De nederzetting in Indiana die in dit boek Pendle Hill werd genoemd bleef gedurende een zestal jaren onverstoord. Na het einde van de Frans-Indiaanse Oorlog volgde een opleving in de trek naar het westen van de blanke kolonisten, en wat velen gevreesd hadden gebeurde. De negers en de Indianen, die deel uitmaakten van de Maandvergadering, konden geen weerstand bieden aan de plotselinge toevloed van hebzuchtige avonturiers. De Indianen verlieten het dorp en namen de wijk naar de prairie; de negers besloten eveneens de wijk te nemen na een tijd van vernedering waarin hun de met zoveel moeite en zorg ontgonnen akkers werden afgenomen. Zij wilden echter de Indianen niet volgen, zij zagen in dat dit alleen maar uitstel van executie inhield. Na veel twijfel en innerlijke strijd besloten zij naar Afrika terug te gaan, met financiële hulp van de Jaarvergadering, om daar opnieuw te beginnen als vrije boeren. Het was een hachelijke onderneming, want niet één onder hen was in Afrika geboren, zij waren allen ‘speciaal voor de Amerikaanse markt gefokte slaven’, zoals het in die jaren nog steeds in de advertenties heette. Zij slaagden erin in Afrika vaste
voet te krijgen en zelfs hun identiteit als Quakers te bewaren; dit is één van de redenen waarom nu de Jaarvergadering in Kenya numeriek de grootste Jaarvergadering in het Genootschap der Vrienden is.
De blanke Vrienden in Pendle Hill hadden het gemakkelijker; hun werd althans niet hun land afhandig gemaakt. Maar al spoedig heersten in Pendle Hill dezelfde toestanden als destijds in Loudwater: de Quakers werden een gehoonde en gesarde minderheid, die zich uiteindelijk terugtrok in een bastion: de Rebekka Baker Kostschool die in 1775 op de top van de heuvel was gebouwd, uit baksteen, omheind door een ijzeren hek. De school, onder andere naam, bestaat nog steeds.
Met de Indianen liep het slecht af. Zij die zich in de prairie hadden teruggetrokkenzagende golf van kolonisten steeds naderbijkomen; voorafgegaan door wapenhandelaars, drankverkopers, pelsjagers en de cavalerie, die in het niemandsland van Amerika's midden forten oprichtte als buitenposten voor de kolonisten. Sommige stammen trachtten zich onder de blanke overheersing te schikken om op hun jachtvelden te kunnen blijven jagen, zij het onder curatele; zij werden al spoedig opeengedreven, in concentratiekampen ondergebracht en onder mensonterende toestanden gedeporteerd naar nieuwe ‘reservaten’ in de barre rotsvlakten van het Verre Westen.
Het waren de jaren van de ‘Grote Herleving’, de frenetieke protestante evangelisatie. Hageprekers, de meesten op eigen houtje, volgden te paard en per huifkar de menselijke vloedgolf die naar het westen spoelde en preekten niet alleen verlossing door Jezus' bloed maar tevens de Manifest Destiny, de God-gegeven roeping van de blanke om de inboorlingen te kerstenen en het land aan hen te ontrukken dat ze al eeuwenlang smadelijk braak hadden laten liggen. De evangelisatie nam emotionele vormen aan die wij ons nu nauwelijks meer kunnen voorstellen; de ‘gemeente onder de heidenen’ werd opgezweept tot een religieuze extase die soms aan massale godsdienstwaanzin grensde. Sommige Vrienden ontkwamen hier niet aan; er was altijd, onder het uiterlijk van nuchtere bezadigdheid dat de Quakers vertoonden, een element verscholen gebleven, eens verpersoonlijkt door George Fox: een hang naar niet alleen de belevenis van de tegenwoordigheid Gods, maar naar de Pinkster-vervoering die met deze belevenis gepaard ging. Margaret Fell had kans gezien dit extatische element om te zetten in daden van deernis in plaats van emotionele excessen; nu, na anderhalve eeuw, leek het alsof de geest van George Fox eindelijk zijn boeien verbrak en weer vaardig werd over een deel van het Genootschap. Evangelisten, voornamelijk uit Engeland, die met Quaker-slimheid door de Londense Jaarvergadering naar Amerika uitgezonden werden voor ze in het vaderland verwarring konden stichten, begonnen een Quakerisme te prediken in de pas-ontgonnen wildernis dat alles deed herleven wat Margaret Fell onderdrukt had. Wilde taferelen grepen plaats, publieke bekentenissen van zonden, hysterische schenkingen van het hart aan Jezus...
Maar hier begint het derde deel van ‘Het Koninkrijk van de Vrede’: Indiana, 1833 - ‘Het Uitverkoren Volk’.

