De eerste voorjaarsstorm kwam omlaaggewerveld uit het Rotsgebergte, raasde over de honderden lege mijlen van de prairie en wierp zich, daverend als de branding, op het hoogste gebouw van het plaatsje Pendle Hill: de Rebekka Baker Kostschool, een bakstenen gevaarte op de heuvel waaraan het stadje zijn naam ontleende.
In de hooggezolderde aula zaten leerlingen, leerkrachten en eregasten in samenkomst bijeen, in afwachting van het hoogtepunt van de feestelijkheden ter gelegenheid van de achtenzeventigste herdenkingsdag: een reeks historische tableaus, op te voeren door de leerlingen. De jonge acteurs stonden klaar op het toneel, het hoofd gebogen, wachtend tot het schoolhoofd de samenkomst zou beëindigen door zijn echtgenote, die naast hem op de ouderlingenbank zat, de hand te drukken. Tegenover hen zaten vier eregasten, daarachter de leerlingen: aan de rechterkant vijfenzeventig meisjes in grijze jurken met witte boezelaars en witte Quaker-mutsen, links achtenzestig jongens in het zwart, met breedgerande Quaker-hoeden.
De storm deed de ramen rammelen, huilde door de kieren, bolderde in de schoorsteen; niemand kon zich onder dit kabaal op stil gebed concentreren, zelfs de eregasten zaten te luisteren naar het kolossale misbaar van de bulderende wind. Het waren drie Quakers: een jonge man in steedse kledij, een indrukwekkende grijsaard met witte manen en een oude vrouw in grijs en wit; de vierde gast was een vijftiger in werelds reiskostuum: dokter Léon Rossini, districtsarts van de Wabash Vallei.
Niettegenstaande het woeden van de storm kwam dokter Rossini allengs toch onder de ban van de Quaker-eredienst. Hij werd bevangen door hetzelfde onaardse gevoel van vrede dat hij voor het eerst had ervaren zeven jaar geleden, tijdens de grote cholera-epidemie, toen hij zijn eerste visite maakte aan de school op de heuvel. Iedereen in deze zaal, kinderen inbegrepen, had familieleden verloren in die epidemie, met uitzondering van de oude Engelsman naast hem die er waarschijnlijk nooit van gehoord had. Hele gezinnen waren uitgeroeid, tientallen wezen onder verre familie verstrooid, jonge ouders van hun kinderen beroofd. Vergeleken met de rest van de bevolking hadden de Quakers het noodlot met voorbeeldige berusting aanvaard; pas jaren later had dokter Rossini beseft dat deze indrukwekkende aanvaarding van Gods ondoorgrondelijk bestel slechts een verdringing was geweest van hun werkelijke gevoelens. Saraetta Best bijvoorbeeld, de vrouw van het schoolhoofd, was nooit werkelijk over de
dood van haar dochtertje van acht maanden heen gekomen. Van een vrolijke jonge vrouw was zij veranderd in een kerkmuis, voortdurend op de rand van hysterie. Lydia Best, de zuster van het schoolhoofd, was een onervaren jong onderwijzeresje geweest toen driekwart van haar leerlingen onder haar verbijsterde ogen stierf; nu was zij een oude vrijster van achtentwintig, kennelijk geplaagd door een knagende twijfel. En dan die dikke stakker van een Uria Martin ... Rossini zuchtte en keek in zijn programma.
Feestelijkheden ter gelegenheid van de 78ste herdenkingsdag van de stichting der Rebekka Baker Kostschool, Pendle Hill, Indiana, 5 mei 1833.
10 uur: Eredienst bij te wonen door alle leerlingen, leerkrachten en bezoekers.
11 uur: Historisch schouwspel ‘Het martelaarschap van Rebekka Baker’; tekst Lydia Best, regie Lydia Best, kostuums en decor Lydia Best en Bathsheba Tucker (zesde klas).
Drie keer ‘Lydia Best’ in één zin. Op een buitenstaander moest dat een zelfingenomen indruk maken, maar Rossini was nu voldoende vertrouwd met de Quaker-mentaliteit om te beseffen dat Lydia van het begin af aan duidelijk wilde stellen dat zij alleen verantwoordelijk was voor het gedurfde schouwspel dat haar leerlingen op het punt stonden op te voeren. Het idee alleen al van een toneelspel in een Quaker-school moest verfoeilijk zijn voor de Engelsman naast hem, Mordechai Monk, evangelist uit Londen. Voor de samenkomst begon had Rossini opgemerkt dat de heer Monk met gefronste wenkbrauwen naar de piano had gestaard alsof het een afgodsbeeld was. 's Mans reputatie was hem al vooruitgereisd. Het scheen dat hij in Fort Wayne een harp had stukgeslagen en de vluchtende harpiste de brokken achternageslingerd onder het brullen van aanhalingen uit de Heilige Schrift. Hij vroeg zich af wat Lydia had bezield om uitgerekend deze man in het harnas te jagen. De school was zo afgelegen dat zij tot dusver ontsnapt was aan het schisma tussen ‘orthodoxe’ en ‘vrijzinnige’ Vrienden, de vloek van het huidige Genootschap; het was duidelijk dat Mordechai Monk gezonden was als orthodox inquisiteur. Voor de eerste maal voelde Rossini zich geïrriteerd door Lydia's opstandigheid, die tot dusver zo verfrissend had geleken. Het was alsof de agressieve geest die bezig was de hele Wabash Vallei onherkenbaar te veranderen zich ook meester had gemaakt van dit laatste bastion van tolerantie en lankmoedigheid. In het afgelopen jaar was de vallei niet alleen van aanzien maar ook van karakter veranderd. Negen maanden geleden was een aanvang gemaakt met het graven van het laterale kanaal langs de rivier de Wabash, en reeds was het idyllische landschap van weiden en beboste heuvels verminkt door een wit litteken, tweehonderd meter breed. De invasie van honderden Ierse grondwerkers met hun gillende, gierende stoomzagen, hun heimachines, hun bruut rumoer leek een verontreiniging van wat eens een waar Arcadië geweest was met alleen, soms, het loeien van een koe en het
koeren van duiven. De invasie had de zegeningen van de vooruitgang met zich meegebracht: hoeren, kwakzalvers, waarzegsters, landspeculanten, woeste kermissen, dronkemansgevechten; het landelijke stadje Pendle Hill was besmet met de schurft van honky-tonks, bordelen, gokhuizen...
Plaats van handeling: Pendle Hill, najaar 1755. Personen (in volgorde van opkomst): Abigail Baker (Hanna Moremen); Cleopatra Baker (Himsha Woodhouse); Rebekka Baker (Lucretia McHair); Bizon McHair (‘Bruller’ McHair); George McHair (Harry Clutterbuck); Bonifacius Baker (William Martin); Eerste Indiaan (Bonifacius Baker); Tweede Indiaan (Barzellai Tucker); Eerste Bizonjager...
Rossini keek op toen hem plotseling een oude, klauwachtige hand werd voorgehouden - Abigail McHair-Baker, naast hem, wilde hem de hand drukken ten teken dat de samenkomst was afgelopen. Zij grijnsde hem tandeloos toe; maar haar lichtblauwe ogen waren zo jong dat zij het gerimpelde, perkamenten gezicht een masker deden lijken.
Er werd met stoelen geschuifeld, er werd gefluisterd; Lydia Best wendde zich tot de zaal.
‘De Baker-familie kwam hier aan in het najaar van 1755. De vader: Bonifacius Baker...’ Zij wees naar William Martin, de dwerg, de enige volwassene onder de acteurs, die een buiging maakte. ‘Rebekka Baker, zijn oudste dochter...’ Lucretia McHair, blozend van opwinding, in een jurkje van witte organdie, maakte een revérence. ‘Cleopatra Baker, zijn aangenomen dochter...’ Het gezicht van Himsha Woodhouse was zwart gemaakt met gebrande kurk, maar haar eigen gelaatskleur zou donker genoeg geweest zijn. ‘Abigail Baker, zijn jongste dochter...’
Rossini keek naar de oude vrouw naast hem. Het moest een vreemde ervaring zijn om zichzelf als kind op het toneel te zien uitgebeeld.
***
Oud worden had zijn voordelen, dacht Abby McHair-Baker. Na je negentigste werd het gemakkelijker anderen bij de neus te nemen, want het was haar duidelijk geworden dat in de ogen van de jeugd het getal 90 een magisch cijfer was. Tot je negentigste placht iedereen te zeggen: ‘Kom, kom opoe, je bent nog zo goed ter been, hopla!’ Maar zodra het magische getal gepasseerd was, werd het: ‘Opoe? Opoe! Kun je me horen? Voorzichtig nou! Er is nóg een treetje!’ Alsof ze in één nacht doof, blind en kinds was geworden. Eerst had haar dat geërgerd, maar er waren ogenblikken waarop dat goed van pas kwam, zoals nu.
Toen ze hoorde wat Lydia Best van plan was, was haar eerste opwelling geweest dit jaar het feest maar te laten lopen. Esther en Caleb hadden geweigerd zonder haar te gaan, dus had ze zich toch laten meetronen. De beste oplossing was te doen alsof ze te oud was geworden om het allemaal te kunnen bevatten; het was de enige manier om pijnlijke vragen te voor-
komen. Bovendien was ze, in haar hart, toch nieuwsgierig wat die kinderen zouden doen en zeggen op dat toneel. Ze konden er geen flauw benul van hebben wat er werkelijk gebeurd was die morgen, achtenzeventig jaar geleden. Niemand wist ervan, behalve Cleo en zijzelf, en Cleo was dood. Maar hoeveel wist Lydia Best? De eerste blik op het toneel stelde haar echter gerust. Nog voor iemand een woord gezegd had waren ze al mis. De jurken, die de meisjes aanhadden - belachelijk! Hoepelrokken, gesteven boezelaars! Iemand met een greintje benul moest toch begrijpen dat dat niet kón, na zo'n lange reis door de wildernis - hoe lang was het geweest? Twee maanden, drie maanden? Het had eindeloos geleken. Zeg: tien weken in een huifkar door moerassen en wouden, rivieren en plassen. Geen enkel kind van twaalf kon er na zo'n tocht uitzien als die poppen op het toneel. Wat had ze eigenlijk aangehad?
‘De familie Baker werd vergezeld door Thomas en George McHair, vader en zoon.’ Lydia Best wees naar twee dikke jongens met bellefleurwangen naast zich. ‘De vader werd “Bizon” genoemd vanwege zijn hechte vriendschap met de Indianen, die hem deze naam gegeven hadden.’
Onzin! Hij werd Bizon genoemd omdat hij eruitzag als een bizon. Hij voelde zelfs zo aan: harig, zijn vacht stinkend naar berevet en zweet, in het begin was ze bang van hem geweest. Maar toen hij haar had opgepakt en tegen zich aangedrukt nadat het gebeurd was ... Nee! Ze wilde er niet aan herinnerd worden. Opeens wilde ze weg. Hoe moest ze dat aanpakken? Opstaan en naar buiten schuifelen, een oude vrouw die naar achteren moest? Goed idee; het stelde haar gerust. Als het haar te veel werd, had zij een uitweg. Maar wat een onzin allemaal, op dat toneel! Er waren veel meer mannen geweest, de vrienden van Oom Bizon, op paarden, lachend, schreeuwend, jodelend in het bos. 's Avonds, rond het kampvuur, hadden zij gezongen, gevedeld, gedanst ... Allemaal dood: Oom Bizon, de kleine Jake met zijn kromme benen, Papa, Becky, George. Kijk die Lydia Best daar nu eens staan! ‘Quaker-dracht’ noemden ze dat tegenwoordig! Kijk die boezem, die slanke leest; de lichtekooien in de Opera konden er niet zedelozer uitzien!
‘Bij het begin van ons verhaal zijn de voortrekkers zo juist aangekomen op Pendle Hill en staan op het punt hun blokhut te gaan bouwen op de heuveltop, waar nu onze school staat.’
Onzin! Het was niet op de heuvel geweest, maar aan de oever van het meer, waar nu het Vergaderingsgebouw stond...
Het spel begon. Het jongetje dat Oom Bizon moest voorstellen zei met een hoog, kinderlijk stemmetje: ‘Welnu, Vriend Bonifacius, hier is de plek. Ik weet zeker dat jij en je gezin hier gelukkig zullen worden. Laat ons beginnen met jouw hut te bouwen. Laten wij onze bijlen pakken en bomen gaan kappen.’ Hij bleef besluiteloos staan; de dwerg Will Martin pakte zijn arm en die van het kind dat George moest voorstellen; met hun drieën liepen ze naar de zijkant van het toneel. Lydia fluisterde: ‘Bijlen!’ Zij
draaiden zich om en holden terug om een paar kartonnen tomahawks te pakken die tegen een decorstuk stonden met een huifkar erop geschilderd. Nu, als de rest net zo gaat, dacht Abby, kan ik rustig blijven zitten. Het hele geval was belachelijk. Ze waren niet begonnen met het bouwen van de blokhut - eerst had Oom Bizon de stormkelder laten graven. Ze herinnerde zich de gravende mannen, met ontbloot bovenlijf in de hete zon, zingend en grappen makend, terwijl ze somber had toegekeken vanuit de wagen, die naar Cleo stonk. Zij kon haar nóg ruiken: een ranzige, zoetige lucht onder de huif van de wagen. Wat had zij Cleo gehaat! Zij zag Cleo's silhouet nog voor zich in de boogvormige ingang van de wagen: kauwend op een zonnepit, één knie opgetrokken. Een gonzende bromvlieg bonsde tegen het zonbeschenen zeildoek van de huif. O, die afschuwelijke verveling...
‘Lieve zusters!’ tsjilpte een kinderstem. ‘Moeten wij, nu de mannen aan het werk zijn, niet bessen gaan zoeken voor het noenmaal?’ Het was haar achterkleindochter Lucretia. Wie moest die in vredesnaam voorstellen? Becky?
‘Een goed idee, zusterlief,’ kweelde het andere kind. Was zij dat zelf, een mensenleeftijd geleden? ‘Maar waar vinden wij bessen in deze ongastvrije wildernis?’
‘Ik kan jullie zeggen waar bessen te vinden zijn,’ zei Himsha Woodhouse. Wat een beeldschoon kind! Zelfs de verbrande kurk kon dat niet verhullen. ‘Volg mij!’
De drie kinderen draaiden zich om en liepen naar de andere kant van het toneel. Lydia Best fluisterde: ‘Mandjes!’ Zij draaiden zich weer om en renden naar het midden van het toneel om de mandjes te pakken.
Bessen plukken! Wéér zo iets dwaas! Oom Bizon had haar gewaarschuwd nooit iets te eten wat aan planten of bomen groeide. Wat had zij dan wél gegeten? Ze herinnerde zich de braadlucht na zonsondergang, terwijl Oom Bizons mannen zich om het kampvuur verdrongen. De geur van rook, geroosterd vlees: ree. Een dode ree over de schouder van George. ‘Abby! Kijk eens wat ik geschoten heb, lief!’ Wat dom en onaardig van haar om zo boos op hem te zijn geweest wegens het schieten van die ree. Hij kon niet weten dat zij het diertje iedere morgen, wekenlang, gevoed had, sinds hun huwelijk ... Maar dat was later geweest, veel later.
Drie jongens in Indianenpakken kwamen het toneel opgelopen en tuurden naar het publiek, de hand boven de ogen. Bonny was er ook bij. Wat was hij klein en teer voor zijn leeftijd!
‘Ugh!’ zei de grootste. ‘De bleekgezichten zijn weg! Ik vraag mij af wie het zijn.’
‘Zij komen ons grondbezit stelen,’ antwoordde de tweede jongen. ‘Het zijn dieven en rovers. Wij moeten hen doden, want zij zijn van plan ons te beroven van onze middelen van bestaan.’ De jongen pakte een pijl uit de koker op zijn rug en begon zijn boog te spannen; toen wees Bonny naar een
hoed, die aan het decorstuk met de huifkar hing. ‘Kijk!’ riep hij met zijn cherubijnenstemmetje. ‘Kijk naar die hoed, dapperen! Een Quaker-hoed! Het moeten Vrienden zijn.’
‘Ugh! Dat zie ik!’ antwoordde de oudste jongen. ‘Laat uw wapen zakken, Grote Beer, deze lieden zijn onze vrienden!’
Opeens slaakte de kleine Lucretia aan de andere kant van het toneel zo'n schelle kreet, dat Abby ervan schrok. Ze gingen het doen! Ze gingen het laten zien! ... Maar Lucretia bleef staan waar ze stond en keek voldaan rond. Toen kwam Himsha met het andere meisje het toneel op-hollen. Het andere meisje riep: ‘Help, help! Jullie krijgers hebben mijn zuster gedood! Help, help! Bescherm ons, lieve vrienden. Wij zijn Quakers!’
‘Wat?’ riep Harry Clutterbuck, met zijn hand boven de ogen. ‘De schurken! Zij moeten sterven!’
‘Nee, nee!’ protesteerde Himsha. ‘Wij willen niet dat de dood van onze zuster oorzaak van nog meer bloedvergieten wordt! In de naam van God en de mannen ... van de mannen ... God...’ Zij keek naar Lydia, die fluisterde: ‘dat van God in de mannen.’ Himsha herhaalde gehoorzaam: ‘dat van God in de mannen die haar gedood hebben.’
‘Heb mededogen met hen,’ fluisterde Lydia.
‘Heb mededogen met hen,’ zei Himsha.
De handeling stokte; de spelers keken elkaar onzeker aan. Lydia fluisterde: ‘Weghollen!’
Opgelucht galoppeerden de drie jongens naar haar toe; de middelste schoot al lopende een pijl af.
‘Snikken!’ fluisterde Lydia; de twee meisjes vielen elkaar huilend in de armen.
Abby zuchtte, opgelucht. Niemand wist wat er werkelijk gebeurd was. Zij die het geweten hadden waren dood: Cleo, Papa, George, Moeder, Tante Grizzle ... Als iemand haar na afloop zou vragen of het werkelijk zo gebeurd was, zou ze ‘hihihi’ zeggen en een beetje kwijlen.
***
Het gestotter van het kind over ‘dat van God’ in de Indianen was voor Mordechai Monk de druppel geweest die de emmer deed overlopen. Tot op dat ogenblik had hij, niettegenstaande de heidense uiterlijkheid van de vertoning, geloofd in de godvruchtigheid van hun bedoelingen. Maar nu was het met zijn verdraagzaamheid gedaan! De ere Gods en die van de weerloze Christus was aangetast, hij moest tussenbeide komen, het opnemen tegen den boze, de sissende slang in de boom in dit afgelegen, schijnbaar onschuldige kinderparadijs.
Terwijl de kinderen werden opgesteld voor het volgende bedrijf van hun schandelijke vertoning, voelde Mordechai Monk de macht des Heren over
zich vaardig worden. Zoals iedere keer dat het hem gebeurde, wankelde hij onder de stormram van de Oerkracht die alles voor zich wegvaagde, zoals de storm die de muren rammeide, de balken deed knersen, de schoorsteen deed bulderen. Hij veranderde van een onzekere, sombere oude man in een steigerende hengst des Heren, rukkend aan de teugels, klaar om zich op de antichrist te werpen, maar hij werd in toom gehouden door de wil Gods. Hij kromp ineen van pijn onder de smaad zijn Heiland aangedaan; maar God zei: ‘Nog niet, nog niet.’
Hij keek met stijgende woede toe hoe de jonge vrouw, de aanstichtster van dit alles, haar onschuldige kleine slachtoffers op het toneel opnieuw groepeerde, tot zij het tafereel vormden van het beroemde schilderij waarvan hij het origineel had zien hangen in de werkkamer van het schoolhoofd: drie doodkisten naast elkaar, op de middelste een Quaker-muts, op de beide andere een Indianen-hoofdtooi, met op de voorgrond, de rug naar de beschouwer, Bonifacius Baker, met zijn armen om de schouders van zijn jongste dochter en van het negermeisje dat hij had aangenomen.
De jonge vrouw richtte zich tot het publiek. ‘Vrienden,’ zei ze met arrogante stem, ‘wij tonen u nu het moment waarop onze geliefde school achtenzeventig jaar geleden werd gesticht door de heilige Bonifacius Baker. Zijn voorbeeld...’
Haar woorden, haar stem, de uitdagende manier waarop zij daar stond deden hem opspringen. ‘Ik protesteer!’ riep hij uit. Zijn stem, gestaald in honderden boetpredikaties, trof hen lijfelijk. Hij kon de verstijving van hun ontsteltenis voelen. ‘Ik kan niet zwijgend toezien hoe de waarheid wordt verkracht! God onteerd! Zijn Zoon Christus Jezus belachelijk gemaakt!’ En daar kwam het: het onuitsprekelijk besef van de tegenwoordigheid Gods. ‘Vrienden!’ riep hij. ‘In naam van de waarheid, van de zielen van uw kinderen, wendt u af van deze verfoeilijke vertoning!’ Hij wees naar het toneel waarop de kinderen stokstijf stonden en de jonge vrouw hem met open mond aanstaarde. ‘Voordat ik hier kwam, heb ik de geschiedenis van deze school bestudeerd in de bibliotheken van de Philadelphiase Jaarvergadering en die van Indiana. Voorwaar, ik zeg u, Vrienden, dat de Bonifacius Baker die ge hier vandaag ziet afgeschilderd als een heilige, rein van hart, vol geduld, wijsheid en liefde, een renegaat was! Voorwaar, ik zeg u, in naam der waarheid, dat Bonifacius Baker een smet op het Genootschap der Vrienden was, een verrader van de Beginselen, een gruwel in de ogen van God! Uit de annalen blijkt, zonneklaar, dat hij een echtbreker was, dat hij overspel pleegde met zijn eigen aangenomen dochter, een minderjarige negerin die aan zijn zorg was toevertrouwd en bij wie hij een kind der zonde verwekte! Voorwaar, ik zeg u...’
Opeens riep een vrouwenstem, gebiedend: ‘Stop!’
Zijn adem stokte.
De jonge vrouw stond met vlammende ogen tegenover hem. Hij wilde haar wegvagen, verzengen met het vuur van het brandende braambos,
maar plotseling trok de Hand Gods zich terug. Plotseling werd hij zich van haar naakte lichaam bewust onder die schaamteloze jurk.
‘Hoe durf je een dode te belasteren in het bijzijn van zijn eigen dochter!’ riep zij.
Hij was de oude vrouw vergeten! Daar zat ze, ineengedoken, haar gezicht in de handen.
Iemand tikte hem op de schouder en zei: ‘Waarom gaat u niet even naar buiten om wat frisse lucht te happen?’ Het was de dokter.
‘Ik heb het zo niet bedoeld! Ik...’
De dokter viel hem in de rede. ‘Ter wille van de oude dame - deze kant op alstublieft.’
In zijn verwarring liet hij zich wegleiden, maar bij de deuren rukte hij zich los en liep alleen het lege portaal in, dat weergalmde met het daveren van de storm. Met moeite opende hij de buitendeur. De wind gierde, de wuivende esdoorns bruisten. Tegen de storm in liep hij naar het standbeeld op het voorplein: een jonge vrouw, de armen omhooggestrekt naar de jagende wolken. Op het voetstuk stond: Rebekka Baker, 1736-1755 - Laat ons nu zien wat de liefde vermag. Het was het motto waaronder William Penn en zijn honderd Vrienden op de oever van de Delaware waren geland.
Hij keek naar haar omhoog. De wind blies zijn hoed af. Hij voelde zich naakt, in een staat van verdoemenis. Hij was zich zelfs van de borsten van een standbeeld bewust.
Mijn God! Wat was er met hem aan de hand?
***
Abner Best, het schoolhoofd, zuchtte en stond op. Het was kennelijk zijn taak om het monster uit Engeland tot bedaren te brengen, maar hij voelde zich er niet tegen opgewassen. Met loden schoenen volgde hij Mordechai Monk naar buiten. Hij zag de man, blootshoofds, bij het voetstuk van het standbeeld staan. Hij struikelde naar hem toe in het woeste vlagen van de storm, zich bewust van de starende kinderen achter de ramen.
‘Mordechai Monk?’
De man leek versuft. Hij probeerde hem naar binnen te loodsen, maar Mordechai Monk herstelde zich en barstte weer los. ‘Echtbrekers! Godslasteraars!’ De woorden werden weggevaagd door de wind.
Zij liepen terug naar de school. In de hal stonden Harlan en Amanda Tucker, de voorzitters van het schoolbestuur, hen op te wachten. Zodra Mordechai Monk meer mensen om zich heen had, verhevigde zijn woede. Harlan Tucker luisterde met onderdanige buiginkjes; Amanda Tucker, die al maandenlang de leerkrachten ‘onzuiverheid in de leer’ had verweten, glunderde nu zij zo'n machtige medestander gevonden had. Met hun vieren klommen zij langzaam de trap op naar het kantoor van het schoolhoofd. Het gebolder van de wind in het trappenhuis overstemde
zelfs Mordechai Monk.
Op de gang voor het kantoor stonden de leerkrachten te wachten. Abner liet hen buiten staan; het was de enige manier om ook Harlan en Amanda Tucker te beletten mee naar binnen te gaan. Hij kon de toornige Engelsman alleen onder vier ogen kalmeren.
Zij gingen samen het kantoortje binnen. Abner ging achter zijn bureau zitten; Mordechai Monk bleef staan. De man scheen buiten zinnen. Zijn agressieve wartaal was zo grotesk, dat Abner met stomheid geslagen zat te luisteren. Zijn Quaker-opvoeding had hem machteloos gemaakt tegenover alle geweld. De indringer besefte waarschijnlijk niet dat hij bezig was iets te vernietigen wat twee eeuwen nodig had gehad om tot bloei te komen, dank zij eindeloos geduld, zelfopoffering en liefde. Hij brulde woorden die nog nooit eerder in de school gehoord waren: ‘ketter’, ‘godslasteraar’, ‘antichrist’.
Wie was de man eigenlijk? Abner wist alleen dat hij rondtrok als evangelist met een officiële zendbrief van de Londense Jaarvergadering. Amanda Tucker had het klaargespeeld dat hij uitgenodigd werd als openingsspreker voor de Kwartaalvergadering, volgende week. Toen de man opnieuw over Bonifacius Baker begon te raaskallen - ‘hoereerder!’, ‘kinderverkrachter!’ - stond Abner op achter zijn bureau en viel hem in de rede. ‘Het spijt me als wij je op de een of andere manier gekwetst hebben, Mordechai Monk,’ zei hij rustig. ‘Mag ik je verzoeken mij nu eens precies uit te leggen hoe?’
‘Hoe?’ riep Mordechai Monk uit. ‘Al een half uur lang...’
‘Ik bied je onze verontschuldigingen aan als de tableaus van de kinderen je gekwetst hebben. Wat kan ik nog meer voor je doen?’
Mordechai Monk keek met minachting op zijn nietige tegenstander neer en zei: ‘Als je het nu nog niet begrijpt, Vriend, zal ik mij tot de Kwartaalvergadering moeten wenden.’
Het dreigement stelde Abner gerust. De man had er kennelijk geen idee van welk soort mensen hij op de Kwartaalvergadering zou aantreffen. Hij had geen idee van de onafhankelijkheid van de boeren, hun ingeboren wantrouwen tegenover vreemdelingen, hun afkeer van elke inmenging van buitenaf. In plaats van hen te beïnvloeden, zou hij de Kwartaalvergadering tegen zich innemen.
‘Je moet doen wat je niet laten kunt, Mordechai Monk,’ zei hij. ‘Ik bedoel: volg het Licht.’ Hij stond op. ‘Ik zal nu iemand vragen je je kamer te wijzen.’
‘Ik moet geen kamer!’ riep Mordechai Monk kinderachtig uit. ‘Ik denk er hard over naar het logement in de stad te gaan!’
‘Zoals ik al zei, Vriend Mordechai: volg het Licht.’ Hij opende de deur; Mordechai liep woedend de gang in; een ogenblik later verscheen een jongeman in de deuropening. ‘Kan ik je even spreken, Abner Best?’
Het was Obadja Woodhouse, de reisgenoot van Mordechai Monk.
Abner had hem tot dusverre nog maar vluchtig begroet; wel waren hem zijn dure kleren en zijn steedse manieren opgevallen. ‘Ga zitten, Obadja Woodhouse,’ zei hij en deed de deur achter hem dicht. De jongeman nam een stoel; hij leek niet op zijn gemak.
‘Neem me niet kwalijk dat ik zo maar binnen kom vallen,’ zei hij, ‘maar ik dacht dat ik je misschien van dienst zou kunnen zijn in verband met - eh - Mordechai Monk. Ik trek al een paar maanden met hem op...’
‘Ja graag! Misschien kun jij me uitleggen wat hij van ons verwacht?’
Obadja Woodhouse keek in gedachten naar het schilderij van Becky Bakers begrafenis. ‘Ik weet het niet. Hij is een moeilijke man, weet je. Moeilijk te begrijpen, bedoel ik. Hij is zeker te goeder trouw, dat moet ik je wel zeggen. Hij is een bekeerde Presbyteriaan, misschien is dat de verklaring voor zijn ongevoeligheid waar het de Quaker-beginselen betreft.’
‘Maar wat wil hij van ons? Ik heb onze verontschuldigingen aangeboden, ik heb...’
‘Hij wil jullie veranderen - zeg maar: bekeren. Hij wil dat jullie zijn interpretatie van de Beginselen aanvaarden. Als je hem de indruk kunt geven dat jullie bekeerd zijn, maar dat je nu tijd nodig hebt om deze bekering haar beslag te laten krijgen, zal hij je geloven, weer een streep aan de balk zetten en doorreizen, naar de volgende gemeente. Laat hem uitrazen. Maar wat je ook doet, werk hem niet tegen. Als hij tegenstand ondervindt, begint het gedonder in de glazen pas goed. Het was onverstandig van die onderwijzeres om hem uit te dagen. Als ik haar was, zou ik de rest van zijn bezoek maar uit zijn buurt blijven. Anders loop je de kans dat hij haar majesteitsschennis op jullie allemaal gaat wreken.’
Abner zuchtte. ‘Ik vrees dat het wat dat betreft al te laat is. Abby McHair is zo'n beetje de stammoeder van Pendle Hill. Om haar vader in haar bijzijn een echtbreker en “de antichrist” te noemen - nee, ik vrees dat hij, behalve mijn zuster, al heel wat mensen tegen zich in het harnas heeft gejaagd.’
‘Dat was spijtig,’ zei de jongeman, beleefd, ‘maar geloof me, jullie moeten je verontwaardiging maar opzouten en hem niet verder provoceren. Anders zouden er op jullie Kwartaalvergadering weleens dezelfde dingen kunnen gebeuren als op de Jaarvergadering van Ohio, een maand geleden: gemeenteleden die elkaar te lijf gaan, ouderlingen die elkaar bij de haren over de banken sleuren en elkaar uitmaken voor “ketter” en “godslasteraar”. Wat hij jullie stammoeder heeft aangedaan was betreurenswaardig, maar nog niets vergeleken bij de schade die hij kan aanrichten als hij eenmaal goed op dreef is.’
Opeens wist Abner het niet meer, dit kon hij verder niet alleen aan. ‘Ik zal de anderen er eens bijhalen,’ zei hij, en stond op.
‘Ik kan in het openbaar niet zo openhartig zijn,’ zei de jongeman haastig.
‘Maak je geen zorgen. We zijn allemaal familie van elkaar.’ Abner liet de anderen binnen, die op de gang stonden te wachten. Gelukkig waren
Harlan en Amanda Tucker weggegaan. ‘Kom binnen,’ fluisterde hij, alsof het al een samenzwering was.
***
Obadja Woodhouse zag hen binnenkomen, een zestal typische schoolfrikken in sjofele kleren. Het was kennelijk een school zonder veel financiële steun. Abner sloot de deur achter hen en zei: ‘Mensen, dit is Vriend Obadja Woodhouse uit Philadelphia. Hij is de reisgenoot van Mordechai Monk.’ Hij leek kalm, maar Obadja voelde zijn bedwongen nervositeit. Voor het eerst begon hij een zekere sympathie voor de magere schoolmeester te krijgen.
Abner begon met zijn leerkrachten voor te stellen. Als eerste een breedgeschouderde, olijke jongeman met blauwe ogen en een breed gezicht. ‘Dit is mijn neef, Jesse McHair, die belast is met de schoolboerderij.’
De jongeman schudde Obadja zo krachtig de hand, dat hij ternauwernood een kreet van pijn kon onderdrukken.
‘Dit is mijn zwager, Uria Martin, hoofd van de jongensafdeling.’
De zwetende man met het deegkleurige gezicht was zo schandelijk zwaarlijvig, dat zijn leeftijd moeilijk meer te schatten was. Zijn ogen waren lichtbruin, schuw, en hij sloeg ze onmiddellijk neer. Zijn hele houding leek een gevoel van schuld uit te drukken, alsof hij wegens een overtreding op het matje geroepen was. Zijn voorhoofd glom van het zweet, zijn hand was slap en klam, als een weekdier.
‘En dit is mijn andere zwager, William Martin, mijn assistent.’
Obadja had moeite zijn verrassing te verbergen. Het was een dwerg! In het historische tableau had hij Bonifacius Baker uitgebeeld, en een van de leerlingen geleken. Hij was niet groter dan een jongen van een jaar of elf, maar zijn gerimpelde gezicht had een geamuseerde uitdrukking. Er kon geen twijfel aan bestaan dat hij de intelligentste van het hele stelletje was.
‘En dit is mijn vrouw, Saraetta, hoofd van de meisjesafdeling.’
Obadja had haar tijdens de samenkomst gadegeslagen en zich afgevraagd waarom zij er zo doods uitzag. Zij kon niet ouder zijn dan een jaar of negenentwintig; zij was fragiel gebouwd, haar fijnbesneden gezichtje was knap maar zo uitdrukkingloos als een dodenmasker. Zij staarde hem zonder enige interesse aan, alsof hij een medereiziger was in een diligence. Zij was de eerste jonge vrouw die hij tegenkwam die van alle vrouwelijkheid gespeend leek te zijn.
Dit kon niet gezegd worden van het lange, lachende meisje dat naast haar stond. Abner mompelde: ‘Mijn zuster, Lydia Best...’ Opnieuw voelde Obadja zich onder haar ban vallen; hij kon er geen andere woorden voor vinden. Gedurende de weken dat hij Mordechai Monk op zijn rondreis had vergezeld had niemand de man durven uitdagen op de manier waarop zij dat had gedaan. Nu hij haar persoonlijk ontmoette, deed zij
hem met een onverwacht verlangen aan Charity denken, die hij tot op dat ogenblik uit zijn gedachten had weten te bannen, omdat het nu eenmaal de enige oplossing was. Evenals Charity gaf Lydia, niettegenstaande haar kennelijke onschuld, aan de preutse, muskleurige Quaker-jurk iets jeuïgs, bijna iets wulps.
Zij drukte hem de hand. ‘Welkom, Vriend,’ zei ze, met een glimlach, ‘ik hoop dat jij ons leiding zult kunnen geven. We hebben die hard nodig.’
‘Ik zal mijn best doen,’ antwoordde hij, beleefd maar koel. Hij voelde dat de dwerg hem met belangstelling stond aan te gluren, alsof hij zijn heimelijke gevoelens had geraden.
‘En dit zijn dan Adam Higgins, onze tuinman, en zijn vrouw Penelope, die voor de school kookt.’ Abner zei het op dezelfde toon waarop hij de anderen had voorgesteld, maar toch dacht Obadja een zekere neerbuigendheid te ontwaren. Het negerechtpaar droeg Quaker-kledij; zij moesten afstammelingen zijn van het groepje slaven dat Bonifacius Baker gevolgd was zo'n tachtig jaar geleden, om in Indiana een nieuw bestaan te beginnen. Het was teleurstellend dat de nazaten van deze eerste kolonisten, wier ‘Heilig Experiment’ als jongen zo'n inspiratie voor hem was geweest, teruggevallen waren in de dienstbaarheid.
Er werd op de deur geklopt. Abner Best riep: ‘Binnen!’ Zijn stem klonk beheerst, maar de manier waarop hij en de anderen naar de deur keken, verried dat de verfoeilijke Mordechai Monk ook deze onschuldigen met vrees en achterdocht had besmet.
‘Stoor ik?’
‘Nee, nee, dokter Rossini,’ zei Abner opgelucht, ‘kom binnen.’
Dokter Rossini sloot de deur achter zich. ‘Nu, het gaat goed met de oude Abby. Ik heb haar naar bed gebracht, zij wordt verzorgd door haar dochter. Meneer Monk is ook naar zijn kamer, dus - tot dusver alles best. U reist met hem mee, geloof ik, meneer?’
‘Neem me niet kwalijk,’ zei Abner haastig. ‘Mag ik even voorstellen...’
‘Wij kennen elkaar al,’ zei Rossini. ‘Wij zaten samen op de eerste rij toen meneer Monk zijn nummertje weggaf. Een hele vertoning. Is dit zijn gebruikelijke manier van doen?’
Obadja herhaalde wat hij het schoolhoofd over Mordechai Monk verteld had en eindigde met te zeggen: ‘Het enige dat ik jullie daarom kan aanraden is je zo rustig mogelijk te houden en de storm over je hoofden te laten uitrazen.’
‘Wat hij Abby McHair heeft aangedaan vind ik nog niet eens zo erg,’ zei een strenge, statige stem. ‘Wat hij het jongetje heeft aangedaan is erger.’ Het was de neger-kokkin.
‘Hoe dat zo, Penny?’ vroeg Lydia Best.
‘Hij gaf Bonny te verstaan dat hij negerbloed had. Dat is niet iets wat je een kind mag vertellen zonder dat je het zeker weet.’
‘Maar voor ons Quakers is dat onbelangrijk, Penny,’ zei Lydia, met
hetzelfde geduld waarmee zij, waarschijnlijk, haar leerlingen toesprak.
‘Bovendien is het volslagen nonsens,’ zei dokter Rossini. ‘Bonifacius Baker, die van dat schilderij, is toch niet werkelijk met zijn aangenomen dochter naar bed gegaan?’
Er volgde een verlegen stilte.
‘Het jongetje was een vondeling, door de Indianen voor zijn deur neergelegd,’ zei Obadja. ‘Tenminste, dat hebben ze mij als kind verteld,’ voegde hij eraan toe.
Lydia zei: ‘Ja, ons ook.’
Zou Mordechai Monk inderdaad gelijk gehad kunnen hebben? Voor het eerst voelde Obadja zich onzeker. Was het denkbaar dat Bonifacius Baker, de Quaker-heilige, zo iets liederlijks op zijn geweten had?
‘Nu, wat doen we?’ vroeg Abner.
‘Als je het mij vraagt, niets,’ antwoordde dokter Rossini. ‘Hij heeft gelijk. We wachten tot de storm overgewaaid is. Laat de man naar hartelust razen en tieren. Wanneer hij opgehoepeld is, gaan we door alsof er niets gebeurd was.’
De neerslachtige leerkrachten waren kennelijk opgelucht door zijn stoere woorden, maar Obadja had er minder vertrouwen in. Deze brave mensen waren, kennelijk, volkomen uit hun doen.
‘Wat denk je dat hij gaat doen op de Kwartaalvergadering?’ vroeg Abner Best. ‘Heb je er enig idee van, Obadja Woodhouse?’
‘Ik neem aan dat hij een toespraak zal houden in de lijn van wat hij vanmorgen gezegd heeft. Hij zal de mensen oproepen zich te bevrijden van het idee dat een ieder een klein stukje van God in zich meedraagt, omdat dit niet door de Heilige Schrift wordt ondersteund en zeker niet voldoende is om de erfzonde ongedaan te maken. Hij zal een boetpredikatie houden in de stijl van John Wesley, niet van George Fox, maar hij gelooft oprecht dat hij spreekt en handelt in de geest van de eerste Vrienden. En, wie weet, misschien is dat ook zo.’ De twijfel aan Bonifacius Bakers heiligheid had hem van zijn stuk gebracht. Als Mordechai Monk eens werkelijk gelijk bleek te hebben...
‘Maar wat kunnen wij verwachten,’ hield Abner aan. ‘Wat denk je dat zijn recommandaties zullen zijn ten opzichte van de school?...’ Er werd opnieuw geklopt. ‘Ja? Wie is daar?’
Obadja voelde dat zij allen onmiddellijk weer op hun qui-vive waren. De deur ging langzaam open en een jongetje van een jaar of tien kwam binnen, in een Indianenpak. ‘Meester Abner,’ zei hij, met een stemmetje dat nog niet gebroken was, ‘ik wil eens met u praten over mijn grootvader.’ Het was een van de acteurtjes, de kleinste.
Opeens leek het alsof iedereen zich schaamde.
‘Ik zal daar aanstonds graag met je over praten, Bonny,’ zei Abner vriendelijk. ‘We zijn hier bijna klaar, maar misschien zou het beter zijn als je je eerst even ging verkleden en je gezicht wassen.’
‘Ja, Meester Abner.’ Het jongetje draaide zich om. Hij was kennelijk niet op uitstel voorbereid geweest. Hij sloot de deur eerbiedig achter zich; er volgde een pijnlijke stilte, die Obadja ervan overtuigde dat Mordechai Monk inderdaad gelijk had gehad: Bonifacius Baker had zijn geadopteerde dochter Cleo zwanger gemaakt en de vrucht van zijn zonde voor een ondergeschoven kind doen doorgaan.
‘Nu,’ zei Abner. ‘Is er nog iets wat we dringend moeten behandelen?’
‘Wat doen we met Harlan Tucker?’ vroeg de dwerg. Zijn stem was hoog en kinderlijk, net als die van Bonny Baker. Wat moet dat een kruis zijn om te dragen voor een man, dacht Obadja.
‘O, maak je maar geen zorgen over Harlan,’ antwoordde Lydia. ‘Amanda is gevaarlijker.’
‘Laat die maar aan mij over,’ zei een toonloze stem. Het was Saraetta, de vrouw van het schoolhoofd. Haar gezicht verried niets, haar ogen waren uitdrukkingloos.
‘Goed,’ zei haar echtgenoot, ‘ik zal haar met liefde aan jou overlaten. Nu, het is bijna etenstijd. Hoe staat het met de kinderen?’
De dikke man antwoordde verontschuldigend: ‘De jongens zijn een beetje wild, vrees ik...’ Obadja vermoedde dat hij geen orde kon houden.
‘Ik geloof dat het eerder aan de storm dan aan Mordechai Monk te wijten is,’ zei Lydia. ‘Ze zijn altijd ongedurig bij dit weer.’ Zij had kennelijk geen moeite met orde houden.
‘Goed dan,’ zei Abner Best met een vertoon van autoriteit. ‘Laten we gewoon verder gaan met onze dagelijkse besognes, dan kunnen we vanavond laat nog eens een keer samenkomen om uitvoeriger over dit alles te praten.’
Saraetta opende onmiddellijk de deur om hen uit te laten. Het was Obadja niet eerder opgevallen dat zij erop gebrand was zich van hun tegenwoordigheid te ontdoen. Hij verliet, samen met de anderen, de kamer op een heimelijke manier, alsof zij samenzweerders waren. Hij liep de holle, galmende gang uit met een gevoel van neerslachtigheid. Tot dusver had hij altijd kans gezien een buitenstaander te blijven; nu besefte hij dat er een einde was gekomen aan zijn afzijdigheid. Hij voelde zich nu ook bedreigd door het monster dat hem buiten in de huilende storm stond op te wachten, briesend, krabbend met zijn hoeven, gereed om deze arme, geweldloze stakkers met brute kracht te lijf te gaan. Voor het eerst sinds hij Philadelphia had verlaten dacht hij over de mogelijkheid de benen te nemen en de weerzinwekkende brulaap in zijn eigen sop te laten gaar koken. Maar ja, daar was moed voor nodig.
***
Abner had gehoopt dat Saraetta zou achterblijven, maar ze zei: ‘Ik stuur Bonny,’ en was weg.
Hij liet zich moe in zijn stoel zakken, met een intense behoefte aan een ogenblik van inkeer, maar daar werd alweer geklopt. ‘Ja,’ zei hij, ‘binnen.’
Het was het jongetje. Hij had zijn gezicht gewassen en zijn veren hoofdtooi afgezet. Zijn ogen stonden bang, maar zijn kinderlijke mond was vastberaden.
‘Goed Bonny,’ zei Abner, ‘doe de deur maar dicht en ga zitten.’
Nog voor zij een woord hadden gewisseld leek het al een ongelijke strijd. Wat moest hij het jongetje vertellen? Wat kon hij hem vertellen?
Bonny ging op de rand van de stoel zitten en keek hem aan met die grote ogen. Misschien was het beter om met de deur in huis te vallen en niet te trachten de gevoelens van het kind te sparen. ‘Het spijt me dat je het op deze wijze aan de weet bent gekomen,’ begon hij, ‘maar het werd tijd dat je het wist. Hebben je oom en tante er nooit iets over gezegd?’
‘Nee, Meester Abner,’ zei het jongetje, met hoge, gespannen stem. ‘Waarom zouden ze? Het is niet waar.’
‘Helaas, Bonny,’ zei hij. ‘Ik vrees dat het wél waar is.’
‘Mijn vader is door de Indianen bij mijn Opa voor de deur gelegd,’ hield het jongetje vol. ‘Oom Caleb en Tante Esther hebben me dat zelf verteld.’
‘Bonny, jongen,’ zei Abner vriendelijk, ‘helaas wijzen de historische documenten iets anders uit. In de registers van de Maandvergadering staat je vader als lid geregistreerd op grond van het geboorterecht, met als vader Bonifacius Baker en als moeder Cleopatra Baker.’
Het was pijnlijk om het kind gade te slaan. O, die verdoemde Mordechai Monk! ‘Verdoemd.’ Geen enkele waarachtige Quaker zou ooit dat woord gebruiken, zelfs niet in gedachten. ‘Verdoemenis’ bestond niet. Ieder mens had niet alleen het goddelijke in zich, maar ook het duivelse. Mordechai Monk vertoonde dezelfde, bijna demente gespletenheid als Elisabeth Fry, de grote hervormster van de vrouwengevangenissen in Londen, die geweigerd had om met een Amerikaanse geloofsgenote te spreken omdat zij haar als ‘onzuiver in de leer’ beschouwde. Onzuiver in de leer! Alles wat de Vrienden die hen waren voorgegaan tot stand hadden gebracht aan tolerantie, begrip en wijsheid leek ongedaan te zijn gemaakt in de waanzin van heksenjacht, het schisma dat vaders tegen zoons in het harnas joeg, moeders tegen dochters, broeders en zusters van elkaar vervreemdde. Toekomstige geslachten zouden zich afvragen wat de Quakers in de jaren dertig had bezield om het Genootschap der Vrienden te veranderen in dat der Vijanden. Nu zat daar een weesjongen, wiens ouders in de epidemie waren omgekomen, het nieuwste slachtoffer van die krankzinnige, vernielzuchtige wellust voor de ‘waarheid’, die het toegeschreeuwd had gekregen dat zijn Opa overspel had begaan met zijn eigen pleegdochter en dat als gevolg van hun zonde een zoon was geboren die ze Mozes hadden genoemd. Wie was Mordechai Monk eigenlijk om rechter te spelen over deze mensen? Hoe kon hij weten welke afgrond van wanhoop en eenzaamheid zich voor de voeten van de oude Bonifacius Baker had geopend
nadat zijn lievelingsdochter verkracht, gescalpeerd en vermoord was? Wie kon weten hoe dat zwarte meisje hem had getroost in zijn eenzaamheid? Zij moest een grote tederheid voor hem gevoeld hebben na alles wat hij voor haar en voor haar medeslaven had gedaan: niet alleen hun de vrijheid geschonken, maar al zijn bezittingen onder hen verdeeld. Wat gaf de krijsende bullebak het recht om deze twee getormenteerde mensen door het slijk te sleuren?
‘Bonny, jongen,’ zei hij, wat je grootvader en je grootmoeder ook mogen hebben gedaan, achtenzeventig jaar geleden, wij hebben niet het recht hen te veroordelen. ‘Wie onder u zonder zonde is werpe de eerste steen.’ Ik eerbiedig de herinnering aan je grootvader, want ik blijf ervan overtuigd dat hij een heilig man was. Wij zijn hem meer verschuldigd dan wie dan ook. Niemand kan dat ongedaan maken, wat hij verder ook moge hebben gedaan.’
‘Het is niet waar,’ zei het jongetje koppig. ‘Ik geloof het niet, het is niet waar!’
‘Goed, Bonny,’ zei Abner, ‘kom me opzoeken wanneer je daar behoefte aan hebt. Ik zal graag met je praten, op welk uur van de dag dan ook. Ga nu maar naar de zaal.’
Het jongetje stond stijfjes op, liep naar de deur en verdween zonder omgekeken te hebben, als een kind dat slaapwandelde.
Abner zuchtte en ging naar het raam. De avond begon te vallen. De storm schudde nog steeds de wild zwiepende bomen, maar toch leek het alsof het geweld iets had afgenomen. De zeilende wolken waren zwanger van regen. Tegen de nacht zou de wind wel afnemen, dan zou de regen beginnen en de hele nacht doorgaan, en morgenvroeg zou de zon opgaan in een schoongewaaide hemel over een stomende wildernis. Hij hoorde Saraetta niet binnenkomen; haar stem deed hem schrikken.
‘Wat heb je tegen Bonny gezegd?’
Hij keek om. Zij stond voor zijn bureau. Het vale avondlicht leek de bleekheid van haar gezicht te accentueren, de kringen onder haar ogen donkerder te maken. Hij wilde haar in zijn armen nemen, haar tegen zich aandrukken, woorden van liefde in haar haren fluisteren, zoals hij dat had gedaan toen Vestal nog leefde. Opeens voelde hij zich eenzaam. ‘De waarheid. Maar waarom moest de man die uitschreeuwen in de tegenwoordigheid van Abby en dat kind?’
‘Mordechai Monk kon niet weten dat de dochter en de kleinzoon van Bonifacius Baker aanwezig waren. Als hij het geweten had, had hij het niet zo gezegd.’
Hij keek haar verbaasd aan. Het was niet bij hem opgekomen dat iemand in de school, zeker niet zijn vrouw, iets goeds over de man te zeggen zou hebben. ‘Je - je bent het ééns met wat hij zei?’
‘Ja!’ Het was een kreet van pijn. Het klonk alsof al haar ondraaglijke verdriet opeens naar de oppervlakte kwam. Hij moest haar tegen zich zelf
beschermen, zij mocht zich niet opnieuw in de maalstroom van de wanhoop storten. Zes jaar geleden waren er twee mannen voor nodig geweest om haar weg te sleuren van het dode kindje. Zij was flauwgevallen; toen zij weer bijkwam was ze verstard, als de vrouw van Lot. ‘Ik ... ik ben blij dat je zoveel begrip voor hem hebt,’ zei hij, voorzichtig. ‘Ik wou dat ik jouw mildheid kon opbrengen.’
‘Hij heeft ons begrip niet nodig, Abner!’ Haar bezeten ogen staarden hem aan op een manier dat hem de schrik om het hart sloeg. ‘Hij is in de macht des Heren! Hij vond de woorden voor wat ik voel!’
‘Maar lieve...’
‘Ja, Abner!’ Haar stem was schor na zes jaar van ongeschreide tranen. ‘Ik heb een Verlosser nodig, Abner. Mijn God, wat heb ik Hem nodig!’
Haar wanhoop was hem nooit eerder zo hartbrekend duidelijk geworden. ‘Zes jaar lang ben ik levend dood geweest, vandaag voelde ik voor het eerst een zweem van leven.’
‘Wanneer?’
‘Toen hij over de verdorvenheid van de mens sprak. Toen hij zei dat alleen in een onvoorwaardelijk geloof in de zaligmaking door het bloed van Christus hoop kon worden gevonden voor onze staat van verdoemenis. Ik ben slecht, Abner, door en door slecht!’
‘Maar liefste! Je bent de tederste, de meest gevoelige...’
‘Dat ben ik niet!’ Ze staarde hem aan met die wanhopige, gefolterde blik. ‘Jij kunt het niet weten, maar God weet het! Christus weet het! Er is geen andere hoop voor me, Abner, dan dat ik mij aan de voeten van mijn Heiland smijt en Hem om genade smeek!’
Hij wist niet wat hij zeggen moest. Hij kon er alleen maar sprakeloos tegenover staan, vol hulpeloze woede en onuitsprekelijke liefde. Dat zij, uitgerekend zij, zichzelf zo genadeloos veroordeelde, zo onrechtvaardig...
‘Daarom moet ik die man volgen. Ik ben een drenkeling die ze een touw hebben toegeworpen. Het kan me niet schelen wie het geworpen heeft, het is mijn enige hoop op redding.’ Zij draaide zich om en ging naar de deur.
‘Saraetta, hartelief! Laten we er eerst over praten...’
‘Praten?’ vroeg zij. ‘Wij hebben in geen jaren gepraat. Nu is het te laat. Nu is de enige met wie ik praten kan mijn Heiland, als Hij tenminste naar mij wil luisteren.’ Zij ging de gang in en verdween.
Hij staarde naar de gesloten deur. Het schisma dat het Genootschap der Vrienden had gespleten had nu ook zijn eigen gezin bereikt. Hij had een gevoel van onwerkelijkheid. Dit kon niet met hén gebeuren, niet met hen. Hij liep terug naar het raam en keek naar de regenstriemen op de ruiten.
‘Nu, dacht hij, ‘ik moet de nieuwe Leer dan maar eens gaan bestuderen.’ Tot zijn verrassing liepen de tranen hem langs de wangen.
***
De jongensslaapzaal was donker. Boven de deuren naar de gang flakkerden kaarsvlammetjes in de rode lantaarns. In een van de kribben die in rijen naast elkaar stonden lag Bonny Baker naar de schaduw van Meester Uria te staren, die geknakt over de muur en de zoldering gleed. De dikzak ijsbeerde in het looppad, mompelend in zichzelf, een zenuwachtige kolos, een gevangen beer.
Al langer dan een half uur nadat de lichten waren uitgedaan had Bonny liggen denken over zijn grootvader en Cleo. Hoe meer hij erover nadacht, hoe onbegrijpelijker het hem toescheen. Het kon doodeenvoudig niet, het kon niet! Het moest een gemene leugen zijn. Maar wat dachten de leugenaars ermee te bereiken om de nagedachtenis van zijn grootvader te bezoedelen?
Opeens verscheen er een hoofd boven de rand van zijn krib. Een stem fluisterde: ‘Bonny? Slaap je?’
Hij dacht dat het Bruller McHair was, toen herkende hij Meester Will. Hij was zo verrast, dat hij met stomheid geslagen naar de schim van het hoofd van de dwerg lag te staren.
‘Moet je 's horen,’ fluisterde de stem, ‘ik heb een paar berekeningen gemaakt die je zullen interesseren...’ Papier ritselde, de dwerg wendde zich naar het licht, zijn profiel leek dat van een kind. ‘Het is vijf generaties geleden dat de Quakers Philadelphia stichtten. Dat betekent dat we ieder ongeveer achthonderd voorouders hebben. Nu, neem aan dat in iedere generatie tien Quakers met één neger onder hun voorouders een blanke vrouw trouwden, twee kinderen verwekten, die ieder op hun beurt weer twee kinderen kregen, enzovoorts, enzovoorts, tot op de huidige dag. Begrijp je? Vijf generaties, tien Quakers met negerbloed per generatie, dat zijn er dus vijftig. Deze vijftig zouden nu ... even kijken...’ - hij tuurde op zijn papiertje - ‘bij elkaar veertigduizend mensen met gemengd bloed geproduceerd hebben, die er zich natuurlijk geen van allen van bewust zijn dat ze negerbloed hebben. Dus: de enige manier om onverhoedse zwarte zuigelingen onder ons Quakers te voorkomen zou zijn om nooit met een Amerikaanse Vriend te trouwen, tenzij hij of zij geboren is uit ouders die naar Amerika zijn geëmigreerd vanuit Noord-Europa. Begrijp je dat?’
‘Ja, Meester Will.’ Bonny had niet echt geluisterd naar wat het mannetje aan het vertellen was, Meester Will kwam altijd op de proppen met dit soort fantastische, ingewikkelde berekeningen. Maar het feit dat hij zoveel moeite voor hem gedaan had was wel ontzettend aardig.
‘Moet je 's goed luisteren,’ vervolgde de fluisterstem, ‘het doet er niet toe wie of wat je ouders waren of je grootouders. Het gaat erom wie je zélf bent. Een intelligent mens kan maar één ding denken: wat Koning David zei in de 139ste psalm, vers 14: “Ik loof U, omdat ik op een heel
vreselijke wijze wonderbaarlijk door U ben gemaakt.”’
Bonny besefte dat Meester Will hem afwachtend aankeek, al kon hij zijn ogen niet zien. Hij moest iets zeggen, maar kon geen woorden vinden. Vreemd, dat een mismaakte zoals hij die psalm kon aanhalen en het nog werkelijk menen ook. Opeens doemde er een schaduw boven hen, een boze stem vroeg: ‘Wie is dat? Hoe kom jij je bed uit? Sta op, lummel!’
Meester Wills hoge, schampere stemmetje antwoordde: ‘Doe niet zo gek, Uria. Ga maar weer wandelen.’
‘O...’ De dikzak was meteen uit het veld geslagen. ‘Neem me niet kwalijk, Will, ik bedoel, ik wist niet...’ Hij sloop weg om weer te gaan ijsberen in het donker. Vreemd, dat twee broers zo verschillend konden zijn.
‘Nu, ik moet ervandoor.’ Een droog handje, als dat van een aap, greep Bonny's hand en drukte die vluchtig. ‘De Tegenwoordigheid zij met je, jongen,’ fluisterde hij. Toen was hij weg.
Bonny trachtte zich van de Tegenwoordigheid bewust te worden. Een ogenblik lang dacht hij dat iets zich in het donker manifesteerde, maar het werd geen werkelijkheid. Hij lag tevergeefs te wachten op een openbaring, tot hij in slaap viel.
***
Dokter Léon Rossini drentelde nerveus heen en weer in het donkere park van de school. De regen ritselde in de bomen, een zacht gestadig ruisen, dat hem om de een of andere reden nog kwader maakte dan hij al was. Die Engelse bullebak! Wat had hij zijn geliefde school aangedaan! Tot die blaaskaak was komen opdagen was het een weldoend pelgrimsoord geweest; de alomvademende deernis van het oude instituut had kans gezien om zelfs de meest destructieve persoonlijkheden in hun tegendeel te veranderen. Neem de dikke eunuch Uria bijvoorbeeld, of die bittere Saraetta, of de briljante dwerg Will, of Jesse, die elders een bandeloze avonturier zou zijn geworden - allen waren zij op hun best in de atmosfeer van tolerantie en eerbied voor ieders unieke persoonlijkheid, die deze wonderbaarlijke plaats eigen waren. En dan de kinderen! Bonny, Bruller McHair, de kleine Lucretia, Himsha het Indiaantje - allemaal zouden ze, elders, emotioneel beschadigd zijn gebleven na het verlies van hun ouders, hun broertjes en hun zusjes in de grote epidemie...
Vlak bij knapte een twijg; plotseling verscheen een zwarte schim in het duister, als bij toverslag. Een van de redenen waarom zij nooit gevangen was genomen was haar vermogen zich onzichtbaar te maken.
‘Goed hoor, Viola,’ zei hij, ‘ik ben diep onder de indruk, zoals gewoonlijk. Hoe ben je dit keer aan komen vliegen? Op een bezemsteel?’
De magere negerin bleek niet in de stemming om grapjes te maken. Hij kon haar gezicht niet zien, alleen haar schim in het duister onder de
bomen, maar hij voelde hoe gespannen ze was en hij wist dat er iets mis was gegaan.
‘Wie is die man?’ Haar stem klonk alsof zij deel uitmaakte van het geruis van de regen, alsof het de stem was van de nacht zelf.
‘Waar heb je het over?’
‘Die vent die vandaag is aangekomen! Die Engelsman!’
‘O, die. Hij is de spreker op de Kwartaalvergadering, volgende week. Hoe dat zo?’
‘Ik heb tien nikkers in het moeras zitten die vanavond nog vervoerd moeten worden!’
‘Nou - en? Wat heeft dat met die Engelsman te maken?’
‘Hij heeft Adam en Penny de stuipen op het lijf gejaagd! Hij jaagt mij ook de stuipen op het lijf! Als hij erachter komt dat we ze in de school verstoppen gaat het dak van het huis!’
‘Kom nou, Viola! Die man mag dan een fanaticus zijn, maar zijn reputatie...’
‘Ik heb schijt aan zijn reputatie!’ siste ze. ‘Ik hou me aan wat ik voel, wat ik ruik. Ik ruik gevaar! Ga Adam en Penny maar vertellen dat ik ze wel ergens anders onder dak zal brengen. Ik hou ze wel vast in het moeras tot morgenochtend. Morgenavond om tien uur precies wil ik Jesse ontmoeten op de kermis, in de neger-evangelisatietent. Tien uur precies. En zeg hem dat hij uitkijkt, want het wemelt van de slavenjagers.’
‘Kan je die mensen nog wel een nacht lang vasthouden in het moeras? Je zei net dat ze dringend vervoerd moesten worden.’
‘Wat de veiligheid betreft zouden ze er nog wekenlang kunnen zitten, maar ze zijn bang van de honden. Ik kan ze honderd keer vertellen dat bloedhonden in een moeras geen cent waard zijn, ze geloven me niet. Ik zal maar wat aarde van het kerkhof voor ze meenemen om op hun voetzolen te smeren, anders krijgen ze het op hun heupen als de uilen beginnen te krassen.’
‘Viola, dit is onzin,’ zei hij, met een begin van kregeligheid. ‘De Engelsman is naar zijn kamer gegaan en blijft daar zeker tot morgenochtend. Er is vannacht geen maan, geen sterveling kan een hand voor ogen zien. Waarom zou je niet...’
‘Omdat ik voel dat het fout gaat!’ riep zij, luid van woede.
‘Sst!’ Haar zenuwachtigheid werkte aanstekelijk. Er was geen reden te fluisteren zo ver van de school, in de regen nog wel. ‘Viola,’ zei hij, ‘schei uit met dat zenuwachtige gedoe en gebruik je hersens. Het is veel gevaarlijker om die mensen vast te houden in het moeras dan om ze hier onder te brengen, waar alles voor ze klaarstaat. Morgenochtend vroeg komen de Browns ze halen en Cletus stopt ze weg onder het stro, net als de vorige keren.’
Hij verwachtte dat zij zou tegenstribbelen, maar ze bewees opnieuw dat ze anders was dan andere vrouwen. ‘Vooruit dan maar,’ zei ze onverschil-
lig. ‘Ik ga ze halen. Maar voor het geval de slavenjagers me te pakken krijgen - hier. Wil je dit voor me bewaren? Stop het maar in je koffertje. Ik krijg het later wel van je terug.’ Zij vond zijn hand in het duister en drukte er iets warms en glads in. ‘Toch’, zei ze, nog steeds op die onverschillige toon, ‘zou je die Engelsman af moeten maken, voor hij ons allemaal in het ongeluk stort.’
‘Viola, luister nou eens...’
Maar ze was verdwenen, even snel en geruisloos als zij was opgedoemd. Hij stond een ogenblik in twijfel of hij de Higginsen zou gaan waarschuwen dat de vluchtelingen onderweg waren, maar hij kwam tot de slotsom dat hoe minder hij rondsloop in het holst van de nacht, hoe beter. Het was onwaarschijnlijk dat de leerkrachten zouden protesteren wanneer zij erachter kwamen wat er gaande was, maar vannacht was niet het moment om uit de doeken te doen dat de school deel uitmaakte van de Ondergrondse Weg.
Hij liep terug door de regen, vond de voordeur gesloten, liep om de school heen en ging binnen door de deur van de bijkeuken, die de hele nacht open was. Eenmaal terug in zijn logeerkamertje naast de jongensslaapzaal stak hij de kaars op het nachtkastje aan en bekeek wat Viola hem in de hand had gedrukt: een plat pakje, in oliepapier gewikkeld. Zij moest het op haar blote huid gedragen hebben, want het was nog warm geweest toen ze het hem gaf. Hij kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en keek wat erin zat. Hij vond wat geld, een enveloppe met een plukje zwart kroeshaar erin, en een brief.
‘Geliefde Vrouw, ik bevint me nu op vrije bodem en ik wenste dat Gij hier met mij waart. Maar Gij zijt niet hier, toen onze wegen scheiden wist ik nog niet dat ik hier zo snel aan zou komen. Ik hoop dat Gij zult trachten ook te komen. Geef de moet niet op. Het speet mij U achter te moeten laten. Gaat maar gauw op het pad en blijf doorzetten ook als Gij bevreest zijt, want ik zal voor U zorgen en U behandelen als een dame voor de rest van Uw leven. Al die praatjes dat het hier zo koud zou zijn, zijn kletskoek. Het is hier warmer dan bij ons toen ik weg ging. De Uwe naar lichaam en geest en als wij elkaar op aarde niet meer ontmoeten, dan zal het in de hemel zijn. Uw egtgenoot. Welterusten.’
Dan was er nog een kranteknipsel, afkomstig uit de Bourbon County Eagle, Kentucky, 12 mei 1829. ‘Vijftig dollar beloning! Negerwijf, luisterend naar de naam Viola, zes voet lang, mager en schonkig, lang gezicht, lange, gele tanden, bloeddoorlopen ogen en het haar in vlechten. Toen zij ontsnapte droeg zij een witte linnen jurk en zij nam tevens een roodzijden japon en een zwarte dito mede, alsmede een wit hemd en een blauw en wit gestreepte katoenen rok. Viola is een doortrapte schavuit. Zij heeft een fokhengst vergiftigd en de stal in brand gestoken, zij heeft de hooischuur van generaal R. Williams platgebrand en zeven paarden op hol doen slaan, waarvan er slechts drie zijn teruggevonden. Zij heeft tevens
tafelzilver en sieraden gestolen ter waarde van 1500 dollar. Zij had handboeien aan toen zij ontsnapte bij de veerpont te Ruddles Mills. Dit is de vijfde maal dat zij wist te ontkomen voor zij aan de sheriff werd uitgeleverd. Speciale kentekenen: een litteken ter grootte van drie inches op haar rechterwang. Meerdere littekens op haar borsten, en één hondebeet op haar linker onderarm. Haar rug vertoont talrijke littekens en striemen als gevolg van herhaalde geseling.’
Hij liet het papier zakken met een gevoel van schaamte.
***
Wat was er met hem aan het gebeuren? Lieve God, wat overkwam hem?
Mordechai Monk lag op zijn knieën naast zijn bed. In het flakkerende kaarslicht gluurden de portretten van George Fox en Margaret Fell misprijzend op hem neer. Hij lag met zijn handen gevouwen, zijn gezicht in de beddesprei gedrukt, in een vergeefse poging om zich voor de verzoekingen van Satan te verschuilen.
Maar hoe hij ook bad, hoe hij ook de geheiligde Naam prevelde, niets kon het visioen uitbannen van de jonge vrouw die hem getart had. Hij zag haar naakt voor ogen, verstikkend van wellust. Terwijl hij smeekte om genade aan de Heer der Heerscharen, zwom in een rode, wolkende schemering de wijdbeense verleidster, kermend in obscene extase. God, smeekte hij, God, verlos me, verlos me van deze duivelin!
Maar zij was niet de eerste die hem zo obsedeerde. Zijn martelgang was begonnen op de dag dat hij voet aan wal zette in Amerika, zes maanden geleden. Er moest iets door en door slechts in de lucht hangen in deze Nieuwe Wereld, een elementaire seksualiteit die hem veranderd had van een kuise weduwnaar in een kwijlende satyr. Direct de eerste dag al was hij overvallen door deze obsessie, deze allesverslindende drift. Hij was in Philadelphia ontvangen door de familie Woodhouse; een groepje Vrienden wachtte hem op in het huis aan de Waterstraat om hem te verwelkomen. Onder hen was een jonge vrouw, in Quaker-dracht, die echter onprettig elegant aandeed. Zij had haar haar strak naar achteren gekamd en droeg een gazen kapje, wulps, speels, dat niets meer te maken had met de zedige Quaker-muts. Zij zat op een bankje; omdat alle stoelen bezet waren maakte zij plaats voor hem en zei: ‘Vriend, kom naast me zitten.’ Hij weifelde, maar gaf aan haar uitnodiging gehoor. Een negerbediende hield hem een dienblad voor met een glas erop. Hij nipte eraan, proefde alcohol, zette het glas weer terug op het dienblad; de jonge vrouw griste het weg en dronk begerig. Verbouwereerd zag hij haar het glas doorgeven aan haar buurman, die eruit dronk en het op zijn beurt doorgaf aan de man naast hem. Was het een Amerikaanse gewoonte om uit hetzelfde glas te drinken? Hij begon een gesprek met haar, vertelde haar dat hij uit Engeland was overgekomen om de Blijde Boodschap te verkondigen. Zij keek hem aan,
haar hoofd opzij, glimlachend, alsof ze het bijzonder amusant vond wat hij zei, en opeens gebeurde het. Misschien was het het glas, waaruit hij zo onschuldig genipt had, misschien was het de warme nabijheid van dat jonge vrouwenlichaam, maar opeens barstte er een brute wellust in hem los; tot zijn walging en ontsteltenis werd hij bevlogen door de wens haar op haar rug te smakken, haar jurk open te rijten en haar te bezitten.
Sinds zijn prille jaren had hij een dergelijke onthutsende impuls niet meer gevoeld. Gedurende enkele ogenblikken zat hij met stomheid geslagen. Toen sprong hij op te midden van dat zondige gezelschap en overstemde hun gekeuvel met een vlammende boetpredikatie. Zelden tevoren had hij met zulk een kracht en zulk een overtuiging gesproken; het was alsof God hem uit de klauwen van de duivel had losgerukt en gevuld met Zijn kracht. Hij verkondigde dat hij een boodschapper des Heren was, dat hij geroepen was hun aan te zeggen dat zij zich moesten afwenden van het pad der zonde, berouw tonen, zich werpen aan de voeten van de Zaligmaker en Hem smeken om genade, want alleen in de absolute gehoorzaamheid aan de onwrikbare wetten Gods kon verlossing worden verkregen, alleen in een onvoorwaardelijk geloof in Christus' zoenoffer aan het kruis konden zij hun zielen van de eeuwige verdoemenis redden. Hij eindigde met hen uit te nodigen te zamen in stille aanbidding hun harten open te stellen voor de tegenwoordigheid Christi. Zij gehoorzaamden, maar het leek eerder een stilte van verbijstering dan van inkeer.
De erotische wensdroom die hem binnen het uur na zijn aankomst in Amerika had overvallen, bleek een bres in de muur waardoor de duivel zich een weg wroette. Die nacht, na tientallen jaren van onbekommerde kuisheid, werd hij bezeten door een wilde vleselijke begeerte. Eerst uitte zich die in dromen over zijn overleden vrouw, toen in visioenen van anderen, niet Emily maar naamloze, gezichtloze vrouwen in geile variaties op de zedige Quaker-dracht.
Hij ontvluchtte de stad, in de hoop dat hij door aan Philadelphia te ontsnappen verlost zou worden van die dromen. Hij trok de wildernis in, langs de pas voltooide heirweg die naar Columbus, Ohio, leidde. Nog nooit had hij zo'n drukke weg gezien. Het leek alsof de diligence waarin hij zat, meegesleurd werd door een stroom van karren, koetsen, wagens, sjezen, kudden schapen, zwijnen, paarden. Het leek een vloedgolf van leven, die blatend, kletterend, mekkerend, loeiend en knorrend voortrolde naar het westen. Hij overnachtte in herbergen, de een al propvoller dan de andere; nog nooit had hij zo'n menigte elkander zien verdringen. Landspeculanten, boeren, marskramers, zakkenrollers, geboefte, allen met wie hij de slaapzolder deelde schenen te vibreren met dezelfde vitaliteit die hij ervoer in zijn dromen. Hij droomde van prairies, waar groepjes gillende vrouwen voor hem vluchtten, opgejaagd door de daverende hoefslag van zijn paard. Hij achtervolgde hen met losse teugel; juist als hij op het punt stond een van hen bij de haren te grijpen en krijsend voor zich in het zadel te tillen,
werd hij bij de schouder geschud of ramde iemand een elleboog in zijn zij of gromde een slaperige mannenstem: ‘Kom nou, dominee! Máák 't een beetje!’ Dan werd hij wakker tussen voerlieden en boeren, of in de hoek van een diligence, met zijn hoofd in de leren gordijntjes.
Alle stadjes die hij aandeed leken op elkaar. Houten trottoirs, witgeschilderde huizen met voortuintjes, de geur van mest en houtrook en een Vergaderingsgebouw vol Quakers die zaten te wachten op de Engelse predikant. Er was geen stoel meer vrij, de mensen stonden in de gangpaden, zelfs in de hanebalken zaten jongens. Het was onthutsend, maar zijn bezoeking door wellustige visioenen bleek hem in staat te stellen de taal van deze wilde, primitieve Quakers te spreken, die zo totaal verschillend was van die der Vrienden in Europa. Zijn zorgvuldig gerepeteerde Londense frasen, zijn zalvende vermaningen vol allegorieën, zijn gescandeerde gebed en lofzang haalden hier niets uit. Zo heet was het in die zalen, zo rumoerig was de menigte, zo ongetemd het oerwoud dat hen omringde dat, als hij hen wilde bereiken, hij alleen maar kon spreken vanuit de withete vuurkorf van zijn onmiddellijke ervaring. Zijn steeds groeiende besef van zonde en verdoemenis gaf hem de kracht en de vertwijfeling om 's mensen verdorvenheid uit te krijsen, zijn reddeloze zondigheid, de vlammen van het hellevuur die zijn naakte lichaam schroeiden. Met de armen uitgestrekt in een hartstochtelijke smeekbede aan het Lam gaf hij stem aan de enige hoop die de zondaar restte: Christus Jezus, genageld aan het kruis in krijsende marteling, om, na het zoenoffer, te herrijzen, gezuiverd, puur, in adembenemende wederopstanding.
Avond na avond, in Vergadering na Vergadering, verloor hij alle besef van tijd en plaats. Gedurende drie uren werd hij de stem van hun vlees, de schreeuw van hun zonde. Nooit tevoren had hij zichzelf blootgegeven met zulk een genadeloze eerlijkheid, noch de Here met zulk een passie geprezen, zulk een spontane dichterlijkheid. Wanneer, aan het eind van zijn gevecht met de antichrist in hemzelf, hij daar stond, hijgend, badend in het zweet, zijn ogen schrijnend van pijn, kon hij soms gedurende één gezegend ogenblik de verlossing ervaren die de begenadigde zondaar wachtte, maar dan werd hij zich bewust van de starende ogen van de vrouwen onder zijn gehoor, hun halfopen lippen, hun wangen rood van opwinding, en met een kreun van wanhoop en woede voelde hij zich terugzinken in de maalstroom die hem naar het westen sleurde, een wervelende massa van copulerend vlees, een vloedgolf van leven, bezeten door een allesverslindende voortplantingsdrift. Hij vocht niet langer tegen de zondige gedachten die hem besprongen bij het zien van jonge vrouwen; hij hunkerde iedere dag opnieuw naar die drie uren van verlossing waarin hij stem kon geven aan de verdorvenheid en de verdoemenis van de samengepakte menigte, de handen smekend opheffen uit die gillende, hijgende kudde van tweeruggige beesten: ‘Christus! Christus, vergeef ons! Verlos ons, verlos ons uit de eeuwige duisternis...’
Maar ook al scheen er soms een antwoord te komen op zijn gebed, het duurde nooit langer dan enkele ogenblikken. Vanavond, in het logeerkamertje van de Rebekka Baker Kostschool, bleef het antwoord geheel uit. Niets, niets kon de beheksing verjagen van de wijdbeense, naakte jonge vrouw die hem getart had en die hij, als een verdoemde in de hel, steeds maar weer overmeesterde en bezat in de koortsvisioenen van zijn wellust. Vertwijfeld, snakkend naar bevrijding, rommelde hij in zijn valies naar zijn talisman, Emily's laatste brief. Haar rustige stem verdreef ook ditmaal de foltering van zijn bezetenheid.
‘Heeft niet onze Zaligmaker de volmaaktheid bereikt door onbeschrijfelijk lijden? “Ik heb de wijnpers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij.” Maar hij vergezelt tot op de huidige dag Zijn kinderen in al hun beproevingen. Zijn Tegenwoordigheid redt hen, en die zal ook jou redden. Zie op naar Hem alleen, geliefde Mordechai, werp je last op Zijn schouders, mijn hart...’
O, lieve, lieve ziel, lieve vrouw, morgenster, licht van zijn leven! Waarom was zij van hem weggenomen? Waarom, waarom?
Snikkend viel hij voorover op het bed, roepend: ‘Emily! Emily!’
***
In het kamertje daarnaast werd Abigail McHair-Baker met een schok wakker bij het horen van een schor gegil.
In haar verwarring dacht ze dat zij en Cleo weer in de stormkelder zaten, verlamd van schrik, terwijl buiten Becky's gegil langzaam zwakker werd en eindigde in een gerochel. Haar hart bonsde in haar keel, ze had een gevoel alsof ze stikte; maar toen alles stil bleef, kwam ze langzaam tot het besef waar ze was. Zij ging overeind zitten, sloeg de dekens van zich af en stapte het bed uit. Ze kon het niet langer uithouden in dit kleine hokje; nog steeds half in die nachtmerrie dwaalde zij, in haar nachtpon, de gang in, de trap af naar de hal. Toen ze de zware voordeur met moeite had opengetrokken, raakte zij weer verstrikt in het verleden.
De nacht rook naar regen. Zwarte wolken, die de maan spookachtig bedekten, dreven boven het oerwoud. Toen de maan weer een ogenblik te voorschijn kwam zag ze het standbeeld van Becky, de armen omhoog-gestrekt naar de wolken. Ze wist dat het een standbeeld was, maar toen zij erheen strompelde werd het levend. Zij trachtte, in die droom, tevergeefs het voetstuk te beklimmen, om Becky vergiffenis te gaan vragen omdat zij haar niet te hulp was gekomen toen zij zo vreselijk had gegild. Toen zag ze de Indianen.
Zij kwamen het oerwoud uit, regelrecht op haar af. Ze wilde gillen, maar kon geen geluid voortbrengen. Ze trachtte te vluchten, maar werd verlamd door het besef dat het nu zou gaan gebeuren, hetzelfde wat er met Becky was gebeurd. Toen de Indianen naderbij kwamen vond zij de kracht voor
een laatste verzet; ze deed wat ze tegen andere kinderen had gedaan toen ze klein was: ze deed een tijger na, met haar handen als klauwen naast haar gezicht, roepend: ‘Boeh! Boeh!’ Ze wist dat het dit keer niet lukken zou, want dit waren Indianen, geen kinderen. Maar ze stonden stil, lalden van de schrik, maakten rechtsomkeert en holden terug het bos in.
Zij zakte in elkaar en lag op de grond te snikken toen iemand een arm om haar schouder sloeg. ‘Cleo!’ jammerde zij. ‘Cleo, alsjeblieft, alsjeblieft, laat ze me niet pakken, Cleo, alsjeblieft, laten ze me niks doen...’
‘Stil maar, baby, stil, stil,’ zei Cleo sussend en wiegde haar met grote tederheid in haar armen. Ze hoorde stemmen, mannenstemmen, toen kwam een lantaarn aangeschommeld en zij liet zich wegdragen, weg van de negerin die zo lief voor haar was geweest.
***
Toen dokter Rossini en de andere mannen die uit de school waren komen hollen de oude vrouw naar binnen droegen, verloor Viola gedurende enkele ogenblikken de moed, wat haar niet vaak overkwam. God wist waar die krankzinnige nikkers heengevlucht waren in hun angst voor het witte spook. Als het een beetje wilde holden ze regelrecht in de armen van de slavenjagers, die buiten het hek van de school stonden te wachten. Ze voelde de opwelling zelf ook te vluchten, maar dan in tegenovergestelde richting, en hen aan hun lot over te laten.
Het duurde maar een ogenblik, toen had ze zichzelf weer in de hand en ging op zoek naar de voortvluchtige stakkers. Ze had zo'n idee dat ze de weg waren overgestoken en het kerkhof ingehold, want dat was de weg waarlangs ze gekomen waren. Waarschijnlijk zouden ze op een kluitje aan de oever van het meer zitten; ze zouden in geen geval zelf weg durven roeien, omdat ze als de dood waren voor dat duistere, spookachtige water.
Tenminste, dacht ze, laten we dat hopen.