terug  begin  verder
[p. 35]

Twee

De volgende morgen werd Uria Martin, het hoofd van de jongensafdeling, wakker met een akelig voorgevoel. De ramen van de slaapzaal waren blauw van de dageraad; niets bewoog in de rijen ijzeren kribben in het schemerdonker; toch wist Uria, zodra hij de ogen opende, dat er vanmorgen iets mis zou gaan. Het gedoe gisteren met die Engelse Vriend, de toestand midden in de nacht toen de oude Abby de school was uitgestrompeld, alles scheen op dat moment alleen maar de bliksem te zijn geweest die nu gevolgd zou worden door de donder van een opstand onder die rotjongens.

De gedachte alleen al maakte hem misselijk van de zenuwen. Hij wist uit ervaring dat hij hen niet de baas zou kunnen blijven. Er was maar één iets dat hem een hartversterking zou kunnen geven, maar de kater daarna zou afgrijselijk zijn. Toch kleedde hij zich aan en sloop op zijn tenen met zijn schoenen in zijn hand de slaapzaal uit, de trap af, het souterrain in, naar de keuken, waar Penny Higgins de avond tevoren het ontbijt van de kinderen had klaargezet.

In de deuropening begon hij al te watertanden bij het zien van de rijen kommetjes met griesmeelpudding, ieder met een putje bessesap erin en lange beschuitjes. Het was het speciale ontbijt voor de feestdagen, een traktatie waarop de kinderen zich al weken van tevoren verheugden. Hij deed een halfslachtige poging om zich te beheersen, draaide zich half om en zei tegen zichzelf: ‘Niet doen, Uria, niet doen! Het is zondig, het is gemeen! Je staat weer op het punt jezelf in een varken te veranderen! Niet doen, Uria, niet doen...’

Als hij zich nu werkelijk zou omdraaien en de trap weer opgaan zou hij zich gedurende enkele ogenblikken rechtschapen voelen, maar zou dat iets veranderen aan het feit dat hij geen orde kon houden? Dat hij geen greintje autoriteit bezat? Dat hij een rariteit was, rijp voor de kermis? Dat zodra ze hem zagen zelfs de meisjes achter hun schorten begonnen te giechelen? Dat, hoewel de jongens hem in zijn gezicht ‘Meester Uria’ noemden, zij hem de bijnaam hadden gegeven van ‘Pudding op Poten’? Vooruit, Pudding op Poten, dacht hij smalend, wat heb je eraan jezelf voor de gek te houden? Wat is er tegen een klein hapje vooraf te nemen om je te sterken, voor de kleine krengen uit hun kooien springen en de boel gaan afbreken? Kom, neem een opkikkertje, je weet heel goed wat er anders gaat gebeuren: als je je nu beheerst worden de jongens er aanstonds de dupe van. Dan

[p. 36]

begin je te krijsen en te gillen en je probeert hun muilperen te geven die natuurlijk nooit raak zijn en dan krijgen ze de stuipen van het lachen bij het zien van Pudding op Poten die een toeval krijgt...

Hij gaf de strijd op, liep naar het aanrecht, sloot de ogen voor een halfslachtig tafelgebed en kreeg het op zijn heupen. Want nauwelijks had hij de eerste hap griesmeelpudding met bessesap geproefd of hij begon te slurpen, te schrokken als een bezetene, zonder te beseffen wat hij aan het eten was. Hij at alles wat hij te pakken kon krijgen: koude kip, aardappelpuree, gekookte maïs, meloen, de taartjes voor het toetje, vuisten vol geraspte kaas, lepels vol honing. Hij barstte de bijkeuken in en slurpte de room van de melk, die zo dik was in de morgenkoude dat hij ze er in vellen af kon lichten. Toen hij ten slotte hijgend, boerend tegen de muur leunde, kwam hij tot zichzelf. De keuken zag eruit alsof er een beer in had huisgehouden. Hij had het feestontbijt voor wel twintig kinderen verslonden en hij had nóg niet genoeg. Als hij nog één hap naar binnen had kunnen wurgen zou hij het gedaan hebben. Maar nu, huilend, klotsend als een waterzak, vluchtte hij weg van de ravage die hij had aangericht.

Hijgend van inspanning hees hij zich de trap naar de slaapzaal op, verbijsterd door zijn eigen gedrag. Waarom? Waarom deze walgelijke, zinneloze zwelgpartij, die hem alleen maar doodziek maakte? Het was krankzinnigheid, een vloek die op hem rustte, een verslaving, net als het roken. Daar had hij verleden jaar af weten te komen, na bovenmenselijke inspanning, maar dat kon je nu eenmaal niet met eten doen. Je moest eten, anders ging je dood...

Toen hij aankwam op de overloop van de jongensafdeling hoorde hij al uit de verte een kabaal van knallen, bonzen, gillen, het krassen van ijzeren beddepoten die over de cementen vloer geschoven werden. Hij voelde de opwelling om te vluchten en zich in de gereedschapsschuur te verstoppen, maar Penny Higgins moest inmiddels in de keuken zijn aangekomen en hij dorst de kans niet te lopen haar onder ogen te komen. Er zat niets anders op, hij moest zich met het tuig in de slaapzaal meten.

Hij rukte de deur open. De chaos was onbeschrijfelijk. De jongens zaten elkaar achterna tussen de bedden, in hun nachthemd, gillend, krijsend, smijtend met kussens. Terwijl hij daar stond trof hem ineens de gedachte dat de Engelse Vriend weleens op het lawaai zou kunnen afkomen. Brullend begon hij, als een woedende olifant, te dansen tussen de rondspringende apen. Hij gilde machteloze bevelen en belachelijke verwensingen, zijn stem nog hoger dan gewoonlijk, een verwijfde gilpin. De jongens kregen de slappe lach; honend, sarrend sprongen ze om hem heen. Toen, opeens, stond hij oog in oog met Bruller McHair, zonder twijfel de aanstichter van dit alles, want nauwelijks stonden ze tegenover elkaar of de slaapzaal werd stil.

Bruller vroeg, met geveinsde onschuld: ‘Mag ik even naar achteren, Meester Uria? Ik kan het niet langer ophouden.’

[p. 37]

‘Lieg niet, ellendeling!’ gilde hij. ‘Ik weet dat je net geweest bent!’ Dat was onzin, hij wist niets van dien aard, het enige dat hij wist was dat hij de jongen nu zou moeten laten gaan, maar hij kon zichzelf er niet toe brengen. Hij moest op de een of andere manier zijn gezag laten blijken.

‘Maar ik moet wéér, Meester Uria!’ drensde de jongen. ‘Ik heb 't op m'n water, vanmorgen!’

De jongens giechelden, Uria balde de vuisten. ‘Hou je platte bek!’ gilde hij.

De jongens lachten nu voluit en begonnen elkaar te duwen. ‘Het is de opwinding, Meester Uria,’ zei Bruller, grijnzend. ‘Ik heb aan één stuk door moeten piesen nadat die Engelse Vriend me verteld heeft dat mijn neefje een nikker is.’

Opeens klonk er een kalme kinderstem. ‘Bruller, dat is geen stijl. Je weet trouwens heel goed dat het jou niets kan schelen of Bonny een neger of een Indiaan of een Eskimo is. Je zegt het alleen maar om te plagen. Is dat niet zo?’

Uria draaide zich om. Het was kleine Will. Hoe speelde hij het klaar? Daar stond hij, drie turven hoog, niet zwaarder dan een flinke hond. En daar stond Bruller, een hoofd groter, ineens zo mak als een lam.

‘Ach, zo maar, Meester Will,’ zie de jongen, vergoelijkend, ‘ik, nou ja, ik bedoel 't niet zo.’

‘Je moet je niet tegenover mij verontschuldigen,’ zei Will, ‘maar tegen je neef. Vooruit. Ga je gang.’

Bruller gehoorzaamde mokkend. ‘Het spijt me, Bonny,’ gromde hij.

Bonny, die op het punt had gestaan hem te lijf te gaan, zei: ‘Kan mij niet schelen, hoor, jij kletst maar aan.’

‘Hij bedoelt: dank je, Bruller,’ zei Will. ‘Nu, laten we ons allemaal gaan aankleden, onze bedden opmaken, het ontbijt staat klaar.’

Hoe leverde Will het hem? Daar gingen de jongens, zonder protest. Ze waren ineens rustig. Will keek op naar zijn broer en zei: ‘Uria, ik wou 's even een woordje met je spreken.’

Uria wist wat hem te wachten stond. De keuken moest in rep er roer zijn. Nu zou de kleine heilige hem vriendelijk, geduldig en liefdevol de les lezen in de galmende tunnel van de gang, waar iedere fluistering in de hele school te horen was. Hij nam zich voor dat hij nooit meer zou ontbijten, nóóit meer, voor de rest van zijn leven.

Tien minuten later deed hij dat besluit teniet nadat Penny Higgins, met haar hoofd door het doorgeefluik, de kinderen verteld had dat er katten aan hun ontbijt geweest waren en dat daarom iedereen vanmorgen alleen maar een boterham zou krijgen.

Misselijk in het vooruitzicht van wat de rest van de morgen brengen zou, besloot Uria toch nog maar een hapje te nemen en eindigde met een driedubbel ontbijt, tot hij zich bij het opstaan voelde als een drachtige zeug.

[p. 38]

***

 

In tegenstelling tot de jongensvleugel, waarvan het kabaal op de binnenplaats te horen was geweest, leek de meisjesvleugel een klooster, zo stil was het er toen Obadja na het ontbijt een bezoek ging brengen aan zijn nichtje Himsha Woodhouse. De ingetogen, zedige meisjes in hun grijze jurkjes leken door de stilte te zweven als kuise begijntjes.

Zijn nichtje, dat hem met een glimlach verwelkomde, ging naast hem zitten op de bezoekbank in de hal, met de handen in de schoot. Obadja babbelde, een beetje daas en ademloos, over haar ouders, over Philadelphia, over het Indiaanse reservaat waar zij woonde, over de school; uiteindelijk werd de manier waarop het kind hem zwijgend zat te observeren hem te machtig. Zij was beeldschoon, met een vreemde, intimiderende waardigheid. Waar had ze die vandaan? Haar ouders leidden maar een mager bestaan onder de Hunis, als de laatste twee machteloze vertegenwoordigers van het Genootschap der Vrienden, op het punt te bezwijken onder de overweldigende druk van de Katholieke Kerk. In Philadelphia sprak men over hen als ‘de verloren tak’ van de familie; zij waren de nakomelingen van zijn achteroom Joseph, die een jaar of zeventig geleden in die bergen verdwenen was met zijn Indiaanse vrouw om onder de lievelingswilden van de legendarische Gulielma Woodhouse een schooltje te beginnen. De familie had de lotgevallen van dat liefdespaar trachten te veranderen in een romantisch sprookje; maar geen verguldsel kon het feit verbergen dat zij geen weerstand hadden kunnen bieden aan de Hunis; nu was de verloren tak - praktisch gesproken - honderd procent Indiaans.

Het meisje zat bedaard naar hem te luisteren terwijl hij verstrikt raakte in zijn idiote gebabbel, dat op normale kinderen van haar leeftijd was afgesteld. Ten slotte besloot hij zijn rol als oom maar te vergeten en vroeg: ‘Ik neem aan dat je alles afweet van je achteroudtante Gulielma?’

Zij antwoordde: ‘O ja, ze is nog steeds bij ons.’

Hij dacht dat het een van die kwezelachtige frasen was waarvan de Quakers het geheim schenen te bezitten; toen vervolgde zij: ‘Ze zit nog steeds op een stenen troon in de ingang van de vleermuisgrot. Ze ziet er natuurlijk niet al te fris meer uit, maar mijn volk aanbidt haar. Er zijn geregeld erediensten, waarbij om haar heen gedanst wordt en geknield en gejammerd. Het is nu moeilijk meer te zien, maar zij moet wel een heilig iemand geweest zijn.’

Hij keek naar haar met afgrijzen. ‘Ik ... wat interessant, zeg ... Hoe, eh, zit ze er eigenlijk bij?’

‘Nou, ze heeft een leren pak aan, en een hoed op met een pijl erdoor. Haar gezicht en haar handen zijn nu zwart geworden, maar je kunt toch nog duidelijk zien dat het een mens was. Het enige dat ze destijds niet konden opzetten waren haar ogen. Die hebben ze vervangen door maanstenen.’

[p. 39]

‘Nee toch...’

‘Als ik thuis ben ga ik dikwijls 's avonds voor haar zitten. Bij zonsondergang lijkt het soms net of haar ogen leven. Als kind bad ik tegen haar en vertelde haar van alles en vroeg weleens om raad. Nu ga ik gewoon maar zitten kijken naar de zon in haar ogen en denk eigenlijk aan niets. Net als tijdens samenkomst.’ Zij glimlachte tegen hem. Hij zat haar sprakeloos aan te staren, toen een plotseling tumult op de binnenplaats zijn aandacht afleidde. Hij hoorde een boze stem schreeuwen; er kon geen twijfel aan bestaan wie het was. Wat was er nu weer met Mordechai Monk aan de hand? Hij nam haastig afscheid van zijn nichtje en holde naar buiten.

De oude man stond blootshoofds in de zon, zijn hoed in beide handen alsof hij die presenteerde, omringd door onderwijzers en leden van het schoolbestuur. ‘U kunt het met uw eigen ogen zien!’ brulde hij. ‘Kijk! Is die nat of is hij niet nat!? Kijk!’

Obadja kwam naderbij en keek naar de hoed waarop aller aandacht was gevestigd. Hij kon er niets bijzonders aan zien, behalve een paar druppeltjes water. Toen wees Mordechai Monk naar de ramen van de eerste verdieping, waar een rij jongensgezichten naar hen gluurde en hij galmde: ‘Eén van die onverlaten daar heeft de treurige moed gehad mij op het hoofd te wateren!’

Als het zo was, was het niet meer dan een kinderachtige kwajongensstreek, maar de volleerde acteur zag kans het te veranderen in majesteitsschennis, bijna godslastering.

Abner Best stamelde: ‘Maar Mordechai Monk, hoe kom je op dat idee...?’

‘Ik heb het gezien!’ brulde het monster. ‘Ik heb met mijn eigen ogen één van die vlerken op de vensterbank van dat raam daar zien staan met zijn broek open ... Kijk!’ Weer wees hij op de ongelukkige druppeltjes op zijn hoed.

‘Er is maar één oplossing!’ Het was de achterbakse vrouw van het hoofd van het schoolbestuur, Amanda Tucker. ‘Iemand moet naar boven gaan en die jongen achterhalen! Dit is een schande! Kom, waarde Vriend.’ Zij greep Mordechai Monk bij de arm en troonde hem mee naar de voordeur. ‘Wij gaan naar boven en rusten niet voor we de schuldige te pakken hebben. In de tussentijd, sta me toe...’ Zij nam hem zijn hoed af en droogde die met haar schort.

Het was te mal om los te lopen, maar Obadja moest het tweetal wel volgen, want dat deed iedereen. Hij kon, op dat moment, de misselijke aansteller niet meer luchten of zien. Waarom moest de man overal zo'n drama van maken? Hij had zijn mond altijd vol over de liefde tijdens zijn preken, maar in het dagelijkse leven ... Terwijl hij achter de anderen aan de trap naar de eerste verdieping opliep, voelde hij een grote sympathie voor de jongen die op zo'n kernachtige wijze aan zijn gevoelens uitdrukking gegeven had. Wie hij ook was, het was een verwante ziel.

[p. 40]

Mordechai Monk liep met forse schreden naar de deur van de slaapzaal, wierp die open en stapte naar binnen. Zijn beduusde volgelingen liepen te hoop in de deuropening. Te midden van een groep jongens stond de schouderloze vetzak Uria Martin te hijgen van angst, met ogen als schoteltjes.

‘Wie heeft dit gedaan!? Wie van jullie heeft de treurige moed gehad de kleding van een gezant des Heren te bezoedelen?’

Niemand antwoordde, iedereen stond beduusd te staren naar de reus met de witte manen, de vlammende ogen, de zwarte hoed, die hij opnieuw als corpus delicti voorhield aan de menigte.

‘Antwoordt, ellendigen!’ Mordechai Monk hief de hoed op alsof het Stenen Tafelen waren. ‘Antwoordt, voor de bliksem Gods u in de nieren treffe!’

Het was een schandelijke aanstellerij. Iedere volwassene die stond toe te kijken zonder tussenbeide te komen moest zich schamen; maar ook Obadja kon zich niet aan de hypnotische macht van de man onttrekken.

Eindelijk stamelde de lamlendige Uria Martin: ‘Ik denk, ik weet ... ik denk dat ik weet wie het gedaan heeft ... Bruller McHair ... Bruller ... McHair...’ Hij zocht naar de schuldige in de roerloze gelederen van de jongens en wees hem aan. ‘Daar! Daar staat hij!’

De beschuldigde stond versteend, een toonbeeld van onschuld. De dikke onderwijzer waggelde naar hem toe en greep hem bij de schouder. ‘Jij hebt mij een tijdje geleden gevraagd of je naar achteren mocht. Jij hebt het gedaan! Ik weet dat jij het gedaan hebt! Ik kan het niet bewijzen, maar ik wéét het!’

Ik kan het bewijzen!’ zei Mordechai Monk, met Mozaïsche plechtigheid.

Zelfs Obadja kwam een ogenblik onder de indruk van 's mans majestueuze toorn. Mordechai Monk ging op de beschuldigde toe, legde de hand op zijn hoofd, alsof hij op het punt stond hem te dopen, en vroeg beminnelijk: ‘Vertel mij eens, vriendje: heb jij inderdaad gevraagd of je naar achteren mocht?’ Zijn vriendelijkheid was angstaanjagend. De jongen staarde hem sprakeloos aan. ‘Kom, kom,’ drong Mordechai Monk aan, als een spinnende kater, ‘ik ben alleen maar geïnteresseerd in de waarheid. Heb jij gevraagd of je naar achteren mocht, of niet? Antwoord, jonge vriend.’

De jongen slikte en fluisterde: ‘Ja, Mees- men- Vriend...’

‘En ben je inderdaad naar achteren gegaan? Antwoord.’

‘N-nee...’

‘Heb jij dan mijn hoofddeksel bezoedeld?’

‘O nee, nee men- eh- Vriend, nee hoor...’

‘Goed dan,’ zei Mordechai Monk glimlachend, en hij klopte zijn slachtoffer op het hoofd. ‘De Meester hier en ik zullen je vergezellen naar de retirade. Daar gaan we ieder aan een kant van je staan en wachten op wat er gebeurt. Komt er wat, dan ben je onschuldig. Komt er niets ... Ga mee.’

Een vrouwenstem verbrak de ban. ‘Ik vind dit walgelijk!’ Het was Lydia

[p. 41]

Best. ‘Mordechai Monk, ik schaam me voor je! Ik schaam me voor mezelf, dat ik er al die tijd naar heb staan luisteren! Ik schaam me als ik aan de heilige Vrienden denk die de naam Quaker tot een erenaam hebben gemaakt! Mordechai Monk, je verkeert in staat van zonde!’ Zonder zijn antwoord af te wachten draaide zij zich om en liep de gang af.

Obadja wachtte niet op de uitwerking van haar dolle daad; hij volgde haar toen zij in het trappenhuis verdween. Hij hoorde het geklepper van haar muiltjes op de stenen treden; op de overloop gekomen zag hij nog net de voordeur achter haar dichtgaan.

Hij moest hollen om haar in te halen; pas in de moestuin lukte het hem, tussen twee rijen sperziebonen. ‘Lydia Best...’

Zij keek verschrikt om.

‘Je moet het me niet kwalijk nemen,’ hijgde hij, ‘ik moest - ik moest het je vertellen - je hebt me werkelijk de woorden uit de mond genomen. Je - het was geweldig!’

Hij had niet de indruk dat zijn loftuiting in goede aarde viel.

‘Je moet er geen spijt van hebben,’ vervolgde hij, ‘hij verdiende het! Dubbel en dwars! Het werd hoog tijd dat iemand hem de waarheid zei, je was geweldig! Dank je, Vriendin Lydia, uit de grond van mijn hart!’

Zij keek hem met die lichtbruine ogen achterdochtig aan. Ze was nog knapper dan toen hij haar voor het eerst bewonderd had. Haar muts hing op haar rug, een haarlok, losgeraakt uit haar kapsel, hing over haar voorhoofd en gaf haar een onthutsende begeerlijkheid.

‘Ik trek nu al drie maanden met hem op,’ vervolgde hij, ‘als een soort trait-d'union tussen hem en de Maandvergaderingen, maar laat me je vertellen...’

‘Vriend,’ zei ze koeltjes, ‘je zou ons allen een grote dienst bewijzen als je ons van de tegenwoordigheid van Vriend Mordechai zou willen verlossen. Ik smeek je, Vriend: ga naar huis!’ Ze keerde hem de rug toe en vervolgde haar weg tussen de rijen bonen, haar muts op de rug.

Hij ging haar achterna. ‘Vriendin Lydia!’ riep hij, ‘begrijp me niet verkeerd. Alsjeblieft! Ik heb mezelf niet goed uitgedrukt...’

‘Goedemorgen, Jesse!’ Zij wuifde naar iemand aan de andere kant van de bonen.

Een mannenstem antwoordde: ‘Wat is er loos, poesje? Kun je ze niet meer van je afslaan?’ Het was de jongeman met de harde handen, de leider van de schoolboerderij. Zijn grijns maakte dat Obadja zich omdraaide en terugliep naar de school, met het gevoel dat hij een figuur geslagen had.

 

***

 

Toen Lydia de jongeman weg zag lopen had zij er spijt van dat zij Jesse erbij had gehaald; het was niet nodig geweest hem voor schut te laten staan. Zij keerde Jesse de rug toe en wilde het burgerheertje achternagaan,

[p. 42]

maar Jesse brak door de bonestruiken heen en versperde haar de weg. ‘Wat zullen we nou hebben?’ Hij legde zijn handen op haar schouders. ‘Wou je mij ook een blauwtje laten lopen?’

Haar boosheid was niet bestand tegen zijn overwicht. Hij was zo sterk, zo mannelijk vergeleken met de anderen. Het was alsof hij met die handen alle gespannenheid van haar wegnam, maar ze was niet van plan dat te laten merken. ‘Is dit de manier waarop je de meisjes behandelt die je zout op hun staart legt tijdens de Jaarvergadering? Dat moet dan een ander soort zijn dan ik.’

Hij glimlachte. ‘Poesje mauw kom maar gauw,’ zei hij gemoedelijk. ‘Wat zou je ervan zeggen als wij vanavond eens naar het Letterkundig Genootschap gingen?’

‘Is er dan een lezing?’

‘Over prehistorische Egyptische beelden, met lantaarnplaatjes. Een professor uit Fort Wayne.’

‘Sinds wanneer zijn er professoren in Fort Wayne?’

Zijn handen grepen haar schouders vaster. ‘Wat doet het ertoe? Ik ga er niet heen vanwege de professor, maar vanwege jou.’

Zijn agressieve openhartigheid maakte dat ze zich onmiddellijk in haar schulp terugtrok. ‘Het spijt me,’ zei ze nuffig, ‘maar vanavond ben ik verhinderd.’

Hij liet haar gaan, zei: ‘Mij best, hoor,’ draaide zich om en verdween, dwars door de sperziebonen.

Zij weerstond de verleiding hem achterna te gaan; toen schoot haar opeens iets te binnen. ‘Jesse McHair!’ riep zij verontwaardigd tegen de bonen. ‘Er is vanavond geen lezing! Vanavond is Zakenvergadering!’

Er kwam geen antwoord; zij dacht dat hij al weg was. Toen verscheen zijn glundere gezicht in het groen van de bonenhaag. ‘Laten we dan naar de kermis gaan.’

‘De kermis...?’ Zij was nog nooit van haar leven naar een kermis geweest. Het was het toppunt van wereldsheid.

‘Liefje,’ zei hij toen hij haar ontsteltenis zag, ‘je zult toch eens een grote meid moeten worden. Wat denk je dat er op de kermis met je zou kunnen gebeuren, zolang ik erbij ben? Al komen er vijf Ierse zatladders tegelijk op je af, ik zal ze wel voor je beentje lichten, hoor.’ Hij grinnikte. ‘Op een Vriendschappelijke manier natuurlijk, vanwege het beginsel van de geweldloosheid.’

Wat hij daar allemaal zei was zo schandalig en tegelijkertijd zo opwindend, dat zij eruit flapte: ‘Nou, goed. Hoe laat en waar?’

Hij keek haar onderzoekend aan. Het was duidelijk dat hij dit antwoord niet verwacht had. Tot haar ontsteltenis voelde ze dat ze bloosde onder de blik van die mannelijke ogen. ‘Halfacht, bij het hek.’

‘Dat is te vroeg. De lampen in de meisjesafdeling gaan pas om acht uur uit’

[p. 43]

‘Halfnegen dan.’ Hij wachtte haar antwoord niet af, zijn gezicht verdween.

Zij staarde naar de groene heg waarachter hij verdwenen was. Wat bezielde haar om naar een kermis te gaan? Uitgerekend met Jesse! Ze begreep het niet; soms leek het wel alsof ze in wezen een heel ander iemand was dan de oude vrijster die zij voorwendde te zijn en die zij zo langzamerhand zelf als de ware Lydia Best was gaan accepteren. Er waren ogenblikken, wanneer zij met open ogen in het donker lag te staren nadat zij de kaars had uitgeblazen, of wanneer zij een kind hoorde huilen, of een spelende jongen opeens doodstil in het gras zag liggen, dat ze opeens besefte dat ze verknipt was door wat zij had beleefd, de dingen die zij gezien had tijdens de epidemie. Het beeld van die stervende kinderen achtervolgde haar nog steeds; soms leek het alsof ze zich bewoog in een halfslaap, waaruit zij ieder ogenblik wakker kon schrikken in de donkere zaal, gewekt door het gehuil, de kreten om hulp van al die stervende kinderen. Waarom had God toegestaan dat zij op zo'n afschuwelijke manier aan hun eind kwamen? Hoe kon een God van Liefde...

Zij onderdrukte die gedachte. Het had geen zin zich te laten gaan in zinneloze beschuldigingen waarvan het eind zoek was. Wat bleef er over als zij zelfs aan de liefde Gods ging twijfelen? Nee, zij zou die last gedurende de rest van haar leven moeten dragen, als een kruis. Ze liep terug naar de school, woedend dat zij zich door Jesse had laten overhalen om naar die ongure kermis te gaan. Het was gewoon belachelijk. Er was geen sprake van. Ze zou hem vertellen dat ze hoofdpijn had of dat Saraetta haar gevraagd had de avondwacht over te nemen omdat Saraetta hoofdpijn had...

Maar zij kreeg hem de dag lang niet te zien. Hij kwam zelfs niet opdagen voor het avondeten. Nu zat er niets anders op, ze moest naar het hek gaan op het afgesproken uur om hem te vertellen dat het niet doorging. Maar waar bleef die jongen? Gedurende de maaltijd werd ze steeds rustelozer; tijdens de avondsamenkomst werd het haar te machtig. Toen Mordechai Monk begon te getuigen moest ze zich geweld aandoen om niet op te staan en weg te lopen. Die brulkikker kon wel een uur blijven kwaken; in dat geval haalde ze het nooit, want eerst moest ze de kinderen naar bed brengen, er een minuut of tien bij blijven nadat de lampen uit waren om zeker te zijn dat alles rustig bleef. Tegen de tijd dat ze het hek bereikte zou Jesse er al lang de brui aan hebben gegeven.

Maar Mordechai Monk nam genoegen met het voorlezen van een bijbeltekst en de aanmaning om daarmede ‘het diep van de stilte te zoeken’. Daarna ging hij weer zitten, met een onhoorbare zucht van verlichting van de kant van de gemeente. Ook wat de meisjes betrof had ze die avond de wind mee: er waren geen snibbige ruzies in het waslokaal, geen gegiechel nadat de lampen waren uitgedaan; na een minuut of vijf ijsberen waagde zij het erop en sloop de zaal uit. Er was niemand op de

[p. 44]

gang en ook niet in het trappenhuis; ze hoorde gefluister in de hal en wachtte tot het stil werd. Daarna glipte zij de voordeur uit, nam de korte weg door het perk langs het standbeeld en haastte zich de donkere oprijlaan af naar het hek, waar zij op slag van halfnegen aankwam. Nauwelijks stond ze daar, hijgend, zonder taal of teken van Jesse, of ze werd weer overvallen door twijfel. Ze leek wel niet goed wijs! Wat ging ze zeggen als hij kwam? ‘Moet je horen, Jesse, als je denkt dat het feit dat ik met je meega naar de kermis inhoudt...’ - Wat inhoudt? Wat was dat voor nonsens? Ze was hier gekomen om hem te vertellen dat ze niet mee zou gaan! Maar ze wist dat als hij mocht opdagen zij toch met hem mee zou gaan. Niet zo maar, gewillig, als een schaap, o nee! Eerst zou ze zeggen: ‘Ik heb de hele dag vergeefs op je gewacht. Waar was je in vredesnaam?...’ Ja, waarom was hij niet komen opdagen voor het avondeten, voor samenkomst? Opeens stond haar hart stil: er was een ongeluk gebeurd! Er was iets met hem! Hij was gewond, misschien wel dood! Voor ze wist wat ze deed holde ze de straat op, in de richting van het oude Vergaderingsgebouw. Toen hoorde zij zijn stem in het duister en stond stil.

‘Wat zit je nu weer achterna? Een spook?’

Zijn zelfverzekerdheid maakte haar woedend. ‘Als het je interesseert: ik liep zo hard omdat ik dacht dat er iets met je gebeurd was!’

Hij legde zijn hand op haar arm, maar zij rukte zich los. ‘Waar heb je de hele dag gezeten?’

‘Ik had er geen idee van dat je me zo zou missen.’

‘Missen? Als jij je verbeeldt...!’

‘Kalm aan maar, kalm. Haal maar eens diep adem, geef me een arm en dan gaan wij gezellig naar de kermis.’

O, die verwaandheid! Ze kon hem wel trappen! Maar in haar hart zwichtte ze voor zijn mannelijke overwicht. Toch zou het beter zijn als ze hem nu, meteen al, duidelijk maakte hoe de zaken stonden. Toen hij haar bij de arm nam stond ze stil en zei: ‘Jesse, moet je goed luisteren. Ik doe dit omdat ik nu ook eens een kermis wil zien. Het betekent niet dat ik van plan ben ... dat ik zou ... dat ik...’ Ze kon niet uit haar woorden komen, want dit was niet wat ze had willen zeggen.

Hij drukte haar arm. ‘Maak je maar niet ongerust hoor, liefje. Ik zal je onbezoedeld weer aan je meisjes afleveren. Nou, ga mee, wij gaan pret maken.’

Ze gaf het op. Arm in arm staken zij de donkere straatweg over, naar het laantje langs het meer.

Toen zij het kermisterrein naderden en toortsen tussen de bomen zagen flakkeren en de eerste rauwe kreten van dronkemansjool opvingen, drukte Lydia zich vaster tegen hem aan. De open plek in het oerwoud, waar de bomen gekapt waren om ruimte te maken voor het kanaal, wemelde van de mensen. Aan de rand van het bos stonden tientallen

[p. 45]

wagens en sjezen, in het bos zelf hinnikten en briesten paarden. In het toortslicht waggelden dronken Ierse arbeiders lallend langs de wagens; zij zou rechtsomkeert gemaakt hebben als Jesse er niet was geweest. Nu liet zij zich meetronen, de menigte in.

De eerste tent die ze tegenkwamen was die van een marskramer, die samen met een papegaai scheermessen, potten zeep en patent-pillen aan de man trachtte te brengen. Ieder artikel werd met een rappe toespraak aangeprezen, onderbroken door obsceen gefluit van de papegaai, wat een groot gelach veroorzaakte. Iedere keer opnieuw kromp de man, geschokt, ineen en overhandigde de vrouw tegen wie de papegaai gefloten had een presentje om het goed te maken. Het was erg plat en werelds, maar van een elementaire vitaliteit die, diep in haar, een antwoord wakker riep: een roekeloze vermetelheid, de wil om iets geks te doen, iets schokkends. Zij wandelden, met moeite, want de mensenmassa was dicht opeengepakt, langs de kraampjes en de tenten. Suikerbakkers, schiettenten, een rarekiekkast en zelfs een schouwburg: een grote, hoge tent verlicht met flakkerende toortsen, met een gevel vol klatergoud en een spandoek: Dertig bliksemsnelle taferelen, zonder pauze, niet voor kinderen of kwezels. Achter de tent, in de mist die aan wal kwam gedreven uit het donkere meer, stonden rijen woonwagens waarin, zei Jesse, de acteurs en de actrices woonden. Het was spannend en tegelijkertijd erg heidens; het was dan ook een verrassing toen zij, na een wassenbeeldenspel te hebben bezocht van Napoleon, Joséphine, Hortense en Eugène, een open tent bereikten waarin een kerkdienst werd gehouden.

Het grote dak van zeildoek, flakkerend belicht door toortsen op de preekstoel en op het draagbare orgel, bolde en golfde in de nachtwind, die aan kwam dwalen uit het meer. Het was een vreemde godsdienstoefening, die niets van een Quaker-eredienst had. De gemeente scheen in een staat van grote opwinding te verkeren; er zaten minstens vijfhonderd mensen, dicht opeengepakt, die de preek steeds weer onderbraken met geroep, gejuich en kreten van aansporing. De predikant, een soort Gelaarsde Kat in het kuipje van de kansel, stond met schorre stem te schreeuwen en met de vuisten te schudden, vrijwel onverstaanbaar door het kabaal dat de gelovigen maakten. Lydia en Jesse kwamen tegelijk met een groepje rumoerige Ieren de tent binnen; toen de dominee hen zag schreeuwde hij: ‘Daar heb je ze! Here, Here! Schiet ze voor hun donder met Uw hemels kanon!’ Het was zo'n schrikwekkend onreligieuze kreet, dat Lydia Jesses arm greep; hij moest erom lachen en klopte haar op de hand. Zij keek naar hem op en ontspande zich weer in de veiligheid van zijn kalmte. ‘Jaja!’ gilde de predikant toen de Ieren schaterden, ‘lach maar! Lach maar zolang de Here Here je nog de kans geeft! Want wat staat jullie te wachten aan het eind van je doodlopende weg? De martelingen van de hel! Het vuur des duivels! De braadpan der wrake!’ Een van de Ieren riep lachend: ‘Oehoe! Ik ruik kaantjes!’ Maar ergens

[p. 46]

onder de gemeente gilde een vrouw: ‘Help! Jezus, help! Genade, genade!’

‘Zuster!’ riep de dominee dankbaar, ‘jij weet tenminste waar ik het over heb! Jaja, de hel! Hades! De buitenste duisternis! Gehenna! Dat is het voorland van leugenaars en hoereerders, verleiders en moordenaars, emmeraars en de zatladders!’

‘Joehoe!’ Het was weer een van de Ieren; een andere baande zich, zwaaiend met een fles, een weg door de menigte, knielde voor de preekstoel, nam een teug en brulde: ‘Here, Here! Hier ben ik! Pik me maar!’

‘Een voltreffer, o Heer der Heerscharen!’ gilde de predikant, zijn stem zo rauw dat het Lydia pijn deed in haar keel. Hij strekte de armen uit naar de hemel en riep: ‘Herlaad! Vuur!’

Opeens kwam er een Ier op Lydia af, ook met een fles. Hij breidde de armen uit en bazelde: ‘Zuster! Wil je me kussen als ik dood ben?’ Zij voelde Jesse verstijven en antwoordde, op onderwijzeressentoon: ‘Vriend, ik zou er niet over denken om je te kussen terwijl je nog leeft, waarom zou ik het doen wanneer je dood bent?’

De man barstte in snikken uit en wankelde weg. Jesse en zij, proestend van het lachen, drukten zich steviger tegen elkaar aan, met een verrukkelijk gevoel van samenzwering. De schorre dominee brulde: ‘Wie zijn de zondaren onder ons? Jullie denken misschien dat wanneer het Laatste Oordeel gekomen is jullie tot de geredden zult behoren. Maar geef eerst eens antwoord op deze vragen: Hebt ge ooit slofje-onder gespeeld? De horlepiep gedanst, of Hup-Marianneke? Hebt ge ooit schuilhokje gespeeld met het andere geslacht, of, erger nog, zoek-het-kreukelaartje met uw eigen kunne? Hebt gij ooit naar vedels geluisterd met wellustige gedachten? Hebt gij ooit, mannenbroeders, gegiecheld, gesnuffeld en gehotst in de piepende bedstede van een hoerenkast? Hebt gij ooit...’ Lydia luisterde met open mond toe, maar opeens werd haar aandacht afgeleid door Jesse, die zei: ‘Kom, we gaan eens in de negertent kijken. Daar valt meer te beleven.’

Zij liet zich meetronen door de dicht opeengepakte rijen van de gemeente, die steeds luidruchtiger en opgetogener scheen te worden; toen hoorde zij, boven het gejodel, gelach en wulps gegil van vrouwen een koor zingen in de verte. Het gezang scheen uit een tent aan de rand van het kermisterrein te komen.

Er stonden maar weinig mensen buiten: een paar groepjes blanke mannen, roerloos in het rusteloze schijnsel van de toortsen. Toen zij de ingang bereikten, zag Lydia, in de tent, rijen negers in witte gewaden geknield op de grond, die in hun handen klapten op de maat van het gezang. Hun aantal verraste haar, zij had niet geweten dat er nog zoveel negers in deze streek woonden. De dicht opeengepakte menigte was verenigd in een extatische aanbidding. Er was geen dominee, alleen het koor, en nog nooit van haar leven had zij zo prachtig horen zingen. Zij kwam in de ban van die exotische, meeslepende muziek; opeens werd zij zich

[p. 47]

ervan bewust dat er iemand naast hen was komen staan. Ze keek opzij en zag een man met kaplaarzen, pistool in zijn gordel, een onguur gezicht en een breedgerande hoed op zijn achterhoofd. Hij stond een pruim tabak te kauwen en tuurde de gezichten van de menigte af. Om de een of andere reden gaf de man haar een rilling; ze keek om zich heen en zag dat hij niet alleen was. Vijf, zes mannen, net zo gekleed als hij, met dezelfde ongure gezichten, stonden naar de negers te gluren, alsof ze iemand zochten. Ze besefte dat dit slavenjagers moesten zijn, eropuit om gevluchte negers uit het zuiden op te pikken om de beloning in de wacht te slepen. In het toortslicht zagen zij eruit als aasgieren; de manier waarop zij naar die zingende mensen loerden was weerzinwekkend. Maar toen zij naar Jesse opkeek zag zij dat ook hij met gespannen aandacht naar iemand onder de negergemeente leek te zoeken. Zij trachtte zijn blik te volgen; opeens zag zij een magere, lange negerin naar hen kijken. Toen zei Jesse: ‘Kom, we gaan.’ Hij zei het op een rare, gespannen manier, die niets meer te maken had met de kwinkslagen en de luchthartige kout waarop hij haar de hele avond vergast had.

Zij liet zich meetronen; de weg lang, van de kermis naar het hek van de school, zei hij geen woord. Er was iets in zijn houding wat haar belette het initiatief te nemen. Bij het hek liet hij haar arm los. Zij kon het niet langer voor zich houden. ‘Jesse? Wie was die zwarte vro -’

Hij legde haar het zwijgen op met een kus. Even stribbelde zij tegen, toen gaf ze zich over, meer uit verbazing dan iets anders. Maar met dezelfde abruptheid waarmee hij haar in zijn armen had genomen liet hij haar los en verdween in het duister.

Zij stond enkele ogenblikken, verward en duizelig, tegen het hek geleund, toen liep zij langzaam de laan in, naar de school.

 

***

 

Liplezen was niet Jesses sterkste punt, maar hij was er vrijwel zeker van dat Viola het woord ‘kerkhof’ gevormd had. Hij was opgelucht toen hij haar inderdaad zag opduiken tussen de grafstenen; hij had nog nooit eerder zoveel slavenjagers bij elkaar gezien als vanavond. Voor het eerst sinds hij bij de Ondergrondse Weg betrokken was geraakt had hij de schrik te pakken. Tot dusver had het een spelletje geleken, hij had Viola's nervositeit nooit kunnen begrijpen. Nu was zij het kalmst van hen beiden.

‘Nou, dat scheelde maar een haartje,’ zei hij.

Zij gaf een snauw in het duister, hij kon niet uitmaken of het een lach of een vloek was. ‘Na gisteravond kunnen we de school wel op onze buik schrijven,’ fluisterde zij. ‘Dat ouwe mens heeft mijn nikkers zo de stuipen op het lijf gejaagd dat ze zich nog eerder zouden laten vangen door de slavenjagers dan riskeren dat spook nog eens een keer tegen te komen. Ik zal ze onder de vloer van de theatertent moeten onderbrengen. Dat

[p. 48]

moet jij dan maar in orde gaan maken; ik kan me niet vertonen aan de schurftige coyotes die daar lopen te likkebaarden. Reken maar dat ze die tent in de gaten houden; ze ruiken lont, dat is duidelijk. Je moet dus maar niet door de hoofdingang naar binnen gaan, maar van de kant van het meer. Je zult moeten zwemmen.’

‘Zwemmen? Je bent gek! Waarom?’

‘Een roeiboot zou gezien worden. We roeien niet verder dan het eiland, van daar is het maar een goeie honderd meter. Je kunt toch zwemmen, zeker?’

‘Het is meer dan driehonderd meter, Viola! Dat is mij te ver.’ Het idee om in het aardedonker in het meer te gaan zwemmen vervulde hem met een kinderachtige angst.

‘Vooruit!’ Ze ging hem voor naar een roeiboot die aan de rand van het kerkhof met de boeg op het land getrokken was; dit was kennelijk de boot waarmee ze was aangekomen. ‘Stap in,’ zei ze.

Hij gehoorzaamde. Zij was de enige vrouw ter wereld van wie hij zich dit liet welgevallen. Hij wist dat de rare, kortaangebonden negerin met haar wrede ogen niet zou aarzelen een dolk in zijn rug te rammen als zij dacht dat het nodig was om haar nikkers te beschermen. Zij was de enige gids op de Ondergrondse Weg die hem een gevoel gaf van bedwongen geweld, dat ieder ogenblik los kon barsten. De anderen waren Quaker-doetjes, die iedereen dadelijk de andere wang toekeerden.

Zij roeide; het bleek dat zij de riempennen omwikkeld had. Terwijl hij zich liet vervoeren als een lam naar de slachting, begon hij in opstand te komen. Natuurlijk waren er in een organisatie als deze leiders nodig, maar om door die bazige negerin het ijskoude water ingejaagd te worden, in het holst van de nacht? Ze had hem toch minstens de keus kunnen laten...

De boeg van de roeiboot knerste aan wal. Zij haalde de riemen binnen, stapte overboord en scheurde de boot hoger op het droge, met de kracht van een kerel. ‘Schiet op,’ fluisterde ze.

Hij stapte aan wal. Hij kende nachtegaleneiland op zijn duimpje. Van jongsaf had hij er tijdens iedere Jaarvergadering in het riet gespeeld, eerst met vriendjes, toen met vriendinnetjes. Maar hij was er nog nooit midden in de nacht geweest, alles leek nu anders. Zij nam hem bij de hand, hij moest haar wel volgen. Opeens zag hij de fakkels van de schouwburgtent, aan de overkant van het meer, wemelend weerspiegeld door het zwarte water. Hij hoorde zingen in de verte, en af en toe de knal van een pistoolschot. De Ieren begonnen rijp te worden.

‘Zie je die lichten?’ Haar stem klonk dichtbij, gedempt, gespannen. ‘Dat is de theatertent. Kijk - aan de linkerkant, daar zie je iets wits. Zie je het?’

Hij wist het niet zeker. Het meer was al aan het misten; het zou niet lang duren of hij zou geen hand voor ogen meer kunnen zien. Als hij ging

[p. 49]

zwemmen moest hij het zo gauw mogelijk doen. ‘Ja, ik zie het,’ zei hij maar.

‘Dat is de woonwagen van Rooie Lily.’

‘Wie is dat nou weer?’

‘De eigenares van dat zootje. Ze komt uit New Orleans, een kanjer van een hoer. Je gaat naar haar wagen, klopt op de deur, en als ze roept: “Nee, ik ben bezig”, dan verschuil je je in het riet tot je een vent naar buiten ziet komen. Begrepen?’

‘Ja.’ Hij wilde nu maar zo gauw mogelijk gaan.

‘Zodra de vent weg is klop je weer op de deur en als ze vraagt: “Wie is daar?” dan zeg je: “Frapfrap, et tu seras ouvert”. Zeg me dat 's na. “Frapfrap, et tu seras ouvert”.’

‘Frapfrap, ee toe seras ouvert.’

‘Dan vraagt ze, voor ze de deur opendoet: “Qui va m'ouvrir?” En dan zeg jij: “Le bon dieu”. Dat is het wachtwoord: “Le bon dieu”. Laat me dat 's horen.’

‘Le bon djoe.’

‘Zodra ze de deur opendoet roets je naar binnen, vóór iemand je ziet.’

‘Maar tegen die tijd ben ik kletsnat!’

‘Dat doet er niet toe. Je gaan naar binnen, je sluit de deur achter je en je zegt: “Ik heb een bericht van Viola. Tien nikkers zitten in het moeras, zij moeten onherroepelijk morgenavond vervoerd worden. Kan jij hun onderdak verlenen?” Als ze ja zegt ga je naar huis en komt morgenavond om tien uur precies hier op dit eilandje terug. Begrepen?’

‘Maar hoe kom ik thuis? Ik ben zeiknat, ik...’

‘Als ze zegt dat het niet kan, moet je dat onmiddellijk aan Penny Higgins gaan vertellen, die zal het dan aan mij overbrengen.’

‘Maar hoe kom ik terug? Als ik me aan die slavenjagers vertoon, zo nat als een poedel...’

‘Je moet je niet vertonen! Je zwemt langs het riet tot je ergens aan wal kunt waar je niet gezien wordt. Vooruit, schiet op, voor het dichtzit van de mist.’

Hij begon, misselijk van angst, zijn jas uit te trekken.

‘Aanhouden,’ bitste zij. ‘Dat witte hemd zien ze op een kilometer afstand!’

‘Mag ik misschien wél mijn schoenen uittrekken, alsjeblieft?’ Zijn poging om te spotten mislukte.

‘Je mag alles uittrekken wat je wilt, als ze je maar niet zien.’

Hij trok zijn schoenen uit en propte die in de zakken van zijn jas; hij nam zijn hoed af en wist niet wat hij ermee moest beginnen.

‘Laat liggen! Die vind je morgen wel. Schiet op!’

Hij liet de hoed in het gras vallen. Met een vertoon van kalmte liep hij naar het water.

Ze hield hem tegen. ‘Laat het me nog een keer horen. Wat zeg je als

[p. 50]

ze vraagt: wie is daar?’

‘Frap frap, e toe ... e toe...’

‘Et tu seras ouvert.’

‘E toe seras ouvert.’

‘Qui va m'ouvrir?’

‘Le bon djoe.’

‘Goed. Bonne chance.’

‘Uh? ... O, ja. Nou ... tot morgen.’ Hij waadde met luid geplas door de koude, soppende modder.

‘Sssst!’

Hij liep voorzichtig verder. Het water kwam hoger en hoger, tot aan zijn borst. De kou was nog niet door zijn kleren gedrongen, maar begon langs zijn benen omhoog te kruipen. Hij haalde diep adem en begon te zwemmen, in de richting van de fakkels. Hij was een meter of twintig ver toen zijn broek zwaar begon te wegen. Zijn jas, met lucht gevuld, trok aan hem als een ballon, waardoor hij geen vaart maakte. Niettegenstaande Viola's instructies trok hij hem uit, al watertrappend, en liet hem maar drijven. Toen pas herinnerde hij zich dat hij zijn schoenen in de zakken had gepropt. Nu moest hij aanstonds terug op sokkevoeten, en in hemdsmouwen. Hij dreigde in paniek te raken en dwong zich ergens anders aan te denken. Hij zwom verder, met forse borstslag; toch leek het alsof de oever niet naderbij kwam. Hij begon moe te worden. Zijn broek woog nu een ton en belemmerde zijn bewegingen, maar die kon hij onmogelijk, al zwemmend, uittrekken. Er zat niets anders op dan door te zwemmen, met beheerste ademhaling. Hij moest die fakkels maar vergeten, de hele oever vergeten; hij zou het wel merken wanneer hij er eenmaal was.

Hij zag kans zichzelf ervan te overtuigen dat het helemaal niet belangrijk was of hij de oever bereikte of niet, als hij maar rustig en met forse slagen door bleef zwemmen. Op een gegeven moment probeerde hij de rugslag, maar omhoog te staren naar de sterren bleek te griezelig. Toen hij zich weer omdraaide leek de oever ineens dichterbij.

Eindelijk bereikte hij de wal. Het was veel verder geweest dan hij had voorzien, het had maar een haartje gescheeld of hij had het op zijn heupen gekregen. Maar hij was er, zijn voeten raakten grond. Met zijn laatste krachten sopte hij aan wal, zonder zich om het geluid dat hij maakte te bekommeren. Hij zakte, uitgeput, in het riet in elkaar.

Na een minuut of wat was hij voldoende op adem gekomen om rond te kijken. Hij zat aan de rand van het donkere achtererf van de theatertent. Alles was donker, alleen in de woonwagen was licht. Hij zag een vage beweging van schaduwen op het gordijn van het raampje. Het erf leek verlaten, ook de theatertent, maar het was te donker om helemaal zeker te zijn. Toen zag hij een man.

Hij staarde naar de schim, zijn hart in de keel. De man stond doodstil,

[p. 51]

met één arm opgeheven, alsof hij midden in een beweging was verstijfd. Hij moest gezien zijn. Zijn witte hemd! Hij kon zich wel voorde kop slaan dat hij Viola's waarschuwing in de wind had geslagen. Hij staarde roerloos naar de man, die evenmin bewoog. Eindelijk daagde het besef in hem dat niemand zo lang stil kon staan met één arm in de lucht. Hij wachtte nog een tijdje; toen de man nog steeds niet bewoog kroop hij uit zijn schuilhoek te voorschijn, de wal op. Het was een houten standbeeld. Een Indiaan. Twee van zulke beelden flankeerden de ingang van de theatertent.

Opgelucht sloop hij naar de woonwagen met het verlichte raampje en klopte op de deur.

Hij hoorde niets; het leek of de wagen leeg was.

Hij klopte nog eens, luider. Te luid? Hij keek zenuwachtig over zijn schouder.

‘Wie is daar?’

De stem klonk zo dichtbij dat hij een stap achteruit deed. Hij wilde antwoorden, maar was de woorden vergeten.

‘Wie is daar?’ De stem klonk ongeduldig.

‘Frap frap...’ begon hij, toen was hij de rest kwijt. Zijn knieën begonnen te trillen, hij stond op het punt het op een lopen te zetten.

‘Qui est là?’

‘E toe seras ouvert.’

Het bleef een tijdlang stil. Had hij zich vergist? Zou hij het nog eens zeggen?

‘Qui va m'ouvrir?’

‘Le ... le ... le bon djoe.’

De woonwagen ging open, er stond een vrouw in de deuropening. Het licht was achter haar; hij zag alleen haar silhouet. Maar het nachthemd of de jurk die zij aan had was zo dun dat zij net zo goed niets had kunnen dragen. Haar lichaam was tenger, haar haren waren kortgeknipt.

‘Kom binnen, vlug!’

Hij gehoorzaamde.

Het binnenste van de wagen zag er niet uit als een woonwagen, het leek eerder een dure kamer in een logement.

Een kristallen luchter met kaarsen, een spiegel in een vergulde lijst, een rood tapijt, een koperen bed, een zwart kamerscherm met vergulde draken, waar onderkleren overheen hingen.

‘Tu causes le Cajun, coco?’

Zij had de deur weer dichtgedaan en stond nu naar hem te kijken. Hij zag haar naakte lichaam onder het doorzichtige hemd, maar haar ogen waren niet uitnodigend. Hij zag nu ook dat ze rood haar had.

‘Ik spreek geen Frans,’ antwoordde hij.

Zij liep langs hem heen naar het nachtkastje, haalde iets uit een vaas die erop stond, stak het in haar mond en streek een lucifer af; het was

[p. 52]

een sigaar. Zij bekeek hem van top tot teen, één oog dichtgeknepen vanwege de rook. Hij zag zichzelf staan in de spiegel: kletsnat, op sokken, met zijn hemd uit zijn broek.

‘Wat is er met jou gebeurd, coco?’

‘Ik ben over het meer komen zwemmen, vanaf het eilandje.’

‘Waar was dat in Jezusnaam voor nodig?’

De godslastering maakte meer indruk op hem dan haar naaktheid. Hij besefte dat hij in een echt hol der zonde terecht was gekomen. ‘Dat moest vanwege de slavenjagers.’

‘Wie zei dat? Viola?’

‘Ja.’

Zij schudde haar hoofd, liep naar een kast en haalde een fles en twee glazen te voorschijn. ‘Pure aanstellerij,’ zei ze, ‘dat mens zou aan het toneel moeten gaan.’

‘Maar het barst van de slavenjagers, vanavond.’

‘Die lummels met hun pistooltjes? Net zulke mannetjesmakers als zij. Die weten net zo goed als ik dat ze in deze staat geen negers mogen arresteren op hun eigen houtje. Als ze dat zonder de sheriff doen gaan ze de petoet in. Hier, neem een slok.’

‘Wat is het?’

‘Bourbon, Coco.’

‘Nee, bedankt.’

‘Moet je wat anders? Rum?’

‘Ik ben geheelonthouder.’

Ze nam de sigaar uit haar mond, keek hem onderzoekend aan, toen sloot ze het kastje. ‘Ik zou die natte kleren maar uittrekken,’ zei ze, ‘je staat m'n tapijt te verruïneren.’

Hij zag dat hij in een plas water stond. ‘Sorry,’ zei hij.

Zij liep naar het bed, met het glas in haar hand. ‘Vooruit, kleed je uit. Anders ben je morgen snotverkouden.’ Toen hij aarzelde, vervolgde zij spottend: ‘Wat zullen we nou krijgen? Je durft wel met je leven te spelen op de Ondergrondse Weg, maar als het erop aan komt je piemeltje te laten zien, zinkt de moed je in de schoenen? Kom nou, maak het een beetje! Ga maar achter dat scherm, dan kan je een handdoek om je middel doen.’

Hij gehoorzaamde, vond achter het scherm een stoel met een onderjurk erover, een wastafel met een kom, en een lampetkan met een naakte vrouw erop geschilderd.

‘Waarom moest je eigenlijk zo nodig dat meer overzwemmen?’

Hij gluurde over de rand van het kamerscherm, terwijl hij zijn broek opendeed. ‘Ik moest je een bericht brengen.’ Hij zag dat ze een slok uit haar glas nam en voegde eraan toe: ‘Misschien dat ik het je beter meteen kan geven, terwijl je nog nuchter bent.’ Zijn zelfvertrouwen begon terug te keren. Ze was ten slotte maar een vrouw.

[p. 53]

‘Ik zou me over mij maar geen zorgen maken,’ zei ze. ‘Hoe heet je?’

‘Jesse.’ Hij stond naakt op zijn sokken. ‘Mag ik deze handdoek hier gebruiken?’

‘Ga je gang.’

‘Waar kan ik m'n kleren drogen?’

‘Je bent toch niet van plan om die natte boel weer aan te trekken als je teruggaat?’

‘Ik kan moeilijk in mijn nakie over straat.’

‘Ik zal wel wat kleren voor je gaan halen in de garderobe.’

Hij wist niet waar de garderobe was, maar hij zou het wel zien. Hij sloeg de handdoek om zijn middel en kwam te voorschijn.

Zij bekeek hem, keurend, van top tot teen. ‘Ik zal je maar geen peignoir van me te leen geven, met die schouders.’

Hij zei: ‘Viola heeft tien negers verstopt in het moeras, die morgen vervoerd moeten worden. We kunnen ze dit keer niet onderbrengen op de school, want we hebben moeilijkheden gehad. Daarom laat ze vragen of ze hier terecht kunnen.’

‘Je staat te bibberen, jongen,’ zei ze. ‘Je krijgt een glas rum, anders lig je morgen met longontsteking. Hier.’ Ze ging weer naar de kast, haalde een fles en een glas, schonk het vol en reikte het hem.

Hij nam het aan, met een gevoel van zonde. ‘Merci.’

‘Ik heet Lily.’

‘Bedankt, Lily.’

Ze ging aan het hoofdeinde van het bed zitten, nam haar glas van het nachtkastje en hief het op. ‘Proost, Jesse.’

Hij aarzelde, toen nam hij zijn eerste slok. De zoete drank brandde zijn keel, maar hij zag kans niet te hoesten.

‘Morgen kan niet, Coco.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat ik die mensen alleen onder het toneel kan onderbrengen, en daar staat het vol met kisten. Ik zou ruimte voor ze moeten maken en dat zou achterdocht wekken, dus ik kan ze niet eerder hebben dan overmorgen, na middernacht.’

‘Maar Viola zei...’

‘Viola kan zeggen wat ze wil, hier ben ik de baas. Overmorgen, na middernacht, niet eerder.’

Hij haalde de schouders op. ‘Ik zal het haar vertellen.’ Hij voelde een plezierige warmte in de maagstreek, een gevoel van welbehagen. ‘Mag ik er even bij gaan zitten?’ Hij wachtte niet op haar toestemming, maar ging op het voeteneind van het bed zitten. Hij leunde met zijn rug tegen het koper, het was ijskoud.

Zij nam een kussen, wierp het hem toe, tilde haar benen op het bed, nam zelf een kussen en leunde tegen het hoofdeind. Toen vroeg ze: ‘Hoe lang ben je al bij dit werk betrokken?’

[p. 54]

‘Een jaar.’

‘Waarom ben je eraan begonnen?’

Hij wilde haar het gebruikelijke antwoord geven: dat hij de slavernij haatte en dat zijn geweten hem geen rust had gelaten. Dit had hij altijd tegenover iedereen volgehouden, maar om de een of andere reden bracht zij hem ertoe de waarheid te vertellen. ‘Ik was op avontuur uit,’ zei hij. Hij nam nog een slok. Het warme gevoel van welbehagen was nu tot in zijn tenen doorgedrongen, en niet alleen zijn tenen. Hij ging rechtop zitten, zogenaamd om het kussen achter zijn rug te schikken.

‘Schaam je maar niet, hoor, jongen,’ zei ze rustig.

Een ogenblik zat hij roerloos, half omgedraaid, terwijl ergens in zijn gedachten iets roetste, als een konijn in het struikgewas - een flits van paniek. De paniek gleed omlaag naar zijn maag, en werd opgelost in dat gevoel van welbehagen. Hij geeuwde, propte het kussen achter zich, strekte zijn benen uit en tastte naar haar met een voet. Toen hij haar huid voelde was het alsof hij een schok kreeg, die zijn hart deed overslaan. Hij slikte en zei: ‘Laten we het nu eens over jou hebben. Waarom ben jij hieraan begonnen?’

Zij zette haar glas naast zich op het tafeltje. Met een kort gesis doofde zij de sigaar erin; toen greep ze zijn voet en zei: ‘Dat zal ik jou 's haarfijn vertellen.’ Zij glimlachte. ‘Als je er niet langer met je hoofd bij kan blijven, zeg je het maar.’

 

***

 

Dokter Rossini dacht dat hij Rode Lily ruim de tijd had gegeven zich van haar klant te ontdoen, maar toen hij op de deur van haar woonwagen klopte antwoordde zij: ‘Kom straks terug!’ Hij vroeg zich af of hij zou blijven rondhangen of eerst nog een andere patiënt bezoeken; hij besloot om even aan de oever van het donkere, mistige meer te gaan zitten.

De waterkant gaf hem altijd een gevoel van thuis, misschien zat het in zijn bloed, erfenis van zijn voorouders, die drie geslachten lang de Mississippi waren op- en afgevaren tussen New Orleans en Canada. Toen hij daar zo zat en de vrede van het meer op zich liet inwerken, vroeg hij zich af of hij ooit terug zou keren naar het dorp van zijn jongenstijd, aan een van de bayous van Zuid-Louisiana. Een huisje op palen aan het eind van de lange dijk, voorbij het kerkhof waar zijn ouders begraven lagen. Hij hunkerde ernaar de taal van zijn kindertijd weer te spreken; vandaar die opwelling om Rode Lily te gaan opzoeken. Hij wilde Frans met haar spreken, de droom aanwakkeren van de pirogue, die geluidloos tussen de glimmende stammen van het vloedwoud gleed, het spookachtige gekras van de reiger te middernacht.

Hij hoorde achter zich een deur piepen, keek om en zag Rode Lily verdwijnen in de richting van de theatertent en niet, zoals hij verwacht

[p. 55]

had, een manspersoon. Hij stond op met de bedoeling haar bij de wagen op te wachten toen hij haar terug zag komen met een bundel kleren en een paar mannenlaarzen in de hand. Wat voerde ze nu weer in haar schild? Rare, wilde meid! Enfin, het waren zijn zaken niet.

Hij stond op het punt om weg te gaan, overtuigd dat zij vannacht geen tijd voor hem had; toen ging de deur weer open. Dit keer was het een man: een jonge vent, naar zijn kleren te oordelen een ingenieur van de kanaalmaatschappij. Hij hoorde de man mopperen en vloeken toen hij struikelde over de rommel waarmee het erf bezaaid lag en ging toen zelf naar de deur. Hij klopte aan.

‘Wie is daar?’

C'est moi, Léon. Tu es libre?

‘Léon!’ Zij rukte de deur open, sloeg de armen om zijn nek en kuste hem. ‘Léon! Chéri! Quelle surprise!’ Zij rook naar sigaren; toen hij haar omhelzing beantwoordde voelde hij dat zij nog magerder was dan drie maanden geleden. Zij trok hem mee naar binnen. In het kaarslicht zag hij dat haar ogen bloeddoorlopen waren. Zijn intuïtie zei hem dat er iets met haar gebeurd was, iets onherroepelijks. Terwijl zij honderduit babbelde en hem een glas whisky inschonk, vielen hem andere symptomen op. Na verloop van tijd kon hij het niet langer voor zich houden.

‘Lily,’ vroeg hij, ‘voel je je wel goed?’

Zij staarde hem verbaasd aan. ‘O, ik voel me best...’ Zij stond op om een sigaar uit de vaas te halen.

‘Voor je die aansteekt wou ik je graag eerst even onderzoeken.’

‘Hoe dat zo? Zie ik er ziek uit?’

Hij gaf geen antwoord, maar opende zijn instrumententas.

‘Vooruit dan maar,’ zei zij gedwee. Zij ontkleedde zich en ging op het bed liggen. Hij schrok ervan, zo oud was zij geworden in die paar maanden. Voor het eerst verried zij haar ware leeftijd. Hij onderzocht haar; zijn intuïtieve diagnose bleek juist geweest te zijn. Zij had syfilis.

‘En?’ vroeg zij, toen hij van achter het kamerscherm te voorschijn kwam, na zijn handen te hebben gewassen. ‘Hoe lang heb ik nog te leven?’

‘O, nog heel wat jaren.’ Hij deed zijn instrumenten terug in de tas, het slot knipte dicht met een klik in de stilte. Hij ging op de rand van het bed zitten. ‘Maar je moet het een beetje kalm aan gaan doen,’ zei hij. ‘Als je weer eens met een vent naar bed gaat, moet je je eerst afvragen of je hem aardig vindt.’

‘Ik vind ze allemaal aardig,’ antwoordde ze, lachend.

‘Ik bedoel dat áls je hem aardig vindt, je hem niet moet toestaan je aan te raken.’

Ze staarde hem aan met een blik van ontzetting. Hij wilde haar in zijn armen nemen, haar beschermen tegen het spookbeeld dat zij achter hem zag oprijzen. Maar ergens vond zij de kracht zich te herstellen. ‘Nou, dat

[p. 56]

was dat,’ zei ze luchtig. ‘Bedankt, ouwe vriend. Mag ik me weer aankleden?’

‘Ga je gang.’

Het was indrukwekkend; ze was werkelijk een moedige vrouw. Hij hoopte dat zij de doodsangst de baas zou kunnen blijven.

Zij trachtten over koetjes en kalfjes te praten. Zij schonk nog eens in, maar geen van beiden raakte het aan. Toen hij afscheid van haar nam en op zijn beurt vloekend struikelde over de rotzooi op het donkere erf, herinnerde hij zich de jonge man die hij uit haar wagen had zien komen. ‘Arme donder!’ dacht hij. ‘Arme donder...’

terug  begin  verder