende vertoning! Hij moest haar hebben gehoord, anders zou hij niet een seconde later te

[p. 312]

voorschijn zijn gekomen uit het niets, als een Indiaan. Indiaan...

‘Was jij het?’ vroeg ze scherp.

‘Wat?’ Geen maagd kon ooit zo onschuldig kijken als Bizon McHair met een slecht geweten.

‘Was jij het die me nu al een week hebt gevolgd?’

Hij scheen van een betrapte jongen te veranderen in de man die haar uit de op hol geslagen sjees had gered die avond, toen Bonny Baker zijn slaven in vrijheid had gesteld. ‘Ja,’ zei hij. Hij ging bij het vuur zitten.

‘Waarom?’

‘Hoor eens, Gulie, ik wil hierover geen woord horen. Je bent ziek, dat heb je me zelf verteld; ik ben niet van plan een zieke vriendin zo maar te laten omkomen, op haar eentje, in de prairie.’

‘Aha!’ zei ze. ‘Ik begrijp het! Jij hebt het in je verwaande kop gehaald dat je me weleens even terug zal brengen?’

‘Ik wil je niet terugbrengen. Ik weet wat die Hunis voor jou betekenen. Ik ga je brengen.’

Wat ga je?’

‘Je weet dat je het alleen nooit zult halen. Je bent al een muilezel kwijt; hoe ver dacht je te komen met die twee ouwe knollen die je nog over hebt? Maar nu kom je er. Laat dat maar aan mij over.’

Ze kreeg hetzelfde gevoel als toen ze zich in dat koetsje in zijn armen had laten vallen, maar ze zei: ‘Bizon McHair, je weet niet waar je aan begint. Ik ben inderdaad ziek. Ik denk niet dat ik het haal, het zal me verbazen als ik de Mississippi bereik. Laten we ophouden met deze malligheid. Breng me terug naar Pendle Hill, geef me een bed in een van je hutten en ik zal daar keurig netjes doodgaan. Je mag zelfs tot mijn laatste snik naast me zitten.’

‘Nee, Gulie,’ antwoordde hij, rustig, ‘het is geen malligheid. Laten we opstappen en naar de Hunis gaan. Maar laten we eerst iets eten.’

‘Ik kan niet eten,’ zei ze, terwijl ze zich zwakker voelde worden. ‘Ik kan geen voedsel binnenhouden. Vandaar mijn hallucinaties.’

Hij keek haar vragend aan.

‘Hersenschimmen. Dingen zien die er niet zijn. Ik heb vanmiddag hier bivak gemaakt omdat ik dit verdomde struikgewas voor een huis aanzag, met groene luiken nota bene. Tot er een sneeuwuil uit een van de ramen vloog.’

‘Trek in een slokje?’ Hij stak zijn hand in zijn wambuis en haalde er de platte fles uit. Ze herinnerde zich de warmte die het vuurwater door haar lichaam had verspreid.

‘Als ik daar van neem ben ik niet meer te hanteren,’ zei ze. Ze wist nog steeds niet wat te denken van zijn aanbod, zijn bescherming, al deze dagen. Als de gieren er niet waren geweest zou ze het nooit hebben geweten.

‘Hier,’ zei hij.

Ze nam de fles aan, die nog warm was van zijn lichaam. ‘Hoor eens, Bizon,’ zei ze, ‘ik meen het. God weet in wat voor staat ik nog zal raken voor het afgelopen is. Doe me niet aan dat je de verpleging van een ouwe

[p. 313]

gekke vrouw op je gaat nemen; ik zou me, in mijn heldere ogenblikken, doodschamen.’

‘Ik heb mijn hele leven met vrouwen te maken gehad,’ zei hij nuchter. ‘Wat je ook doet, ik vind alles best.’

‘Jij bent een ouwe gek,’ zei ze. ‘Proost!’ Ze hief de fles op en stond op het punt een slok te nemen. ‘Eigenlijk zouden we samenkomst moeten houden,’ zei ze.

Hij grinnikte. ‘Je ziet eruit alsof je op dit moment iets anders nodig hebt dan samenkomst. Proost.’

‘Op jouw verantwoording.’ Ze hief de fles op en nam een teug. De drank schroeide haar keel, toen ze slikte voelde ze de brandende gloed omlaagglijden; het gloeiende lood viel in haar maag en ze gilde het uit, haar handen op haar maag. ‘Help! Help! Bizon, God, help!’ Hij nam haar in zijn armen en wiegde haar, fluisterend: ‘Alles is goed, Gulie, alles is goed. Het spijt me, Gulie. Ik ben een sufferd. Het spijt me, het is goed, het gaat wel weer over, het zakt wel. Rustig nu maar, rustig, rustig...’

Ondanks de pijn, ondanks de angst, ondanks het beslissende bewijs dat haar diagnose juist was geweest en dat er geen hoop meer voor haar bestond, was de troost van zijn nabijheid onuitsprekelijk. Hij straalde zoveel kracht en veiligheid uit dat ze zich, met een schaamteloze, vrouwelijke jammerkreet aan de pijn en de angst overgaf.

Hij wiegde haar in zijn armen tot ze rustig werd. Vlak bij, in het schijnsel van het vuur, besnuffelde de oude merrie de kleine mustang. Aan de rand van de nacht stond Henry het muildier, alleen.

 

***

 

Bizon waakte over haar terwijl ze in een onrustige slaap lag. Het leek zeker dat ze het einde van de week niet zou halen. Maar tot zijn verbazing was de vrouw die bij het eerste ochtendlicht opstond de Gulielma die hij zijn hele leven gekend had: taai, geestig en vol levenslust.

Ze reden weg, het muildier met de rammelende potten en pannen achter hen aan. Ze babbelden en schertsten; pas toen ze afstegen voor de middagrust kwam haar toestand aan het licht. Ze was zo zwak dat ze omviel toen ze uit het zadel gleed; hij snelde toe om haar op de been te helpen, maar ze wees hem met een snauw af en krabbelde overeind.

Die avond, bij het kampvuur, vertelde ze gekke verhalen tot de tranen hem langs de wangen rolden van het lachen. Ze zag er zo jong uit in het vuurschijnsel in de ijzige grot van de winternacht, dat hij zich afvroeg of ze misschien beter werd in plaats van zieker. Ze vertaalde de boodschap op de vleermuisvlerk die ze, dat wist hij, zelf bij de zuigeling had neergelegd, want hij had haar de hele weg terug van de Wabash naar Pendle Hill met dat kind zien voortsukkelen. Maar ofschoon hij het wist speelde hij zijn rol. Hij beloofde de vleermuisvlerk en haar vertaling naar de Bakers terug te brengen; toen probeerde hij haar wat voedsel tot zich te laten nemen door

[p. 314]

een stamppotje te maken van prairiehaas en kruiden dat zelfs de opstandigste maag zou kalmeren. Ze probeerde het, maar na een paar happen zag hij haar voor zijn ogen oud worden. Enkele ogenblikken tevoren was ze nog vol grapjes geweest; na een paar lepels van zijn stamppot stond haar gezicht afgetobd, de rimpels werden groeven en ze zakte, haar handen op haar maag, in elkaar, een gemartelde, uitgemergelde oude vrouw. Hij kwam naast haar zitten, legde zijn arm om haar schouders en voelde haar huiveren; hij trok de vacht over haar heen, maar ze bleef bibberen. Pas uren later viel ze, tegen hem aangezakt, in slaap; haar oude, pluizige haar dat op zijn borst uitgespreid lag, werd wit van de rijp door zijn adem.

Niemand kon langer dan hooguit tien dagen in leven blijven zonder voedsel en God wist hoe lang het geleden was sinds ze voor de laatste keer gegeten had. Maar de volgende ochtend stond ze weer op, schertsend, vol van de geheimzinnige energie die haar westwaarts dreef, naar haar beloofde land. Hij had lang genoeg omgang met wilde dieren gehad om te weten dat die reserves aan energie bezaten welke alle begrip te boven gingen. Hij had een kreupele elandstier gekend die hij had willen neerschieten, maar uit medelijden aan zijn lot had overgelaten, in de stellige verwachting dat het dier wel spoedig een natuurlijke dood zou sterven. Zes maanden later, vierhonderd mijl verder, had hij dezelfde kreupele stier opnieuw gezien, nog altijd moeizaam voorthinkend naar een geheimzinnig doel. Wat had de ten dode opgeschreven eland in leven gehouden? Hoe had hij wolven, jakhalzen, boosaardige jonge stieren van zich af weten te slaan? Hier was hetzelfde raadsel: iets in het uitgemergelde, door pijn verteerde lichaam gaf Gulie de kracht in leven te blijven, omdat ze zich een doel gesteld had.

Hij begon zich zorgen te maken over de reis die ze nog voor de boeg hadden. Hij had zich nooit verder dan de Missouri gewaagd, want daar woonden de Osage-Indianen, wier taal hij niet sprak. Het gebied tussen het Allegheny Gebergte en de Missouri was een wereld op zichzelf; hij had nooit de behoefte gevoeld om verder te gaan. Nu zouden ze dwars door het gebied van de Osages en dat van andere stammen moeten trekken, van wie hij alleen maar de namen kende: Cheyenne, Kiowa, Comanche, Apache. Ze zouden door rivieren moeten waden die hij niet kende, de woestijn van de Llano Estacado moeten oversteken, waarover hij zijn hele leven lang verschrikkelijke verhalen had gehoord. Zelfs als de verhalen overdreven waren zou het nog een hachelijke tocht worden: het was waanzin zich met een stervende vrouw aan die krachtproef te wagen.

Hij deed zijn best luchthartig te doen. Hij wilde haar het gevoel geven dat zij rustig voorttrokken, want dat was het enige dat ze wilde: voort, voort. Iedere avond leek ze meer uitgeput van pijn en vermoeidheid; maar 's morgens was ze de eerste die opstond en hem met een trap wakker maakte vóór de dageraad. En daar gingen ze weer: voorthossend in die ongemakkelijke draf waarmee ze jarenlang kriskras door de wildernis had gezworven. Het was voor haar iets heel gewoons om zes uur achter elkaar zestig maal per minuut op en neer te huppen; haar staartbeen moest zo

[p. 315]

langzamerhand van ijzer zijn, haar zitvlak zo hard als een muilezelhuid. Voor hem was deze sukkeldraf vermoeiender dan wanneer hij de hele dag in galop doorreed. Bovendien begon het gekletter van de potten en pannen achter hem op zijn zenuwen te werken.

Maar geleidelijk aan begon hij haar toestand als iets vanzelfsprekends te aanvaarden. De eerste week, tot ze bij de Mississippi kwamen, reed hij in voortdurende ongerustheid naast haar, ieder ogenblik verwachtend dat ze naar adem zou snakken en vooroverzakken. Maar nadat zij een week lang iedere ochtend op wonderbaarlijke wijze was herrezen gaf hij dat wachten op haar plotselinge dood op; in plaats daarvan begon hij zich zorgen te maken over het vreemde land dat ze tegemoetreden.

 

Tien dagen later bereikten ze de Missouri bij de oversteekplaats van Pierre Louchant. De schele Franse handelaar waarschuwde hen dat de Kansas en Osages in oorlog waren; iedereen die zich binnen hun gebied waagde kon op moeilijkheden rekenen. Ze besloten tot de volgende ochtend te wachten alvorens zich te laten overzetten; hij besprak die avond het gevaar met haar, bij het kampvuur. Hij probeerde haar niet te overreden, maar liet onwillekeurig zijn ongerustheid blijken.

‘Maak je maar geen zorgen, Bizon,’ zei ze, waarbij ze hem aankeek met haar twinkelende blauwe ogen die iedere gedachte in het hoofd van een man lazen. ‘Ik ken die Indianen. Ik zwalk al meer dan veertig jaar tussen hen rond. Ze kunnen gemeen zijn, en als ze oorlog voeren zijn ze gemener dan ooit; maar desondanks zullen ze ons doorlaten, want ze kennen me. Zodra ze zien wie ik ben bedaren ze wel.’ Ze zei het zonder ijdelheid; het was de vaststelling van een feit. Ze was een pracht van een vrouw en als zij er niet meer was zou het leven kleurlozer zijn. Op de een of andere manier speelde ze het klaar de dingen beter, hoopvoller te doen lijken dan ze in werkelijkheid waren. Waarom moesten mensen zoals zij op deze manier sterven? Bij het zien van de kwellingen die ze doormaakte, iedere keer als ze probeerde iets te eten, begon hij Gods genade in twijfel te trekken. Was Hij inderdaad een God van liefde, vol erbarmen, zoals de Vrienden in de stad het stelden? Als hij Gulielma zo honds zag lijden, als hij haar huiverende, gefolterde lichaam in zijn armen hield tot het van uitputting verslapte, vroeg hij zich af of de liefde en de opgewektheid en de hoop in haar niet het enige goddelijke in deze wrede wereld waren. Als zijn tijd om te sterven zou komen en hij op zijn rug in de prairie naar de hemel lag te staren, zou hij proberen aan Gulie te denken. Hij zou niet de Schepper van deze besneeuwde hoogvlakten aanroepen, waar kudden bizons achter de horizon als donder voortstormden, maar hij zou roepen om de tederheid, de genade, het begrip in haar hart. Waar zou haar ziel naar toe gaan na haar dood? Waarheen zou dat wonder van zachtheid en deernis, van eenvoudige menselijke goedheid verhuizen zodra het licht in die ondeugende, wijze ogen gedoofd was? Zou het zich domweg oplossen in de vriesnacht? Wat een

[p. 316]

verspilling, wat een verschrikkelijk verlies voor iedereen, niet alleen voor de Indianen en hemzelf en mensen als Bonny Baker, maar zelfs voor boeven als schele Pierre die hen de volgende ochtend overzette tegen een schandalige prijs plus een extra louis ‘gevarengeld’, vanwege de oorlog. Ze betaalde het losgeld met een glimlach, klopte hem op de schouder en zei: ‘Vriend Pierre, je bent de nobelste zwendelaar die ik ken. Ik bewonder een man die me uit principe en niet uit hebzucht berooft. God zegene je; vind vrede in je waanzin.’ De schele boef staarde haar met open mond aan, en een ogenblik lang zag hij er bijna menselijk uit. Toen zei hij: ‘Au revoir, Gulie Pissante! Bon voyage, et bonne chance.’

Zoals ze voorspeld had, vielen de Osages noch de Kansa-Indianen hen lastig. Er deed zich een hachelijk moment voor, de avond van de tweede dag, toen er plotseling een zwerm joelende Indianen op mustangs over de kam van een heuvel kwam aandaveren. Ze legde een hand op zijn arm, om hem te beletten naar zijn geweer te grijpen; ze bleven roerloos zitten tot ze omsingeld waren. Onwillekeurig sloot hij bij hun nadering zijn ogen; het lawaai was oorverdovend, hun stank overweldigend terwijl ze joelend om hen heen cirkelden; toen viel er een plotselinge stilte waarin alleen het zwoegend gehijg van hun paarden hun aanwezigheid verried. Hij opende zijn ogen en daar waren ze: de gezichten met oorlogskleuren beschilderd, hun tomahaws bruin van het geronnen bloed, verse scalpen aan hun gordels bungelend. Gulielma, wier stem gewoon en rustig klonk, praatte met hen in hun taal; ze vroeg hun iets dat hun nieuwsgierigheid scheen op te wekken. Op een gegeven ogenblik tilde ze haar wambuis op, trok haar onderhemd uit haar broek, liet hun haar blote buik zien en wees erop, met een grimas van pijn. Hij had er geen idee van waar ze op aanstuurde, maar het resultaat was dat de Indianen zich met z'n allen omdraaiden en wegdaverden, om joelend en gillend over de heuvel te verdwijnen.

‘Wat moest dat allemaal?’ vroeg hij.

Ze antwoordde, terwijl ze haar hemd weer in haar broek stopte: ‘Ik heb ze verteld dat ik ziek ben en een collega wil consulteren.’

Hij kende haar genoeg om niet verder aan te dringen; later die avond, toen ze bij het vuur zaten, werden de paarden en het muildier plotseling onrustig, en ze ontdekten dat ze omringd waren door een massa zwijgende Indianen. Een groteske gestalte kwam naderbij waggelen, een oude Indiaan gebukt onder een loodzware pelsmantel, horens op zijn hoofd, amuletten aan zijn oren, in zijn hand een totem met dode hagedissen en de uitgedroogde kop van een bever. Bizon sprong bij de nadering van de tovenaar overeind; ofschoon de ogen van de man gitzwart waren en zo uitdrukkingloos als die van een leguaan, was er iets in dat hem aan Gulie deed denken.

Gulie zelf stond niet op. Ze bleef op haar deken zitten, de vacht over haar knieën; ze was te zwak om op te staan. De sjamaan maakte met zijn totem een gebaar dat op een teken des kruises leek, knielde toen naast haar neer, nam haar hand, deed zijn mond open, stak haar vingers erin en beet erop. Ze slaakte een kreet. Bizon riep onwillekeurig: ‘Wat doe je, man?!’

[p. 317]

Gulie antwoordde, een beetje beverig: ‘Hij is een specialist. Misschien wil hij weten of ik nog leef.’ Ondanks haar scherts leek ze zenuwachtig.

De oude Indiaan stak zijn hand onder zijn mantel, haalde een bizonhoorn te voorschijn met een stop erop, liep naar het vuur en goot de inhoud van de hoorn in de vlammen. Ze laaiden hoog op, met blauwachtige tongen; alsof het een teken was geweest, gleden alle Indianen om hen heen van hun paarden en knielden in de sneeuw, een ring van starende gezichten. De sjamaan begon te zingen. Terwijl hij met jichtige oudemannepasjes om haar heen danste, brulde en jammerde hij het uit, schudde wild met zijn hoofd en zwaaide met zijn totem vol amuletten. Ze lag op haar rug, haar ogen gesloten. De Indianen staarden naar haar; er was geen ander geluid behalve het gejammer van de sjamaan en op de achtergrond het gesnuif van paarden. Hij scheen een uur lang te jammeren en te brullen; eindelijk goot hij nog een hoorn vol poeder in het vuur, dat dit keer een uitbarsting van rode rook veroorzaakte; daarna knielde hij weer naast haar neer en nam haar hand. Maar in plaats van erop te bijten, hielp hij haar overeind. Ze stond met moeite op en maakte een buiging voor de sjamaan; hij boog terug. Ze gaven elkaar de hand, eerst de rechter, toen de linker; ze fluisterde iets tegen hem waar hij aandachtig naar luisterde, vervolgens maakte hij nogmaals een buiging, draaide zich om en danste naar de andere kant van het vuur. Daar maakte hij weer een teken des kruises met zijn amuletten en danste achteruit, buigend, naar een opening in de ring van gezichten. Hij danste, wild met zijn hoofd schuddend, snuivend, achterwaarts; al dansend scheen hij in een bizon te veranderen. Tegen de tijd dat hij verdween, was de illusie volkomen: het was alsof ze bezoek hadden gehad van een bovennatuurlijk wezen, half god, half bizon. De Indianen verdwenen even geruisloos als ze waren gekomen. Er klonk een kort hoefgetrappel in de duisternis, toen waren ze weg. ‘En?’ vroeg hij. ‘Heeft hij je goedgedaan?’

Zonder op te kijken, zei ze: ‘Natuurlijk niet.’

‘O ... Dat spijt me.’ Hij kon niets anders bedenken.

Ze hief haar hoofd op. Haar ogen waren troebel, alsof ze hem alleen als een vage gedaante in het donker zag. Maar haar stem was onveranderd toen ze zei: ‘Het was eigenlijk een afscheid. Ik ken hem al jaren. Hij is veel beter in zijn vak dan ik, maar het heeft geen zin God te vragen ter wille van mij de natuurwetten op te heffen. “Waarom ik?” is een zinloze vraag. Het antwoord is: “Waarom niet?”’

‘Maar heeft hij je helemaal niet geholpen?’

‘Dat wel.’ Ze glimlachte, haar ogen schenen weer hun oude ondeugende glans te krijgen. ‘Hij gaf me een gevoel van tederheid.’

‘Door op je vingers te bijten?’

‘Door me niets voor zijn consult te berekenen. Hij is een van de duurste specialisten tussen de Missouri en de Llano Estacado. Zijn normale tarief in een geval als dit zou twintig louis zijn geweest.’

‘Hij vraagt er geld voor?’

‘Natuurlijk. Hij is veel te uitgeslapen om zich met pelzen of kralen te

[p. 318]

laten afschepen. Hij wil geld, en hij geeft het uit ook.’

‘Waaraan?’

‘Ze zeggen dat hij ieder jaar naar New Orleans gaat, in burgerkleren, om de bordelen af te lopen.’ Plotseling staarde ze hem weer aan met die vreemde, troebele blik, alsof ze naar iets achter hem keek. ‘Bizon, dit is eigenlijk een goed moment om een paar dingen te regelen. Ik weet niet hoe het komt dat ik het nog zolang heb uitgehouden, wetenschappelijk gesproken had ik al een week geleden dood moeten zijn. Maar goed, hier ben ik, en ik kan niet zeggen dat ik er bezwaar tegen heb. Maar het kan nu ieder ogenblik aflopen. Ik zal je vertellen wat je moet doen als dat gebeurt.’

Hij zocht naar woorden, maar gaf het op.

‘Allereerst wil ik dat je mijn ouwe Annie doodschiet. Ze is er slecht aan toe, en ik wil niet dat ze nog verder lijdt. Ze is niet zoals wij, ze kan zichzelf niet wijsmaken dat het allemaal wel een bedoeling zal hebben.’

‘Wat nog meer?’

‘De voorraden die ik de Hunis beloofd heb. Ik heb liever dat die potten en pannen bij hen aanlanden dan mijn stoffelijk overschot, als je begrijpt wat ik bedoel.’ Haar ogen hadden weer die kwajongensachtige tinteling. ‘Haal het niet in je hoofd uit sentimentele overwegingen mijn lijk met je mee te slepen. Dat wordt een onverkwikkelijk gedoe, vooral als we eenmaal bij de Llano Estacado zijn. Graaf gewoon een gat en leg me erin. Maar breng die voorraden naar de Hunis. Ik heb het hun beloofd.’

‘Goed.’ Hij draaide zich om en pookte het vuur op. ‘Maar hoe vind ik ze? Ik ben nog nooit zo ver deze kant op geweest.’

‘Heel eenvoudig. Volg de ondergaande zon.’ Ze stak haar hand uit en streelde de zijne. ‘Maak je geen zorgen, oude vriend. Zodra ik er niet meer ben, krijg je een gids.’

‘Een Indiaan?’

‘Misschien wel meer dan een. Het hangt ervan af waar we op dat ogenblik zijn. Van nu af aan verliezen ze ons niet meer uit het oog. Ze weten ervan; ik heb de oude sjamaan verteld wie je bent en waar we naar toe gaan. Ze zullen ervoor zorgen dat je er komt.’

‘Goed,’ zei hij. ‘En zou je nu niet een beetje gaan rusten?’

‘Ik zou eerst iets moeten eten.’

Hij had nooit verwacht dat ze dit zou zeggen. ‘Zorg liever dat je voor de verandering eens een goede nachtrust krijgt.’

Ze keek hem met genegenheid aan. ‘Bizon,’ zei ze, ‘jij en ik hadden al lang geleden moeten trouwen.’

Hij glimlachte.

‘Jammer,’ zei ze, terwijl ze zich naar het vuur omdraaide. ‘Maar hier zitten we nu.’

‘Hier zitten we nu,’ zei hij. ‘Laten we samenkomst houden.’

Ze bogen hun hoofd en keerden in tot het diep van de stilte.

Pas toen ze de Llano Estacado bereikten begon het tot Bizon door te dringen hoe ver deze ongelooflijke vrouw tijdens haar veertig jaren zorg

[p. 319]

voor de Indianen gezworven had. De afstand die ze sinds het oversteken van de Missouri hadden afgelegd was onvoorstelbaar. Hij was de tel van de dagen kwijtgeraakt; de ene was precies als de andere en het landschap veranderde nooit, dag in dag uit dezelfde grauwe, kale vlakte bedekt met helm dat de dieren met tegenzin aten.

Gulielma begon bij tussenpozen weg te doezelen. Er scheen geen reden voor bezorgdheid te zijn; integendeel, het leek een goed teken. Er was geen gevaar dat ze van haar paard zou vallen; net als hij kon ze slapen tijdens het rijden. Ze leed nog steeds iedere avond ondraaglijke pijn, en deed haar best het voor hem te verbloemen. Maar gaandeweg begon ze het contact met de werkelijkheid te verliezen. De vreemde, troebele blik keerde terug in haar ogen. Soms, terwijl ze naast hem reed, staarde ze hem aan; dan keken haar ogen alsof ze gericht waren op iets aan de horizon. ‘Gulie?’ vroeg hij dan; zij zei tegen iemand achter hem: ‘Ben jij dat, Maggie?’ Zo sterk werd de suggestie van een onzichtbare metgezel, dat hij zich soms omdraaide om zich ervan te overtuigen dat er niemand was.

Hij begon zelf ook dingen te zien, luchtspiegelingen, hallucinaties, wat het ook mochten zijn. Soms zag hij opeens water glinsteren aan de horizon; een paar seconden later was het verdwenen en was er zover het oog reikte weer niets dan de kale vlakte, zo anders dan de prairie. De prairie was in de zomer een weelderige weide zo groot als een oceaan, bruisend van leven, kleur, beweging, een verwilderde tuin waar de bijen dronken werden van de bloemen en de vogels in zwermen rondzwierden. Tegen de herfst veranderde het manshoge gras in een golvende zee van altijd wisselende kleuren, prachtig, majestueus, een aanblik die hem met ontzag vervulde. Maar deze eindeloze woestijn was volkomen verstoken van leven of beweging, afgezien van de gewichtloze bollen van de witte amarant die, spookachtig, door de wind gedreven, van horizon naar horizon kaatsten, en van de stofspiralen die uit het niets op wervelden en weer verdwenen, evenals de denkbeeldige meren en de Indiaanse ruiters op de heuvelruggen in de verte. Toch was het voor Gulie, hoe troebel haar blik ook mocht zijn, een vertrouwd gebied. ‘Aha,’ zei ze, toen ze een heuveltje in het oog kreeg dat op geen enkele wijze verschilde van duizend andere waar ze langs waren gekomen, ‘daar hebben we Hanioro's graf.’ Ze keek er vol genegenheid naar terwijl ze er langzaam voorbijreed, ineengezakt in het zadel. ‘Tot ziens, Hanioro! Hoop je gauw te zien!’ Toen, zich omdraaiend: ‘Arme kleine stakker. Hij was pas vijf jaar.’

Er waren ogenblikken waarin ze zijn aanwezigheid volkomen scheen te vergeten, zich alleen bewust van de spookachtige wezens die uitsluitend zij kon zien. 's Avonds bij het kampvuur zat ze, soms wel een uur lang, naar de vlammetjes te staren die hier rustelozer dansten dan in de prairie, alsof ze werden gevoed door dezelfde koortsige energie die haar voortdreef.

‘Bizon,’ zei ze plotseling op zo'n avond, in het vuur starend, ‘vat mijn aanstellerij niet te ernstig op. Ik zou die hele komedie niet opvoeren als ik me bij jou niet zo veilig voelde.’

Hij keek haar verbaasd aan, maar zei quasi onverschillig: ‘Ik weet niet

[p. 320]

waar je het over hebt.’

Ze glimlachte tegen het vuur. ‘Natuurlijk weet je dat.’

Hij vroeg zich af of ze in heldere ogenblikken als deze wist dat ze hallucineerde en hem op zijn gemak probeerde te stellen. Het leed geen twijfel dat ze geleidelijk zwakker werd. Ze at nu helemaal niets meer; ze kon zelfs geen mondjevol soep binnenhouden. De perioden dat ze op haar paard wegdoezelde werden langer; 's avonds, zodra hij haar deken voor haar had uitgerold en de vacht over haar heen gespreid viel ze onmiddellijk in slaap, vooral als hij zich naast haar uitstrekte en ze haar hoofd op zijn schouder kon leggen.

Op een ochtend kon hij haar niet wakker krijgen. Ze leek versuft; hij moest haar in het zadel tillen. Terwijl hij dat deed, schrok hij van haar gewicht; ze was zo licht als een kind. Aanvankelijk hield hij haar al rijdend vast, terwijl hun schaduwen vóór hen gaandeweg korter werden naarmate de zon hoger klom. Maar het was niet nodig; zelfs in bewusteloze toestand slaagde haar lichaam erin in evenwicht te blijven op de rug van de merrie.

Intussen waren ze niet langer alleen. De ruiters verschenen steeds regelmatiger aan de horizon, telkens maar heel even. Ze schenen geleidelijk dichterbij te komen naarmate zij verzwakte.

Op een avond, toen hij de rit onderbrak om bivak te maken, werd ze wakker zodra hij haar paard tot stilstand bracht. ‘Waar zijn we?’ vroeg ze.

‘Het is tijd om te rusten.’ Maar toen hij haar uit het zadel wilde tillen, weerde ze hem af en zei: ‘Rij door.’

‘Maar, Gulie, het wordt zo dadelijk donker! De paarden...’

‘Rij door, Bizon,’ zei ze, met gesloten ogen. ‘We zijn er bijna.’

Hij weifelde. Het landschap was kaal, zonder enig kenteken. De dalende zon verblindde hem toen hij in de verte probeerde te turen. Het spoor dat ze volgden strekte zich naar het scheen eindeloos voor hen uit. Het zou een maannacht worden; als het zoveel voor haar betekende, konden ze na donker nog wel een paar uur doorrijden. Hij klom weer in het zadel, verzekerde zijn kleine mustang Furie dat er gauw lang gerust zou worden, en ze vervolgden als in een droom hun tocht. Gulie sliep in het zadel. Na een poosje begon hij zijn gevoel voor richting kwijt te raken; hij stond op het punt stil te houden en bivak te maken toen hij een zacht gehinnik hoorde. In het maanlicht verschenen vijf Indiaanse ruiters, op een steenworp afstand, links van hem. Toen ze zich ervan overtuigd hadden dat hij hen gezien had, reden ze langzaam verder.

Op Indiaanse wijze wezen ze hem de weg door op enige afstand naast hem te blijven rijden. Na een uur hielden ze stil, naar het scheen zonder enige reden. Hij klopte Furie op de koude, natte hals; toen hij opkeek, waren de Indianen verdwenen. Hij steeg af om Gulie uit het zadel te helpen; toen hij haar hand aanraakte voelde hij dat die steenkoud was en hij dacht dat ze dood was; maar ze werd wakker, versuft. ‘God,’ zei ze. Dat was alles.

Hij tilde haar uit het zadel en legde haar voorzichtig neer. Hij rolde haar deken uit; toen hij haar optilde om haar erop neer te leggen sliep ze alweer.

[p. 321]

Omdat hij erg moe was en de paarden ook, nam hij niet de moeite een vuur aan te leggen. Hij droogde Furie, die nat was van zweet, met helm; de andere waren droog maar trilden van uitputting, vooral Annie. Hij bevrijdde haar van het zadel en Henry van zijn lading; hij stuurde ze met een klap op hun achterhand weg om te gaan grazen. Ze drentelden een paar pasjes, bleven staan en vielen staande in slaap. Hij ging naast Gulie liggen, trok de vacht over hen beiden heen en schoof voorzichtig zijn arm onder haar hoofd.

Hij was erg moe, toch kon hij niet slapen. Met haar hoofd op zijn schouder staarde hij naar de sterren, mijmerend over God, zich opnieuw afvragend waar de zielen van mensen die stierven naar toe gingen. Toen het dag werd trok hij voorzichtig, om haar niet wakker te maken, zijn arm weg; zodra hij opstond zag hij een ongelooflijk schouwspel.

In het westen, waar de nacht nog over de woestijn hing, rezen uit de duisternis de fel-oranje toppen van een bergketen op, verlicht door de opgaande zon. De hemel daarboven was kobaltblauw; de oranje toppen zagen eruit als torens. Hij begreep nu waarom ze er gisteravond op gestaan had door te rijden; ze wilde bij zonsopgang haar bergen zien. ‘Gulie!’ riep hij. ‘Gulie, kijk! Kijk!’

Ze werd niet wakker; hij knielde naast haar neer om haar zachtjes te schudden. ‘Gulie...’

Ze rolde langzaam op haar rug. Toen hij opkeek, zag hij de ruiters, op enkele passen afstand.

Ze was dood. Ofschoon hij het al weken lang had verwacht, bleef hij in verbijsterd ongeloof op haar neerstaren. Het leek onmogelijk dat de vrouw die zo vol leven was geweest nu in een ding kon zijn veranderd.

Ondanks haar opdracht was hij niet van plan haar hier te begraven, alleen op de verlaten vlakte. Hij kon haar niet weer te paard zetten, tenzij hij haar dwars over het zadel vastsjorde; hij zette haar voor zich op Furie, haar hoofd rustte op zijn schouder zoals het iedere nacht had gerust terwijl ze sliep. Zo reden ze verder naar de bergen.

Tot zijn verrassing werd het niet een dag van rouw of eenzaamheid. Na iedere heuvelkam voegden zich nieuwe Indianen bij de ruiters die naast hem reden; tegen het middaguur waren het er honderden, allen op een rij aan weerskanten van de kleine rouwstoet. Hun aantal en de stilte waarin ze voortreden, vervulden hem met ontzag en tegelijkertijd een groot verdriet.

Toen de zon op het punt stond onder te gaan achter de oranje kantelen die nu boven hen torenden, hielden de Indianen als op een signaal stil. In de verte, op de top van een heuvel waar het pad wegviel achter een massief rotsblok, stond een kleine gestalte met een oranje parasol of een vlag. Bizon reed er langzaam naar toe, terwijl hij de dode Gulie tegen zich aandrukte. Toen hij dichterbij kwam zag hij dat de parasol een baldakijn was, dat omhoog werd gehouden boven een Indiaan van middelbare leeftijd, zonder hoofdtooi, gekleed in een korte witte mantel. Er was iets aan hem dat gezag uitstraalde; hij moest het opperhoofd zijn, de bloedbroeder van wie Gulie verteld had. Hij zag er anders uit dan de andere Indianen; zijn juk-

[p. 322]

beenderen waren breder, zijn voorhoofd smaller.

Op de top van de heuvel hield Bizon halt. Boven het rotsblok en langs de bergwand zag hij rijen gezichten; de berg wemelde van mensen. Hij liet zich, met Gulie in de armen, uit het zadel glijden; ze was zo licht dat hij het verschil nauwelijks merkte toen hij op de grond sprong. Hij bleef weifelend staan; toen, op een gebaar van het opperhoofd, kwamen vier Indianen van achter het rotsblok te voorschijn en liepen naar Henry het muildier. Ze ontdeden hem van zijn lading, en een van hen wierp een deken over de rug van het dier. De deken was wit en rood en met zwarte figuren geborduurd. Hierna kwam het opperhoofd naar hem toe en stak zijn armen uit om haar van hem over te nemen.

Bizon wilde haar niet afstaan. Hij vertrouwde hen niet; plotseling wenste hij dat hij haar die ochtend begraven had. Maar dit was het einddoel van haar pelgrimstocht; hij mocht haar dat niet ontnemen. Hij legde haar in de armen van het opperhoofd.

De Indiaan droeg haar naar het muildier en werd door zijn mannen op Henry's rug geholpen. Vervolgens werd het baldakijn boven hem uitgespreid, en de Indiaan bij de kop van het muildier trok aan het touw om het in beweging te brengen. Maar Henry weigerde een stap te verzetten. De Indiaan trok harder; het beest stond stokstil. Bizon besefte wat de moeilijkheid was: het baldakijn was te hoog. Hij trok het omlaag; het opperhoofd keek hem dreigend aan, alsof hij hem zwaar beledigd had, maar het muildier kwam in beweging. Langzaam liep Henry het pad op en verdween achter het rotsblok. De Indianen holden achter hem aan met het oranje baldakijn.

Hij zag het weer te voorschijn komen hoger op het pad; het klom hoger, langs al die wachtende, zwijgende mensen. Hij zag het kleiner en kleiner worden, een kleurig stipje in het gebergte; ten slotte verdween het voorgoed. Hij draaide zich om; op zijn weg terug naar de paarden kwam hij een groepje Indianen tegen die Henry's potten en pannen droegen.

Furie en Annie stonden op hem te wachten. De oude merrie was uitgeput; toen hij haar probeerde mee te trekken, wankelde ze. Dit was ook voor haar het eind van de reis; hij mocht haar niet verder meezeulen. Hij steeg af, nam zijn geweer en leidde haar naar een plek waar hij bivak zou hebben gemaakt als hij besloten had te blijven. Daar klopte hij haar op de hals, krabde haar voorhoofd, trok aan haar oor en fluisterde haar alle dingen toe die Gulie zou hebben gefluisterd. Daarna ging hij een paar stappen achteruit, boog zijn hoofd, zijn geweer onder zijn arm, en sloot zijn ogen voor een samenkomst. Hij bleef lang zo staan, tegenover het paard dat vermoeid op de benen zwaaide. Toen hief hij het geweer en schoot haar door het hoofd.

Ze wankelde; er klonk een gerinkel van stijgbeugels en een zware plof toen ze tegen de grond sloeg. Ze slaakte een zucht, maar het was alleen maar de lucht die uit haar longen werd geperst. Ze was dood voordat ze viel.

Hij ging terug naar Furie die schichtig stond te wachten, geschrokken van het schot. ‘Maak je geen zorgen, beest,’ zei hij en klopte het dier op de hals. ‘Alles is goed. Zo wilde zij het.’ Hij reed terug naar de Llano Estacado.

terug  begin  verder