terug  begin  verder
[p. 331]

Zeven

Bizon McHair was van plan geweest rechtstreeks naar Pendle Hill te rijden, maar hij werd onderweg steeds weer opgehouden door de woestijn-Indianen voor wie hij nu een vertrouwde figuur was. Voor hij het wist was hij bezig de Apaches te helpen met het vangen van wilde mustangs, dronk hij te veel bij de viering van het lentefeest onder de Comanches, jaagde hij op adelaars met de Cheyennes en verhandelde hij luipaardhuiden met de Osages. Maar eindelijk bereikte hij dan toch het veer van Pierre Louchant, waar hij zich liet overzetten tegen betaling van een bruidsschat plus een louis gevarengeld, ofschoon de eerste gevaarlijke mens die hij tussen Gulies bergen en de Missouri was tegengekomen Pierre Louchant zelf was. De Fransman vroeg: ‘En? Heeft ze het gehaald?’

‘Ja,’ zei hij. ‘Ze heeft het gehaald.’

De prairie stond in volle bloei. De lucht was vol getjilp van vogels; de avond voor hij het oerwoud bereikte, hoorde hij het gehuil van de boswolf die hem een welkom thuis leek toe te roepen. Hij was vol sentimenteel verlangen naar zijn mannen, zelfs naar de pedante Bonifacius; hij reed langer dan gewoonlijk door, en kwam tegen het vallen van de avond bij het begin van het pad door het woud. Het was onverstandig om na donker een Indiaanse nederzetting te naderen, maar hij verlangde er zó naar om iedereen te omhelzen en het verhaal van zijn lange, ongelooflijke reis te vertellen dat hij besloot het erop te wagen.

Het eerste dat hem opviel was dat hij, halverwege het bos, zich weer op open terrein bleek te bevinden. Het bos was hier kort geleden opengehakt, de grond tot een akker omgeploegd; verderop onderscheidde hij in de schemering een blokhut. Klaarblijkelijk had iemand zich hier sinds zijn vertrek gevestigd. Hij reed langs de rand van de akker; het pad voerde hem weer terug in het bos, maar na een paar minuten kwam hij wéér uit op een akker, weer met een blokhut. Wie waren deze mensen? Kon het zijn dat zijn eigen mannen zich een squaw hadden aangeschaft en nu stokbonen teelden? Dat kon gewoon niet. Het moesten nieuwe kolonisten zijn, uit het oosten. Maar wie had hun verteld over deze plek, honderden mijlen van de bewoonde wereld verwijderd?

Tegen de tijd dat hij het meer bereikte had hij tal van nieuwe boerderijen gezien, allemaal met gloednieuwe blokhutten; maar vreemd genoeg viel er nergens een licht of enig ander teken van leven te bekennen. De nacht was gevallen; in het maanlicht zagen de verlaten hutten op hun keurige kleine akkers er spookachtig uit, alsof de bewoners bij een overval waren

[p. 332]

afgeslacht.

Eindelijk, daar was het Indiaanse dorp. Een troep honden kwam aanrennen om hem te verwelkomen, ze blaften woedend; maar er was geen menselijk wezen te zien. Hij trok zijn geweer uit de zadelkoker en reed behoedzaam langs de oever van het meer naar de open plek waar de blokhut van Baker stond. Plotseling begon Furie te hinniken. Uit de duisternis klonk het antwoord van vele paarden. Voorzichtig reed hij de berm op en trof een omheinde kraal vol paarden aan, die snuivend in zijn richting staarden. Achter hen zag hij iets dat zijn mond van verbazing deed openzakken.

Waar zes maanden geleden alleen maar een blokhut en een stormkelder hadden gestaan tekende zich nu een heel dorp in het maanlicht af. Ook het dorp leek verlaten; geen geluid, geen licht. Hij bracht Furie opnieuw in beweging en reed langzaam, het geweer in de aanslag, een straat in met grote, solide uitziende gebouwen, het grootste met een rij ploegen en wagenwielen ervoor. Op de gevel stond, met grote witte letters die in het maanlicht duidelijk zichtbaar waren: WOODHOUSE EN ZONEN, HANDELSWAREN. De straat boog terug naar het meer; hij kwam langs een gebouw dat eruitzag als een school, toen langs een omheining vol andere nieuwsgierige, snuivende paarden. Het aangrenzende huis had een bord op de gevel: GEORGE MCHAIR, VERKOOP EN AFRICHTING VAN PAARDEN. Waar was iedereen? Verbijsterd reed hij verder, zijn vinger aan de trekker.

Het grootste gebouw stond aan de oever van het meer. Er liep een galerij omheen en het had hoge, smalle ramen; het leek een Vergaderingsgebouw. Ook dat was donker. Hij liet zich van zijn paard glijden, zijn geweer in de hand; hij ontdekte andere paarden om zich heen, vastgebonden in het donker onder de bomen.

Op zijn tenen liep hij het trapje naar de veranda op. De deuren stonden open; hij bleef in de ingang staan en onderscheidde vage gestalten die op rijen banken zaten. Er moesten meer dan honderd mensen zitten; hij kon aan het eind van de zaal een rij silhouetten ontwaren op de ouderlingen-bank.

Niemand scheen zijn binnenkomst op te merken; hij liep op zijn tenen naar de achterste bank, over krakende vloerplanken, en ging naast een gedaante in het donker zitten, zijn geweer tussen zijn knieën.

Wie waren al deze mensen? Waar waren ze vandaan gekomen? Toen herinnerde hij zich de schoolexpeditie. Er moesten een heleboel Vrienden uit Pennsylvanië zijn meegekomen. Maar waarom zaten ze in het donker?

Hij vroeg het de gedaante naast hem fluisterend: ‘Waarom brandt er geen licht?’ Als in antwoord op zijn vraag stond de gedaante op en begon te getuigen: hij ontdekte dat het een vrouw was. Ze sprak over haar kinderen, die waren gaan vechten met de kinderen van iemand anders, en hoe verdrietig ze was geweest tot ze besefte dat ze niet met elkaar vochten om wat zij waren, maar om wie ze waren. Terwijl ze de vechtersbazen van

[p. 333]

elkaar haalde was ze vol blijdschap geweest, want ze had de dag zien gloren waarop de lichten in de Vergadering van Pendle Hill eindelijk konden worden aangestoken.

Het was nogal verward, maar haar stem, warm en gesluierd, was de verleidelijkste die hij in lange tijd gehoord had. Het maakte dat hij opeens snakte naar het gezelschap van vrouwen van zijn eigen soort, in plaats van squaws met vlechten en een leren broek. Het gaf een nieuw aspect aan zijn thuiskomst; hij zat in het donker te grinniken, vervuld van on-Quakerse gedachten. Toen de samenkomst eindelijk beëindigd werd tastte hij naar de hand van zijn buurvrouw, drukte die hartelijk en zei: ‘Dat was een sterk getuigenis, Vriendin, een sterk getuigenis.’

Ze antwoordde: ‘Dank je’; toen werden overal om hem heen lantaarns aangestoken. Hij draaide zich met zijn meest schelmse grijns naar zijn buurvrouw om en verstarde; het was een negerin. Ze glimlachte begrijpend en zei: ‘Nu weet je waarom.’

Hij keek om zich heen en zag, tot zijn verbijstering, dat de Vergadering bestond uit negers, Indianen, blanken, allemaal door elkaar; er scheen ook geen scheiding tussen de mannen en de vrouwen te zijn. Op de ouderlingen-bank herkende hij Obadja Best, Bonifacius Baker, Cleo en Zilverwolf, zijn kolossale buik glanzend in het lantaarnlicht. Voor hij kans had gezien zich van de schok te herstellen, klonk er een schreeuw: ‘Vader!’ en er kwam een jongeman naar hem toerennen. Het was zijn zoon George; en daar had je Joe Woodhouse en Himsha, stralend van verrassing en blijdschap; binnen enkele minuten was hij het middelpunt van een drom mensen, blanken, negers, Indianen, die allemaal vroegen om nieuws uit de verre wereld. Na verloop van tijd ging iedereen naar buiten, waar een vuur was aangestoken en een braadspit opgesteld. Tijdens de gemeenschappelijke maaltijd die volgde duurde het vragen en uithoren voort; hij vertelde waar hij geweest was, wat hij gezien had, met af en toe een heimelijke slok uit zijn fles. Hij stond verbaasd over de ongedwongen manier waarop de negers en de Indianen en de blanken met elkaar omgingen.

Daar had je het dan eindelijk: Het Heilige Experiment: een gemeenschap waarin mensen van alle rassen in gelijkheid en onderling vertrouwen samenleefden, als de dieren in het Koninkrijk van de Vrede. Het was een aanblik die het hart van iedere Vriend moest verblijden; hij vroeg zich af waarom hij zich zo slecht op zijn gemak voelde.

Na middernacht belandde hij aan een tafel in de blokhut van zijn zoon, met George, Himsha en Joe. Himsha vroeg naar Gulie; toen hij hun vertelde over het eind van haar reis, hoe hij haar oude paard had moeten doodschieten, stonden er tranen in Himsha's ogen en ook in de zijne. Toen vroeg Joe onverhoeds: ‘Zou je ons erheen willen brengen?’

Hij was net op het punt geweest een slok te nemen. ‘Wat zeg je me nou?’

‘Tante Gulie stelde voor dat Himsha en ik naar de Hunis zouden gaan om een Quaker-school te beginnen. Ze heeft ons een oud geweer gegeven dat als een soort paspoort moet dienen, mochten we besluiten daar naar toe te

[p. 334]

gaan. We zouden het graag willen, maar we weten niet hoe we er moeten komen. Zou jij ons erheen willen brengen?’

‘Maar - maar ik dacht dat ik je naam op een handelspost zag staan?’

‘O, dat is allemaal geregeld,’ antwoordde de jongen. ‘Obadja neemt de zaak over. Het is nooit de bedoeling geweest dat we hier zouden blijven. Zodra Tante Gulie ons over de Hunis vertelde, voelden Himsha en ik dat we daar naar toe moesten.’

‘Maar het is eindeloos ver weg,’ protesteerde hij, ‘en ze zijn volkomen onbeschaafd hoor, ze hebben geen school nodig.’

‘Alle Indiaanse kinderen hebben een school nodig,’ zei Himsha kordaat. Ze was heel mooi in het lamplicht; ze moest gelukkig zijn met die jongen. Hij nam een slok uit zijn fles en zag, in de verwarde beelden van een herinnering, een brandend dorp, verminkte lichamen, een kindje dat te midden van de woestenij zat, verstard van afgrijzen. De mensen hadden hem gezegd dat ze er nooit overheen zou komen; wat ze gezien had was te veel voor haar geweest, haar geest zou het nooit kunnen verwerken. En nu zat ze daar, pratend over een reis naar de andere kant van de aardbol om een school voor Huni-kinderen te beginnen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Opnieuw had hij dat vreemde gevoel van onbehagen. Raar was dat; hij zou opgetogen moeten zijn over haar moed, haar zelfstandigheid. Maar ze had iets onwerkelijks, droomachtigs, net als de hele nederzetting, trouwens.

‘Moet je eens goed luisteren,’ zei hij, en hij deed de kurk weer op de fles. ‘Het is niet alleen een gevaarlijke reis, maar ik denk niet dat jullie onder die Huni-Indianen kunnen leven en jezelf blijven.’ Het was niet precies wat hij had willen zeggen, maar hij wist nog niet wat hem dat gevoel van onbehagen gaf.

Joe zei, verontwaardigd: ‘Maar, Vader! Je hebt nu met je eigen ogen kunnen zien dat mensen van alle rassen in harmonie kunnen samenleven. Neem Himsha en mij. Voor mij is ze geen Indiaanse, voor haar ben ik geen blanke, we zien elkaar alleen als Himsha en Joe.’

‘Jawel,’ zei hij. ‘Maar ze is een Indiaanse in een Quaker-jurk. De Unamis dragen nu broeken en hemden, die ze zeker van jou hebben gekocht. Vertel me nu niet dat ze dat niet gedaan hebben om er net zo uit te zien als jullie. Ze gaan zich gedragen net als jullie, denken net als jullie en uiteindelijk raken ze zichzelf kwijt. Dat zou jou en haar onder de Hunis ook gebeuren.’

‘O, Vader!’ riep Himsha ongelovig. ‘Dat meen je toch zeker niet? Ik ben niet echt veranderd! Joe weet het! Ik heb het hem zelfs verteld...’ Opeens zag ze er verlegen uit.

‘Toe,’ drong Joe aan. ‘Vertel het hem 's.’ De jongen was goed voor haar. Het deed deugd hen samen te zien.

‘Nu ja,’ ging ze verder, ‘ik heb Joe verteld dat ik eigenlijk geen Quaker ben. Voor mij is de prairie het land waar de Grote Geest woont.’

‘Wie heeft je dat wijsgemaakt?!’ vroeg George geschokt. ‘Oom Adelaar soms?’

[p. 335]

Ze knikte.

‘Die ouwe...!’ George staarde hen aan, zijn ogen fel van woede. ‘Dat is het dus wat hij kwam doen, iedere keer dat ik de deur uit was! Die ouwe gluiper!’

‘George,’ zei hij, ‘jullie hebben me net zitten te vertellen hoe prachtig iedereen hier samenleeft, hoe iedereen mag denken en geloven wat hij wil, en nu een meisje bekent dat ze er niet alleen uitziet als een Indiaanse maar ook gelooft als een Indiaanse, stuif je op. Met andere woorden, jij wilt je Indianen en je negers net zo hebben als je paarden. Tam. Met broeken aan.’

Himsha lachte. Het bracht hem van zijn stuk. ‘Nou ja,’ gromde hij, en hij trok zijn fles weer te voorschijn, ‘ik ben maar een oude jager die de mensen graag ziet zoals God ze gemaakt heeft: wild.’ Hij nam een slok. Hij moest zo langzamerhand een beetje dronken zijn, want zijn ogen schoten vol bij de gedachte hoe Gulie uit deze zelfde fles gedronken had bij het kampvuur in de prairie toen de drank haar maag getroffen had als een kogel. O, mijn God, wat miste hij haar! Waar was ze? Zou hij haar ooit weerzien? ‘Wat zei je?’ vroeg hij, opeens bewust dat iemand tegen hem sprak.

‘Ik zei, neem mijn bed maar.’ Het was George. ‘Ik ga wel in de stal slapen. Tussen mijn paarden. Met broeken aan.’

Hij gromde; Himsha keek hem met zo'n tederheid aan dat hij er week van werd. ‘Hindert niet, hoor kind,’ zei hij schor. ‘Er is geen verschil tussen jouw geloof en dat van de Quakers. Het komt er alleen maar op neer dat jij aan God gelooft als een oneindige prairie van licht en liefde in plaats van als een oceaan.’

 

Hij kwam er pas de volgende morgen toe om met Bonifacius Baker en Cleo te gaan praten. Eerst liet Himsha hem het dorp zien: Georges paardenhandel, Obadja's smederij, Joe's handelspost en de Rebekka Baker-School waar Himsha, Carrie en Cleo lesgaven.

De verandering die de negerin had ondergaan sinds hij haar voor het laatst gezien had, was verbazingwekkend. Hij herinnerde zich haar als een verleidster die ging baden in beekjes waar geen voet water stond, zodat zijn mannen huilden als krolse coyotes. Hij herinnerde zich haar, later, kuis en deemoedig, bezig Bonny Bakers sokken te stoppen en vergif in zijn thee te doen. En nu zat ze naast hem op een boomstam aan de oever van het meer, met een jongetje op haar schoot. Ze zag er nog ongenaakbaarder uit dan vroeger, maar toch was er, te oordelen naar de manier waarop Bonifacius tegen haar praatte, een grote tederheid tussen hen. Ze praatten een poosje over Millie Clutterbuck, Zilverwolf en Obadja Best; toen zaten ze een poosje zwijgend te luisteren naar de geitenmelkers, terwijl het jongetje op haar schoot zijn handjes uitstrekte naar het eiland waar het geluid vandaan kwam.

Hij zei: ‘Ik heb de vleermuisvlerk bij me die je me hebt meegegeven om aan Gulie te laten zien, met haar vertaling.’

[p. 336]

Cleo vroeg: ‘Wat staat erop?’

‘Ik heb het papiertje in mijn zadeltas, maar er staat zo iets als: “We leggen dit vaderloze kind op uw drempel omdat uw huis een belofte van liefde herbergt”.’

‘Nu,’ zei Bonifacius, na een stilte, ‘laten we hopen dat deze wereld van schoonheid en vriendelijkheid niet vernield wordt, zoals die andere.’

‘Welke?’

‘Eden. Heb je het niet gehoord, van Altaar Rots? Ze hebben hem opgeblazen, en binnen een maand vroren alle indigostruiken op het eiland dood: de ontploffing had de warme bronnen gedempt. Hawkins van Septiva, die het eiland gekocht heeft, is een kapitaal kwijtgeraakt. Maar het werkelijke verlies kan niet in geld worden uitgedrukt,’ voegde hij er bedroefd, aan toe. ‘Het was werkelijk een aards paradijs.’

Bizon keek naar Cleo. Ze beantwoordde zijn blik, maar liet niet merken of ze hetzelfde dacht als hij: een paradijs, behalve voor de slaven. Het burgermannetje naast hem had iets ongelooflijks gedaan en was toch een burgermannetje gebleven; op de een of andere manier leek dat een grotere belofte voor de mensheid in te houden dan wanneer hij een Heilige was geworden.

Ze bleven nog een poosje zitten, luisterend naar de geitenmelkers en de baby; toen vroeg Bizon: ‘Wat moet er van jullie worden, als ze jullie eenmaal hebben weten te vinden?’

‘Wie?’

‘Mensen als dominee Paisley en Pierre Louchant. Die komen vroeg of laat opdagen. Wat doen jullie dan?’

‘God zal uitkomst geven,’ zei Bonifacius.

Hij had dat zinnetje zijn leven lang gehoord, en hij wist nog steeds niet of het de grootste kracht van de Vrienden was of schijnheilig uitstel.

‘Het gaat er niet om of wij dit overleven,’ vervolgde Bonifacius. ‘Het gaat erom dat we hebben aangetoond dat het kán.’

‘Ja,’ zei hij, ‘dat is zo.’

‘We houden in ieder geval vol,’ zei het meisje op vlakke toon, ‘wie er ook komt opdagen.’

Hij dacht aan Gulie, die ook had volgehouden tegen alle verstandelijke overwegingen in. Een ogenblik had hij het gevoel alsof ze bij hen was komen zitten. Toen werd er in het dorp een bel geluid, en Bonifacius zei: ‘Ga je mee naar de samenkomst?’

Hij volgde hen naar het Vergaderingsgebouw, wees de uitnodiging om zich bij hen te voegen op de ouderlingenbank van de hand en ging weer op de achterste rij zitten; ditmaal niet naast een knappe negervrouw maar naast Himsha, die haar arm door de zijne stak.

Hij probeerde de tegenwoordigheid Gods te ervaren, maar kreeg opeens heimwee naar de prairie: naar de wolken, de vogels, de eindeloze zee van gras. Hij was vol bewondering voor wat deze mensen hadden gedaan, maar hij voelde opeens de onweerstaanbare drang om te vluchten.

[p. 337]

Een mannenstem begon te getuigen. Het was de stem van alle zelfgenoegzame Quaker-ouderlingen, die galmde op dezelfde zangerige toon, met dezelfde schijnheilige nederigheid. ‘Toen ik als jongen langs de oevers van de Delaware dwaalde...’ Het was Zilverwolf.

Hij staarde naar de dikke, zelfvoldane Indiaan op de ouderlingenbank; toen kuste hij zijn dochter, fluisterde in haar oor: ‘Zeg tegen Jake dat ik vast vooruit ben gegaan, naar de Wabash,’ en nam de benen onder luid gekraak, ondanks het feit dat hij op zijn tenen liep. Buiten, in de zonbelichte kraal, begon Furie te hinniken; ze moest al die tijd naar hem hebben uitgekeken. ‘Stil, beestje,’ zei hij, ‘stil.’

Hij krabde het harde, vlakke voorhoofd, leidde het dier het hek uit dat hij zacht achter zich sloot, zadelde buiten gehoorsafstand van de Vergadering op en reed de dorpsstraat uit.

GEORGE MCHAIR, VERKOOP EN AFRICHTING VAN PAARDEN - WOODHOUSE EN ZONEN, HANDELSWAREN-REBEKKA BAKERSCHOOL - dan de pasgeploegde akkers, de nieuwe blokhutten, en, eindelijk, het oerwoud.

Tegen het middaguur bereikte hij de heuvelrug van waaruit hij de prairie kon zien. Een ogenblik bleef hij staan, duizelend van die uitgestrektheid; toen klakte hij met de tong en Furie galoppeerde de helling af, het manshoge gras in, een wolk vogels opjagend toen hij zich in de golven stortte.

De hemel was helder en stralend blauw, hittespiralen wervelden over de zinderende vlakte. De rode veren op zijn Quaker-hoed waren het laatste dat er van hem te zien was voor hij verdween in de oneindige prairie van liefde en licht.

terug  begin  verder