‘Ssst,’ fluisterde Bonifacius, ‘ssst, Mozes!...’ De baby strekte een mollig handje uit en raakte zijn lippen aan. ‘Oek!’ zei hij. ‘Hawa!’
Weer fluisterde Bonifacius: ‘Ssst!’ Het kind begon weer te koeren, waarop de twee Indiaanse meisjes die het dichtst bij hen zaten het uitschaterden van pret. Cleo, die in het midden zat met een groep kinderen om zich heen, bleef onverstoord. Ze keek de meisjes streng aan en zei: ‘Leeuweriksoog! Hertejong! Hou op met die gekheid! Het lijkt wel of jullie nog nooit een baby hebben gezien!’
De meisjes hielden gehoorzaam op.
‘Ziezo,’ ging Cleo verder. ‘noem maar eens de boeken van het Nieuwe Testament, om de beurt. Leeuweriksoog, jij begint.’
‘Handelingen,’ zei een van de meisjes met een hoge, heldere stem.
‘Onzin. Wat komt eerst, Hertejong?’
‘Mattheus,’ tjilpte het andere meisje.
‘Heel goed. Leeuweriksoog, wat volgt dan?’
‘Marcus!’
De meisjes somden, de een na de ander, de boeken van het Nieuwe Testament op met de vurige geestdrift die Bonifacius in Indiaanse kinderen was opgevallen vanaf het moment dat hij met het openluchtschooltje begonnen was. Hij bewonderde Cleo's kalme autoriteit; niemand die haar daar zag zitten te midden van haar klas, zou geloven dat ze drie maanden geleden zelf analfabeet was geweest en, evenals zij, alleen maar gedreven door instinct. Het waren net kleine dieren, vol levenslust en onbedwingbaar plezier; ze waren één met de jonge vogels, de ontbottende bomen, één met het voorjaar. Hij herinnerde zich zijn eigen schooldagen; bij de eerste lentebelofte buiten was hij rusteloos geworden, alsof zijn jonge lichaam, nog met de natuur verbonden, uit de winterslaap ontwaakte. In de wildernis kwamen de eekhoorns en de buidelratten, de uilen en de beren weer tot leven; de bomen van het woud, gestreeld door de eerste warme wind, toonden al een waas van groen. ‘Hawa!’ schreeuwde kleine Mozes zo hard hij maar kon, op en neer huppend, verrukt over iets dat hij gezien had, misschien een weerspiegeling van het licht, misschien een vogel. ‘Woesj! Hawa - hawa-hawa!’
Hij maakte zoveel kabaal dat de kinderen bij Philemon in de war raakten. Maar toen Bonifacius opstond om de kleine schreeuwlelijk weg te brengen, zei Cleo: ‘Geef hem mij maar.’
‘Maar je moet nog minstens een half uur les geven!’
‘Dat geeft niet. Hij wordt wel stil.’ Hij bracht haar het jongetje, zij zette hem op haar schoot en vervolgde tegen haar klas: ‘Kom, laat dit kind eens horen hoe goed we kunnen tellen. Allemaal tegelijk! Kunnen jullie tot dertig?’
‘Jaaa!’ schreeuwden de kinderen.
‘Mooi, daar gaan we: Eén...’
‘Twee! Drie! Vier!’ schreeuwden de hoge, schrille stemmen met de onstuimigheid van de ontwakende lente. De baby op Cleo's schoot, zijn mondje open, zijn gezichtje stralend van plezier, begon met zijn handjes te zwaaien en met zijn kromme beentjes te trappelen, opgetogen van pret. Het zien van zijn onschuldige verrukking, veilig in Cleo's handen, vervulde Bonifacius met tederheid. Hij sloot zijn ogen en bleef een ogenblik staan, overrompeld door een plotseling besef van de Tegenwoordigheid. Toen hoorde hij een rumoer in de verte; iemand kwam aanhollen, roepend: ‘Ze zijn er! Ze zijn er!’ Het was Jake.
‘Wie?’
‘De schoolexpeditie! Ze komen eraan, aan de overkant van het meer!’
In de kraal waren Bizons mannen bezig hun paarden te zadelen; in de verte, aan de overkant van het glinsterende meer, zag hij een lange stoet van speelgoedwagentjes. Hij rende naar zijn paard; terwijl hij bezig was op te zadelen, hoorde hij een kreet: ‘Oom!’ en daar verscheen, op een bezwete mustang, George McHair. De jongen sprong van zijn paard, holde met uitgestrekte armen op hem toe, klemde hem in een omhelzing die alle lucht uit zijn longen perste, en bazuinde: ‘Oom Bonny! God zegen je! God zegen je, man!’ De stank van zijn ongewassen lichaam was overweldigend; hij kuste zijn oom op beide wangen en sloeg hem met zo'n kracht op de rug dat hij vooroverviel.
‘In Godsnaam!’ riep hij; maar de jonge woesteling greep zijn beide armen vast en schreeuwde, terwijl hij hem heen en weer schudde: ‘Oom! Wat fijn je weer te zien! Kom mee! We gaan naar de anderen! Waar is je paard?’
‘Ik - hier...’
Voor hij wist wat er gebeurde werd hij in het zadel getild door de jonge reus, die daarna op zijn eigen paard sprong en naar het meer galoppeerde. Verbijsterd draafde hij achter hem aan.
Toen ze de voorste huifkar van de colonne naderden, die schommelend op hen toekwam, getrokken door twee span ossen, klonk er opnieuw een kreet: ‘Oom!’ Op de bok zag Bonifacius Joe Woodhouse zitten, bruin verbrand, ongeschoren als een woudloper; naast hem zat Himsha, tenger en gracieus. Terwijl hij de jongeman de hand schudde en een verblufte groet mompelde, brulde weer iemand: ‘Oom!’ Op de bok van de volgende wagen ontdekte hij Obadja Best en Carrie Woodhouse, die hem uitgelaten toewuifden. Hij reed naar hen toe en vroeg: ‘Wat doen jullie hier?’
‘We zijn getrouwd!’ schreeuwde Obadja, zo luid alsof hij vijftig pas ver weg was. ‘Vlak voor we vertrokken zijn we getrouwd, en hier zijn we dan! Is de school al gebouwd?’
‘Nee, we...’ Zijn mond viel open, want daar, op de volgende huifkar die schommelend naderde, zaten twee van zijn slaven, Simeon en zijn vrouw Clarissa. Achter hen tuurden de zwarte gezichtjes van hun kroost onder de opgebonden voorklep uit. Hij moest er ontsteld uitzien, want hij zag het gezicht van de jonge neger betrekken en stak haastig zijn hand uit. ‘Simeon,’ zei hij, ‘Clarissa ... Waarom zijn jullie niet op het eiland?’
‘We moesten het verkopen,’ antwoordde de jonge neger. ‘De andere plantages gaven ons geen kans. Daarom besloten we ons geluk hier te gaan zoeken. Als vrije boeren.’
‘Nee toch...’ Toen zag hij, op de volgende wagen, nog twee van zijn vroegere slaven, Balthazar en Ruby. Het leek wel alsof alle wagens die hotsend op hem toekwamen, volzaten met zijn vroegere slaven. Maar toen hij hen ging verwelkomen, ontdekte hij een groot aantal jonge blanke echtparen uit Philadelphia, van wie hij de meesten kende. Hij reed langs de schijnbaar eindeloze colonne, handenschuddend, met het gevoel dat het een droom moest zijn. Drommen kinderen, zwart en blank, trokken voorbij, tientallen spannen ossen die karren voorttrokken volgeladen met ploegen, vaten, schoolbanken, ledikanten, zelfs een zitbad vol valiezen. Hij keek er met open mond naar. Wie ter wereld had het in zijn hoofd gehaald dat idiote ding honderden mijlen door het oerwoud te sleuren tijdens een oorlog? Toen hoorde hij een hoge, schelle stem: ‘Vriend Bonifacius Baker!’ De kreet was zo snijdend dat zijn paard ervan schrok. Op de bok van de laatste huifkar herkende hij Bathsheba Moremen en Millicent Clutterbuck, de schrijfster van de Vrouwenvergadering. Hij schudde hen voorzichtig de hand, informeerde beleefd naar hun gezondheid en had het gevoel dat hij nu ieder ogenblik kon wakker schrikken, badend in het zweet. Hij reed naast hen mee, luisterend naar hun kwetterend relaas over de ontberingen die ze hadden geleden, de kwalen, de koortsen, de Indianen, het verlies van twee wagens die door het ijs van een rivier waren gezakt, de dood van de arme oude Mammy, die ze in het oerwoud hadden begraven, een mooie plechtigheid, erg mooi; en geen spoor van de Fransen, God zij geloofd. Ten slotte vroeg hij: ‘Maar wat komen jullie hier doen?’
Het was een redelijke vraag. Beide oude vrijsters moesten over de zestig zijn; het was onwaarschijnlijk dat ze ooit naar Philadelphia zouden terugkeren. ‘O,’ zei Bathsheba Moremen, ‘we zagen dat er een heleboel kinderen meegingen, en jonge vrouwen die wel gauw zwanger zouden worden als ze het nog niet waren, en we vroegen onszelf af: “Waarom zouden wij in Philadelphia blijven waar niemand ons nodig heeft? Waarom niet meegaan om voor de kinderen, bevallingen en zieken te zorgen?”’
‘En maar goed ook dat we het gedaan hebben!’ zei Millie Clutterbuck voldaan. ‘We hebben een boel ziektes onder de kinderen gehad; we hebben er altijd minstens twee in onze wagen. Kijk maar!’ Ze tilde de flap achter op. ‘Eén waterpokken, één kinkhoest, twee verstuikte enkels.’ Hij keek naar binnen en zag vier sombere, verveelde gezichtjes, drie zwart en een blank.
‘Dan hadden we nog de oude Mammy, hard, hard ziek, veel en veel te dik natuurlijk, en - wacht! Ik heb een brief voor je!’ Zij tastte achter zich naar een reticule die ze op haar schoot hees; met een luidruchtig gerommel groef ze een brief erin op die in Beula's handschrift aan hem geadresseerd was.
‘Dank je,’ zei hij, en stak de brief in zijn zak. ‘Nu - ik geloof dat ik maar beter vooruit kan gaan om te zien wat er gedaan moet worden.’
‘Houden we niet eerst samenkomst?’ vroeg Bathsheba Moremen. ‘Nu we behouden op onze bestemming zijn aangekomen, verdient God toch zeker wel een bedankje?’
‘Zeker, zeker ... natuurlijk ... aanstonds...’ Hij gaf zijn paard de sporen en ontsnapte.
De aankomst van de colonne ging verrassend ordelijk in zijn werk; de tientallen huifkarren werden met vaardigheid naast elkaar opgesteld. Honderden mensen krioelden rond te midden van loslopende muildieren, paarden, geiten, loeiende ossen, zwermen kinderen. Indianen op schichtige mustangs kwamen uit het dorp aangereden om naar de nieuwaangekomenen te staren, vooral naar de negers. Indiaanse kinderen kwamen aanhollen, squaws met schommelende roodhuidjes op hun rug; de Indiaanse en de negerkinderen staarden elkaar eerst ongelovig aan en begonnen toen krijgertje te spelen. Bonifacius werd overstelpt met groeten, berichten over het eiland Eden en over de slaven die waren achtergebleven; opeens werd het hem te machtig. Hij maakte zich uit de voeten, liep naar de waterkant, duwde het bootje van de wal en roeide het meer op.
Twintig minuten later werd het getjuik van de geitenmelkers op het eilandje onderbroken toen de boeg van het bootje in het riet knerste. Hij sprong eruit, waadde aan wal, trok het op het droge en ging aan de voet van een boom zitten. Tegen de stam geleund, de ogen gesloten, liet hij de druk en de verwarring uit zich wegvloeien. Na een poosje begon de eerste vogel weer te tjuiken; hij sloeg zijn ogen op en keek uit over het meer. In de verte stonden de wit-overhuifde karren bijeen op de open ruimte. Hij kon de mensen niet afzonderlijk onderscheiden; hij zag alleen maar de donkere drom van de menigte. Toen dacht hij: Cleo. Waar was ze? Hoe had zij deze invasie verwerkt? Hij had haar niet meer gezien sinds Jake hem was komen waarschuwen dat de expeditie eraan kwam. Al die mensen, ossen, paarden, geiten, het zitbad, Bathsheba Moremen en Millie Clutterbuck ... Met een gevoel van beklemming sloot hij zijn ogen. Wat wilde God van hem? Was het een teken? Moest hij met Cleo en de baby naar de Wabash vluchten? Toen pas drong het tot hem door dat Beula er niet bij was, en hij herinnerde zich de brief.
Hij haalde hem uit zijn zak en opende hem. Daar kwam Beula's stem, kalm en onbewogen, met verhalen over Abby, Obadja Best en Carrie Woodhouse die besloten hadden te trouwen en met de expeditie mee te gaan, over Jeremia, die nu helemaal alleen gebukt ging onder de last van de werf. Omdat Jeremia het zo moeilijk had, kon ze niet naar Pendle Hill komen,
zoals ze van plan was geweest, maar moest ze in Philadelphia blijven. Ze besefte dat ze door dit te doen te kort schoot in haar plicht als echtgenote, maar het was niet alleen vanwege Jeremia. Om te beginnen: Abby, en de doofstommen...
Hij liet de brief zakken, want opeens wist hij: ‘Ik moet teruggaan. Dit is waanzin. Ik hoor bij mijn vrouw en mijn dochtertje.’
Het was alsof er een donkere schaduw van zijn ziel was afgenomen. Er kon geen twijfel aan bestaan, dit was Gods wil. Hij kon niet toestaan dat deze arme vrouw, ziekelijk en stokdoof, zou wegkwijnen uit een gevoel van schuld omdat ze zich niet bij haar man in de wildernis gevoegd had.
Hij propte de brief haastig in zijn zak en liep terug naar het bootje. Pas toen hij halverwege het meer was dacht hij aan Cleo. Hoe zou zij dit opvatten? Enfin, als iemand emotioneel tegen deze slag bestand was, was zij het. Hij dwong zich niet aan de kleine Mozes te denken.
Toen hij aan wal stapte, viel het hem op hoe stil het was. Hij had de open ruimte achter zich gelaten als een kermisterrein; nu was er niemand meer te zien. Hij trok het bootje op het droge en zag een drom mensen achter de wagens op de grond zitten; ze hielden samenkomst.
Hij liep geruisloos naar hen toe en keek de gezichten af, op zoek naar Cleo. Ze was er niet bij. Een plotselinge ongerustheid overviel hem. Waar was ze?
Zijn gezond verstand vertelde hem dat er geen reden was om in paniek te raken; maar hij was bang dat er iets niet in orde was. Zou ze gevlucht zijn? Waar moest ze naar toe? Plotseling was hij er zeker van dat ze met de baby het bos ingevlucht was. Ze was afgeschrikt door de plotselinge invasie; ze was blindelings de wildernis ingerend en had het kind meegenomen.
Verscheidenen begonnen hem met verwonderde nieuwsgierigheid te volgen. Het kwam niet te pas om tijdens de samenkomst rond te lopen, maar hij moest weten waar ze was.
De blokhut? Hij liep ernaar toe, keek naar binnen, riep haar naam; ze was er niet. Hij stond op het punt in het bos te gaan zoeken toen hij een rij luiers gewaar werd aan de waslijn achter de hut. Die zou ze zeker hebben meegenomen; ze kon niet het bos in zijn gevlucht. Er was niets met haar aan de hand. Toen viel het hem in waar ze moest zijn. Natuurlijk! Ze was naar haar eigen mensen gegaan! Ze zat in de een of andere huifkar met andere negers en liet hun de baby zien.
Plotseling voelde hij zich verlaten. Hij begreep niets van zichzelf: nog geen uur geleden, op het eiland, was hij er zeker van geweest dat God hem opdroeg terug te gaan naar Beula en Abby, nu kreeg hij de dwaze opwelling Cleo en Mozes te gaan zoeken en samen met hen te vluchten. Zijn innerlijke verwarring was zo groot dat hij naar Becky's graf liep aan de rand van het bos. Er lag een ruikertje bloemen op, dat hij daar de vorige dag had neergelegd. Er kwamen tranen in zijn ogen. Hij bad: ‘God, wat moet ik doen? Wat wilt Ge van me?’ Toen hoorde hij, ergens vlak bij, een geluid: het gesmoorde gekrijt van een zuigeling.
Hij keek om zich heen. Het was weer stil. Waar was het geluid vandaan gekomen? Hij tuurde de rand van het bos af, zoekend naar een plek waar Cleo zich kon hebben verscholen. Maar de braam- en doornstruiken hadden een ondoordringbare wirwar van takken en gebladerte tussen de bomen geweven. Toen zag hij de stormkelder. De deur stond op een kier.
Hij keek naar de mensen in de verte, nog steeds in samenkomst; hij liep op zijn tenen naar de kelder en duwde de deur open. Het was stikdonker binnen, en kil. Er hing een muffe geur.
‘Cleo?’
Geen antwoord.
‘Cleo?’
Toen begon de baby te huilen, een paar stappen van hem vandaan.
Hij liep in de richting van het geluid, tastend in de duisternis, en raakte iemand aan. ‘Cleo?’
‘Ja.’
Het kind werd stil.
Hij was zo opgelucht dat hij boos vroeg: ‘Waarom gaf je geen antwoord? Waarom heb je je hier verstopt? Wat is er met je?’
‘Niets.’
‘Je zou hier niet zijn als er niet iets was. Is het vanwege al die mensen?’
Na een stilte vroeg zij: ‘Zijn de blanken allemaal onderwijzers?’
‘Goeie hemel, nee!’ Hij lachte, opgelucht. ‘Alleen maar de twee meisjes, Himsha en Carrie. Ben je daarom weggelopen? Maak je geen zorgen, niemand zal je van je plaats verdringen, hoor. Maar kijk eens hoeveel kinderen er bijgekomen zijn! Je zult hulp nodig hebben.’
Ze zei niets.
‘Kom. Ga mee. Laten we naar de samenkomst gaan. Kom.’
‘Nee.’
‘Waarom niet? Je kent bijna iedereen!’
‘Ga jij maar. Ik blijf hier.’
Hoewel haar stem onbewogen klonk had hij het gevoel dat ze totaal van streek was. Waarom? Waar was ze bang voor? Hij kon het niet langer onuitgesproken laten. ‘Cleo,’ vroeg hij, ‘waarom ben je destijds met ons meegegaan?’
Het bleef even stil; toen zei ze, rustig: ‘Omdat ik me wilde wreken.’
‘Op wie?’
‘Op jou.’
‘Op mij?! Waarom, in vredesnaam?’
‘Om Harry.’
‘Maar het was Caleb...’
‘Jij gaf Harry aan Joshua cadeau toen hij klein was, als een stuk speelgoed, om mee te doen wat hij wou.’
‘Dat is niet waar! Harry kwam bij ons als Joshua's vriendje!’
‘En nadat Joshua genoeg met hem gespeeld had en van zijn lichaam genoten, gooide hij Harry weg. Ik heb gezworen dat ik hem zou wreken. Ik
hield van hem. Hij was mijn broer.’ Voor het eerst verried haar stem enige emotie.
Zijn hart ging naar haar uit. ‘Cleo, ik...’
‘Eerst wilde ik me op Joshua wreken. Maar jij stuurde hem weg. Toen keerde ik me tegen jou.’
Plotseling besefte hij dat hij van het begin af aan met haar in een schijnwereld had geleefd. Het maakte hem bang. ‘Geloof me,’ zei hij. ‘Harry...’
‘En Ruth?’
‘Wie?’
‘Herinner je je de kleine Ruth niet meer?’
‘Nee. Was ze een van mijn - mijn slaven?’
‘Ze was mijn zusje. Ze was anders dan de anderen. Ze maakte hele mooie tekeningen, van dieren en mensen. Ze maakte ons altijd aan het lachen ook. Iedereen hield van haar. Toen werd ze verkocht. Samen met achttien andere kinderen. Weet je dat niet meer?’
‘O ... ja...’ Dat was jaren geleden geweest, een idee van Caleb. Er waren te veel kinderen geweest, te veel monden die gevoed moesten worden zonder dat er produktief werk voor terugkwam, daarom had hij er met tegenzin in toegestemd een aantal kinderen te verkopen. Heel menselijk, aan naburige Vrienden ... ‘Maar ik stelde als voorwaarde dat het weeskinderen moesten zijn! Ik heb Caleb uitdrukkelijk bevolen geen kinderen van hun ouders te scheiden...’
‘Ze gilde toen ze haar kwamen halen. Ze verstopte zich, in een hoek, en we probeerden allemaal haar te beschermen; maar ze werd gegrepen en weggesleurd, gillend. Ik heb nooit meer zulke ogen gezien. Ze strekte haar handen naar ons uit, toen werd ze de deur uitgesleurd. Ik wilde de kerels te lijf gaan, maar het enige dat ik kon doen was zitten en kijken en haten.’
‘Wie waren die kerels?’
‘Caleb en die vent van Septiva, die ze gekocht had.’
‘Maar de kinderen werden alleen maar aan Quakers verkocht, die goed en menselijk voor ze zouden zijn...’
‘Denk aan je eigen kinderen. Denk aan Abby. Twee mannen sleuren haar weg, en ze gilt en strekt haar handen naar je uit, maar je kan niets doen, en je weet dat je haar nooit zult terugzien.’
Hij werd vervuld van een gevoel van verdoemenis. Het was meer dan schuld; het was het besef dat hij iets gedaan had dat nooit meer ongedaan kon worden gemaakt, nooit kon worden vergeven. Het was niet genoeg geweest dat hij zijn slaven in vrijheid had gesteld en hun zijn land gegeven; daarmee had hij niet goedgemaakt wat hij hun had aangedaan. Ondanks zijn overtuiging dat hij een humaan meester was had hij zich als een monster van wreedheid gedragen.
Hij wist dat hij haar om iets smeekte dat ze niet kon geven, maar toch vroeg hij: ‘Cleo! Geloof me! Ik smeek je, geloof me: ik wist het niet! Ik zweer het je, jij bent voor mij net zo belangrijk als ikzelf. Je bent mijn
gelijke, mijn vriendin, we hebben een kind! Vergeef me, Cleo, in Godsnaam, vergeef me! Ik wist het niet, ik zweer het je, ik wist niet dat je een mens was.’
‘Voor mij was jij een roofdier,’ zei ze onaangedaan. ‘Ik moest je vernietigen. Als die oude vrouw niet gekomen was, zou het me gelukt zijn.’
‘Welke vrouw?’
‘Die jou die poeders gaf.’
Hij wilde hen beiden bevrijden van de wreedheid, het geweld. Hij zei: ‘Mozes is stil geworden.’
‘Dat wordt hij altijd, zodra hij jouw stem hoort. Hij houdt van je.’
‘O nee, hij houdt van jou!’ Het was een dwaze uitroep, maar hij had de wanhopige behoefte haar tederheid te laten blijken.
‘Dat is zo,’ zei ze. ‘Hij houdt van ons allebei. Hij houdt van een roofdier en een onmens.’
Voor het eerst voelde hij een theatraal element in wat ze zei. Het gaf hem zijn zelfvertrouwen terug. ‘Ik zal nooit kunnen goedmaken wat ik gedaan heb,’ zei hij, ‘maar ik wil dat wij het proberen te vergeten. We moeten samen opnieuw beginnen, ergens...’ En Beula dan? dacht hij. Abby dan? Maar iets dwong hem te zeggen: ‘Ik wil jou niet kwijt. Jij en Mozes zijn belangrijker voor me dan - dan wie ook. Dat moet je geloven.’
Ze zweeg even; toen zei ze: ‘Ik geloof het.’
Hij wachtte op een innerlijke bevestiging van de juistheid van zijn beslissing, maar voelde alleen maar een oneindige tederheid die uitging naar haar, naar het kind, naar alle negers daarbuiten die zo'n verre en gevaarlijke reis hadden ondernomen om zich weer bij hem te voegen, ondanks het feit dat hij zich eens als hun bezitter had beschouwd. Hij zei: ‘Weet je, dit is eigenlijk voor het eerst dat we open met elkaar hebben gepraat.’
‘Ja,’ zei ze. ‘Dat komt omdat we in het donker zitten.’
Hij strekte zijn hand uit, raakte haar arm aan en plotseling voelde hij het: de ondefinieerbare, onmiskenbare tegenwoordigheid van God.