terug  begin  verder
[p. 75]

Vier

Toen Bonny Baker eindelijk een kaarsvlammetje op zich af zag komen op de aardedonkere zolder slaakte hij een zucht van verlichting. Op dit gedeelte waren er geen dakraampjes, zijn eigen kaars was al uren geleden opgebrand, hij had er geen idee van of het dag of nacht was, laat staan hoe laat; maar hij had honger. Hij was ervan overtuigd geraakt dat Meester Abner vergeten had Penny Higgins te vertellen dat er iemand in de petoet zat. Hèhè, daar was ze dan eindelijk! Hij staarde vol verlangen naar het vlammetje en het vage vrouwengezicht erboven; pas toen zij vlak bij was herkende hij Himsha Woudhouse.

‘Ha die Himsha!’ riep hij, verrast.

‘St!’ Zij wierp een ongeruste blik over haar schouder. ‘Ik geloof dat Juffrouw Sara weet dat ik iets in mijn schild voer. Vlug! Hier is een stuk pudding. Ik moet in de slaapzaal terug zijn voor ze merkt dat ik weg ben!’ Toen drong het tot haar door dat de deur niet op de knip was. ‘Heb jij de deur opengelaten?’

‘Nee. Meester Abner.’

‘Met opzet?’

‘Ik denk van wel.’

Zij haalde haar schouders op, opende de deur en gaf hem het bord. ‘Als je het op hebt, verstop het bord dan onder je stro. Als je losgelaten wordt moet je het onder je hemd meenemen, anders komen ze erachter.’

Hij herinnerde zich dat Bruller hem verteld had dat, als je in de petoet zat, je door de meisjes vertroeteld werd. Hij had nooit gedacht dat meisjes zo dapper waren. ‘Hoeveel van jullie doen hieraan mee?’

‘Ik ben de enige,’ antwoordde zij, kakkineus. ‘Dit is mijn getuigenis, net als dat van Margaret Fell.’

‘O, juist.’ Hij had Himsha eigenlijk nooit uit kunnen staan. Zij was twee jaar ouder dan hij en Het dat graag merken. Bovendien was ze een hooghartig kreng, dat overal haar neus voor optrok en iedereen behandelde alsof hij tot een mindere klasse behoorde.

‘Nu, ik moet hem smeren.’ Zij stond op het punt de deur weer dicht te doen, toen ze de inhoud van het pakket op het stro zag liggen. ‘Wat heb je daar?’

‘O, een paar dingen die ik uit de kast gehaald heb, daar achterin. Bruller had het erover.’

‘Maar hoe ben je daar aan gekomen?’

[p. 76]

‘Wat?’

Zij pakte het hangertje op met de oranje en blauwe steen. ‘Waar komt dat vandaan?’

Hij antwoordde met tegenzin: ‘O, dat hebben ze op een baby gevonden.’

‘Wie z'n baby?’

‘Dat gaat je niet aan.’

‘Doe niet zo gek. Wanneer was dat?’

‘Ik zeg je toch: dat gaat je niet aan...’

Ze stond tegenover hem met gebalde vuisten. Ze zag er op dat moment beslist uit om bang van te worden. ‘Dit hebben ze van mijn volk gestolen!’

‘Het heeft niks met jouw volk te maken. Het kwam van de Miamis.’

‘Vertel me nou niet hoe mijn eigen totem eruitziet! Hier, kijk...’ Ze hield het sieraad onder zijn neus. ‘Zie je wel? Het teken van de vleermuis. En hier...’ Ze hield hem het slotje voor, dat de vorm van een torretje had. ‘Dat is de scarabee.’

‘Nou, en?’

‘De vleermuis betekent dat het behoord heeft aan een man van onze stam. En de scarabee betekent ... Nou ja, doet er niet toe. Dit hebben ze gestolen van een Huni-Indiaan, en ik neem het terug.’ Voor hij er iets aan doen kon, stopte zij het hangertje in de hals van haar jurk, schudde even, en zei, voldaan: ‘Zo.’

Hij dacht erover haar beentje te lichten en erom te vechten, maar zij had iets zo intimiderends dat hij er niet aan begon. In plaats daarvan riep hij verontwaardigd: ‘Jij bent een dief! Dat hangertje hoorde van mijn vader! Dat hebben ze op hem gevonden, toen...’

‘Toen?’

Hij keek naar haar scheve zwarte ogen, haar vettige vlechten. ‘Toen hij gevonden werd,’ antwoordde hij.

‘Door wie? Waar?’

‘Hij was een vondeling die door de Miamis voor de deur van mijn grootvader is neergelegd en toen ze hem opraapten en uit de doeken deden, vonden ze dat hangertje. Vooruit, geef op.’

‘Hebben ze nog meer gevonden?’ Zij gluurde naar hem met halfgeloken ogen. Ze gaf hem kippevel. Hij had zin om zijn tong tegen haar uit te steken, maar hij kon de moed niet opbrengen.

‘Een briefje.’

‘Wat stond erop?’

Hij had geen zin haar het briefje te laten lezen. Het ging haar niet aan. ‘O, zo iets van: wij deponeren deze zuigeling voor uw deur omdat, nou ja, alleen in uw huis is een belofte van liefde en weet ik veel.’

‘Was het in het Engels?’

‘Natuurlijk niet. In het Miamisch.’

‘Dat bestaat niet.’

‘Nee?’ Ha, nu had hij haar eindelijk te pakken! Het gaf hem een gevoel

[p. 77]

van triomf. ‘Wat zal je je daarin vergissen!’

‘De Miamis kunnen niet schrijven. Ze hebben geen schrift, geen alfabet, ze hebben niks.’

‘En hoe weet u dat, Juffrouw Woodhouse?’

‘Was het perkament, papier? Waar was het op geschreven?’

Hij vond het nu welletjes, maar toch had ze twijfel in hem opgewekt. ‘Het was op zeemleer geschreven,’ zei hij nurks. En toen kon hij het toch niet laten: hij rommelde tussen de papieren, haalde het stukje zeemleer te voorschijn en het papiertje met de vertaling.

Eerst keek zij naar het papier, toen naar het zeemleer. Toen zij haar ogen opsloeg was er iets veranderd. ‘Dit klopt niet,’ zei ze. ‘Dit bericht heeft niets te maken met de zogenaamde vertaling.’

‘Wat vertel je me nou?’

‘Het is geen zeemleer trouwens, maar de vleugel van een vleermuis. Het schrift is Huni-schrift. Het is mijn taal. Er staat één regel bij die ik niet begrijp, maar ik kan je wel vertellen dat dit geen vertaling is.’

Nu moest hij haar zien kwijt te raken, want zij bracht hem in de war. Had grootvader dan tóch gelogen? ‘Ach, je kletst maar wat.’

‘Geen enkele andere stam gebruikt vleermuisvleugels om op te schrijven. Wij doen dat, omdat vlak bij onze pueblo een vleermuisgrot ligt met miljoenen van die beesten erin. Zij zwermen iedere avond uit en ze komen iedere morgen voor zonsopgang terug. Ik zal je vertellen wat erop staat.’ Zij las voor van het stukje zeemleer dat zij bij de kaarsvlam hield: ‘Vijf zakken zout. Een zak kralen voor wampum. Twaalf klei...’ Zij aarzelde, haar lippen bewogen terwijl zij het woord trachtte te ontcijferen: ‘Twaalf stenen pijpen voor duivelskruid.’

‘Wat is dat nou weer?’

‘Een soort tabak die de brujos roken.’

‘Nou, en?’ Het enige dat hij doen kon was zich groothouden.

‘Het spijt me, Bonny,’ zei ze, met onverwachte vriendelijkheid, ‘dit is een boodschappenlijstje.’

‘Maar dan is die vertaling...’

‘Precies. Ik weet niet wie hem gemaakt heeft, maar hij loog dat ie zwart zag. De enige reden die ik kan bedenken is dat ze niet wilden dat je grootvader erachter kwam dat de vondeling een Huni was.’

‘O,’ zei hij, nu helemaal de kluts kwijt.

‘Die vondeling kan nooit het teken van de vleermuis bij zich gehad hebben als het geen Huni was.’ Ineens opende ze haar ogen wijder en staarde hem vol verbazing aan.

‘Wat is er nou weer?’

‘Geef eens hier.’ Zij griste de vleermuisvleugel uit zijn hand, knielde in het stro en hield hem bij de kaarsvlam. Toen zei ze: ‘Nou heb ik het! De laatste regel is: Heb een gezegende reis, Man-Vrouw. Weet jij wie die vertaling gemaakt heeft? Mijn oudtante, Gulielma Woodhouse!’

[p. 78]

Hij had genoeg van haar gedoe. Hij ging in het stro zitten, maar zij trok hem opeens naar zich toen kuste hem op zijn voorhoofd. ‘Bonny,’ zei ze, haar ogen vlak bij de zijne, haar adem op zijn mond, ‘ik hou van je als van een broer, want je bent een van ons. Je bent een Huni.’

Hij was bang van de felle ogen, hij kon haar spuug op zijn gezicht voelen. ‘Wat dan nog?’ vroeg hij.

Ze was nu een en al liefheid. Hij had haar nog nooit zo meegemaakt. ‘Jij hoort hier óók niet,’ zei ze. ‘Ga mee, dan lopen we samen weg, naar huis.’

‘Maar het is mijn huis niet!’ Tot zijn ergernis voelde hij zijn ogen volschieten met tranen. ‘Ik ben geen Huni!’

Ze zei kalm: ‘Laten we dan 's zien of we uit kunnen vinden wat je wél bent.’ Zij begon onder de papieren van grootvader te rommelen. Hij wilde er een eind aan maken, maar toen drong het tot hem door dat, hoewel hij haar de minst aardige vond van alle meisjes in de school, zij de enige was die hij familie kon noemen, als hij inderdaad met de Hunis verwant was. Hij zei, toeschietelijk: ‘Die papieren zijn van mijn grootvader. Maar de schriften heeft hij niet geschreven. Dat is weer iemand anders, heel lang geleden. Hier, moet je kijken...’

‘Himsha Woodhouse!’

Zij sprongen op onder de zweepslag van die stem. In de deuropening stond, als een engel der wrake, Juffrouw Saraetta. Zij hadden haar geen van beiden horen aankomen.

‘Ik wist dat jij het achter je ellebogen had, ondeugend nest!’ riep Juffrouw Saraetta, haar stem schril van kwaadheid. ‘En wat jou betreft, Bonifacius Baker ... Toen kreeg ze de papieren in de gaten. ‘Wat hebben jullie daar? Waar heb je dat vandaan?’

Opeens veranderde Bonny, tot zijn verbazing, van een lafaard die probeerde zich eruit te draaien in de onverschrokken jonge held die het pakket uit de kast had gehaald en de zegels verbroken. ‘Deze papieren behoorden aan mijn grootvader, Juffrouw Sara,’ antwoordde hij, trots, want hij moest de eer van zijn grootvader redden en hem tegen alle laster verdedigen.

Maar Juffrouw Sara zag zijn plotselinge zelfverzekerdheid voor brutaliteit aan. ‘Hoe durf je zo tegen mij te praten, onbeschofte rekel!’ Zij greep het schrift en rukte het uit zijn handen. ‘Waar heb je dit vandaan?’

‘Uit de kast.’

‘Welke kast?’ Toen begreep zij het. ‘Je bedoelt toch niet die met het hangslot erop?’

‘Jawel.’

‘Heb je die kast opengemaakt?’

‘Jawel.’

‘Hoe?’

‘Ik - ik had iets om het slot mee open te maken.’

Zij staarde hem verbluft aan. ‘Wel van mijn levensdagen,’ zei ze. ‘Wij

[p. 79]

zullen eens zien wat Meester Abner hierover te zeggen heeft! Om te beginnen neem ik dit mee.’ Zij knielde in het stro en griste alle papieren bij elkaar. Het ging hem aan het hart, maar hij liet haar begaan. Hij zou ze wel op de een of andere manier terugkrijgen. Pas toen ze op het punt stond om weg te gaan, vroeg zij: ‘Maar hoe heb jij kans gezien om uit deze cel te komen? Hoe heb je de knip opengekregen?’

‘De deur was open, Juffrouw Sara.’

‘Open?’ Hij dacht dat ze nog meer wilde vragen, maar zij nam nu Himsha op de korrel. ‘Jij gaat met mij mee, jongedame,’ zei ze. Zij greep haar ruw bij de arm. ‘Ik zal persoonlijk met jou afrekenen.’

Opeens voelde hij de drang om Himsha te verdedigen. Hij had het land aan haar, maar hij kon toch niet aanzien dat ze zo werd weggesleurd.

Alsof ze dat voelde, glimlachte Himsha tegen hem met een flits van witte tanden in het kaarslicht. Toen duwde Juffrouw Sara haar het donker in.

 

***

 

Toen zijn vrouw zijn kantoor binnenkwam, de deur knallend achter zich dichtsmeet en een pak schriften op zijn bureau gooide, zonk Abner Best het hart in de schoenen. Hij was ervan overtuigd dat haar dramatische binnenkomst met Mordechai Monk te maken had. Hij voelde zich opgelucht toen haar woede alleen maar veroorzaakt bleek te zijn door het feit dat Himsha Woodhouse in het geheim de gevangene op de zolder lekkernijen had toegestopt.

Maar terwijl hij de storm over zich heen liet gaan, raakte hij verontrust door de wraakgierigheid van zijn vrouw. Zij eiste dat hij Bonny en Himsha als voorbeeld zou stellen voor de hele school. Ze had het zelfs over ‘openbare kastijding’. Jaren geleden, toen zijn vader nog schoolhoofd was, hadden kinderen ten overstaan van de hele school weleens een pak op hun broek gekregen; Saraetta zelf had aan die beschamende vertoning een eind gemaakt. Zij had altijd de stem van het begrip doen klinken wanneer hij zelf des duivels was over het een of andere kattekwaad. En nu stond zij daar, struikelend over haar woorden van woede, en eiste van hem dat hij die twee onnozele schapen onder de ogen van de hele school met een riem zou laten afranselen door Jesse, omdat die de sterkste was.

Hij trachtte haar tot bedaren te brengen, zodra hij de kans kreeg er een speld tussen te krijgen. ‘Lieve schat, laten we het geval eens een ogenblik in proporties zien. Natuurlijk is het niet juist dat meisjes de zolder opsluipen om hongerige jongens te gaan voederen, maar...’

In plaats van dat het haar kalmeerde, werd zij er heftiger van. ‘Hoe durf je!’ riep zij uit. ‘Hoe durf je een vlegel in bescherming te nemen die niet alleen uit zijn cel gebroken is, maar bovendien nog de verboden kast heeft opengebroken en er een dossier uitgehaald.’

[p. 80]

‘Hij heeft zijn cel niet opengebroken, Saraetta, die heb ik zelf opengelaten?

Nu werd hij het mikpunt van haar woede: ‘Dat is waar ook, dat was ik vergeten! Geen wonder dat de school volkomen uit de hand gelopen is! Als het schoolhoofd zelf samenspant met gluiperige jongetjes die sloten opensteken, als meneer de directeur zelf een aanfluiting maakt van de gerechte straf voor wandaden, heiligschennis, het bezwadderen van de beginselen...’

Hij staarde haar onthutst aan. Nog nooit van haar leven was ze zo tekeergegaan. Wat ze zei was in tegenspraak met haar hele karakter. ‘Goed, liefje, goed, goed,’ zei hij. ‘Laten we het eens rustig op een rijtje zetten. Om te beginnen: in hoeverre is de school uit de hand gelopen?’

Zij haalde diep adem, sloot de ogen en steunde zich aan zijn bureau. Een ogenblik dacht hij dat ze flauw zou vallen. Toen zei ze, mat: ‘De school verkeert in een staat van verdoemenis.’

Het was zo'n schandelijke overdrijving, dat zijn eerste opwelling was een eind te maken aan het gesprek. Maar hij moest haar nu niet afstoten. ‘Leg dat eens uit, Sara. Hoe kom je tot zo'n overdreven conclusie?’

‘Overdreven?!’ riep zij uit. ‘Dat noem jij overdreven?! Nou, dan ben ik toch benieuwd wat jouw term is voor een leerling die tijdens samenkomst opstaat om te boeren, een leraar die naar de hoeren loopt, een lerares die op zondagmorgen op komt dagen, halverwege samenkomst, met haar haren los en een gescheurde jurk, en die een eregast in zijn getuigenis tegenspreekt...’

Hij wist dat hij zijn geduld begon te verhezen, maar hij kon het niet helpen: ‘Híj is de schuld van deze hele geschiedenis! Hij en zijn onverdraagzame gebral!’

Zij scheen zichzelf ineens de baas te worden. ‘Besef jij wel, Abner,’ vroeg ze, ‘hoe zondig het is om de man die ons de ogen opende voor de geestelijke verwildering van onze school, de schuld te geven? Als er nog een spoortje hoop bestaat dat wij van de rand van de afgrond terugdeinzen, dan hebben wij dat aan Mordechai Monk te danken.’

‘Ach Sara, kom nou toch!’

‘In plaats van de man te belasteren konden wij ons beter aan zijn leiding onderwerpen.’

‘Wat voor leiding?’ riep hij uit. ‘Wil je dat onze kinderen hysterische bekentenissen gaan doen van kattekwaad, op hun knieën voor het altaar, en krijsen dat alleen Jezus hen kan redden?’

‘Ja, ja!’ riep zij uit, met een klank van wanhoop die hem tot bedaren bracht. ‘Ik smeek God met het laatste greintje kracht dat ik nog heb, met de laatste hoop, met mijn laatste adem, dat Christus moge komen en ons redden, mij moge redden met Zijn heilig bloed, het zoenoffer van Golgotha! Begrijp je het dan niet? Ben je dan blind? Wij zijn verloren, Abner! De enige hoop om ons nog te redden is dat wij ons onvoorwaardelijk over-

[p. 81]

geven aan de genade van Christus! Als we dat niet doen zal de eeuwige duisternis onze zielen verzwelgen! En niet alleen onze zielen: ons verstand!’

Hij liep om zijn bureau heen en nam haar in zijn armen. Zij beefde als een riet, sloeg haar handen voor haar gezicht en bulkte het uit als een gemarteld dier. Hij kon niets anders doen om haar te helpen dan liefdeswoordjes fluisteren, haar haren kussen, haar arme, sidderende lichaam strelen; maar niets scheen tot haar door te dringen. Zij snikte het uit met bulkende uithalen; hij stond machteloos tegenover haar vertwijfeling.

Eindelijk kwam zij tot bedaren, maar toen ze naar hem opkeek zag hij dat er niets veranderd was. Ze was alleen aan het eind van haar krachten. ‘Kom, lieve schat, ik breng je even naar boven,’ zei hij.

Zij schudde hem van zich af. ‘Laat me met rust, laat me met rust!’ Zij holde de kamer uit zonder de deur achter zich te sluiten.

Hij wilde haar achternagaan, maar besefte dat hij haar niet kon volgen in de duisternis die zij was binnengegaan. Hij sloot de deur en ging weer achter zijn bureau zitten. Gedachteloos pakte hij een van de schriften op die zij voor hem had neergesmakt toen ze binnenkwam. Ik hoop dat ze eindelijk in flaap valt, het arme menf. Hoe if het mogelijk dat iemand een ander zó kan laten lijden zonder het zelf te merken? Hij legde het schrift terzijde, nam een stukje zeemleer in de hand waar wat op gekrabbeld stond, met een briefje eraan vastgespeld. Beste Bonny, hier is mijn interpretatie van de rebus van de Miamis ... Hij bladerde in een stapeltje notities, met ouderwetse, schoolse hand geschreven. Eerste Maand. Wat ik niet dorst te hopen, is nu een wonderbaarlijke werkelijkheid geworden. Na de aankomst van het kind is Cleo een ander mens geworden. Het lijkt of de zwarte, vernielzuchtige duivel die haar bezielde, nu eindelijk is uitgebannen, als ware zij aangeraakt door de hand Gods. In plaats daarvan is zij nu bezield door een geest van tederheid, zachtheid en vreugde. Boosaardigheid, wraakgierigheid en haat zijn weggevaagd door de allesoverstelpende liefde van het moederschap.

Dit moesten de papieren van Bonny Bakers grootvader zijn. Hij wist van hun bestaan af, maar niet dat zij in de school zelf waten opgeslagen. Onder normale omstandigheden zou hij zich erin hebben verdiept, maar op dit ogenblik kon hij er zijn hoofd niet bijhouden. Sara, Sara ... Hij liep naar het raam en staarde naar buiten, naar de blauwe morgenlucht, de bomen, bevlogen met de eerste vleug van de lente, het standbeeld van Becky Baker, de armen uitgestrekt naar de hemel. Wat was er met Sara gebeurd? Het kon niet alleen maar de invloed van Mordechai Monk zijn. Hij was de aanleiding, niet de oorzaak van haar ontreddering. Er was iets apocalyptisch in de crisis die ineens hun verhouding leek te ondermijnen, hun liefde te ontzielen. Het leek wel alsof zij ergens voor gestraft werden. Er werd geklopt. ‘Ja?’

‘Heb je een ogenblikje, Abner Best?’ Het was Obadja Woodhouse.

[p. 82]

Met een zucht antwoordde hij: ‘Ja zeker.’

‘Ik heb maar een ogenblik nodig,’ zei Obadja, sloot de deur en ging zitten. ‘Het leek me het beste je even te waarschuwen dat Vriend Mordechai Monk besloten heeft om morgenochtend aan de Kwartaalvergadering voor te stellen dat de school zal worden gesloten en de hele faculteit ontslagen.’ Hij glimlachte verlegen. ‘Ik heb gedaan wat ik kon om hem tot andere gedachten te brengen, maar het is helaas niet mogelijk.’

Abner schrok er niet van, hij had iets dergelijks verwacht. ‘Het spijt me dat Vriend Mordechai zich geroepen voelt om dit op de spits te drijven,’ zei hij, ‘ik voorzie echter dat de leden van de Kwartaalvergadering, die kinderen hier op school hebben, geen gehoor zullen geven aan zijn ophitserij.’ De woorden waren nog niet zijn mond uit of hij werd door twijfel bevangen. Zouden de ouders inderdaad immuun zijn voor Mordechai Monk? Amanda Tucker was niet voor de poes; zij had grote invloed op de mensen. Het zou kunnen dat zij deze kans met beide handen aan zou grijpen om met Lydia en hemzelf af te rekenen. Hij kon zich niet herinneren haar ooit persoonlijk iets te hebben aangedaan, maar om de een of andere reden kon zij zijn bloed wel drinken.

‘O, ik neem direct aan dat de mensen hier zich niet makkelijk om laten praten,’ zei Obadja hoffelijk, ‘maar ik heb het zien gebeuren dat hij een Maandvergadering binnen het uur behekste tot ze elkaar letterlijk naar de keel vlogen. Waarschijnlijk bestond er al een ondergrondse tweespalt in de gemeente, maar hij was het die de lont in het kruit wierp.’

‘Ik geloof niet dat er in deze Vergadering theologische verschillen bestaan,’ zei Abner koel. ‘Er zijn natuurlijk de gebruikelijke spanningen tussen persoonlijkheden...’

‘Ik had de indruk dat er een verschil van mening bestond betreffende de Ondergrondse Weg. Of Quakers zich mogen inlaten met geheime organisaties die de wet breken, tegen het uitdrukkelijk verbod van de Jaarvergadering in.’

‘Maar geen van ons hier is bij de Ondergrondse Weg betrokken!’

‘In dat geval heb ik me onnodig ongerust gemaakt.’ Obadja stond op. ‘Neem me niet kwalijk, de bedoeling was goed.’

‘Ik ben je zeer dankbaar.’

Obadja maakte een steeds buiginkje en verliet het vertrek.

Zodra hij alleen was ging Abner weer voor het raam staan, maar wat hij zag drong niet tot hem door. Er was geen andere uitweg: als hij de school wilde redden, zou hij de woede van Mordechai Monk in het openbaar moeten braveren, en hij was bijzonder ongeschikt voor een dergelijke rol. Geweld, in welke vorm ook, deed hem in zijn schulp kruipen. Hij was het eindprodukt van generaties van vreedzame Quakers, die allen hadden getracht hun agressieve impulsen de kop in te drukken. Het was hun gelukt, zij waren erin geslaagd zichzelf en hun kinderen te veranderen in leliën des velds; nu bleek dat zij daarmee hun nageslacht machteloos had-

[p. 83]

den gemaakt tegen de gewelddadigheid van anderen.

Hij voelde dat zijn benen begonnen te beven. Dat was altijd het eerste teken van paniek. Maar dit was belachelijk! Als de gedachte alléén aan een confrontatie met Mordechai Monk hem al op zijn benen deed beven, wat moest er dan van terechtkomen wanneer hij tegenover hem stond? Hoe hadden Quakers als Gulielma Woodhouse en Bonny's grootvader zich gedragen toen zij met geweld werden bedreigd? Het antwoord was hem van kinds af aan ingestampt: de benadering van een conflict op de manier van de Vrienden. ‘Zuiver jezelf van alle woede en haat.’ Nu, dat was makkelijk. Hij haatte Mordechai Monk niet. Maar hij werd er zich opeens van bewust dat zijn handen achter zijn rug bezig waren elkaar te wurgen. Wat een onzin! Zenuwachtigheid, anders niet. Wat was de volgende stap? ‘Vereenzelvig je met je tegenstander.’ Vooruit dan maar, vereenzelvig je. Wie was Mordechai Monk? Een weduwnaar, een Engelsman, niet een geboren maar een bekeerde Vriend, oorspronkelijk een Presbyteriaan, die zich nu beschouwde als de reïncarnatie van George Fox. Wat had George Fox ook alweer gezegd over de Presbyterianen?

Hij ging naar de kast, haalde er een boekdeel uit en zocht in de inhoudsopgave: Presbyterianen, Presbyterianisme. Hij moest zich door een aantal oersaaie citaten heenwerken voor hij op iets stuitte wat hem overeind deed zitten. ‘De banvloek, uitgesproken door de Presbyteriaanse geestelijkheid van Schotland over de Quakers, toen George Fox daar zijn eerste bezoek bracht. Artikel 1: vervloekt zijn al degenen die beweren dat genade vrij is, en laat ons daarop Amen zeggen. Artikel 2: vervloekt zijn zij die beweren dat de Schrift niet Gods heilig woord is, en laat ons daarop Amen zeggen.’ Zo ging het door, de ene vervloeking na de andere; het eindigde met: ‘Artikel 7: vervloekt zijn zij die beweren dat ieder mens een “Licht” in zich heeft dat voldoende is om hem naar Christus te leiden, en laat ons daarop Amen zeggen.’

Hij sloot langzaam het boek, en zijn benen begonnen weer te beven. God had hem het zwaard in handen gegeven waarmee hij de draak zou kunnen verslaan - vanavond, als hij de moed kon opbrengen.

 

***

 

Het was gênant, maar toen Lydia tot zichzelf kwam besefte zij dat ze met haar emotionele uitbarsting in samenkomst een verplichting op zich had genomen waar ze, nu ze bij zinnen was, weer onderuit wilde komen. Ze had een beroep op God gedaan en Hem gesmeekt haar toe te staan Zijn liefde te belichamen; het kwam erop neer dat ze de plechtige belofte had gedaan om terug te keren naar die Indianen. Nuchter bezien was dat zinneloos; wat kon zij, als enkeling, doen om het lijden te verzachten van die stoet van radeloze mensen, voortgedreven als vee?

Kon ze er nog maar af! Ze had nooit geweten dat de last van een

[p. 84]

persoonlijke getuigenis, een persoonlijke belofte aan God, zo zwaar kon wegen. Ze was in de val gelopen van een vrome traditie, de zoetsappige verhalen uit haar kindertijd over Quaker-heiligen die hun al gegeven hadden om de stem Gods te gehoorzamen en die uiteindelijk hadden getriomfeerd, sommigen ten koste van hun eigen leven. O, met sterretjes in de ogen had zij ernaar geluisterd! En nu? Nu ze in een ogenblik van vervoering zichzelf moedwillig in de ban had gebracht van die toverformule: ‘De enige die Hij heeft ben jij,’ nu had ze maar één gedachte: hoe kom ik eraf? Zou Margaret Fell, om er maar een te noemen, er net zo bij hebben gezeten toen ze aan God beloofd had Zijn liefde te belichamen onder de gekerkerde kinderen in Slot Lancaster? Of Bonifacius Baker, toen die zijn slaven de vrijheid had gegeven? Nee, er was geen verwikken of verwegen meer aan. Ze was in de val gelopen, de kooi was dicht.

Toen de leerlingen en de onderwijzers zich terugtrokken voor het gebruikelijke dutje na het zondagsnoenmaal, sloop zij naar buiten door de zij-ingang. Zij had een mandje bij zich met vruchten, wat speelgoed, een beker en een fles water. Ze stak de straatweg over naar het Vergaderingsgebouw, liep door de begraafplaats naar het laantje dat de oever van het meer volgde, stak de brug over van de sluisput, waar ze nog steeds aan het bouwen waren, en volgde daarna weer het voetpad langs de oever van het meer. Als kind had zij hier dikwijls gewandeld. Toentertijd was het paadje te nauw geweest voor volwassenen, eigenlijk niet meer dan een soort konijnenspoor. Nu was het gedeelte tussen de straatweg en de brug over de sluisput verbreed om ruimte te maken voor de karren van de bouwers, en op de madelievenweide, waar eens de bevers dammen gebouwd hadden in het beekje, was een heel dorp gebouwd van schamele hutten voor de Ierse arbeiders, dat in de tijd van enkele maanden al in een achterbuurt was veranderd, vol vuile kinderen, schurftige honden en wilde, angstaanjagende ruzies. Lydia haastte zich er zo gauw mogelijk langs, in de hoop dat niemand haar zien zou. Zij had horen verluiden dat de arbeiders zondags een maatje whisky kregen tegen de moeraskoorts, en zij zag visioenen van dronkaards, die kussend op haar af zouden komen wankelen.

Maar de enigen die zij zag waren kinderen, blootsvoets en in vodden, die de vrouw in het grijs met het mandje nagaapten terwijl zij de brug over de sluisput overstak en in het oerwoud verdween, waar zij zonder twijfel niet mochten spelen, omdat het bevolkt was met beren, wolven en luipaarden.

Zodra zij het smalle paadje langs het meer weer begon te volgen, kreeg zij opnieuw het gevoel dat het hele idee om die Indianen te gaan helpen onzin was, een emotionele uitspatting, waaraan zij eigenlijk alleen begonnen was omdat het haar zelf een soort bevrediging schonk. Want wat stelde zij zich eigenlijk voor dat ze kon bereiken met zes appelen en een paar stukjes speelgoed? Alleen haar eigen geweten sussen, en dat was

[p. 85]

volkomen zelfzuchtig. Bovendien: waren ze niet al lang voorbijgetrokken? Ieder argument dat ze bedenken kon om om te keren was onweerlegbaar, maar de kracht die zij, zonder het te weten, in zichzelf ontketend had toen ze die overspannen belofte deed aan God, leek zich van haar meester gemaakt te hebben. Hoe graag ze ook wilde, ze kon niet meer terug.

Toen ze het eind van het laantje naderde, vlak voor het Indianenspoor, stond ze een ogenblik stil om op adem te komen. Het woud was stil. Geen twijgje kraakte; niets verried de aanwezigheid van het spoor vlak achter die struiken. Maar toen ze de laatste hoek omsloeg, zag ze ze weer.

De stoet van strompelende, zwoegende wezens, bedekt met stof, leek onveranderd. Opnieuw werd zij overweldigd door hun ellende en hun wanhoop. Zij nam de handdoek van haar mandje en bood een appel aan aan de eerste Indiaan die voorbij kwam struikelen, een oude man met een gekerfd gezicht, die gebukt ging onder een last van huiden en stokken. Maar zijn glazige ogen schenen haar niet op te merken, hij keek niet naar de appel. Zij bood die aan de volgende aan, een oude vrouw, ook beladen met een onmenselijke stapel rommel. ‘Toe, toe,’ drong zij aan, ‘hij is pas geplukt, je zult eens zien hoe lekker hij is...’ Maar het was alsof zij de appel aanbood aan een bewoner van een andere planeet, die de verlokkende rode vrucht niet met eten associeerde. Toen kwam er een gezin langs met twee kleine kinderen, die een karretje duwden met dekens, een opgerolde matras, potten en pannen; de vrouw trok het voort, de kinderen duwden, de smalle wielen van het karretje ploegden door het zand. Lydia knielde en hield de kinderen de appel voor; toen probeerde ze een pop, waar ieder kind toch tenminste naar zou kijken; maar deze kinderen zwoegden voorbij met starende ogen, hun gezichtjes maskers van aangekoekt stof. Zij sloot haar ogen om de tranen terug te dringen en bad: ‘O God, alsjeblieft, help, God, help...’ Toen riep een mannenstem: ‘Hee, jij daar! Maak dat je wegkomt!’ Een zweep knalde.

Zij opende haar ogen en zag een ongeschoren klant op een stoffige mustang, die op haar af kwam dwars door de stoet strompelende Indianen. Zijn paard duwde de mensen opzij, wierp ze omver, verstrooide hun schamele bezittingen in het zand. ‘Ga van de weg af!’ gilde hij. ‘Er mag hier niet gevent worden! Dit is een regeringskonvooi! Flikker op, of ik ransel je beurs!’ Hij hief zijn zweep op.

Opeens kwam er een grote kalmte over haar. Ze stond op met haar mandje en zei: ‘Ik ben geen marskramer, Vriend. Ik ben een Quaker. Ik bied deze mensen een verversing aan.’

‘Wat zeg je?’ Hij begreep er geen woord van; ze besefte dat ze bijzonder nuffig had gepraat. Zijn mond, zwart van het tabakssap, hing open, toen zei hij: ‘Nee, dat gaat niet. Geen enkele burger mag met deze mensen sode- eh, rotzooien, eh - praten, dit is een regeringskonvooi. Dus - piep 'm, dame. Vooruit, piep 'm!’ Hij wees met zijn zweep naar het woud.

‘Het spijt me, Vriend,’ zei ze, weer op die nuffige schooljuffrouwentoon,

[p. 86]

‘ik kan je niet gehoorzamen. Ik gehoorzaam een hogere Autoriteit.’ Het klonk stijf en gemaakt; toch stond ze op haar benen te beven.

De man op het paard was er blijkbaar van onder de indruk. ‘Toe, dame,’ zei hij, op een toon die bijna beschaafd was, ‘maak nou geen moeilijkheden voor me! De kapitein...’

Zij viel hem in de rede. ‘Ik bedoel niet de kapitein, Vriend. Ik bedoel God de Heer.’ Toen de woorden haar mond uit waren schaamde zij zich. Dit was wel een aanmatiging voor iemand die met zes appelen, twee popjes en een fles water was komen opdagen...

De man zwenkte zijn mustang en galoppeerde weg langs het konvooi, tegen de stroom in. Zij probeerde nog eens haar appelen en het speelgoed aan de Indianen kwijt te raken, maar het was alsof zij met blinden te maken had, die zich niet bewust waren van haar aanwezigheid. Toen hoorde zij een geroffel van hoeven en het zwoegend hijgen van een naderend paard. Een ogenblik dacht zij dat het paard haar onder de voet zou lopen, maar het kwam op een handbreedte van haar af tot stilstand, met een stofwolk die haar deed hoesten.

‘Maak dat je wegkomt!’ riep een man, die veel meer autoriteit had dan de bruut van daarstraks. Toen deed het paard een stap vooruit en duwde haar omver. Ze kon het niet helpen, ze gilde het uit toen ze de hoeven van het paard hoorde knersen op het mandje. ‘Nee, nee,’ stamelde zij, terwijl ze zich probeerde op te richten. ‘Alsjeblieft, nee, nee...’

‘Sta op!’ Ze keek op; een officier met een rode baard en wrede ogen staarde op haar neer. Ze zag dat hij geen respect had voor haar Quaker-dracht, het drong niet tot hem door wie ze was, alleen wát ze was: een vrouw. De blik waarmee hij haar mat was doodgriezelig, alsof hij haar ontkleedde. ‘Vooruit,’ zei hij, ‘maak dat je wegkomt!’

Ze was zo bang van hem dat ze smeekte: ‘Alsjeblieft, Vriend ... alsjeblieft ... niet doen, alles wat ik ... ik ben alleen maar...’ Ze was opgestaan; toen deed het paard weer een stap vooruit en stiet haar omver. Zij hoorde hoe het mandje vermorzeld werd.

‘Vooruit!’ schreeuwde de officier. ‘Maak dat je wegkomt! Allee, allee!’

Zij krabbelde overeind. Het paard deed weer een stap vooruit; dit keer maakte zij rechtsomkeert en holde weg. Zij struikelde over de zoom van haar jurk en viel voorover, op haar knieën. Toen zij probeerde weer overeind te krabbelen, hield iets haar vast. Zij gilde, gilde, toen zij zag dat het paard op haar rok stond. Zij rukte aan haar rok, scheurde hem; boven haar schudde het paard rinkelend de kop en besproeide haar met speeksel. Zij scheurde zich los en struikelde verder, zo snel als ze kon. ‘Vooruit! Allee, allee!’ De stem brulde vlak achter haar, het rinkelende paard ademde vlak achter haar, zij holde, sneller, sneller, tot haar longen leken te barsten. Ze zag niet meer waar ze liep, en viel opnieuw languit in het zand. Daar lag ze, hijgend, met gesloten ogen, en verwachtte dat het paard op haar zou stappen. Maar er gebeurde niets. Toen hoorde ze de stem

[p. 87]

vlak boven haar: ‘Maak dat je wegkomt! Deze mensen hebben de buikloop! Allee, voordat je hele rotdorp besmet wordt! Allee!’ Zij besefte nauwelijks dat ze opnieuw overeind krabbelde; opeens was ze weer aan het hollen, met schrijnende longen, haar ogen verblind door zweet en stof, tot ze eindelijk het laantje naar het meer bereikte. Zij dook erin, met inspanning van al haar krachten; pas een eind verder hield ze op met hollen. Hijgend, nog najammerend van de angst, baande ze zich een weg door het hoge onkruid naar het steigertje en vond de roeiboot waar ze hem die morgen had achtergelaten. Zij gooide los, duwde de boot af en klom erin, met haar laatste krachten. Het bootje gleed ritselend uit het riet en dreef het meer op. Zij zat in elkaar gezakt op de bodem, haar ellebogen op het bankje, haar gezicht in de handen.

Ze had er geen idee van hoe lang ze zo zat. Het enige waar ze aan denken kon was het sidderen van haar lichaam, het bonzen van haar hart. Onsamenhangende beelden doemden op in haar herinnering: de rode appel, het vertrapte mandje, haar rok die afgerukt werd, de ogen van de kapitein, toen hij haar van top tot teen opnam. Langzaam kwam zij tot zichzelf. Ze was op het punt de riemen te grijpen toen zij, op korte afstand van haar, haar eigen spiegelbeeld zag drijven, een roeibootje dat los scheen te zweven in de avondnevel, met een vrouw met een rode mantel erin, die er net zo bij zat als zij, het hoofd in de handen. Iets in de manier waarop die vrouw daar zat was zo verdrietig, zo verlaten, dat zij de riemen zachtjes in de dollen legde en wegroeide.

De mist werd dichter, maar een half uur later wist zij de steiger van het Vergaderingsgebouw te bereiken. Zij zag een menigte mannen en vrouwen tussen de grafzerken staan. Een ogenblik dacht zij dat men naar haar aan het zoeken was, toen besefte zij dat de eerste plattelandsvrienden al op waren komen dagen voor de Kwartaalvergadering. Twee opgeschoten jongens hielpen haar met vastleggen; zij waren kennelijk geïntrigeerd door haar gescheurde jurk, haar losse haar dat op haar schouders hing, haar gezicht vol krabben, die zij had opgelopen toen zij zich in doodsangst door de braamstruiken had geworsteld. Om zich zo in de school te vertonen zou dwaasheid zijn; zij moest heimelijk het gebouw binnensluipen, langs dezelfde weg waarop zij het verlaten had.

Zij zag kans haar kamer in te glippen zonder dat iemand haar gezien had. Daar trok zij haar gescheurde jurk uit, ging op haar bed liggen, staarde naar de zoldering en trachtte de balans op te maken van wat haar in de afgelopen uren was overkomen. Eén ding was duidelijk: het had totaal geen zin om alléén terug te gaan. Als ze terugging, moest ze dat samen met een aantal andere vrouwen doen, een delegatie van de Kwartaalvergadering. Een vrouw of veertig, vijftig zou die kapitein met de rode baard wel een toontje lager doen zingen. Hij had haar straffeloos omver kunnen duwen met zijn paard, omdat ze maar één weerloos vrouwmens was, maar wanneer hij geconfronteerd werd met een halfhonderd kenaus

[p. 88]

zoals Karin Bengsun, de Zweedse vrouw van de paardenvilder uit Newton, of Penny Higgins en haar koortje zwarte dames ... Het beste zou zijn als ze morgen de zakenvergadering toesprak, ze over de Indianen, vooral over de kinderen, vertelde en voorstelde dat zij een hulpcomité zouden stichten om als zodanig, officieel, het bos in te trekken...

Om het hele gedoe van zich af te zetten besloot ze een bad te gaan nemen in de tobbe van Abner en Saraetta. Ze sloeg haar mantel om, liep naar de woning van het schoolhoofd aan het eind van de gang, klopte, maar kreeg geen antwoord. Ze waren er niet. Ze probeerde de knop, de deur was open. De grote koperen ketel die permanent op het kacheltje in de waskamer stond was gelukkig vol. Ze zou zich tegenover Sara moeten verontschuldigen dat ze haar hete water opgemaakt had. Ze goot de ketel leeg in de houten tobbe, die weggeborgen was onder in de linnenkast. Het was typerend voor de versteende beginselen dat een bad als werelds werd beschouwd, alsof de zondige mens Gode meer welgevallig zou zijn wanneer hij stonk. Er waren méér van die onzinnige vooroordelen onder de Quakers, die allemaal in het grijs verleden een zinnige reden gehad moesten hebben maar nu volkomen veruiterlijkt waren. De lange spiegel die Sara verstopt hield aan de binnenkant van de linnenkastdeur, bijvoorbeeld. Hij dateerde nog uit de tijd dat Sara vrolijk en speels geweest was, de tijd vóór de epidemie; nu zou zij hem wel niet meer durven gebruiken, want als Amanda Tucker daar ooit achterkwam was het huis te klein.

Ze lag voor zich uit te mijmeren in de tobbe, met haar hoofd op de rand en haar benen buiten. Het water was heerlijk warm; nadat ze er een tijdje in had liggen weken besloot ze haar haren te wassen, hoewel ze dat eigenlijk eerst had moeten doen. Ze wikkelde ze na afloop in een handdoek, waste haar benen en haar voeten, droogde zich af en zag zichzelf ineens in de spiegel staan, spiernaakt.

Ze had zichzelf wel eens eerder bekeken, kritisch, alsof haar lichaam een jurk was die niet helemaal goed zat. Dit keer bekeek zij zichzelf op een andere manier, die een beetje verontrustend was. Waarom? Opeens besefte zij dat zij zichzelf stond te bekijken met de ogen van de kapitein met de rode baard. Het was zo onprettig dat zij zichzelf de rug toedraaide, haar mantel om de schouders sloeg en terugslofte naar haar kamer in haar muiltjes.

Toen zij zich aangekleed had, haar haren gekamd en zedig onder haar muts gestopt, trok ze haar schort recht en ging naar Abners kantoor. Hij was klerk van de Kwartaalvergadering, hij moest maar zien dat hij haar morgen op de agenda plaatste, tussen de bedrijven door. Hun vader, toen die nog klerk was, zou dat zonder meer hebben gedaan, maar Vader had dan ook een grote autoriteit gehad die hem in staat stelde kleinigheden als kleinigheden te behandelen. De arme Abner voelde zich zo onzeker in die positie, dat hij zich vastklampte aan de reglementen. Zij was erop voorbereid dat ze voor haar plaats op de agenda zou moeten vechten.

[p. 89]

Toen ze, na een terloops klopje, meteen zijn werkkamer binnenging, stond hij voor het raam, de handen op zijn rug, naar buiten te staren. Zij wist zeker dat hij haar had horen binnenkomen, maar hij keek niet om. ‘Abner,’ zei zij, met de stem die zij tegen haar leerlingen gebruikte, ‘ik ben belast met een roeping die ik morgen aan de zakenvergadering wil voorleggen, dus je moet maar zien dat je me ergens de gelegenheid geeft voor een toespraakje van een paar minuten.’ Toen hij niet antwoordde, voegde zij eraan toe, met een begin van bitsheid: ‘En nu geen gezeur, het moet doodeenvoudig.’

Hij draaide zich om. Zij kon tegen het licht zijn gezicht niet goed zien. ‘O?’ vroeg hij, bedaarder dan zij had verwacht. ‘Wat voor soort roeping is dat?’

Terwijl zij het hem vertelde draaide hij haar weer de rug toe en ging naar buiten staan kijken. Ze besefte dat zij ervoor zou moeten vechten. ‘Ik weet wat je gaat zeggen,’ zei ze, ‘het is te laat, je kunt de agenda niet meer veranderen, maar spaar je de moeite. Je moet dit doen. Het moet! God heeft het me opgedragen.’ Dat laatste was te theatraal, ook al was het waar. God had het haar inderdaad opgedragen, maar zij wilde nog steeds dat zij eraf kon.

‘Goed dan,’ zei hij, tot haar verbazing. ‘Als het zó belangrijk is zal ik er ergens ruimte voor moeten maken. Morgen is onmogelijk; ik zou je vanavond een minuut of tien kunnen geven, vlak nadat ik zelf gesproken heb. Ik spreek onmiddellijk na Mordechai Monk.’

‘Gunst...’ zei ze, een beetje verbluft nu de wind haar uit de zeilen was genomen. ‘Ik had geen idee...’

‘Op één voorwaarde: dat je geen tijd verliest. Ga vlak bij het podium zitten; zodra ik klaar ben moet je mijn plaats innemen, vóór hij de kans heeft gekregen op te staan en zijn mond weer open te doen. Is dat duidelijk?’

Zij keek hem verbaasd aan. ‘Wat voor toespraak ben je van plan te houden?’

‘Ik ben van plan om Mordechai Monk van repliek te dienen. Zodra ik begin te praten moet jij klaarstaan om mijn plaats in te nemen.’

‘O, dat zal ik zeker. Dank je. Dank je wel.’ Ze ging naar hem toe en kuste hem op zijn wang. Ze zag in zijn ogen dat hij niet zo kalm was als hij zich voordeed.

Verwonderd, vaag ongerust, verliet zij de kamer en ging op zoek naar Saraetta om die te vertellen dat ze, zonder haar permissie, haar hete water had opgemaakt.

 

***

 

Toen Obadja Woodhouse die avond op weg was naar het Atheneum, waar de openingssamenkomst van de Kwartaalvergadering gehouden zou wor-

[p. 90]

den, zag hij Mordechai Monk staan onder een van de bomen op het gazon voor het paleis van Justitie, vlak bij de stam, het hoofd omhooggeheven. Obadja dacht ontsteld dat de man stond te wateren; maar toen hij naderbij kwam ontdekte hij dat de farizeeër in het openbaar stond te bidden.

Ofschoon hij niet aansprakelijk was voor het gedrag van Mordechai Monk, bloosde Obadja van schaamte. Het hoofd gebogen, klom hij de stoep op naar het bordes met de Griekse zuilen en schuifelde mee met de menigte, de zaal in. Het was er al zo vol dat hij minuten nodig had om de ouderlingenbank op het podium te bereiken waar hij plaats moest nemen, op last van Abner Best.

Het was een grote zaal met een balkon vol verguldsel. De honderden kaarsen in de kroonluchter waren reeds aangestoken, hoewel het donker nog niet gevallen was. De vrouwen waren van de mannen gescheiden door het middenpad, het balkon was gereserveerd voor de kinderen, de jongens aan de linkerkant, de meisjes aan de rechter-; het kwetterde en kakelde daarboven alsof het een vogelmarkt was. Obadja wilde dat hij ook boven zat in plaats van hier, op dit presenteerblad, met het gevoel dat de ogen van de hele zaal op hem gericht waren. Om zichzelf een schijn van ernstige voorbereiding te geven haalde hij het bijbeltje uit zijn zak waarin hij een brief had gestopt die hij die morgen ontvangen had. De brief was afkomstig van een vriend in Londen die hij gevraagd had, voor hij aan de reis begon, hem eens wat meer te vertellen over Mordechai Monk. Onder het mom van zich in de Schrift te verdiepen herlas hij het verbijsterende epistel.

‘Ik vrees, beste Obadja, dat je een oervervelende tijd tegemoetgaat. M.M. is een typische “gewichtige” Vriend met alle verschijnselen van dien. Hij heeft veel gereisd, je zou dus denken dat hij althans iets kosmopolitisch hebben zou, helaas is hij een van de saaiste en meest humorloze mannen die ik ken. Zijn overleden echtgenote, die hem op een kwijnende, half-bezwijmde manier onder de duim had, is nu al langer dan een jaar onder de zoden. Toch gedraagt hij zich nog steeds alsof zij alleen maar even de kamer had verlaten. Misschien is dit de reden waarom hij zo'n afwezige indruk maakt. Zij ringeloorde hem met flauwtes, hartkloppingen en een reeks gefingeerde ziekbedden; iedereen was dan ook verrast toen zij op een gegeven moment werkelijk doodging. Ik weet dat dit on-Quakerlijk klinkt, maar ik vond het een onuitstaanbaar mens. Wat hemzelf betreft: de beste definitie die ik van hem geven kan is: een uitgestreken oude zanik. Het geluid dat mij het best is bijgebleven van zijn eindeloze zeur-predikaties is het snurken van de gemeente. Arme Obadja, ik benijd je niet; als een mens van verveling kan sterven loop je een dodelijk gevaar.’

Nu hij het voor de tweede keer las, klonk het nóg onwaarschijnlijker. De beschrijving dekte in geen enkel opzicht de farizeeër die buiten stond te bidden, of de ketterjager die de afgelopen maanden de ene Maandvergadering na de andere tot ontbinding had gebracht door de lidmaten tegen elkander in het harnas te jagen. Obadja wist niet welke Mordechai Monk

[p. 91]

hij méér haatte, de farizeeër of de volksmenner. Misschien was die antipathie terug te brengen tot zijn eigen achtergrond; als iemand geleden had onder het schisma in de Quaker-beweging was het de Woodhouse-familie. Hijzelf had zijn engagement met zijn nichtje Charity moeten afbreken omdat haar tak van de familie ‘vrijzinnig’ was geworden en de zijne ‘orthodox’. Het zou niet lang meer duren of het laatste vonkje tolerantie zou zijn uitgetrapt door demagogen zoals Monk, nu bezig zichzelf op te zwepen tot een nieuwe uitbarsting van heilige woede. Maar hoe viel dit te rijmen met de Jan Salie, beschreven in de brief? Kon het zijn dat dit niet de echte Mordechai Monk was, maar een bedrieger die zijn plaats had ingenomen? Nee, dat was onzin. Mordechai Monk was uit Liverpool vertrokken met bestemming Philadelphia en ergens, in de eenzaamheid van de oceaan, was een duivel in hem gevaren.

De stilte in de zaal werd plotseling dieper. Niemand kuchte meer, niemand schuifelde, zelfs de kinderen op het balkon zaten stil, de hoofden gebogen, de handen gevouwen, verenigd in gebed.

De Kwartaalvergadering van West-Indiana wachtte op de Tegenwoordigheid.

 

***

 

‘Mijn Vader! Indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan!’ Mordechai Monk smeekte het met hartstochtelijke oprechtheid, biddend onder de bruisende bomen. Iedere keer als hij op het punt stond een gemeente toe te spreken kreeg hij deze plankenkoorts. Ook dit keer was hij weer ten prooi aan de dwaze angst dat hij door de mand zou vallen. Zijn knieën knikten, hij stond, zijn handen krampachtig gevouwen, zijn ogen gesloten, zich af te vragen waarom hij de heilige werken had opgegeven die hij en Emily in Engeland hadden verricht, in gevangenissen, krankzinnigengestichten, in de weverswerkplaatsen waar kinderen werden uitgebuit. Ah! De stralende kracht die hen toen had gesteund! Waarom had God hem niet toegestaan die zwijgende getuigenis voort te zetten? Waarom moest hij nu opnieuw zo'n horde verscheurende dieren tegemoettreden, waarvan hij het gevoel had alsof ze hem naar het leven stonden? O, mijn God...

‘Doch niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt.’

Vandaag zag zelfs zijn vereenzelviging met Jezus in de tuin van Gethsemane geen kans hem de zaal in te drijven. Waren het de kinderen die hem onzeker maakten? De jongen, die tijdens de samenkomst was opgestaan om te boeren? O, ontuig van Satan! Ja, ja - hij voelde de eerste huivering van verontwaardiging. Daar moest hij zich op concentreren: het duivelsgebroed dat de naam des Vaders had bezwadderd met die oprisping in de heilige stilte! Hoe kon het dat een Christelijke school, die verondersteld werd de beginselen van het Quakerisme te propageren, zulk gebroed kon

[p. 92]

produceren, zulke klapwiekende godslasteraars? Ja, ja! Zijn gevouwen handen werden vuisten. Als hij vanavond die geest van godslastering niet uitdaagde en vermorzelde, dan zou niemand het doen. De lidmaten van deze Kwartaalvergadering zouden nooit de kans krijgen hun daden te berouwen, zichzelf te zuiveren van hun zonde en ontucht, terug te keren naar het getuigenis van de eerste Vrienden, de Kinderen van het Licht: dat alleen Christus Jezus, alleen Zijn heilig bloed, vergoten voor ons zondaars op Golgotha, de zielen kon redden die nu verdronken, jammerend, reutelend, in zonde en verdoemenis. Ja, ja! Nu moest hij gaan, nu, ook al knikten zijn knieën nog steeds en klopte het hart hem in de keel. Gaat, Mordechai, gaat, treedt hen tegemoet, verander hen van ginnegappende godslasteraars in een kudde supplicanten, geknield voor het kruis, laat hen de armen uitstrekken naar de enige bron van zaligheid, de enige hoop, de enige redding voor de verdrinkende mens. Ja, ja! Laat hen eerst krimpen onder de geselslagen van Gods toorn, breng dán de Blijde Boodschap des Zoons, de gift van Zijn heilig bloed, vergoten om hunnentwil op de heuvel van Golgotha. Voor hen, voor hen! Niet voor hemzelf, hij was alleen maar het werktuig in de handen van de Vader, niet meer dan de ezel die de Zoon zou binnendragen in het zondige Jeruzalem.

Hij had zich nu voldoende opgezweept om het gebouw met de zuilen onder ogen te zien waar de zondaars vergaderd waren, een duizendkoppige menigte in afwachting van het hanengevecht. Hij zou ze mores leren! Maar niet hij, niet hij: God, Wiens werktuig hij was, God, God, Heer der Heerscharen...

Dit was het moeilijkste ogenblik: vlak voor hij de eerste stap zette in de richting van de preekstoel. Iedere keer, ook nu weer, kon hij niet geloven dat de geest Gods over hem vaardig zou worden. Dit was het ogenblik waarin hij blindelings vertrouwen moest dat ook ditmaal zijn eigen zondige persoonlijkheid zou worden weggevaagd door het vuur van het brandende braambos, dat hij zou worden bezeten, iedere vezel van zijn wezen, door de geest des Heren, die tot Mozes gesproken had: ‘Mozes, Mozes!’ En hij zeide: ‘Zie, hier ben ik!’

Zie, hier ben ik, God ... Langzaam, als een slaapwandelaar, liep hij naar de trappen van het bordes. Hij voelde het begin van de vervoering, maar nog steeds was er die angst in zijn maagstreek dat één dezer dagen de hand Gods van zijn schouder zou worden weggenomen en hij alleen tegenover die menigte zou staan, als Mordechai Monk de lafaard, de zondaar, de stiekeme hijger, de blaaskaak met zijn gebalde vuistjes en zijn piepende, machteloze muizendrift. Als dat ooit zou gebeuren, zouden de ellendelingen daarbinnen hem aan stukken scheuren, alsof hij voor de leeuwen werd gesmeten. O God, niet dit keer, niet dit keer...

Hij beklom het bordes. De eerste vleermuizen zwapperden rond de kruinen van de bomen, ergens in de verte speelde een heiden op een viool. Met starende ogen schreed hij naar de deuren, waarachter de zondaars

[p. 93]

zaten te wachten, de goddeloze menigte in afwachting van het hanengevecht.

‘Mozes, Mozes...!’

Zie, hier ben ik.

 

***

 

Toen Mordechai Monk de deuren openstiet en de zaal binnenkwam was het alsof er een schok door de menigte ging. Hij schreed langs het middenpad naar het podium, het hoofd in de nek, de ogen gesloten, de handen gevouwen, verzonken in gebed.

‘Nou, daar komt hij,’ dacht Obadja. De manier waarop de man zijn entree maakte was hinderlijk toneelmatig; natuurlijk moest hij zijn hoofd in de nek houden teneinde door halfgesloten oogleden te kunnen zien waar hij liep. Maar het wás een indrukwekkend schouwspel.

Daar kwam hij, het trapje op naar het podium. Hij stond, zoals gewoonlijk, enkele ogenblikken met zijn rug naar de zaal verder te bidden; daarna draaide hij zich om, stapte op het vlondertje met de lessenaar, sloot de ogen en bracht langzaam zijn armen omhoog in een gebaar van zegen. Bijna een minuut lang bleef hij zo staan, roerloos, de armen opgeheven. Het werd zo stil in de zaal dat je een speld kon horen vallen. Toen mompelde hij, zacht, alsof hij tegen zichzelf sprak: ‘Tijd? Wat betekent tijd, in het heelal van de sterren, de planeten, de ring rond Jupiter, de manen van Uranus? De Man die achttienhonderd jaar geleden geknield lag onder een boom en bad: “Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan”, deed dit slechts gisteren in het tijdsbestel Gods. Gisterenavond, terwijl de wereld lag te slapen, de halve aarde, het vasteland van Amerika, de prairie, het volk van Pendle Hill, sliepen ook de volgelingen van Jezus, zelfs de discipel die Hij liefhad boven allen. Zij hadden Hem de tuin zien binnengaan en knielen onder die boom, toen begon de nacht te vallen en zij waren doezelig geworden en zij sliepen in. Allemaal? Allemaal. Behalve een hondje, dat door de spijlen van het hek naar binnen gluurde, jankend, omdat het niet samen met zijn Baas naar binnen had mogen gaan. Toen werd ook het hondje stil, de donkere tuin werd stil. In een boom begon een wevervogel zijn eentonig lied.’

‘Aha,’ dacht Obadja, ‘vanavond is het een wevervogel. Toen we nog in de bergen zaten was het een berglijster.’ Hij had deze opening nu al zo vaak gehoord dat hij hem vrijwel uit zijn hoofd kende. Toch leek het iedere keer weer alsof Mordechai Monk de woorden voor het eerst ingegeven kreeg. Obadja ging er maar eens rustig voor zitten, want de introductie duurde over het algemeen langer dan een half uur. Het was alsof de man het web aan het spinnen was, waarin zijn gehoor uiteindelijk zou worden gevangen. Vooralsnog zaten ze daar met uitgestreken gezichten, achterdochtige ogen, vast voornemens zich niet door deze welbespraakte vreem-

[p. 94]

deling knollen voor citroenen te laten verkopen. Het was het gebruikelijke gehoor van boeren en hun vrouwen, kleine neringdoenden, pelsjagers, houthakkers: het Middenamerikaanse Quakerdom was in deze nuchtere, evenwichtige mensen belichaamd.

‘Toen naderde een wiegelende lantaarn in de nacht, de hond voor het hek blafte, wapens kletterden, een paard hinnikte...’ De gezichten van de luisteraars begonnen hun achterdocht te verliezen, de een na de ander gaf zich over aan deze meeslepende versie van het grootste verhaal van de Westerse mens.

Mordechai Monk dreef de spanning op door de realistische details waarmee hij de kruisiging beschreef. ‘Toen werd Hij aan het kruis gesnoerd dat op de grond lag, en Hij liet hen begaan, mak als een lam, zonder vrees te tonen. Maar Hij verried zich door het trillen van een mondhoek, dat Hij niet beheersen kon. De menigte keek toe zonder een kik te geven, er klonk geen geluid op Golgotha behalve het wanhopig janken van het hondje, dat door een van de discipelen werd vastgehouden. Toen, met de precisie van een slager, zette de beul met het geschoren hoofd de eerste draadnagel op de witte, bevende pols. Ja, Vrienden: pols: Ik weet dat schilders door de eeuwen heen de kruisiging afgebeeld hebben met draadnagels door 's Heren handpalmen, maar zo kan het niet geweest zijn. Zijn handen zouden uitgescheurd zijn door het gewicht van Zijn lichaam. Maar tussen de twee beenderen van de pols ... Och, maar waarom zou ik dit jullie allemaal vertellen? Jullie hebben met je eigen ogen je buren zien kruisigen door de Indianen.’

De ban die Mordechai over de menigte geworpen had was nu zo volkomen, dat niemand uitriep: ‘Hé, wacht eens even...!’ Toch wist Obadja zeker dat niemand onder de aanwezigen ooit blanke kolonisten door Indianen had zien kruisigen, want dergelijke gruwelen, als ze ooit gebeurd waren, vonden nu honderden mijlen verder plaats in de onontgonnen wildernis. Toch accepteerden de mensen het zonder slag of stoot; er was iets ongezonds in de gretigheid waarmee de zaal deze onzin indronk. Vooral de vrouwen schenen om de een of andere reden opgewonden te raken door dit nodeloze uitweiden over de foltering van Christus.

‘Aaah!’ krijste de spreker, alsof hij zelf omhoog werd geheven aan het kruis, onder het daverend gejuich van de Joden. ‘Vader! Waarom hebt Gij Mij verlaten?!’ De schreeuw van vertwijfeling weergalmde in de doodstille zaal. ‘En waar was Zijn Vader? Waar was Hij? Wáár, tussen de sterren, de planeten, de zwierende kometen, de ring van Jupiter, de manen van Uranus, wáár, in de zwarte spelonken van het heelal, wáár was Hij? Waarom gaf Hij geen antwoord op de wanhopige kreet van Zijn gemartelde Kind? Zou een van jullie stil gebleven zijn, terwijl je eigen zoon gemarteld werd, gefolterd, afgeslacht? “Help, Vader, help!” Waarom redde de Vader Zijn Kind niet? Waarom het Hij Hem bespuwen, uitjouwen, doorboren met een lans, tot Hij in pijn en vertwijfeling hing te krimpen aan

[p. 95]

het kruis? Waarom? God, om der wille van onze vrede, om der wille van onze zielen! Antwoordt! Waarom? Antwoordt! Antwoordt!’ Niets bewoog in de zaal, behalve de vlammetjes van de kaarsen in de luchter. Toen kwam het antwoord, in een fluisterstem: ‘Jou ... jou ... Voor jou...’ Opeens, met een onverwachtheid die Obadja tegen wil en dank weer verraste, wees Mordechai Monk op iemand onder zijn gehoor en riep: ‘Voor jou!’ Ditmaal was zijn slachtoffer de vrouw van het schoolhoofd die op de eerste rij zat, aan zijn voeten. Zij keek naar hem op met opengesperde ogen; tranen begonnen langs haar wangen te lopen, glinsterend in het kaarslicht.

‘Voor jou!’ juichte Mordechai Monk. ‘Waarom voor jou, zuster? Om je ziel te redden van de zonde! Dát was de boodschap die George Fox over de hele wereld heeft uitgedragen! Dát was zijn boodschap, en geen andere! Dat was het Quakerisme, zoals het oorspronkelijk was, dát was de bron, dát was het begin, dát was het Zaad! Maar wat is er van geworden? Wat is er, in de naam van de Eeuwige God, met dat Zaad gebeurd? Hoe is het mogelijk dat terwijl alle Christelijke Kerken, van welke confessie ook, gegrondvest zijn op het centrale feit van de verlossing onzer zonden door Christus' bloed, de Quakers van vandaag er niets mee te maken willen hebben? Wie denken we eigenlijk dat we zijn, om te zeggen: “Nee, dat hebben wij niet nodig; wij hebben geen behoefte aan dat zoenoffer van Gods enige Zoon om ons van onze zonden te verlossen. Nee, nee, wij hebben een stukje van God binnen in ons, wij redden ons zelf wel van de verdoemenis. Het enige dat we moeten doen om het te activeren is iedere week een uurtje bij elkaar gaan zitten in volslagen stilte en mekaar dan de hand te reiken en weer naar huis te gaan.” Maar kennen wij dan de zonde niet? Zijn wij de apegatjes van de Heer der Heerscharen? Zijn wij de enigen voor wie Zijn schuldloze Zoon niet had behoeven te sterven? Kunnen wij de heiligheid bereiken op ons eigen houtje?’ Hij beantwoordde de vraag niet, maar keek met zijn hypnotische ogen de zaal rond. Toen zei hij, op rustige toon: ‘Laat ons inkeren in stilte en God die vraag stellen. Shhhh!...’ Met een gebaar van zijn hand, half zegen, half uitwissing, wierp hij een net van stilte over de Vergadering. Toen stond hij, het hoofd opgeheven, de ogen gesloten, zijn handen omhooggestrekt in zwijgende smeking, zoals hij bij het begin van zijn preek had gestaan. Obadja wist wat er komen zou en hield de adem in.

‘Neen!’ brulde de stem, met een onverhoedsheid die een schok door de menigte deed varen. Dat éne woord was zo dramatisch, dat zelfs de meest laconieke boer onder de toeschouwers het in zijn nekharen moest voelen. ‘Neen! Wij zijn niet zondeloos! Wij zijn niet rein! Wij zijn niet kuis! Wij zijn niet goddelijk, niemand onder ons, niemand! Jíj niet en jíj niet en jíj niet en ik niet!’ Hij ramde zichzelf op zijn borst met zo'n kracht dat het niet anders kon of hij moest zich bezeren. Maar hij was nu in zo'n vervoering dat hij het niet merkte. ‘Ik, ik, ik, ik ben bedekt, doordrenkt met de

[p. 96]

drek van de zonde! Ik ben zondig geweest vanaf het ogenblik dat ik geboren werd! Ik ben verdorven, leugenachtig, ijdel, zelfzuchtig, vraatziek, geil! Ik ben een verderfelijk stuk drek voor Gods Aangezicht!’ Er kon geen twijfel aan bestaan dat hij ieder woord meende. Hij was, op dat moment althans, volkomen van zijn eigen verdorvenheid overtuigd. Hij was een ziel in staat van verdoemenis. Het enige onbehaaglijke aan de vertoning was, dat hij deze overweldigende vloed van eerlijkheid naar believen open of dicht kon draaien, als een kraan. ‘Laat niemand onder ons, geen man, geen kind, vooral geen vrouw, durven vertellen dat zij niet doordrenkt zijn van zonde! Jij kunt mij niet wijsmaken, zuster, dat je niet tot over je navel in het drijfzand van de zonde steekt! Je kunt het jezelf wijsmaken, maar God?’ Opnieuw had hij het op de vrouw van het schoolhoofd gemunt. ‘Kun jij werkelijk God onder ogen komen en zeggen: “Vader, ik ben zondeloos”?’

Het doodsbleke gezicht en de vertwijfelde ogen van de vrouw bewezen dat zij een makkelijk slachtoffer was. Obadja zag dat zij weer begon te schreien. De machtige stem vervolgde: ‘Hoe kun jij zeggen dat je voldoende goddelijkheid binnen in je hebt om je ziel te redden van de zonde? Hoe kun je zeggen dat een Licht in je borst huist, dat je uit de duisternis zal leiden zonder de hulp van een vriend, een gids, een man die meer is dan een man, een Zaligmaker, een Messias, Emmanuël? Neen! Het is niet waar en je weet dat het niet waar is en je weet in je hart dat er maar één uitweg is, één redding: overgave! Onvoorwaardelijk! Geef je onvoorwaardelijk over aan Jezus! Nu! Schenk Hem alles, alles, alles! Schenk het aan de enige, onvervangbare, volmaakte Man! Nu!

Het arme mens sloot de ogen, de knokkels van haar gevouwen handen werden wit; haar boezem hijgde.

‘Geef je over! Nu! Nu! Werp af de ketenen die je nog aan de aarde kluisteren, nu! Scheur de aardse kleding van je, de laatste resten van je zelfzucht, sluwheid, trots; scheur je los van verlegenheid, vals fatsoen; geef je over, nu, nu, aan de alwetende, liefhebbende Zaligmaker, die Zich nu over je heenbuigt! Open je armen, open je hele wezen voor Hem en fluister: “Neem me, neem me, Jezus! Neem me, neem me, doe met me wat Je wilt, ik ben van Jou, van Jou!” Vooruit, zuster: kom, kom!’ De vrouw beefde nu over haar hele lichaam. ‘Kom, werp alle vleselijke angst en schaamte af! Ontdoe je van de lafheid van je laatste aarzeling! Wees vrij, vrij, vrij in onvoorwaardelijke overgave! Roep, met mij: “Jezus, neem me!” en je ziel zal smelten in zaligheid als je je werpt in de zee van Zijn warme, alomvademende, alzegenende offerbloed!’

De arme vrouw begon te kreunen, met de ogen te rollen. In de zaal maakte een aantal mensen aanstalten om te vertrekken. Kijk, dacht Obadja, daar hebben we het begin van het schisma in de Kwartaalvergadering van West-Indiana.

‘Kom naar voren, ziel in nood!’ riep Mordechai Monk. Hij slaagde erin

[p. 97]

de aandacht van zijn gehoor weer te vangen, dat een ogenblik gedreigd had hem te ontsnappen omdat er mensen wegliepen. ‘Kom naar voren, hier, aan mijn voeten, aan de voet van dit kruis, geef je over, onvoorwaardelijk! Reddeloos! Redeloos! Kom naar voren, kniel hier en geef je over aan Hem zonder Wie je leven leeg is, je hart hol, je lichaam dood. Sta op, zuster! Geef je over, en lééf!’

Daar kwam ze, de vrouw van het schoolhoofd, wankelend, bevend als een riet, met rollende ogen. Zij wierp zichzelf op haar knieën aan de voeten van het monster, breidde haar armen uit, hief haar verwrongen gezicht, nat van tranen, naar hem op en kermde: ‘Ja, hier! Hier! Ik kom! Jezus, ik kom! Nu! Nu!’

Obadja sloot de ogen. Het was alsof hij haar bespiedde in een ogenblik van opperste extase, die alleen haar echtgenoot mocht opwekken, en dan nog alleen met de tederste liefde en in de beslotenheid van hun slaapvertrek. Terwijl Mordechai Monk doorging met zijn hulpeloze slachtoffer op te zwepen tot zij in obscene stuiptrekkingen aan zijn voeten lag, klonk er een gerommel en geklap van stoelen en geschuifel en Obadja zag dat er twee stromingen op het middenpad waren ontstaan: een aantal mensen, voornamelijk mannen, liep naar de deur, maar een groter aantal, alleen bestaande uit vrouwen, kwam naar voren drommen, terwijl Mordechai Monk, nu in volle zwang, hen opriep tot overgave. Daar kwamen ze, struikelend, jammerend, zingend, om zich aan zijn voeten te werpen, sommigen snikkend, anderen met schelle, akelige kreten van vervoering, in antwoord op de schaamteloze paringsroep van de heilige smeerlap, die hen toebulderde: ‘Geef je over! Geef je over, onvoorwaardelijk, aan de Enige, de uiteindelijke Man! Laat Hem met je doen wat Hij wil, laat Hem je omhoogslingeren, aan stukken rijten, in de donderende branding van Zijn almacht smakken, je opzwepen naar dat opperste toppunt van uiterste zaligheid: vergiffenis! Vergiffenis! O, om vergeven te zijn! Vergeef mij, Vader! Vergeef mij! Neem me, neem me! Doe met me wat Je wilt! Ik ben van Jou! Van Jou! Jou! Nu! Nu! Nu!’

De vloer voor het podium zag eruit als een Romeinse orgie. Mordechai Monk stond, zijn boord slap van het zweet, zijn witte manen plat, omlaag te staren op de vrouwen die aan zijn voeten lagen te krimpen, te kronkelen, te lallen in een paroxisme van opperste, quasi-geestelijke ontroering. Een ogenblik keek hij met voldoening op hen neer en toen richtte hij zich tot de mannen.

Hij sprak hen toe met een ontzaglijke, adembenemende furie. Het leek onmogelijk dat, na alles wat hieraan vooraf was gegaan, hij kans zag zichzelf nog te overtreffen. ‘Zondaars!’ riep hij, met de vuisten omhooggeheven, ‘zondaars! Wij mannen zijn allen zondaars! Ik weet het, ik ben een man, en ik ben een zondaar!’ Toen begon hij, boven het gekrijs van de vrouwen uit, met een bekentenis, verbijsterend van openhartigheid, betreffende zijn eigen zondige wellust, die hij op dat ogenblik zelf moest ervaren, anders

[p. 98]

kon hij het nooit zo grafisch beschrijven. Tot zijn ontsteltenis ontdekte Obadja dat de man in hemzelf een weerklank opwekte met zijn schaamteloze beschrijving van zijn hete dromen. Obadja voelde het vleselijke verlangen naar Charity in zich herleven en hij werd overrompeld door gevoelens en gedachten die hij maandenlang had weten te onderdrukken.

Hij zag, tot zijn ergernis en ontsteltenis, een aantal mannen naar voren komen om zich bij hun vrouwen te voegen. ‘Bekeer je! Mannen, echtgenoten, beken je zonden! Bevrijd jezelf van de liederlijke armen, de wurgende omhelzing van de duivelin! Geef je over, vlucht in de beschermende armen van Christus...’

Een paar mannen knielden tussen de bezwijmde vrouwen die her en der verspreid lagen, uitgeput van vervoering. ‘Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijnen naam,’ begon Mordechai Monk; toen, opeens, stond iemand onder de ouderlingen op.

Het was het schoolhoofd; hij ging met stijve stappen naar het trapje dat van het podium naar de zaal leidde, voegde zich bij zijn vrouw en trachtte haar op de been te helpen. Toen hij daarin niet slaagde, omdat zij volkomen buiten westen bleek, stond hij op en keek Mordechai Monk aan. Zijn gezicht was zo wit als een doek. Hij beefde als een riet. Hij stond daar als een toonbeeld van machteloze verontwaardiging. Toen wendde hij zich om, richtte zich tot de Vergadering en hief beide armen op om stilte. Het geroezemoes stierf weg; hij wendde zich opnieuw tot Mordechai Monk. ‘Vriend!’ riep hij; het klonk als een gepiep, zo dun en hoog was zijn stem vergeleken met het machtige orgaan dat de avond lang de menigte in zijn ban gehouden had. ‘Ik verzoek je ons te willen leiden in een openbare getuigenis van de beginselen die ik als klerk van deze Vergadering uit je voordracht heb opgemaakt.’ Het was niet duidelijk wat hij bedoelde en gesproken op een stijve, krampachtige toon, maar het ogenblik was zo dramatisch dat de zaal inderdaad stil werd. Mordechai Monk, die nog nahijgde van inspanning, glimlachte tegen zijn interpellant, met glasharde ogen.

‘Mag ik deze beginselen eens voor je opsommen, Mordechai Monk? Artikel 1: Vervloekt zijn al degenen die beweren dat genade vrij is, en laat ons daarop Amen zeggen. Heb ik dat goed begrepen, Mordechai Monk?’

Het was een verwarrende vraag. Obadja begreep hem tenminste niet. Maar Mordechai Monk was kennelijk niet van plan om zich, op dit ogenblik van overwinning, te laten verlokken tot theologische haarkloverijen. ‘Inderdaad, Vriend,’ antwoordde hij, schijnheilig. ‘Ik voor mij wil er graag Amen op zeggen.’

‘Artikel 2: Vervloekt zijn zij die beweren dat de Schrift niet Gods heilig woord is. Wil je dat wij allen daarop Amen zeggen?’

‘Dat wil ik zeker!’ riep Mordechai Monk uit.

‘Artikel 3: Vervloekt zijn allen die beweren dat de mens ooit zonder zonde kan zijn. Wil je dat wij ook daarop Amen zeggen?’ De stem van het schoolhoofd sloeg over. Hij stond daar, zo krampachtig, zo tot het uiterste

[p. 99]

gespannen, dat Obadja zich begon af te vragen wat er eigenlijk aan de hand was. Iets aan die vragen leek niet helemaal pluis, maar hij kon niet uitmaken wat dat was.

Mordechai Monk echter riep uit, met groeiende zelfverzekerdheid: ‘Dat wil ik inderdaad, broeder, ja ja, dat wil ik!’

Toen haalde het schoolhoofd diep adem, legde een bevende hand op het hoofd van zijn vrouw, die nu op haar knieën naast hem was opgerezen, en riep: ‘Ten slotte, Vriend Mordechai, het laatste Artikel: Vervloekt zijn zij die beweren dat ieder mens een “Licht” in zich heeft dat voldoende is om hem naar Christus te leiden. Moeten wij daar, als Kwartaalvergadering, Amen op zeggen?’

Het was nu doodstil, Mordechai Monk keek fronsend op de man neer. Toen zei hij: ‘Ja, Vriend, ik zou willen dat de Kwartaalvergadering van West-Indiana daar “Amen” op zou zeggen. Ik zou willen dat alle Quakers over de hele wereld daar “Amen” op zouden zeggen, als wij tenminste door willen gaan onszelf Quakers te noemen. George Fox...’

Het schoolhoofd viel hem in de rede. Hij riep, met schorre stem: ‘In dat geval is het mijn plicht als klerk van deze Vergadering je te verzoeken, Mordechai Monk, deze zaal te verlaten, deze stad, dit land! Ga naar Engeland terug, naar je ware geestelijke tehuis: de Presbyteriaanse Kerk!’

Mordechai Monk, volkomen verbijsterd, gaf een snokkend geluid, alsof hij door een pijl tussen de schouderbladen getroffen werd.

‘Je bent een Presbyteriaanse renegaat, Mordechai Monk!’ riep het schoolhoofd uit, ‘want de artikelen die ik je heb voorgelegd zijn woord voor woord de banvloek, uitgeroepen over de Quakers door de Presbyteriaanse dominees van Schotland toen George Fox voor het eerst dat land bezocht. Om je geheugen op te frissen, Vriend, laat me je die banvloek nog eens voorlezen!’ Hij haalde een papier uit zijn jaszak, vouwde het open, het geritsel klonk luid in de stilte. ‘Artikel 1: Vervloekt zijn al degenen die beweren dat genade vrij is, en laat ons daarop Amen zeggen...’ Hij las de gehele banvloek voor met een koude, onpersoonlijke woede. Mordechai Monk stond er met open mond bij. Hij kon kennelijk nog niet begrijpen wat er met hem aan het gebeuren was. Toen het schoolhoofd klaar was met voorlezen, vouwde die het papier weer op, stak het in zijn jaszak en zei, zakelijk: ‘Lydia Best, ik geef jou het woord.’

Mordechai Monk stond op het punt zich te herstellen en tot de tegenaanval over te gaan, maar Lydia Best klom haastig het podium op, nam zijn plaats in achter het spreekgestoelte en begon te praten over een konvooi Indianen dat in het geheim door de Cavalerie langs Pendle Hill werd gedreven. Zij repte met geen woord over wat eraan was voorafgegaan. Pas toen zij aan het eind van haar pleidooi gekomen was, richtte zij zich tot de vrouwen aan haar voeten, die nu allemaal tot zichzelf gekomen waren en beschaamd op een hoopje stonden.

‘Nu jullie de openbaring van de liefde van Christus aan den lijve onder-

[p. 100]

vonden hebt,’ zei zij met een stalen gezicht, ‘wordt het tijd dat jullie die gaan verpersoonlijken ten behoeve van die arme Indianen en hun kinderen, die als vee door ons land worden gedreven.’

Het had een onverwachte uitwerking. Het was alsof de vrouwen en al hun zusters in de Vergadering wakker werden uit de beheksing. Zij kwamen bij drommen naar voren, voegden zich bij de enkelen die voor het podium stonden, alsof zij hen in hun midden wilden doen verdwijnen. Onder leiding van Lydia werd een comité voor de hulp aan de Indianen opgericht. Het was een zakelijke, bijna technische bespreking, die interessant maar onemotioneel geweest zou zijn, als Mordechai Monk er niet bij gestaan had, totaal genegeerd. Tegen wil en dank was Obadja met hem begaan. Hij hielp de plotseling oude man het trapje naar het middenpad af en steunde hem bij het lopen tot ze de deuren naar het bordes bereikten. Op het bordes stond een menigte die uiteenging om hen door te laten en de verslagen man zwijgend nakeek toen hij de stoep afdaalde naar de straat. In het park, onder het fluisterende lover van de bomen, ritselend in de nachtwind, gromde Mordechai Monk: ‘Ga mijn koffer halen. Ik neem mijn intrek in het logement.’

‘Maar Mordechai...’

Hij richtte zich op en vervolgde: ‘Ik heb nog niet met ze afgerekend! De ere Gods zal niet straffeloos geschonden worden!’

Het klonk vervaarlijk. Maar wat kon de man hierna nog beginnen? Er was geen verweer meer mogelijk tegen de nekslag die Abner Best hem gegeven had. Al gromde hij nog, het was een hol vertoon. De draak was verslagen.

 

***

 

Toen Abner Best Mordechai Monk en Obadja zag verdwijnen, voelde hij zich ineens uitgeput. De manier waarop Lydia over die kinderen had gesproken, haar tederheid, haar deernis, had hem aan het twijfelen gebracht. Vergeleken met haar begaanheid met die Indianenkinderen was zijn aanslag op Mordechai Monk een vorm van geweld geweest. Voor het eerst ervoer hij aan den lijve de diepe onzedelijkheid van het toeschrijven aan God van vergeldingsdrang en hardvochtigheid, het ‘verterend vuur’ van George Fox. Wat Lydia had vertegenwoordigd in die ogenblikken van doodse stilte, waarin zij over het lijden van de kinderen sprak, was de God van Margaret Fell, de God der Vrienden. In zijn vertwijfeling om wat Mordechai Monk Saraetta had aangedaan, had hij zich aan de geest van de liefde vergrepen en zich geschaard onder de ophitsers, de bezeten dienaren van een God der Wrake: door de manier waarop hij Mordechai Monk had verslagen had hij zich, tegen wil en dank, veranderd in een van 's mans volgelingen.

Hij keek neer op Saraetta, ineengedoken in een stoel, de laatste van de

[p. 101]

vrouwen die nog aanwezig was. Om hen heen was het leeg, de mensen waren bezig door de deuren aan het eind van het middenpad in de hal te verdwijnen. ‘Kom, liefste,’ drong hij aan, ‘kom, mijn schat, laat mij je naar huis brengen.’

Zij reageerde niet. Hij trachtte haar op te richten.

‘Waarom heb je dat gedaan?’ jammerde zij. ‘Waarom heb je dat van mij afgenomen?’

‘Wat, liefste?’

‘Ik was zo gelukkig, ik had mijn hand naar hem uitgestoken en hij stond op het punt om die te grijpen en toen heb je me van hem weggenomen!’

‘Maar van wie, liefste?’ Hij had Mordechai Monk geen hand naar haar zien uitsteken.

‘Jezus! Mijn Heiland, mijn Zaligmaker! Je hebt mij weggetrokken van Zijn wonden, Zijn bloed, Zijn afschuwelijke, afschuwelijke eenzaamheid aan het kruis! Ik deelde ze met Hem, alles, alles, en jij hebt me van Hem weggesleurd!’ Zij barstte in snikken uit en leek te slinken terwijl zij daar zat, haar handen voor haar gezicht.

Hij trok haar op, bijna bruusk, om haar op de been te helpen. Zij hield zich slap. Hij stond gedurende enkele ogenblikken met haar magere lichaam in zijn armen en wist niet wat met haar te beginnen. Toen kwam dokter Rossini op hen af, die hen vanuit de verte moest hebben gadegeslagen.

‘Laat mij haar van je overnemen,’ zei hij, met robuuste vriendelijkheid. ‘Ik heb mijn sjees voor staan, ik breng haar wel even thuis. Ik neem aan dat jij je met de leerlingen zult moeten bemoeien?’

Abner knikte en gaf Saraetta aan hem over. Hij keek hen na, toen zij, langzaam, het middenpad opgingen naar de deuren. Opeens bad hij, met alle kracht die in hem was: ‘O God, laat me het goedmaken, laat me het alsjeblieft goedmaken...’

Een schel geluid, dat van boven kwam, snerpte door zijn gebed. Hij hoefde niet te kijken; hij wist, als schoolmeester, meteen wat het was. Op het balkon klonken meisjesgillen, gejoel, gestommel. Wat er nog van de reputatie van de school over was, stond op het punt onder te gaan in een stampei van brooddronken kinderen. Hij haastte zich naar de hal, naar de trap van de galerij, die hij met drie treden tegelijk opstormde; ondertussen vroeg hij zich af hoe hij, kleine Will en de Higginsen honderdveertig kinderen de baas zouden kunnen worden, kennelijk door het dolle heen, aangestoken door de taferelen van losbandigheid die zij van bovenaf met open mond moesten hebben gadegeslagen. Toen hij aankwam op het balkon waren Will, Uria en Adam Higgins al bezig de wilde kudde tot bedaren te brengen. Hij voegde zich bij hen, schold, rammelde schreeuwende jongens door elkaar tot zij zich verslikten. Alle opgekropte woede en geweld in hem vonden een uitweg, hij kon er niets aan doen; hij brulde, sleurde kinderen tussen de banken vandaan tot, eindelijk, meer door verbijstering

[p. 102]

over het geweld dan zijn brute kracht, de kinderen tot bedaren kwamen. Hijgend en jengelend, een paar hinkend, anderen met een zakdoek onder de neus, dromden zij naar beneden, de trap af, om een gelid te vormen voor het gebouw, drie aan drie, klaar om te marcheren. Als vanzelf nam kleine Will het bevel op zich, ofschoon Abner post vatte aan het hoofd van de stoet. ‘Voorwaarts, mars!’ Zij zetten zich in beweging; kleine Will dribbelde langs de colonne op en neer op zijn korte beentjes en hield er de wind onder zonder ook maar één ogenblik zijn stem te verheffen. De colonne marcheerde in de richting van de school; op de hoek van Baker Straat moest zij ineens inhouden, want met een luid gekletter van hoeven kwam een horde ruiters, voetstaps, de straat uit, in de richting van het gerechtsgebouw. Het waren de sheriff en zijn kornuiten; zij werden gevolgd door een joelende menigte. Abner kon niet zien wie het was, maar kennelijk was de menigte op de hand van de gevangene, want zij scholden en riepen: ‘Patsers! Ploerten!’ terwijl de sheriff zich een weg baande door het gewoel met een gezicht alsof hij niemand zag.

Pas toen ze hem passeerden zag Abner de gevangenen: een troepje negers, waaronder een vrouw met een zuigeling. De vrouw huilde en jammerde, de zuigeling krijste; het was een zo vernederend schouwspel dat het Abner met weerzin vervulde. De menigte floot, schold, schudde de vuisten; de meesten van hen waren Ierse zandhazen die aan het kanaal werkten, voor hen was slavernij een mensonterende schande; om ontsnapte slaven als vee op te zien drijven, in een zogenaamde vrije staat van de Unie, kennelijk met de bedoeling hen uit te leveren aan hun zogenaamde eigenaar, bracht de Ieren tot razernij. De taal die zij uitsloegen zou, onder normale omstandigheden, Abner hebben doen trachten de kinderen ertegen te beschermen. Maar het schouwspel was zó onmenselijk dat hij er roerloos naar stond te kijken, zonder zich bezorgd te maken over de kinderen, die allen, evenals hij, met open monden de tragische stoet voorbij zagen trekken, veel doeltreffender dan welk pleidooi voor de afschaffing van de slavernij dan ook. De Ieren joelden en tierden, zij bekogelden de sheriff en zijn mannen met paardevijgen, met afval uit de goot. Pas toen zij met stenen begonnen te gooien joegen een paar van de ruiters de menigte uit elkaar.

Toen de stoet kinderen eindelijk weer in beweging kwam, zei niemand een woord. Het enige geluid was het snotteren van Penny Higgins, en het geschuifel van voeten.

De weg lang, tot de school, zei niemand een woord. Toen zij eindelijk de voordeur bereikten zag Abner dat dokter Rossini hem stond op te wachten. Zodra de kinderen naar binnen waren zei de dokter: ‘Nou, ik heb je vrouw naar bed gebracht en haar een slaapmiddel gegeven. Als ik jou was zou ik...’ Pas toen drong de gedrukte stemming van de kinderen tot hem door, en bij het zien van de huilende Penny vroeg hij: ‘Wat is er aan de hand?’

[p. 103]

Penny riep uit, met een schrille stem: ‘Ze zijn gepakt! Onze broeders en zusters zijn gepakt! Ze zijn bezig ze naar de gevangenis te brengen!’

Dokter Rossini stond een ogenblik roerloos. Toen holde hij naar zijn koetsje, sprong erin, legde de zweep over het paard en stoof de laan uit, naar het hek; de hoeven van zijn merrie sloegen vonken uit de keien.

 

***

 

Terwijl hij zijn oude merrie genadeloos opjoeg in de richting van het kennisterrein, vroeg Rossini zich af wat er in vredesnaam gebeurd kon zijn; Rode Lily had nog nooit een konvooi verloren gedurende de drie jaar dat hij met haar had samengewerkt op de Ondergrondse Weg. Toen Jesse hem vertelde dat de slaven die de oude Abby McHair op de vlucht had doen slaan nu verstopt waren onder het toneel van de theatertent, was hij ervan overtuigd geweest dat hun nu niets meer zou kunnen gebeuren. Rode Lily was een leeuwin wanneer het erop aan kwam hulpeloze negers te beschermen, het was een passie die bijna haar seksuele honger evenaarde. Het kon niet anders of iemand moest haar verraden hebben, en daar maakte hij zich zorgen over. De sheriff en de gemeenteraad hadden al jaren geloerd op een voorwendsel om haar en haar ‘zedeloze vertoning’ de toegang tot de gemeente te ontzeggen; nu zij zich had ingelaten met ‘vee- of slavendieverij’, zoals het in de federale wet stond omschreven, zouden zij korte metten met haar maken. Hij moest doen wat hij kon om haar tegen de sheriff en de harde Christenen in het stadsbestuur te verdedigen.

Toen hij met zijn stomende paard aankwam bij de theatertent, zag hij een grote menigte bij de deuren staan. Hij maakte zijn paard vast aan een van de teugelposten, baande zich een weg door de mensenmassa, liep de donkere tent in en vond de toneelmeester en een groepje acteurs op een paar kisten zitten met alle verschijnselen van acute doodsangst. ‘Waar is ze?’ vroeg hij.

De man, wiens ogen bangelijk blakkerden in het halfdonker, fluisterde: ‘In haar woonwagen...’

‘Wat is er gebeurd?’

‘Ik weet 't niet! Ze moet omgeslagen zijn met die boot, of over een van de riemen gestruikeld en overboord gevallen! Toen ze haar vonden lag ze onder de omgekeerde boot en haar mantel zat vast aan een van de dollen. En toen die nikkers te horen kregen dat ze verdronken was, kregen ze de hiebelehie en d'r was geen houwen meer aan...’

Rossini draaide zich om en holde naar de woonwagen. Er was geen mens te zien, de deur stond half open. Hij klopte op de deurpost. Toen er geen antwoord kwam ging hij naar binnen.

Rode Lily lag, met haar mantel nog aan, op het bed. Haar gezicht was oud, slap en lelijk, haar natte haar lag uitgespreid op het kussen, water drupte uit haar mantel op de grond. Een ogenblik dacht hij nog dat ze

[p. 104]

misschien alleen maar bewusteloos was, maar zij was dood.

Toen hij op haar stond neer te kijken, werd er geklopt. Hij riep: ‘Nee, even wachten! Ik kom dadelijk!’ Enkele ogenblikken later voelde hij iemand achter zich staan. Hij keek om, het was Viola. ‘Weet jij wat er gebeurd is?’ vroeg hij.

‘Welzeker. Die toneelmeester heeft ze uitgeleverd zodra hij hoorde dat ze de pijp uit was. Aan de slavenjagers. Hij moet er een slordige duit aan verdiend hebben.’

‘Wil je me even helpen? Ik wil haar afleggen...’

‘Haar?’ Ze spoog op de grond. ‘Ik zou nog eerder een jakhals afleggen! God verdoeme haar gore, verraderlijke ziel! Tien onschuldige mensen uitleveren, alleen maar omdat ze zo ontzettend medelijden met zichzelf had! Kon ze niet even wachten met zelfmoord te plegen, de rothoer, tot mijn nikkers in veiligheid waren?’

Haar felheid schokte hem. ‘Hoe kan je zo iets zeggen, Viola? Hoe weet je dat ze zelfmoord gepleegd heeft?’

‘Wat anders? Natuurlijk heeft ze zelfmoord gepleegd, de lafbek!’

Als ze zich inderdaad zelf het leven had benomen dan was het omdat ze de toekomst niet onder ogen had kunnen zien. Hij kon haar geen ongelijk geven. ‘Als dat zo is, dan had ze er reden toe,’ zei hij. ‘Zij was heel ernstig ziek.’

‘Nou, dan was ze ziek! Wat wou ze anders, na zich te hebben laten opzitten door iedere kerel die er de centen voor had? Wat had ze dan verwacht? Vleugels en een harp?’

‘Kom nou, Viola, kom nou,’ zei hij, in zwak protest. ‘Ze kon het echt niet helpen. Je moet niet zo over haar praten.’

‘Laat me niet lachen. Zíj kon het niet helpen? En ik dan? Er is geen natuurlijke opening in mijn lichaam die niet door de een of andere witte schoft verkracht is voordat ik veertien jaar oud was! Hoe ziek denk je dat ik ben? Vergeleken met die hoer ben ik zo rot als een mispel! Hoe lang denk je dat ik nog te leven heb? Hoe denk je dat ik aan mijn eind kom? Maar ik zal nikkers uit de gevangenschap blijven leiden, al moet ik het op mijn knieën doen! Bah! Die laffe slet!’ De woede in haar bloeddoorlopen ogen was bijna waanzin.

Gedurende enkele ogenblikken was hij zich bewust, werkelijk bewust, wat het moest betekenen een slaaf te zijn. En toch was geen blanke ooit in staat zich met hen te vereenzelvigen, zelfs hij niet, die zijn vrijheid op het spel zette om hen te helpen. Terwijl hij daar stond, overrompeld door een onredelijk gevoel van schuld, werd er opnieuw geklopt.

‘Wie is daar?’

‘Ik ben het, dokkie, de sheriff.’

Hij draaide zich om om haar te waarschuwen, maar zij was al verdwenen, even geruisloos als zij gekomen was.

Hij deed de deur open. Aan de rand van de nacht stond de zware ge-

[p. 105]

stalte van de sheriff. ‘Het spijt me, dokkie, dat ik zo laat ben, maar ik moest eerst die negers boeken. Ik moet je bekennen dat ik het niet voor mijn plezier deed, maar wat wil je, ik heb geen keus, plicht is plicht.’ Hij klom het trapje op en kwam dreunend de woonwagen binnen. ‘Maar ik hou ze wel vast tot de rechtmatige eigenaar op komt dagen. Ik denk er niet over om ze aan die slavenjagers uit te leveren. Ik...’ Hij zag het lijk op het bed. Het zag er zo verfomfaaid uit, dat hij vergat zijn hoed af te nemen. ‘Hebt u de overlijdensakte al uitgeschreven, dokkie?’

‘Nee, daar wilde ik net aan beginnen.’ Rossini ging aan het tafeltje zitten en haalde schrijfbloc, pen en inktpot uit zijn instrumententas.

‘Wat is de doodsoorzaak? Verdrinking?’

Rossini schroefde het dopje van de inktpot en doopte zijn pen in.

‘Zelfmoord?’

‘Dat is niet gezegd. Ze kan gestruikeld zijn, haar evenwicht hebben verloren, in ieder geval zat haar mantel verward in een van de dollen en de boot was gekapseisd.’

‘O, ze is zeker katholiek,’ zei de sheriff. ‘Ik zou me de moeite maar besparen, dokkie, want er is hier geen katholieke begraafplaats te bekennen, hoor. Daarvoor moet je helemaal naar Fort Wayne. Hier liggen niet anders dan Quakers, Presbyterianen en Ierse Protestanten, die alleen na de dood bij mekaar hokken. Maar zelfmoord of geen zelfmoord, je moet niet denken dat je haar in een van de begraafplaatsen hier kunt onderbrengen. Een hoer, tussen al die uitgestreken ... ze zullen je aan zien komen!’

Rossini antwoordde niet, zijn pen kraste in de stilte.

‘Afijn, we zullen haar maar in de boevenakker begraven, tussen de gehangenen. Dat doen we met de Indianen ook.’

Rossini zei niets. Pas toen hij de pen en de inktpot weer in zijn tas had gedaan en hij de sheriff het papier overhandigde zei hij: ‘Maak je geen zorgen over de begrafenis, laat die maar aan mij over. Ik zal wel iemand sturen, vanavond, om haar weg te halen.’ Zonder op het commentaar van de sheriff te wachten, zette hij zijn hoed op en verliet de wagen.

Buiten stond hij in twijfel. Hij dacht erover om de Quakers te vragen of Lily misschien in hun begraafplaats ter aarde mocht worden besteld, maar dat was te veel gevraagd. Hij moest zelf maar een plekje bedenken. Hij klom moe in zijn brikje, klakte met de tong; zijn afgematte merrie zette het op een sukkeldrafje.

Halverwege de donkere straatweg naar de school ontwaarde hij een eenzame wandelaar onder de bomen. Hij hield in en ontdekte dat het de jonge Quaker uit Philadelphia was, Mordechai Monks reisgenoot. ‘Ik ben op weg naar de school. Wilt u misschien meerijden?’

‘O, graag. Dank je.’ De jongeman sprong in de sjees en ging naast hem zitten. Rossini had geen zin in praten en hij was blij dat zijn metgezel er blijkbaar net zo over dacht. Zij reden in stilte naar de school; toen hij voorreed zag hij nog licht in Abners kantoor op de eerste verdieping.

[p. 106]

Boven vond hij Abner, Lydia en Will de dwerg bijeen in de hoge, sombere kamer. Abner leek misplaatster dan ooit achter het bureau, het was alsof de schim van zijn autoritaire vader nog altijd het vertrek beheerste.

‘Hoe gaat het met Mordechai Monk?’ vroeg Ab