Toen de jongens, de volgende morgen, slaperig naar de aula werden gedreven voor ochtendsamenkomst, fluisterde Bruller McHair, die de nacht in de petoet had doorgebracht als straf voor ‘het verontreinigen van de kleding van een bezoeker en het schenden van de waarheid’, Bonny Baker toe: ‘Ik heb je iets te vertellen...’ Uria Martin hoorde het en kraaide met schelle stem: ‘Stil daar! Vóór samenkomst wordt er niet gepraat!’
Pas tijdens het speelkwartier zagen Bruller en Bonny kans elkaar te pakken te krijgen. Het bleek dat Bruller inderdaad iets te vertellen had. De afgelopen nacht, nadat Meester Abner hem had opgesloten in een cel op de zolder, had Bruller kans gezien de klink aan de buitenkant van de deur op te lichten met een touwtje met een lus nadat hij zijn arm door het hart had gestoken. Toen was hij de zolder verder gaan verkennen. Bij een vorige gelegenheid had hij een grote kast ontdekt in een afgelegen hoek, met een hangslot erop en een etiket op de deur met het opschrift: verboden te openen. Daarom had hij dit keer een ijzerdraadje bij zich gestoken om het slot mee open te peuteren. Dat was hem inderdaad gelukt, maar de inhoud van de kast bleek tegen te vallen: alleen maar oervervelende boeken. Onderin was hij een pakje tegengekomen, in bruin papier, dik onder het stof. Hij had het stof weggeblazen; het opschrift luidde: Geheime papieren van Bonifacius Baker, Valse Profeet, Loonpredikant en ... nog een woord, maar dat kon hij zich niet meer herinneren, niet openen vóór de eerste maand van 1855 en dat alleen door een bevoegde historicus. Bruller vertelde ook nog dat jongens die in de petoet werden opgesloten stiekem van de meisjes te eten kregen.
Bonny besloot meteen dat hij dat pakje hoe dan ook in handen moest zien te krijgen. Maar hoe zou hij het aanleggen? De rest van de dag pijnigde hij zijn hersens erover af; pas die avond, tijdens samenkomst, kreeg hij de ingeving: Laat je opsluiten in de petoet om der wille van de waarheid. Hij had nog nooit zo iets meegemaakt: er klonk werkelijk een stem in zijn gedachten, die hij zo duidelijk hoorde alsof het die van een ander was, en toch was het zijn eigen stem. Na enkele ogenblikken wist hij niet meer of het wel een stem geweest was, misschien was het alleen maar een gedachte. Maar het feit bleef bestaan dat de enige manier waarop hij dat pakje in handen kon krijgen was te zorgen dat hij in de petoet belandde.
Maar hoe? Hij bepraatte het met Bruller tijdens het wassen voor het naar bed gaan, terwijl de andere jongens elkaar stonden te duwen voor de stenen trog. Het was een kabaal van jewelste. Bruller zei: ‘Je moet iets doen tijdens samenkomst, dan slingeren ze je vast en zeker in de petoet.’
‘Maar wat?’
‘Weet ik veel! Opstaan en “koekoek” roepen, of “snor-snor-snor”. Wacht, ik weet nog wat beters! Je laat er eentje vliegen. Als je kans ziet om tijdens samenkomst er eentje te laten die op de ouderlingenbank te horen is, nou! Dan raken je poten de grond niet meer.’
‘Dat kan ik toch niet met opzet?’
‘Natuurlijk, joh! Je moet je te barsten eten aan bonen, en dan...’
‘Bruller McHair, Bonifacius Baker!’ krijste Meester Uria. En dat was het eind van hun samenzwering die avond.
Toen hij eenmaal in zijn krib lag, kon Bonny de slaap niet vatten. De petoet zweefde hem voor ogen: een rij hokjes op de zolder, die hij tot dusverre alleen maar uit de verte gezien had. Smalle deurtjes, met hartjes erin; dat was het enige licht. Hij had nooit gedacht dat hij ooit nog eens opzettelijk zou proberen om opgesloten te worden in een van die hokjes. Dat poepje-laten was onzin. Maar wat kon hij anders doen, of zeggen, tijdens samenkomst, erg genoeg om hem in de petoet te doen belanden?
De volgende morgen fluisterde Bruller: ‘Ik weet het! Het is minder goed dan een scheet, maar een stuk makkelijker: een boer. Als het eenmaal goed stil is, ga je overeind staan alsof je wilt getuigen, je doet je bek wijd open en je geeft een knalboer. Dat kan je toch, zeker?’
‘Nee,’ bekende Bonny.
Bruller zuchtte. ‘Nou, dat zal ik je dan moeten leren. Vanmiddag, in de moestuin, bij het schuurtje.’
Die middag bleek Bruller een uitstekende leermeester te zijn. Hij kon zelfs een hond nadoen, en Het Hijgend Hert boeren. Maar Meester Jesse kwam op het geluid af en zij ontsnapten op het nippertje; zij vonden elkaar terug achter het schuurtje. Daar leerde Bruller Bonny dat hij eerst lucht moest inslikken, en dan zijn mond zo wijd mogelijk opendoen om het goed te laten schallen. Na een kwartier van pijnlijk pogen zag Bonny inderdaad kans een schril boertje te produceren dat althans een paar mussen aan het schrikken maakte.
Die avond, zodra samenkomst begon, kreeg hij het te kwaad. Hij was ervan overtuigd dat hij niet zou durven; en zelfs al zou hij durven, hij zou zo zenuwachtig zijn dat hij niet meer zou kunnen voortbrengen dan een soort gekwaak. Maar toen de stilte dieper werd maakte zich een onbekende kracht van hem meester, die hem dwong op te staan, lucht te slikken, zijn mond zo wijd mogelijk open te doen; na een woordeloos gebed het hij een boer, zo luid, dat de onderwijzers op de ouderlingenbank allemaal tegelijk hun ogen opendeden. Om hem heen proestten de jongens, maar hijzelf had een raar gevoel van plechtigheid.
Meester Abner kwam met gebalde vuisten op hem afgebeend door het tussenpad. De giechelende kinderen werden stil. Aan het eind van de rij wenkte Meester Abner hem met de vinger; Bonny schuifelde naar hem toe, zijwaarts, langs de knieën van de jongens.
Zoals Bruller voorspeld had, werd hij bij een oor de aula uitgesleept, de zoldertrap op, regelrecht naar de petoet.
***
Op de zolder aangekomen duwde Abner Best het jongetje voor zich uit met een hardhandigheid waar hij zelf van schrok. Hij was buiten zichzelf vanwege de godslastering en er volkomen door verbijsterd. Bonny Baker was altijd een van de meegaandste leerlingen geweest; er kon nu geen twijfel meer aan bestaan dat Mordechai Monk een verderfelijke invloed had gehad op de school. Het leek wel alsof God, na driekwart eeuw, opeens besloten had deze buitenpost van liefde en verdraagzaamheid te vernietigen. Want er waren nog meer dingen gebeurd. Volgens Saraetta had Uria Jesse uit de theatertent zien komen, in het holst van de nacht, vermomd in wereldse kleren. Het verbaasde niemand dat Uria op dat uur op het kennisterrein had rondgehangen; iedereen was op de hoogte van zijn ongure hebbelijkheid om liefdesparen te bespieden, al werd er nooit met een woord over gerept. Verdraagzaamheid ten opzichte van andermans moeilijkheden was één van de beginselen. Maar nu was de brave kleine Bonny ineens bezeten geraakt door een geest van godslastering en rebellie, er was een duivel in hem gevaren; de grens van de verdraagzaamheid was nu bereikt.
Bij de cellen liet Abner het oor van de gevangene los om de kaars aan te steken. Bonny stond rustig en gedwee te wachten tot hij opgesloten zou worden. Hij gaf geen teken van berouw, integendeel: hij gedroeg zich met een waardigheid die niet te verenigen was met zijn schandelijke daad.
De herinnering daaraan deed Abner hem ruw de cel induwen; hij moest zich in het donker en in eenzaamheid maar eens bezinnen over wat hij gedaan had. Maar toen Abner op het punt stond de deur te sluiten werd hij opeens getroffen door een gevoel van verlies, een heimwee naar de vriendschap en het onderling begrip dat altijd tussen hen had bestaan. Hij deed de deur weer open en gaf Bonny de blaker. Het kaarslicht bescheen het ernstige gezicht van het jongetje; zijn kinderlijke ogen waren vol ongerijmde, volwassen tederheid. Abner gaf aan een opwelling gehoor, ging naast hem zitten in het stro en zette de blaker tussen hen in. ‘Laat ons de Heer vergiffenis afsmeken voor wat wij hebben gedaan.’ Hij sloot zijn ogen.
Over het algemeen had hij geen moeite om het diep van de stilte te bereiken, maar dit keer lukte het hem niet. Toen hij de babbelende gedachten die in zijn hoofd maalden niet tot bedaren kon brengen,
opende hij de ogen en keek naar het kind in het kaarslicht. Het jongensgezichtje was sereen, het had een uitdrukking van oprechte devotie. Onvoorstelbaar, dat dit zelfde kind nog geen tien minuten geleden een hondse heiligschennis had gepleegd tijdens samenkomst.
Het was een raadsel. Abner zuchtte, raakte zijn arm aan, schudde hem de hand, stond op en sloot de deur van de cel achter zich, maar hij liet de klink los. Bij het zwakke schijnsel van het lichtende hartje in de duisternis vond hij het trapgat.
Halverwege de trap stond hij stil, bij de gedachte aan het gevaar van de kaars in het stro. Het jongetje had zo wonderlijk gekeken; God wist wat er in dat hoofdje omging op dit ogenblik. Zou hij trachten uit de cel te ontvluchten, daarbij de kaars omstoten? Dan zou binnen de minuut het stro in lichterlaaie staan, een niet meer te blussen vuur het hele gebouw verwoesten...
Maar er waren grenzen aan de bezorgdheid. Bovendien, iets zei hem dat het jongetje niet aan zijn straf zou trachten te ontkomen. Het was eigenlijk helemaal geen straf. Het was, op een rare manier, alsof niet het kind in het hokje maar hijzelf de ware gevangene was.
***
Bonny zat een tijdlang roerloos te staren naar de kaarsvlam; toen haalde hij het touwtje met de lus uit zijn zak dat Bruller hem gegeven had. Hij stak zijn arm door het hart en begon naar de knop van de klink te vissen. Hij was erop voorbereid dat het lang zou duren voor het lukte, Bruller had hem gewaarschuwd. Hij schrok toen, opeens, de deur uit zichzelf openzwaaide.
Het was zo duidelijk een wonder, dat hij er niet langer aan kon twijfelen: hoe godslasterlijk zijn daad ook geweest mocht zijn, de Tegenwoordigheid was met hem. Hij nam de blaker op, beschutte het vlammetje met de hand en sloop de zolder op, op zoek naar de kast.
Hij moest de hele westelijke vleugel van de school aflopen voor hij, eindelijk, het hoge, hoekige gevaarte zag opdoemen in het kaarslicht. De kast was groter dan hij verwacht had; de ketting en het hangslot leken onaantastbaar. Het instrumentje dat Bruller hem gegeven had was een vork, waaruit drie tanden waren gebroken; vergeleken met dat hangslot leek het zo kinderachtig, dat hij bijna de moed opgaf voor hij begonnen was. Hij begon zo'n beetje te poken in het gat van het hangslot en ineens, tot zijn verbijstering, opende het zijn kaken. De zware ketting rammelde omlaag en viel op de vloer met een smak die tot in de keuken te horen moest zijn.
Hij stond te luisteren met zijn hart in zijn keel of er iemand boven zou komen; maar er kwam niemand. Ten slotte opende hij behoedzaam de deuren. De scharnieren knersten luid in de stilte; hij bleef weer verschrikt
staan luisteren, maar nog steeds kwam er niemand.
Hij hief de kandelaar op en bescheen de inhoud van de kast, rijen stoffige boeken. Achter de rij op de onderste plank, had Bruller gezegd, lag het pak in het bruine papier. Hij vond het onmiddellijk, zette de blaker op de grond en haalde het pakket te voorschijn. Bij het licht van de kaars las hij wat erop geschreven stond.
Geheime papieren van Bonifacius Baker, Valse Profeet, Loonpredikant, Renegaat. Dat was het woord dat Bruller zich niet had kunnen herinneren. Hij had er geen idee van wat het betekende. Niet openen vóór de eerste maand van 1855 en dat alleen door een bevoegde historicus. Het pak was verzegeld.
Een ogenblik stond hij in twijfel. Wat hij op het punt stond te doen was zo slecht, dat alles in hem wat nog gehoorzaamde aan de oude, vertrouwde waarden hem ertoe trachtte te dwingen het pakket weer terug te leggen waar hij het gevonden had. In zijn twijfel sloot hij de ogen en vouwde zijn handen. Hij hoefde niet eens een gebed te formuleren; op het ogenblik dat hij zich tot die raadselachtige Macht richtte, die binnen in hem woonde en toch geen deel van hemzelf was, werd hij bezield door zekerheid. Wat hij op het punt stond te doen was Gode welgevallig.
Hij stond op, sloot de deuren, deed de ketting weer door de handvaten en knipte het hangslot dicht. Toen sloop hij op zijn tenen terug naar de cel, met de blaker en het pakket.
Terug in het stro, met het pakket op zijn schoot, beleefde hij een laatste ogenblik van twijfel. Hij was geen bevoegd historicus, 1855 lag nog ver in de toekomst. De strenge waarschuwing boezemde hem ontzag in; maar Grootvader had niemand behalve hem om zijn eer te verdedigen. Hij verbrak de zegels.
Het pakket bleek een stapel schriften te bevatten. Ze zagen er oud en vergeeld uit en zaten vol ezelsoren. Hij opende er een; het handschrift op de eerste bladzijde was verbleekt en zo ouderwets dat hij het nauwelijks kon lezen.
Ik hoop dat ze eindelijk in flaap valt, het arme menf. Hoe if het mogelijk dat iemand een ander zó kan laten lijden zonder het zelf te merken? En dat terwijl hij almaar oreert over ‘liefde’ en ‘tederheid’ en ‘gehoor geven aan het goddelijke in onf...’
Hij stond op het punt het op te geven toen hij ineens zijn naam zag staan. Naar de manier te oordelen waarop hij Bonny en Margaret Fell heeft behandeld, kan ik alleen maar zeggen - nu ja, laat maar. De enige die hem aankan, zoalf vandaag bleek, if Mevrouw Beft ... Hij keek naar de datum: tiende maand 1652. Het kon niet grootvader zijn die dit geschreven had, maar een nog veel ouder iemand. Hij lichtte het pak schriften op en vond er een opgevouwen stukje papier onder. De eerste tand van de kleine Mozes, achtste maand 1756. Hij vouwde het papier open en vond een wit tandje, zwart van binnen. Er waren nog andere
pakjes. Een ervan met het opschrift: Dit had de kleine Mozes bij zich toen hij aankwam. In het pakje zat een sieraad, een hangertje van gepolijst steen in zilver gezet met een zilveren kettinkje eraan. De steen had twee kleuren, blauw en oranje. Toen hij het sieraad nauwkeurig bekeek in het kaarslicht, zag hij dat in de steen een vogel gekrast was, of een draakje met vleugels. Het slot aan de ketting was heel klein, en had de vorm van een kevertje of een bij.
Het volgende pakje bevatte een lapje uitgedroogd zeemleer, geaderd als een boomblad, met een briefje eraan gespeld. Beste Bonny, hier is mijn interpretatie van de rebus van de Miamis, want iets anders kan ik het niet noemen. Iedere Indiaanse taal bevat woorden die niet vertaald kunnen worden, deze spant de kroon. Neem, bijvoorbeeld, het laatste woord: het kan zowel ‘liefde’ als ‘leven’ betekenen. ‘Belofte’ kan ook vertaald worden als ‘hoop’. Maar de algemene strekking is wel zo ongeveer correct. De zegen, waarde vriend, en gedenk mij in je meditaties. In liefde, je Gul. W. Achter op het briefje stond, in hoofdletters: WIJ (OF IK) DEPONEREN (OF ‘PLAATSEN’) DIT VADERLOZE (‘OUDERLOZE’) KIND OP UW DORPEL (OF ‘IN DE INGANG VAN UW WIGWAM’) AANGEZIEN HET ALLEEN BIJ U EEN BELOFTE TOT LEVEN (OF ‘HOOP OP LIEFDE’) VINDT.
Hij vond een groter pakje, met het opschrift: Predikaties van Bonifacius Baker, 1755-1774. Het bevatte papieren met aantekeningen die moeilijk te lezen waren, vol namen en nummers van bijbelteksten. Hij had al besloten dat er voor hem niets bij was, toen hij, terloops, las: Adoptie (in de speciale betekenis waarin alle ware Christenen kinderen Gods zijn) Gal. 4:5 Efez. 1:4, 5. Gebruik als voorbeeld hoe ik zelf, moge God het me vergeven, meer liefde voel voor Mozes, de vondeling, dan ik ooit voor mijn eigen kinderen heb gevoeld, met uitzondering van Becky.
Bonny las en herlas de laatste woorden. Toen nam hij de vertaling van het Indiaanse bericht weer ter hand. Er kon geen twijfel aan bestaan. ‘Mozes’ was tóch een vondeling geweest! Mordechai Monk had zijn grootvader inderdaad belasterd!
***
Ik weet niet waar de levensstroom mij uiteindelijk doet belanden...
Vanaf het ogenblik dat Jesse haar gekust had, hadden die regels van de jonge Quaker-dichter Whittier gezongen in Lydia's gedachten. Zij drukten de volheid van haar hart uit, de belofte van de toekomst.
Ik weet alleen dat ik nimmermeer kan drijven buiten het bereik van Zijn liefdevolle handen...
Het was bijna godslasterlijk, maar dit was precies hoe zij zich voelde ten opzichte van Jesse. Zij ontdekte, tot haar verbazing, dat ze verliefd was: ze kon de hele dag nergens anders aan denken dan aan Jesse. En
die nacht, en de volgende dag, tot ze wel voor de klas had kunnen zingen, en uitgelaten met de meisjes dansen, of tijdens samenkomst opstaan om dat overstelpende geluk in woorden uit te drukken: Ik weet niet waar de levensstroom...
Maar Jesse zelf was in geen velden of wegen te bekennen. Nadat zij er lang over gepiekerd had waar hij in vredesnaam nu weer kon uithangen, vroeg ze Saraetta terloops of die misschien wist waar Jesse was.
Saraetta antwoordde, schamper: ‘Waarschijnlijk ligt hij bij zijn scharreltje!’
‘Wat bedoel je?’
‘Je verbeeldt je toch niet dat hij alleen maar een oogje op jou heeft?’
‘Waar heb je het over? Welk scharreltje?’
‘Het enige dat ik weet is dat ze bij die komediantentroep hoort, op de kermis.’
‘Wat een gemene roddel! Wie heeft je dat verteld?’
‘Sst! De hele school hoeft het niet te horen! Uria heeft hem gezien toen hij uit de schouwburgtent kwam sluipen, midden in de nacht.’
‘Die gluiperige engerd! Als je die gelooft...’
‘St! Wil je de waarheid horen of niet?’
‘Natuurlijk! Ik geloof er geen woord van, maar ik wil het weten!’
‘Uria heeft hem uit de theatertent zien komen. In wereldse kledij: met een hoge hoed op, in een witte spanbroek, met een paarse billetikker aan.’
‘Wat een onzin! Hoe kan Uria zien, midden in de nacht, dat dat ding paars was?’
‘Misschien heeft hij een lucifer afgestreken.’ Saraetta klonk zo schamper en het hele geval was zo gemeen, zo volslagen belachelijk, dat Lydia haar de rug toedraaide. Zij was niet van plan zich met roddel in te laten. Ze had intens het land aan verklikkers, en ze verachtte Uria, die slijmerige griezel. Ze nam zich voor het naast zich neer te leggen. Bah! Het gaf haar hetzelfde gevoel dat Mordechai Monk haar gisteren gegeven had: ze voelde zich bezoedeld, onrein.
Maar de twijfel was gezaaid, zij kon hem niet meer uitroeien. Uiteindelijk moest zij het wel onder ogen zien: na de kermis, toen Jesse haar gekust had bij het hek en opeens in het duister was verdwenen, had zij het gevoel niet kunnen onderdrukken dat hij haar alleen maar tot zwijgen had willen brengen met die kus om verdere vragen te ontlopen. Ze had de gedachte van zich afgezet als onwaardig aan de Liefde. Maar nu...
Die avond na het eten nam Saraetta haar ineens bij de hand en trok haar met zich mee de gang in, naar de deur van Jesses kamer. Daar keek zij tersluiks naar links en naar rechts om zich ervan te overtuigen dat niemand hen zag, opende de deur en trok haar mee naar binnen. De brutaliteit! Lydia stond op het punt om verontwaardigd te protesteren, toen Sara een pak kleren te voorschijn haalde vanonder het bed. Ze rolde het open en zei, triomfantelijk: ‘Alsjeblieft.’
Een korte paarse jas. Een gebloemd vest. Een hemd met kanten lubben. Een witte kniebroek. Saraetta graaide nog eens onder het bed en haalde een poenige beverhoed te voorschijn.
Toen Lydia van haar ontsteltenis was bekomen besefte zij dat er maar één oplossing was: zij moest Jesse hierover aanspreken en hem vragen wat dit te betekenen had. Voorlopig weigerde zij hem te veroordelen. Er moest een reden zijn waarom hij dit gedaan had, ook al kon zij die zelf niet bedenken. Of zou zij zich werkelijk in hem vergist hebben? Neenee! Onmogelijk! Ze kende hem al langer dan tien jaar. Het was onvoorstelbaar.
Ze ging naar hem op zoek, in de tuin, het schuurtje, de stallen, het varkenshok, het weiland, de boomgaard, tot het ten slotte te donker was geworden om nog iets te kunnen zien. Hij was nergens te vinden, en hij kwam opnieuw niet opdagen voor avondsamenkomst.
Ze begon nu ernstig ongerust te worden. Het kon niet anders of er was iets met hem gebeurd. Misschien had hij nu werkelijk een ongeluk gehad. Zij besloot de stad in te gaan om hem te zoeken en niet te rusten voor ze hem gevonden had.
Maar toen zij na de samenkomst de meisjes naar de slaapzaal begeleidde, stootte Saraetta haar plotseling aan, wees naar het eind van de gang en fluisterde: ‘Kijk eens wie daar gaat...’ Zij kon nog net een glimp opvangen van Jesse die de voordeur uitglipte. De manier waarop was zo achterbaks, dat haar de kou om het hart sloeg.
‘Zou jij de meisjes naar bed willen brengen, Sara?’
‘Ja hoor,’ antwoordde Saraetta. ‘Maar wees voorzichtig, pas op.’
Lydia glimlachte om haar ontsteltenis voor de kinderen te verbergen. ‘O, maak je maar geen zorgen, Saraetta,’ zei ze luid. ‘Ik geloof niet dat de ziekte van het arme mens besmettelijk is.’
Het was een onwaardige vertoning; onder normale omstandigheden zou zij zich geschaamd hebben. Maar zij was door Jesses geheimzinnige gedoe volkomen in de war geraakt. Ze moest hem achterhalen voor hij weer zou verdwijnen, wie weet voor hoelang. Ze moest de waarheid weten. Hield hij van haar, of had hij haar alleen maar gebruikt?
Toen zij de voordeur opende zag zij in de verte, aan het eind van de oprijlaan, zijn schim door het hek verdwijnen. De manier waarop hij zich uit de voeten maakte leek slinks. Langer dan tien jaar; nu besefte ze opeens dat ze hem eigenlijk helemaal niet kende. Had hij inderdaad een ‘scharreltje’? Zocht hij het gezelschap van toneelspeelsters? Van atheïsten? Gokkers? Hoe kon zij anders dit gesluip verklaren? De wereldse kleren? De kus...?
Ze holde achter hem aan. Toen zij het hek bereikte tuurde ze de straatweg af, die al donker was in de schaduw van de bomen, maar er was niemand te zien. Hij moest de weg zijn overgestoken naar het oude Vergaderingsgebouw. Ze holde erheen en opende het knerpende hek.
Onder de oude esdoorns schemerden witte zerken. Het was zo donker dat zij haar ogen gelegenheid moest geven eraan te wennen voor zij het trapje naar het bordes van het gebouw kon vinden. Zij stond op het punt naar binnen te gaan toen zij, in de grijze leegte van het mistige meer, het getjuik van nachtegalen hoorde. Er was zo'n onschuld in dat verre gekwinkeleer, dat zij zich opeens schaamde. Wat was ze aan het doen? Nog nooit van haar leven had ze iemand bespioneerd. Waarom had ze geen vertrouwen in Jesse?
Maar ook al zou er een volkomen onschuldige verklaring voor zijn gedrag blijken te zijn, toch was er al iets verloren gegaan. Een vertrouwen, een geloof, waarzonder de liefde geen levenskracht had. De liefde zoekt zichzelve niet, is niet opgeblazen, denkt geen kwaad ... Ze stond op het punt om te keren, toen ze gestommel van roeispanen hoorde, het gekners van een boot die het water werd ingeduwd. Zij liep op de tenen naar het eind van het bordes, van waaruit zij de steiger kon zien. Ja hoor, daar ging hij: een donkere gedaante in een bootje, die met felle, forse slagen de mist in roeide.
Waarheen? Naar die komedianten op het kermisterrein? Waar anders? Ze sloeg alle Quakerlijke gedachten over liefde en vertrouwen in de wind, tilde haar rokken op en holde naar de steiger waar ze een bootje losmaakte, erin sprong en achter hem aan roeide. Hij was nauwelijks meer te zien in de nevelwolken die als rook uit het water opstegen. Hij roeide snel, maar keek haar kant uit; als zij hem te dicht volgde zou hij haar in de gaten krijgen zodra haar bootje zich losmaakte van de schaduw van de bomen. Maar zij kon zijn riemen horen knersen; zodra zij hem uit het gezicht had verloren roeide zij het geluid achterna.
De wal verdween eerder in de mist dan zij verwacht had. Zij streek de riemen en luisterde. Zij kon nog steeds in de verte het regelmatige knersen van zijn riemen horen, maar het was moeilijk uit te maken uit welke richting het geluid kwam. Hij leek niet in de richting van het kermis terrein te roeien; maar waarheen dan wel? Er stonden geen huizen aan het meer, behalve in Pendle Hill; aan de overkant was de wildernis. Zij roeide in de richting die zij dacht dat hij ingeslagen had, toen streek zij opnieuw de riemen om te luisteren. Het was doodstil. Geen gekners, geen geplas, niets. De stilte was volkomen; zelfs het getjuik van de nachtegalen had opgehouden. Toen herinnerde zij zich dat de nachtegalen hun zang alleen staakten wanneer zij gestoord werden. Jesse was op het eilandje aan wal gegaan.
Ze wilde erheen roeien, maar had ieder gevoel van richting verloren. Wie weet was ze wel bezig weer terug te roeien naar de wal. Toen hoorde ze een gestommel, veel dichterbij dan ze verwacht had. Het was het geluid van riemen die binnen werden gehaald. Toen een zacht geritsel: een bootje dat het riet ingleed. Het geluid kwam van recht vooruit. Zij doopte haar riemen voorzichtig in het water en roeide, zo geruisloos als
zij kon, in de richting van het geluid.
Het was verder dan zij verwachtte. Ze dacht dat ze het eilandje misgevaren was toen ze opeens, met een schok en een luid gestommel, het riet inroeide. Ze tuimelde achterover, hees zich weer op de bank en zat een tijdlang ademloos te luisteren. Ze was ervan overtuigd dat hij haar gehoord moest hebben, ze had een kabaal gemaakt van jewelste. Maar er gebeurde niets - alleen dacht ze dat ze stemmen hoorde. Waren er andere mensen op het eiland?
Even kreeg ze het te kwaad. De verleiding om weer af te duwen was groot. Maar ze wist haar angst te overwinnen, trok haar schoenen uit en stapte over de rand van het bootje. Ze stond enkele ogenblikken roerloos te luisteren, tot aan haar enkels in het water, haar rokken opgenomen. Had iemand het gehoord toen ze de boot het riet inramde? Haar voeten zakten weg in de prut. Zij waadde naar de wal, trachtend zo min mogelijk geluid te maken.
Ze had het droge bereikt toen zij, achter zich, het geknars van riemen hoorde. Ze keek om en zag, vlak bij in de mist, de schim van een boot vol zwarte gedaanten voorbijglijden. Iemand in de boeg van de boot hief een lantaarn op; een stem riep, zacht: ‘Viola? Ben je daar?’
De lantaarn verdween om de hoek, de boot gleed ritselend het riet in. Daar had je die stemmen weer; zij gluurde over het riet en zag de lantaarn. Een negerin waadde de wal op, met een...
Opeens greep iemand haar van achteren beet. Zij wilde gillen, maar een hand bedekte haar mond. Zij worstelde; een arm als een bankschroef hield haar vast in zijn greep. Zij trappelde, schopte, buiten zichzelf van angst dat ze verkracht zou worden, vermoord, maar ze werd door haar aanvaller zonder moeite overweldigd. Hij smakte haar op de grond met een dreun die de adem uit haar longen sloeg. Voor zij zich kon herstellen werden haar handen op haar rug geboeid, een prop werd in haar mond geduwd die haar gekrijs smoorde. Toen begon iemand iets met haar enkels te doen. De angst voor verkrachting deed haar vechten als een bezetene. Zij wrong zich in bochten, schopte, worstelde, trachtte zich los te rukken, maar haar enkels werden samengesnoerd, en met een ruk die haar deed gillen van pijn, al bracht zij het niet verder dan een gesmoord gekreun, werden haar enkels en haar polsen aan elkaar gesjord. Hijgend, misselijk van angst, lag zij achterovergebogen op de grond, niet in staat zich te verroeren. Zij dacht dat zij flauwviel, maar bleef zich bewust van de geluiden om haar heen: geritsel, gefluister, gestommel. Het leek alsof de mensen haar links Heten liggen; toen drong het tot haar door dat zij niet van haar bestaan afwisten. Haar aanvaller had haar zo geruisloos overweldigd dat niemand van de anderen het gehoord had.
Ze hoorde het schurende geluid van een boot die uit het riet geduwd werd, een geplas, toen het gekners van riemen dat langzaam in de verte verdween. Even later hoorde ze dezelfde geluiden weer, maar ditmaal
verder weg: geritsel, geplas, het gekners van riemen dat verdween. Twee boten waren van het eiland weggevaren. Ze hadden haar, geboeid, hulpeloos, aan haar lot overgelaten. Dat was onmogelijk! Het bestond niet dat ze haar zo maar in het riet Meten sterven! Er moest iemand op het eiland zijn achtergebleven die wachtte tot de anderen weg waren ... Jesse?
Ze lag ademloos te luisteren, maar hoorde niets meer dat op de aanwezigheid van mensen wees. Het kort geplas van een springende vis in de verte, soms het geritsel van nachtdieren in het oeverriet, het gelispel van de wind in de bomen. Toen klonk er een nieuw geluid in de stilte: een melodieus gekwinkeleer, hoog boven haar, in de kruinen van de bomen. ‘Virro, virrie, virrie, virrie...’ Het waren de nachtegalen. Iedereen moest weg zijn.
Zij luisterde naar het getriller, het onaards gefluit. Toen herinnerde zij zich dat degene die haar van achteren overrompeld had een eigenaardige geur bij zich had gehad, zoetig, bekend maar onvertrouwd ... een neger! De vrouw die uit de boot was gestapt, was een negerin! Opeens begreep zij dat zij, onverhoeds, terecht was gekomen op de Ondergrondse Weg, dat geheime netwerk tussen de Ohio en de Grote Meren, waarlangs ontsnapte slaven uit de Zuidelijke staten naar Canada werden geholpen.
Hoe had ze zo dom kunnen zijn! Dat was het antwoord, natuurlijk: Jesse was betrokken bij de Ondergrondse Weg! Dat verklaarde zijn geheimzinnige gedrag, de wereldse kleren ... Hoe had ze zo blind kunnen zijn? Het was alsof er een last van haar werd afgewenteld. Belachelijk om hier te liggen huilen en jammeren van doodsangst. Natuurlijk ging ze niet dood! Over een uur of wat zou Jesse haar komen halen. En wanneer de school wakker werd zouden ze haar missen, en naar haar gaan zoeken. Het kon niet lang duren of iemand kwam erachter dat er een boot weg was; Abner was slim genoeg om op het meer en het eilandje te gaan zoeken.
Ze probeerde haar handen te bewegen. Haar vingers waren stijf en gevoelloos; ze moest ze vele malen spannen en ontspannen voor ze er weer een beetje gevoel in kreeg. Het touw om haar polsen zat zo strak dat zij haar handen er onmogelijk uit kon wringen, maar bij het spannen en ontspannen van haar vingers raakte zij iets aan, een knoop. Zij begon eraan te peuteren, hem langzaam heen en weer te duwen, zij had het gevoel dat er beweging in zat.
Het was dageraad en de nachtegalen waren stil geworden toen ze eindelijk de knoop los wist te wurmen. Dat bevrijdde alleen haar benen, niet haar enkels en haar polsen. Maar ze kon zich tenminste uitrekken en haar ruggegraat strekken: het gaf zo'n scheut van pijn dat ze stil bleef liggen met opnieuw een gevoel alsof ze flauwviel. Toen ze haar ogen weer opende zag ze het riet vlak bij haar gezicht. Ze kwam op het idee er met haar mond tegenaan te gaan wrijven tot de prop los zou raken. Toen ze die eindelijk had uitgespogen haalde ze een paar maal diep adem
en zag toen kans op haar buik te rollen en op haar knieën te gaan zitten. Haar vingers frummelden met de knoop van het touw dat haar enkels samengebonden hield. Eindelijk waren ook haar voeten vrij; ze stond op en wankelde, kreunend van pijn, naar de naastbijzijnde boom. Door met haar polsen tegen de stam te wrijven, zag zij kans ook de knoop van het touw dat haar handen geboeid hield los te schuren. Nog één ruk ... Zij was vrij.
Duizelig tegen de boom geleund, dacht zij: ‘Ik moet proberen de school te bereiken voor iemand merkt dat ik weg ben. Ik moet zien dat ik terugroei naar het Vergaderingsgebouw.’ Maar de zon had nog geen kans gezien de mist van het meer te branden. Ze vond haar bootje in het riet en duwde toch af; toen herinnerde ze zich pas dat het zondag was. Op zondag zaten er altijd ouden van dagen op de steiger te vissen: die oude roddelaars waren wel de laatsten aan wie ze zich kon vertonen met haar haar in de war, haar gescheurde kleren, haar muts kwijt, haar rok kletsnat. Waar kon ze anders heen? Het kermisterrein? Daar zouden vast en zeker ook al mensen op de been zijn. Er was maar één weg waarlangs ze de straatweg kon bereiken zonder dat iemand haar zag: het oude Indianenspoor. Verleden maand nog had zij met de meisjes van de hoogste klas het pad afgewandeld; het was al lang buiten gebruik en gedeeltelijk overwoekerd, maar nog goed begaanbaar. Op die manier kon ze met een boog om het kermisterrein heen de straatweg bereiken. Ze had er geen idee van hoe laat het was. Het kon niet later zijn dan een uur of zeven; als ze verder geen tijd meer verloor maakte ze een goede kans thuis te zijn vóór samenkomst.
Ze roeide door de dunner wordende nevel naar de tegenovergelegen oever. Het duurde even voor ze het wrakke steigertje had gevonden aan het eind van het bospad dat naar het Indianenspoor leidde. Het bleek volkomen overwoekerd te zijn door kalmoes en riet; zij kon de boot niet vastmaken aan de wrakke paaltjes, ze sleurde hem op het droge en bond het meertouw vast aan een boom. Ze moest maar terugkomen met een ander bootje om het op te halen.
Het smalle bospad dat naar het spoor leidde, was dichtgegroeid met brandnetels en reuzendistels. Onder normale omstandigheden zou ze er niet over gedacht hebben door dat heuphoge onkruid te waden, vanwege de slangen; vanmorgen leek dat een klein risico vergeleken bij wat ze die nacht had doorgemaakt. Ze had bijna het spoor bereikt, toen ze een kind hoorde schreien.
Het was een dun gekrijt, wanhopig en bang; ze brak zich haastig een weg door het onkruid, sprong over een omgevallen boomstam waarbij ze haar rok scheurde, en stond ineens aan de rand van het spoor. Zij keek om zich heen, en bleef verbijsterd staan.
Langs het spoor strompelde een stoet Indianen. Uitgeput, bedekt met stof. Hun gezichten hadden alle menselijkheid verloren; sommigen waren
verstard, anderen hadden een verwilderde, radeloze uitdrukking; de maskers van stof en zweet maakten het onmogelijk om mannen van vrouwen te onderscheiden. De meesten waren met onmenselijk zware lasten bepakt; enkelen droegen baby's in mandjes op hun rug. Zo te zien waren het er honderden, allen te voet; hier en daar zag ze een wrakke wagen, getrokken door een uitgemergeld paard. Het was een eindeloze processie van ellende; toch was het enige geluid dat zij hoorde het huilen van het kind.
Het lag in het gras naast het spoor. Een Indiaanse man en een squaw, op hun knieën, keken hulpeloos op het kindje neer. Lydia knielde naast hen. Toen zij het kind van dichtbij bekeek werd zij vervuld van afgrijzen, want het uitgemergelde gezichtje had precies dezelfde uitdrukking als de gezichten van de kinderen die in de epidemie gestorven waren. Voor ze het handje van het huilende kind in de hare nam, wist ze dat het gloeiend heet zou zijn; ze wist dat het stervende was.
Zij keek naar de ouders; hun gezichten waren maskers van onverschilligheid. Toen zag ze, achter hen, een ruiter naderbij draven langs de colonne strompelende Indianen. Het was een blanke. Zij stond op, hief haar hand op en riep: ‘Stop! Om Godswil, stop!’
Het paard steigerde, de ruiter vloekte. Ze zag dat het een officier was. Hij kon niet ouder zijn dan een jaar of vijfentwintig; hij leek totaal niet begaan met de jammerlijke mensen die hij als een kudde vee voortdreef langs het spoor.
‘Wat heeft dat te betekenen, stomme gans?! Ben je helemaal belazerd, zo maar voor mijn paard te springen?!’ Hij had moeite het dier weer in bedwang te krijgen. ‘Kalm nou, kalm, kalm...!’
Pas toen hij zijn paard weer in zijn macht had drong haar Quaker-kledij tot hem door. Zijn gezicht werd een ogenblik dom van verbazing, toen salueerde hij aan zijn hoed en zei, op verontschuldigende toon: ‘Neem me niet kwalijk, juffrouw, ik had niet gezien ... Wat kan ik voor u doen? Bent u verdwaald?’
‘Dit kind heeft hulp nodig,’ zei ze. ‘Het moet zo gauw mogelijk naar een dokter gebracht worden. Heb je een wagen of een kar?’
‘Maar mijn beste juffrouw,’ zei de officier, sussend, ‘we beleven dit iedere dag een paar keer. Die kinderen sterven bij bosjes, ze zijn hier niet tegen opgewassen. Ik kan onmogelijk...’
‘Wat bedoel je?!’ riep zij. ‘Wat doen jullie met die mensen?’
‘Het zijn Shawnees,’ antwoordde de officier, ‘op weg naar hun nieuwe reservaat in Kansas.’ Hij zag haar onthutste gezicht en voegde eraan toe: ‘Ik kan er ook niets aan doen, dat is de wet. De Indiaanse migratiewet. Ze moeten plaats maken voor landontginning.’
‘Hoe kan je het over je hart verkrijgen?’ vroeg zij, met trillende stem. ‘Hoe kan je menselijke wezens, kinderen, zo iets aandoen? Ben je geen Christen?’
‘Natuurlijk...’
‘Kom dan van dat paard af en gedraag je als een Christen! Help me dit kind naar een dokter te brengen. Neem me voor op je paard en breng ons naar de stad. Ik zal je wel vertellen waar je heen moet.’
‘Maar m'n beste juffrouw...’ Toch kwam hij van zijn paard af. Hij klopte het dier op de nek om het tot bedaren te brengen en glimlachte tegen haar. Hij was lang en blond en rook naar kamperfoelie, die overal ia de bomen hing en waar hij langsgestreken moest hebben. Het kind huilde niet meer. Het lag, uitgeput, met zijn hoofdje opzij. Zijn ouders hadden zich nog steeds niet verroerd.
‘Moet u horen,’ zei de jonge officier vriendschappelijk, ‘ik wil niet met u in discussie treden, ik doe ook alleen maar wat me gezegd wordt dat ik doen moet. Dit is mijn derde konvooi en...’
Zij luisterde niet naar hem. Ze zei tegen de ouders: ‘Luister, ik breng uw kindje naar de dokter. Hij zal proberen het beter te maken. Begrijpt u dat?’ Toen zij niet reageerden, nam zij de zuigeling in haar armen en droeg hem, behoedzaam, naar het paard. ‘Stijg op,’ zei ze tegen de officier. ‘Ik zal hem aanreiken.’
De officier keek naar de zuigeling, toen naar haar en zei, met jongensachtige verlegenheid: ‘Het spijt me, juf, ik zou het graag doen, maar ik vrees dat het te laat is. Dat kindje is dood, juf.’
Zij keek naar het kind in haar armen en zag dat het inderdaad was gestorven.
‘Ik zou het maar terugleggen, juf,’ zei de officier. ‘Die mensen begraven het wel, daar moeten wij ons niet mee bemoeien.’
Haar ogen schoten vol tranen. Zij legde, voorzichtig, het kindje weer in het gras; de ouders keken niet op of om. Zij hoorde de officier tegen iemand zeggen: ‘Ik ben zo terug, ik moet even deze dame naar de straatweg brengen. Ze is verdwaald.’ Een hand raakte haar schouder aan. ‘Kom, juf.’
Zij liet zich naar het paard leiden, stak haar voet in de stijgbeugel en ging zijwaarts voor het zadel zitten, zich vasthoudend aan de manen en aan de zadelknop. De officier steeg op en nam de teugels, zijn armen aan weerszijden van haar. ‘Nou, zegt u het maar, juf. Waar wilt u heen?’
‘Naar Pendle Hill.’
‘Dat stadje aan de overkant van het meer?’
Zij knikte; toen kon zij zich niet langer beheersen en barstte in snikken uit.
De officier zei niets. Hij klakte met de tong, het paard begon te lopen. Na een tijdje vroeg hij vriendelijk: ‘Moet ik hierin, juf?’
Zij keek op en zag dat zij het bospad naar de straatweg hadden bereikt. Zij knikte. Het paard begon behoedzaam zijn weg te zoeken in het hoge onkruid. Merels sloegen in het bos, een raaf volgde hen boven de bomen, krassend: ‘Kra - kra!’
‘Ik kan het echt niet helpen, juf,’ zei de officier. ‘Ik ben soldaat, ik moet mijn orders opvolgen. Het was niet mijn idee om die stakkers met geweld van hun land te verdrijven, het was het besluit van de volksvertegenwoordiging. Ik moet me aan de wet houden.’ Toen zij niet reageerde, vervolgde hij: ‘Bovendien, u moet niet vergeten dat het geen menselijke wezens zijn, in de zin waarin u en ik dat zijn. Het zijn wilden. Ze zijn anders, ze voelen de dingen heel anders dan wij. Zelfs hun pijn is anders. Ze...’
‘In Christusnaam, hou op!’ riep zij. Haar stem klonk zo agressief, dat zij eraan toevoegde: ‘Ik ben onderwijzeres. Ik heb tientallen Indiaanse kinderen les gegeven. Ik heb er drie dit jaar.’
Het scheen geen indruk op hem te maken. Hij zei afwezig: ‘O ja?’
Geen van beiden sprak meer totdat, tien minuten later, het paard stilstond. ‘En, juf, waar mag ik u nu heen brengen?’
Ze hadden de straatweg bereikt. Het was nog wel een eind naar de school, toch zei ze: ‘Ik ga er hier maar af. Dank je.’ Ze liet zich uit het zadel glijden. Haar voeten sliepen en deden zeer toen ze op de grond sprong. De officier plofte naast haar in het gras met een gerinkel van sporen en sloeg zijn arm om haar schouders omdat hij dacht dat ze op het punt stond om te vallen.
Zij schudde hem af. Het was niet aardig van haar, maar zij kon op dat ogenblik zijn aanraking niet verdragen.
‘Hoor eens, juf,’ zei hij bezorgd, ‘u bent niet in een geschikte toestand om te gaan wandelen. Het is maar een paar minuten te paard...’
Zij schudde het hoofd. ‘Nee, dank je,’ zei ze. ‘Ik mankeer niets. Dank je voor je vriendelijkheid. Je moet nu maar teruggaan.’
Hij aarzelde. ‘Moet u eens horen: voor het geval u in de verleiding zou komen om terug te gaan en u weer met die Indianen te gaan bemoeien, neemt u mijn raad aan: begin er niet aan. Kapitein Stewart, de commandant van het volgende konvooi, heeft niet zo'n begrip voor vrouwen als ik. Ik heb drie zussen en ik ken de Quakers, ik kom uit Pennsylvanië. Maar kapitein Stewart...’
‘Bedankt,’ zei ze, ‘tot ziens.’
Hij salueerde aan zijn hoed. ‘Dag juf, tot genoegen. Mocht u me ooit nog eens nodig hebben, mijn naam is Jim, luitenant James Goodall. Nou, goeiedag dan maar.’ Hij steeg op, zwenkte zijn paard en verdween in de tunnel van het laantje.
Diep in gedachten begon zij de wandeling naar de school. ‘Voor het geval u in de verleiding zou komen om terug te gaan...’ Teruggaan? Wanneer? Wanneer kwam het volgende konvooi? Vanmiddag? Als zij terugging, zou dat met een beslist doel voor ogen moeten zijn. Niet alleen maar om hulpeloos aan de weg te gaan staan, handenwringend, en de Cavalerie te verwijten dat zij hun orders opvolgden. ‘Ze voelen anders dan wij...’ Het had totaal geen zin om mannen die er een dergelijke
overtuiging op na hielden in heilige verontwaardiging de mantel uit te vegen. Dat was niet de manier waarop Margaret Fell de cipiers van Slot Lancaster had benaderd, die kinderen ophingen, of de manier waarop Bonifacius Baker de Philadelphiase Maandvergadering het besef had bijgebracht dat de slavernij een schande was, Quakers onwaardig. Maar hoe hadden die twee het aangelegd? Welke geheimzinnige kracht hadden zij gehad?
Pas toen zij, een uur later, de oprijlaan naar de school opliep, kwam zij op het antwoord: zij hadden moed gehad. Helaas had zij die niet. Zij kon nog zo getroffen zijn door het lijden van die Indianen, ze had de moed met om er daadwerkelijk iets aan te doen. Alleen de gedachte al dat zij nog meer kinderen zou moeten zien sterven deed het beetje moed dat zij bezat in haar schoenen zinken. Maar kon zij hen vergeten? Dacht zij werkelijk dat zij de herinnering aan die gezichten van zich af kon schudden?
Toen zij in de aula aankwam was de samenkomst al begonnen. Mordechai Monk was bezig met getuigen. Haar plaats op de ouderlingenbank was open, maar zij dacht er niet over om in haar gescheurde jurk en zonder muts het middenpad af te lopen. Misschien zou ze eerst naar haar kamer moeten gaan om zich op te knappen, maar ze had zo'n verlangen om zich bij de samenkomst te voegen, dat zij op de achterste bank ging zitten, aan de kant van de meisjes.
Mordechai Monk was aan het bulderen; op dat ogenblik kon ze er niet tegen. Ze wilde alleengelaten worden met God, Hem smeken haar de moed te geven Zijn werk te doen. Ze trachtte haar oren te sluiten voor het gebral, maar zag er geen kans toe. ‘Laat wat er gisteravond tijdens samenkomst gebeurd is, de godslastering door één van deze jongens gepleegd, een waarschuwing voor ons allen zijn!’ riep Mordechai Monk. ‘Het is het bewijs dat wij ons niet kunnen verlaten op het vonkje goddelijkheid dat wij in ons meedragen, wanneer het erop aan komt de duivel te overwinnen! De mens heeft daarvoor de hulp nodig van God in het vlees, onze Zaligmaker, schakel van genade tussen ons, zondig ontuig, en de verblindende glorie van de Vader! Werp de dwaalleer van u dat God niet meer zou zijn dan vriendelijkheid, mededogen, geduld! Hij is niets van dat alles, Hij was dat nooit! George Fox heeft het gezegd: “Vrees God en dien Hem, want Hij is een verterend vuur!”’
De woorden weergalmden onder de gewelven van de aula. De gemeente luisterde in roerloze stilte. Allengs, niettegenstaande de retoriek, begon Lydia te beseffen dat Mordechai Monk iets in haar raakte wat nog nooit eerder geraakt was. Het leek opeens ontzettend verleidelijk de verantwoordelijkheid voor haar leven aan Hem over te dragen, zich niet langer het hoofd te breken over de ondoorgrondelijke tweespalt tussen de God van liefde en het gruwelijk lijden van die stervende kinderen. O, wat een opluchting zou het zijn om zich voor Hem op de knieën te werpen en uit
te roepen: ‘Ja, ja, ik geloof! Vergeef me! Ik ben een zondares, red me, red me!’ Want waar was het goddelijke in de officier, met zijn geborneerde overtuiging dat de Indianen geen pijn voelden? Hoe kon zij de wreedheid, de absurditeit van het leven te lijf gaan met niets anders dan het goddelijke in haar dat, zoals Margaret Fell gezegd had, in iedere vrouw aanwezig was in de vorm van deernis voor lijdende kinderen? Margaret Fell...
De gedachte aan Margaret Fell deed haar opeens opstaan. Voor zij het wist was zij aan het spreken.
‘George Fox heeft gezegd dat God een verterend vuur was. Maar hij heeft óók gezegd dat Hij een oneindige oceaan was van licht en liefde. Eeuwenlang hebben Vrienden hun levens gegrondvest op het beginsel dat God oneindige liefde is, oneindige deernis. Het is niet een verschil van interpretatie, het is een verschil van belevenis.’ Ze wist niet hoe ze verder moest gaan. Ze stond te trillen als een espeblad, het liefste zou ze nu gaan zitten huilen. Maar iets dwong haar voort te gaan; de woorden werden haar ingegeven zonder dat zij erover nadacht. ‘Zelfs bij het sterfbed van onschuldige zuigelingen, zelfs tegenover het onmenselijke lijden van onze kinderen dat onze levens heeft gebroken, kan ik God niet zien als een verterend vuur. Ik kan niet geloven dat Hij, met Zijn sterren, Zijn oceanen, Zijn wolken, Zijn kinderen, Zijn bloemen, Zijn nachtegalen, niet meer zou zijn dan een verzengend vuur, dat verteert en vernietigt. Het kan niet waar zijn! Als dat waar was, zou er inderdaad niets anders voor ons overblijven dan een blind geloof; dan zouden wij de stem binnen in ons tot zwijgen moeten brengen die ons zegt dat wij moeten proberen Zijn tegenwoordigheid te beleven, Zijn liefde te belichamen.’ Opeens wist ze niet verder. Wat kon zij in vredesnaam zeggen om dit alles te bewijzen? Hoe kon ze bewijzen dat God liefde was? Toen riep zij uit: ‘God! God, help me te bewijzen dat Gij liefde zijt!’
Binnen in haar antwoordde iets. Iets wat deel van haar uitmaakte en wat toch niet zij zelf was. Iets binnen in haar wat haar vervulde met vrede en rust. ‘God,’ fluisterde zij, ‘laat mij bewijzen dat Gij liefde zijt ... Laat mij Uw liefde belichamen...’
Toen ging zij zitten, met haar gezicht in de handen.
***
Toen de brutale meid die hem gisteren al het leven zuur had gemaakt hem opnieuw begon uit te dagen, werd Mordechai Monk hels van woede. Dit was onverdraaglijk, een belediging, niet van hemzelf, maar van de Godheid wiens vertegenwoordiger hij was. Hij stond op het punt haar arrogante gebazel met de stem des Heren te vermorzelen, toen de oprechtheid in wat ze zei tot hem doordrong. In plaats van korte metten met haar te maken, begon hij te luisteren.
Het was ketterij, maar toch raakte zij een snaar in hem die zelden beroerd werd. Niettegenstaande haar wanbegrip van de verhouding tussen God en de mens gaf zij stem aan een oerverlangen dat in een ieder schuilging: de hunkering naar het koninkrijk van de vrede, naar de liefde tussen alle mensen, naar het einde van alle meningsverschillen, heilige oorlogen, kruisvaarten en brandstapels.
Was de mens maar in staat om zelf de liefde Gods uit te drukken, zoals die op eenmalige, onsterfelijke wijze was uitgedrukt in Jezus Christus! Zou dat mogelijk zijn? Was hij ooit iemand tegengekomen die Gods liefde belichaamde? Natuurlijk: de lieve, heilige Emily zaliger, Hoe kon hij ooit de verzenen tegen de prikkels hebben geslagen vanwege haar onkreukbare kuisheid, haar etherische spiritualiteit? Hoe had hij zich zo lomp, zo vleselijk tegenover haar kunnen gedragen? Wat had hem bezield te denken dat hij ooit met dat zuivere kind Gods de bijslaap kon bedrijven?
‘Laat mij bewijzen dat Gij liefde zijt. Laat mij Uw liefde belichamen.’
Nauwelijks had het meisje dat gezegd of de duivel sloeg toe. Misschien was het het woord ‘belichamen’, misschien haar intense emotionaliteit, maar opeens werd hij overweldigd door wellust. Zijn kortstondige mildheid tegenover haar werd weggevaagd door een zwalpende dagdroom van naakte vrouwen, gillend van extase, hun ogen scheel omhooggedraaid in opperst genot, eindigend in dat visioen van de gezichtloze maagd, veroverd door de kracht van zijn getuigenis, die op een avond aan zijn deur zou kloppen, bevend van verlangen en hem aanstaren als hij opendeed met een blik, tragisch van liefde. Eén dezer nachten zou ze komen, en hij zou haar in zijn armen sluiten, en zij zou hem de dierlijke onsterfelijkheid schenken waar hij zijn leven lang naar gehunkerd had: een kind, een zoon...
Hij kwam tot zichzelf en fluisterde tot de verbolgen God, Wiens eer hij wederom bezwadderd had: ‘Vergeef mij, vergeef mij, om Uws Zoons wil...’
De omzittenden zagen zijn schouders schokken; Abner had een voorgevoel van naderend geweld.